Lezen

Vermist, gekist, vergist...

 Spitsbogen. Alle vensters hadden de vorm van gotische spitsbogen. De ramen zelf bestonden uit onregelmatig geplaatste, rechthoekige vlakken gekleurd glas, waardoor die Mondriaans overkwamen. De zon projecteerde de diverse kleuren op de zwarte leistenen vloer en op de bleke eiken kist die door vier man werd gedragen en langzaam naar voren schreed. De kist werd voorafgegaan door de priester en twee dienaars en gevolgd door Lydia en haar dochter Gina, samen met enkele familieleden die Lydia zelfs niet eens kende. De kist werd neergezet, begroet en gezegend door de priester. Daarna ging iedereen zitten. De priester heette de aanwezigen welkom. Hij ging zelf zitten terwijl Bist du bei mir weerklonk, gezongen door een vrouwenstem en begeleid door het orgel. De priester stond op, ging naar de lezenaar, spreidde zijn armen en zei: ‘Broers en zusters, wij weten dat God, die de Heer Jezus uit de dood heeft opgewekt, ook ons tot leven zal wekken om ons tot Zich te voeren. Wij geven daarom de moed niet op. Al gaan wij ook uiterlijk gezien ten onder, innerlijk worden wij van dag tot dag een nieuwe mens. Wij houden onze ogen gericht, niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare.’ Het onzichtbare waar Gert naartoe ging, interesseerde Lydia niet. Voor haar was het onzichtbare wat er was gebeurd. Waarom had Gert niet van zich laten horen? Hoe was hij aan zijn einde gekomen? Hoe kwam hij daar in die kist? Terwijl de mis vorderde gingen haar gedachten volledig op in de vragen die ze al maandenlang had gesteld. Plots stond Gina op en ging naar voren. Ze nam een papier uit de binnenzak van haar gele colbert, vouwde het open en las voor. Het ging over vake alhier en vake aldaar, haar uitgesproken speelkameraad. Lydia kon moeilijk een afkeurende blik verbergen. Na een resem gebeden, die aan Lydia grotendeels voorbij was gegaan, kwam de lijkbidder naar haar toe en vroeg haar voor de offerande. Lydia stond op, ging omheen de kist, die ze groette. Ze legde vervolgens haar hand op het kruis dat door de priester werd voorgehouden en nam het bidprentje aan. Zij ging weer zitten en bekeek het prentje. De foto op het prentje was Gert niet. Nee, dat was Gert niet. Wie had zich hier vergist? Was zij in de verkeerde kerk? Op een andere begrafenis? En dan weerklonk een lach van Gina, steeds luider en sterker galmend. Lydia schoot wakker. Nee, het was geen nachtmerrie, maar de zoveelste droom die ze had meegemaakt in de schemerzone tussen slapen en waken.   Fragment uit Het Pi-algoritme © Bert Bergs, 2014

Bert Bergs
0 0

De een zijn dood is de ander zijn brood

‘Mijn!’ Hoppa. Voor minder dan een ton werd mijn huis verkocht op de veiling. Met een tevreden smoel stond de roodharige, jonge knul op. Hij wreef in zijn handen en liep naar voren. Ik stond ook op, klemde mijn kaken hard op elkaar en liep naar de uitgang. Vanmorgen had ik zo gehoopt dat de prijs voor mijn huis op de veiling weinig zou afwijken van de oorspronkelijke prijs. Met verlies had ik zeker rekening gehouden. Maximaal twintigduizend. Dan was overzichtelijk geweest en had ik een lening kunnen afsluiten. Maar ruim een ton verlies, nee, dan was ik reddeloos verloren. Voordat ik de klapdeuren opende, stopte ik nog even bij de koffietafel. Ik griste twee handen vol mariakaakjes van de schaal en moest moeite doen om niet te gaan scanderen. Wat zou ik zin hebben gehad om alle kuttenkoppen in de zaal duidelijk te maken dat ze zich niet realiseerden wat voor pijn en verdriet er achter ieder koopobject schuilging. Het liefst had ik hier ter plekke een speech gehouden. Lieve allemaal, Huurbazen, huisjesmelkers, krenten en vrekken, Lekker goedkoop een huisje scoren. Dat is de reden dat jullie hier vandaag samengekomen zijn. Waarom zou je meer betalen dan nodig is? Je bent toch zeker niet gek? Geef je ogen goed de kost en bekijk de foto’s die in rap tempo voorbijflitsen op de PowerPointpresentatie van meneer de veilingmeester. Hij is er druk mee geweest. Knippen, plakken, beetje typen. Waan je als een kind in een snoepwinkel. Als een vos in een kippenhok. Als een pooier tussen zijn hoeren. Op de foto van mijn huis zag ik dat de gordijnen dicht waren. De gordijnen die mijn moeder gemaakt heeft. Die mooie witte. Die krijgt u er gratis bij. U zult wel blij zijn dat u geen gordijnen op maat hoeft te maken. Want geloof me, deze ramen hebben godsonmogelijke, afwijkende maten. De gordijnen zijn niet simpel met enkele banen in elkaar te naaien. Daar komt echt vakwerk aan te pas. Moeder de vrouw zal u dankbaar zijn.       En ziet u die schutting in de achtertuin? Die heb ik eigenhandig opgeknapt. Het hout was verweerd en grijs. Die kekke groene verf, dat was mijn idee. Uiteraard heb ik er begrip voor als u liever een authentieke kleur kiest. Een middagje kwasten en hij is helemaal naar uw believen. Die keuken is ook leuk, nietwaar? Afgelopen Kerst stond ik daar met de hand af te wassen na het gourmetten. Tientallen kleine, aangekoekte pannetjes, schaaltjes met restjes saus en mini-spateltjes stonden te weken in de wasbak. De vaatwasser had het juist die ochtend begeven. Geen zorgen, hoor. Ik heb de vaatwasser laten vervangen voor het nieuwste model. Er zitten vooral ecologische standjes op. Ik ben nogal begaan met de wereld om ons heen, ziet u? Vergeeft u me alstublieft dat ik de tuin slecht onderhouden heb. Ik heb geen groene vingers, begrijpt u? Ik weet niks van wortels, stengels, stammen. Nachtschades, zaadlobben, bladgroen, het zegt me bar weinig. Hopelijk maakt u een mooi plekje van de tuin. Het zal er ’s zomers heerlijk vertoeven zijn. De buren zijn uiterst vriendelijk en veroorzaken nooit of te nimmer geluidsoverlast. Ik kan u nog veel meer vertellen over mijn huis en zou u heel graag verder op weg helpen, echter, vandaag heb ik weinig tijd. Ik moet namelijk om twaalf uur werken en daar ik door uw vrekkige aankoop de schuldsanering in moet, kan ik me het niet veroorloven de kantjes ervan af te lopen en mijn baan te verliezen. Mocht u nog vragen hebben, schroom dan niet om contact met mij op te nemen. Ik wens u veel plezier en geluk toe met uw zeer voordelige aankoop en de laagste hypotheek die u ooit zult hebben. Wie weet woont u over twee jaar al hypotheekvrij. Dat zou fantastisch zijn, nietwaar? Tot slot wil ik nog graag opmerken dat u niet verder na te denken hoeft over het verleden. Aan de mensen die tot voor kort nog in uw zojuist aangeschafte pand woonden. Die leef en leed hebben gedeeld, seks hebben gehad op het aanrecht, de eerste stapjes van hun kind hebben gadegeslagen in de woonkamer, baalden van de klemmende douchdeur, genoten van het uitzicht vanuit de erker. U hoeft daar niet over na te denken. Maakt u zich maar geen zorgen. De een zijn dood is nu eenmaal de ander zijn brood. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd blijven, door mensen zoals u. Namens alle mensen met hoge hypotheekschulden, betalingsachterstanden en andere financiële penarie: heel hartelijk dank. Ik legde de mariakaakjes terug op de schaal. Wat moest ik er eigenlijk mee? De veiling ging verder met een ander huis. Ik keek vluchtig op het grote scherm en zag een failliete cafetaria. Wat daar uiteindelijk voor schamel bedrag voor neergeteld ging worden, hoefde ik niet te weten. Ik liep de deur uit en dacht aan een ietwat gezette man, met snor en grijs haar. Vol goede moed begonnen aan een patatzaak om zijn gezin te onderhouden. Helaas ook slachtoffer geworden van de economische crisis. Mensen gingen hun eigen patat en frikandellen wel bakken, in de schuur. Hans Worst – ook voor al uw patatten – zag de bezoekersaantallen teruglopen. Er ontstond een achterstand in de lasten van het pand. Het ene gat was niet meer te dichten met het andere. Totdat Hans, met een brok in zijn keel, de zaak noodgedwongen sluiten moest. Zijn vrouw is er nog kapot van en ligt sindsdien hele dagen op bed.                  

