Lezen

Tip

Kees

Kees was jarig maar vond het zoals elk jaar een vreselijke opgave om in de woonkamer te gaan zitten met zijn familie. Hij had elk jaar gezegd dat ze niet zo'n roteind uit Almere hoefden te komen, maar zijn familie kwam elk jaar stipt, en dan ook altijd net iets te vroeg. De vrouw van Kees werd dan altijd een beetje gestresst van al het eten dat nog niet op tafel stond en de taart die nog moest worden opgehaald bij de Hema. Snel veegde ze de boel nog aan kant en probeerde ze nog wat van het eten te maken, maar de bel ging altijd eerder dan ze had verwacht. Lachend deed ze met haar ene hand de deur open en veegde ze met haar andere hand de troep van de hapjes af aan haar schort. Ze gaf elk familielid drie kussen en vroeg aan iedereen apart hoe het ging en of ze het nog konden vinden. Ze kreeg op elke vraag een “ja”, maar eigenlijk wist ze nooit of het dan goed met ze ging, of dat ze het nog konden vinden. De familie rook naar VanderBilt parfum. Een parfum waar Kees al vanaf kleins af aan een verschrikkelijke afkeer tegen had. Het deed hem denken aan verplichtingen en aan gesprekken die op niets uitliepen, maar dan penetrant en heel erg aanwezig. Zo'n geur wil je niet om je heen hebben, maar sommige mensen doen het toch. Vanaf de overloop boven keek Kees door het traphekje naar de familie die de jassen ophing aan de kapstok beneden. Ze vroegen allemaal waar hij was en sommige familieleden vonden dat wanneer er geen plek meer was op de kapstok, ze hun jas op de trap neer konden leggen. Vanuit de woonkamer hoorde Kees een woordenbrij waar geen enkel zinnig woord in werd gezegd en het ergste vond hij nog dat dat allemaal voor hem was gekomen. Het liefste zou hij zijn verjaardag niet vieren, of zou hij liever een eindje zijn gaan wandelen met de hond. Maar als hij dat tegen zijn familie zou zeggen, wist hij dat er nog heftiger op gereageerd zou worden en dan zouden ze suprise-party's organiseren en een tent in de tuin zetten. Zijn familie vond dat niemand zijn verjaardag voorbij mocht laten gaan en elk moment zou moeten aangrijpen om het leven te vieren en over niets te praten. Daarom deelde Kees zijn meningen over verjaardagen maar niet met anderen, en wachtte hij tot hij door zijn vrouw geroepen werd. Bij de eerste drie keer roepen deed Kees alsof hij nog druk in de weer was met allerhande belangrijke zaken. Hij wist dat de vierde keer roepen minstens twintig minuten langer zou duren en als er nog een vijfde keer kwam, dat de tijd daartussen nog langer zou duren. Als zijn vrouw naar boven kwam, deed Kees alsof hij er snel aankwam, en hij nog snel even zijn mooie kleren aan moest trekken. Ondertussen werd het gelach en geschel beneden steeds harder en hoorde Kees zijn naam tussen de muren van zijn huis klinken. Het feestgedruis werd onrustig. Inmiddels had zijn vrouw vier keer geroepen en stond Kees voor de spiegel. Hij keek zichzelf aan en zuchtte eens diep. “Gelukkige verjaardag Kees, de rest van het jaar is weer voor jou alleen,” had hij gezegd, en hij strompelde naar beneden.    

Julia Dobber
17 0

De vrouw in het bushokje

Afgelopen kerstdag was het twee jaar geleden dat ze voor de eerste maal het bushokje binnenstapte. Ze wilde toen wel eens weten wie er zoal op deze heuglijke feestdag de bus ‘naar ergens’ nam. Op die manier kon ze ook de zorgen omtrent haar man even vergeten. Hij was wat moeilijk te been, maar vooral was hij blind. Bijna elke dag, even na het middaguur, was dit haar ritueel geworden. Vandaag was zij weer present.“Mijne man kan niet zien” zei ze tegen de eerste would-be passagier die het hokje betrad en niet dadelijk een aanzet gaf om in contact met haar te treden.“Oei” zei de jongeman, “uw man is blind. Dat is erg”.“Ge verstaat mij verkeerd” antwoordde ze, “mijne man is niet blind. Hij kan niet zien. Dat is een groot verschil. Dat is het verschil van de differentie, ziet ge?”Hij zag het niet. Hij kon het niet zien. Hij was blind. Hij tikte met zijn witte stok tegen het bushokje, toen hij hoorde dat zijn bus eraan kwam. “Dag mevrouw. Tot ziens” en hij stapte op de bus. Ze bleef zitten in haar vertrouwde hok tot een volgende reiziger zich aanmeldde. “Mijne man kan niet zien” zei ze.“Oei” zei het meisje, ‘dat wens ik niemand toe. Blind zijn.”“Ge verstaat mij verkeerd” antwoordde zij weer, “mijne man is niet blind. Hij kan niet zien. Hij is gestopt met te zien, want hij was niet blind. Blind dat zijt ge vanaf uw geboorte. Ge kunt niet zien als er u een ongeluk passeert of een ziekte. Begrijpt ge?”“Ah zo, ja dat begrijp ik. Sorry, mijne bus is daar. Doe uwe man veel groeten, als ge hem ziet. Sterkte”. Ze betastte even haar benen die omzwachteld waren van haar knieën tot aan haar enkels. Ze had last van necrobiosis lipoidica, zoals haar huisarts dat zo mooi had verwoord. Ze moest er telkens een dikke laag zalf op wrijven en er dan een luchtdichte pleister op plakken. Maar die pleisters waren duur, dus omwikkelde ze haar been maar met een verband dat ze tweemaal in de week uitwaste. Pillen hadden ook kunnen helpen, ware het niet dat ze ook last had van suikerziekte. Ja, van diabetes zou je zelfs blind kunnen worden. “Mijne man kan niet zien en ik kan bijna niet lopen” zei ze tegen haar volgende slachtoffer.“Dus neemt ge de bus” vroeg de kalende man.“Nee nee, ik kom hier alleen maar wat zitten. Om de tijd te doden en een praatje te slaan met de mensen. Ge moet weten, mijne man slaapt veel. Ah ja, wat kan hij doen, de gazet lezen, neen, naar Tv kijken, neen. Alleen de radio telt nog voor hem. Maar ja, daar kunt ge niet tegen klappen hè. Hij ligt nu te slapen, goed ingeduffeld naast het houtkacheltje. Ik heb er daarstraks nog drie houtblokken in gestoken. Niet dat hij het gezien heeft zulle, want hij kan niet zien.”Ze wist dat ze het over een andere boeg moest gooien, het vanuit een ander oogpunt beschouwen.“Eigenlijk is hij stekeblind, begrijpt ge? Waar gaat de reis trouwens naartoe?” zei ze nog.“Naar Stekene. Ik verwacht mijn bus elk ogenblik. Tot weerziens”.

