Lezen

De Grote Politieke Show!

In een land hier ver vandaan—nou ja, eigenlijk gewoon hier om de hoek—stond een grootse verkiezingsstrijd op het punt los te barsten. De arena: het politieke podium. De hoofdrolspelers: onze geliefde politici. Volledig uitgerust met frisse pakken, stralende glimlachen en een eindeloze voorraad loze beloften. De Opkomst De eerste kandidaat, een meester in het spreken zonder ooit iets te zeggen, betreedt het podium. Laten we hem Bartje Blabla noemen. Bartje belooft alles en nog wat: gratis huizen, lagere belastingen, en elke vrijdag een gratis frietje voor iedereen. Het publiek gaat uit z’n dak. Ze weten al dat het te mooi klinkt om waar te zijn, maar ach, gratis friet is altijd goed. Dan is er Sofie Sprookjes, die beweert dat ze de files zal laten verdwijnen. Hoe? Door "strategisch geplaatste regenbogen" te bouwen waar auto's overheen kunnen rijden. "Innovatie!" roept ze vol overtuiging. "We zullen samen door die regenboog rijden naar een betere toekomst!" Het publiek knikt, hoewel niemand echt begrijpt wat ze bedoelt. En natuurlijk kan Gerrit Grootspraak niet achterblijven. Zijn specialiteit? Zijn stem verheffen zonder dat er inhoud in zit. "Wij zullen het tij keren! Een nieuwe dag is aangebroken!" schreeuwt hij met uitgestrekte armen, alsof hij een soort politieke Jezus is. Maar niemand weet precies wat die nieuwe dag inhoudt. Boeren? Regen? Niemand die het weet. De Verkiezingen Na een maandenlange campagne vol kleurige posters, nietszeggende leuzen en overvolle markten waar kandidaten handen schudden met baby’s en honden (want iedereen weet dat hondenstemmen cruciaal zijn), is het moment eindelijk daar: de verkiezingen. De stemmen worden geteld en... jawel, Bartje Blabla en zijn team van onzichtbare daden winnen! De Daden (of het gebrek eraan) En dan komt de echte test: regeren. Bartje staat nu op het punt om zijn wonderlijke beloften waar te maken. Maar zodra hij z'n stoel in het bestuursgebouw warmt, blijkt dat zijn geliefde frietjesbudget ergens is verdampt tussen de koffieautomaten en de jaarlijkse kerstborrel. "Ach," zegt hij nonchalant, "we moeten eerst even een paar onderzoeken doen. We willen toch wel weten wat voor sausjes mensen erbij willen." Sofie Sprookjes? Haar regenboogplannen worden geschorst, want de regenboogbruggen bleken toch net iets te duur. "We hadden het regenboogfundament iets steviger moeten maken," mompelt ze. Ondertussen verandert het fileprobleem in een dagelijkse snelwegpicknick. En Gerrit Grootspraak? Nou ja, hij blijft gewoon dingen roepen vanaf de zijlijn, met dezelfde retoriek als voorheen. "Een nieuwe dag zal komen!" blijft hij volhouden. Wanneer? Dat blijft een mysterie, zoals het recept van cola of waarom sokken altijd verdwijnen in de wasmachine. De Uitsmijter Zo gaat het leven verder in het politieke circus. Verkiezing na verkiezing, met steeds nieuwe beloften en steeds dezelfde uitkomst. Politiek in dit land is als een grootse toneelvoorstelling: iedereen klapt aan het einde, ook al hebben ze geen idee wat ze zojuist gezien hebben. Veel blabla, weinig boem boem—en dat is precies zoals ze het gepland hebben.

