Lezen

Doodskopvlinder

  Vadertjelief. Misdadiger en slachter van de onschuld. Vadertje. Vortzakje. Die al het zonlicht aan de nacht verried.   Hij zit daar. Smoeltje op een stoeltje. Uit zijn kist getild. Iedereen joelt. Alleman wil. Dat hij weer ogen krijgt.   Meneer Illusionist. Schenk aan dit zeer macaber wezen. Zicht. Besef. De visie van een scherpe microscoop.   Eeuwenlang. Hoop ik al. Hem eens te mogen pluimen. Hij was de zieke haan die zomaar pikte in een hart.   Het kriebelt in mijn handen die hem wurgen willen. De oehoe fluistert echter. Dat ik beter kalm kan zijn.   Het schip ligt immers volgeladen aan de bierkaai. De matrozen zopen zich te pletter. Zijn al veel te zat.   Straks komen ze amok maken. Zich laven aan het leed. Het is die uil die mij bedaart en het lawaai bezweert.   Alle dieren uit de ark. De trommel drumt. Ze worden tam. Meneer Illusionist en Tovenaar. Kom op. Begin nu maar.   Doe wat niemand kan. En geef mijn ziel een kans. Dat hij de dans ontspringt zou zonde zijn. Dat wil ik niet.   Ieder wonder weet nochtans. Dat er geen oord van rust bestaat. Er is geen cirkel die zijn eindpunt vindt. Geen hemelrijk.   Geloof me maar. We dolen allen door ons eigen dal. Terwijl in deze tent toch iets gebeurt. Zijn kop beweegt.   De vader draait zijn drieste hoofd opnieuw. Bij god. Iedereen is eerst verbaasd. Daarna door het dolle heen.   Kijk hoe hij verschijnt. Langzaam uit één oorgat kruipt. Zich dapper beide vleugels strekt, naar leven snakt.   Het is de doodskopvlinder die na onvergeten jaren. Weer de lucht ontdekt. Me uit mijn schuilplaats lokt.       deel 5 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

sympathie proberen opwekken voor mijn buurman deel 1

1 Hij bonst de trap af. Er is maar 1 deur waar hij langs moet bij het naar buiten stappen vanuit zijn appartement dat meer wegheeft van een verbouwde zolder. En dat is de deur van het appartement dat er niet uitziet als een zolder. Het appartement dat hij zou gaan kopen, tot het voor zijn neus aan een jong koppel werd gegeven. Elke keer wanneer hij die oude gang doorboldert met zijn schoenen met overduidelijk stalen tip kan hij niet anders dan de lichte druk in zijn hoofd aanvaarden die hij krijgt bij de gedachten dat die jonkies het appartement kregen dat hij zo graag had gewild.  Hij had tenminste levens-ervaring. Hij had tenminste gewerkt. Hij was tenminste door het aanzicht zijn spaarboekje al meerdere keren tot een klein bolletje geslagen en kon nu eindelijk zijn centen gebruiken voor een appartement op de tweede verdieping. Met plafonds gevuld met houten latjes, grijs en gele verf op de muren, een ooit rijkelijk natuurstenen vloer waarvan elke tegel nu op zin minst één barst bezat. Hij overtuigde zichzelf van zijn kunnen om zo’n - laten we eerlijk zijn- krot om te toveren tot een paleis dat hij kon gaan verhuren en goed zijn kost mee zou gaan verdienen. En dat allemaal middenin een dorp in Limburg. Maar dat idee was buiten zijn twee linkerhanden gerekend, die meerdere keren de leiding doorslepen, terecht kwamen tussen enorme planken, de lijsten er met de deuren mee uit trokken en tot slot nooit geleerd hadden hoe ze moesten poetsen. Zo werd hij slachtoffer van zijn eigen toedoen, en dus ook van zijn onderburen, die zonder veel moeite hun nieuwe thuis met warmte gevuld kregen.  Zo vloekte en boorde hij een tijdje door. Ondertussen was de linkerzijde van het gebouw verhuurd aan een ander jong gezin met twee kleine kinderen. Hij had vanaf dag één al door dat dat een probleem ging worden, die twee schreeuwende zwijntjes. Moest hij die opgevoed hebben, zouden die schepsels wel weten hoe ze hun decibels wat konden verlagen. Maar dat was nu dus overduidelijk niet het geval.  Hij troostte zichzelf met het feit dat hij van de aanwezigheid van zijn onderburen, en vooral van hun twee katten, nog het meest afzag.  Die beestjes had hij nooit gehoord of gezien, maar het idee alleen al deed een zure walm van kattenbak van zijn hersenen naar zijn neus zakken. Hij had ooit zelf katten gehad, en er zo goed voor gezorgd dat de geur van hun kattenbak onverdraagbaar werd. Een dierenvriend noemt hij zichzelf. 

