Hilde Christens

Gebruikersnaam Hilde Christens

Teksten

Not everybody is ready for Africa

Ik weet niet wat eerst mijn aandacht trekt: de stralend witte lach van Albert of zijn opgeblonken driewieler, schitterend in de Ghanese zon, alsof ook die met een tandenborstel te lijf werd gegaan. Mijn medereizigers zijn verrast door dit originele voertuig, een aangename afwisseling op de veel te krappe, veel te gammele, veel te warme trotro’s waar we tot nu toe mee gereden hebben.  “Are you Joka group? Are you miss Hilda? Come, let’s go!” Geestdriftig wenkt Albert ons, maar gehaast is hij allerminst. Hij neemt uitgebreid de tijd om ons allen te begroeten en laat me een voorbijganger een spoedcursus fotografie geven: zo houd je de camera, hier moet je door kijken en op deze knop moet je drukken. Zoals vele andere chauffeurs of gidsen die we al ontmoet hebben hecht ook Albert veel belang aan een group picta. Op de eerste foto zijn we allemaal onthoofd, op de tweede is enkel mijn achterhoofd zichtbaar. De derde foto wordt genomen door een van de vele kijklustigen die zich intussen rond ons verzameld hebben. De kadrering is niet ideaal en de trike staat er niet volledig op, maar wij tenminste wel, inclusief onze eerste fotograaf die zich duidelijk beter voelt voor de camera dan erachter.   Blonde, goedlachse Amy wordt uitgenodigd om vooraan naast Albert plaats te nemen, de zes andere vrouwen schuiven haastig op de bankjes in de laadbak. Enkel als er plaats genomen wordt in een voertuig of aan tafel reageren deze dames zonder dat ze daartoe moeten worden aangemaand, bedenk ik me. Alsof het zien van zitplaatsen hun gedachtegang aanzienlijk versnelt. In een fractie van een seconde hebben zij immers alle mogelijke voor- en nadelen van elke zitplaats geanalyseerd, alsook alle mogelijke opstellingen van ieder van ons. Besluitvorming volgt zodanig snel op deze analyse dat het gelijktijdig lijkt, en verrassend genoeg is zij onder deze zes vrouwen ook steeds unaniem.  Nauwelijks hebben zij hun blanke kont op de bankjes neergevleid, of zij vatten hun meerstemmig commentaar aan. “Waarom mag zij vooraan zitten en ik niet?” “Ik hoop dat we hier niet te lang in moeten zitten, die bankjes zijn verdomd hard.” “Zie maar dat je niet achteraan zit, dan kan je eruit vallen, zo gevaarlijk als dit is!” “Oh, ik vind het nu al doodeng en we zijn nog niet weg.” “We zijn toch wel verzekerd he?” “Ik hoop dat dit niet de verrassing is waar je over sprak Hilde, en dat er ons nog iets leuks te wachten staat straks.” Ik zet mijn beste professionele pokerface op en probeer enkel klanken te ontwaren, ontdaan van elke betekenis. Ik doe dit niet voor het eerst en ik weet dat ik meer geduld heb met de kakelende kippen die nu voor mijn geestesoog verschijnen dan met deze jonge vrouwen. Helaas werkt mijn trucje deze keer niet. De trike is inderdaad de verrassing die ik voorzien had, en ik voel me mismoedig nu zelfs dit niet geapprecieerd wordt. Hoe kan ik deze mensen in hemelsnaam ooit een plezier doen? Waarom schreven zij zich in voor deze rootsreis van Joker en hebben zij niet gewoon bij Neckermann geboekt?  “Kom, ik help je erin.” Jorne neemt me bij de hand en knipoogt naar me, als ik instap geeft hij me een bemoedigend kneepje. Nu lukt het me wel om niet te luisteren naar het gekwetter van de vrouwen, al halen hun hoge gilletjes als we door een kuil of over een wortel rijden me af en toe wel uit mijn gemijmer. Ik geniet van de rood bestoven weg die onder ons heen verschijnt, van de breed lachende mannen in de schaduw van bomen, van de zwaaiende kinderen die al rennend onze snelheid proberen te evenaren, van de honden die ongegeneerd breeduit liggend de weg opeisen, van de rondborstige vrouwen met pak op hun hoofd en kind op hun rug.    “Here we are, this is tha house of tha medicine man!” Albert parkeert zijn driewieler in de schaduw van een boom, een beetje teleurgesteld stappen Jorne en ik als eersten af. Voor ons had het ritje gerust nog wat langer mogen duren, maar de vrouwen zijn beduidend opgelucht. De spanning en het heen en weer geslingerd worden bij het ontwijken van kuilen, wortels, honden of kinderen op de weg, heeft hen misselijk gemaakt. Twee van hen zijn wit als een doek, al keert hun kleur snel terug zodra ze met hun bibberbenen vaste grond raken. Dit keer hebben ze echter de kans niet om hun opmerkingen te geven, want binnen een mum van tijd hebben we elk drie of vier kinderen aan onze vingers hangen. De warmte van de Afrikaanse zon straalt nu ook in de ogen van de vrouwen en gewillig laten ze zich door de kinderen naar het erf van de medicijnman voeren.  Onverhoeds en vastberaden als een horde mieren op weg naar hun koningin, dringen daar de meest weerzinwekkende reukpartikels onze neusgaten binnen. Er is geen tijd om zelfs maar een hand voor onze neus te slaan, aan een rotvaart rukken ze genadeloos op. Hoe ver we onze mond ook opensperren en proberen hen te verjagen door diep in te ademen of te kokhalzen, toch kunnen we deze aanslag niet afweren. Mijn ogen tasten het erf af op zoek naar de bron van deze stank en ontwaren daar, naast een pruttelende kookpot, de resten van een geit, haar poten opengesperd in totale weerloosheid.   De kinderen drijven ons het huis in waar ze zelf onmiddellijk weer worden buiten gejaagd. We bevinden ons in een donkere salon, onderuitgezakt in een comfortabele lederen zetel zit daar de medicijnman. Hij is dik, zijn vingers en lippen glinsteren van het vet van de kippenbouten waar hij als een uitgehongerde het vlees af scheurt. Sabbelend op een botje roept hij een man bij zich en in een ons onverstaanbare taal geeft hij hem te kennen dat hij klaar is voor een gesprek met ons. Hij gooit het botje uit het raam, waar honden erom vechten, boert luid, knoopt zijn jeans en zijn hemd open en zakt zo mogelijk nog meer onderuit. Wij mogen plaats nemen op de bank tegenover hem. De vrouwen zijn intussen blijkbaar weer helemaal de oude, want ik hoor hen schaamteloos commentaar leveren op de man die onmogelijk een medicijnman kan zijn, want waar zijn zijn amuletten, zijn dierenvachten en zijn masker? Het is toch overduidelijk dat deze ongemanierde dikzak in jeans een charlatan is? Jorne, Amy en ikzelf converseren via een tolk met de medicijnman en verontschuldigen het onbehouwen gedrag van de anderen. We spreken over verschillende denkkaders, afwijkende culturele gewoontes, de nood om opgedane indrukken te ventileren bij gelijkgestemden. De medicijnman glimlacht gemoedelijk, “not everybody is ready for Africa”. Het zijn zijn enige woorden in het Engels en het is de enige keer dat hij ons aankijkt.    