Guy Van Damme
32 1

De Put

De avondzon blonk op het wateroppervlak van ‘de put’, een groot meer dat ontstaan was door de ontginning van wit zand. De drie gele boeien die als bakens dienden voor de zwemmers waren door het tegenlicht amper zichtbaar. Het zou weer moeilijk worden om een rechte baan aan te houden tijdens het zwemmen. Het was zo’n slordige 650 meter heen en 650 meter terug, gaven de sporthorloges aan. Vandaag wilde Johan drie keer op en af zwemmen, dus hij zou iets meer dan een uur in het water liggen. Zo had hij het ook tegen Tine gezegd, die altijd een beetje ongerust was als hij in open water ging zwemmen. Zeker in ‘de put’. Die was op sommige plaatsen meer dan vijftig meter diep. Het bedrijf dat hier aan zandontginning gedaan had, had maar de toestemming gehad om maximaal 30 meter diep te gaan, maar een tiental jaar geleden bleek na grondverzakkingen rond het meer dat ze zich daar allerminst aan gehouden hadden. De stad had prompt de concessie niet verlengd en sindsdien lag de oude zandontginningsgroeve er achtergelaten bij. Al het materiaal dat het bedrijf nog had kunnen gebruiken in een andere groeve hadden ze meegenomen. De rest was slordig blijven liggen en werd ondertussen overwoekerd door plantengroei: metalen pijlers, prikkeldraad, een paar Herashekken, een isomo vlotter die tussen het riet beland was... Het gebied was na het aflopen van die concessie vrij toegankelijk geworden en drie jaar geleden kreeg de plaatselijke zwem- en triatlonclub de toestemming om er openwaterzwemmen in te organiseren. Ze moesten zelf een redder voorzien, iedereen moest een wetsuit dragen en een zwemboei om het middel hebben. Niemand mocht alleen zwemmen. De clubs organiseerden het zodat aan alle eisen voldaan werd en sindsdien werd er in het zomerseizoen twee keer per week in gezwommen. De drie gele boeien lagen er om te vermijden dat zwemmers tegen elkaar opbotsten. Johan woonde vlakbij en had thuis zijn wetsuit al aangetrokken. Tine had hem moeten helpen met de ritssluiting op zijn rug, er dreigde een stuk vel tussen te geraken. Stiekem had hij het ook graag dat ze op die manier aan zijn lijf zat. Hij kon niet uitleggen waarom. “Could you zip me up, honey?” had hij gevraagd. Tine had niets geantwoord, maar hem toch met een soort van zachte vaste hand geholpen.  Een kus.  “Wees voorzichtig.”  “Doe ik.” Daarna was hij op zijn fiets gesprongen – het was een zot zicht zo met zijn wetsuit op zijn fiets, maar daar gaf hij niet om – en was hij tot op het schiereilandje gereden halfweg het meer. Vandaar zouden ze in westelijke richting heen zwemmen. Tegen de zon in. Steven was de redder vandaag en hij meldde zich bij hem aan. Er lagen al vijf zwemmers in het water en het was nog maar vijf over zeven. Eentje ervan, met een groene zwemboei en een blauwe badmuts, was al bijna terug. Die moest vroeger vertrokken zijn dan zeven uur, dacht Johan. “Dat is Walter,” zei Steven. “Hij wilt weer meer dan zeven kilometer zwemmen vandaag en is gemakkelijk twee uur bezig. Goed zot.” “Dat is niks voor mij.” “Dat is voor heel weinig atleten.” “Ik ga mijn uurtje doen en dan zal het wel genoeg zijn.” “Hey, en Walter die zwemt hard. Die heeft een tempo van 1’35” per honderd meter.” “Hij mag het hebben. Ik ben blij dat ik er een uurtje tussenuit kan pitsen. Met die twee kleine koters thuis.” “Dat is waar, dat maakt een heel verschil. Walter heeft geen kinderen.” “Dat doet me denken aan die meme op internet.” “Ik weet welke je bedoelt. Erwin heeft die gisteren nog doorgestuurd in de whatsappgroep, niet?” “Ja, die. ‘If you are still married, you’re not training hard enough!’” “Grappig, eh. En voor sommigen een beetje waar. Het kan niet anders of hun gezinsleven lijdt eronder dat die zo veel trainen.” “Zo waar. Ik ga mijn uurtje doen. Tot dadelijk.” “Veel plezier.” Johan blies zijn zwemboei op, zette zijn oranje badmuts op en deed zijn zwembrilletje om. De zon verblindde inderdaad. Walter was al weer heen aan het zwemmen. Het water was warm en helder. Hij liet er zich voorover invallen en was vertrokken. Na een paar meter al zakte de bodem zo diep weg dat hij niet meer zichtbaar was. Hier was hij nog niet zo diep, maar iets verderop waar het water wat kouder was, wist je dat het meer op zijn diepst was. Er waren atleten die hier niet zwommen, bang voor de diepte, of die enkel dicht langs de kant bleven, waar ze de bodem konden zien. De eerste keren dat hij kwam zwemmen had hij er ook aan moeten wennen. Nu nog hield hij soms zijn ogen gesloten onder water, of liet hij zich afleiden door het ritme van zijn slagen of door het ritme van zijn eigen gedachten.   ***   Drie kwartier later stonden alle zwemmers, buiten Walter, aan de kant toen de brandweer arriveerde met hun duikersteam. “’t Zal wel een vis zijn ofzo,” had Walter gezegd, “en als het een lijk is, dan is er nu toch niks meer aan te doen.” En hij zwom voort. De rest was te zeer aangeslagen en stond dicht bij elkaar, de bovenstukken van hun wetsuits uitgetrokken. Het geluid van Walters zwemslagen in de verte. “Waar hadden jullie het lijk gezien?” “Voorbij de derde boei, aan de rechterkant.” “Dat is in het diepste van de put.” “Daar ja.” “Blijft die andere zwemmer gewoon zwemmen?” “Blijkbaar.” “Mmm.” “We zullen eens gaan kijken met de boot. Er is volgens de politie geen melding van een verdwijning in de buurt, of van één of ander verdacht voorval hier rond de put, maar we zullen eens gaan kijken. Als we hem nog vinden.” “Hij bewoog precies niet veel.” “Ja, maar een lijk dat nog niet lang in het water ligt dat zweeft en zinkt zowat in het water. Je kan er geen staat op maken. Het kan goed zijn dat hij weer naar de bodem gezakt is. Ben je zeker dat het een lijk is?” “We hebben het met z’n drieën gezien. Een magere man.” “Dan komt hij wel bovendrijven.” Johan verzweeg dat hij vond dat hij op hemzelf leek in zijn jonge jaren. Hij was ook lang, ruim een meter negentig, en had lange haren gehad vroeger. Het was alsof hij in een spiegel gekeken had naar zichzelf dertig jaar geleden en de angst was hem om het hart geslagen. “Zo mager was hij nu ook weer niet, vind ik,” zei Peter. “Maakt niet uit, maakt niet uit,” zei de brandweerman. “We gaan de boot in het water laten en eens een kijkje nemen.” Alsof het afgesproken was, wandelde de vijf zwemmers naar het bosje vijftig meter terug waar Steven zijn strandstoeltje had neergezet. Vandaar had hij hen in de gaten gehouden en door zijn verrekijker had hij gezien hoe drie zwemmers plots stopten met zwemmen daar achteraan en druk gebaarden. Vandaar zwommen ze rechtstreeks naar de kant en kwamen te voet terug langs de oever. Hij wist dat er iets niet in de haak was en hield de drie overige zwemmers tegen toen ze hier vooraan bij hem passeerden. Walter was not amused, maar had toch gewacht tot de drie hun verhaal gedaan hadden alvorens opnieuw het meer in te duiken. Anders geraakte hij nooit aan zijn kilometers, zei hij. Geen van hen stuurde een berichtje naar het thuisfront. Ze belden. Johan had zijn gsm niet bij en mocht die van Peter gebruiken. “Kom maar eerst naar huis om kleren aan te doen,” zei Tine, “anders vat je nog kou.” “Het lukt wel, ik heb een trui en een handdoek bij.” “Hoe gaat het met je?” “Onder de indruk.” “Dat zal wel. Doe straks het verhaal maar dan. Ik hou van jou.” “Heel veel.” Anderhalf uur later stopte het duikersteam van de brandweer met zoeken. Ze hadden de boordlichten van hun boot ontstoken en de lichtvlek kwam snel dichterbij. “We zien niet genoeg meer. Het wordt te donker. We gaan morgen en overmorgen moeten terugkomen. Het lijk zal wel komen bovendrijven. Het is ook zo’n groot meer, en zo diep, we kunnen blijven zoeken.” Iedereen had aan de kant gewacht. Ook Walter. Hij had zijn zeven kilometer gezwommen, en zag er bleekjes uit. “Suikers tekort, voel ik,” zei hij. “Ik heb ook dik twee uur in het water gelegen, dan is dat normaal, zeker.” En hij stak wat koeken binnen. “Nog iemand?” “Nu zijn jullie voor niks opgekomen,” zei Steven. “Nee, nee, daarvoor zijn we er. En we hebben sowieso weer wat oefening gehad. Daar moet je niet mee inzitten. Het is goed dat je gebeld hebt. En ik heb het al gezegd, normaal komt een lijk na een dag of twee bovendrijven, dus dan vinden we hem wel. Maar we gaan inpakken en naar huis nu. Het wordt laat en nu gaan we hem toch niet meer vinden.”   ***   Johan vertelde thuis alles wat hij gezien en beleefd had. Ook dat hij zo geschrokken was, omdat het lichaam dat in het water lag, zo hard op zijn jonge zelf had geleken. Groot, mager, lange bruine haren. Tine legde haar hand op zijn borstkas terwijl hij het vertelde naast haar in bed en suste hem later die nacht toen hij in paniek wakker schoot. De zwemmers die het lichaam gezien hadden, vertelden thuis allemaal hetzelfde en hadden allemaal moeilijke nachten.  Er werd geen lijk gevonden in de dagen daarop. “Dat kan,” zei Raf van het duikersteam. “Dat gebeurt soms dat een lijk niet komt bovendrijven, zeker als er om een of andere reden een gat in het hoofd of het lichaam zit waardoor de gassen zich niet gaan ophopen en ja, een lichaam is op zich altijd zwaarder dan water, dus dan blijft hij op de bodem. Het kan dus, ja het kan.” De week erop stond Johan er opnieuw. Hij wilde zich niet laten doen door het beeld dat hem ongevraagd en onberekenbaar voor de geest kwam op de meest onmogelijke momenten. Het zou wel slijten, dacht hij. De andere zwemmers dachten er ook zo over, alleen bij Peter zou het een paar weken duren voor hij het weer aandurfde.  En wat ze gezien hadden, liet zich niet zomaar doen. Keer op keer op ongeveer dezelfde plaats zagen ze het lichaam onder zich in het water. De ogen sluiten hielp niet. Het werd voor de drie zwemmers een spookbeeld dat hen met lege oogkassen en teruggetrokken lippen aankeek vanuit de diepte, hen zelfs leek te wenken, te lachen, alsof hij wou zeggen: “Kom, kom, kom naar deze weldadige diepte.” En dat wenken, was nog het akeligst van allemaal, de angst sloeg hen telkens genadeloos om het hart. Toch bleven ze minstens één keer per week trouw opdagen om te komen zwemmen en leek het erop dat ze vertrouwd geraakten met de angst en de gedachte dat die jonge man eenmaal dood gezien, altijd dood gezien zou worden.