Marc M. Aerts
4 0

Wij de yeti U de mormels

  De reebok in het sprookje droeg geen schoentjes en de kleine appelaar, die wel eens grote rode vruchten draagt, heb ik stiekem toch de kruin gesnoeid. Het takkenstelsel is nu tekenbaar. Morgen pingpong in de kille avondhal, tegen de Chinees met linker wonderhand. Gelukkig speelt ie rechts, zijn moederkoekjes in de maak, een kooitje voor een beer met dronken tred, Russisch, ook de zelfgekleefde mig dient nog geschilderd en de tube heeft een ongesloten nacht doorstaan.   Ik kijk, het leven van de sneeuwman lijkt gered, de aanslag door de zuidenwind verijdeld door een koude dag. Gebeden heb ik, voor een yeti maar het is me niet gelukt. Des jongens fantasie nog even onderdrukt, door lome wolkjes, streepje heb ik op de muur getrokken, hopend dat een beter etmaal zich herhaalt.   Straks dan gaat het, naar het kleine stuwmeer, spaart zijn krachten voor wat knapen, messen onder voeten, stokken en een houten puk. Pietje heeft geen post, de wensen, kaartjes liggen in een weggereden trein, niemand die het weet, niemand die het wist, waarheen het moest. Sporen leiden door de witte poeder, ligt in lijntjes, naar het ongebarsten ijs. De sijsjes pikken zaad en koontjes uit de opgehangen bol.   Het scoort, het hakt erin, een meisje proeft wat, aan de zijkant van de stoere tijden, walm van warme adem en gelach. Ik wil die lauwe handen voelen, onder witte krassen kleuren vinden van de ongestorven vissen, hier bij ons en nooit meer wederkeren naar die mormels met hun pijnlijke evidentie, grijze cellen, dubbele tong en dertien vingers.    

Bernd Vanderbilt
0 0

Koken met Thomas

  Driften, drank, een pretpark, death ride, ergens liggen schedels opgestapeld, vredig pintelieren, dronken bowlen met die dingen mocht er niet. Als het rijstwater me weer tot aan de lippen staat, een wereldreisje dan, als ik nog vliegen kan, het ruim bederven durf met mijn verkorven silhouet. De knoken zijn humaan.   Scheer. Boven de ongesnoeide treurwilg wordt de rust verprutst. Straks een mango of malaria misschien, papaya voor de fruitsla maandagavond laatste maaltijd hier met  malle vorsten, kronkels denken, hoe het zal verlopen. Manon komt ook. Nog ietwat hoger afgeknipt, het rokje dat zij dragen zal, ja veel te kort voor de beheersing van de os. Voor het geluk wil ze een kindje, achternaam met zeven letters en de mijne is te lang.   Nochtans. Geboorte, beperking, het zou een druppel helpen. Binnenkort fiscale voordelen bij een vervroegde dood, euthanasie. Denk liberaal, red de soort. Weerom quatsch uit mijn bek. Het lot zal men niet tarten, de mensheid zit al langer op het dode spoor want op de vele wellustdagen zal het toch gewoon weer in en uit gaan, overal, zelfs waar kinderen de hongerdood met weinig moeite ruiken kunnen. Elders zullen grijsaards zomaar verderleven, de enen baden bij een waterval versierd met goud en wat lianen, anderen verscholen in de holen, vledermuizen eten, van het zweven blijven dromen, Jetair, lekker slapen, weekje Benidorm, rugslag zwemmen in een ronde bakvorm.   Ik Thomas, de vierde koning, ik verkonding niets, ik kook maar wat. Verzachtende eieren om de harde tijden te doorstaan, sfeervol, wierook, winterwindje uit het warme westen waar ze ligt, uit te hijgen, nevelslinger, Manon is nummer vijf, Chanel slaapt zacht in een vergeten flesje, herinneringen aan genot, dolverliefd, holderdebolder, zij het in de heim, in vreemde, naaktgeverfde panden van de daad. We zullen later lekker verderrollen door de prikkels van de stro, bij wulpse maneschijn, a little walk of fame by night, glorieuze sterren, komeetje, camera, schier eindeloos vertier, zolang de bol hieronder tolt, zo lang de boom zich aan de lichtjes brandt.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Koning Winter

