Lezen

Urenlang

Urenlang staarde hij voor zich uit in de hoop dat de woorden komen zouden.In rijen van tien,drie dik,woorden in zinnen,alinea's in bladzijden,hoofdstukken in bundels,in één gargantueske gulp van grenzeloze grandeur,geschreven als door God Hemzelve,gelezen en goedgekeurd door de Zoon,de Maagd Maria en de Heilige Geest,Amen.Wat kwam waren niet de woorden gegoten in de volgorde van de perfectie,maar de wezenloze waas van de wanhoop,tastbaar als een mes in de rug,als een van de tering wegrottend been in Middeleeuwse tijden,nog voor Copernicus de wereld rond verklaarde ,en anesthesie nog gewoon anaisthesia heette en bestond uit het wachten op een door Hades zelf ingegeven einde van het bewustzijn.Het verliezen van het bewustzijn op een houten tafel omringd door zelfverklaarde mensenslachters en snijgrage barbieren,gewapend met ijzeren tuig dat niet mis zou staan op het slagveld,het leek hem een welkome afwisseling op het schier eindeloze,quasi-lucide schermstaren,achtervolgd door de Griekse God Cursor,immanente God van de Twijfel.Nu verteerde slechts dat,de twijfel,hem.Wanneer men in middeleeuwse tijden een van je beider benen van de rest van je corpus ging scheiden was je tenminste nog zeker van de uitkomst.Een plus een was ook toen al twee.Je brein,tegenwoordig van geest als het altijd al was,zou zich neerleggen bij de situatie,twee min een is immers ook nog altijd een en beter dan geen.Zo simpel was het leven toen al.Maar hier was niks simpel.Zelfs het zachte tikken van de klok leek moeite te kosten,iedere tik afzonderlijk geconcipieerd en individueel onthoofd,elk uur verdeeld in bloed, zweet, en tranen.

runoffthemill
13 0

Haar onvoltooide

“Het gaat niet goed met haar, Tristan, ze is plots erg ziek geworden en is opgenomen in het ziekenhuis. Jouw overkomst zou ze erg op prijs stellen”“Ik boek meteen een ticket, Harold.”Terneergeslagen leg ik de telefoon neer. Wat is haar overkomen?  Inmiddels beroemd, maar steeds haar eenvoudige zelf gebleven, was zij het die in mijn talent bleef geloven. Dat ik vandaag op vele podia sta, is aan deze muzieklerares te danken. Onlangs vertelde zij mij dolenthousiast over de opdracht die ze van het Concertgebouw kreeg om een pianoconcerto te componeren.Iets later brak brand uit in haar appartement in de stad. Gelukkig kon ze zich tijdig veilig stellen, samen met Bas, haar lieve labrador.  Alles werd vernield. Van haar vleugelpiano bleef geen spaander over. Toen haar echtgenoot nog leefde, hadden ze die samen uitgekozen. “Mag het die Bechstein zijn, lieverd?”Onvermoeibaar kreeg ze door haar aanstekelijk optimisme met de hulp van vrienden snel een nieuw pand, meubels en een piano aangeboden. Ze had zich meteen terug aan het werk gezet. Toen ik haar laatst zag voor ik naar het buitenland vertrok, werkte ze aan de finale van het concerto.Op de spoedafdeling kijkt ze mij glimlachend aan: “Je bent er, Tristan. Wat goed. Luister, ik ga het niet lang meer trekken, dat voel ik. Mag ik twee dingen vragen? Kan jij zorgen dat Bas weer een goede thuis krijgt? Ik worstel nog met de slotakkoorden van mijn concerto. Wil je Harold verzoeken om het af te maken?” Ik stel haar gerust en zeg dat ze het binnenkort zelf wel zal afwerken.De dag nadien overlijdt ze. Bij de première van het pianoconcerto krijg ik te horen dat ik de enige erfgenaam ben van de rechten op haar ganse oeuvre.