Juliëtte Rosenkamp
18 0

Over de Grote Pap en de dingen die voorbij gaan

Beste Alfons, Het gevreesde is gebeurd. Ik ben zonet opgeroepen voor de oorlog. Mag ik, zoals we onlangs hebben besproken, Maria en onze kinderen aan uw goede zorgen toevertrouwen? Ik bid onze Heer Christus dat ik gezond en wel zal mogen terugkeren. Met broederlijke groet, Karel. Sierlijke blauwe letters op een vel hagelwit papier. Dat ben ik. Of beter. Dat was ik. Doorheen de jaren is de schittering verloren gegaan. Het blauw is dieper geworden, donkerder. Op het wit verschenen geelbruine vlekken. Mijn conceptie vond plaats bij het witte licht van een gaslamp. De pen schoof over het papier en de woorden stroomden eruit. In vochtige sierlijke krullen. Daarna de streling van warme adem. Het aanbrengen van de vouw die ik steeds met fierheid heb gedragen. Hij was een begenadigd Schrijver. Dat is belangrijk. Drie dagen bleef ik in de omslag. Mijn baarmoeder. Donker en geborgen. Vol verwachting. Ik voelde de druk van honderden andere brieven. De blijde verwachting van al die beschreven vellen. Weldra zouden ze geboren worden. Weldra gelezen. Men zegt soms dat het eerste licht de meeste indruk maakt. Of de plotse overgang van geborgenheid naar ruimte. Ik ben het daar niet mee eens. Het is de lezer die indruk maakt. De lezer die betekenis vat. Ik voelde het aan de vingers die me vasthielden. Hoe de hartslag in de duim versnelde. De greep van duim op wijs- en middenvinger verstrakte. Hoe de vingers me kreukten en hun haast onmerkbare afdrukken nalieten. Ik had de Lezer ontmoet. Zeven dagen lang lag ik in de zon op een bureautafel. Af en toe werd ik even opgenomen, maar de intensiteit van die eerste keer was verdwenen. De Lezer nam me, en liet me los. Een enkele keer streek hij me glad. Dan, bij het eerste ochtendlicht van de achtste dag, greep de Lezer me. Er zat urgentie in die greep. Beslistheid. Hij nam me stevig vast. Plooide me, eerst in twee zoals de Schrijver me gevouwen had, dan bracht hij een nieuwe vouw aan. Snel, niet zeer secuur. Ik verdween in zijn portefeuille. Een doorleefd lederen etui waar ik graag heb verbleven. Mijn letters naar binnen gekeerd. Weg van de wereld. Beschermd tegen licht en vocht. Ik zat er tussen twee foto’s. Ik ben daar niet goed in, kan geen beelden samenstellen uit vlekken. Letters liggen me beter. Achterop de ene foto stond Octavia, 9 september 1912. Van de andere kende ik enkel het vlekkenpatroon. Slechts drie keer ben ik uit die portefeuille gehaald. De eerste keer was na amper twee dagen. De Lezer ontvouwde me bij het flakkerende licht van een kaars. Hield me even in dat licht en borg me weer op. De tweede keer was maanden later. In het blauwe schemer van een kerk. Ik draag de vlek die een traan op me maakte. Bij de derde keer verhuisde ik definitief naar een kartonnen doos. In die doos tussen andere papieren, heb ik goed geleefd. Het is de plek waar ik vergeelde. Waar mijn inkt verdonkerde. Ik ben niet ambitieus aangelegd, leef liefst in de luwte met een paar goede vrienden. Daarom was ik er graag. Mijn dierbare vrienden. Mijn gezelschap voor jaren. Ik zie de postkaart voor me: Zonnige groeten uit Blankenberge, fam. Stevens. Het briefje met de bedenking Het is niet wat je doet, maar hoe je het doet. De gebedsprentjes van de Z.E.H. Norbert Versmissen (1867-1930) en Sophia Vertesselt (1899-1919). De kaartjes uit Lourdes. De versregel In de ochtend zingt de nachtegaal, als voorbode van dagkabaal. Het kattenbelletje met 1 liter melk, 5 eieren, bloem van Rosie. De brief aan Mijn Lieve Fons. Ze spoelden aan gedurende jaren. Telkens de doos openging een paar nieuwelingen. Na het geboortekaartje van Magali, 7 januari 1937 stopte de vloed. De Lezer heb ik niet meer ontmoet. Ik geef het toe. Ik ben mezelf wat kwijt de laatste dagen. De doos verdween, me ruw ontrukt. Na jaren donkerte lag ik plots in hel daglicht. Eenzaam tussen onbekenden. Het gebedsprentje voor Sophia Vertesselt (1899-1919) was de laatste die bij me bleef. Tot een reclameblaadje voor Lidl ons scheidde. Al dat nieuwe papier. Drukwerk van een ongelooflijke kwaliteit, onbekende lettertypes, haarscherpe prenten, kleurenfoto’s, dikke boeken, vellen vol cijfers, flinterdun glanspapier, kranten op rare formaten, rekeningen, bonnetjes, tijdschriften in felle kleuren, bioscooptickets, ledenblaadjes, reisbrochures, reclamedrukwerk. Een lawine van onverteerbare informatie. Zo raakte ik bedolven. Ik steunde op mijn vouwen en hield me gedeisd. Zonet begon de hoop te schuiven. Het labiele evenwicht ruw verbroken. Door iets. Papieren klampen zich aan elkaar vast. Mij is het om het even. Mijn leven ligt achter me. De hoop breekt. Neonlicht valt op me. Ik word opgetild. Niet door zorgzame vingers, maar door een grote machine. Samen met duizenden anderen en toch alleen. Ik zeil door de ruimte en kom op een lopende band terecht. Die voert me hoger, steeds hoger in het koude neonlicht. Dan val ik in water. Ik weet dat dit het einde is. Elke vezel van mijn vel zuigt gulzig het dodelijke vocht. Wat eerst bros van ouderdom was, zwelt en voelt voor even jong. Mijn letters vervloeien, vervagen, donkerblauw wordt lichter, verliest betekenis. Ik scheur. Verkruimel. Word één met de Grote Pap.

