Lezen

Deus ex vagina

    een krullenman verkoopt vergulde hangertjes verderop vindt men het omgekeerde kruis waaraan een wezen hangt van een vreemde planeet allicht de blik is zo oneindig leeg een roze rug met ruige strepen chot misschien voelt het zich beter dacht men thuis als alles op zijn kop staat zwaartekracht het lood weer uit zijn poten krijgt vooralsnog was het voor deze wereld ongeschikt verklaard   geslagen onverslagen heel verkeerd gereden legotreintjes liggen gans de dag aan diggelen de doos is veel te groot de kleuren flets geworden door de interesse van de zon en ooit heb ik getracht een kleine guillotine na te maken veel te bot jouw brieven kreeg ik niets eens doorgeknipt bewaard zijn ze gebleven door het toedoen van dit waardeloze tuig   twee mensheden later toen alles mooi verdwenen leek zag het land weer een armada soortgelijke strijders soldiers of sorrow krekels mieren karren vol beladen met veel wierook bier met handboeken over het maken van een godenkind de aarde hield het hart weer vast verstopte snel de souvenirs van vroeger hangers kruisjes lego rare brieven beefde licht ze schrokken amper en de blauwe bol hij zag het al gebeuren hoorde hen met grote woorden spreken over kloven in de zee het vrome vuur   nog één verhaaltje wachten wist hij en dan komt er weer een redder een verlosser deze keer misschien gewoon verwerkt door Jan de Mosselman herhaalde steeds dat liedje van   “samen vullen we  een heilig kutje   dat zo heerlijk  kreunen kan”         uit de reeks  'Hormonoloog'

Bernd Vanderbilt
2 0

De onrust van de steenbok

    Het onderricht inzake het kweken van gele snoeptomaatjes en de houdbaarheid van windeieren alsook de cursus kaasmaken van bokkemelk heb ik met glans beëindigd. Soms blijf ik me vragen stellen. Over wederkerige cirkels, waar het nut van onnodig geweld vezonnen wordt, over de blindheid van het zijn, de onbewuste wreedheid van te vele mensen. Alfred snurkt, heeft gisteren een afspraak met de eeuwigheid gemaakt, zijn scheve schaatsen laten rechten slijpen. Bij de noordpool woont een ijsmeisje, zegde hij, dat valse warmte voelen kan.   I have a dream, een bordje vol met koude frietjes en ik neem een laatste slokje limonade voor de kalmte in het suikerloze bloed. Panicum virgatum groeit hier duivels goed, verdringt de onschuld van de kleine planten, heb de zoden uitgespit en ze gekloond in 9cm-potjes om ze weg te geven aan de schrale grond van vergelegen streken. Ik denk daarbij aan jou -dat weet je- en de zon lag op mijn schouders omdat ze goed wist dat ik haar eenzaamheid verdragen kan.   Alfred draait zich om. De wende gaat wat onvoorzichtig en zijn bedje moet ik dringend met wat nieuwe schroeven sterker maken dan de drank die zwakke wezens klein gekregen heeft. Ik zorg voor hem als voor de droom, ik gooi de frietjes weg en zet de mayonaise op zijn nachtkastje. Het dekseltje ligt op zijn kop, het potje laat ik open. Het is ongeweten. Of de nacht misschien met droge lippen onze rust verstoort.   Ik geef hem nog een zoen en ja, zijn recepten zijn van goud, de harten veilig opgeborgen en de sterren schikken zich. De pool is weer het noorden kwijt.           uit de reeks  'Alfred frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vlinders van de duisternis

    vlinders zijn de knapste personages vliegen vaak als naakte airhostesses in de tempeltuin ligt een godin al jaren zich wat blind te staren op verlegen asters minnekruid het wolkendek lijkt nog volledig in te kleuren als het grijs vakantie heeft   elders stapt hij klaveren zot afkomstig uit een haast versleten kaartenspel kocht twee broodjes bij een bakker die het leed vergeten was en gisteren toen waren er zelfs taartjes aardbeien versierden sober één en ander   weet hij nog omdat hij slechts in heel beperkte mate dronken was wat rum met munt genoten had een evergreen weerklonk die hem aan stapelgekke spelletjes deed denken     bij geluk liep hij niet helemaal voorbij hij zag voor ’t eerst veel meer dan zwart en rood de tuin lag vol met vruchten en de bloemen konden haar niet meer verbergen door de warmte hielden enkel zonnehoed lavendel hier en daar de tuin nog recht   dichterbij gekropen was hij overleefde zelfs het doornveld hij vroeg zich af waarom het veel te blote egeltje daar in een navelputje lag de kriekjes hier geen schaamte kenden ook waarom zich een fluwelen ego voor de zon had uitgerold   ongeduld kende hij niet en hij zou wachten op een ouderwetse schaduw op de scheuten van een nieuwe jeugd doch met het avondrood verdween het groen leek nu veeleer gedroomd de klaveren waren gewoon weer zwart   hij vond niet eens de weg terug naar hartenaas naar het gelach van koninginnen dacht dat hij de leegte van de nacht nu dragen moest de dwaas hij zag niet eens   de vlinders van de duisternis         uit de reeks  'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
1 0