Vic de Bourg
17 3

Dialoog tussen een anus en een stoma

Haspengouw, voorjaar 2023 De lentezon stijgt ter kimme als de Heiland omringd door stralenkransen. De bloesems van appel- en perenbomen overheersen de Haspengouwse heuvels als een tapijt in roze en witte tinten. Scholieren trekken in korte broek de straat op, terwijl de zon in hun bleke kuiten bijt. Tieners lachen en vrijen achter heggen met frisgroen gebladerte. Boeren bezaaien hun akkers, burgermannen maaien hun grasperkjes en te midden van deze bedrijvigheid – bijna onopvallend in het geheel der dingen – bemest een doodeenvoudige anus de haartjes rond zijn kringspier. It’s a dirty job, but someone’s gotta do it. Zijn buurman – een jonge stoma – kijkt werkloos toe. Lachrimpeltjes verschijnen rond zijn roodbruine mond, alsof hij wacht op een kans om de anus te vernederen. “Zeg anus.” De anus zucht, een nauwelijkse hoorbare wind stijgt op uit de vallei tussen zijn billen. “Herinner je jou nog die vakantie vorig jaar, anus? In Bristol, op het strand?” De anus laat zijn meststroom trager vloeien. “Hoe kan ik dat vergeten…”, sist hij. “Sjongejonge, was me dat een zicht!”, zegt de stoma, “De godganse dag lag ons baasje met zijn gat – met jou dus – in de lucht, de randen van je hol ingesmeerd met een factor 5.” De anus knijpt zijn kringspier dicht. Zijn billen worden rood van woede. De vernedering is nog even tastbaar als de dag van gisteren. Maar de stoma ratelt door. “Ik begrijp je wel hoor, anus. Je hebt een perineum om U tegen te zeggen! En je was aan het trainen voor het EK Bilnaadbruinen in Bristol.” “WK!”, snauwt de anus. “WK, EK, BK … Maakt het uit? Feit is: Je bent nog jong. Beschouw het als een eer dat je mocht deelnemen.” De anus draait zijn mesttoevoer dicht. “Ik kon goud winnen”, zegt hij, “als jij me niet zo nodig te kakken moest zetten.” De stoma grinnikt, luchtbelletjes ploppen uit zijn gat. “Wel, wel. Denk je nog altijd dat het mijn schuld is” De anus ontspant zijn kringspier, opent zijn hol en blaast een weeklacht van jewelste de wereld in. “Het was een zegetocht!”, zegt hij en gooit bij gebrek aan handen zijn aambeien in de lucht, “De ene concurrent na de andere verbleekte in de schaduw van mijn glanzende bruine anjer. Daar stond ik dan in de finale, oog in oog met de gebleekte reet van Kourtney Kardashian, die zo mooi contrasteerde met haar mokkabruine bilnaad. Toen ik onder haar vagina de contouren van een beginnende mee-eter ontwaarde, kon ik de overwinning al ruiken. Maar jij, jij voelde plots ‘de hoge nood’ opkomen. En de rest … is geschiedenis.” “Ik heb het je al duizendmaal gezegd, beste buurman. Stoma’s hebben geen controle over hun ontlasting.” “Alsof je het zo erg vond, dat ik daar in de shit stond.” De stoma gniffelt. “Ik geef toe dat een beetje leedvermaak me niet vreemd is”, zegt hij, “Maar hoe zou je zelf zijn als je buurman en partner in crime met alle aandacht gaat lopen. Niet enkel op de dag van de wedstrijd, maar ook tijdens de trainingen op het naaktstrand. Jij lag open en bloot voor de ganse wereld, terwijl ik – die al het vuile werk van jou overneemt – de ganse dag platgedrukt op de grond lag, mijn hele mond vol zand.” De anus fronst zijn bilnaad, want een wenkbrauw heeft hij niet. “Jij moet me geen les geven in vernedering, stoma.” “Beschouw het als een les in bescheidenheid”, zegt de stoma, “Wees dankbaar. Dankzij mij kan je jouw leven aan topsport wijden en relatief strontloos door het leven gaan. Behalve die ene keer in het voorjaar , want die aarshaarwortels voeden zichzelf niet.” “Ik was al een professional voor jij op de proppen kwam!”, roept de anus, “En als ons baasje twee jaar geleden zo stom niet was om die slecht doorbakken kipfilet te vreten, dan was ik nu kampioen en kon ik mijn gazon bemesten zonder het gezeur van een eigenwijze stoma rond mijn kop. Maar nee, hoor! De dokters wilden koste wat het kost een stoma plaatsen, want anusje was ziek, anusje had rust nodig. En de stoma zou daarbij helpen. Helpen!” Hij spuugt het woord uit als de restanten van een Thaise curry. “Voor mij ben je zelfs geen noodzakelijk kwaad, stoma. Je bent een parasiet, geboren uit mijn vernedering. Onthoud dit goed: Als ik beter ben, dan is het gedaan met jou. Dan vertrek je naar je finale bestemming: het stort. Dan kan je wegkwijnen tussen baxters, luiers en injectienaalden.” De anus draait zijn mesttoevoer terug open en buigt zich over zijn aarshaartjes, hopend dat de buurman zijn lesje heeft geleerd. Maar de stoma rukt zijn stomazakje af en spuit geelgroene druppels recht in het schijthol van de anus. “Hoe durf je?” roept de anus. “Ik zei toch dat ik mezelf niet in de hand heb.” De stoma lacht en trekt zich terug in zijn onderhuidse hol. De anus blijft achter op de rand van zijn haarperkje. Stomaklodders branden gaten in zijn mooie, bruine gazon.