Luc Geeraert
37 0

Van Gerrewey

Christophe Van Gerrewey - Trein met vertraging : geen geestige roman over wachten en stilstaan.   In Van Gerreweys tweede roman worden de gedachten, gevoelens, redeneringen, rationalisaties, obsessies, observaties, herinneringen blootgelegd van reizigers op de trein tussen Oostende en Antwerpen. Dat levert essayistische stukken op over relaties en isolement, relaties en het kapitalisme, kunst- en cultuurreceptie, tekstredactie, geluidpollutie in treinen, gsm’s, meeuwen aan de kust, oogcontact als spel, de ontevredenheid bij treinreizigers, opvoeding en technologie, de obsessie met aankoopbonnen. De stijl is analytisch, op het academische af. Geen nuance of contradictie wordt over het hoofd gezien. Elk thema wordt op zijn kant gelegd en vanuit alle mogelijke hoeken bestudeerd. In lange, complexe zinnen vol onderschikking en nevenschikking wordt de lezer langs de gedachten van de personages gevoerd. Van Gerrewey toont zich in Trein met vertraging een intelligent observator met een groot psychologisch inzicht. De problemen beginnen pas met alles wat tussen die observaties valt – personages, dialogen, beschrijvingen, beeldtaal – met alles, kortom, wat het genre van het essay overstijgt. Haast alle personages in het boek zijn tot diepgaande zelfreflectie in staat. René de conducteur, Marc de seksverslaafde, Niek de studente, Lien de leerkracht, Kris die aankoopbonnen verzamelt, Roos de doctoraatstudente met een vaginale infectie en Dirk de cultuurcriticus: bij elk van hen ligt de lat van de zelfbeschouwing erg hoog. Te hoog. Van Gerrewey slaagt er niet in zich als een buikspreker achter zijn poppen te verschuilen. Hun discours is al te herkenbaar het zijne; dat van de academicus. Wanneer Kris zijn obsessie met aankoopbonnen voor zichzelf probeert te rechtvaardigen heeft hij het over drie modellen … en natuurlijk zijn de drie constructies niet perfect van elkaar te scheiden. Andere personages sturen hun gedachten bij met nuances die in een wetenschappelijk artikel thuishoren: natuurlijk is het belangrijk te wijzen op / toch is het niet zo eenvoudig dat / wat niet hetzelfde is als. Wanneer Roos en Kris ten slotte respectievelijk de wetenschappelijke namen van vaginale aandoeningen (trichomonas, gardnerella, herpes, gonorroe, chlamydia, syfilis) enveertien supermarktketens, tien soorten yoghurt en zestien merken van (elektrische) tandenborstels opsommen, ziet de lezer niet Roos of Kris in de trein zitten, maar de schrijver achter zijn computer zoektermen invoeren. Sommige verhalende scènes in het boek – scènes die de essayistische beschouwingen overstijgen en die die tegelijk aan elkaar moeten lijmen, er een verhalende vorm aan moeten geven – zijn dan weer ronduit karikaturaal en ongeloofwaardig. Nadat de trein tussen Gent Sint-Pieters en Gent Dampoort onverwachts is stilgevallen, mijmert René de conducteur over de ontevredenheid bij treinreizigers. Hij deelt het fatalisme niet van collega’s die klagen over hoe het steeds maar erger en erger wordt: Trouwens, wat maakt het uit dat iets negatief is geëvolueerd – je kunt de geschiedenis niet terugdraaien. Veertig pagina’s later schiet van die relativerende toon niets meer over. René is aan een depressie ten prooi gevallen. Wie kan er iets noemen dat de laatste tien jaar gunstig is geëvolueerd? Ik ben niet geschikt voor deze baan … ik kan het leven zoals het vandaag is niet meer aan. En dan zakt zijn kin tot op vijf centimeter van zijn borst. De ontmoeting met Kris (de man van de aankoopbonnen) brengt redding. Kris zit op de trein met drie liter roomijs. Een trein die stil staat, wordt dan een probleem. Van Gerrewey zet Kris neer met de trekjes van een autist (geobsedeerd door aankoopbonnen, zijn gesprekspartner niet aankijken, de Delhaize-administratie of de NMBS die informatie achterhoudt), die dan maar beslist het smeltende ijs uit te delen. Normale sociale interactie lukt niet, maar ijs uitdelen op een trein mag geen probleem heten. En dus spreekt hij René aan: Daarom is mijn vraag: heeft u misschien een diepvriesvak hier in de trein, waarin ik de producten tijdelijk kan onderbrengen – en indien niet: heeft u misschien een lepel of een paar lepels … De autist als kleuter. En dan hebben we nog René die moet lachen, om het gemak waarmee hij zijn job opnieuw kan verrichten, en omdat hij er, op dat moment, zelfs genoegen in vindt. Weg depressie. Tussen de reizigers bevinden zich ook vier vrienden (Zij). Als een van hen is afgestapt en op de bus zit te wachten, wordt hij door zijn moeder opgebeld. Van Gerrewey heeft voor haar de rol van viswijf in gedachten. Haar man werkt ergens in een magazijn – iets met paletten. We zien het voor ons. Op een gegeven moment gaat het telefoongesprek over … die baas van de NMBS – die dikzak, met zijn baard, hij is al op tv geweest, ik herkende zijn stem, een grafstem zoals die van Frans Verleyen vroeger, die baas van Knack – en ze lijken nog op elkaar ook … Vingers opsteken wie ooit op zo’n manier, mét uitweiding over de fysieke gelijkenis tussen Frans Verleyen en die dikzak van de NMBS, een moeder haar zoon heeft horen opbellen om te vragen of hij al gearriveerd is. Sterk ook dat zo iemand weet dat Frans Verleyen vroeger baas van Knack was. Dat doet ze niet natuurlijk. Het is Van Gerrewey die dat weet. Kijk, daar heb je hem, hij loopt net door het beeld. Telkens het essayistische pad wordt verlaten, loopt het mis. Dit moet bijvoorbeeld spreektaal voorstellen: … hou toch eens op met die schandalige relativering! / ja, dat klopt, maar blijkbaar is het probleem niet zozeer specialisatie, als wel harmonisatie / het is allemaal ontzettend handig, en als je erbij stilstaat, dan wordt het voor een redelijke prijs aangeboden, en wat ik nog het mooist vind, is het ingebouwde kompas … In een poging de tekst toch nog wat leven in te blazen, wordt onstuimig met uitroeptekens rondgestrooid. Als hij naar links kijkt, krijgt hij een beetje zin om de puzzel op te lossen, maar dat hij zonder veel moeite een pen zou kunnen vinden – en dat de stilstand nog lang genoeg zou duren om de puzzel tot een goed einde te kunnen brengen – dat is onmogelijk!Alsof het om iets levensnoodzakelijk gaat plots, die puzzel. Een reclame voor lingerie roept twijfels op over de kwaliteiten van de vriendin van een van de vrienden en zijn relatie met haar, twijfels die hij na de uitstap dacht achter zich te hebben gelaten: Dat was dus wel het geval geweest als deze trein zonder vertraging was blijven rijden! Van alle personages verliezen de vier vrienden zich het minst in zelfbeschouwing. Hier geen diepzinnigheden. Van Gerrewey laat hen bij wijze van contrast pagina’s lang met elkaar praten zonder tussenbeide te komen. Het effect is bewust tenenkrommend. Als lezer wil je roepen dat ze hun mond moeten houden, dat het meisje moet stoppen op haar i-phone te tokkelen en vooral dat die ene lolbroek zijn grapjes voor zichzelf moet houden. Met die pagina’s lange nonsens roept Van Gerrewey de irritatie op die elke treinreiziger dagelijks meemaakt. Bij afwezigheid van de kunstenaar wordt het omgevingsgeluid kunst. John Cage. Dat is knap gevonden. Wat verderop luisteren we mee met een van de vrienden die in Gent door zijn moeder wordt opgebeld. Juist, die van daarnet, de vriendin van Frans Verleyen. Na vier en een halve pagina haar hysterisch gesnater te hebben aangehoord, smeekt de lezer samen met de arme jongen dat ze haar mond houdt. Het trucje wordt herhaald, (later zelfs nog eens) en dat is een beetje flauw. Het levert tenslotte slechts woordenkramerij op, gekuch en gemurmel in de concertzaal. Van Gerrewey houdt van dergelijke slimmigheidjes. Eén hoofdstuk lang denkt Roos op het treintoilet na over relaties. Twaalf pagina’s die eindigen met … al is de knip nog maar een minuut geleden op de deur gedaan. Die minuut staat er niet toevallig. Van Gerrewey wil de gedachten over haar isolement – met alle zijsprongen van dien - en de waarnemingen van het toilethokje woord voor woord, beeld voor beeld transcriberen. Eén minuut aan hersenkronkels, uitgerold in twaalf pagina’s, alstublieft. Het heeft iets belerend bijna. Dialogen tussen personages? Gedachten van personages? Die zijn even oeverloos saai of breed meanderend als van mensen van vlees en bloed. Wisten jullie dat dan niet? De schrijver jongleert al even graag met het romangenre en de verwachtingen van de lezer. Eén van de vier vrienden staat op het einde van een hoofdstuk op met de mededeling dat hij de vertraging godverdomme beu is. Het staat er als een cliffhanger in een episode van The Killing. Daarna wordt niets meer van hem vernomen. Het hoofdstuk waarin iemand een oude bekende van zijn grootvader ontmoet is als enige in de ik-persoon geschreven. De lezer komt niet te weten wie die persoon is – een eerder beschreven personage, iemand die voor de rest niet in het boek voorkomt? Op het einde van de treinrit herinneren Dirk en Roos zich elkaar eerder te hebben gezien. Volgens hem was dat ergens in december – jaren geleden, in een trein die de loop van een rivier in de Ardennen volgde. Zij daarentegen, is zeker dat het in januari of februari was, in een trein die vanuit New York langs de Hudson reed. Het decor wordt opnieuw opgeheven. In de coulissen zit nog steeds de schrijver. Kijk, hij schudt meewarig het hoofd: het geheugen van mensen is onbetrouwbaar, waarom zou dat dan bij romanpersonages anders zijn? Tja, waarom? Laten we de vraag omdraaien. Waarom ergernis opwekken met dialogen vol nonsens? Met ellenlange uitweidingen, beschrijvingen, valse herinneringen? Waarom de illusie wekken dat je afwezig bent in je eigen verhaal? Dialogen verschijnen schijnbaar zonder tussenkomst van de auteur, rechtstreeks van de coupé zogezegd – als een tranche de vie - op het blad. Idem met de minuut die uit Roos’ gedachten geknipt wordt en op twaalf pagina’s breed uitgesmeerd. Personages doen iets zonder dat er in het boek gevolg aan gegeven wordt, sommigen blijven anoniem – allemaal zoals je dat als treinreiziger voor je ogen wel eens ziet gebeuren. Van Gerrewey wil als auteur in deze passages onzichtbaar blijven. Het ironische is natuurlijk dat hij door dat zo nadrukkelijk te doen des te meer opvalt. Of is dat net de bedoeling? Maar waarom? Waarom voortdurend de skeletbouw van je eigen verhaal onthullen? Om te vermijden dat de lezer zich in fictie verliest? B. Brecht. De lezer die moet nadenken over hoe schrijvers uit dialogen stukken selecteert, van gedachten van personages slechts fracties weerhoudt. Alsof diezelfde lezer dat zonder Van Gerreweys opgeheven vingertje niet zou weten. Wat is er mis met de constructie achter een boek te willen vergeten, en daar vanuit een soort tweede naïviteiteen verhaal voor in de plaats te krijgen? Lectuur, zo liet Van Gerrewey ooit optekenen, moet inspanning vergen, alleen dan biedt het maximaal plezier. Wat een misvatting. De kracht van een verhaal ontgaat hem blijkbaar. Of het zou moeten zijn dat hij zelf beseft geen groot verteller te zijn en daarom zijn eigen verhaal bij voorbaat al kapot scheurt. Je kunt een ei op voorhand breken opdat men de barsten in de schaal niet ziet. Maar nu zijn we ter kwader trouw. Niettemin, verbeelding noch suggestie is de lezer gegund. Wanneer Marc de gsm van Roos leent en Jos opbelt, is het voor iedereen duidelijk dat Jos niet bestaat. Het geeft die Marc iets tragisch. Van Gerrewey enkele pagina’s later: … maar Jos bestaat helemaal niet, Jos heeft hij verzonnen om een aanleiding te hebben om haar aan te spreken. Hele delen van het boek zijn dicht geslibd. De lezer wordt verstikt, snakt om de tien pagina’s naar lucht. De verduidelijkingen zijn hopeloos overbodig, de haakjes na een tijdje nauwelijks nog te verdragen. Meeuwen zweven boven het wateroppervlak (maar altijd met de stad nabij) / een trein die in Gent arriveert … niet van de meest recente generatie (evenmin een dubbeldekker) / wentelteefjes in hete olie … gebakken (aan beide zijden) / vaginale infecties op het internet (dankzij een link op Wikipedia, waar ze naar doorverwezen was door Google). Op het einde komt er nóg een personage bij. Lien heet het kind en vanaf de eerste regels is van hetzelfde laken een pak. Over de kinderen die Lien en haar man proberen op te voeden zonder gsm, auto, televisie: … en hoewel ze dat niet doen gewoon om anders te doen (maar dus omdat ze goed willen doen), toch is die alteriteit een fundament onder hun huwelijk … Alteriteit! Over de muziekacademie van Lokeren die … is uitgebreid met een moderne, rechtlijnige aanbouw die ze nauwelijks als een opwaardering van de omgeving kan zien. De herinnering aan een familiebarbecue – mét haakjes, gedachtestreepjes, uitroeptekens, de hele santeboetiek - van twee en een halve bladzijde is daarna de lezer zijn deel. Wat heeft die laatste Van Gerrewey misdaan, dat hij zo zwaar op de proef wordt gesteld? Want we moeten nog met Lien op gidsbeurt door Sint-Niklaas. Mercator is het thema … (hoewel Mercator in Rupelmonde geboren is en niet in Sint-Niklaas, wat natuurlijk tot hoogoplopende conflicten tussen beide gemeentes had geleid)… Natuurlijk. Dan stapt Lien gelukkig voor ons op de trein, waarin … veel reizigers … een beetje murw zijn. Wat je zegt. Haaks op de essayistische, bij momenten meta-literaire opzet en daarom des te opvallender, staat de schoonschrijverij waar de schrijver zich aan heeft overgeleverd. Het boek bulkt van de kromme beeldspraak. Roos haar boezem, die ontvangt zijn blik als een stopcontact een stekker / de laatste twijfel wordt als een leeggegeten bord door een ober weggenomen / passagiers drommen in het gangpad samen als stroperige vloeistof in de hals van een ondersteboven gehouden, nog niet geopende fles / een gevoel van misselijkheid (malaise) komt opzetten als de kolken in een pas doorgespoeld toilet. Doet Van Gerrewey het met opzet, lelijke beelden verzinnen? Het is alsof hij (Dirk) in de woorden wil bijten als in een stuk taart: terwijl hij het naar zijn mond brengt, wordt het bezet door drie, vier vliegen tegelijkertijd, die het onmogelijk maken om toe te happen … / Het is met stilte als met zure melk, die natuurlijk smerig groen kan worden en kan schiften en beschimmelen, maar die van bij de eerste onzichtbare verontreiniging ondrinkbaar wordt. Het kan opzet zijn. Meer waarschijnlijk ligt het romangenre Van Gerrewey gewoon niet. Zijn analytische schrijfstijl ketst af op zoiets als beeldspraak. De kaaklijn van haar (Roos’) gezicht die een bijna perfecte raaklijn is, aanleunend bij het orthogonale assenstelsel waarin haar hoofd gekaderd kan worden – een in één trek getrokken lijn van haar oor, tot aan het allerlaagste punt van haar kin – een bijna perfecte asymptoot, omdat de kromming van haar jukbeenderen, zoals het hoort, eerder hoekig is dan rond / blikken die elkaar (bewust) kruisen: dat ze zouden knikkeren met elkaar, en hun kijkers door flitsende botsingen zouden wegstuiteren, een andere kant op, maar nooit buiten de stenen knikkerbak waar ze met wederzijdse instemming aan hebben plaatsgenomen. Gortdroge, mathematische beelden zijn het, die de lezer op afstand houden in plaats van hem bij de tekst te betrekken. Tussen al die prozaïsche krachtpatserij door, kiert bij momenten iets dat voor existentiële poëzie moet doorgaan. Het resultaat is zoals bij de uitroeptekens geforceerd dramatisch. De trein valt stil zonder te schokken … alsof dit geen reis is door tijd en ruimte, maar een gemeenschappelijk bezoek aan een eeuwenoude, en voorgoed onveranderlijke plek / de egaal blauwe lucht heeft iets bedreigends, alsof er niets meer is, of alsof alle onderscheid is verdwenen, en de gebouwen ontworpen zijn, maar de rest van de wereld nog niet, of niet meer. Dit is een schijn van poëzie opwekken. Oppervlakterimpels maken in een voor de rest van poëzie en suggestie verstoken, stilstaand proza.    