Hans Van Ham
21 1

DVW-A500

Toen we bij de televisie nog met tapes werkten, werd elke zomer een student ingehuurd om banden te wissen zodat we deze opnieuw konden gebruiken. Ik was in die tijd niet veel ouder dan de vakantiehulpjes en sloot dan ook snel vriendschap met deze eenzame stakkers die een hele zomer lang in een donkere cel zaten, de ene na de andere tape in de machine schuivend. ‘Zorg ervoor dat de band altijd contact maakt met de magnetische kop,’ was het voornaamste advies dat ik aan deze jonge collega’s gaf. Verder viel er niet veel uit te leggen. De tapes moesten volledig langs de magneet glijden, dus het wissen duurde even lang als de band. Zelf werkte ik toen als monteur van trailers even verderop in het omroepgebouw. Ik maakte filmpjes van 30 seconden waarin ik alle hoogtepunten van de komende tv-programma’s stak. Soms was het zoeken om die halve minuut te vullen. Maar ik amuseerde me wel, er waren leuke collega’s en ‘s middags namen we lange pauzes. Alleen de jongen uit de donkere cel kwam nooit mee, hoezeer ik ook aandrong (niet overdreven hard, moet ik toegeven). Hij had van de baas een hoeveelheid te wissen tapes per dag gekregen en om dit te halen moest hij permanent in contact met de allesverterende magneet blijven. Hij zag die zomer amper zonlicht en werd wegens zijn ongebruinde huid op den duur “de witte wisser” genoemd. Zijn echte naam vergaten we al voordat zijn contract afliep. Op een van zijn eerste dagen klopte de wisser aan bij mijn montagecel.  ‘Ik weet niet of ik bij u moet zijn,’ zei hij terwijl hij in de deuropening aarzelde, ‘maar ik zoek een scherm.’ ‘Waar heb je dat voor nodig?’ Ik had niet veel zin om op te staan – het was een kwartier voor de middagpauze. ‘Ik zou graag zien wat er op de tapes staat,’ zei hij stil. Hij keek naar zijn schoenen. ‘Ik weet niet of dat mogelijk is, maar ik zal de Zebra vragen of hij eens komt kijken.’ ‘Dankuwel…’ De woorden bleven langer in mijn cel hangen dan degene die ze had uitgesproken. Tijdens de middagpauze vroeg ik het aan de Zebra, een oudere collega die altijd afgewassen streepjes-T-shirts droeg. Het was een technicus van de oude stempel die nog elk apparaat kon openen en herstellen met de schroevendraaiers die aan zijn riem hingen. Hij leefde voor dit soort klusjes. Later die dag stak de Zebra zijn hoofd bij mij binnen met een brede glimlach tussen zijn grijze baard. ‘Ik heb de wisser in gang gezet! Hij kan nu elk beeld zien een halve seconde voor het voorgoed gewist wordt. Ik heb de leeskop in de tape-machine een beetje naar voren getrokken en daarop de output naar de monitor geschakeld. Je moet mij die DVW-A500 niet leren kennen…’ Hij ging nog even door over types kabels en de geschiedenis van de videotape maar ik was toen al niet meer aan het luisteren. Kort daarna begon mijn vakantie en toen ik terugkwam was de bleke jongen samen met de tapes gewist. Het maakte allemaal niet veel uit. Een tijd later leerde ik Sonja kennen en zocht ik een baan dichter bij haar. Mijn tv-jaren waren voorbij.   Vandaag bezocht ik met mijn zoontje de dierentuin. Het is het enige weekend van de maand dat hij bij mij is (Sonja’s moeder is advocaat). We bekeken de rode panda’s, de sneeuwtijger en andere spectaculaire dieren en haastten ons toen naar de uitgang. De kleine moest op tijd thuis zijn of Sonja zou woedend zijn. ‘Kijk, papa!’ riep het kind terwijl ik naar mijn horloge keek. ‘Paarden met strepen!’ Ik keek al lopend opzij en zag inderdaad de zebra’s maar mijn blik bleef hangen aan de verzorger die hun uitwerpselen bijeenveegde. Ik kende dat gezicht: het was de witte wisser. Ik stopte zo bruusk dat mijn zoontje tegen me aanbotste. De jongen, die nu geen jongen meer was en door het buitenwerk ook niet meer wit, had me ook herkend en liet de zebrastront even voor wat hij was.  ‘Wacht, ik kom,’ riep de nu gebruinde wisser en verliet het dierenverblijf via de beveiligde sluis. Ik kon niet veel anders doen dan wachten.  ‘Ken jij de meneer van de zoo, papa?’ vroeg mijn zoontje. Ik zag dat hij onder de indruk was. Dat, en het feit dat we nu sowieso te laat bij Sonja zouden zijn, maakte mijn dag goed. De witte wisser kwam tevoorschijn tussen het voortschuifelende publiek, veegde zijn rechterhand af aan zijn overall en stak die naar me uit. Ik schudde de nauwelijks propere hand. ‘Jij… hier… in de zoo,’ zei ik. Ik deed geen moeite om me zijn naam te herinneren. ‘Ja, gek hè? En jij, nog altijd bij de tv?’ ‘Nee, dat is lang voorbij.’ Onwillekeurig aaide ik het haar van mijn zoontje. De witte wisser keek even rond, als om te zien of niemand meeluisterde. ‘Heb je even tijd?’ vroeg hij. Ik dacht aan Sonja en zei ‘ja’. ‘Zijn er ooit problemen geweest met die tapes, je weet nog wel, die ik toen moest wissen?’ ‘Problemen? Hoe dan? Ben je toen ontslagen of zo?’ Ik rekende uit wanneer het ook weer was dat hij in contact stond met de magneetkop. Het was twee jaar voor ik stopte, dat was dus de zomer van ‘13. Een tijd van onschuld en geluk. ‘Ik heb toen een, hoe zal ik het zeggen, een rare ervaring gehad met die tapes.’ Ik besefte nu dat ik in ‘13 nooit veel met hem had gepraat. Wat wist ik eigenlijk van die kerel? Was het zo’n complotdenker? Straks kreeg ik nog een preek over de corona-vaccins. Ik keek opvallend naar mijn horloge. ‘Weet je, ik moet toch voort. Deze jongen moet op tijd naar bed.’ Ik wees naar mijn zoontje. De wisser scheen het niet te horen en ging door met zijn verhaal. ‘Ik had toen die monitor waarop ik de beelden kon zien voor ze vernietigd werden. Dat had die oude grijze met zijn streepjes-T-shirts geregeld. Ik wilde dat echt graag. Het was zo triest voor die tapes dat niemand ze een laatste blik gaf.’ ‘’t Waren toch maar tapes?’ ‘Ik bedoel de mensen die erop stonden. Het waren oude opnames van die bekende quiz uit de jaren negentig…’ Hij verwachtte dat ik de naam van het programma noemde, maar zoals veel mensen die bij de tv werkten, keek ik zelden naar dat onding. Ik liet de stilte vallen tot hij ze weer opraapte. ‘In het publiek in de studio zaten allemaal oude mensen, ze waren misschien al dood toen ik hen wiste,’ zei hij. ‘Tja,’ zei ik, ‘zo gaat dat.’ ‘Papa, ik moet naar de wc,’ zei mijn zoontje. ‘Ik vrees dat wij verder moeten, man.’ ‘Nee, kom maar mee. De personeelstoiletten zijn veel properder en weet je’ – hij richtte zich nu tot mijn zoontje – ‘dan kan je ook de baby-zebra’s zien.’ Hij gaf een knipoog. ‘Mag het, papa?’ ‘Oké dan.’ De witte wisser nam ons mee achter de schermen van de zoo, waar een penetrante dierengeur hing. Hij toonde de weg naar het toilet en mijn zoontje holde erheen. ‘Misschien beter dat hij dit niet hoort,’ zei hij nu met een ernstig gezicht. ‘Het waren niet alleen bejaarden die ik wiste. Koffie?’ Voor ik kon antwoorden, zette hij twee kartonnen bekertjes in een roestig koffieapparaat. ‘Hij is hier beter dan op de tv,’ zei hij. ‘Dat is niet moeilijk, dat spul was niet te zuipen,’ zei ik. We lachten, maar kort. ‘Op een dag zat tussen het publiek de buurman van mijn oma, een sympathieke oude vent die ik goed kende omdat ik zijn gras maaide.’ Dit verhaal ging nergens naartoe. Zodra het toiletbezoek voorbij was, zou ik vertrekken. Tot dan knikte ik en zei af en toe ‘hm-hm’. ‘Het voelde fout om Omer te wissen, maar ja, zoals jij zegt: het waren maar tapes. Maar toen ik ‘s avonds thuis kwam, hing mijn moeder met oma aan de telefoon. Omer had die middag een hartaanval gekregen. Onmiddellijk dood.’ Hij zweeg terwijl hij me aankeek. De wc werd doorgespoeld. ‘Vanaf toen kwam ik elke dag vroeger naar het werk, soms als het nog donker was.’ Dat verklaarde veel. ‘Zo had ik tijd om de tapes te bekijken – fast forward, natuurlijk – voor ik ze wiste.’ ‘De presentator en de BV’s stonden er toch ook op, en die leven helaas nog altijd,’ zei ik. Afronden met een grapje. Waar bleef mijn zoontje? ‘Ja, natuurlijk, ik ben niet gek, hè,’ zei hij, ‘maar misschien versnelde het iets wat er al aan zat te komen?’ ‘Zoals bij die buurman?’ ‘Of zoals bij de Zebra,’ antwoordde hij razendsnel. De Zebra? Wat had die ermee te maken? En waar zat die kleine? Ik riep zijn naam, maar het enige antwoord waren dierengeluiden: gehinnik, gegrom. ‘Hij is naar de baby’s,’ antwoordde de witte wisser op mijn niet gestelde vraag en ging meteen verder: ‘De Zebra, ja. Een van de tapes was jullie personeelsfeest, de barbecue aan het begin van de zomer. De studenten waren niet uitgenodigd. Ik snap wel waarom die zo snel gewist moest worden. De Zebra die op tafel danste, jij met Ella van de boekhouding… Is zij de moeder?’ Hij draaide zijn hoofd in de richting van de dierengeluiden. ‘Oké, vriend, het was leuk om wat herinneringen op te halen, maar nu is het genoeg. Waar is mijn kind? Ik wil weg.’ ‘Geduld… nog koffie?’ ‘Nee.’ Ik gooide mijn verfrommelde bekertje naast de vuilnisbak om mijn punt te maken. ‘Toen ik de tape van jullie gore feestje wiste, weet je wat er toen gebeurde? Een van de grote lampen in de studio kwam los, en je raadt nooit wie er net onder liep?’ Hij moet de angst in mijn ogen gezien hebben, want hij grijnsde kort voor hij verder sprak. ‘De Zebra, natuurlijk, op slag dood. Maar toen was jij op vakantie met weer een andere griet.’ ‘Ik dacht dat die met pensioen was? Wat ben jij hier eigenlijk aan het vertellen? Ik ga mijn zoontje halen.’ Ik liep de gang in waarin het kind was verdwenen. ‘Voorzichtig,’ hoorde ik achter me, ‘je kunt niet zomaar elke deur opentrekken. Hier zitten niet alleen zebra’s.’ Ik draaide me met een ruk om. ‘Stop met die flauwekul, gast! Geef mijn kind en laat me gaan!’ ‘Toen vijf jaar geleden de inboedel van de omroep werd geveild, ben ik teruggegaan. Ik herkende de tape-machine meteen. De sticker met het zenderlogo die half afgescheurd was, de slordig gesoldeerde kabel, ja dat was mijn bakje. Ik heb het gekocht voor 99 euro.’ Hij opende de metalen kast naast het koffieapparaat. Daar stond de DVW-A500. De lichtjes op het toestel brandden, een zacht gezoem sidderde door de kast. ‘Ik heb de beveiligingscamera’s erop aangesloten,’ zei hij en wees naar een plastic koepel die boven de deur hing waardoor ik was binnengekomen. ‘Jij en je kind staan erop.’ ‘Godverdomme, vent, waar ben jij mee bezig?’ Ik greep hem bij de kraag van zijn stinkende overall. ‘De machine loopt,’ zei hij, ‘alles wordt gewist.’ Ik duwde hem opzij, trok een van de deuren open en riep de naam van mijn zoontje. Het was een bezemhok. ‘Ella was mijn zus, weet je.’ De tweede deur was de verlaten wc. ‘Ze was zwanger. Van jou, op de barbecue.’ Uit de derde deur kwam een vreselijke geur van dieren en stront. Het was er donker, ik zocht naar de schakelaar. ‘Ze ontdekte het tijdens je vakantie en is toen op de zendmast van de omroep geklommen.’ Het licht ging aan: een miezerig peertje verlichtte de kamer, of was het een kooi? Ik liep in een plas, geel, stinkend. ‘Mijn eigen schuld, zeker?’ klonk de witte wisser uit de verte. ‘Ik had haar ook gewist op de tape van het feestje.’ Dieper in de kooi, waar het licht niet kon komen, klonk een diepe grom samen met een klaaglijk janken. ‘En nu jullie twee… ik ben benieuwd.’ Ik ging de duisternis in.  