Koning Winter                                                                                                                 december 2014 Winter, niet echt mijn favoriet seizoen, hoewel ik besef dat de kringloop van de seizoenen een orde en een doel heeft. Ooit was ik tijdens deze maanden in Spanje en ik miste de frisse koude en het uitgesproken landschap. Ik zou me niet echt gelukkig voelen in een land met weinig seizoenen, het lijkt me monotoon en onfris, als een oude slaapkamer die niet genoeg gelucht wordt.   Ik heb respect voor de winter, en doorleef hem samen met de wezentjes hier in het bos. Zodra de koude komt en de dagen korter worden, ga ik samen met hen in een soort van winterrust. De boost van energie die ik bezit in de zomer sijpelt weg en ik zak weg in een sluimertoestand met af en toe actieve piekjes als de dag zich er toe leent of als de wereld aan mijn deur klopt. ‘Net zoals de eekhoorns’, bedenk ik met een glimlach. De familie rode eekhoorns die tijdens de warmere dagen door het bos struinen zie je nu enkel maar op mooie dagen. Dan zijn ze actief op zoek naar hun verborgen wintervoorraad om zich na die inspanning terug te trekken in hun knus bolvormig nestje waar ze terug gaan dutten, met hun pluimstaart als dekentje geplooid. Hier is het net zo, hoewel ik uiteraard geen pluimstaart bezit en me moet behelpen met een fleece-dekentje voor de knapperende haard.   Ook mijn voedingspatroon wijzigt zich steeds tijdens de wintermaanden, weer iets dat weerspiegeld wordt bij de bosvrienden, want heel wat gevleugelde vrienden zoals de koolmees, de pimpelmees of het roodborstje zie je overschakelen naar een meer werelds menu van de nootjes, zaden en vetbollen op de voederplank. Ze hebben deze vetrijke voeding nodig, want de koude kan onverbiddelijk hard zijn voor deze tere doch kranige wezentjes. Mijn eigen excuus om over te schakelen op een rijkere voeding is meer psychologisch getint, vrees ik, maar elk jaar betrap ik mezelf dat met de koude en korte dagen ook de trek in ambachtelijke speculaas en marsepein tussen de roggeboterham toeneemt. Ik kan er niet aan weerstaan. Het gevolg is dan ook niet weg te steken en het laagje zacht rond de buikstreek groeit elke winter, om dan in de zomermaanden terug wat weg te smelten. De vogeltjes hebben nood aan dat vetlaagje, ze verbruiken héél wat energie om hun lichaamstemperatuur op peil te houden en doen dit geheel onafhankelijk. Zij liggen niet wakker van eventuele stroompannes, maar zoeken steun bij mekaar en hokken samen in de nestkastjes zodat hun lichaamswarmte verdeeld wordt en ze gezamenlijk de winternachten overwinnen. Ik zie mezelf dat nog niet doen… Jeetje…   Gisteren nog zag ik een winterkoning wegduiken in het piepklein nestkastje met aanvlieg-gat op zijn maat. In feite had ik de kastjes in de herfst moeten schoonmaken maar dat is een klus die ik uit het oog verloren heb. Verleden lente heeft mijnheer boomklever me nochtans héél uitdrukkelijk op mijn plichten als 'huisbaas' gewezen en ben ik op de ladder gekropen om hun nestkastje eens grondig te reinigen. Het was nodig: het zat tot de nok toe vol! Dat ik dit eigenlijk eerder had moeten doen werd me duidelijk toen ik al krabbend de jeukende builen van de talloze vogelvlooien op mijn huid ontdekte, maar de serenade die vader boomklever me gaf als dank voor het schoonmaken van hun woonst was al dat gekrab dubbel en dik waard! Binnen het uur waren ze vlijtig bezig aan het herinrichten van hun woning en werd zelfs hun gepersonaliseerde ingang gerestaureerd met nieuwe specie.   Het is ook voornamelijk met mijn vogelvrienden in gedachte dat ik deze herfst een vijftigtal plantjes gemengde haag heb aangekocht (via een actie van de gemeente en Bosgroep Antwerpen Noord) met daarin Gelderse roos, eenstijlige meidoorn, vlier, spork en brem. Deze net aangeplante haag is nu nog een zielige verzameling van stokjes maar gaat straks hopelijk uitgroeien tot een paradijs voor vogels en insecten. Ik verwacht er veel van!   Mijn stukje bos wordt sowieso meer en meer een toevluchtsoord voor fauna en flora hier in de wijk. Het is een taak die ik op me genomen heb en die, zonder melig te willen doen, mijn belangrijkste reden van bestaan is geworden. Tijdens de wintermaanden wordt het me steeds ook meer duidelijk hoe klein dit toevluchtsoord voor hen is. Het bladerdek van mijn loofbomen kan me in de zomer nog de illusie geven van grootse onzichtbaarheid, maar zodra de bomen naakt staan te rusten, zie je de kerstverlichting en de daken van de talrijke buren om ons heen. Het bos verdwijnt stilletjes, en ondanks alle pogingen om dit te verhelpen, is dit een tendens zoals de opwarming van de aarde: haast onomkeerbaar.   Ik was zeven toen mijn grootvader me de eerste keer mee nam naar het bos en ik besefte toen al héél goed dat deze aankoop de deur zou openen naar een heel belangrijk hoofdstuk in mijn leven. Het was liefde op het eerste gezicht. Ik voel me dan ook steeds meer verbonden met het kloppend hart van mijn boswezens en de communicatie die we woordeloos voeren wordt steeds magischer. Ik begrijp hen, en volg hun wensen op en zij belonen mij met een vertrouwen dat ik nooit zal beschamen.   Fijne feestdagen en een hartverwarmend natuurlijk Nieuw Jaar!                        

