Lezen

Ik vond een mot met kuikendons

  ja en wat met dit boeket het is niet echt afgrijselijk er is geen stank ik wil ook niet dat je mij straks bedankt want het zijn stinkertjes   maar van plastiek ze kunnen niet vergaan al die herinneringen aan de zwarte maan ik kan het blindweg zien mijn bloedbaan zegt je voelt je loom en ziek   geleden is het lang verhaal weet de brailletaal van spechten zij bestaat uit putjes reeksen hartslag ja ik hoor het kloppen binnenin   straks bij ondergang van zon van allerhande moois zal ik gewoon je hand vasthouden   stilte kan ik kracht geven je weet immers mijn vel zegt het dat ik gewoon besta voor jou voor elke vlinder die jou in de nacht zo mist ja er is hoop vergis je niet de mot is even kleurrijk enkel minder fel   schat ik wil ik zal je meenemen naar oorden waar er niets meer lijdt dat fluistert stil de overkant waar weinig brandt misschien een kaars of twee   ginds is dat zijn helaas miniem misschien toch beter hier die huid van ons verstoppen in een bed vol slaap   de rust haar vredigheid het kleedje van de nacht is zacht als kuikendons het is ook onder ons geweten wat er mag   zo weinig als mijn ziel verlangt naar donker leed door heidebrand mijn gloed hij zal niet worden aangelengd met tranen want die zijn vrij zout oud en nat daarmee kan ik aan winterdagen ook niet vragen om een ijsklompje te maken dat te zijn waarvoor ik niet geboren ben   kijk maar in mijn oren in dit hart de lente komt voorzichtig altijd weer terug immers zij wil ik wil er zijn voor jou       uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
0 0

een herinnering?

Een herinnering? Niets is meer nodig dan dé herinneringom de huidige toestand te kunnen achterlaten.Denk aan hoe je mooi was zonder dat je schroom kende.Nu is het verdomd moeilijk iets zonder tergend traag, en suizend luid passerende angst te volbrengen. Angst is er omdat jij jezelf vergeet te koesteren. Laat mij voor wat ik ben. Groot worden zonder voldoende zuurstof.De leefruimtes worden duidelijk genoeg afgebakend en je hebt er weinig plaats. Ergens leeft de hoop nog. Daar wil je liefst lang genoeg vertoevenom er de vruchten van te kunnen plukken.Maar medeleven vind je nooit zonder dat dat kracht kost.  Ik herinner mij bossen en een struikgewas. Jong geweld en onschuld. Nergens was er meer thuis dan binnenin. Dat was een vereiste om overbodige hoeveelheden emotie te mogen verplaatsen.Van persoon naar persoon werd er gelachen, en dat allemaalomdat jij jezelf de toestand niet iedere keer ontnam. Jong zijn is ook ervaring opdoen. De prestaties waren anders. Jij was jezelf. Ik herinner mij weelde en toch gewoon genoeg.Daar was niets mis mee.  Op het aangezicht lees je wroeging omdat daar voor gewerkt wordt.Pijn is onvermijdelijk wanneer je iets kapot maakt.Pijn is waarschijnlijker dan rust als je daarop staat,en daar sta ik op. Ergens meer voor willen staan dan een trend in de ogen van publiek. Ergens mee willen bestaan. Noem me een bewegingzodat ik kan bewegen. Versta mij.Alleen ik lijk mezelf soms te willen verstaan. En dat is luidruchtig geweld dat ik mezelf aandoe.Ik wil mij dezelfde prestaties als toen aanpraten zonder in te moeten boeten aan daadkracht. Ik weiger daarna mezelf de sluimer en leegte weer in.Nee, je bent niet gek. Je bent het probleem. Laat dit ophouden, dus dit houdt op.Wanneer houdt dit op?Een herinnering?Nooit genoeg woorden, altijd maar weerdezelfde woorden.