Na het onderhoud met de medicijnman worden we uitgenodigd voor een drum and dance op het erf, de traditionele manier om gasten te verwelkomen. De vrouwen rollen met hun ogen, weeral een drum and dance. Gelukkig zijn er hier talloze kinderen die voor afleiding kunnen zorgen en zonder al te veel morren zetten ze zich tussen de toegestroomde dorpelingen in de kring. De drummers, uitgedost in traditionele kledij, nemen hun plaats in en als ook de medicijnman - dit keer wel degelijk uitgedost met amuletten, dierenvacht en masker - de kring betreedt, is het tijd voor de kinderen om op de achtergrond te verdwijnen. De vrouwen gooien stukken vlees op het erf, de kinderen vliegen erop af als honden op een kippenbot en vechten om een stukje. Ze krabben, ze bijten, ze schreeuwen, ze slaan, ze duwen en trekken om toch maar iets lekkers te bemachtigen. Verstomd en verlamd kijken we toe, en pas als een vrouw een pot vlees voor de allerkleinsten brengt, durven we terug te ademen. Het wordt stilaan te veel voor mijn deelnemers, ik weet dat ik hen daar snel moet weghalen. Maar weg gaan nog voor de drum and dance is begonnen, is grof en respectloos. Ik beloof mijn medereizigers dat we maximum tien minuten naar het spektakel zullen kijken alvorens te vertrekken en neem me voor om vanavond voor het slapen gaan een kringgesprek te houden over de indrukken die we vandaag hebben opgedaan.  Op dat moment verschijnt er een danseres. ze stampt met haar voeten op de grond, zwaait haar hoofd in haar nek, gooit haar armen in de lucht. De drummers drijven het tempo op, de voeten stampen sneller en sneller. Armen gaan op en neer en lijken wel van elastiek, handen bewegen zo snel dat het lijkt alsof ze twintig vingers hebben elk. Zweet stroomt over voorhoofden en ruggen, ogen worden wijd opengesperd. De danseres valt op de grond en slaakt een kreet, haar ogen draaien weg, schuim komt op haar mond, haar armen, benen en hoofd schokken. Vier mannen lopen de kring in en halen haar weg. We kijken naar elkaar, beduusd, en vragen ons af of we allemaal hetzelfde hebben gezien. Net als we aanstalten maken om te vertrekken, komt ze terug. Ze beschikt over een bovenmenselijke kracht en schudt de vier mannen van zich af. Ze steekt haar vingers in een pot, tekent strepen op haar gezicht en graait met haar handen in het stof op de grond. Ze slaakt onmenselijke kreten en gooit het stof over zich heen, tolt rond, bukt, neemt nog meer, gooit dit over de toeschouwers. Ze graait en gooit en graait en gooit en graait en gooit en tolt maar in het rond. Bruusk sta ik recht, mijn reisgezellen volgen onmiddellijk. Voor mij uit haasten ze zich naar de trike, ik richt nog enkele woorden van dank tot de medicijnman en maak me dan ook snel uit de voeten. Buiten gekomen haal ik diep adem. Wat. Was. Dat.    Op de terugweg wordt geen woord gesproken. Eenmaal terug haast iedereen zich naar zijn kamer, niemand wil vandaag nog in een kring zitten. Ik blijf alleen achter en rol een sigaretje. Ik kijk toe hoe de rook langzaam oplost. Als mijn sigaret op is, rol ik een nieuwe. 