Bosfee
0 0

Showkeuken

'We moeten de batterijen verversen,' had Marianne gezegd toen ze de reis boekten. Ze hadden net een renovatie achter de rug van hun keuken die nog dateerde uit de jaren zeventig. Marianne vond het immers niet meer bon ton om in zo een keuken haar wekelijkse kooklessen voor de plaatselijke vrouwenclub te houden. Ze hadden de buik vol van de bouwvakkers die hen de hele dag op de vingers keken en van het feit dat ze het eten moesten klaarmaken in een tijdelijke keuken in de kelder, terwijl in de nieuwe keuken de vloer werd uitgebroken. Zelfs Robert had eronder geleden, want Marianne waste zijn hemden die week niet omdat het tijdelijke fornuis op de wasmachine stond. Hij ging gebogen onder haar geklaag over hoe 'het toch maar een boeltje was' en 'hoelang ze het nog allemaal moest volhouden'. Maar dat reisje had hij financieel niet ingepland voor het jaar. De renovatie van de keuken was door een lek in de waterleiding met een jaar vervroegd en om het voorschot op de vliegtuigtickets, het mobilhome en de hotels te storten, was hij in het rood gedoken. Daarbovenop kwamen ook nog de universiteitskosten van Patrick, hun laatste zoon, die maar niet volwassen wilde worden. Hierover had hij echter niks gezegd tegen Marianne, want ze zou er alleen maar chagrijniger van worden. En Robert had toch wel medelijden met haar. Tijdens de reis langs de Westkust in Amerika was hij er in geslaagd de knip op de portemonnee te houden. Dat hadden ze grotendeels te danken aan het andere koppel dat hen regelmatig trakteerde in de duurdere restaurants, Marcel en Lieve. En dat alleen omdat Robert hen steeds meesleurde naar fastfoodrestaurants. 'Zijn we niet daarom in Amerika?' vroeg hij telkens ze een fastfoodrestaurant passeerden. Robert had veel zin in een van die lekkere en sappige grote hamburgers die een geurspoor achterlieten in alle winkelstraten waardoor ze liepen. Marcel had echter een gastronomische gids mee van Californië en de restaurants die daarin stonden vielen in een andere prijscategorie. Marianne was in de wolken met de reis. Ze maakte de hele dag foto's en gedroeg zich als een rijke Europese toeriste. Robert probeerde haar tevreden te houden zonder zijn budgettaire beperkingen te overschrijden. Het was een rit op het scherp van de snee, en op de duur werd het zelfs een sport. Een sport die hij eigenlijk al gans zijn leven beoefende. Vroeger had hij gehoopt dat beknibbelen achterwege te kunnen laten en eens echt te genieten van rust en vakantie, maar die hoop had hij al een tijdje opgegeven. Zuinig zijn nam echter zoveel tijd in beslag dat hij niet echt had genoten van zijn verblijf in Amerika, dat volledig werd gedomineerd door het optellen van kwitanties, onlinebankieren, omrekenen van de dollarkoers, enz. De reis was eindelijk voorbij. Ze zaten achterin in de Range Rover van Marcel en Lieve, die in hetzelfde dorp woonden als zij. Marcel had zijn Range Rover drie weken in de parkeergarage van de luchthaven laten staan. Hij kon zich dat permitteren, want hij was bedrijfsleider en het was allemaal op kosten van de firma. Rob was ongeduldig. Hij wilde warme pantoffels aantrekken, zich draperen in zijn leren sofa in de woonkamer, zijn voeten leggen op het bankje en met de afstandsbediening in zijn hand de soaps en documentaires bekijken die hij de afgelopen drie weken had opgenomen. Het was donker achter de vensters toen Marcel en Lieve hen afzetten en ze met hun koffertjes over het oneffen wandelpad naar de achterdeur liepen (de voordeur werd alleen gebruikt voor gasten). Patrick had tijdens hun verblijf op het huis gelet, want het dorp werd de voorbije jaren geteisterd door een golf van inbraken. Marcel had al drie keer de terrasdeuren moeten laten repareren. Bovendien zat Patrick in volle examenperiode en kon hij de rust van het platteland goed gebruiken. 'We moeten dringend iets doen aan die tegels,' zei Marianne toen haar koffertje achter een van de plavuizen bleef haken. Naarmate ze het huis naderden, donderde haar humeur steeds verder de dieperik in. In het hotel in Los Angeles (tweehonderd dollar per nacht!) had Marianne gezegd dat ze hier met plezier zou blijven. 'Is het hier niet prachtig?' had ze gezegd. 'Hier valt zoveel te beleven!' Ze wilde niet terug naar huis, omdat zonder de kinderen 'de dood achter elke hoek loerde.' Marcel had hier een andere mening over. Hij genoot met volle teugen van de stilte, de orde en de tijd die hij nu had voor zichzelf. Niet dat hij er veel mee deed. Hij vond het een luxe om eindelijk niets meer te hoeven doen en zijn tijd nutteloos te kunnen verspillen, zonder het gevoel te krijgen alsof hij ergens de kraan had laten openstaan of het licht in de kelder niet had uitgedaan. Ze moesten zeker drie keer bellen voordat een slaperige en humeurige Patrick de deur opendeed. Zijn hemd hing uit zijn broek en zag eruit of hij er een week in had geslapen. Op zijn jeugdige gezicht, dat Robert aan zijn jonge jaren herinnerde, groeide een mager stoppelbaardje. Hij hing met zijn lange arm over de deur gebogen en zei: 'Ik, had jullie niet zo vroeg verwacht.' Hij maakte een breed armgebaar, als om hen welkom te heten in zijn kleine stulp. Marianne en Robert hesen hun koffertjes over de drempel en rolden ze naar binnen. 'Moet jij je moeder niet helpen met haar koffertje?' vroeg Robert. Hij hoefde zijn zoon maar te zien of zijn humeur was meteen verpest. Dat lag waarschijnlijk aan diens gelummel en de manier waarop hij zijn jonge jaren verkwanselde en geen duidelijke keuzes maakte. Hij herkende er zichzelf in. En welke vader wil dat? Patrick schoot haastig zijn moeder te hulp, maar ze sloeg zijn aanbod af. Ze trok haar koffertje door de kamers, stak overal de lichten aan en inspecteerde de schade. 'Waarom hangen die gordijnen zo scheef?' vroeg ze in het voorbijgaan van de woonkamer, en 'Wat doen die vlekken op de salontafel? Heb je hier veel vrienden ontvangen?' 