Pieter Van der Schoot
3 0

De zonde bril

In de lente van 2019 verbleef ik een aantal nachtjes op het Indonesische eiland Gili Trawangan. Een eiland met een schoon en wit strand, in een kraakhelder stuk oceaan. Mijn baan als marketeer bij een snelgroeiende startup in Utrecht had ik opgezegd. Als 21-jarige was ik namelijk niet tevreden met mijn leven als fulltime werknemer. Mijn vriendinnen waren immers de hele dag dronken, brak en vooral vrij. Dat laatste wilde ik ook dus boekte ik een reis naar Indonesië.  Op het eiland waren er alleen fietsers, wandelaars of paard en wagen wat het erg idyllisch maakte. Ik had een hostel geboekt waar ik vanaf de haven van het eiland naartoe kon lopen. Het hostel heet Gili La Boheme en iedereen liep op blote voeten. Het meubilair was erg kleurrijk en er hingen hangmatten in de binnentuin. Dit maakte het erg knus en intiem. Het mooiste? Er was er geen luxe, maar de gezelligheid maakte het comfortabel. Bij aankomst werd ik door een klein Indonesisch meisje naar mijn kamer geleid. Toen ze de deur voor me opendeed zag ik één tweepersoonsbed en één eenpersoonsbed. Het tweepersoonsbed was duidelijk beslapen want de lakens lagen rommelig op het matras en rondom om het bed lagen her en der wat spullen verspreid zoals een camera en een oplader. Prima vond ik, dus ik legde mijn backpack op het eenpersoonsbed. Het bed stond naast een raam en in het vensterbankje lag een zonnebril en met een fles zonnebrandcrème ernaast. De fles zat onder het zand en aan het tuitje kleefde hard geworden restjes crème. Duidelijk vergeten door de vorige backpacker. Leuke zonnebril, dacht ik.  De volgende ochtend raakte ik aan praat met een groepje andere backpackers. Mijn kamergenoot zat ook in dit groepje. Een Noorse jongen met een grote bos blonde krullen. Hij was een kop groter dan ik. Hij reisde alleen en was al een nachtje eerder aangekomen. Hij had een vrij norse uitstraling en was altijd een beetje chagrijnig en kortaf, maar hij vond het wel leuk om mee te gaan met de groepsactiviteiten. De dagen daarna bracht ik door met mijn nieuwe vrienden en zijn we wezen snorkelen, hebben we een pub crawl gedaan en deden we in de avond kaartspelletjes in de binnentuin van het hostel. Het waren magische dagen vol zon, strand en drank. Na vier dagen besloot iedereen verder te reizen en was het tijd om in te pakken en afscheid te nemen. Toen ik mijn backpack op het eenpersoonsbed legde en ik de laatste spullen in mijn tas probeerde te proppen viel mijn oog weer op die zonnebril in de vensterbank. Ik blies het zand eraf en ik stopte hem in mijn tas. ‘’Zonde als niemand deze meer gebruikt’’ dacht ik. De zonnebrandcrème met het vieze tuitje liet ik natuurlijk staan.  De groep had zich ondertussen verzamelt bij de receptie van het hostel om afscheid te nemen. Ik zou terugreizen naar Bali met twee mensen en de rest, waaronder mijn kamergenoot, de boot nemen naar Lombok. Terwijl ik nog even kletste met een van mijn reisgenoten stormde mijn Noorse kamergenoot opeens binnen vanuit de binnentuin. Zijn wangen waren vuurrood aangelopen en hij riep boos en gechoqueerd: ‘’Someone stole my sunglasses!?’’. O my god, dacht ik. De zonnebril die ik in mijn tas gestopt had was van hem en nu denkt hij natuurlijk dat ik die gestolen heb. Mijn wangen werden rood en het zweet brak me uit. Terwijl de groep zich bekommerde over mijn Noorse kamergenoot wist ik me geen houding te geven. Ik wilde wel zeggen dat het een misverstand was, maar ik kon niks uitbrengen. Mijn kamergenoot legde uit dat de zonnebril in de vensterbank lag naast het bed waar hij zijn eerste nacht in geslapen had. In plaats van de bril terug te geven en te zeggen dat ik de bril in mijn tas gedaan had, stond ik er verstijfd bij. Gelukkig moesten we enigszins opschieten omdat onze boten zouden vertrekken en werd het afscheid snel in gang gezet. Het moment kwam dat ik gedag moest zeggen tegen mijn Noorse kamergenoot. Hij opende zijn armen, trok me tegen zijn lichaam aan en hield me stevig vast. Daarna boog hij zijn hoofd naar beneden en fluisterde in mijn oor: ‘’I know you have my sunglasses’’. Hij hield mij een lange seconde vast en terwijl onze bezwete lijven tegen elkaar aan gedrukt waren liep er een koude rilling over mijn rug.  Met een steen in mijn maag reisde ik door naar Canggu, een surfdorpje op Bali. Ik voelde me erg slecht over de hele gebeurtenis. Als ik direct had gezegd dat het een misverstand was en zijn zonnebril had teruggegeven was er niks aan de hand geweest. Toen ik op een middag een surfplank had gehuurd en in het water lag kwam er een grote golf aan vanachter. Ik had nog nooit eerder gesurft en werd direct van mijn board geslagen. Onderwater maakte ik een koprol en voelde ik de zilveren ring die ik altijd om mijn rechter middelvinger droeg, eraf glijden. Samen met mijn ring, gleed het schuldgevoel van de afgelopen dagen van mij af. Toen ik weer boven kwam wist ik het. Bad karma.  Na mijn reis in Indonesië vloog ik door naar Australië en Nieuw-Zeeland waar ik een geweldige, vrije tijd heb gehad. Eenmaal onderweg naar Nederland moest ik overstappen op Hong Kong Airport. Mijn overstap was in het holst van de nacht waardoor het erg rustig was op het vliegveld. De hele vlucht was ik niet naar de wc geweest dus toen ik nog wat slaperig het toestel verliet zocht ik vrijwel direct naar een toilet. Niet eerder was ik op Chinees grondgebied geweest dus hoopte ik op een toilet met aan de zijkant allerlei knopjes waarmee je je jezelf kon reinigen na de beurt. Helaas was het niet zo uitgebreid. Er was ook nog een andere reden waarom ik graag naar het toilet wilde. Daar kon ik namelijk in alle rust iets achterlaten, wat ik niet dubbelzinnig bedoel. In de toiletruimte opende ik mijn handbagagetas en haalde ik de zonnebril eruit, die ik inmiddels al zo’n drie maanden niet meer gezien had. Deze heb ik vervolgens weggegooid in het prullenbakje bij de toiletten. Die slechte karma wilde ik namelijk niet mee naar huis nemen en de eigenschap om niet op te durven staan wanneer het nodig is ook niet. Ik liet het beide achter me