Tantolga

Tantolga   Marcelleke is verdwenen. Drie dagen geleden heeft de oude mevrouw Olga hem voor het eerst gemist. Zoals elke ochtend heeft ze toen van uit haar raam op de eerste verdieping naar de tuin gekeken en gezocht naar de gestalte van de elke voormiddag daar werkende tuinman. Maar ze zag hem niet. Een heel lange tijd is ze geduldig blijven kijken en hopen dat hij plots van achter een boom of van uit de hazelnootstruiken zou opduiken. En niemand weet iets. ‘Marcelleke? De tuinman? Ik zal er eens naar vragen,’ zeggen de schoonmaakster die de vloer van de kamer komt dweilen en de verpleegster die voor de vier- of vijfduizendste keer met een insulinepen komt prikken. Uren later komen ze nog eens binnen en schudden hun hoofd. Niemand weet iets over de tuinman en niemand maakt zich zorgen over dat Marcelleke. Olga boort haar blik in hun ogen en ziet dat ze liegen. Ze weten wel iets, maar ze willen het niet zeggen. Olga kijkt naar het boek dat ze de vorige avond op de tafel heeft gelegd, maar ze heeft geen zin in lezen. Ze sluit haar ogen en ziet hetzelfde boek nieuw en nog ongelezen op een andere tafel liggen. Ze zit ook in een andere woonkamer, ze draagt een lichtblauwe en aan de hals laag uitgesneden japon, ze is dertig jaar en kijkt naar de wieg waarin de twee maanden eerder geboren Hanna ligt. Een klepperende badkamerdeur heeft haar de vorige nacht gewekt. De gisteren door Frank Deboosere na het journaal aangekondigde windkracht zeven heeft niet alleen tegen de deuren gebonkt, maar met zijn harde vleugels ook tegen het raam gestoten. Tussen drie en vijf heeft Olga naar die wind liggen luisteren en misschien heeft ze wel tien keer neen gezegd tegen de neiging om op te staan en de kleppende deur in het slot te duwen. Luisteren naar wind en regen kleurt soms haar dromen en herinnert aan nooit helemaal voltooide reizen uit de tijd toen Hanna er nog was. Misschien moet ik Laura bellen, denkt Olga, maar meteen kijkt ze verrast op en schudt haar hoofd. Nicht Laura is de dochter van haar nu al bijna dertig jaar geleden aan kanker overleden zus. En nadat haar eigen dochter Hanna de deur met een harde klap achter zich had dichtgetrokken, is die Laura de laatste schakel van een verbrokkelde en bijna uitgestorven familie. Vier of vijf maal per jaar komt ze Olga een vluchtige kus op de twee wangen geven. Na een half uur is ze uitgepraat, maar dan haalt ze een fles rode wijn uit haar tas en zegt: daar zit mijn Tantolga op te wachten. Olga zit er niet op te wachten. Een paar keer heeft ze gedacht: ik giet die wijn in de toiletpot, maar dat heeft ze nog nooit gedaan. Na een glas wijn voelt ze nog beter dat ze aan die Laura een hekel heeft. En dat ze liever geen Tantolga wil genoemd worden. Olga tikt op een paar toetsen van haar gsm en sloft naar het raam. Ze kijkt naar het hier en daar al wat geel wordend groen van de bomen en naar de voor wind en regen onverschillige haagdoorn. Een tuinekster hippelt tussen de bloemperken en is gulzig op zoek naar wormen. Een van de laatste zomerbloemen hangt met de kop naar beneden. Als Marcelleke er was, had hij die door de wind geknakte stengel misschien al afgeknipt. Vlak voor of na het middagmaal zou hij dan op haar deur komen kloppen. Als bij de vorige afgeknakte bloem zou hij haar met van schuchterheid wat trillende mondhoeken bekijken en alleen maar zeggen: ‘asjeblieft, mevrouw.’ En dan zou ze nog eens denken: hij heeft heel zachte ogen. De vader van Hanna had geen zachte ogen. Ook geen zachte handen. Maar deze herinneringen duwt Olga weg. Ze luistert naar het gezoem in de gsm. Is Laura niet thuis? Of heeft ze zich overslapen en staat ze nog bloot en nat in haar badkamer? ‘Hallo?’ Laura’s stem klinkt vermoeid en komt van heel ver. In de achtergrond van die stem zit iets dat meer dan een beetje lijkt op de stem van Hanna’s vader. En op Hanna’s stem, voor ze opgewonden en kwaad riep dat ze naar Nieuw-Zeeland ging wonen en nooit meer terugkwam.   ‘Met je tante,’ zegt Olga en ze knijpt haar gsm. Ze zou hem op de vloer willen gooien en vertrappelen. Is het niet een beetje dwaas geweest om Laura te willen vragen om naar de tuinman te informeren? Ze stelt zich voor dat Laura nu haar voorhoofd rimpelt en met de vingers op een tafelblad trommelt. En dat ze denkt: zou dat ouwe mens van plan zijn een nog grotere zaag te worden?               