'Remi is hier een keer geweest,' zei Patrick, toen Marianne en Robert hun koffertjes naar de kelder brachten, zodat Marianne de bagage kon uitpakken en de vuile kleren in de was doen. 'Waar gaan we eten?' riep Patrick hen achterna in het keldergat. 'De koelkast is leeg.' Het hart zonk Robert in de schoenen. 'Je had wel iets mogen klaarmaken om ons te verwelkomen,' zei hij. Robert was ondertussen al terug uit de kelder, terwijl Marianne verder de kleren uitpakte. 'We zijn nog niet binnen of we moeten je weer te eten geven. Wordt het niet stilaan tijd voor jou om volwassen te worden?' 'Ik ben ook blij dat je thuis bent, vader,' zei Patrick. 'Frietjes?' Robert gaf Patrick zijn laatste twintig euro. 'Voor mij stoofvleessaus en voor je moeder een kipsaté zonder kruiden. Ga er maar om met de fiets. Ik heb geen zin om vandaag nog de auto in te kruipen. Ik heb acht uur vliegtuig achter de rug en daarna heb ik drie kwartier bij Marcel achterin gezeten. Ik moet me dringend uitstrekken.' Patrick nam zwijgend het geld en liep de trap af naar de garage. Robert slofte naar de woonkamer en zette zich in zijn sofa. Hij vond zijn afstandsbediening niet. Die lag niet zoals gewoonlijk naast de televisie. Ook de kranten lagen niet meer op de salontafel. Hij had er nochtans naar uitgekeken ze te doorbladeren en het nieuws van de voorbije drie weken bij te benen. In de open haard lagen krantensnippers, bovenop een hoopje gedeeltelijk opgebrande houtblokken en een berg sigarettenpeuken. Ach, Patrick! Tijdens de terugrit had Robert aan Marianne beloofd dat hij niet te bot zou zijn tegen Patrick.  In haar ogen kon Patrick alleen maar goed doen. Als er iets fout liep, dan was dat het gevolg van een samenzwering tegen haar zoon. Hij liep naar beneden over de trap die naar de garage voerde. 'Marianne, heb je die sofa in de salon al gezien?' riep Robert van op de trap. In de kelder brandde echter geen licht. Wanneer Robert het licht aandeed, zag hij de twee koffers ongeopend voor de wasmachine staan. Marianne was er niet. Hij ging terug naar boven. 'Marianne?' riep hij, dwalend door het lege huis. Het was koud, want Robert had nog maar pas de verwarming aangezet. Hij liep naar boven de trap op naar de slaapkamer. De haartjes op de traploper waren helemaal door elkaar gehaald, alsof er een voetbalploeg over had gelopen. Marianne lag in de slaapkamer op haar buik op het bed. Het nachtlampje aan haar zij brandde. 'Wat is er?' vroeg ze. Haar stem klonk gedempt door haar hoofdkussen heen. 'Niets … het is juist dat heel de sofa plakkerig is. 'Ik weet niet wat Patrick allemaal heeft uitgehaald tijdens onze afwezigheid, maar…' 'Ik wil het niet weten,' zei Marianne. 'Laat me met rust.' 'Als jij het niet wil, dan moet ik zelf maar de boel opkuisen,' zei Robert. Hij sloot de deur achter zich en liep de trap af. Angstvallig vermeed hij zijn werkkamer, waar zijn computer en een hoop e-mails hem opwachtten, samen met de stapel onbetaalde rekeningen die hij voor zijn vertrek had achtergelaten. Toen hij in de keuken naar een vod zocht en hiervoor luidruchtig alle kasten open en toe deed, hoorde hij Patrick de garage binnen fietsen. Patrick reed altijd op volle snelheid de garage binnen en remde dan slippend af. Op een dag zou hij met zijn stuur of pedaal een schram trekken in de auto, daar was Robert van overtuigd. 'Waarom ben je zo vroeg terug?' vroeg Robert toen Patrick hijgend de keuken binnenkwam. 'Frituur gesloten,' zei Patrick. 'Jullie zullen het zonder eten moeten doen vanavond.' Patrick trok de koelkast open en bestudeerde de koelkastinhoud. Het lichtje van de koelkast wierp een bleke schijn over zijn gezicht. Enkele ogenblikken later haalde hij de boter en de restanten van een potje americain tevoorschijn. Robert voelde zijn maag rammelen. Hij had net het vod gevonden en besloot te beginnen met het opblinken van hun nieuwe pompbak. Patrick stond naast hem zijn boterham te smeren. 'Laat je me eens bijten?' vroeg hij aan Patrick, toen hij hem smakelijk zag kauwen op de boterham. Patrick reageerde daar echter niet op en vroeg: 'Hoe was het in de States?' 'Maak je mij geen boterham?' vroeg Robert. 'Neen, het brood is op,' zei Patrick. Robert duwde al het water uit het vod die hij net had afgespoeld. Hij keek in de broodzak die op het aanrecht lag, maar er zaten alleen nog kruimels in. Toen zag hij de schram op het nieuwe granieten werkblad. Midden over het zwarte oppervlak liep een witte streep. Rob streek er met zijn vinger over en voelde duidelijk de groef. Koortsachtig maakte hij het vod opnieuw nat en begon hij op de schram te wrijven, maar die ging niet weg. 'Weet je hoeveel dit werkblad heeft gekost?' riep Robert. 'Zesduizend euro! Ik moet nog vijf jaar schulden voor die keuken afbetalen! Onze showkeuken!' Hij keek naar Patrick, die het laatste stuk boterham inslikte. Wat haatte hij dat ventje. Dacht die nu echt dat alles in zijn leven vanzelf zou gaan? 'Showkeuken,' herhaalde Patrick smalend en liep langs zijn vader, terwijl hij met gerinkel het mes in de pompbak gooide, 'jullie zijn ziek.' Met stampende voetstappen verdween hij naar zijn kamer. Robert keek uit het keukenraam naar de haag, die baadde in het felle licht van de spot op het terras, die automatisch was aangeschoten toen Patrick de garage was binnengereden en binnen een paar minuten weer uit zou gaan. 'Godverdomme!' riep hij. Hij liep de trap af naar de garage en zette zich in zijn wagen, die na drie weken stilstand niet al te goed meer startte. Hij reed het dorp uit en daarna over de lege autostrade naar het winkelcentrum. Hij stopte aan de McDonald's drive-in en bestelde zich een Big Mac. Achter het stuur verorberde hij de dampende hamburger. Daarna zat hij een tijdje in de auto voor zich uit te kijken, naar de wegmarkering, de grijze borduurstenen en de heesters voor de bakstenen muur van de McDonald's. Toen dat hem begon te vervelen, reed hij terug naar huis.  