Renske ten Kleij
6 1
Tip

Middelvingers te kort

Ik kwam middelvingers te kort de afgelopen weken. Ik kreeg van de fuck you’s tussen mijn tanden geen hap door mijn keel. Zelfs een glas wijn gooide ik liever tegen de tv dan het te slikken. Nog een geluk dat ik op staande voet ontslagen was en tijd had om het allemaal van op een afstand te gaan bekijken. Drie uur reed ik erover om in mijn hut te geraken, midden in de groene vlek op google maps vlakbij het Kröller-Muller museum.  Tijdens een wandeling in de bosrijke omgeving bel ik voor de vijfde keer in vijf maanden tijd iemand die mij de eeuwige liefde beloofd had maar nooit opneemt als ik bel. Ik probeer hem te vergeten door plaatsen te bezoeken waar ik nooit met hem over had gesproken. Ook door direct zijn voicemail te horen. Elke keer klinkt zijn stem belachelijker.  De combinatie van geuren en geluiden van verschillende stiltes doen me denken aan een kleuterjuf, juf Rita. Ik voel terug haar zware hand op mijn hoofd bij het binnengaan in de klas. Ze biedt me een plek aan in de kring. De kring bestaat uit oneindig veel keren mezelf. Een platgereden egel, een holle boomstronk vol zwammen al is het lente, een reserve-autoband, het is precies als in een spiegelpaleis. Ik wil mijn naam in een boom kerven, en door die gedachte koop ik in de kiosk aan de rand van het bos een pak sigaretten en een aansteker. Ik twijfel over de kleur, zeker geen blauw. Uit medelijden koop ik toch de blauwe. Ik ga terug het bos in en kerf per ongeluk zijn naam in een boom in plaats van de mijne. Ik neem er een foto van om mezelf eraan te herinneren dat ik hem dringend moet vergeten.   

Fanny Wildemeersch
174 9

Konijn

Arthur:                Papa, Robin zegt dat ze later Elsa wilt worden, maar dat gaat niet, eh.                            Papa, Robin zegt dat ze later… Papa:                   Ik heb het de eerste keer ook gehoord, Arthur. Arthur:                Dat gaat niet eh, want ze heeft geen ijskrachten. Papa:                   Wil jij graag Elsa worden, zus? Robin:                  Ja. (heel stilletjes)  Allicht knikt ze enthousiast, maar omdat ze voorover gebogen zit, kan ik het niet zien in de achteruitkijkspiegel. Papa:                   Je zingt heel graag eh, meisje. Dat kan je wel worden, hoor, zangeres. Wil je                                zo goed kunnen zingen als Elsa? Robin:                  Ja. Arthur:                Maar ijskrachten bestaan niet, eh papa. Papa:                   Nee, jongen ijskrachten bestaan alleen in verhaaltjes en filmpjes, maar zus                                    kan wel leren zingen. Wil je dat graag, want dan kan je later naar de                                            muziekschool om te leren zingen? Robins onderlip krult op en ze gaat de eerste fase van haar protroutine in, dadelijk gooit ze met iets of roept ze. Arthur:                Ik wil dat wel. Robin:                  Nee, ík wil dat! Dat roept Robin inderdaad overdreven boos. Als ze aan Arthur had gekund, had ze hem een lap verkocht. (fase 3) Gelukkig zit ze vast op haar autozitje. De laatste fase van de protroutine kan ze dus niet uitvoeren. Ze lijkt te kalmeren. Papa:                   Als jullie dat willen, kunnen jullie dat allebei, dat is geen probleem. Zal ik                                     #LikeMe opzetten? Arthur/Robin:    (samen) Ja. Arthur:                Papa? Papa:                   Ja, jongen. Arthur:                Ik wil later liever Chase worden van PawPatrol. Robin:                  Dat gaat niet, eh papa. Papa:                   Nee, jongen, dat kan ook alleen maar in filmpjes en verhaaltjes. Arthur:                Ik kan toch altijd een politiepup zijn, dat gaat toch. Robin:                  Nee, dat gaat niet. Papa:                   Nee, jongen dat gaat niet, je kan wel bij de politie gaan. Dat gaat wel. Robin:                  Arthur? Arthur:                 Ja. Robin:                  Jij wordt geen hond later. Arthur:                Nee? Robin:                  Jij wordt gewoon een konijn. Arthur:                 O. Daarmee wordt het stil tussen de twee alsof hiermee het laatste woord gezegd was. De liedjes van #LikeMe klinken hun vertrouwd in de oren en ze kijken allebei uit hun raampje naar buiten. Op deze weg door de velden kunnen ze lekker wegdromen in de verte. Nog vijf minuutjes en we zijn aan school.

