Lezen

Opbieden

“Wat goed, Roza dat je even langs kwam. Niet dat ik je verwacht had. Dus jouw Hector heeft werk gevonden. Van jouw drie zonen was hij wel de knapste, niet? Enfin, ik bedoel verstandelijk, hé.”“Kijk, Julia, het is niet omdat hij fysiek niet zo knap is als zijn oudere broer, dat hij het niet gemaakt heeft.  Weet je dat hij directeur wordt?”“Echt? Directeur? Onze Hannes is ook directeur. Wist je dat? Maar sorry, ik moet nu echt mijn maaltijd verder gaan afwerken.”“Zo, was je aan het koken? Wat schaft de pot? Mag ik raden? Ik dacht al dat ik een bekende geur opsnoof.”“Waar is het dat Hector directeur wordt, ergens in de buurt?”“In Hertekamp, daar hebben ze toch een nieuwe gevangenis gebouwd?”“Hertekamp? Nooit van gehoord. Mijn Hannes is directeur van een viersterrenhotel. Dat is wat anders dan een gevangenis natuurlijk.”“Ik vermoed dat het jouw eeuwige spaghetti Bolognese is. Zeg, doe jij ook wortels in de saus? Ik wel,  flinterdun geraspt, tot grote ergernis van Antonia, mijn nieuwe buurvrouw.  Italianen kunnen het niet hebben dat wij hun keuken naar onze smaak aanpassen.““Roza, nu moet ik echt …”“Nochtans serveren ze in die Trattoria in het dorp wel frieten bij hun steak Pizzaïola.”“Als dat zo is, zal jouw vriendin Antonia er niet snel over de vloer komen”“Oh,  ze is mijn vriendin niet, hoor. Ik denk dat onze werelden daarvoor te ver uit elkaar liggen. Gingen jullie vroeger niet regelmatig naar Rimini op vakantie?”“Rimini, ja, maar dat is lang geleden. Tegenwoordig kan je er over de koppen lopen. Zo druk, naar het schijnt nog erger dan in Benidorm waar jullie toch kind aan huis zijn?”“Zeg, die Hannes van jou, werkt die dan in zo een, hoe heet het weer, een keten van hotels?”“Zijn hotel maakt inderdaad deel uit van een hotelketen, waarom vraag je dat?”“Wel, misschien kan hij dan ook directeur worden van een resorthotel in Spanje of Italië. Kunnen jullie bij hem op vakantie gaan.”“Dat geldt evengoed voor jouw Hector. Hij zou directeur kunnen worden van Alcatraz. Dat is een pracht van een eiland, alleen weet ik niet of het er zo luxueus zal zijn als in een resort.”“Dat ding werd gesloten toen wij nog kleuters waren. Ik ga eens opstappen. Doei, vergeet de worteltjes niet, geschraapt zijn ze het beste.”