detroostvancontouren
0 0

Huilen is voor jou te laat

Het was op de bus dat ik de kabouter ontmoette. U zult dit waarschijnlijk ongeloofwaardig vinden, want ja, ik had de avond voordien stevig gedronken, en ja, mijn vrouw had me pas in de steek gelaten. Maar als ik van één ding zeker ben, dan is het dat ik daar op die bus op weg naar mijn werk een kabouter tegenkwam. Het was een kleine kabouter. Ik weet eigenlijk niet hoe groot kabouters gewoonlijk zijn, deze was 15 centimeter hoog, muts inbegrepen. Dat vind ik klein. Het was ongeveer ter hoogte van mijn broeksriem dat ik zijn warme stem voor het eerst hoorde. U begrijpt dat ik onmiddellijk de krant opzijschoof. Ik was sprakeloos door wat ik zag: een klein mannetje met een blonde baard en een rode muts. Hij zei dat ik me niet ongerust hoefde te maken, dat hij niet beet en dat hij welopgevoed was. Hij stelde zich voor als Alfred. Ik zei dat ik Pim heette en voor ik het wist, raakte ik dus in gesprek met een kabouter. Ik was eraan toe, aan een gesprek, want sinds het vertrek van mijn ex, had ik een gebrek aan sociaal contact. Alfred vertelde over zijn werk als vaatwasser. Tegenwoordig blijken kabouters te opereren in vaatwasmachines en niet meer aan de pompbak. Die nieuwe werkomgeving brengt allerlei nieuwe problemen met zich mee. Zo had Alfred last van eczeem. Ik vond dit een interessant feit, ik bedoel niet het eczeem, maar wel dat kabouters tegenwoordig in vaatwasmachines opereren. Ik had mijn eigen toestel nooit in die optiek bekeken, en nu kon ik dat niet meer want mijn ex had het meegenomen. Ik begon als antwoord op dit alles over mijn ietwat saaie administratieve job, maar Alfred onderbrak me dadelijk. Hij zei dat hij me daarmee niet kon helpen, dat er andere kabouters waren die dat soort werk deden. Grijze kabouters. Maar wat dus de vaat betrof, hernam hij zijn exposé, had hij goede herinneringen aan de tomatensporen die ik op mijn borden achterliet, aan mijn chocomessen en mijn beduimelde koffiekoppen. Ik staarde hem sprakeloos aan terwijl hij nog andere intieme details over mijn serviesgebruik opsomde. Alfred was, zo bleek, de kabouter die jarenlang onze vaat had gedaan. Met zijn herinneringen, kwamen de mijne. Hoe fijn het was geweest met mijn ex aan de keukentafel, hoe heerlijk haar koffie was, hoe gezellig onze feestjes, en hoe fier ik op haar was, eigenlijk, toen, nog niet zo heel lang geleden. Ik voelde plots tranen prikken. Ja, ik ben ontzettend gevoelig. Toen Alfred mijn vochtige ogen opmerkte, ging hij staan op de bank, wat een wankel evenwicht is op een rijdende bus. Tot mijn verbazing begon hij te zingen. ‘Alles wat ik had, gaf ik aan jou alleen. Maar je stuurde mij plots naar die ander heen.’ Het was het soort belegen schlagerwijsje waar je automatisch een mandoline bij zag, of een draaiorgel bediend door een stoffig type. ‘Nooit kom ik nog terug bij jou zoals weleer. Huilen is nu voor jou te laat, nee, ik kom niet meer.’ Wanneer hij sprak had Alfred een warme stem, maar zingen deed hij met een nasale stem die vooral erg luid was. Busreizigers keken verstoord om, staarden mij aan alsof ik getikt was. Een plotse bocht van de bus deed Alfred terug op zijn bips belanden. Ondanks de geïrriteerde blikken van mijn medepassagiers, bedankte ik hem voor zijn lied, in de veronderstelling dat kabouters hun medeleven betuigen door het brengen van serenades. Alfred schudde ontkennend, dit lied ging niet over mij maar over hem. Toen kwamen de verwijten. Hoe ik het in mijn hoofd gehaald had hem te dumpen bij mijn ex, dat verschrikkelijke vrouwmens dat alle vaatwas eerst met de hand voorspoelt? De truttebel die het bestek met een handdoek droogt terwijl het al poederdroog is, die glazen opblinkt terwijl hij, Alfred, die dingen al oogverblindend glanzend heeft gewreven? Het was waar, mijn ex had die neiging. Ik kon me daar ook in opwinden en daarom was ik in ons huishouden degene geweest die zich met de vaatwas bezighield. Maar goed, beet hij me toe. Het probleem was intussen opgelost. Hij had vanochtend het kleinste theelepeltje genomen en dat door de strot van mijn ex geramd. Ze was er voorspoedig in gestikt. Ik stond perplex. Alfred maakte daar handig gebruik van om ervandoor te gaan. Ik heb nog geprobeerd om hem bij de lurven te vatten, maar hij was aalvlug. Hij glipte tussen de benen van een dikke dame, achter de tas van een werkman, en was verdwenen.   Wat ik dus eigenlijk wil zeggen: ik ben niet de moordenaar van mijn ex. Dat waren de kabouters.