Chloe synkineses
2 0

Brooddronken hoofdstuk 25

25   Xavier De Baere zingt in de radio van “formidabele kerstmis”. De hit dateert al van 1993 maar in een gezin waar de muziekcollectie behoudens schlagers vooral bestaat uit tweedehands-cd’s die voor een prijsje op de kop getikt werden – of gratis weggeschonken – doet deze klassieker elk jaar opnieuw weer zijn werk. De elektriciteit van Reginalds huis is in dergelijke staat, dat, zo hebben ze ooit berekend toen Reginald in een aanspreekbare bui was, het op kerst- en eindejaarsfeestjes de volgende toestellen tegelijkertijd kan laten draaien: fonduestel, hifi-keten, kerstboom. Het inschakelen van de Bulex zorgt er voor dat de hele boel plat gaat. Dranken als thee en koffie worden dus op kerstavond niet genuttigd ten huize Sabbe wanneer het fonduestel werkt. ‘En hoe gaat dat dan in de rimboe,’ vraagt Reginald aan Célestine, ‘eten jullie dan met stokjes of met jullie handen?’ ‘Reginald,’ antwoordt Célestine, ‘ik ben geboren in Gent en ben evenveel Belg als u. Ik ben hier opgegroeid, dus ik zou niet weten hoe ze het in de rimboe, zoals u het noemt, zouden doen.’ ‘Het is meneer Sabbe voor u. Ik eis respect in mijn eigen huis.’ ‘Ik heb altijd gehoord dat je respect moet verdienen.’ Onder de tafel balt Reginald de vuisten. Een vrouw die hem tegenspreekt en dat dan nog in zijn eigen huis, zou gauw de hoeken van de kamer zien. Jules zit te likkebaarden wanneer Marjolein de plateaus met het fonduevlees op de uitgeschoven lade van de tafel plaatst. Daarnaast zet Jimmy het verrassingsbrood. Het is een traditie dat ook verrassingsbrood op het menu staat, al is er een stilzwijgend verlangen van elke tafelgast, behoudens Jules – ze moesten maar eens een oorlog meemaken – om dat achterwege te laten. Elke gast heeft twee fondueprikkers. Er is een bolletje bovenaan de prikker die aangeeft van wie het fonduestokje is. Jules wil altijd de twee lichtblauwe bolletjes en vandaag is dat niet anders. Marjolein weet dit en als een op het einde van de rit of avond vergeefs zoenoffer, heeft ze reeds twee gehaktballetjes doormidden gesneden en op een prikker geprikt. Eén rood en een geel gehaktballetje. Zij gaan als eerste het fonduestel in en de olie knettert wanneer het vlees er mee in aanraking komt. Ondertussen dient Marjolein de soep op. Tomatensoep uit blik, met gehaktballetjes, van Unox is het enige wat ze zich in grotere hoeveelheden kunnen veroorloven – voor soep met echte ingrediënten moeten we terug naar de tijd dat Marjolein nog in de Chicken Express werkte en ze af en toe restjes mee naar huis kreeg of achterover drukte. Célestine vist er de gehaktballetjes uit en Reginald heeft dit gezien. Ze ziet dat hij het ziet, maar doet lustig verder. De ongemakkelijke stilte wordt doorbroken door het geslurp van Jules met tussen elke slurp een knor voor de afwisseling. ‘Jimmy, ga eens een fles cola halen voor uw grootvader.’ Reginald zit het dichtst bij de deur van de kelder, maar hij vertikt het om ook maar één vinger uit te steken. ‘Hij is nu toch soep aan het drinken, pa. Dat kan straks ook.’ ‘Jimmy, ik zeg dat gíj nú een fles cola gaat halen voor uw grootvader. Of ik sla de tanden uit uw bek.’ Célestine schrikt van die laatste opmerking. ‘Meneer Sabbe, u meent toch niet…’ ‘Dat doet hij wel,’ antwoordt Billy, ‘als je niet doet wat hij vraagt, dan zwaait er wat.’ Met grote ogen eet Célestine haar soep verder in stilte op. Met een sardonische grijns, als demonstratie van het feit dat híj het is die de touwtjes in handen heeft, voor de vreemde eend in de bijt, eet Reginald verder. Zij gaat geen knuppel in het hoenderhok gooien, of ze zal er kennis mee maken. ‘Zo, Jimmy,’ zegt Célestine, die duidelijk geen genoegen neemt met de feestelijke stilte in de kamer, ‘ik heb gehoord dat jij vandaag begonnen bent als postbode?’ ‘Ja,’ knikt Jimmy. ‘En, doe je het graag?’ Reginald kijkt naar Célestine. Wat subtiliteit betreft zijn beiden aan elkaar gewaagd. Hij wéét dat ze weet dat ook Jimmy liever had verder gestudeerd – dat zal die idioot van een Billy haar al verteld hebben. Célestine kijkt naar Réginald en dan terug naar Jimmy. ‘Bwa… Ik weet het niet,’ antwoordt Jimmy, ‘het is nog maar de eerste dag, hé.’ ‘Ik vind dat je moet doen wat je gelukkig maakt. Zo leef ik toch. Pluk de dag. Carpe diem.’ Jules pulkt aan zijn baard en wiegt zachtjes heen en weer. Zulke onzin verkopen als zelfbeschikking, of doen wat je gelukkig maakt, in het huis van zijn zoon. Marjolein kijkt naar haar toekomstige schoondochter met angst in de ogen. Met de cd-speler op repeat begint Xavier De Baere nogmaals aan “formidabele kerstmis”. ‘Ik ben blij,’ zegt Reginald ten slotte na, behoudens “formidabele kerstmis”, misschien de meest ongemakkelijke stilte tot nu toe, ‘dat ze in Gent genoegen nemen met minder, als ze maar gelukkig zijn. Maar hier zijn we van het principe dat als je werk hebt, je het moet houden. Stop dus met die zever in mijn zoon zijn kop te steken. Ge hebt er al één onnozel gemaakt, de tweede gaat facteur zijn.’ Jimmy kijkt naar beneden, alsof hij in zijn bord soep naar de bodem speurt. ‘En facteur blijven. Hebt ge dat goed verstaan? Goed. Ga nu maar mijn sigaretten halen. En rap een beetje.’ ‘Ja, pa.’ Jimmy staat op en gaat naar de gang waar de sigaretten van Reginald op een bijzettafeltje liggen. Wat later keert hij terug en gooit hij het pakje naar Reginald, die het voorbij laat zoeven. ‘Gij gaat nu dat pakske sigaretten oprapen, of het zal uw beste dag niet zijn.’ Slaafs gehoorzaamt Jimmy aan het gebod van zijn vader. Reginald haalt een sigaret uit zijn pakje en biedt Célestine met diezelfde sardonische grijns een sigaret aan. ‘Neen?’ vraagt hij. Hij stopt de sigaretten in zijn broekzak. ‘Ook goed,’ gaat hij verder en hij steekt de sigaret op. Hij blaast de rook richting Célestine, die, doordat ze recht voor hem zit, de walm niet kan ontwijken. ‘Geeft het, meneer Sabbe, dat ik eet terwijl u rookt?’ ‘Doe maar,’ zegt Reginald.  