Vic de Bourg
10 1
Tip

Normaal - metrorit door Parijs tijdens de Olympische Spelen

Deze tekst schreef ik op 30 juli, bij het begin van de Olympische Spelen. Ik reisde van de Gare du Nord naar Gare de Montparnasse in Parijs. Dit is het verslag van mijn impressies en herinneringen.   Parijs blinkt als een paars-roze bonbon. Vorig jaar moest je in de Gare du Nord hopen dat twee uitgebluste automaten wat metrotickets zouden uitspuwen als je aan hun afgesleten rol draaide. Ik hielp toen een zwarte vrouw die naar Lourdes trok, maar niet wist of ze een passe Navigo of een t+ticket moest kopen om haar aansluiting in de Gare de Montparnasse te halen. Nu word je onthaald door een legertje jobstudenten in paarse vestjes, en schuif je aan tussen linten. Assistenten wijzen je de weg naar een van de gloednieuwe automaten. Ze kijken toe hoe toeristen hun plan trekken bij het scherm, terwijl je ook gewoon uit de hand een carnet metrotickets kan kopen. Wat ik niemand zag doen. Veel tijd heb je vervolgens niet om de metrolucht in te ademen die vroeger uit de pokdalige vloer leek op te stijgen, iets mufs dat aan snelheid en vrijheid deed denken. Ik weet niet hoe ze het geflikt hebben, maar de toegang tot metro 4 is een stuk korter geworden, alsof iemand een paar gangen uit het labyrint heeft geknipt of een ondergronds olifantenpaadje heeft gevonden. Metrotegels lijken gepoetst met een tandenborstel. Metrolijn 4 is ondertussen geautomatiseerd. Schermen geven aan in welke wagon van deze metro je zit, en ik bedenk op welke manier dat nuttig kan zijn. Lijn 4 loopt langs heel wat volkse buurten, zoals de vlooienmarkt bij Porte de Clignancourt, de Afrikaanse wijk Barbès de Rochechouart, de stations Gare du Nord en Gare de l’Est. Toen ik hier zeventien jaar geleden werkte, zag je op lijn 4 vermoeide kantoorklerken, jonge vrouwen in een strakke jeans en Afrikaanse oma’s met boodschappentassen van zwart plastic waar bakbananen en gedroogde vis uit staken. De geur van specerijen vulde de wagons, en ik herinner me het Roemeense jongetje van een jaar of tien dat vaak opstapte en obsceen rond de palen van de wagon danste, zijn ghettoblaster op het maximum. Wat zou er van hem geworden zijn? Vandaag zat tegenover mij een man met een fijne brilmontuur. Hij zou ook in Londen of New York kunnen wonen. Ik zag nog steeds allerlei huidskleuren maar niemand met boodschappentassen. En het rook nergens naar. Misschien komt het omdat een ticket nu 4 euro kost, bijna het dubbele van vorig jaar. Nemen mensen met bakbananen nu de bus, of is dat even duur? Een gratis bus was er wel voor de duizenden daklozen die uit Parijs verplaatst zijn, naar Straatsburg of Marseille. Wat ook verdwenen is, is de galanterie. Vorig jaar stelde een Parijse jongeman me nog voor om mijn koffer te dragen. (Aan het zwarte meisje dat naar Lourdes ging, stelde niemand dat voor). Vandaag moest ik mijn koffer zelf de trap op zeulen. Zeventien jaar geleden twijfelde ik of galanterie behulpzaamheid dan wel seksisme was. Toen mijn nieuwe collega’s in de lift bleven hoewel we onze verdieping bereikt hadden, was ik zelfs wat in paniek. Waarom stapten we niet uit, ons bedrijf was toch op het vijfde? ‘Jij bent de enige vrouw in de lift, jij gaat als eerste’, verklaarde een collega. Ik voelde me een beetje belachelijk toen die mannen achter me aan drentelden als een bende poedels, omdat ik als vrouw voorrang kreeg. Maar in deze perfecte wereld zal ik het ‘Après vous, Madame’ nog missen. Ik kocht alcoholgel en merkloos water dat ‘Normal’ heet, in een winkel in de Gare de Montparnasse. Ik had speciaal thuis boterhammen klaargemaakt omdat ik me het station niet herinnerde als een plek met veel propere eetgelegenheden. Maar nu zitten Exki, Prêt-à-porter en bakker Paul in een nieuw jasje.Wat die Olympische Spelen al niet teweeg brengen. Doen we binnenkort de afwas in de Seine?  