Luc Geeraert
35 0

Het leven is een ei

Dat de zonnebril van de man niet stuk is, klopt ergens wel, het is immers een pilotenmodel. Maar dat de man rechtkrabbelt aan de voet van de wolkenkrabber, dat hij zelfs geen schram heeft opgelopen, is fysisch onmogelijk. Hij is het middelpunt van een kleine volkstoeloop, mensen die hem bezorgd of verbaasd aanstaren. ‘Mijnheer,’ begint een vrouw. De man negeert haar, hij negeert al die mensen. Wat zou hij hen meer kunnen vertellen dan dat hij een totale sukkel is? Over een balustrade kruipen en zich de diepte instorten, hoe moeilijk kan het zijn? ‘Mijnheer,’ probeert ze nog eens, ze grijpt zijn arm. Hij rukt zich los. ‘Bent u echt oké? Moet ik een ambulance telefoneren?’ Nee schudt hij, nee, vooral niet. De vrouw dringt niet meer aan, ze zet een stap opzij. Andere omstaanders schuifelen wat achteruit. Er gaat een rilling door de man heen wanneer hij merkt dat ze plaats maken voor een pinguïn. Het is een kleine pinguïn met bemoeizuchtige kraaloogjes. ‘Jij daar,’ de pinguïn steekt zijn borst vooruit, ‘jij bent pretentieus.’ Er klinkt gemompel in het groepje omheen de man. De pinguïn kijkt in het rond en wappert met zijn vleugel. De omstaanders verspreiden zich prompt. De man blijft alleen met de pinguïn achter. De pinguïn schraapt zijn keel. ‘Het is heel eenvoudig: ik zwem en ik loop. Zo is het bedoeld en zo handel ik, op vliegen zal je mij nooit betrappen. Jij als mens dient je net zo te gedragen. Uiteraard loop je beter dan ik, maar dat wordt gecompenseerd door jouw mindere zwemkwaliteiten.’ ‘Ik wilde enkel zelfmoord plegen,’ zegt de man. ‘Wie zich van een toren stort om zelfmoord te plegen, vliegt niet. Jij bent ongedeerd, jij hebt dus gevlogen.’ De pinguïn kijkt de man diep in de ogen. ‘Ik zit strop. Ik moest gewoonweg springen.’ ‘Vliegen.’ Er volgt een ongemakkelijke stilte. ‘Ik wil dood, echt,’ herneemt de man. ‘U moet me geloven. De baas had me bij zich…’ ‘Waaraan doet een ei je denken?’ blokt de pinguïn het betoog van de man af. ‘Een ei?’ Verrast hapt de man naar adem. De pinguïn knikt bemoedigend. ‘Ik weet niet,’ vervolgt de man. ‘Een ei wordt uitgebroed en er komt een vogeltje uit. Dat pikt het ei eerst stuk natuurlijk. Of is het de moedervogel die dat doet?’ ‘Het leven is een ei. Daar zou het woord ei je aan moeten doen denken.’ Hij blikt zelfvoldaan in het rond, maar er zijn geen toeschouwers. Voorbijgangers haasten zich langsheen het duo en besteden er nadrukkelijk geen aandacht aan. ‘Dus geen moedervogel,’ mompelt de man, hij speelt peinzend met zijn zonnebril. ‘Als het leven een ei is, dan is het feit dat ik nog leef een teken?’ De pinguïn reageert niet, staart hem geconcentreerd aan. De man haalt diep adem. ‘Dus ben ik eigenlijk opnieuw geboren?’ Hij knikt nu plots overtuigd. ‘U, mijnheer de pinguïn, bent een soort boodschapper die mij een herkansing brengt. Ik mag nog niet dood. Mijn problemen moet ik aanpakken, dat is wat ik moet doen, ja? Ertegenaan gaan. Iedereen heeft wel eens een slechte dag op kantoor, iedereen verliest wel eens zijn job.’ De pinguïn schudt ontkennend het hoofd. ‘Ik herhaal, het leven is een ei. Jij hebt mij onsterfelijk belachelijk gemaakt en dat pik ik niet.’ ‘Dat was niet mijn bedoeling, echt niet. Ik ben u net heel dankbaar omdat u mij doet inzien dat ik fout zat, dat alles nog zin heeft. Ik moet er nog verder over nadenken, natuurlijk. Maar ik voel hoop, echte hoop. U beledigen wilde ik niet, helemaal niet. Sorry daarvoor.’ ‘Een eenvoudig excuus volstaat niet om deze schande uit te wissen. Dat begrijp je toch?’ ‘Ja, dat hangt van u af natuurlijk, hoe u genoegdoening wenst te krijgen. Ik ben bereid daar ver in te gaan omdat u hier mijn leven redt, met uw inzichten.’ De man steekt een sigaret op. ‘Je had niet mogen vliegen.’ ‘Ik weet het, ik weet het. En toch heeft het een positief gevolg. Ik leef nog.’ ‘Je had dat echt niet mogen doen.’ De man geniet van zijn sigaret, de eerste van zijn nieuwe leven. Het lachen met pinguïns is bij wet verboden, maar gewoonlijk eindigt dit soort zaken met een minnelijke schikking. ‘Het is dus duidelijk wat er moet gebeuren,’ neemt de pinguïn een plots besluit. De man tikt wat asse op de grond. ‘We moeten alles overdoen met de logische gevolgen ditmaal.’ De pinguïn knijpt zijn oogjes samen. ‘U bedoelt…’ De man trekt bleek weg en laat zijn sigaret vallen. ‘Nee, dat kan niet. Ik wil niet meer dood. Ik ben net opnieuw beginnen leven. Dankzij u.’ ‘Uw besognes laten me koud, het leven is immers een ei. Volg me maar.’ Zonder op of om te kijken, waggelt de pinguïn naar de ingang van de kantoortoren. De man blijft staan. Hij is niet van plan opnieuw te springen, echt niet. Aan de toegangsdeur draait de pinguïn zich om, keert terug op zijn stappen. ‘Je hebt geen keuze,’ insisteert hij, ‘dat besef je toch?’ De man blijft koppig staan. De pinguïn schenkt hem een vernietigende blik, waarna hij zich naar een politieman haast die even verderop staat. Er ontspint zich een geanimeerde discussie waarbij ze uitvoerig naar de man en de toren gebaren. De man wacht op wat komen gaat, vluchten heeft geen zin. Hij hoopt dat de politieman hem van die vervelende pinguïn zal verlossen, dat hij de zaak van mens tot mens zal willen regelen. Even later wenkt de politieman hem. ‘Mijnheer, lachen met pinguïns is verboden. Dat weet u toch?’ ‘Maar ik wilde…’ ‘Vliegen! Stel u voor,’ de politieman pauzeert, slikt zijn ergernis weg. ‘Wat deze pinguïn u als genoegdoening vraagt is bijgevolg niet onredelijk. Ik zal u naar boven begeleiden.’ Hij legt zijn hand dwingend op de arm van de man en samen verdwijnen ze in de kantoortoren. De pinguïn blijft beneden. Hij wacht. Enkele minuten later stort de man te pletter op het voetpad. De pinguïn knikt goedkeurend, raapt de zonnebril op en waggelt weg.