Hilde Christens
0 1

verdikte tijd

Die dag op de trein tikte de tijd tergend traag voorbij. Er was geen rood sein, geen technisch probleem, geen mensen op het spoor of geen andere trein die voorrang moest krijgen en dus stiefelden we aan een gestaag tempo richting Brussel. Ik zag lege wasdraden en argeloos achtergelaten driewielers, een man in boxershort die lusteloos in zijn ballen dabde, een verzameling van afgedankte frigo’s en wasmachines waar kippen tussen scharrelden, verveelde koeien die onbegrijpend naar me terug staarden. En toch, terwijl de achterkant van het leven als een woeste rivier aan m’n ogen voorbij raasde, verdikte de tijd in de trein tot honing die maar niet van je lepel wil vallen.    Het gebeurde in het vorige station. Een menigte druilerige pendelaars verdrong zich voor de deur, maar niemand van hen kon voorbij aan de immense, zweterige vetklomp die zich als eerste in de wagon neer plofte, naast mij. Als op commando gingen de haren op mijn armen overeind staan.  Ze doorbraken eensgezind en zonder aarzelen de millimeter afstand tussen zijn arm -bloot, donker behaard en bezweet - en de mijne. Schielijk trok ik mijn arm terug en krabde in mijn haar. Daarbij probeerde ik subtiel ook mijn oor te bedekken, om toch maar die zware, hijgende ademhaling niet te moeten horen. De kolos boog zich voorover en opende daarbij zijn benen om ruimte te geven aan zijn pens. Ik wilde elk mogelijk lichaamscontact vermijden, sloeg mijn benen over elkaar en dook verstijfd ineen tegen het raam. Steunend greep hij zijn rugzak en haalde er een van vet doordrongen papieren zak uit. De geur van warme worstenbroodjes die eruit op steeg haalde mijn maag, nog nuchter om kwart over zeven ‘s ochtends, overhoop. Ik dwong mezelf om uit het raam te kijken. Voor het eerst in jaren pendelen vervloekte ik mezelf dat ik geen headset bij had, zodat muziek op zijn minst het geslobber en gesmak uit m’n oren kon verdrijven. Tot twee keer toe verdween de hand opnieuw in de papieren zak. Ik sloot m’n ogen en probeerde me te concentreren op een vluchtplan. Zijn lichaam was echter zo gigantisch in omvang dat ik hem niet zomaar voorbij kon. Het idee hem te moeten aankijken om te vragen of ik er even langs mocht, joeg de rillingen over mijn rug. Ik stelde me varkensoogjes voor, smakkende lippen die glinsteren van het vet, vier kinnen, zweet dat langs zijn slapen naar beneden stroomt. Ik panikeerde bij het idee dat hij niet vóór mij zou afstappen en overwoog de mogelijkheid om desnoods een station verder te reizen. Mijn ene been begon zwaar en dof te tintelen, maar ik kon het andere er niet af nemen zonder de man te raken. Ik verbeet het nu brandende gevoel, overwoog of ik zou afstappen in Brussel Noord, ook als de papzak bleef zitten, of één, desnoods twee haltes verder zou rijden. Hem aanspreken, in zijn gezicht moeten kijken en mogelijk ook moeten aanraken, of nog minstens vijf minuten langer deze kwelling ondergaan?   Ik opende m’n ogen nog voor ik besefte waarom, en werd overweldigd door een plotse invasie van zintuiglijke stimuli. Ik rook een doordringende stank, als van gebakken ui en camembert die te lang in de zon heeft gelegen. Tegelijkertijd zag ik de immense, witgerande zweetvlek die nu vlak voor m’n gezicht zweefde. Ik voelde hoe zijn arm m’n knie raakte in een poging het vettige zakje in het vuilbakje te proppen dat onder het tafeltje hing waar ik me in al mijn afgrijzen aan vastklampte. Pardon, baste de papzak, en daarbij vloog er een restantje van zijn worstenbrood voor me door in de richting van mijn arm die over het tafeltje lag. Met een schok kwam ik overeind. Ik stootte zowel m’n knie als m’n elleboog tegen het tafeltje en kon amper een schreeuw onderdrukken. Pijn schoot door m’n arm en beide benen. Het onder bacteriën en speeksel bedolven stukje vermalen vlees en dierlijk vet dat net zijn grote vraatzuchtige mond verlaten had, belandde op mijn arm, net onder mijn pols. Vol afgrijzen hield ik m’n arm voor me uit en hoewel mijn jas me gelukkig gered had van direct contact met het minuscule, half vermalen etensrestje, voelde ik m’n pols gloeien. Mijn obese buur zat inmiddels terug recht. Hij haalde luidruchtig zwoegend adem, alsof hij zonet een marathon gelopen had onder de Griekse zon in plaats van enkel zijn arm uit te steken naar een vuilbakje. Ik wilde een zakdoekje nemen om m’n mouw proper te vegen, maar mijn rugzak onder mijn zitje was net buiten bereik. Ik strekte mijn arm al uit, maar besefte dat ik zodanig veel opzij moest buigen dat ik niet anders kon dan de dikzak met mijn schouder te raken in zijn derde buikkwab. Bovendien zou mijn neus even ter hoogte van zijn meurende oksel blijven hangen, dus zag ik maar snel van dat idee af. Stiekem veegde ik het voedselrestje aan de zijkant van het zitje voor mij en nam me voor om mijn jasje vanavond onmiddellijk in de wasmachine te steken.    Ik keerde me terug naar het raam en met m’n ellebogen op het tafeltje en mijn vingers nu ostentatief in mijn oren keek ik door zijn weerspiegeling heen hoe we aankwamen in Vilvoorde. Bijna extatisch registreerde ik ‘s mans aanstalten om uit te stappen. De walm van ui en camembert toen hij z’n arm op de hoofdsteun voor hem legde, het gekreun dat hij uitstiet toen hij zichzelf omhoog probeerde te hijsen. Het hijgen toen hem dat niet lukte, de scheet die aan hem ontsnapte bij de tweede poging. Eindelijk stond hij daar, in al zijn logheid, en voor het eerst durfde ik hem aan te kijken. Hij nam zijn rugzak en draaide zich om om uit te stappen, zijn met pukkels bedekte bouwvakkersreet liet hij me na als onvergetelijk adieu.  