Miguel
2 0

Ik; Ilse.

Ik moet zo'n vier jaar geweest zijn , toen het knallend salvo van een jachtgeweer me verjoeg van mijn ouderlijke thuis.Het gedrocht dat me opjaagde was duister en immens woest. Ik zette het daarna op een lopen. Ik bevond me in een lege buurt. Iededereen zat binnen bij flauw kamerlicht weg te dommelen met ramen en deuren potdicht.Geen kat die lucht had van mij. Met mijn rubberen laarsjes aan spurte ik, zo goed en kwaad als dat ging,blind de straat over en kruiste het doornhegje van de buren naast het maisveld.De wind woei wild in mijn gelaat, ik snelde het ongewisse tegemoet.Het koude zweet parelde onder mijn jasje over mijn trillende rugje.Met spleetoogjes en klapperend gebit ging ik snuivend van het snot door met hardlopen. Ik verdween steeds dieper in de landerijen die overwoekerd werden door taaie gewassen. Uiteindelijk stopten de schoten, maar ik was ver van huis gedwaald. Ik bevond me in het hol van Pluto. Alles was ver en vreemd.Ik werd ingesloten door een diepe benauwende nacht. Mijn handen en voeten werden snel klam van de koude en ik hurkte neer om in een bolletje te gaan liggen. De sterren waren veraf maar dicht bij mijn gelaat,fluwelig en zacht. Ik sloot mijn oogjes bij het bleke maanschijnsel en dommelde in.Mijn lange haren kriebelden mijn neusje, met de muis van mijn hand veegde ik de aarde van mijn mond.Het was inmiddels klaar geworden en de zon ging felrood in sluiers gehuld. Maar het gekwetter van de vogels daarboven klonk mij toch zo droef in de oren. Want ik was alleen en nog maar heel erg klein, zei iedereen. Ik zag mijn trieste oogjes weerspiegeld in de dauwdruppels die langs de lange grashalmen omlaaggleden. Op de vochtige aarde stukspatten en verdwenen.Mijn keeltje schuurde droog en ik zoog snikkend van de dauw.Wat heerlijk!Maar hoe vreselijk de honger die ik voelde! Met mijn knuistjes krabbelde ik in de aarde. Daar bevond zich letterlijk vanalles; wormpjes met lange haren, kevers en spinnen.Een tweeledig monstertje met acht poten keek me nors aan. Ik besloot me niet uit mijn veld te laten slaan door het onding en bracht het snel naar mijn mondje waar mijn tanden het vermaalden.Ik at ook nog wat natte aarde en enkele kleine grassprietjes.Daarna legde ik mijn hoofdje en huilde even bitter. Voor eeuwig en altijd alleen op de wereld. Overdag waadde ik verwonderd en suf door hoge gewassen.Ik was voorgoed verdwaald, dat was me zonneklaar. Elk ogenblik knaagde in mijn maagje maar uiteindelijk besefte ik dat honger en dorst mijn zuiver hart niet raakten. Ik was overgeleverd aan dag en nacht die kwamen en weer gingen, aan regen en wind en het ochtengloren. Zo werd mijn aanvankelijke droefenis verwondering om het leven zelve. Alles in de natuur klopte met dezelfde zachte bas van mijn eigen hartje. De tijd vergleed en zo kwam langzaamaan toch uitputting opdagen. Mijn broze levensgeluk werd ernstig verstoord daardoor. Ik begreep als geen ander de impact van ontbering op mijn lichaam dat zou worden geruineerd, het meeste nog door dorst.Ik voorzag