R.F.G. Vandenhoeck
21 1

Het gevierde viertal

Zij kwamen uit de vier windstreken voor het festijn aan het begin van de herfst. Over stad en land weerklonken klaroenen en bazuinen en veelkleurige vaandels kronkelden boven de wallen als duivels in wijwater. Ridder Ferguut gaf zijn zwarte hengst de sporen om als eerste bij de valbrug af te stijgen. Met zijn uit duizenden herkenbare bariton liet hij zich bij de vorst aankondigen. Kort na hem verscheen vrouwe Agete, gehuld in een karmijnrode kaproen. Zonder haar stem te verheffen betrad zij de stad, de wachters aarzelden niet om deze vermaarde speelvrouw met haar onafscheidelijke schalmei door te laten.  Als derde meldde zich de nar Esmoreit met zijn stoet van dobbelaars, messenwerpers en vaganten. Esmoreit, gevreesd voor zijn spot die scherper was dan het kromzwaard van de Turk, zat achterstevoren op een ezel en riep met schelle stem: Waar is toch die stad? Ik hoor trompetten maar dit spookachtige oord blijft onzichtbaar! Bij zoveel gein kletste zijn gevolg zich op de billen, hinnikend als drachtige merries. Later, toen de schemer zich als fluweel over de puntige daken van de stad voegde en de poortwachters hun laatste ronde deden, verrees in het westen, als silhouet voor de ondergaande zon, de vierde genodigde: de waarzegster Clementia. Gezeten op de bok van haar huifwagen, voortgetrokken door twee gemarmerde schimmels, richtte zij haar vorsende blik op de stad die reeds in de klauwen van de nacht lag. Zij wist wat haar te wachten stond, en dat er geen ontkomen aan was. De stad vrat, de stad zoop, de stad zwelgde – de ganse nacht tot aan het ochtendgloren. Zwijnen gevuld met zwanen, zwanen gevuld met forellen, forellen gevuld met kwartels, het kon niet op, neemt bij, er is genoeg voor eenieder, verordende de heer. Ferguuts stem werd zwakker door het gagelbier; Agete kon haar schalmei niet langer bespelen door het spijsvet in haar keel; Esmoreits gelach was overgegaan in geboer dat de bellen op zijn kap deed rinkelen; slechts Clementia nam niet deel aan de schranspartij, zij dronk een kruidenbrouwsel van foelie en kardemom en wachtte op het onvermijdelijke. De dageraad diende zich aan door kieren in luiken en deuren, en de vorst overzag het gelag. Nu kon het echte feest beginnen! Met één gebaar – zijn linkerhand flikkerde kort in de gloed van de fakkels – zette hij zijn getrouwen in beweging. Drie vadsige onwetenden en één heldere alwetende werden de banketzaal uitgesleept. Op het voorplein gleed de eerste zonnestraal over het versgeslepen blad van de bijl. De beul stond paraat op het schavot, uit de gaten in zijn kap glommen gele ogen en gele tanden. Zoals vorig jaar? vroeg de wreedaard. Nee, zei de heer, vierendelen!