De stem van Laura kruipt uit een kleverig dichte nevel. ‘Is er iets?’ vraagt ze. ‘Nee, nee, nee,’ zegt Olga. ‘Het leven kabbelt hier in steeds dezelfde rustige bedding verder. En ik hunker ook niet naar rooie wijn. Maar de tuinman is verdwenen. En niemand weet iets. Ik bedoel: ze weten het wel, maar ze willen er niets over zeggen. Ik heb er een raar gevoel bij.’ ‘Sinds wanneer is mijn tante in tuinmannen geïnteresseerd?’ De hoge lach van Laura irriteert haar. Olga vermoedt dat Laura met een wijsvinger op haar voorhoofd tikt en denkt: is die Tantolga een beetje gek aan het worden? ‘Ik heb zondag van de tuinman gedroomd,’ zegt ze. ‘Ik zag hem als een kabouter door een bos lopen. En plots was hij verdwenen. Een dag later was hij ook echt uit de tuin verdwenen.’ ‘Dromen zijn altijd te mooi of te dwaas om waar te zijn,’ zegt Laura. ‘En oude tuinmannen zijn minstens even onbetrouwbaar als boskabouters. Ze gaan af en toe op stap en niet altijd op rechte paden. Nog meer dan hun zonen of kleinzonen verslijten ze hun ellebogen aan vuile tapkasten of ze gaan in vieze straten naar nog viezere vrouwen loeren. Ik zal er eens met de directeur over spreken. Hij zal wel weten waarom die Marcel er niet meer is. Waarom heb je het hem zelf niet gevraagd?’ Omdat die directeur niet deugt, zou Olga willen zeggen. Omdat zijn kaalkop te veel blinkt, omdat er te veel zwarte sterren in zijn ogen flikkeren en omdat hij met zijn dikke vingers te hard op mijn door artrose aangevreten schouders duwt. Maar ze zegt het niet. ‘Aan die gluiperd vraag ik niets meer,’ mompelt ze. Laura zucht en zegt dat ze misschien al in de namiddag zal komen.   Een half uur later komt verzorgster Iva binnen met het middagmaal. ‘Rode kool met blinde vink,’ zegt ze. ‘En een potje yoghurt.’ Soms wel twee keer per week komt iemand vragen waarom ze de laatste tijd zo vaak uit de eetzaal wegblijft, waarom ze liever alleen op haar kamer blijft eten. Olga is het al lang beu om daar een antwoord op te geven. Met een handgebaar wuift ze de vragen weg. Ze houdt niet van het op en neer golvende en eindeloze gebabbel aan die veel te dicht naast elkaar staande tafels en van de commentaren over televisiefeuilletons die ze toch niet of maar nauwelijks bekijkt. Haar gedachten dwalen dan altijd af, ze ziet Hanna met een ijsje in haar buggy zitten, ze kijkt naar hagedissen op zonovergoten Provençaalse muren of ze luistert naar het gekras van Poolse kraaien. ‘Weet jij iets over de tuinman?’ Iva fronst de wenkbrauwen. ‘De tuinman?’ ‘Hij lijkt verdwenen,’ fluistert Olga. ‘Die tuinman is geen gewone tuinman,’ zegt Iva. Dat heeft Olga ook al gedacht. Zijn gescharrel in de tuin lijkt meer op vrijwilligerswerk en hij lijkt ook te oud om als een echte tuinman te moeten werken. ‘Hij woont ook niet in ons bejaardentehuis,’ zegt Iva. ‘Hij heeft een kamer in het oude en binnenkort af te breken bijgebouw. En hij eet in een hoekje van de keuken. Maar hij zegt geen tien woorden per dag. Misschien is hij een beetje doof. Als de directeur hem iets komt zeggen, praat hij altijd in het oor van die tuinman.’ ‘Twee weken geleden heeft hij mij een rode dahlia uit de tuin gegeven,’ zegt Olga. ‘De herfststorm van vorige nacht heeft weer enkele bloemstengels geknakt. Ik had een beetje verwacht dat hij ook nu een door de wind gekneusde bloem zou brengen.’   Iva belooft hier en daar naar de tuinman te vragen. ‘Laat de blinde vink niet koud worden,’ zegt ze in het deurgat van de kamer. Het vlees en de met pastinaakwortel gemengde aardappelpuree smaken lekker. De yoghurt blijft staan. Olga houdt er niet van en vindt het leuk om de strenge wetten van de dieetgoden af en toe aan haar laars te lappen. Aan de tuinman zou ze willen vragen om een of twee keer per week een haar verboden kom rijstpap met bruine suiker naar haar kamer te smokkelen. Een half uur later komt Iva het eetgerei halen. Ze komt heel dicht bij Olga staan en fluistert in haar oor dat de tuinman spoorloos verdwenen is en dat de politie naar hem op zoek is. Want om een of andere reden mocht hij het tehuis niet zomaar verlaten. Olga moet haar beloven dat ze aan niemand zal zeggen dat Iva haar dit verteld heeft. Olga knikt en grijpt Iva’s handen. ‘Wat weet je nog meer?’ vraagt ze. Iva schudt haar hoofd. ‘Misschien weet ik morgen meer,’ zegt ze. ‘Tot straks.’ Twee uur later wordt er overdreven luid op de deur geklopt. Olga ontwaakt uit haar soes en ziet Laura binnenkomen. Een groene mantel verbergt haar weldoorvoede lichaam en een knalgele sjaal hangt als een vloek onder haar kin. ‘Ik heb veel en groot nieuws,’ zegt Laura. Olga krijgt een kus op elke wang. Ze huivert van het rond haar walmende en met te veel muskus doortrokken parfum. Laura zet haar schoudertas op de tafel en bekijkt het daar liggende boek met hoog opgetrokken wenkbrauwen. ‘Lees jij Elsschot nog altijd in die intussen al drie keer achterhaalde spelling? Is het door zijn oude verhalen dat je een beetje verliefd bent op een tuinman?’ Olga sluit haar ogen. Zwijg, denkt ze. Ga weg, denkt ze. ‘Ik heb met de directeur gepraat,’ zegt Laura, ‘en dat is een verrassend gesprek geworden. De tuinman waar jij zo verslingerd op bent, dat is geen gewoon mannetje.’ ‘Hij heeft mij een rode dahlia gegeven,’ zegt Olga. ‘En een takje met roodrijpe rozenbottels.’ Laura lacht en laat haar wijsvinger op en neer huppelen. ‘Die tuinman is een boef,’ zegt ze. ‘Hij heeft het grootste deel van zijn leven achter de tralies gezeten. Acht overvallen met zes doden en niet één moment van wroeging of berouw. Hij verbleef hier op proef en onder toezicht van de politie. Zonder begeleiding mocht hij het gebouw niet verlaten.’ Ze liegt, denkt Olga. Ze duwt Laura’s wijsvinger weg en zegt dat Marcelleke haar vandaag een door de wind afgeknakte bloem zal brengen. ‘Dat zou een mirakel zijn,’ zegt Laura op een lacherige toon. ‘Want Marcelleke is dood. Hij is er op een nog niet achterhaalde wijze in geslaagd naar Zweden te vluchten. En vandaag staat zijn portret op de eerste pagina van de daar populaire kranten. In Södertalje heeft hij karper met wijnsaus en in rendiervet gebakken aardappelen gegeten. Van uit zijn hotelkamer heeft hij dan de Blue Angels Club gebeld en een hoer besteld. Ze moest een dikke kont en grote borsten hebben. En die club heeft hem een uit de Oekraïne afkomstige Svetlana gestuurd.’ ‘Ja, ja, ja,’ zegt Olga. ‘Ik weet wat je nu zal zeggen. Hij heeft haar keel dichtgeknepen. En daarna ook het kamermeisje of de hoteluitbater vermoord.’ ‘Mis,’ zegt Laura. En ze tikt met haar wijsvinger op Olga’s voorhoofd. ‘Jouw kabouter heeft die Svetlana alleen maar gevraagd een liedje te zingen. Van haar Oekraïens liefdesliedje heeft hij misschien maar twee of drie woorden gesnapt, maar hij genoot ervan, heeft ze aan de journalisten gezegd. Dan heeft hij de voor- en achterkant van die Svetlana op wel honderd plekken gezoend en een in zes eurobiljetten gewikkelde rode roos op haar navel gelegd. Zo staat het in een Zweedse krant.’ ‘Je liegt,’ fluistert Olga. ‘Jij leest geen Zweedse kranten. En die van vandaag kan je ook nog niet hebben.’ Ze zou Laura in het gezicht willen spuwen, maar ze voelt zich te moe.   ‘Een kwartier geleden heb ik die krant op de computer van de directeur gelezen.’ Er klinkt een boze triomf in Laura’s stem. Iemand prikt in mijn armen en benen, denkt Olga. In haar oren is het geruis van een verre storm te horen. Ze weet dat ze die Laura nooit meer wil zien. Als Iva straks de avondmaaltijd brengt, zal ze de verzorgster veel meer dan een dankwoord toefluisteren. ‘Jij en ik,’ zal ze zeggen, ‘jij en ik, wij worden goede vrienden. Wij zullen af en toe een glas wijn drinken of rijstpap met bruine suiker eten.’ ‘Het verhaal heeft nog een staartje,’ zegt Laura. ‘Drie minuten na het vertrek van zijn Svetlana is jouw tuinman in zijn blote flikker op het dak van het hotel gekropen. Hij heeft er staan roepen en is dan naar beneden gesprongen. Laten we daar maar een glas wijn op drinken.’ Laura haalt een fles uit haar schoudertas. ‘Dit keer een witte wijn uit Griekenland,’ zegt ze. ‘Dat zal Tantolga wel lekker vinden. Tantolga?’ De oude mevrouw Olga hoort het niet meer. Haar hoofd ligt wat schuin gezakt tegen de rugleuning van haar zetel en het blauw van haar ogen verbergt zich achter een doorschijnend grijs gordijn. Ze loopt over het tuinpad en groet twee merels die innig naast elkaar op de onderste tak van een appelboom zitten. Ze wandelt tussen de hazelnootstruiken en wuift naar de op haar wachtende tuinman. Ze loopt hem tegemoet en hij vangt haar in zijn armen op. Hij streelt haar rug en steekt een rode dahlia tussen haar borsten. De tuinmuur splijt, ze ziet een met palmbomen omzoomd park en een meer met een blauwe zeilboot. De kapitein draagt een lang wit kleed met vergulde biezen. Hij slaat zijn vleugels uit en maakt een uitnodigend gebaar. De tuinman wijst naar de blauwe boot. ‘Kom,’ zegt hij. ‘We gaan varen.’ Olga grijpt Marcelleke’s arm en legt haar hoofd tegen zijn schouder. Hij heeft zachte ogen, denkt ze. Een onhoorbare wind blaast de boot naar een niet te peilen overkant.    