Pons
167 5

Barstend nieuws

U zult zeker juichen van geluk,  Want volksdemocratie is terug,  Ik heb zojuist op het nieuws vernomen, Dat onze klachten zijn doorgedrongen, Dat politici zich terugtrekken van zelfverrijking,  Voor hun eigen voordelen niet mogen stemmen, Maar het referendum zal hun lonen bepalen.  Inbegrepen hun pensioenen en extralegalen.  Een andere aardverschuiving in het parlement, Een eervolle buiging naar ons als mens, Om wetsvoorstellen die gemaakt worden, Ter goedkeuring bij het volk moeten komen,  Geschreven in, voor iedereen begrijpelijk taal, Dan pas leeft de wet voor ons allemaal.  Nee, nee wij zijn nog niet klaar, Uit hun hoge hoeden halen onze tovenaars, De subsidie potjes als ideologisch wapen,  Om aan gunst en censuur te geraken,  Deze bevoegdheid wordt hen heden ontnomen, Zodat kunst en cultuur zich vrij kan ontplooien,  En aan politieke satire in overvloed kan bezondigen.  Wat betreft het ministerie van onderwijs, Zal de doorgedreven benauwde ideologie,  Plaats maken voor educatieve objectiviteit,  En de kindergeesten toegang te geven tot filosofie. Zodat het kritisch denken, het in vraag stellen, Van despoten, hun demagogieën en uitspraken,  Niet meer klakkeloos geslikt en gepikt worden,  Maar waar machthebbers zich voor moeten verantwoorden. Geen ministers noch ideologie mogen het ministerie nog betreden, ZIj zullen vervangen worden door een breed spectrum aan diversiteit, Van leerkrachten, burgers, experts en ervaringsdeskundigen, Zij zijn nu de waakhonden van onze kroost’s onderwijzende vrijheid.  Ik weet het het is lang, blijf er nog even bij met uw aandacht,  Want ik zal verder verslag geven over de ontbinding van de macht. Wat betreft de moedwillige constructie van onze schijndemocratie, Door onder andere onze media doelbewust te dirigeren,  Naar gunst en censuur en dat schaamteloos laten normaliseren,  Wij het kutvolk eisen de decapitatie van deze maniacale supervisie. De politieke mandaten zijn afgeschaft, was niet meer te tellen, Vooral in de privé waar zij feitelijk niets hebben te zoeken,  Want hun plaats is in het parlement waar zij horen te vertoeven,  Omdat de indruk die zij scheppen, is dat zij te veel vrije tijd hebben. Het zou de politieke eerlijkheid erg doen bevorderen, Dat de regering geen aandeelhouder nog mag worden, Van privé bedrijven als Proximus of bpost,  Van hun verdoken inkomsten te worden verlost, Om in plaats van belastingen te heffen en dividenden te innen, Zullen zij het geld maar ergens anders moeten vinden. En de geniepige fiscalisten en hun duivelse constructies, Niet bewonderen maar vervolgen in de kamer van correcties.  Want hoe kan deze regeringsformatie het lef halen, Om met trots hun besparingsplannen voor te dragen, Als de rijksten hun fair share nauwelijks betalen,  Het volk gaat op schattenjacht om geld op te halen.  Als laatste de bouwpromotoren en lobbyisten, De werkelijk architecten en aannemers van onze wetten,  Die politici vangen met aas in hun gouden netten,  Worden genationaliseerd en vervangen door ambtelijke specialisten.  Voila, dit was onze grote lands hervorming,  Democratie heeft vanaf nu een sterke fundering,  Waar de werkelijke machthebbers,  De burgers zijn, de feitelijk bevelhebbers,  Beschermd door scherpe checks and balances.  Silex  Op een houten kistje staat te redeneren. 

Silex
5 0

Vlaamse inburgeringscircus

Goedemorgen en welkom bij deze ongewenste cursus, Wij beginnen vandaag aan de Flaamse inburgeringscircus. Wij mikken echt op totale assimilatie, Wij noemen dat op zijn Flaams, integratie.   Hoofdstuk een, betreft de vlaamse taal, Wij begrijpen al niks van ons eigen kabaal, Dus ik stel voor om dit hoofdstuk te laten schieten, Want zelfs van West-Vlaams kunnen wij niet genieten. Wat betreft de communicatie en het gepraat, Niet te positief in de toon maar meer gezaag,  En tijdens een wederzijds gesprek elkaar akkoord te geven,  Om uiteindelijk zelf een andere beslissing te nemen.    Hoofdstuk twee, de gezichtsuitdrukking, Wij in vlaanderen zoeken met elkaar verbinding, Door chagrijnig te kijken en wantrouwig te lijken,  Elkaar vaag te begroeten en oogcontact te mijden.  En zet zeker geen grijns op uw gezicht, Anders verklaren zij u zot en sturen u naar een gesticht.    Hoofdstuk drie, Op het werk is het vrij eenvoudig,  Vergadering worden in de wandelgangen gehouden,  Bevoegdheden worden opzij geschoven, En niemand is eindverantwoordelijk.  Dus wees nooit een held op de werkplek,  Harder werkers worden beschouwd als gek,  Anders moeten jouw collega’s een nieuw tempo aanleren,  En dan komt jouw eigen vakbond je op de vingers tikken. Hoofdstuk vier, het gedrag in het verkeer,  Hoort agressieve te zijn met een anarchistische sfeer, De vuistregel is dat niemand deugt op de weg,  U neemt altijd voorrang en de rest heeft gewoon pech,  In vlaanderen rijden wij alleen Audi, Benz of BMW,  Lager dan dat en uw buurman belt het OCMW,  Als een voetganger het gekke idee heeft om oversteken,  Moet hij eerst wachten dat alle auto's passeren.  Goed dat was het voor vandaag en hoop dat u hebt bijgeleerd,  De basis integratie van het vlaamse in u brein is ingegraveerd,  En volgende week beginnen wij aan hoofdstuk vijf,  Het gaat over hoogstaanden oer culinaire vlaamse recepten,  Geschreven voor 1831, namelijk de echte frieten en kroketten.     Silex  Kietelt de ballen van de Flaming.    Illustratie: Gustav Corbet, ‘Self Portrait (The Desperate Man)’, c. 1843–45