Luc Geeraert
17 0

Avontuur

"Ga je mee op avontuur?",  vraag ik. "Ik weet nog niet waarheen. Kom, pak je jas en stap in."   Ik geniet van de rit met jou naast me. Kijkend naar de voorbij trekkende velden, de bomen, de koeien in de wei. We hoeven niet te praten. Gewoon samen onderweg zijn is het mooiste wat er is.   Er staat een man te liften in de regen.  Ik stop, zonder me af te vragen of dat wel verstandig is.  "Waar ga je naartoe?", vraag ik, terwijl hij op de achterbank kruipt. "Naar de zee," zegt hij. "Ik heet Maarten." Wij stellen ons ook voor. Daarna is het weer stil. De lucht klaart op. Het grijs verandert snel in fel groen, nu de zon de weilanden en de bomen weer verlicht.   "Waar aan de kust moet je zijn Maarten?",  vraag ik onze passagier. "Maakt eigenlijk niet zo veel uit", zegt hij. "Ik wil een eind op het strand gaan wandelen. Dat doe ik graag." We besluiten naar Zierikzee te rijden en zetten Maarten bij de duinen af.   We parkeren de auto even verderop. "Soep en friet", antwoord je me als ik vraag waar je trek in hebt. We stappen een brasserie binnen waarvan we vermoeden dat ze dat wel op het menu hebben staan. De ober komt onze bestelling opnemen. Hij ziet er wat slonzig uit. Hij heeft lang, vettig haar en een snor. Het wordt tomatensoep met patat speciaal. En een biertje natuurlijk.   Je ziet er prachtig uit met je natte haar en de zwarte vegen rond je ogen door de uitgelopen mascara. Nu je hier zo tegenover mij zit, realiseer ik me opeens hoe zielsveel ik van je houd. Tranen wellen in me op. Die stomme ruzies ook altijd. Konden we maar altijd zo rustig en stil van elkaars gezelschap genieten.   Ik betaal. Jij gaat vlug nog even naar de wc.  "Kom, laten we naar huis gaan", zeg ik als je terugkomt . Je kijkt een beetje verbaasd. "Maar we gingen toch op avontuur?" "Dat is ook zo", antwoord ik, "maar daarvoor hoeven we toch niet ver te reizen?"   Ik start de auto, maak mijn gordel vast en wil wegrijden. Je vraagt me om nog even te wachten.  Maarten loopt enigszins verloren langs de auto. Hij lijkt iets kwijt te zijn. Ik draai het raampje open en vraag of we hem ergens mee kunnen helpen. Verschrikt kijkt hij op, maar zodra hij ons herkent verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. "Ik ben op zoek", zegt hij, "maar ik weet niet naar wat". "Ik begrijp het", zeg ik en vraag of we hem naar huis kunnen brengen. Hij stapt in en we rijden terug in de richting waaruit we gekomen zijn.   We zijn al een tijdje onderweg wanneer Maarten ons ineens vraagt waarom we zo verdrietig zijn. Ik heb niet meteen een antwoord klaar, maar jij zegt spontaan: "we zijn ons zelf een beetje kwijt. We zijn bang voor de toekomst." "Ik snap wat je bedoelt", zegt Maarten. "Dat overkomt ons allemaal. Maar uiteindelijk komt alles weer goed."   "Zet me hier maar af", zegt hij wanneer we het bord passeren dat de volgende uitrit aankondigt. "Dit lijkt me een interessante plek."   We nemen afscheid en vervolgen onze weg naar huis. Ik parkeer de auto in de garage, terwijl jij alvast naar boven gaat. "Wil je ook thee?" vraag je als ik de woonkamer binnenloop. "Ja graag", zeg ik en houd je een tijdje stevig tegen me aangedrukt. De ketel fluit. Buiten begint het te schemeren. In mijn hoofd is het al behoorlijk opgeklaard.