Hans Van Ham
29 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 4

4 Jimmy wandelt terug naar zijn werkpost. Zijn maag blijft draaien, maar hij mag niets meer laten blijken. Het Reginaldkrediet voor vandaag is met het akkefietje van daarstraks weer gespendeerd, en elke aanvaring kan leiden tot een handgemeen. Bruno zit aan de werkpost met een pakje brieven in de hand. ‘Hebt gij al uw casiers gelicht?’ vraagt hij aan Jimmy, hem streng aankijkend. ‘Ja, waarom?’ Bruno zwaait met het pakje brieven. ‘Omdat er nog een hele handgreep brieven in zat voor de Izegemsestraat. ’t Is belangrijk dat ge heel uw casier ielt, hé,’ zegt hij. ‘Maar ik héb de werkpost geleegd. Ik mag hier ter plekke doodvallen als het geen waar is,’ protesteert Jimmy. ‘Het is wel raar dat het allemaal brieven zijn voor de Izegemsestraat,’ zegt Bruno. ‘Ik denk…’ begint Jimmy, maar hij wordt onderbroken door Marc Jolicoeur. ‘Ge moet hier niet peinzen, De Post peinst voor u,’ zegt hij, terloops terwijl hij zijn boterham in zijn koffie dopt. Ook Reginald moeit zich in het gesprek. ‘Awel, Jimmy, zijt ge ne casier vergeten te lichten, ja? Slechte punten hé,’ zegt hij, gevolgd door een vettige bulderlach waarvan iedereen kan opmaken dat hij het gedaan heeft, of toch zeker er meer van weet. Een voor Jimmy onbekende postbode, wiens meest prominente eigenschap een aardbeineus is waarop een Aviator van de jaren 80 is geperst en wiens haar en baard respectievelijk bruin en grijs zijn, sloft voorbij. ‘Ah ja, Bruno,’ zegt hij, Bruno aanporrend, ‘hebt ge die brieven gehad voor de Izegemsestraat? Ik heb ze aan Sabbe gegeven. Er zijn er hier toch wel die hun tri moeten leren. Jonge gasten.’ Hij sloft verder richting de dienstdeur die naar de lift leidt, mompelend over hoe het destijds geen waar zou geweest zijn. ‘Wel die godverdomme,’ zegt Bruno. Jimmy komt dichter staan. ‘Wat heb ik gedaan?’ vraagt hij. ‘Gij niet, uwen ouden. Hij heeft de brieven die hij van Marcel gekregen heeft, gewoon weer in de casier gewupt. Soit, ik heb er de doodsbrieven uit gehaald, die gaan vandaag nog mee. De rest heb ik in een liasse gedraaid en die vliegt in de overlast, voor morgen.’ ‘Mag dat?’ vraagt Jimmy. ‘Neen. Maar wij gaan niet opdraaien voor de toeren van uw vader, zulle. Als ge uwe pa ziet, begaart van pijkens, zo pest ge hem nog het meest. Zijt ge gereed?’ ‘Ja, ik denk het wel,’ antwoordt Jimmy en hij omgordt zijn ransel. Bruno draait Jimmy’s ransel zodat deze op diens rug rust. ‘Ik ga er van uit dat ge uw schoeren en uw rug nog een tijd wil gebruiken?’ zegt hij. ‘Ja.’ ‘Dan draait ge uw ransel op uw rug,’ zegt Bruno en hij zet zijn kepie op. ‘Vergeet uw kepie ook niet hé, of ’t is model 9.’ Snel zet Jimmy zijn kepie op. Gehuld in uniformstukken, sommigen nog ouder dan hijzelf, gaat hij Bruno achterna, om de koude buitenwereld te trotseren.

Miguel
6 0

Ach mijn Marokkaanse vrienden. a

Mijn Marokkaanse vrienden hebben helden: hun vaders. In de verhalen die zij hoorden, kwamen hun vaders op blote voeten van hun geboortegrond naar de plek waar mijn vrienden later werden geboren en nu hun leven opbouwen.Ze luisteren altijd met ongeloof als ik hen uitbundig prijs, want ze zijn vaak andere reacties gewend. Zo gebeurde het dat ik bij een robuuste douanebeambte opnieuw mijn lof over Marokko uitsprak. De man kreeg tranen in zijn ogen en ik kreeg zowaar een knuffel. Vaak worden zij negatief bejegend, maar een oprecht woord over hun land – voor mij het mooiste land ter wereld met de vriendelijkste mensen – maakt je direct hun vriend. En wanneer je eenmaal bevriend bent met een Marokkaan, is de band grenzeloos; je mag alles vragen, en zij vragen alles terug. Die gastvrijheid en eerlijkheid ervaarde ik op een heel bijzondere manier tijdens een rondreis met een groep Belgen. Ik was mijn portemonnee kwijtgeraakt en besloot veertien dagen later op de prachtige luchthaven, Menara International Airport, bij de politie te informeren of er iets gevonden was. Omdat ik op de bewuste avond geld had gewisseld, kon ik het exacte tijdstip en de datum aanwijzen.De politie was uiterst behulpzaam. Wat bleek? Mijn portemonnee was destijds gestolen. Dankzij de camerabeelden van veertien dagen eerder konden ze de dader identificeren. Tot mijn grote verbazing bleek het een Belgische landgenoot uit mijn eigen reisgezelschap te zijn. Dankzij de inzet van de lokale autoriteiten kreeg ik mijn portemonnee terug, inclusief al het geld, mijn bankkaarten en documenten. Ik ben de vriendelijke lokale politie dan ook enorm dankbaar voor hun professionaliteit en rechtvaardigheid    foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ foto: mijn woonst in marroko   

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
44 0

In de jaren 90tig ontmoeten ik een roedel jongeren en Matthias Schoenaerts. a

In de jaren '90 ontmoette ik een groep jongeren. In die groep was er één die Asimov had gelezen; hij reciteerde de wetten van de robot zomaar, uit de losse pols. Ik was verbluft. Een jongeman met cultuur. En wat voor cultuur? DE TOEKOMST.Jaren geleden was hij, als puber en enthousiaste zeiler, alleen met een klein bootje naar Engeland gevaren. Hij dronk geen alcohol; hij kende de ellende ervan. Daarnaast fietste hij rond en gaf regelmatig een agressor in een auto een flinke trap tegen de auto. De nieuwe generatie! Ik kreeg steeds meer bewondering voor hén. Ze waren niet agressief, maar zeer assertief. Samen met zijn vrienden bracht hij kleur in de grijze, vieze Oost-Europese muren van de stad met vrolijke graffiti. Daarbij werden ze vaak achterna gezeten door de 'Belgische Stasi'. Ze vonden het leuk en spannend. Zij wilden die vale, kleurloze muren niet accepteren. Ze lieten niet toe dat hun kansen werden weggenomen. Ze lieten de kaas niet zomaar van hun boterham pikken. Zijn stiefvader, die in een elektronicafabriek werkte, bracht regelmatig spelletjes voor hem mee. Dit interesseerde hem mateloos, en zo werd de schoolmoeie jongen later/nu een zeer gerespecteerde computerdeskundige.Zo zat ik samen met Matthias Schoenaerts, tijdens het filmen, en de ploeg graffitikunstenaars een paar uur in de gevangenis. ------------------------------------------------------------------- verzameling video DUCK en MATTHIAS SCHOENAERTS jaren 90 tig https://www.youtube.com/playlist?list=PL9PnF5M5bSl0gESnQpHbE5o_4APNvImfE ____________________________________________________________________________________ Foto: VERF ED graffiti DUCK en MATTHIAS SChoenaerts gent FOTO GALLERY VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
111 0