dat mijn nieren het later zouden begeven en zo zou ik dan ook sterven.Ik werd wanhopiger. Echt geluk is van korte duur en zo ging het ook. De zon scheen inmiddels hard en onvernietigbaar op mijn schedel en maakte me trager dan ooit tevoren.Plots hoorde ik het. Het naderend gekletter van een nieuw groot gedrocht.Toch begreep ik als in een flits dat dit een dorsmachine was! Nu moest ik echt alles op alles zetten en maken dat ik wegkwam! Ik spande elke vezel in mijn lichaam aan en besloot de uiteindelijke terugreis in te zetten. Ik waggelde verder van het lawaai vandaan en besloot door te gaan. Uiteindelijk kwam ik op een stoffig wegdek terecht.Mijn gelaatstrekken waren hard en verweerd maar ik zou niet opgeven. Even verder was een spoorweg die ik voorzichtig overstak.Ik schoof onopmerkzaam langs bakstenen huizen die vreemder dan ooit waren.Langs een stuk weiland waar een log boerenpaard met de klodden manen zwaaiend de vliegen van zich af sloeg.Angstvallig spiedde ik heen en weer. Geen haan die naar me kraaide.Links van mij leidde en keurig getegeld pad naar een massieve deur die toevallig op een kier stond. In elk raam stond een bloempot waarin miniscule paarse viooltjes me lachend groetten.Even verder naast het huisje stond een groene tractor met laadbak waarop een massa aardappels lagen. Snel stak ik mijn hongerige verwaaide kopje om de deur.Wat schamel licht viel in de inkomhal op een groot kader met geschilderde paardebloemen. Toen zag ik mezelf in een flits, onherkenbaar , vuil en bizar, in een spiegel die schuin op het gerafelde tapijt stond.Ik was intens geschrokken werkelijk even de kluts kwijt toen ik plots een scherpe lucht rook als van gezuurde melk.Ik liet me leiden door mijn neus en kwam zo de keuken binnen. Die was dus leeg afgezien van een rossige kater die snel wegstoof.Daar naast een smerig kattenbakje stond op een plakkerige vloer een metalen bus melk.Ik stak mijn beide armpjes afwisselend diep genoeg om zo uit mijn handen rijkelijk te drinken.De melk was vettig en droop langs mijn kin,maar ik dronk in een roes verder met gezwollen oogjes.Even later echter was het spel uit want een rijzige man stond zwaaiend met een borstel achter me en riep luidkeels; Mormel, maak dat je wegkomt , scharminkel hoepel op! Diep gekwetst en geschrokken rende ik naar buiten .Daarna hinkte ik doorheen de zomerse straten snel terug huiswaarts, weliswaar. Na een doodstocht van een dag stond ik kapot maar mooi op het plazoensel van mijn ouders. Daarna ging het snel. Ik brak het huis binnen en mijn broers keken met bolle ogen dwaas naar mij. Mijn moeder omhelsde me even nam mij op en bracht mij naar het bad , want ik stonk enorm. Daarna werd ik naar de verkoelende rust van mijn eigen bedje gebracht.Mijn ouders kwamen nog even bij me en zeiden; We zijn allemaal heel erg blij dat je terugbent maar loop nooit meer weg ,meid! Met sluikse ogen keek ik hen aan .Zij zouden mij nooit begrijpen. Ik draaide me om op mijn kussen en wist dat het leven zelf voor altijd van mij alleen was... .