Silex
3 0

De Kriebelboom

Meer dan het verleden interesseert mij de toekomst,  want daarin ben ik van plan te leven. Albert Einstein   Eindelijk was ik onderweg naar Petrus. Ik had hem beloofd om langs te komen, maar had het wekenlang uitgesteld. Nu kon ik het niet meer uitstellen. Als ik hem nog wou zien, moest het vanavond gebeuren. Na mijn werk, rond een uur of zes, vertrok ik naar Gooik in mijn aftandse Citroën Berlingo. De airco was stuk en het was warm en onaangenaam, zelfs met het raampje open. En alsof dat nog niet genoeg was, was er op de E314 tussen Leuven en Heverlee een dodelijk ongeval gebeurd en stond het verkeer er muurvast. Tja, we kunnen niet alles voorzien, dacht ik, en ik kon niet anders dan erin berusten. Ik draaide het volume van de radio hoger en schoof mijn zetel verder naar achter. Het was mijn eigen fout dat ik weinig tijd had. Ik had het bezoek aan Petrus maar niet zo lang moeten uitstellen. De rest zou al wel lang bij hem op bezoek geweest zijn, die hadden tenminste de tact om niet tot de laatste avond te wachten. De spoeling van ons clubje was dun geworden. We waren nog maar met zijn zessen en nu Petrus zou komen te gaan, waren er letterlijk nog maar een handvol van ons over. Er kwam ook niemand meer bij, alsof de bron opgedroogd was.  De laatste was Geertje geweest en ikzelf was de voorlaatste. Ik zeg nu wel Geertje, maar Geertje was ondertussen een meter vijfennegentig groot en een behoorlijk imposante verschijning met zijn brede schouders en zijn meer dan honderd kilo spieren. Geertje was ook al vijfentwintig jaar oud. Waar was de tijd dat ik hem bij speelpleinwerking De Kriebelboom moest begeleiden als eenzame contactschuwe jongen van zes?   ***  “Wat wil je drinken deze middag, Geert Boekbinder?” Geertje Boekbinder keek langs mij door en hij deed alsof hij mij niet gehoord had. “Je krijgt deze middag bij het eten van je boterhammetjes een drankje van ons, Geert. Je mag kiezen: water, fruitsap, appelsap, Fristi of chocomelk. Wat heb je graag?” Bij het horen van het woord chocomelk keek hij me plots aan en zijn oogjes blonken zoals alleen die van kindjes kunnen blinken als ze hun favoriete drankje mogen drinken. “Geef hem maar water,” zei zijn papa. “Zeker? Want ik denk dat je graag chocomelk hebt, nietwaar? Ja? Dat dacht ik wel. Als ik het even op de achterkant van je handje mag schrijven, dan vergeten we het niet. Hier op het papier heb ik het al aangeduid.” Geertje legde zijn handje op het tafeltje. Ik ben zelf ook nogal voorzichtig bij het aanraken van andere mensen, dus ik benaderde hem alleen met de pen. Toch trok hij op het laatste moment terug en hield hij geschrokken zijn handjes dicht tegen zich aan. “Hij heeft niet zo graag dat hij aangeraakt wordt,” zei zijn papa, “We hebben hem laten testen op autisme, maar dat is het niet. Hij is gewoon erg gevoelig voor aanraking, vrezen we. Het staat allemaal op zijn medische fiche. We hopen dat het na deze zes weken op de speelpleinwerking verbeterd is, maar voorlopig is het zo.” “Dat is niet zo erg, meneer Boekbinder, we zullen wel zien hoe het loopt. Die medische fiche mag je daar aan de hoofdmoni afgeven.” “Het is meneer Croisset, juffrouw. Zijn echte vader is overleden.” “O sorry. Dat wist ik niet.” “Niet erg, gaat het lukken?” “Ja, hoor. We gaan goed voor hem zorgen.” Geertje was niet van zijn plaats gekomen en keek mij angstig aan. Wat