Dries Verhaegen
49 1

From Denmark with love

Mag ik, kan ik, ga ik? Het EK-vraagstuk van enkele maanden geleden werd vorige week opgelost. Ik mocht, ik kon, ik ging. Dankzij een berekend risico om de tickets voor Denemarken-België te houden en het vakmanschap van Voetbalreizen De Bemvoort beleefde ik zowat de beste tweedaagse sinds die verdomde maart 2020.  Alles zelf organiseren en het risico lopen om belangrijke details te vergeten, daar zagen reisgezel DJ Neal en ik tegen op. Laat dat maar aan Michael en zijn organisatie over. Tijdig betalen, op maandagavond een stokje in de neus steken voor een negatief resultaat en dinsdag naar cafetaria De Bemvoort rijden, meer hoefden we niet te doen. Net voor middernacht zetten een zestigtal aangename en gevaccineerde of geteste supporters - de ene al wat gekker dan de andere - koers richting Kopenhagen. Eventjes opgeschrikt door busje bots met een Hongaarse vrachtwagen en de grenscontrole van de Deense politi, maar de carrosserie en de papieren bleven in orde.  Woensdagnamiddag scheen het zonnetje fel en las een straatbord Velkommen til København. Geen loze woorden, dat zou de komende 48 uur blijken. Aan de bar van hostel Steel House bestelden we meteen tequila. On the house, omdat we het zonder zout en limoen moesten stellen. Na de check-in dropten we ons bagage in het kleinste kamertje. Neem dat maar letterlijk, want veel bewegingsruimte gaven de slaapvertrekken niet. Niet dat het hoefde. We hadden hemel en aarde niet verzet om op een hostelkamertje te zitten. Vervolgens verkenden we de mooie stad en groeide het enthousiasme even snel als het vakantiegevoel. Een klein beetje kind ben ik, wanneer de hersenen gaan kronkelen. Een etablissement dat Jensen's Bøfhus heet doet mijn dubbelzinnig woordspelende geest genieten en gniffelen. Het Bøfhus blijkt een keten van steakrestaurants te zijn. Geen Hunkemöller Genieten en gniffelen doen we ook bij de aanblik van de vestimentaire gewoonten van die Denen. Hunkemöller klinkt Scandinavisch, maar is het duidelijk niet. Beha's zijn immers niet aan de (clichégewijs) knappe vrouwen besteed. Bij de mannen kruipen witte sokken uit sandalen of sneakers tot net boven de enkel. Een tip voor al wie ooit naar Kopenhagen trekt; blijf niet te lang stilstaan om de omgeving te scannen, want één van de honderdduizend fietsers knalt je zonder verpinken omver. Wij liepen door en hielden om 15u halt bij het gezellige kleurrijke pleintje van Halmtorvet 9. Precies op tijd: dankzij happy hour zagen we Finland-Rusland op een semigroot scherm en kregen we vier cocktails voor de prijs van twee. Tijd voor verbroedering met andere Rode Duivels-supporters. We vonden ze op het terras van het Iers cafeetje The Dubliner, de Belgische ontmoetingsplaats in Kopenhagen. Andermaal zin in shotjes, want daar weten ze in Denemarken wel raad mee. "Je moet Fisk vragen", zei de Kevin, aan tafel met Babs en Max. Klinkende Deense namen, maar eigenlijk gewoon landgenoten die al even in de hoofdstad vertoefden. Dat schept een band. Dat schept vertrouwen. "Ten shots of Fisk, please". Tweehonderd kronen armer schoof ik bij de landgenoten aan. Fisk is een mix van wodka, eucalyptus, menthol en drop. Dat klinkt beter dan het is, want Frisk was zowaar een betere naam geweest. Het smaakt naar mondspoelwater met een alcoholpercentage van 30%, maar je mag het niet uitspuwen. Niemand kwam ooit met een frissere adem van café thuis.  