Dans voor de goden

Wanneer de finale trommelslag sterft tegen de betonnen wanden van het theater, en de laatste tonen van de fluit trillend uitdoven tegen het plafond, buigt de uitgeputte danser het hoofd naar de slanke fakkels in zijn handen. Eerbiedig voor het vuur dat voor zijn voorouders op de Mongoolse steppe van vitaal belang was. Het vuur dat hem als artiest groot heeft gemaakt.   Zweet parelt in zoute druppels op zijn verhitte voorhoofd. Brede littekens van lang geheelde brandwonden ontsieren zijn gespierde bovenlichaam. “Wie de elementen wil temmen, betaalt altijd een prijs”, waarschuwde zijn grootmoeder hem telkens hij als kind met roodgloeiende toortsen stuntelend de godendansen van de jonge mannen van de clan imiteerde. Het verlangen één worden met de flakkerende vlammen was echter altijd groter dan zijn angst voor verminking.   Als hij danst gaat hij volledig op in het mysterie van het vuur. Zijn  gestileerde choreografie is een elegante weerspiegeling van de woeste rituelen van de roemruchte krijgers van wie hij afstamt. Weloverwogen passen en krachtige sprongen vertellen het verhaal van jachtpartijen en gevechten op leven en dood. Met elegante handgebaren en indrukwekkende pirouettes creëert hij de illusie van grauwende beren en rondsluipende wolven. De hypnotiserende vlammen van zijn toortsen vertellen over de strijd van zijn nomadische voorvaderen om het vuur tijdens hun trektochten levend te houden.   Wanneer hij tussen zijn gloeiende spiralen rondwervelt brandt in zijn doordringende blik het verlangen naar het uitgestrekte grasland uit zijn jeugd. Naar de veelvuldig opgelapte yurt waarin zijn grootouders nog steeds wonen. Naar het zorgvuldig gevoede vuur met zijn knisperende sintels. De rijke geur van aromatische kruiden en gebrande wierook. Het harde leven tussen de paarden en de runderen. De eindeloze sterrenhemel die het dorre landschap omspant. De verhalen over de ontzagwekkende goden die de nomaden beschermden.   Hij, Tugal, was als astmatisch kind te zwak om het leven van zijn rondtrekkende voorouders verder te zetten. Op het internaat waar hij in zijn jeugd verbleef ontwikkelde hij echter zijn talent om met goedgekozen bewegingen een verhaal tot uitdrukking te brengen. Dit gebruikt hij nu om zijn roots en verdwijnende culturele tradities in leven te houden.   Terwijl zijn ademhaling een rustige regelmaat vindt en zijn spieren zich langzaam ontspannen, weerklinkt het waarderende applaus van de talrijk opgekomen toeschouwers. Het geluid van enthousiast klappende handen vult de kale ruimte. Zijn offergave voor de machtige goden van zijn volk.