zou ik doen? Ik herkende mezelf op die leeftijd en had onmiddellijk medelijden. “Ga je flink onthouden dat je chocomelk gekozen hebt?” Hij knikte heftig en ik twijfelde er niet aan dat hij het zich wel zou herinneren, zoals zijn oogjes geblonken hadden. “Dan mag je nu gaan spelen. Of je mag hier ook bij me in de buurt blijven zitten. Straks beginnen we aan het spel.” Ik keek naar mijn blad en telde. Er stonden nog een paar kindjes op de lijst van 4- tot 6-jarigen die zich wel ingeschreven hadden, maar nog niet aangemeld waren. Ik keek op mijn horloge. Ze hadden nog een vijf tot tien minuutjes de tijd. Dan zouden de boxen het themalied ‘Shut up and dance’ van Walk the Moon superluid uitbraken, zodat iedereen wist dat de formatie zou beginnen. Geert was een meter of vijf achter mij in het gras gaan zitten, met zijn rug tegen de muur van het secretariaatsgebouw. Even verderop waren kinderen en moni’s aan het volksdansen, daarnaast waren ze aan het trefballen. Op het basketpleintje tilde een 14-jarige de kleuter Salina omhoog zodat ze de bal sneller in de ring zou krijgen. Salina, dat was een enthousiast superaanhankelijk kind, dat altijd lachte, wist ik van vorige zomer. Die moest ik uit de buurt van Geert houden, want die knuffelde ie-de-reen en trok aan ieders armen. Salina zou een lang leven beschoren zijn en iedereen van ons overleven. Altijd even opgewekt. Wouter, de hoofdmoni, kwam naar me toe.  “De papa van Geert was net bij me.” “Ik weet het.” “’t Is een zorgenkindje, zou jij…?” “Ik hou hem wel in de gaten.” “Fijn. Als er iets is, laat het mij maar weten, of als hij nood heeft aan rust, stuur hem dan maar naar het secretariaat bij mij, dan kan hij daar bekomen.” In feite had ik het op dat moment al door, of alleszins, ik vermoedde het dat hij één van ons was. Na een weekje contacteerde ik Petrus en hij vroeg me de test te doen. “Pas daarna zijn we zeker,” zei hij, “Geef de ouders mijn visitekaartje en zeg dat ze onmiddellijk een afspraak kunnen krijgen. Hoe sneller we hem kunnen helpen, hoe beter.” Voor mezelf was Petrus pas op mijn elfde in mijn leven gekomen. “Net op tijd,” had hij gezegd, “want de pubertijd doet soms vreemde dingen.” Natuurlijk was de test positief, al kostte het me behoorlijk veel moeite om hem zover te krijgen dat hij zou meewerken. Ik moest hem eventjes voor mezelf krijgen en ik bedacht een hele waarzeggersetting waarbij iedereen apart bij mij in het tentje moest komen en ik de lijnen van hun handpalm betastte om hun toekomst te voorspellen. Het was niet ideaal, echt niet, want hoewel ik altijd al nieuwsgierig geweest was naar wat er van iedereen zou worden, was ik ’s avonds helemaal paraplu van alle toekomstbeelden die ik had gehad. Ze zijn niet altijd even prettig als bij Salina. Geert had zich bovendien in het secretariaat bij Wouter verschanst en na alle kindjes en moni’s ‘gezien’ te hebben, bijna honderd in totaal, moest ik hem toch nog gaan zoeken. Ik vond hem in de knuffelhoek bij Wouter in het secretariaat. Wouter zat aan zijn laptop en had gelukkig zijn hoofdtelefoon op zodat ik hem toch nog kon aanraken en hij mij. Dat was altijd cruciaal. Petrus was nog nooit iemand tegengekomen van ons bij wie dat niet cruciaal was. Ik knielde naast hem, nog altijd verkleed met die lelijke gele bandana, die grote goudkleurige oorbellen, die weide bordeaux rok met belletjes, die ik uit mijn moeders hippietijd had geleend en dat strakke zwarte topje met borduursel uit de verkleedkoffer van onmogelijk smalle medemoni. Enfin het stereotiepe van hoe we eruit zouden moeten zien volgens de goegemeente. Na de test was Geertje ook niet meer bang om door mij aangeraakt te worden. Met zijn handje in de mijne wachtte hij die avond tot zijn stiefpapa hem kwam halen.  