hoos
0 0

Roes -berichten over de liefde-

Zaalicht aan Licht van cd apparaat voor pjotr Pjotr zit bij loopapperaat Spreekt ‘’Hee’’ in   Senna Gek, als ik zo iets belangrijks tegen je moet zeggen, dat de enige manier om te beginnen is: ‘Hee’.   Start muziek : country bumpkin / wallis bird Licht De drie vrouwen staan met rug naar publiek op de brug Dans van de vrouwen Abrupte stop muziek Licht uit Pjotr Just om en om: Ze zou gesprongen kunnen zijnZe zou geduwd kunnen zijnZe zou gevallen kunnen zijnZe kan het bedacht hebbenZou ze bang  zijnZou ze ons kunnen horenZou ze ontvoerd zijnOf zou het een grap zijnOf een misverstandOf is het alleen een afleidingsmanoeuvreWie zouden haar ouders zijnZou het de schuld van de brug zijnOf waren er andere factorenZou het mijn schuld zijnZou het ons ook kunnen gebeuren, hoeveel seconden blijven deze vragen hangen?Zolang als jij je adem in kan houden 10, 15zou het de liefde zijn geweestzou het een geheim zijnhoeveel dagen zou ze daar hebben gelegenheeft ze er wel gelegenzwemt ze rondjes over onze wereldof in een zogenaamde hemelzou ze een van ons kunnen zijnhoe zou zij denkenzou ze gelukkig zijnzou jij het kunnen zijn?   Pjotr bezig met brief/loopapperaat   Sarah no why no questions no comment Senna Ik kom van daar van ginder van waar jij niet komt Marthe van bij het water Sarah vlakbij het spoor Senna Ik woon naast het spoor weet je Sarah over de brug razen de treinen vol reizende reizigers dwars door de nacht Just ik vertrouw het niet no way not me no way Senna waarom niet? Just Nooit waarom. Marthe ben jij bang? Just Waarvoor? Marthe Voor de liefde Just Ik ben niet zo snel bang Marthe Waarom kijk je dan zo Just hoe kijk ik dan? Marthe angst geeft geen vleugels Just Er is ergens iets misgegaan. Senna Wanneer is er dan iets misgegaan Just Er is ergens gewoon iets mis gegegaan. Sarah Wat denk jij  als je in een nis kijkt en twee omhelzende lichamen ziet? Marthe Goede dingen moeten niet te lang duren, voor je het weet ga je er nog in geloven Just Ik denk niet dat liefde vleugels geeft. Sarah Tijdens een van de heetste zomers van de eeuw Lopen een jongen en een meisje elkaar letterlijk tegen het lijf Ze zwerven een tijd lang rond in deze stad Tot op een dag het meisje van de brug valt Senna Viel ze? Marthe Werd ze geduwd? Sarah Of zou ze zijn gesprongen? Senna Hee! Hoe lang kan jij je adem in houden?   De drie meisjes springen van de brug   Just nu god jezus christus (zie je wel) 1 2 3 re con struc tie om te beginnen bij het begin het begin waar is het begin   muziek terug: einde Pjotr op Pjotr rent heen en weer op een bepaald moment voor publiek uitademen   Pjotr ik trek me af niet nu en hier maar in het algemeen ik beken ik trek me af en dan denk ik aan haar terwijl ik me aftrek iemand moet het doen ik bedoel iemand moet mij aftrekken waarom duur betalen als het goedkoop kan ik doe het vaak ik heb het net gedaan ik ga het dadelijk weer doen in de tussen tijd wacht ik terwijl ik wacht denk ik aan haar ik denk aan haar als ik eet als ik poep   ik denk aan haar als ik adem ik denk dat zij mijn adem is   Senna ligt achter op de brug   Marthe Het is zomer een zwoele nacht zonder maan in de stad zonder ster en Bijbelzwart de stille straten en alles onzichtbaar de stad wordt doorlopen door riviertjes en kabbelende beekjes die gitzwart afsteken tegen hun bijna net zo zwarte achtergrond de bruggen zijn verlaten en de straten zijn leeg bijna alle mensen in de gewiegde en verstomde stad  liggen nu te slapen           jonge meisjes liggen zachtgebed of glijden in haar dromen  op witte paarden de jongens dromen zondig of draaien rusteloos om in hun slaap   sarah sluipt naar de overkant / koffer pakken   jij alleen kunt horen en zien achter de ogen der slapers, hun bewegingen, het draaien, de doolhoven en de kleuren van het verlangen hun wensen en vlucht en val in wanhoop van waar jij bent kun je hun dromen horen   het is stil ergens in deze stad zijn die jongen en dat meisje   stilte, opbouwen, tijd Senna Ik vang verhalen op. Ik hang ze te drogen aan de waslijn. Ik denk dat het verhaal dat ik gister uit het water plukte over ons gaat. Over onze droom. Hoe die, groot en zwart als een stier, voor ons neerknielt, ons zijn rug aanbiedt en, nadat we opgestegen zijn, met ons aan de haal gaat. Hoe we ons ook vastklampen- aan de oren, de flanken, de horens- altijd glijden we van die veel te brede rug af.     Met koffer Sarah ik denk amerika ik denk, ik ga weg en ik denk ik ga naar amerika in amerika denk ik wonen mijn vrienden ik heb vrienden over de hele wereld maar in amerika, ja, dat zijn speciale vrienden ik geloof in vriendschap niet in de liefde vrienden daar kun je op bouwen daar kun je van op aan ook al zijn ze in geen velden of wegen te bekennen ook al weet je niet precies wie je vrienden zijn als ik ze zie zal ik ze herkennen   Pjotr richt het huis in Sarah gaat op brug zitten schrijven Pjotr ik neem haar mee naar huis naar bed mijn huis is zo groot als een bed mijn bed is mijn huis een bed met een dak een vierkante-meter-keukenblok een geriefelijke badkamer ter grootte van een wc huiskamer  / kanaries ik neem haar mee ze gaat mij liefde geven droom ik ik droom ik neem haar mee stel haar voor aan mijn familie zoals het hoort denk ik pappa mamma dit is ze is ze niet mooi   Pjotr tegen over Senna   Marthe Het is rustig in de stad Je kan er uren lopen zonder geluid Je schoenen klakken op de trappen van de stad, je ademhaling slaat op hol door de inspanning Je zucht, steunt Zonder geluid Niemand hoort je Je kan in paniek door de smalle, oplopende straatjes lopen zonder dat mensen het merken Je bestaat niet Je bent onzichtbaar   Het is een mierenhoop Steegjes die smaller zijn dan een deuropening Huizen die boven op elkaar liggen Ik woon ergens in die vreemde stad Vertrouw niemand, zelfs niet jezelf. Marthe gaat brief schrijven Just lamp omhoog Just die vriendin van mij dat was een mooie ze streelt me door mijn haar en zegt iets liefs glimlachend ze kust mijn oor ze fluistert jongetje jongetje kom hier en dan dansen we dicht tegen elkaar aan zo dicht mogelijk en dan zegt ze zei ze Senna ik heb je lief Sarah ik heb je zo lief   muziek sweet jane, dansen als Marthe achter Just staat zet Sarah de muziek uit Just en Marthe vallen   Sarah Die nacht  nacht sloegen de dromen toe Die nacht droomde ik voor het eerst van een wit sereen geheel Dat langzaam zwart werd Zwart! Als de nacht   Marthe Vrees je niet dat ook wij elkaar zullen verliezen? Just Ben je bang? Marthe Ik ben niet zo snel bang Just Huh Marthe Jij? Just Nooit Marthe Nooit? Just Ga je echt mijn hart breken? Marthe Wat ben je toch vreemd soms. Just Welterusten Marthe Slaap wel   Marthe loopt terug naar haar eigen slaapplek Gaat zand strooien op een hoop en maakt daar een plaatje van en schrijft daar iets op Senna is wakker geschrokken   Marthe Ik kan niet slapen Dan komen de dromen   Senna Ik wil niet dromen Dromen maken me gek Niet slapen, waken Ik slaap al heel lang niet meer Ik ben niet van plan ooit nog te gaan slapen Ik ben bang voor de dromen zie je Wat doen dromen Daar Waar bemoeien ze zich mee? Laat me met rust, val dood   Marthe Vroeger als ik sliep Droomde ik van mooie dingen Van natuur en vrijheid en geluk en liefde Maar tegenwoordig kan ik mijn ogen niet dicht doen Of er doemen allerlei spookbeelden op allerlei rampen Allerlei narigheid   Senna Ik heb geen idee waar het allemaal vandaan komt Of wat het met mij te maken heeft Maar ik zal ze bestrijden die dromen Als ik wakker ben kunnen ze niets uitrichten Daar zijn ze te laf voor ze durven niet als je wakker bent ze houden zich verborgen en dat is beter voor hen en voor mij   Pjotr en Just onrustig slapen Marthe kijkt naar de jongens gaat ze op de brug zitten, alledrie met rug naar publiek         Sarah Ik wil dat je mij pijn doet Senna Wat wil je? Sarah Doe iets Doe me pijn Breek iets Senna Kan ik niet, wil ik niet Marthe Ik breek iets bij jou Sarah Wat? Senna Ik weet niet Sarah Breek mij Marthe Je hart? Sarah Ja mij en mijn hart Pjotr Ik dacht dat doet ze niet Dat wil ze niet Kan ze niet   Sarah pakt haar koffer en loopt weg   pjotr Waar ga je heen ? sarah Ik? Pjotr Het hier mooi Sarah Waar belanden we nu? Pjotr Dat deze plek mooi is Sarah Nou, ik ben er niet kapot van. Pjotr Ik dacht het, ineens Sarah En nu?   stilte Pjotr Mag ik dan mijn shirt terug? En mijn cd’s En mijn I love New York shirt? Sarah Ik heb liever dat je weggaat Ik heb liever dat je weggaat, hoor je me Nu! Ben je er nog?   Pjotr hoofd ik wc pot Just Die nacht sloegen de dromen toe Die nacht droomde ik voor het eerst Van een wit sereen geheel dat langzaam zwart werd Ik had geen wond Ik had een barst Toen ik wakker werd was zij  weg Ze is weg Fuck   Keep on going Sarah rennen (rechts op toneel) Just foto’s kijken, Marthe brieven weghalen daarna schieten op Pjotr Pjotr in frame Senna zit te denken   Senna Denken jullie nu aan de liefde? Ik aan verlaten liefde            Hoe vaak denk jij er aan Je liefde te verlaten? Het verlaten van de liefde Ik doe het elke dag Ik heb al 100 keer een afscheidsbrief gemaakt Het is mijn levenswerk Ik spreek ze in, in castettes, mircofoons, tapes 100 afscheidsbrieven Heb je er weleens een geschreven Ik wed van wel Wat schrijf je? Hoe het zover gekomen is? Wie de schuldige zijn? Wie je hart gebroken heeft?         