Mondmaskerloos Die bal sloeg Kevin dus grondig mis. Bij mijn reisgezel scoorde hij meer punten. Het doel van DJ Neal's tweedaagse was een selfie met jonkvrouw Kerkhofs van Katje voor de Sfeer. "Die komt niet", wist Kev dat ze haar Katje zou sturen. De toffe pee bleek een vriend van het BV-stel en liet Neal eventjes een Whatsappje sturen naar Katrin. Zij vond het sneu dat ze niet samen op de foto konden en beloofde het goed te maken. Dat zit dus wel snor. Een ultrakorte virtuele babbel als alternatief voor de selfie. Met zoetzure niet-Fisk-shotjes feestten we mondmaskerloos verder. Geen Katje, wel Sfeer. Van homo alcoholicus naar homo turisticus op matchdag, wat in Denemarken de warmste dag van het jaar zou worden. Als je dan toch eens naar het buitenland kan, pik dan op zijn minst iets mee. De keuze viel op het oudste attractiepark van Europa. Tivoli Park opende in augustus 1843 de deuren en is daarmee amper dertien jaar jonger dan ons kleine landje. Uitgedost in onze supportersoutfits slenterden we door het gezellige park en waagden we ons zelfs aan een attractie. Van zodra de wagonnetjes overkop gingen weerklonk hoog meisjesgegil en dat kwam heus niet alleen van DJ Neal. Na een fijn anderhalf uur trokken we naar het sfeervolle en kleurrijke haventje Nyhavn. Nadat we een dubbele portie toerisme hadden geabsorbeerd was het tijd om in rode colonne naar het stadion te trekken. Kippenvel Dat mannen in rood tenue de bovenhand nemen in een internationale voetbalwedstrijd zijn we al gewoon. Even schrikken wanneer blijkt dat het niet die van ons zijn. De maagdelijk witte truitjes weerspiegelden de prestatie van onze landgenoten in die eerste helft. Flashbacks naar pijnlijke nederlagen tegen Italië en Wales op het EK 2016 in Frankrijk, toen ook al aanwezig. Na tien minuten vergaten we even dat we op verlies stonden en bezorgde het massale applaus voor Christian Eriksen ons kippenvel. Voetbal is meer dan voetbal. En als het toch om voetbal moet gaan, dan wrijven we ons allemaal in de handen. Señor Martinez heeft de luxe om zich naar de beste voetballer van de planeet te wenden. Kevin, please save the day. Dankzij de Belgische superheld en handlangers Rom, Thibaut en Eden was al onze moeite om naar Kopenhagen te reizen uiteindelijk niet tevergeefs. Oef. Door het oog van de naald gekropen durfden we amper uitbundig vieren. Dat verdienden onze tegenstanders niet, integendeel. Zelfs nog meer sympathie gekregen voor de Denen, waarvan er minstens honderd ons buiten het stadion feliciteerden. Congratulations, you were better. Niet dus. Please win against Finland so we can qualify for the next round. Geen idee voor wie ze me aannamen, maar ik zal zien wat ik kan doen. Hopen dat België vanavond de Finnen opzij zet en dat Denemarken hetzelfde doet met Rusland, want wat verdient dat aaibare volk een hoogtepunt. Prachtig land, prachtige stad, prachtige inwoners. Voortaan ben ik Deens sympathisant en supporter. Vermoeid maar heel veel meer dan voldaan arriveerden we in het holst van vrijdagnacht in mondmaskerland - dat wordt weer wennen. From Denmark with love. Nog even nagenieten van de gelukzalige roes van een schitterende uitstap. Met dank aan De Bemvoort, de busgenoten en De Bruyne.