Nicolas Severyns
0 0

Leer

Gino had een obsessie: leren jassen. Zijn kasten hingen er vol mee. Zwarte leren perfecto's, jassen uit omgekeerd schaap, jekkertjes met glitter en opschriften van motorclubs, zelfs paarse blousons uit namaak struisvogelleer met gouden kettingen. De garderobekast aan de inkomhal was voor de mannenvesten, de kapstok in de gang voor de leren regenjassen en de instapkast in zijn slaapkamer voor de damesblousons en daim jasjes. Dat was zijn buit. De schatkamer van kapitein Gino, waar hij vijf jaar aan had gewerkt. Gino was een klein ventje met een agressiviteitsprobleem. Hij reed met een zware motor om zijn lengte te compenseren. De motor deed 250 kilometer per uur. Maar dat was niet genoeg. Elk weekend ging hij naar de discotheek, de Bocaccio en de Carré, om coke te snuiven, xtc te slikken en te dansen op de new beat van de Confetti's. Zijn hobby was onschuldig begonnen. Eerst kon hij zijn jekker niet terugvinden in de vestiaire van het Feestpaleis in Beervelde. Eigenlijk had hij hem in de hoek van de zaal naast een luidspreker laten liggen, maar hij was te dronken om zich dat te herinneren. Daarom had hij toen op zijn dooie gemakje een andere leren vest van de kapstok gehaald toen de garderobejuffrouw even de verkeerde kant opkeek. Het bleek een betere jekker te zijn dan zijn oude, een echte Chevignon uit dik en soepel leer, een pilootmodel met een blinkende goudkleurige voering. Nu hij had begrepen hoe gemakkelijk het was, maakte hij er zaak van om ieder weekend met minstens één vest aan de haal te gaan. In het weekend droeg hij de jassen niet. Hij droeg ze alleen tijdens de week, om naar zijn werk te gaan. Hij werkte in een bakkerij als bakkershulpje en moest om vier uur 's morgens opstaan, reed vijfhonderd meter met zijn motor en was al ter plekke. Om twee uur in de namiddag was hij klaar met werken voor de rest van de dag en van zijn collectie leren jekkers had hij uiteindelijk maar weinig plezier. De enige die ze zag, was bakker Guy, die hem vroeg of zijn moeder een klerenwinkel uitbaatte toen Gino voor de derde keer op één week met een ander jasje kwam aangesnord. Gino vond het spijtig dat hij niet wat meer de show kon stelen met zijn jasjes, want hij had er een paar mooie in zijn collectie. Wanneer hij 's namiddags thuiskwam stalde hij ze uit op zijn bedsprei, trok ze aan en bewonderde zichzelf in de kamerbrede spiegel van zijn instapkast, die zijn ouders hem cadeau hadden gedaan toen hij vorig jaar alleen was gaan wonen. Voor één jasje had hij een zwak: dat van Carine De Gucht. Het hing in zijn kast met damesjasjes: jasjes die hij niet aantrok, maar af en toe besnuffelde naar sporen van parfums – bloemige parfums zoals Anaïs Anaïs van Cacharel en zware muskusrijke parfums zoals Poison van Christian Dior – en ook gewoon leer en zweet. Het jasje van Carine De Gucht rook naar iets anders. Het was gemaakt uit lichte daim, rozig, met de snit van een blazer. Hij had het gestolen in snookerclub Eddy's Balls in de Groendreef. Het lag op een bank die bezet werd door een gezelschap van yuppies in gestreepte hemdjes en Italiaanse schoenen. Op hun tafeltje stonden Duvels, pintjes en Gini. Ze waren in de ban van een kloot die de show wilde stelen en met zijn keu allerlei effecten met de biljartballen uithaalde, die naar hem terugkeerden en allerlei geometrische figuren beschreven op het groene tapijt. Voor Gino was het een koud kunstje geweest om het jasje van de zitbank te grissen en er vandoor te gaan. In het jasje zat een portefeuille met een identiteitskaart, bankkaart en vijfduizend frank. Een hele hoop geld. Gino deed nooit iets met de dingen die hij vond in de jekkertjes. Meestal trof hij lipstick of condooms aan. Af en toe een halflege portefeuille. De spullen slingerden rond op zijn appartement, in schuiven en mandjes. Als er een balpen bij zat, gebruikte hij die om 's morgens kruiswoordraadsels op te lossen. Gino was meteen weg van Carine De Gucht. Zelfs op haar identiteitskaart zag ze er adembenemend uit. Haar blik was open en leek je tegemoet te komen. Gino keek er elke ochtend naar bij het ontbijt, terwijl hij slurpte van zijn koffie en kauwde op zijn boterham met salami. Toen hij nog maar net was begonnen werken, had hij zo vroeg in de ochtend nog geen honger. Het was per slot van rekening nog maar vier uur. Na drie weken deeg kneden bij bakker Guy, tussen de heerlijke geuren van rijzend deeg, gist, opgelegde rozijnen, hete karamel en smeltende boter had hij er een gewoonte van gemaakt om 's ochtends uitgebreid te ontbijten. Anders kreeg hij rond negen uur honger, net wanneer de meeste klanten de winkel binnenkwamen. En dan moest hij van Guy overal met zijn handen afblijven. Carine had een mooie handtekening met veel krullen. Ze woonde op de Dennenlaan in Lochristi en was geboren in Sint-Niklaas op 13 juli 1977. Haar rijksregisternummer was 770713-84912. Gino kende het van buiten. Gino keek uit naar 13 juli. Zelfs meer dan naar 27 augustus, zijn verjaardag. Elke nacht dacht hij aan Carine, en hij hoopte haar ooit nog eens tegen het lijf te lopen. Hij zou haar herkennen in een massa van duizend mensen. Op de straat en in de supermarkt hield hij zijn ogen open, klaar voor een onverwachte ontmoeting. Op zaterdagen bezocht hij de snookerbar, maar daar trof hij haar nooit aan. Ook discotheken leek ze niet te frequenteren. Het was 13 juli. Guy was een week geleden op zomervakantie vertrokken met zijn vrouw Sandra en zijn drie kinderen. Gino werd al de hele week elke ochtend om vier uur wakker, alleen maar om te beseffen dat hij eigenlijk verder mocht slapen. Maar hij kon de slaap niet vatten. Hij liep ongeduldig door de stad tot de winkels opengingen, kocht een groot boeket rozen en reed met zijn motor naar Lochristi. De Dennenlaan in Lochristi was een chique buurt met villa's, lommerrijke tuinen en hoge bomen die hun schaduw lieten vallen op het asfalt van het dreefje. Gino stopte voor huisnummer 46, een bungalow in rode baksteen met een schuin zwart dak. De bungalow stond een tiental meter diep in de tuin, op een kortgeknipte gazon. Een paadje uit stapstenen leidde naar de voordeur. Gino had zijn mooiste jeans en een wit hemd aangetrokken. Zijn helm hield hij onder zijn ene arm geklemd; de bos bloemen, de zak met haar leren jekker, portefeuille en de vijfduizend frank onder de andere arm. Zijn zware cowboyboots klakten op de stenen. Carines identiteitskaart zat in zijn binnenzak: die zou hij niet afgeven. Het was Carines moeder die opendeed. Gino stelde zich voor en overhandigde haar het boeket. 'Carine slaapt nog,' zei ze. 'Ben jij haar vriend?' 'Ja,' zei Gino, 'zo zou je het kunnen zeggen.' 'Kom binnen voor een kop koffie.' Nieuwsgierig stapte Gino het huis binnen. Zijn ouders woonden in een rijhuis. Ook de bakkerij was in een rijhuis gevestigd. In een wijk als deze was hij nog nooit verder dan de voordeur geraakt. Dat was overigens nog in de lagere school, wanneer hij met zijn vriend Robby voor Driekoningen van deur tot deur ging om liedjes te zingen of auto's te wassen. Hij veegde voorzichtig zijn voeten af aan iets wat waarschijnlijk een Oosters tapijt was en volgde mevrouw De Gucht naar de grote keuken met uitzicht op de achtertuin. 'Een mooie keuken,' zei Gino, 'en wat een tuin. Hier zou ik wel willen wonen.' 'Waar woon jij, Gino? vroeg Carines moeder. 'Ik huur een studio in de Groenstraat,' zei Gino, 'ik zit op leerschool bij bakker Guy op het Stationsplein.' 'Aha', zei Carines moeder. Ze schonk hem verstrooid zijn koffie in. De zak met Carines spullen lag op Gino's schoot en belemmerde hem aan te schuiven aan de tafel en van zijn koffie te nippen zonder op zijn jeans te morsen. 'Wil je die zak niet wegzetten?' vroeg Carines moeder. 'Hier', zei Gino, terwijl hij haar de zak aanreikte. 'Er zitten kleren in van Carine. Ik heb die gevonden.' Carines moeder deed de tas open en haalde het jasje eruit. Verbaasd plooide ze het open en keek ze ernaar in het licht van het brede keukenvenster. Carines moeder had veel weg van Carine. Dezelfde blik. Ze had mooie borsten, maar een plat achterwerk. 'Waar heb je dat gevonden? Carine dacht dat het gestolen was. Dat is al maanden geleden. Heeft ze dat bij jou achtergelaten?' Gino wist niet wat hij hierop moest zeggen. Hij was helemaal niet voor Carines moeder gekomen en had eigenlijk verwacht dat deze dag anders zou uitdraaien. Daarom stond hij recht. 'Uw koffie was heel lekker, mevrouw De Gucht, maar nu moet ik er vandoor. Ik denk niet dat ik ga wachten tot Carine wakker is.' Mevrouw De Gucht stond ook recht. Terwijl ze hem naar de deur begeleidde, zei ze: 'Carine zal heel blij zijn dat haar jekker terecht is. Het was een cadeau van haar vader voor haar achttien jaar. Ik vraag haar om je op te bellen wanneer ze wakker is, om je te bedanken. Heeft ze jouw telefoonnummer?' Gino krabbelde zijn telefoonnummer op een papiertje en nam afscheid. Die dag reed hij op zijn Ducati door velden en bossen tot zijn tank leeg was. De volgende dag stond de politie aan zijn deur. Ze vroegen of ze eens mochten rondkijken en Gino durfde hen niet tegen te spreken. Ze vroegen hem waar hij al die leren vesten vandaan had. 'Ik heb ze gekocht', zei Gino. 'Ze zijn allemaal van mij.' Een van de agenten haalde tampons uit de zak van een leren jekker. 'En die, zijn die ook van jou?'  