Ik gaf meneer Croisset Petrus’ visitekaartje met de uitleg dat hij mij met een gelijkaardig probleem als Geert destijds goed geholpen had. “Je kan binnen de week een eerste afspraak krijgen,” voegde ik eraan toe.  Petrus Michel      Klinisch kinderpsycholoog  Toekomstlaan 43 3920 LOMMEL Tel. 011 55 43 12 Gsm 0474 65 34 58 petrusmichel@outlook.be  Therapievormen Assertiviteitstraining – gedragstherapie – gesprekstherapie – gezinstherapie – speltherapie – opvoedingsondersteuning  Ondersteuning bij Adhd – autisme(spectrumstoornis) – emotionele problemen – faalangst – gedragsproblemen – kind-ouderproblemen – laag zelfbeeld – verlegenheid – hoogsensitiviteit…   “Hoe jij dat doet,” zei Wouter achteraf. “Die jongen laat niemand binnen een perimeter van anderhalve meter komen en jij staat hier hand in hand. Ongelooflijk. Ik wist dat jij de juiste persoon was voor hem. Maar dit vind ik toch bijzonder.” Hij klopte me op de schouder. Omdat ik zo moe was van dat hele waarzeggersgedoe flitste zijn beelden me onverwacht heftig door het hoofd. Gelukkig begon hierna het weekend en had ik tijd genoeg om te crashen. Ik ging niet mee iets drinken in Café Pato met alle moni’s die avond, kroop er om acht uur in en werd ’s anderendaags gewekt door Petrus’ telefoontje. Hoe alles gelopen was enzo. Natuurlijk wou hij dat weten en ik had hem nog niks gestuurd. Ook zondag ben ik nog in de buurt van mijn bed gebleven. Dit maar om te zeggen dat het testen van Geert en het hele plannetje dat ik daarvoor uitgedokterd had, me bijna van al mijn krachten had beroofd.  ***  Toen ik om half negen ’s avonds voor Petrus’ deur stond, riep hij me binnen nog voor ik op de bel gedrukt had. “Kom binnen, Kaat. Ik dacht dat je niet meer zou komen. Dat je als enige niet zou gekomen zijn.” “Ik euh, tja…” “Ach laat zijn, geen excuses, ik ben blij dat je er bent. Het is mijn laatste avond. Ik zou hem liever alleen doorbrengen, maar jouw gezelschap kan ik nog net verdragen, denk ik.”  Petrus was na zijn pensioen in een klein huisje in Gooik gaan wonen, ver weg van waar hij zijn praktijk gehouden had. Het was een witte bungalow die hij huurde van een boer iets verderop. Alles wat hij had, had hij al verdeeld meer dan vijf jaar geleden. Hij leefde nu rechtstreeks van zijn pensioentje. Zijn vrouw was al meer dan 30 jaar dood, zelfs ik had haar niet gekend, en ze hadden geen kinderen. Alles ging naar vzw’s en derden, had hij gezegd en hem kennende had hij dat ook zo uitgevoerd. “Ik weet dat het jouw laatste avond is. Sorry.” Ik gaf hem een knuffel als verwelkoming en zag zijn beeld scherper dan ooit. Ik zag hoe hij bleek en leeg in de zetel hier in de woonkamer zat. De schilderijtjes aan de muur. De kamerplanten op de vensterbank. Alles in een helder daglicht. “Hoe dichterbij de dood, hoe helderder het beeld, niet?” “Ja.” “Heb je geprobeerd om je dood uit te stellen?” “Zoals ieder van ons die zijn einde voelt naderen, maar het heeft geen zin, Kaat. Je weet dat het geen zin heeft. ‘t Is niet dat ik niet geprobeerd heb om het lot