R.F.G. Vandenhoeck
29 1

Aan de Paus

De paus bezoekt ons land. Bij die gedachte is er slechts één term  die me blijvend op de lippen brandt: Schuldig verzuim. Schuldig verzuim. Het is úw schuld, dat u de schuld van de daders bij de slachtoffers heeft gelaten. U heeft nagelaten, in eigen rangen schoon schip te maken. U verzuimt uw verantwoordelijkheid om niet een beetje, maar net met passie en met liefde voor het leven het voor àlle Leven op te nemen Het ligt in uw macht om bergen van normen en waarden te beïnvloeden. Maar u kijkt wereldvreemd toe,  als een incapabele herder; zie hoe uw zogenaamde schaapjes bloeden.  Verstikt door morele regels waar Jezus Hemzelf  gegarandeerd tegen zou rebelleren. Hij zou uw Vaticaan grondig  binnenste buiten keren. Maar goed ik ben geen Jezus fanaat het is deze tijd waar het mij om gaat.  De vrouwen die niet vrij mogen beschikken over hun lichamen  en door schuld en religie gedwongen worden om ongewenst te dragen en te baren. De mensen die niet vrij mogen vrijen, hun liefde niet open mogen beleven en als ze niet voldoen aan uw vereiste vorm  al evenmin een functie in uw Kerk mogen bekleden. Uw Kerk is er één van uitsluiting en onderdrukking, inconsequent en totaal in strijd met de oorspronkelijke bedoeling. Want ja het woord van uw God is mij bekend, het is me in mijn jonge hersentjes wekelijks ingeprent. En ik kan enkel zeggen: de essentie is een bron van waarheid en wijsheid,  dat valt niet te weerleggen, alleen zijn we zoals gewoonlijk  de weg volledig kwijt. Misleid door de machtsgreep van seksueel gefrustreerde oude mannen met een obsessie  om andermans leven in te plannen. Het slechtste idee ooit was om het lichaam te verzaken. Onderdrukken van seksualiteit is goed om mentale kortsluiting te veroorzaken, met alle gevolgen van dien, de pedofiele schade is niet te overzien.  Dus dump dat celibaat en eveneens de adoratie van de Maagd.  Val op uw knieën voor Shakti, voor Kali, voor de godin in elke Vrouw en beken de schuld van de Kerk, aan de onderdrukking, de muilkorving van onze eigen natuur. Het is hoog tijd voor berouw. Ja, maak de brandstapel klaar, de Erfzonde moet eraan, verbrand, verkoold, met huid en haar. Wij zijn gelijk geboren, er is niets mooier dan elkaar te bekoren, ons schaamteloos te verliezen in lichamelijke liefde. Die boom van goed en kwaad is een verzinsel, waarmee uw instituut aan de macht is gekomen, echter we waren al in het paradijs en jullie hebben het ons ontnomen. Maar het verhaal is gedaan, Naakt is het nieuwe gekleed; Kijk ik ben al met meerdere heidense mannen in de bosjes beland en zoals u ziet ben ik nog steeds niet door het hellevuur verbrand. Het wordt tijd dat u beseft: God is Natuur, Creatie, Evolutie, uw stenen tafels zijn al lang vergaan door erosie. Uw instituut heeft de grootste zonde tegen het Leven begaan: de Creatie vergiftigd met schuld en geschaam, ons beperkt in ons recht om vrij te bestaan, en dat allemaal in de Naam van. In de naam van de Moeder, de Dochter en de Planeet, in de naam van elke man, vrouw, kind, mens, die door uw instituut schade leed: U dient te gaan, u bent niet waardig te spreken in onze naam.  

Beatrijs Deneckere
44 0
Tip

Schaakmat

Ik ben wit, dus ik begin. Pion e4 en paard c3. De rest zien we later. Na een paar zetten, agressie aan de overkant. Dit kan ik tegen hem gebruiken. Speelt hij nu toren a2? Loper naar c4 krijgen. Dit verloopt veel te makkelijk. Ik ga winnen. Nog even m'n paard naar het centrum brengen en... Wacht? Mijn tegenstander heeft ook een réchterflank. Daarnet was dit deel van het veld nog onbelicht. Deal with it! Even op wandel met de koning dan maar. Niet met de loper aanvallen tegenstander, of ik hang, niet met... Hij ziet het niet. Weer mijn beurt om aan te vallen. Ik moet winnen, zo hoort het.  “Zet je hem nog schaakmat?” De blik van de toeschouwer maakt me ongemakkelijk. “Dit duurt inderdaad te lang”, laat ik me opdringen. Het bord verdwijnt. Ik zie stukken maar geen enkele zet meer. Daarnet zat ik nog op een middeleeuws slagveld, nu weer in de leefruimte. Waarom ben ik zenuwachtig? Angst om te winnen, of simpelweg om iets af te maken? Ik stamel en stotter nog wat met koningin en toren. De toeschouwer wordt echt ongeduldig nu: “Zet hem gewoon schaakmat!” Ik leg hem uit dat ik ‘het’ niet meer voel. “Dit is waarom ik ook niet graag plaatjes op feestjes draai”, zeg ik. “Ik vind mezelf wel een goede dj, maar word nerveus van publiek. Daarom zit ik hier.”  “Je hoeft niet elke zet voor je te zien”, bemoedigt de toeschouwer. Ik antwoord dat ik bang word als ik de volgende zet niet zie. “Bang om dood te gaan”, voeg ik er onnodig aan toe. Wat ik bedoel is dat ik momenteel niet verder kan omdat mijn hoofd wil weten hoe ik... doodga?  “Als je wil kan ik ervoor zorgen dat je weet hoe je doodgaat, ik kan het je zelfs laten zien”, knipoogt de toeschouwer. Ik besef plots weer waar ik me bevind. Hij zal toch niet... Ik weet dat hij een veel te donkere grap maakt, maar voel toch de drang om hem te overtuigen. Dat ik niet de dood op zich bedoel, maar de weg ernaartoe, leven dus. En dat hij me niet zal helpen door de weg korter te maken. Ja, je bent ergens onderweg gestopt met plannen maken en ja, door de dingen uit te stellen voelt het nu alsof je alleen maar kan aanmodderen, maar jij bent niet je vader. Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Het bloed dat door je moeder stroomt is niet dat van haar broer noch dat van haar zus. Ze deelden gewoon dezelfde ouders. En het bloed dat door jou stroomt is jouw bloed. Ook al heb je het van iemand anders gekregen.