Sarah staat op, lopen over de brug Marthe loopt naar de waterbakken gaat brieven voorlezen Senna leest ook brieven Pjotr en just muziekdoosjes steeds harder draaiend   Sarah Waarom is iedereen hier? Al die mensen trekken aan me voorbij al die gezichten uitgestrekte handen die zwaaien naar weer andere mensen op de brug bij het station schuivelde voeten, voorovergebogen hoofden woorden snikken geroezemoes eindeloos geroezemoes ik woon naast het spoor weet je en ik vraag me voor het eerst af: waarom? Waarom zijn al die mensen hier? Waarom ben ik hier? Just No why, no questions, no comment   Allemaal wekkers aanzetten   Marthe Ik was niet zo dom om zelf te springen. Sarah Hee! Marthe Ik heb geen evenwichtsprobleem. Senna Hee! Marthe Het was alsof dat donkere en zware geheim op me afkwam en me van de brug af duwde, me verpletterde. Sarah Jij was gewoon niet slim genoeg om zelf die keuze te maken. Marthe Nee, ik wilde zelf niet springen. Ik kon er niks aan doen. Senna Inderdaad, het lot besloot voor mij. Ik ben gewoon voor hem gevallen. Je moet wel heel dom zijn om je van zo’n brug af te gooien. Waarom? Omdat wij je geen pijn deden? Deed je het jezelf maar aan? Deed je het hem aan?   sarah gaat naar waterbak, maakt zich klaar     Just Doe maar niet alsof het iets uit maakt. Uiteindelijk zijn jullie allemaal van die brug af gedonderd. Hoe je het ook wend of keert.   Sarah Hij blijft niet eeuwig van je houden hoor. Je kunt beter zelf de keuze maken. (tegen Senna) Sarah in bak   Pjotr Fuck it all anyway   Pjotr duwt marthe in bak Senna in bak Just houdt lamp richting waterbakken Sarah als eeste omhoog Dan marthe Senna komt proestend boven Just laat lamp los   Senna Wat nou als ik vleugels had gehad? Wat nou als jij ook vleugels had gehad? Wat nou als op dat kleine momentje op die brug mijn keuze tussen vliegen en vallen, vliegen was geweest? Dan waren wij samen hoog gevlogen. Dan hadden wij de vochtige wolken gevoeld, samen. Dan was ik wakker geworden met jouw armen om mij heen en jouw lippen op mijn huid, op mijn gezicht, ieder plekje kussend. En dan zouden wij nog verder vliegen tot in de ruimte, tot de maan en de zon niet meer te zien zijn, tot in het niets. Maanden zouden wij zweven in dat niets en samen secondes tellen. Wij zouden dat niets tot iets maken, samen. En dan zou jij mijn hand pakken en zouden we terug vliegen. Ik kan jouw aanwezigheid nog steeds voelen ook al ben ik hier en jij daar. Hoe ik dat weet? Ik leef nog en zonder jouw aanwezigheid zou dat niet kunnen. Want jij bent mijn adem.   Just Soms keek ze me aan op een manier Of ze me las begrijp je, of ze me kende Ik denk dat ze wist wie ik was, ik bedoel dat ze het echt wist Ik bedoel ik weet zelf niet wie ik ben, niet echt, niet zoals zij dat wist Ze kijkt naar me en loopt langzaam op me af Dan raakt ze met haar vingertoppen mijn gezicht aan Of ze raakt het net niet aan Ik sluit mijn ogen als ik dan weer op kijk, glimlacht ze En ze zegt: ‘kom’ en trekt me naar zich toe Om mij mee te nemen in haar wervelwind   Pjotr Pappa, mamma, dit is ze Is ze niet mooi?     Muziek:L’amour 1 minuut. Na 1 minuut vallenSarah en Senna in de  armen van Just en Pjotr                                               marthe: soms keek hij me aan op een manier of hij, mij las, begrijp je, of hij wist wie ik was maar dat weet hij niet ik bedoel ik weet zelf niet wie ik ben niet echt   ik hoorde de mannen lopen ik had ze gezien in het park ze lopen naar mij toe en ik wist wat ze van me wilden ik had het ze eerder zien doen ik werd bang   mijn schoenen klakten op de trappen van de stad mijn ademhaling sloeg op hol ik zuchtte,steunde zonder geluid niemand hoort je ik klom op de leuning van de brug verschillende handen grepen naar me ze duwde me ze duwde mij van hem weg kwijt ik ben  hem kwijt begrijp je? je hoort de wekkers tikken   Just Ze is mooi als  ze slaapt Pjotr Ze is nog mooier dan wanneer ze niet slaapt Just God ze is mooi Pjotr En haar benen Just Man wat een benen net niet echt   Pjotr Net als in tijdschriften of op televisie of zo Just O en haar ondergoed Pjotr Jezus die broekjes en body’s en pantys En bandjes en strikjes en donsjes.. Just: nee die vriendin van mij dat was een mooie ( ik zal haar wel nooit vergeten)     Sarah(breekt in de zin in) Wanneer is het jouw verjaardag Just: Wanneer voor het laatst, of wanneer weer? Pauzesarah: Wanneer heb je voor het laatst gehuild? Just: Op mijn verjaardag S: Wanneer was dat? Just: ’s ochtends Sarah: Nee, wanneer? Just: Half tien, tien uur Sarah: Waarom? Just: Ik werd wakker uit een soort droom Ik word wakker ik sta op, ik stoot me hier en dan gaan je ogen tranen Sarah: Dat is geen huilen Just Mijn ogen traanden en dat gaf in mijn neus de geur (snap je) de lucht van tranen Ik was die lucht vergeten. Ik dacht nu doorhuilen. En dat luktte Sarah: Omdat je het graag wilde Just Omdat ik het graag wilde en omdat hier stoten pijn doet Sarah: Omdat het  een helder gegeven begin was. Just: Gegeven of gekregen of toeval, daar gaat het toch niet om. Sarah: Ben ik nu? Just: Wanneer heb jij voor het laatst gehuild? Sarah; Net bijna Just; Bijna telt niet Sarah: Nu bijna Just: Bijna telt niet Sarah; Gisteren helemaal Just: Ik ook Sarah: Gisteren? Just: Als je iets moest kiezen waar je nu om kon huilen maar waar je nog nooit om gehuild hebt terwijl daar alle reden toe was, wat kies je? Sarah: Ik denk Amerika       P: Soms denk ik  aan mezelf als een klein jongetje, die schrikt van iets dat absoluut niet erg is Se: Bliksem P: Nog minder, een schaduw Se: Je eigen schaduw P: Ja van mijn eigen schaduw, of van mijn nieuwe kleren op de stoel, wat ineens iets engs lijkt te zijn S: Ken ik ... doorpraten P: Doen we ook Se: We P: We S: Fijn om te horen en fijn om te zeggen: we P: Wij   Se: Wij P: Wij dat is een speciale combinatie van jij en ik Se; Wij is altijd een unieke combinatie van jij en ik en hier en nu P: Bevraag me S: Ben jij een ochtend of een avond mens P: Lijkt mijn linkerhelft op mijn rechterhelft S: En dat ik dan  nu heel lang en heel zorgvuldig naar je ga kijken P: Of hoeveel spiegels heb jij thuis? S: Of, wat is jou favoriete kleur P: Of hoe oud worden ze gemiddeld in jou familie? S: Of hoe denk jij dat jij later sterft P: Of kom je even bij me zitten S: Of P; Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest als nu S: Als hier en nu Heb ik hier iets? P: Waar? S: Hier P: Dat kan ik vanaf hier niet zien S: Dan moet je wat dichterbij komen   Pjotr zoent Senna in haar hals                                                               Sarah: De eerste keer was zo mooi We zeiden zoveel Met zo weinig woorden Daar hou ik wel van Ik heb het niet zo met woorden Woorden woorden woorden   We praten vaak maar de godsganse tijd Zonder dat we eigenlijk echt  iets zeggen.   Wekkers lopen af   (Hee)   Sarah Het is als een bordspel. In mijn hoofd was het een glashelder plan. Marthe Op een avond stonden we over de brugleuning geleund te roken. Onder ons glinsterde de smalle rivier. Just Ik had een meisje, weet je, een vriendin Marthe Ik hield van deze brug, Senna Ze zijn eng, bruggen. Marthe Omdat we vanaf hier in tientallen huizen binnen konden kijken. Just  Ja, ja echt begrijp je. Pjotr  Ze is weg. Just  Ze is helemaal weg. Sarah  Ik zit nu in fase drie. Het was een optelsom van dingen die al gepland waren. Senna Ik heb nooit van ze gehouden. Bruggen kunnen zo instorten, stevig zijn ze niet. Pjotr  Ze is niet weg. Ik heb haar maar waar is ze? Just Ik vind het niet zo erg. Sarah Weg weg moest ik en snel, mijn koffer stond al klaar. Marthe Gedurende vele avonden hadden we al flarden gestolen uit het leven van de mensen onder de brug. Senna  Zo zou je het kunnen zien. Marthe:  Een moeder die haar baby liefdevol zoogde bijvoorbeeld. Senna Maar niet voor mij. Marthe Of een man die een fles zo snel leegdronk dat hij als dood neerviel. Sarah Ik werd lichtelijk overdonderd door schuldgevoel. Marthe Een gezin dat een gezeldschapsspel speelde. Just Maar ik vind het niet zo erg, geen tranen voor mij. Pjotr Ze is weg. Waar is weg? Is weg een plek of plaats waar je heen kunt gaan? (tjezus ik zie haar, ik heb haar maar kan haar niet te pakken krijgen) Senna Het was echt niet mijn bedoeling. Sarah Het was een grote stap die ik ging nemen. Senna Ik wilde niet, ik verzette mij echt. Marthe Opeens kwamen twee mannen langwandelen. Sarah  Dat heb ik geblokt. Pjotr Waarom zou ze weggaan? Het is toch mooi hier. Just Ze is verdwenen. Marte Ze keken naar ons Just Maar ik vind het niet erg. Marthe en we konden de biljetten in hun zakken horen ritselen. Just Ik ben rijk. Sarah Houd er nooit iemand rekening met mij? Senna Ik wist dat ik het hem niet aan kon doen. Just Ik mis haar. Pjotr Ze is hier, maar niet hier, snapje? Marthe Het duurde niet lang voordat ik ze herkende. Senna Je verstand is maar zo’n klein deel van jezelf, mijn lichaam koos. Marthe Ik zette me schrap. Sarah Een verdwaalde ziel. Pjotr Ze is bij mij en toch is ze weg. Just Ik kom er wel over heen. Senna Te bang om niet te vliegen, koos mijn lichaam voor veilig. Marthe En op het moment dat de oudste naar ons glimlachte Pjotr Ze is weg. Marthe  En de jongste zijn portefeuille tevoorschijn toverde, hebben ZIJ een beslissing genomen. Senna  Ik vloog niet. Pjotr  Ze is weg. Just Ik mis haar. Sarah  Ik sprong Senna  Ik viel. Marthe  Ik werd geduwd.        

Judka
15 0