op z’n minst een klein beetje te veranderen, maar ik weet dat het niet gaat.” “Misschien als je gewoon niet in de zetel gaat zitten.” “Het lot vindt altijd een manier. Dat weet ik nog van mijn lieve Sandra, en eerlijk, Kaat, ik ben het moe om me te verzetten.” “Heb je graag dat ik blijf.” “Nee. Ik wil dit moment voor mezelf.” “OK. Ik heb Carcassonne mee. Dat speelden we vroeger zo vaak en zo graag.” “Dat is waar. Laat ons dat maar even doen, het verzacht het wachten misschien. Ik zou je trouwens iets willen vragen.” “Geertje?” Petrus glimlachte.  “Geertje, ja. Ik maak me zorgen. Hij zal een gewelddadige dood sterven.” “Is die flits …” “Een geweerschot, ja. En toch is hij bij de politie gegaan.” “Bij de politie?” “Hij wil iets met zijn gave doen, zegt hij. Hij is ook zo gevoelig. Gevoeliger dan de rest van ons. Je weet dat hij meer kan dan iemands dood voorspellen.” “Ja, hij krijgt ook andere beelden door, dat wist ik.” “Hij heeft zijn oefening zo verfijnd dat hij, als hij zich concentreert, aan de slag kan met kleding en andere persoonsgebonden artefacten.” “Waaw. Hij is goed.” “Té goed, misschien. Hij wil verdwijningszaken en moordzaken helpen oplossen.” “Hem kennende gaat hem dat nog lukken ook.” “Waarschijnlijk wel. Maar al die beelden, Kaat. Al die miserie. Hoe gaat hij dat allemaal verwerkt krijgen? Je weet hoe vermoeiend dat het is. Hij zal zich compleet uitputten. Zorg voor hem, Kaat. Zorg voor hem.” “Ik kan toch niet na zoveel jaar bij hem aankloppen. Hallo! Ik moet voor jou komen zorgen.” “Jij vindt wel een manier. En trouwens, volgens mij weet hij het al dat je opnieuw in zijn leven zal komen. Hij zal jou verwachten.” “Niet zo beginnen, Petrus, dat is echt een vreemde manier om mij te overtuigen.” “Ach ja, je ziet maar. Ik maak me gewoon zorgen. Wie is het eerst aan zet?” Zwijgend speelden we een uurtje Carcassonne, daarna keken we nog naar een BBC-natuurdocumentaire voor hij me, net voor twaalf uur, de deur uitwerkte en ik weer de lange weg terug naar huis moest. Ik heb de hele autorit gehuild en ook de rest van de nacht. Het duurde meer dan een week voor ik weer een beetje kon slapen. ‘t Is niet omdat je op iets voorbereid bent, dat het je daarom minder hard raakt als het eenmaal zo ver is.  Petrus’ urne werd bijgezet op het kerkhofje van Gooik vlak buiten het centrum, met zijn lage muurtjes en haagjes lag het vol in de wind. De schapenwolkjes leken als pluizenbollen tegen het blauw van de hemel geplakt. Iedereen van ons was er. Ook Geertje. Maar ik was te zeer aangedaan om hem aan te spreken. We stonden daar als vijf stille zoutpilaren te luisteren naar de priester die de laatste gebeden uitsprak. Verder dan een paar algemeenheden geraakte hij niet. Hij had Petrus niet goed gekend, gaf hij toe. En dat was waar. Hij had hem zeker niet gekend zoals wij hem gekend hadden. Of zoals hij ons gekend had. Hij was de lijm die ons bij elkaar gehouden had.  Een maand nadien stond Geertje voor mijn deur. Hij was onweerstaanbaar. Voor het eerst sinds lange tijd kon ik weer lachen. En op de ene of de andere manier voelde het niet alsof ik erin geluisd was. Ik was nog nooit zo blij geweest om iemand terug te zien. We dansten samen de themadans van zoveel jaar geleden op De Kriebelboom. ‘Shut Up And Dance’ van Walk the Moon. Alsof het inderdaad allemaal al lang geleden was bepaald dat het zo had moeten lopen. 

Hans Van Ham
21 0