Nicolas Severyns
0 0

De hond zonder naam

Harry De Bleeckere had zich een hond gekocht van zodra zijn vrouw hem had verlaten. Hij had daar altijd van gedroomd, al sinds zijn kindertijd, maar zijn vrouw had een hekel aan honden. Aan alle dieren eigenlijk. En niet alleen aan dieren, aan mensen ook. Ze had hem waarschijnlijk verlaten omdat ze overal een hekel aan had. Dat was het. Maar bon, nu had hij een hond en dat maakte hem blij. De hond mocht bij hem slapen in zijn bed, lag samen met hem op de sofa tv te kijken en at dezelfde diepvriesmaaltijden als Harry. Wijn, whiskey of bier gaf hij niet aan de hond. Hij was geen dierenbeul. Zelf dronk hij natuurlijk graag een glaasje. Harry was niet de meest sportieve kerel. Hij hield van sportauto's, keek graag naar sport, in het bijzonder tennis, formule 1 en golf, maar zelf zag hij op tegen de inspanning. Hij ging soms met zijn vrienden joggen, een groepje dichte en verre buren. Je had Marc de cardioloog, Bernard de notaris, Jo de boekhouder en Carl die iets deed op de haven van Antwerpen. Ze waren echter allemaal superfit en een paar jaartjes jonger dan hij. Hij was de eerste die op de verkaveling een villa had gezet, nog in 1965. Toen was alles nog bos. Nu waren het villa's, fermettes en bungalows en werd het geluid van de vogels overstemd door het geluid van grasmaaiers. Zij gingen elke twee weken joggen. Het loopclubje praatte alleen maar over loopschoenen, over hoe ze een winkel kenden waar ze je voet filmden of er een foto van trokken en dan op basis daarvan een ideale schoen voor je voet uitzochten, enz. Ze droegen ook felle sportbroekjes, alsof ze echte athleten of marathonlopers waren. Niets voor Harry, die last had van overgewicht en helemaal niet van plan was om tot het uiterste te gaan, zoals zij elke keer deden. Het clubje liep tien kilometer door bossen en weiden, langs allerlei wegeltjes en op het oude vliegveld, maar Harry hield het meestal voor gezien na een kilometer of twee en nam een kortere weg, zodat hij ongeveer tegelijk met hen terug op de ontmoetingsplaats aankwam, café Rozenbroek. Daar genoten ze allemaal van een pintje. De pindanootjes waren voor Harry. Dat wist iedereen. Harry kon maar geen naam bedenken voor de hond. Voorlopig zei hij 'beestje'. Het dier was speels en wilde de hele tijd de tuin in, die bij Harry klein was en zonder omheining. Harry had de hond een paar keer buitengelaten toen hij terugkwam van het werk, omdat het beest zat te blaffen en droevig te janken, want het was de hele dag thuis opgesloten. Maar de buren waren niet tevreden. De hond liep de hele tijd hun tuin in, had op de gazon een drol gelegd en hun zoontje was er met zijn blote voeten in gelopen. De buurman was de stront in een zakje naar Harry komen brengen, om hem te zeggen dat hij zijn stront in het vervolg zelf moest opruimen. Harry's secretaresse, die sinds zijn vrouw was gaan lopen veel interesse en medelijden met hem toonde, zei dat zo een huskie minstens tien kilometer per dag moet kunnen lopen. Anders kon die depressief worden en zelfs sterven of kanker krijgen. Dat zette Harry aan het denken. De volgende ochtend reed Harry heel de wijk door: langs de Eikenlaan, de Kastanjelaan, de Beukenlaan, alle straten in zijn wijk waren naar bomen genoemd. In de nieuwe verkaveling, met kleinere villa's en kleinere percelen, daterend van na de oliecrisis, droegen de straten de namen van exotische planten, zoals Wespenorchideelaan. Tijdens het rijden hield hij zijn behaarde arm uit het opengedraaide venstertje van zijn BMW. De huskie waarvoor hij nog altijd geen naam had bedacht (wel had hij op een bierviltje al een lijst met mogelijke varianten opgesteld en was hij een rondvraag gestart op het werk), liep met zijn tong uit zijn bek naast de auto en verkeerde in een opperbeste stemming. Harry reed in tweede versnelling, met een snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur. Hij stond versteld van de snelheid van zijn hond. Hij reed naar het oude vliegveld en deed het toertje van tien kilometer dat normaal de joggers deden. De energie van de hond leek onuitputtelijk. Hij merkte dat de hond dit nodig had en maakte er een gewoonte van. De volgende maanden reed hij iedere ochtend door de verkaveling, met zijn hond aan de leiband uit het venstertje. 