Hilde Christens
10 2

Beloftevol blauw

Jullie uniformen hingen te drogen op de draad rondom het schoolterrein. Ze waren van de mooiste tinten beloftevol blauw, alsof de school jullie zo een toekomst wilde garanderen als die van een koning, of van Yves Klein. De school leek verlaten, hoewel de vakantie pas over twee weken zou beginnen. De ventilatoren draaiden niet. Het alfabet werd niet in meerstemmigheid opgedreund. Achter de ramen verschenen geen olijke gezichtjes. Jullie meterslang uitgestalde uniformen konden ons enkel jullie stemmetjes en spel doen vermoeden. We slenterden wat langs de draad. De leraressen in mijn groep waren teleurgesteld en keerden al snel terug. Ze hadden graag een les mee gevolgd, of een leerkracht geïnterviewd. De aanblik van de verlaten school met slechts twee lokalen, één schoolbord en beduidend meer stoelen dan lessenaars had hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Toen zag ik jou. Je stond in de deuropening, onbeweeglijk. Argwaan had je doen bevriezen op je weg naar buiten. Je blik liet me niet los, met je ene hand klemde je je vast aan de deurstijl. Je reageerde niet op mijn groet, noch op mijn vraag of ik je mocht fotograferen. Daar, in die deuropening, tussen al dat blauw en met wantrouwen in je ogen, was je prachtig mooi.   Je bleef maar kijken, ik werd er ongemakkelijk van. Ik wilde zachtjesaan voor je ogen vervagen, ik wilde verdwijnen zonder te bewegen. Toen ik uiteindelijk langzaam achteruit week, lieten je ogen me niet los. Ik draaide me om en keerde terug naar mijn groep. Ik vertelde niet dat ik jou gezien had, maar stelde voor om te vertrekken. Enkele tientallen meters verder keek ik nog één keer over mijn schouder. Je stond er nog, onbewogen, en een ogenblik lang verbeeldde ik me dat je me recht in m'n ziel keek.   Ik diende de foto in voor een wedstrijd en viel ermee in de prijzen. Nu hang je uitvergroot boven mijn bureau, je ogen volgen me doorheen het huis. Verder blijf je voor eeuwig onbeweeglijk, immer onbewogen. 

Hilde Christens
26 1

Opleiding

Korte cursus reisverhalen schrijven (4 avonden)