Mr Jones
192 6

De laatste puzzel van Célestin

Een paar kilometer verder wees hij naar een verlaten boerderij. De tijd vrat stukjes uit de witgekalkte muren. “Wie woont hier?,” vroeg ik. “Célestin,” zei Nino, “maar die is er al twee jaar niet meer. We mogen zijn huis gebruiken.” Ik vroeg niet wie daar toelating voor had gegeven. Nino kende hier alles, iedereen was hem goed gezind. We gaven onze fiets een plaats op het erf. De regenput met de rode smeedijzeren hendel was overwoekerd door onkruid. Een kat twijfelde tussen argwaan en nieuwsgierigheid toen ze ons zag. Ik boog voorover en liet haar mijn hand ruiken, waarop ze spaarzaam snoof en terugdeinsde. De kasseien op het erf lagen oneffen. Nino en ik trippelden steen per steen naar de deur. Hij hief ze hoog in de hengsels en zette er heel zijn gewicht tegen, tot ze bruusk en onder luid gekraak open schoof.   “Mevrouw, u eerst,” sprak Nino. Hij legde zijn hand op mijn schouder. Even vreesde ik dat we op een bende drugsverslaafden zouden botsen. Ik overwoog om terug te gaan, maar mijn liefde voor Nino, die door geen enkele tegenslag gefilterd was, overtuigde me. In de smalle gang van het huis hingen een paar jassen aan de kapstok. De bewoner moest plots vertrokken zijn, want zijn hele inboedel stond er nog. Porseleinen herders speelden fluit voor geitjes en gele vogeltjes, houtblokken lagen klaar naast de haard. “Célestin stierf een paar jaar geleden,” zei Nino. Ik vroeg niet of Célestin dan geen kinderen had. Naast de haard lag een stapel puzzels: Zwitserse bergen, een woestijnlandschap met een karavaan kamelen, de Taj Mahal. Célestin puzzelde de wereld bij elkaar in zijn boerderij. Ik bladerde even door een schriftje dat op een bureau lag. Het stond vol berekeningen en dagtaken van een mens die er niet meer was. De eettafel was proper, alsof Célestin deze ochtend de kruimels had weggeveegd met zijn hand. “Heb je gepoetst?,” vroeg ik Nino. “Ik kan je toch niet ontvangen in een vuil kot.” “Dan bracht je water mee?” “Er is een regenton,” zei Nino bescheiden. Ik omhelsde hem.   “Kom,” zei ik, terwijl ik hem naar de zetel leidde. We haakten in elkaar als puzzelstukjes, ergens in de benedenhoek van een groot tafereel, waar niemand acht op ons sloeg. Nino masseerde me onder mijn truitje. Hij rolde het steeds een paar centimeter verder omhoog. “Wat ben je leep,” lachte ik. Ik speelde met mijn vingers langs de rand van zijn broek, dook de diepte in met mijn hand. Ik kneep in zijn bil, hij lachte en beet als weerwraak in mijn nek, net hard genoeg om de spanning door mijn hele wezen te jagen. Hij opende mijn bh met de elegantie van een juwelier die iemand een halsketting afneemt, aanschouwde vol ontzag mijn borsten en kuste ze voorzichtig. Onstopbaar als de berg puin die zijn vader vermorzelde, dreef mijn gevoel me naar Nino. Ik trok zijn T-shirt over zijn hoofd en gooide het in een schommelstoel. Onze slipjes belandden naast elkaar op de grond. Ik schrok van zijn waggelende lid dat de steun van zijn slip miste en nam het haast automatisch in mijn hand. Hij sloot zijn ogen en snoof gelukzalig.  Het roze topje van zijn eikel leek erg teer, maar daaronder was zijn lid onbuigbaar hard, alsof het helemaal niet bij Nino hoorde. Nino voelde mijn bezorgdheid en omhelsde me. Zijn on-Nino-achtige penis duwde tegen mijn buik. Vastberaden legde ik mijn hand erop. Hier verlangden we al dagen naar. Nino streelde over mijn heuveltje tot bij mijn vagina, bracht een vinger naar binnen en woelde moeizaam rond. Ook ik was van een stugheid die ik niet van mezelf herkende.  Nino grabbelde met een hand in de broekzak van zijn broek die op de grond lag. Hij overhandigde me een glinsterend vierkantje. Door de verpakking voelde ik een ring die bewoog. Ik scheurde het papiertje open. De geur van rubber drong in mijn neus en de vloeistof plakte aan mijn vingers. Waarom rook seks naar een benzinestation? Het condoom had een doorzichtige tepel als van een mini melkfles. Het ding riep op wat het voorkomen ging. Ik zette het op Nino’s penis, een woord dat me veel te biologisch klonk, net als vagina. Nino schrok even, maar ontspande toen ik het randje naar beneden rolde. Het geheel leek op een strak verpakte worst. Ik zat op mijn knieën in de zetel. “Ca va?,” vroeg Nino. “Ja, ik moet even wennen, da’s alles.” “Zie je het nog zitten?,” vroeg hij. “Ja, ja, tuurlijk.” Ik kuste hem, op zoek naar de spanning die we al dagen opgestapeld hadden, en loodste hem bij me binnen, langs mijn schaamlippen die hem steeds leken uit te spuwen, als een humeurige peuter die een stuk brood op zijn lippen balanceert tot het op de grond valt. Wie die schaamlippen zo genoemd heeft, verbloemt de realiteit ten minste niet. Nino kuste mijn rode kop. Ik strekte me, trok hem naar me toe. “Kom,” zei ik vastberaden. “T’es sûre?” “très sûre.” “Ben je zeker?” “Heel zeker.” Het ontroerde me dat hij het als een veiligheidsagent in twee talen vroeg. Hij duwde zijn harde lid een paar centimeter diep. De pijnscheut was gloeiend heet en deed mijn hoofd bonzen. Ik gaf een gil, ademde trillend mijn longen vol. Nino troonde boven me uit. “Gaat het?” “Jaja, ga verder!,” beval ik hem. Een lans boorde zich dieper in mijn buik en liet mijn benen trillen. “Nog een keer,” zei ik onverbiddelijk. Nino sloot zijn ogen en duwde tot hij bruusk toegang kreeg, net zoals hij een half uur geleden de deur van het huis had weten open te breken. Het deed veel pijn, en toen werd het draaglijker. Nino paste bijna helemaal in me. Ik had hem in mijn greep als een wurgslang. “Ontspan een beetje,” fluisterde hij.  ”Ik ben ontspannen!,” zei ik, maar een deel van me was een strakke elastiek uit goedkope kledij. Nino kwam en ging voorzichtig in me, terwijl hij tegen me sprak. ‘Tu me le dis si tu veux arrêter.” Ik wou dit, genoot er zelfs af en toe van, maar dan gaf de pijn me weer een venijnige steek, als om me tot de orde te roepen. Nino wreef zijn wang langs mijn borsten en streelde mijn dij. Hij kreunde ingehouden. “Ik kan niet meer stoppen,” zei hij.  “Stop dan niet.” Hij versnelde en ik zette me schrap omdat ik het hem gunde. Hij haastte zich voor me. Met open mond en gesloten ogen fronste hij van de intensiteit, van alle inspanning die nodig was om te genieten, tot hij schokkend tot stilstand kwam. Hij steunde op zijn armen, krulde zijn borstkas naar boven alsof hij naar het wateroppervlak zwom. Ik legde mijn handen om zijn tepels en stuwde hem mee de hoogte in. Wat was hij prachtig. Toen zeeg hij neer en hijgde in mijn oor. Ik streelde over zijn rug,  voelde iets warms in me dat niet door het rubber van het kapootje kwam. Langzaamaan werd zijn lid zachter en kleiner in me, tot hij helemaal aan mijn greep ontsnapte. “Merci”, fluisterde hij. “En jij dan?” Ik draaide me om, legde zijn hand op mijn venusheuvel en mijn hand op de zijne. Ik wreef zijn hand over mijn kutje zoals ik het thuis soms alleen deed. Hij drukte zijn borst tegen mijn rug en kuste mijn hoofd. Het ging trager dan wanneer ik het alleen deed, en ik vond het wat gênant dat het zo lang duurde. Maar eenmaal ik de juiste frequentie had gevonden, kreeg ik een bekend, tintelend gevoel. Ik stuurde Nino’s hand en ging door tot ik schreeuwde. Hier moest ik niet stil zijn voor mijn ouders. Nino’s warmte bande alle stugheid uit mijn lijf. In een roes bleven Nino en ik liggen op die blauwe sofa. We zoenden elkaars tintelende lijf. We zochten minimensjes in het condoom vol witte mist. We zweerden voor altijd bij elkaar te blijven. Nadat we die evidentie hadden uitgesproken, raapten we onze kleren op en trokken ze over elkaars hoofd. Net voor we weg gingen, nam hij een houten kistje van het rek. Toen hij het opende, zag ik dat er juwelen in lagen. Hij koos er een ketting uit waar een gouden vogeltje aan bengelde. “Parce que tu me donnes des ailes,” zei hij terwijl hij me de ketting omdeed.  ”Is die niet van iemand?” vroeg ik Nino schudde zijn hoofd.  ”Als jij het niet draagt, blijft die vogel voor altijd in dat kistje.”  “Ok dan.” Ik kuste hem vol op de lippen, “merci”. Hij drukte me tegen zich aan. Ik wou nergens anders aan denken dan aan hem. “Allons-y,” zei hij kordaat. We namen onze fietsen die tegen de muur leunden alsof ze ons hadden afgeluisterd. Onder het fietsen pikte het gouden vogeltje in mijn huid.