Lucas Bee
0 0

Pasklare verhalen. Lily was here

Toen ik met de trein naar Antwerpen ging. ‘Duurt het nog lang, mama? Welk verhaal kies je? Ik heb van de kikker en van het huis en … en van de grote groene sabelsprinkhaan en van de trein-‘‘Oh, ik mag kiezen,’ zegt de moeder tegen haar jongen. ‘Zomaar uit jouw hoofd? Dat is mooi. Is het een kikker in een bos? Ik kies de kikker.’‘Ik heb er ook nog eentje van een poes, Laat míj maar kiezen, mama.’ ‘Ik kies de kikker, zeg ik toch!’ De moeder aait haar jongen over zijn hoofd.    ‘Claro que sí,’ zegt het meisje op de trein. ‘De nada Alfredo! Es un malo-‘Haar vriendin heeft walglijk lange wimpers tussen klonters mascara. ‘No me gusta Alfredo.’Mijn Spaans is niet goed genoeg voor haar antwoord, maar het vloekt.ANTWERPEN CENTRAALWaarom houdt Anna niet van Alfredo? Wat zou er mis zijn met hem? Un malo... Staat hij op het perron? Mijn god, die wimpers.De meisjes kijken in het raam en stiften hun lippen. Knalrood.    ‘Sommige meisjes,’ zegt de madame aan de toiletten, ‘wassen hier hun haren. Gelooft ge mij niet? Er zijn zelfs mannen die zich helemáál wassen. Ze staan hier in hun slip voor mijne wasbak.’Ik schud mijn handen onder de blazer en mijn hoofd naar de madame. Een jaarlijks congres voor wc-mevrouwen, dat mankeren we. Betogen voor respect.‘ Vijftig cent, alstublieft. De volgende.’ Ze lispelt een beetje. Ik vind haar sexy.‘Waar gaat het naartoe,’ zegt ze. Ze is platinablond en mollig.    ‘Free hugs,’ roept een kerel op het plein voor het station en spreidt zijn armen. Hij deelt kleurige stroken papier uit. Opgekrulde letters voor een gekend merk. Ik loop met een boog om hem heen. ‘Because we love you,’ roept hij me na.    Er is zon en zomer en een man op de Meir die sax speelt.Er is een bank in de zon.En heel kortbij een gelukkig gevoel. Er zijn tranen. Because we love you. De man met de sax kent maar één lied. Lily was here https://www.youtube.com/watch?t=33&v=XhSx8uKdD5o  