's Ochtends was het rustig en kwam hij bijna nooit iemand tegen, hooguit af en toe een scholier met de fiets op weg naar de school. Met volle teugen ademde hij de geneeskrachtige lucht van de sparren in en - omdat hij nu zo traag reed - zag hij op verschillende plaatsen eekhoorntjes door de bomen springen en konijnen huppelen op de gazons. Hier en daar zag hij een huisvrouw of man in kamerjas die sloffend de ochtendkrant uit de postbus kwam halen. Ondertussen bromde zijn motor en trippelde de hond met zijn nagels het asfalt. Hij werd er natuurlijk op aangesproken. Eerst keken de mensen hem vreemd aan bij de bakker en de slager. Toen hij nog eens ging joggen, een verplichting die hem destijds door zijn ex-vrouw was opgelegd, om beter in de buurt te integreren, vroegen ze hem lachend of hij nog geen pijn had in zijn arm. Maar Harry lachte het weg en legde uit hoe blij hij wel was met die hond en dat hij in een depressie zou hebben gezeten mocht dat beest er niet geweest zijn. Dat het een droom was die uitkwam voor hem en dat hij nog nooit zo gelukkig was geweest. En dat hij niet de indruk had dat hij iemand stoorde door zo 's morgens met zijn auto door de verkaveling te rijden. De joggers stemden daar mee in. Ze vonden het origineel en ongewoon, maar er was inderdaad niets illegaal aan. Met zijn ex-vrouw Greta ging Harry vaak naar concerten, voornamelijk klassieke muziek en in het bijzonder opera. Harry's ex-vrouw was gek geweest op Maria Callas, waardoor Harry telkens hij een aria van Puccini hoorde en het bekende stemtimbre hem ter ore kwam, direct in het verleden werd teruggegooid en zich alle ruzies herinnerde die hij met haar had gemaakt en hoe ze zijn leven had verziekt. Hij bleef niettemin een muziekliefhebber en luisterde 's avonds, bij het avondeten, naar een elpee op zijn hifiketen van Marantz en zijn gigantische luidsprekers, die hem het gevoel gaven dat hij zich midden in de concertzaal bevond. In de auto luisterde hij ook naar muziek, bij voorkeur naar de klassieke zender. Vooral 's morgens, wanneer hij met de hond zijn rondjes deed, probeerde hij hiermee de routine min of meer te doorbreken. Hij legde nu elke dag hetzelfde traject af met zijn hond, en had graag een deuntje waarop hij kon meefluiten. Op een dag was hij tijdens de ochtendwandeling aan het luisteren naar een streepje klassiek. Ze naderden het oude vliegveld en reden over een grindweg waar Harry steeds van versnelling moest veranderen. 'Mio babbino caro, mi piace, è bello, bello,' weerklonk de stem van Maria Callas uit de zwarte luidsprekers die in zijn portieren waren gemonteerd. Er liep een koude rilling over Harry's rug, als een kudde bizons die raasde door de prairie, en zijn reflex was om de radio onmiddellijk uit te zetten. Hij was echter net met zijn rechterhand de versnellingspook aan het verplaatsen. Hij nam de leiband tussen zijn tanden om met zijn linkerhand de radio uit te zetten en dat doordringende stemgeluid te doen verdwijnen. De leiband slipte echter uit zijn tanden, het venstertje uit. De zwarte leren vlecht kletterde de straat op, de hond achterna. Harry probeerde er zijn hand naar uit te strekken, maar verloor de controle over het stuur. De wagen maakte een bruuske bocht naar links. De hond kwam onder het wiel terecht en jankte kort en klaaglijk. Er volgde een bonk. Harry duwde op zijn rem. Hij werd tweemaal omhoog geworpen in zijn zetel voor hij tot stilstand kwam. De hond lag achter de auto. Op het eerste zicht leek er niets gebroken, maar het dier bleef wel liggen en jankte. Het keek voor zich uit en knipperde af en toe met de oogleden. Harry legde de hond voorzichtig op de achterbank, zei dat alles goed zou komen en dat het zich geen zorgen hoefde te maken. De dierenarts zei echter dat er niets meer kon worden gedaan en Harry stemde ermee in om het dier een spuitje te geven. Hij begroef de hond in de tuin en timmerde een houten kruis.  Hij had niet eens een naam voor de hond bedacht.

Nicolas Severyns
1 0

Lokroep van de vogels

  Hij heeft gespoten noch gesproeid, de wortelen zijn rein. Mijn bio-ogen merken geen venijn of parasieten, alle comités om mij te redden zijn geliquideerd. Ik zeg nog wat. Dat een alterego straks mijn valscherm saboteren zal, omdat de nacht zo van me houdt, meer dan de vissen van het water, vlinders kunnen gewoon vliegen, weet ik, vliegtuigen die niet. Man met de pet, motoren aan, motoren uit.   We kunnen nog wat lagen wegdrinken, mijn liefste, zwanenzangvinyl in rondjes draaien, kijken of het middelpunt ook een illusie is. De hamster heeft mijn beukennootjes, ginds een zwanger hondje aan de lijn, man met vrouw die hij niet lossen kan, ze kreuken, stappen door het bos. Oranje sporen, de plataan staat stil, varens overleven zonder zon, weten nog hoe dinosaurussen voorbijliepen als heuvels in een kinderdroom.   Nog een week misschien. Het aanschouwen van de dans der wintermuggen, ik had het vogelkastje niet voorzien van internet. Ver weg, een kerel met een leeuwenlogo, rechterarm die kleingesneden Vlaamse Reuzen weggooit. Achteloos. Bederf oesters vele nullen arendseieren lijsterbessen overrijpe tijd. Daar in de container, beestig groot, die zonder honger stond te wachten naast het warenhuis.   Moeheid mensen geluiden sterven. Angsten scheefgetrokken beelden smelten als een ijsje in de zon. Voor mij de warme rust, ik wil nog een paar dagen in je armen slapen, tot ze weer passeren. Dan kan ik met hen meevliegen, de vogels van het laatste rijk. Oneerlijk zou het zijn.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0