Soren Skanderborg
0 0

Het geheim in de koffer

Net toen Mark binnenstapte in het schimmige hotel, stormde een verwaarloosde man met een angstige blik naar buiten. Hij duwde Mark opzij—zonder schuldbesef, zonder een greintje respect. “Hé, pas op, man!” riep hij hem na, maar de man keek niet meer om. ‘Welkom in de achterbuurt’. Mark had kunnen weten dat ze hier nooit gehoord hadden van elementaire beleefdheid.  De ‘hotellobby’ was een claustrofobische, riekende kamer met een laag plafond waar zelfs de geur samengedrukt leek. Naast een groengele toog leidde een super smalle gang naar enkele deuren. Het leek zo smal dat je er zijwaarts, als een krab, door zou moeten schuiven. Een flikkerend zoemend peertje was het enige licht. De gecreëerde schaduwen hadden zo meer intensiteit, alsof zich een hele wereld schuilhield in de donkere vlekken. Een verstrooid, gestrest persoon stond achter de toog. Hij was amper te onderscheiden in het donker. Zijn ogen zochten koortsachtig naar iets.  Mark kuchte ongeduldig.  De man keek op. Zijn ogen gleden onmiddellijk naar Marks zilveren koffer. Hij had met opzet een anonieme koffer gekozen. Het zou onverstandig zijn om het standaardmodel te gebruiken met het forse ‘Smith Inc.’ logo van zijn werkgever. De koffer was het enige attribuut dat prijsgaf dat hij hier niet thuishoorde. Hij had zijn goedkoopste pak aangetrokken en zijn haar niet gewassen. Alles om minder op te vallen.  “Kan ik een kamer nemen voor de nacht, alstublieft?” vroeg Mark.  De man probeerde Mark aan te kijken maar zijn ogen sprongen steeds naar het koffertje. “Nee, ik bedoel, ja, tuurlijk.” Het duurde even voor de man een kamersleuteltje vond en het Mark toestak. Het had een sleutelhanger met het cijfer ‘2’ op. “Euh… hier, alstublieft. Een… goede nacht.”  Mark fronste. Wat is dat met die gast. “Hebben jullie animatiemeisjes?” vroeg Mark.  “Euh… ja, in kamer 6 zit Miss Valentine. Zij werkt vanavond. Ik zeg haar dat ze, euh… straks komt.”  Mark knikte kort. “Ok, bedankt,” zei hij en waagde zich door de smalle gang. Hij kon de ogen van de uitbater op zijn rug voelen branden.  Zijn kamerdeur stond op een kier. Een deur verderop opende zachtjes en sloeg weer dicht.  Wat een griezelig hotelletje is dit hier?  De kamer was net een plaats delict. Het laken op het eenpersoonsbed was helemaal scheefgetrokken. Een venstertje gaf kijk op de bezwijkende avond, doorprikt met elektrische lichten, zowel stilstaande schreeuwende reclameboodschappen als voorbijschietende koplampen van vliegauto’s. De muren hadden datzelfde smerige groengele kleur, alsof ze uit noodzaak met rioolwater de ruimte hadden geverfd. Door de afwezigheid van een deftige lichtbron was die vuiligheid echter enigszins verborgen. Of toch in Marks hoofd.  Het bed viel mee. Hij kon straks met een gerust hart geanimeerd worden. Het eerste wat hij deed was de zilveren koffer onder het bed schuiven en het laken recht trekken. Aan het zicht onttrokken. Hij plofte met een zucht op de piepende matras, haalde zijn smartphone boven en scrolde door zijn ontvangen audioberichten. Bij het activeren van de telefoon verschenen extra widgets en randinformatie als kleine hologrammen langs de rand van het toestel. Het gloeide als een magische scepter in de donkere grot. Het eerste bericht was van zijn vrouw:  “…Hey schat, sorry dat ik je zo laat stuur, ik weet dat je het druk hebt, het is alleen... het is alleen, ik heb net opnieuw een factuur gekregen. Ik… ik… ik weet niet hoe we het gaan bolwerken deze keer, Mark. Het is het een na het ander. Zodra we het ene gefikst hebben komt er iets anders. Sorry dat ik je zo laat lastigval, ik moest gewoon… moest er gewoon eventjes uit. Het gezegd hebben. Hou van je, schat, kom snel thuis.”  Marks gezicht vertrok. Zijn schouders waren helemaal opgespannen bij het horen van haar stem, haar zorgen. Het bracht een enorme bagage met zich mee. Waar hij allemaal mee bezig was, wat er allemaal moest worden betaald, waar hij al aan de derde of vierde aanmaning zat. Mannen zijn al voor minder vreemdgegaan of weggelopen.  Geschuifel op de gang.  Nog een landloper.  Het tweede bericht was van zijn leidinggevende:  “…Hallo Mark, ik contacteer je even met de update dat we groen licht hebben gekregen van onze klant. Je zou nu toegang moeten hebben aan de informatie rond het ‘Nachtvogel project’. Ik moet je er niet aan herinneren dat dit een zeer gevoelig en kritisch project is. We hebben je op jouw vraag deze kans gegeven—stel ons niet teleur. Ik zie je morgen…”  Mark keek opzij, naar waar het laken de koffer verborg. Zou de prijs die hij aan hun concurrent had gevraagd voor deze gevoelige info genoeg zijn? Zouden ze er nu terug bovenop geraken? Hij wist het niet. Hopelijk, want het kostte hem zijn integriteit. Het enige wat overbleef om te verkopen.  Nu kon hij alleen maar wachten. Wachten tot de koper kwam—zijn beloning ontvangen en dan deze depressieve buurt achter zich laten. Pfff, al die kloterij. Nu zou een animatiemeisje van pas komen.  Waar blijft die griet eigenlijk?  Mark stond op en opende de deur. De muur stond vlak voor zijn neus in de graatmagere gang. Hij stapte naar kamer ‘6’. Klopte drie keer. “Hallo? Miss Valentine?”  Geschuifel binnenin. Hij deed open. “Hallo?”  De deur klapte dicht. De verplaatste lucht vloog in zijn gezicht. Hij kon net blonde haren uitmaken en witgele Hollywoodverlichting in de vorm van bejaarde peertjes rond een make-upspiegel.  “Ik kom zo bij u, meneer!” zei een schelle stem door de deur.  