Goedele Billen
21 0

Mijn Verhaal

Hallo, jongen. Lang geleden... Je komt niet meer op bezoek, jongen, ik denk dat het wel al vier maanden geleden is... Dat be­grijp ik wel, hoor – al mis ik je natuurlijk wel. Je hebt het natuurlijk druk met vrienden en school en zo op jouw leeftijd. En je oma zegt dat je steeds meer nadenkt en vragen stelt. Dat je haar uitleg steeds minder gelooft – ik hoop dat je het haar niet kwalijk neemt, jongen. Oma heeft de waarheid soms wat verdraaid, wat ver­bloemd, maar dat was enkel om jou zo lang mogelijk zorgeloos te laten op­groeien en genieten van je jeugd. Dat vond ze belangrijk, en ik ook. Het is niet haar schuld. Maar ik begrijp wel dat je niet meer wil langskomen, ik begrijp dat wel. Dat je niet meer weet wat je van me moet denken. Dat je misschien wel erg kwaad op me bent. Maar – nu je steeds meer de volledige waarheid zult ach­ter­halen, vind ik het belangrijk om het je te kunnen uitleggen – of toch te proberen. Niet om het goed te praten of – om mezelf vrij te pleiten of zo. Het valt niet goed te praten, het is zoals het is. Maar omdat – omdat ik ergens toch hoop dat je het dan misschien beter zult kunnen begrijpen. Daarom maak ik deze opname – ik hoop dat je toch deze ene keer nog naar me zult willen luisteren. Je moet weten, jongen, dat niets van wat er gebeurd is, met jou te maken heeft. Het schijnt dat kinderen zichzelf vaak de schuld geven, dat heb ik tenminste gehoord – dat mag je echt niet doen. Je moet weten dat we allebei altijd zielsveel van je gehouden hebben. Wat er gebeurd is komt niet door jou jongen, maar door ons. Of door mij in ieder geval – het is niet mijn bedoeling om je vader zwart te maken. Dat zou niet eerlijk zijn, hij kan zich niet meer verdedigen. Je moet begrijpen – later als je zelf een vriendin hebt, ik bedoel, als je gaat samenwonen en samen een leven uitbouwen en zo – dan zal je het misschien een beetje begrijpen – dat het niet altijd zo gemakkelijk is om samen te leven. Ik – misschien mag ik je dit niet vertellen, ik wil je niet bang maken – ik hoop dat ik je niet bang maak zodat je zelf geen vriendin meer zal willen... Dat is niet de bedoeling. Kijk maar naar tante Christine en nonkel Jef, of naar oma en opa – het kan allemaal heel mooi zijn, daar moet je in blijven geloven, maar— En in het begin was dat ook zo natuurlijk, ook bij ons. Toen ik je vader leerde kennen was het allemaal prachtig. Dat waren nog eens tijden, jongen. Ik was twintig, hij zes­en­twin­tig, hij was echt zo’n knappe, nette man met mooi gekamd pikzwart haar en een verfijnd gezicht – je lijkt op hem, weet je dat? Hij kon zo prachtig lachen, en hij was een echte gen­tle­man. Ik was direct smoor­ver­liefd. Je vader was een denker – een filosoof. Hij wist over alles iets en had over alles een mening. Overal waar we kwamen wist hij iets interessants te vertellen, en altijd met evenveel enthousiasme – ook als hij zijn me­ning verkondigde, altijd met vurig enthousiasme, alsof de wereld zou ver­gaan als hij je niet kon overtuigen. Prachtig vond ik dat. Ik hield van hem. Echt wel. En hij van mij. Hij zou niet meer zonder mij kunnen, zei hij. Het was zo’n charmeur – hij zei dat hij nog nooit iemand had gezien die zo’n mooi blond haar had als ik, van die dingen zei hij altijd. Weet je dat nog, jongen, hoe mijn haar er vroeger uitzag? Kijk hoe het er nu bijligt, ik zou er eens iets aan moeten doen... En hij had een Mercedes met een open dak, zo’n chic zwart model van wel vijf, zes meter lang— Sommige mensen zeggen dat ik met hem getrouwd ben omwille van zijn geld – dat mag je nooit geloven, jongen, nooit. Dat is helemaal niet waar. Ik hield van hem omdat hij knap en charmant en grappig en sterk was, en toegegeven, die Mercedes vond ik ook wel leuk – maar niet voor zijn geld. Nu is het jouw geld, jongen, later, als je achttien wordt, dan wordt het allemaal jouw geld. Dat heb je dan toch. Nu is het niemands geld, ik mag er niets mee doen, al zou ik er enkel dingen voor jou mee willen kopen. Mijn geld is het in elk geval niet, en daar was het me ook nooit om te doen. Geloof je dat, jongen? Probeer me alsjeblief te geloven – waarom zou ik liegen, er is toch allemaal niets meer aan te doen... En