Molly
1 0

Stevie Wonderland

  Mensen wel maar dieren niet. Die dragen nooit een masker. Er zijn soorten die zich tooien met gekleurde pluimen. Echt. Nooit vals. Dat is zoals een vlieg niet liegen kan.   De enquête van Meneer de Uil werd fatsoenlijk ingevuld. Er was enkel een draak die om een namaak rolex vroeg. Een lynx die schreef dat hij geen scrabblewoord wou zijn.   Een eekhoorntje twijfelde. Of het de staart had van een vos. Alleen de koekoek wou zijn ware aarde niet laten zien. Vermeldde enkel luiheid als voornaamste zwakke punt.   Mensen wel maar dieren niet. Die liggen altijd zomaar dood. Het is de man die liever in een maatpak slaapt. Voorgoed. De vrouw die uit haar garderobe nog iets koos voor achteraf.   Hallo. Meneer De Uil. Bedankt. Zo leer ik weer iets bij. Het is een kleine oehoe die vergroeide met mijn sleutelbeen. Hij weet heel veel. Echt waar. Mij noemt hij dom en dwaas.   Maar goed. We zijn hier nu. In deze tent van nu en toen. Hier is het begin. Dag meneer de tjoolder met je karretje. Cashewnootjes voor mijn uil. Merci. Voor mij echt niets.   Waarom ben ik gekomen. Liep ik weg uit een verleden. Dacht ik werkelijk dat duisternis voor rust kon zorgen. Dat die schaduw die ik zo verafschuw zou verdwijnen.   Het is de neerslag van een oude wolk met grijze druppels. Welkom kinkel. Zegt nog een tweede keer die malle hottentot. Hij wil mijn uil een keertje aaien. Maar dat wil het beestje niet.   Het kent mijn broos verdriet. Weet dat het mijn oog beroert. Helder zien. Dat kon ik snel niet meer. Al bij de eerste barst. Het wit verloor zijn kleur. Sindsdien zitten de tranen stevig vast.   Als in een spleet. Een kloof. Waarin geen lach bewegen kan. Geloof me maar als ik beweer dat het te veel geworden is. Die ganse reutemeteut en het geroezemoes hier rondom mij.   Ik verkoos om nergens nog deel van uit te maken. Zie mij nu. In deze tent beladen vol met alle wezens uit een nachtmerrie. De circusdirecteur roept plots zeer luid. Er is een special guest.   Steve Wonder komt een liedje zingen. Een macaber melodietje. Voor de blinde mol misschien. Of voor de oren van een spin. En hij begint terwijl ik nog een slok neem. Dat komt ervan.   Want Lazarus zit in dit flesje. Dankjewel. Meneer Illusionist. Merci. Gij uiltje met je losse nek en hart dat mij verdragen kan. Ik ben er klaar voor. Ja. Meneer de Hoogheid. Sandokan.   Loods mij naar het einde van de strijd.       deel 4 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Fanta voor de goudfazant

  Bergappelsienen uit de Himalaya en bier van het merk Lazarus. Meer is niet nodig om te overleven. Dat beweert de Hottentot. Hij zit naast me. Die Afrikaan met zotte muts op de kop.   Die Hottentot hij krabt de ganse tijd al aan zijn strottenhoofd. Hij lijkt me ongezond en terminaal. Een haan met keelkanker. Het wordt intussen aardig donker in mijn achterhoofd.   Eén trommel en trompet verspreiden veel kabaal en wreed geschal. In Kaboel. Zo weet die Hottentot. Daar is het altijd boel. Straks dan zal het mot zijn. Hier. Den duvel is al onderweg.   Dat zeg ik hem zodat hij tijdig vluchten kan. Maar goed. Direct nog niet. De goudfazant wil eerst een coca. En mevrouw de duizendpoot verlangt een fanta in een glas.   De koala wil een rietje voor zijn blikje prik met appelzuur. Genoeg getreuzeld en getuurd. De show mag nu beginnen. Waar blijft hij toch. Is de illusionist zijn wereld kwijt.   Want de vader zit al op die stoel, dat veel te zacht schavot. Het is de moeder met haar pop die niet eens kijkt. Ze paait de ganse tijd haar zuigeling en streelt het valse haar.   Ik neem een slokje Lazarus. Dat brouwsel van alhier. Het echte doorslikken. Dat komt misschien wel nooit. Al vindt dat bier zijn weg gelukkig naar mijn maag.   Hoera. Olé. Gepraat wordt door tumult en ophef overstemd. Hij komt. Hij komt. We klappen met een hand of twee. Meneer illusionist. Hoera. Olé. Je hebt het kistje mee.   Je brengt vijf zwaarden voor mijn hand en straks. Jawel. De circusdirecteur kondigt het aan. Die klooi daar op zijn troon. Hij mag erin. Sta op en kruip. Maar in die doos.   En alles gaat zoals gedroomd. Ik mag de beul. De bloedhond zijn. Die hem naar zijn hemel. Of de haaien helpt.     deel 3 van ‘Cirque sans soleil’ uit de reeks ‘Over eelt en zurkelteelt’

Bernd Vanderbilt
0 0