Hopelijk was haar lichaam fraaier dan haar stem. “Ok, maar schiet op, wil je?” zei Mark. “Ik heb niet de hele nacht.” Hij slenterde terug naar zijn kamer, deed de deur dicht.  Het laken op het bed was opzij getrokken. De ruimte onder het bed was zichtbaar.  De koffer was verdwenen.  Mark checkte nog eens en dan nog eens en dan nog eens. Heb ik de koffer ergens anders gelegd? Hij keek rond en rond. Spinde in de kamer. Op zoek naar de koffer. Waar? Waar? Met een bonzende hartslag en een gehaaste ademhaling kwam hij tot de enige logische conclusie: de koffer was gestolen.  Hij stak zijn handen door zijn vettige haar.  Nee, nee, nee! Hoe kon ik zo stom zijn.  Oh, nee! Wat als ze me gevolgd zijn? Was het de concurrent, de koper? Of iemand anders? Een derde partij? Of de beveiliging van mijn werkgever? Oh, nee, wat als dit allemaal een loyaliteitstest was!  Zijn handen beefden. Zijn zicht wazig.  Misschien zijn ze nog in het gebouw!  Hij sprong recht, smeet de deur open. Rende naar de hotellobby. Daar was niemand. Hij keek achter de toog. Misschien ligt daar een aanwijzing van iemand die na mij was binnengekomen. Een register, een camera.  Iemand kuchte. Hij was zo opgegaan in het zoeken dat hij de net binnengekomen man nooit had opgemerkt. Mark spiekte over de toog. Zijn ogen zochten niet die van de man in het duister, maar vlogen naar zijn zilveren koffer. Is dit de koper? Is dat het geld? Is de derde partij er dan met mijn koffer vandoor? Wie anders komt met zo’n koffer in deze buurt?  “Kan ik een kamer nemen voor de nacht, alstublieft,” vroeg de man.  Dacht de man dat ik de uitbater was van het hotel?  “Nee, ik bedoel, ja, tuurlijk,” stotterde Mark. Ik moet zo normaal mogelijk overkomen. Ik moet dat geld te pakken krijgen. Maar ik heb niets meer om te ruilen? Zijn hand reageerde sneller dan zijn brein en stak de sleutel van zijn eigen kamer uit naar de man.  “Hebben jullie animatiemeisjes?” vroeg de bezoeker kort.  Verdomme, dat ook nog. Wat moet ik zeggen? Wat moet ik zeggen?  “Euh… ja, in kamer 6 zit Miss Valentine. Zij werkt vanavond. Ik zeg haar dat ze, euh… straks komt,” zei Mark dan maar.  “Ok, bedankt,” zei de man en stapte door het gangetje.  Marks ogen volgden hem, en vooral de koffer die hij bij zich had. De man sloot zijn deur. Mark schuifelde op kousenvoeten door de gang. Wat ben ik aan het doen? Wat ben ik aan het doen? Het zweet vormde op zijn rug, gleed naar beneden. Net naast de deur stopte hij. Stemmen klonken vanuit de kamer. Eerst een vrouw, dan een man.  Voetstappen richting de deur. Mark hield zijn adem in net toen de deur naar zijn kant opende en hem gelukkig verborg. De man stapte door de gang, liet de deur open. Dit is mijn kans!  Mark glipte in de kamer, keek rond. Waar zou de koffer liggen? Het laken op het bed was proper effen getrokken. Zou het… Hij trok het laken weg en zag de zilveren koffer. Gehaast trok hij de koffer van onder het bed, sloop uit de kamer en verborg zich terug achter de open deur. Net daarna stapte de man terug, deed de deur dicht.  Mark trippelde verder. Waar moet ik naartoe? Waar kan ik de inhoud bekijken? Zijn ze me in de gaten aan het houden? Zijn ze al vertrokken? Zitten ze in een kamer?  De enige kamer waarvan hij zeker wist wie er zat, was Miss Valentine. Hij klopte op kamernummer ‘6’. Niets. Hij deed open. De ruimte was net zo krap als zijn kamer. Voor de verlichte spiegel lag een blonde pruik. Verder was het donker. De dominante spiegelverlichting verhoogde het contrast met de schaduwen. Het gammele krukje voor de spiegel kraakte wanneer hij plaatsnam.  Toen werd er drie keer op de deur geklopt. “Hallo? Miss Valentine?”  Mark schoot recht net voor de deur opende.  “Hallo?”  Hij stormde met zijn volle gewicht tegen de deur—die dichtklapte. Mark schraapte zijn keel, trachtte met een hoge stem te spreken. “Ik kom zo bij u, meneer!”  “Ok, maar schiet wat op, wil je?” antwoordde de man buiten. “Ik heb niet de hele nacht.”  Mark relaxte toen hij de man hoorde wegwandelen. Hij checkte de koffer. Bovenaan zat een controlepaneeltje dat de bekende standaardfuncties toeliet: zelfvernietiging, blik werpen op de inhoud… Een derde optie gaf de mogelijkheid om de inhoud te transporteren aangezien de koffer in een Transport Gesupporterde Zone zat. Mark wierp een blik op de inhoud. Een tinteling vloeide door zijn lichaam. Op de behuizing van de koffer verscheen een behoorlijk bedrag. Dat is meer dan een jaarloon! De koffer bevatte meer dan genoeg om eventjes uit de schulden te geraken. Zijn ogen waren vochtig. Zijn schouders relaxten. Dit is het! Ik ben er! Hij koos voor ‘inhoud transporteren’ en toetste zijn bankrekeningnummer in. Een notificatie op zijn telefoon bevestigde de transactie. Met een finale zucht drukte hij op zelfvernietiging. De koffer trilde en kromp toen vliegensvlug ineen tot een zo’n minuscuul formaat dat het ophield te bestaan. Hij stapte zelfzeker naar de deur, deed deze open maar sloeg hem onmiddellijk weer dicht.  Er was iemand op de gang!  Hij had te snel victorie gekraaid. Eerst heelhuids uit dit hotel en de achterbuurt geraken.  Seconden gleden voorbij. Stilte. Poging nummer twee. Hij deed de deur open. Wandelde haastig door de gang. Bij de lege lobby aangekomen had hij al een behoorlijk tempo bereikt. Hij rende roekeloos naar de buitendeur. Eindelijk vrij! Net toen hij naar buiten stormde stapte iemand naar binnen. Ze bonkten tegen elkaar aan.  “Hé, pas op man!” riep de man maar Mark liep onverstoord verder.

Stijn Moreels
65 1