met die Mercedes kwam hij dan aangereden, stopte hij voor het huisje van oma en opa om me te komen ophalen – het huis waar jij nu woont, jon­gen. Ik heb gehoord dat je de kamer van tante Christine hebt, die is na­tuur­lijk veel groter dan de mijne. Ik hoop dat je het een leuke kamer vindt. Maar later— Hij was – weet je, hij was het soort man dat alles voor je doet, zorgt dat alles in orde komt, dat je je nergens zorgen over hoeft te maken. In het begin vond ik dat geweldig – als ik met hem afsprak moest ik me nergens iets van aantrekken, gewoon alles over me heen laten komen, gewoon genieten – in het begin was het heerlijk. En dan nam hij me mee, gezellig een eindje rijden met die cabrio van hem. Nergens naartoe, gewoon rijden. En dan stopten we soms op een ro­man­tische plek met gras en bloemen en bomen om te pick­nic­ken – stie­kem denk ik dat hij die plekken op voorhand uitzocht en er bewust naartoe reed, maar dat wou hij nooit toegeven. Maar later – ik weet niet goed hoe ik dit moet zeggen, ik wil nog steeds geen kwaad spreken over hem, maar— Later bleek dat ik niets mocht regelen, dat ik me nergens zorgen over mocht maken. Hij had een goedbetaalde job, en als ik geld nodig had dan was er geld. Maar ik wist niet wat hij precies deed – hij was advocaat, maar waar hij precies mee bezig was, dat wist ik niet. Ik wist niet hoeveel geld we hadden en waar­in hij het allemaal investeerde. Hij vond dat ik niet hoefde te werken om­dat we geld ge­noeg hadden – maar ik wilde werken. Daar had hij geen oren naar. Ik moest maar thuis blijven, eten maken, het huis op orde houden – dat zei hij niet hoor, maar daar kwam het wel op neer. We had­den een prachtig huis, dat wel. Dat had hij gevonden, natuurlijk, in z’n eentje, maar ik hield wel van dat huis. Het was groot en wit en licht en het had een enorme tuin – weet je dat nog, jongen, ons huis van vroeger? In de Oranjebloesemlaan? Maar hij luisterde niet naar mij, jongen, nooit. Als ik iets anders wilde doen dan hij, dan was hij teleurgesteld, beledigd. Soms zei hij dat ik maar beter een andere man kon zoeken als ik vond dat hij niet goed voor me zorgde. Soms dacht ik dat ik dat inderdaad maar moest doen, dat ik hem beter kon verlaten, maar dat deed ik niet. Ik wou het jou niet aan­doen jongen, dat klinkt nu misschien nogal ironisch, maar het is de waar­heid. Ik wou niet dat jij zou moeten opgroeien met gescheiden ouders. Dat zou ik egoïstisch vinden van mezelf. Ik zou het wel vol­hou­den, zo slecht was het toch niet – aan elk huwelijk schort wel iets. Uit­ein­de­lijk werd er goed voor ons ge­zorgd, jij kwam niets te kort. Zonder hem zou ik je dat allemaal niet kunnen bieden. En ik had schrik, jongen, schrik dat hij jou zou afpakken. Zijn broer was ook advocaat, al zijn vrienden waren advocaten. Als hij een rechtszaak aanspande zou ik het nooit van hem kunnen halen. Ik durfde niet bij hem weggaan, jongen, ik hoop dat je dat kunt begrijpen. Ik zou mijn lot wel ondergaan zodat jij gelukkig kon zijn. En zodat ik bij jou kon blijven. Maar toen hij naar Californië wou verhuizen – weet je dat nog jongen, toen hij zei dat we naar Amerika gingen? – toen heb ik gezegd dat ik niet mee wilde. Er was niets meer aan te doen, zei hij – hij had al een koper voor het huis, en het contract voor zijn nieuwe job was al getekend. Maar ik moest me geen zorgen maken, zei hij, hij zou meer verdienen en het zou altijd mooi weer zijn. Hij had zelfs al een school gevonden voor jou. Maar ik wilde niet. Ik wilde het huis niet kwijt, ik wilde niet weggaan van mijn familie – jouw familie. Ik ga niet mee, zei ik. Weer die teleurgestelde blik. Maar toen zag hij dat ik het meende. Dan moest ik maar blijven, zei hij plots. Hij zou het huis dan maar niet verkopen, maar híj zou wel verhuizen, en jij moest wel naar die chique Ame­ri­kaan­se school. Hij meende het, jongen, hij zou je meenemen dui­zen­den ki­lo­me­ters bij me vandaan. Ik zou je amper nog zien – nog min­der dan nu waar­schijnlijk. Toen sloegen de stoppen door, jongen. Het was verkeerd en het spijt me verschrikkelijk, maar ik kon niet anders— Op dat moment voelde het alsof het echt niet anders kon. Ik hoop dat je dat ooit kunt be­grij­pen, jongen.  