Xrossmymind
1 1

Een ringetje

Dat Martine bij haar oude moeder terecht kon nadat Erik haar het huis uitzette, kwam de familie goed uit. Zo was er steeds iemand in huis om het negenentachtig jaar oude mensje te verzorgen en moesten ze geen geld spenderen aan bejaardenhulp.   “Als ik kost en inwoon kan krijgen,” zei ze op de familievergadering, “dan betekent dat heel veel voor mij. Ik heb geen nagel om aan mijn gat te krabben.”  In haar herinneringen zag ze hoe haar moeder vijftig jaar geleden in de woonkamer stond. Ze droeg een blauwe bloemenjurk en had krullen in het haar. Haar zes jaar oude ogen staarden als een ekster naar het ringetje met een briljant en naar het bijpassende dunne gouden kettinkje met ovalen hangertje. De randen van dat hangertje waren bezet met diamantjes en ook in het midden blonk een diamantje. Concentrisch rond dat middelste steentje waaierde een reliëf van slanke jugendstil blaadjes uit. De oorbellen hadden een grote blauwe saffier in het midden.  Op het zolderkamertje van Armand, haar enige broer en kakkenestje, had ze nog niet gezocht naar de juwelen of naar iets anders van waarde dat haar financiële nood kon ledigen.   Bij het openen van het zolderluik voelde ze hoe het stof in haar kapsel terecht kwam. Met een bezemsteel haalde ze de spinnenwebben uit de opening. Het houten schuiftrapje kraakte. Eenmaal boven zag ze hoe het licht door een klein raampje aan de westkant naar binnen viel. In de rest van het zoldertje hingen halfduistere schaduwen over het eenvoudige door haar vader gemaakte bed en de gebricoleerde kastjes. Links van haar was het donker. De zwarte bolvormige lichtknop deed gelukkig de gloeilamp nog wakkelend branden. De kamer was nog kleiner dan ze had gedacht en ze kon er maar net rechtstaan. Een balk van het dakgebinte liep van links naar rechts over de hele lengte van de kamer. De doffe en tegelijk scherpe geur van het stof drong diep door tot in haar sinussen. De houten platen van het plafond waren rechtstreeks tegen de panlatten geklopt. ’s Winters was het hier ijskoud en ’s zomers niet te harden. Tegen het raampje stond een bureautje naast het voeteinde van het bed. Er hingen nog kleren in de kleerkast, het bed was niet opgemaakt, een zelfbouwdoos voor een vliegtuig lag op het bureaublad, het vliegtuig zelf half afgewerkt, tijdschriften op de grond en een poster van een vogel in volle vlucht boven het bed. De rechterbovenhoek van de poster was losgekomen en krulde naar beneden. De lucht was hier zo verzadigd van stof dat ze voelde hoe er een laagje op haar armen, kleren en op haar gezicht kwam te liggen. Ze onderdrukte de neiging om zo snel mogelijk uit dit vuile nest te verdwijnen, maar toch keek ze onder de kromgetrokken matras, tussen de boekjes op het rekje en in de kleerkast. De schuifjes van het bureautje klemden zo hard dat ze dacht dat er ergens een slot op moest zitten. Het onderste schuifje gaf als eerste mee. Daar vond ze tussen de dode insecten een pin-upkalender. In het middelste schuifje vond ze Playboys. De recentste was van 2002, een jaar voor haar vader aan longkanker overleed. Om het bovenste schuifje los te krijgen moest ze wrikken en schudden. Net toen plofte de lamp.     ***    Martine overschouwde de enveloppen met geld op Armands bed. Sinds het tellen van de briefjes trilden haar handen als espenbladen in de wind. Alles samen was het vierhonderdduizend Belgische frank. Ze had nog nooit zo veel geld bij elkaar gezien.  “Het is te veel om zo te wisselen,” zei de bankbediende aan de telefoon, “waarom kom je deze namiddag niet langs? Dan kijken we samen wat we met het geld kunnen doen. Past vier uur voor jou?”  Martine hield haar adem eventjes vast, blies hem daarna in een langzame zucht en met bolle wangen uit haar longen. Ze keek op haar horloge. Drie uur. Door het raam zag ze een grijze duif door een bewolkte hemel vliegen.      Ze riep naar beneden.   “Moeder!”  En nog eens:  “Moeder!”  “Ja.”  “Alles in orde?”  “Ja-a.”  “Heb je nog iets nodig, ofzo?”  “Nee. Alles goed hier.”  “Heb je je mineralendrankje opgedronken?”  “Wat heb ik gedronken?”  “Dat drankje van de dokter tegen de diarree.”  “Bijna op. Nog een kletske.”  “Opdrinken, eh. Dat moet van de dokter.”  “Ja-a. Het moet toch niet allemaal in één keer. Ik drink het wel op.”  “Oké, goed. Zolang je het maar opdrinkt. Ik ga me omkleden en dan kom ik. Het duurt niet lang.”  Martine opende de enveloppen nog eens, alsof ze wilde controleren of het geld in tussentijd niet verdwenen was. Ze ritselde met haar wijsvinger over de randen van de briefjes. Ze rook eraan.   Twee weken voor Erik haar de deur gewezen had, had ze dit kakigroene kleedje ook aangehad. Ze had het pas gekocht en zichzelf bediend van een parelketting, bijpassende oorbelletjes, ring en armbandje. Ze waren samen in de MangerManger uit gaan eten. Hij had haar complimentjes gegeven.  Een week daarna, toen duidelijk werd hoe duur het jurkje en de juwelen waren en van welk geld ze alles had gekocht, was ze haar krediet kwijt. Het was de druppel, had Erik gezegd en hij dreigde ermee de juwelen en het kleedje terug naar de winkel te brengen. Uiteindelijk had ze alles mogen houden en was zij terug naar haar moeder. Alsof zij ook te duur van deze winkel was gekocht.   Het kon haar niet meer schelen. Dat kakikleurige kleedje en die paarlen ketting met bijbehorende oorbelletjes, ring en armbandje waren niet bedoeld om in de kast te hangen. Vandaag wou ze in stijl naar de bank. Tijdens het schminken, kreeg ze haar trillende vingers niet onder controle. Beneden hoorde ze iets vallen.   “Moeder?! Moeder?!”  Er kwam geen antwoord. Ze stommelde de trap af om te kijken.  Haar moeder lag in haar zetel en sliep. De tv stond aan en het Duits van ‘Sturm der Liebe’ verstomde elk mogelijk ander geluid in de woonkamer. Martine nam de afstandsbediening van de vloer en zette het geluid zachter. Ze dronk twee portootjes kort na elkaar, spoelde het glas uit en zette het daarna weer bij de schone glazen in de barkast. Boven merkte ze weinig verschil bij het schminken. Aan de linkerkant van haar bovenlip was ze een beetje uitgeschoten met haar lippenstift en bij haar linkeroog was het lijntje gehakkeld. Het moest maar zo. Ze koos haar bruinlederen handtas en stak de enveloppen er rechtop in. Het was tijd om te vertrekken.   Beneden merkte ze onmiddellijk de zure geur van ontlasting. Het was niet waar, dacht ze, niet nu. Potverdikke.   “Moeder, heb jij een vuile pamper? Moeder, moeder! Word eens wakker. Moeder, hoe is dat mogelijk! Je bent in slaap gevallen en je pamper zit vol. Vooruit, dit moeten we eerst opkuisen.”  Tijdens het verversen vielen twee enveloppen uit haar handtas. Met vuile vingers raapte ze die op, stak ze terug in de handtas en gooide die in een hoek. Het beeldje dat nonkel pater uit de tropen had meegebracht en dat in die hoek stond, wankelde, maar viel niet.   Een half uur later zat haar moeder proper in haar zetel. Zij veegde eerst nog met een schotelvod een vlek van haar jurk en ging toen aan de keukentafel zitten. Ze had geen zin meer om naar de bank te gaan en keek met een half oog naar de opengeslagen krant.  “Sorry, liefje,” zei haar moeder.   “Maar moeder, daar kan jij toch niks aan doen. Het is niet prettig, maar je kan er niets aan doen.”  “Sorry.”  “Ik weet het moeder. Stop maar met sorry zeggen, het is nu zo. De dokter komt morgen nog eens langs.”  “Weet je wat, Martine.”  “Wat is er moeder?”  “Ik heb nog iets voor jou. Ga eens boven in de commode kijken. De onderste lade. Daar ligt een zijden zakje. Ga dat halen. Wat daar inzit is voor jou.”  “Moet dat echt nu, moeder? Dat hoeft toch niet.”  “Ik sta erop.”  “Weet je wat? Ik zal het gaan halen en dan zien we wel.”  Martine blies de lucht weer met bolle wangen uit haar longen. Haar voeten sleepten over de vloer en over de treden van de trap. Ze vond het paarse zijden zakje in haar moeders commode, zoals ze gezegd had. Het was met een zilverkleurig lintje dichtgeknoopt .  “Hier is het,” zei Martine.  “Kom eens, meisje.”  “Moeder, allé.”  “Nee, nee, kom hier. Vooruit. Geef je hand.”  Haar moeder opende het zakje en de erfjuwelen die ze eruit haalde, glommen in het oranjegele licht van de staande lamp. Haar moeder schoof de ring over Martines vinger. Daarna hing ze het hangertje om haar nek. Martine moest daarvoor zo ver vooroverbuigen dat ze bijna op de schoot van haar moeder viel.  “Voor jou. Ze zijn voor jou. Jij verdient dat.”  Haar moeder snoot haar neus en veegde met de zakdoek haar ogen droog.  Martine verving haar eigen oorbellen en deed de paarlen ketting uit. De rest van de namiddag en de avond hield ze haar moeders juwelen aan. Pas vlak voor ze ging slapen, legde ze het paarse zakje weer op zijn plaats.     ***    Drie weken later lag haar moeder in een ziekenhuisbed. De bacterie die haar diarree veroorzaakte, bleek tegen elke vorm van antibiotica opgewassen. Een infuus zorgde voor vocht in haar aderen. In bed nam ze niet de helft van de plaats in die ze normaal gezien innam. Martine was in die laatste weken amper van haar moeders zijde geweken en had geen tijd genomen om naar de bank te gaan. De enveloppen lagen weer op hun oorspronkelijke plaats.  Haar moeder wilde iets zeggen, maar haar stem was te zwak om boven het geluid van de tv uit te komen. “Wacht even, moeder. Ik zet eerst de tv af. Zo kan ik je niet verstaan.”  Martine zette de tv af en legde de afstandsbediening op het ongebruikte eetplankje. Daar donderde hij meteen af. Martine moest op haar knieën onder het bed om eraan te kunnen. Ze stootte haar rug tegen de rand.  “Wat is dat hier allemaal,” riep een verpleegster. “Is alles nog in orde?”  “Het tv-kastje was gevallen.”  “O, als het dat maar is. Ik kom eens kijken hoe het zit. Mag ik even onder de lakens?”  De verpleegster wachtte niet op een antwoord en sloeg de lakens achteruit. Kordaat ververste ze haar moeders pamper die alleen nog maar wat vochtig slijm bevatte. Toen ze klaar was, stopte ze haar moeder onder en trok de lakens strak.  “Heb je het niet te koud? Zal ik er een extra dekentje opleggen?”  Weer wachtte ze niet op een antwoord en ze dook de kast in waar ze een dun dekentje uithaalde. Met een zwier legde ze het in één beweging losjes over haar moeder.  “Dank u, dank u,” mompelde haar moeder.  De verpleegster keek Martine aan en wenkte haar met het hoofd. Op de gang fluisterde ze plots.  “Ik heb er geen goed oog in,” zei ze. “Jouw mama is erg zwak geworden.”  Martine zweeg en keek naar de grond.  “Ik vrees dat het tijd is om afscheid te nemen.”  Ook de verpleegster zweeg nu en keek Martine van top tot teen aan.  “Ik zeg het maar.”  “Nee, nee, dank u verpleegster. Misschien moet ik inderdaad de rest van de familie bellen.”  Martine nam haar telefoon en belde eerst naar haar oudste zus. Daarna contacteerde ze de rest van de zussen en uiteindelijk Armand. Ze spraken af om de volgende dag naar het ziekenhuis te komen. Alleen Armand kon niet, die kwam dezelfde avond nog.  Toen Martine terug de ziekenhuiskamer in ging, lag haar moeder te slapen. Met open mond. Haar adem schuurde tegen haar huig en haar armen lagen bleek bovenop de lakens.  Armand kwam een half uurtje later aan en trof zijn moeder zo slapend aan. Hij zette de tv op.  “De laatste kilometers van de koers,” zei hij. “Er is een ontsnapping en er zitten drie Belgen in.”  “Ik ga in de cafetaria iets drinken,” zei Martine, “en in het winkeltje een krant kopen.”  Bij het terugkomen, was haar moeder wakker. Armand hield haar hand vast. Op tv zag ze een renner op een podium staan. Hij trok een groen truitje aan. De bloemen in zijn hand gooide hij het publiek in. Het geluid stond af.  “Het is goed dat je dat gezegd hebt, moeder,” zei Armand. “Rust nu maar weer uit.”  Haar moeder sloot onmiddellijk weer haar ogen.   “Ze is er slechter aan toe dan ik dacht,” zei Armand, terwijl hij op zijn horloge keek.  “We zullen haar maar laten,” antwoordde Martine.  Samen wandelden ze naar de uitgang. Armand reed met de auto naar huis. Martine nam de bus. De zussen hoefden de volgende dag niet meer te komen.     ***    Priester Gerard verzorgde de uitvaartdienst. Op het einde van de koffietafel raakte Martine met hem aan de praat. Ze hield van zijn melodieuze stem en de manier waarop hij met zijn donkere ogen recht in haar ziel leek te kijken. Haar zussen en broer wachtten niet tot het einde van dat gesprek en vertrokken zonder haar. Toen ze haar jasje aandeed, nam priester Gerard haar hand in zijn twee handen en knikte. Hij deed zijn mond open, maar voor hij iets kon zeggen, werd hij onderbroken door de zaakvoerster.  “Martine? Jouw zus zei dat jij de betaling van de koffietafel zou regelen.” “O ja, dat weet ik niet. Dat zal dan wel.”  Priester Gerard wuifde en draaide zich om.  “Dat kan cash als je wilt.”  Martine voelde haar hoofd rood aanlopen en het jasje dat ze net had aangetrokken, moest onmiddellijk weer uit. Zo veel geld had ze niet. Ze kon het niet eens voorschieten.  “M-mag dat ook met een o-overschrijving? Ik heb geen cash bij me.”  “Er is een bankautomaat iets verderop in de straat.”  De bovenste knopjes van haar blouse moesten ook los. Ze krabde aan haar armen alsof ze pas door een mug gestoken was.  “Nee, ik bedoel, misschien toch liever met een overschrijving. Dat is gemakkelijker om het onder elkaar te regelen.”  “Dan is het wel iets meer, natuurlijk.”  De zaakvoerster van de zaal verdween achter de toog en kwam vijf minuutjes later terug met een factuur. Martine plooide het blad twee keer dubbel.  De twee kilometer terug naar het huis van haar moeder legde ze te voet af. Op hoge hakken. Toen ze de straat in stapte, zag ze van ver de auto’s staan. Haar zussen en broer zaten rond de keukentafel. Ze moesten het eens hebben over hoe lang ze hier nog in huis wilde blijven.  “En moeders juwelen,” vroeg haar oudste zus, “weet jij toevallig waar die liggen? Ze had mij beloofd dat ik die als oudste zou krijgen als ze er niet meer was, maar ik vind ze nergens. Ze zitten niet in haar juwelenkoffertje.”  Martines hand gleed naar haar handtas. Ze voelde eerst aan het zijvakje en daarna haalde ze de factuur eruit. Ze legde die in het midden op de tafel.  “Ik denk het wel,” antwoordde ze. “In haar commode, de onderste schuif, helemaal achteraan en onder de lakens verstopt.” Ze mompelde het bijna als een excuus.  Haar oudste zus schoot meteen naar boven. Een andere zus nam de factuur, plooide ze open en keek er lang naar. De twee andere zussen dronken koffie en zeiden niets. Armand dronk bier en glimlachte na elke slok.  Een paar dagen later merkte ze dat de enveloppen niet meer op hun plaats lagen. Ze vloekte één keer kort en luid. Daarna kwam ze twee dagen het huis niet uit. Tien dagen later verkocht ze haar eigen paarlen juwelen tweedehands voor bijna evenveel als ze hen gekocht had. Niet lang daarna mocht ze voor de eerste keer bij priester Gerard gaan koken en poetsen. Het was ook priester Gerard die ervoor zorgde dat ze net buiten het centrum in een studio kon intrekken. Voor weinig geld.   Op heldere dagen lag ze op haar rug in de zetel en keek ze via een koepeltje door het platte dak naar de hemel. Ze hield ervan om door dat kleine vierkantje vogels te zien vliegen in een blauwe lucht. Het zou niet lang meer duren voor de erfenis rond was en de boerderij te koop gezet werd. Daarna hoefde ze met geen van haar familieleden nog contact te houden.  Om haar rechterringvinger zat het ringetje met het briljantje. Op het schapje naast de tv stond een klein kristallen vaasje dat ze bij priester Gerard weggenomen had. Ze had het opgeblonken en er een plastieken roosje in gestoken. Zowel het briljantje als het vaasje vingen het licht en verspreidden het in geometrische figuren tegen de muur. Over en door elkaar.       

Hans Van Ham
20 0