Jan August
0 0

Lena

Het snerpende geluid van de wekker begon geleidelijk tot hem door te dringen. Godverdomme, nu al. Het leek alsof hij nog maar net gaan slapen was. Een bonzende pijn in zijn voorhoofd. Hij kroop verder weg onder zijn deken. Maar het hield niet op. Zijn keel was droog, zijn oren suisden. Zijn maag zat in de knoop. Waar was hij allemaal geweest gisteren? Hoe was hij thuisgeraakt? Hij herinnerde zich vaagweg een donkere bar. Gepraat. Bier, wodka, wat nog allemaal. Hij moest pissen. Kotsen ook misschien. Maar hij wilde nog niet uit de warme cocon van de deken komen. De wekker bleef maar lawaai maken, het gepiep ging door merg en been. Woedend mepte hij overal op zijn nachtkastje, tot het stil werd. Rust. Waarom moest hij opstaan? Moest hij ergens zijn vandaag? Hij opende zijn ogen. Het was donker in de kamer, maar door de spleetjes in de rolluiken priemden straaltjes daglicht naar binnen. Hij rolde zich op zijn andere zij. De kamer bleef nog even nadraaien. Zijn maag keerde zich om. Naast hem lag Lena. Met haar rug naar hem toe, en het deken zo hoog opgetrokken dat enkel haar lange bruine haren er nog bovenuit kwamen. Aah, Lena. Toch iets goeds deze morgen. Hij kroop dicht tegen haar aan, tot hij haar warme lichaam kon voelen en haar haren kon ruiken. Ze roken vreemd, anders dan anders. “Liefje, ben je wakker?” Hij klonk hees. “Mmmm.” Hij glimlachte. Haar stem klonk een beetje raar. Waarschijnlijk ook te veel ge­dron­ken, te hard ge­schreeuwd in bars en cafés. Hij streelde haar rug. Haar rug was bloot. En warm. Lena droeg altijd een oud t-shirt in bed, anders kreeg ze het koud, zei ze. “Lena?” “Goeiemorgen, lieverd...” Hij trok zijn arm terug, ging abrupt rechtop zitten – té abrupt. Hij voelde hoe zijn maaginhoud brandend zijn slokdarm inliep en weer zakte. De hele kamer draaide in verwarrende cirkels om hem heen. Lieverd? Lena haatte dat woord. Hij deed zijn nachtlampje aan. Ze draaide zich om en keek hem aan. Het was een mooi meisje, ongeveer zo oud als Lena. Ze had ook lang bruin haar, maar niet hetzelfde bruin, zag hij nu. En verder leek ze absoluut niet op Lena. What the hell... Zijn hersens werkten op volle toeren, voor zover ze dat konden – de kamer bleef maar draaien. Wie was ze? Hoe kwam ze hier? Had hij haar meegebracht? Had hij met haar— Was hij echt zó dronken geweest? Nee. Dat kon niet. Dat mocht niet. Zoiets zou hij nooit doen. Lena zou het hem nooit vergeven. “Kerel, je kijkt alsof ik een zombie ben... Je moet jezelf anders eens bekijken...” Het meisje lag hem glimlachend aan te kijken, met de deken nog steeds tot aan haar kin. “Ik... Euh... Wie ben jij?” “Oh Steven,” zei ze wanhopig. “Herinner je je echt niet wie ik ben?” Hij schudde verward zijn hoofd – zijn hersens klotsten heen en weer in zijn schedel. Ze zuchtte. “Ik ben Karen...” “Karen...” Hij kende geen Karen. Dat dacht hij toch. Denken, Ste­ven, denken! Ze schudde haar hoofd. “Ik hou dit niet meer vol, Steven... Ik hou van je, maar dit... Dit kan ik niet meer aan...” Ik hou van je? “Wat? Wie... Wie ben jij? Waar is Lena?” “Lena is dood, Steven.” Dood? Lena? Hij hoorde zichzelf bazelen, schreeuwen, maar wist niet wat hij zei. Hij vloog op haar af, greep haar vast, rolde samen met haar de grond op – hij hoorde haar gillen, hoorde zichzelf roepen. “Wat heb je met haar gedaan? Wat heb je met haar gedaan?” Eindelijk besefte hij weer wat hij aan het zeggen was. En toen be­sef­te hij dat hij bovenop haar zat, dat hij zijn handen om haar nek gekneld had. Ze keek hem verschrikt aan. Hij liet haar los, deinsde hijgend achteruit. Duizelig staarde hij haar aan, kon zijn blik maar niet gefocust krijgen. Ze lag op de grond op haar rug, naakt op een roze slip na. Lena had net zo’n slip. Ze was bijna even mooi als Lena. Maar hij wilde niet naar haar kijken, hij wilde haar blote lichaam niet zien, hij wilde het niet in zijn kamer! Wat zou Lena zeggen... “Steven!” riep ze hijgend. “Ik heb niets gedaan, Steven. Ze heeft een ongeval gehad – jullie hebben een ongeval gehad, je zat naast haar. Ze moet even de controle zijn kwijtgeraakt, of – ze weten het eigenlijk niet goed. Ze was op slag dood, Steven. En jij—” Ze zweeg even. “Ik kan het niet meer aan, Steven, het duurt nu al maanden...” Een traan liep over haar wang. “Ik weet dat je van me houdt, dat zeg je elke avond, en elke avond hoop ik dat je me ‘s morgens nog zult herkennen, maar—” Hij schudde zijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Hij wilde iets zeggen, hij wilde duizend en één dingen zeggen maar kreeg niets over zijn lippen. Hij had geen idee wat hij de avond ervoor gedaan had, hoe hij aan deze kater kwam – was het wel een kater? Hij stond op en zwalpte naar de badkamer. Hij moest pissen. En nadenken. Hij ging zitten op de toiletpot, bang dat hij anders zou omvallen. Dit kon gewoon niet waar zijn. Hij was gisteren gaan werken, zoals altijd, en ‘s avonds zou hij naar een feestje gaan. Was het toen gebeurd – was dat toch niet gisteren geweest? Hij zette de radio aan, het kleine blauwe radiootje dat Lena absoluut in zijn badkamer had willen zetten – ‘een streepje muziek onder de douche,’ zoals ze dat zo mooi zei. Hij draaide verwoed aan de knop tot hij een nieuwszender vond. Twaalf januari zeiden ze dat het was. Maanden? Hij herinnerde zich Nieuwjaar nog, toen was hij met Lena bij vrienden gaan eten, ze hadden het zaligste feestmaal allertijden klaar­ge­maakt. Het klopte niet, natuurlijk klopte het niet. Het nieuws begon, het ging over terrorisme in Parijs. Daar ging het gisteren ook over. Er zat geen maandenlang hiaat in zijn geheugen, enkel die ene avond. Te veel gedronken, veel te veel, dat was alles. Maar wie lag er dan in godsnaam halfnaakt in zijn slaapkamer? Hij stond op, stak zijn handen onder de kraan en kletste flink wat koud water in zijn gezicht. Wat had ze in godsnaam met Lena gedaan? Hij gooide de deur open en stormde de slaapkamer in. “Je liegt!” schreeuwde hij. “Je liegt! Wie ben je en wat heb je met Lena gedaan!” Ze lag languit op het bed met één been gestrekt en het andere opgetrokken en keek hem aan met een wulpse blik. Haar rechterarm lag uitgestrekt op het bed, haar hand op zijn kussen. “Kom hier, lieverd, ik hou van je.” Het klonk gebiedend, zelf­ver­ze­kerd. Niet zoals daarnet. Hij zocht zijn gsm. Hij moest Lena bellen, haar stem horen. “Vind je mijn haar niet mooi zo misschien?” vroeg ze teleurgesteld. “Is het niet de juiste kleur?” Waar had hij zijn gsm gelaten? Niet op zijn nachtkastje. Hij zocht in de zakken van zijn jas, zijn broek die over een stoel hing. Daar was hij. “Lena’s huid is bruiner, niet? Is het dat? Daar kan ik wel aan werken als je wil hoor...” Hij ging niet aan, de batterij was leeg. Hij vloekte. Hij moest Lena bellen. En de politie – plots besefte hij dat hij de politie moest bellen. Bij de buren dan maar. Hij stormde naar de voordeur. Op slot. Er zat geen sleutel op. Hij haalde nooit de sleutel van de deur als hij thuis was. Hij begon als een waanzinnige aan de deur te rammelen – tevergeefs. “Ik denk dat je best even rustig aan doet,” zei het meisje kalm. Hij keek naar haar. Ze lag nog steeds op het bed, in exact dezelfde pose. “Het was ge­mak­ke­lij­ker geweest als je me geloofd had, maar goed...” Ze draaide zich op haar zij en keek hem aan. “Luister, lieverd, ik ben helemaal van jou en ik doe alles wat je wilt in dit bed, oké? Ik beloof je dat ik stukken beter ben dan die Lena van je.” Terug die zelf­ver­ze­kerde, ietwat hautaine toon. “Maar als je zo bezorgd bent over haar, kan je best even doen wat ik zeg: er wordt niet ge­schreeuwd, er wordt niemand ge­beld, en we gaan ner­gens naartoe. En geen woord meer over haar.”  

Jan August
3 0