Pons
9 0

Allemaal figuren

Cirkels met een begin, maar zonder einde.  Draaien allen tezamen in mijn hoofd.  Als kronkelende monsters boven en beneden.  Ik wil ze sluiten, maar het lukt mij niet.  Ze draaien links, rechts, boven en beneden.  Grijze hoefijzers voor elke prikkel.  Elk geluid en achtergrondgeluid.  Elke stem ver en dichtbij, elke vorm, detail, tekst en kleur.  Komen samen als klank- en lichtspel.  Ik krijg geen cirkel gesloten.  Het blijven kronkelende wormen, grijze hoefijzers die in elkaar verstrengelen.  Laat mij even alleen. Ik moet ze ver weg gaan jagen.  Ze moeten weg. Ze zijn mij te veel.  Elke streling, elk geluid, elke vraag is mij te veel.  Een beetje boosheid nooit geleerd.  Als ik ontplof is alles woede.  Het is niet jou fout. Ik moet mij wapenen tegen al die kronkels, cirkels zonder einde in mijn hoofd.  Het maakt mij zo ontzettend moe. Het kost mij zo verschrikkelijk veel tijd.  Beter alleen de stille strijd. Dan nu een nieuwe lading vragen, woorden, strelingen.  Ik ben in oorlog met de drukke buitenwereld. Laat mij nu even alleen.  Ik heb nood aan rust; geen extra prikkels.  Dan wordt het helemaal te veel. BOEM! Dan ontploft alles in één keer.  Geen boosheid, maar mijn eigen schild.  Ik wil mijn angsten niet tonen en kan dit niet.  Het is ofwel 'geen boosheid' of 'zeer grof geschut'. Ik zou niet weten wat er tussen beiden in bestaan kan.  Ik ben niet kwaad. Ik ben niet triest. Ik wil alleen weer baas zijn in mijn hoofd. Alle losse lijntjes weer eruit.  Ze zijn weer even weg. Ze komen terug. Een nieuwe dag, een nieuwe strijd.     Autisme Storm.  

Autisme Storm
13 0

thuis. a

HOME VERF ED ****************************************************************************************** foto GALLERY  https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ ************************************************************************************* foto VERF ED: HOME  https://www.2dehands.be/q/verf+ed+home+verf+ed/   ***********************************************************************************   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
0 0

De huidige profiteur. a

** * * * * * * * * * * * * * *$ $ $ $ $ $ $ $ $ $ $ $ $ *$ $ $ $ $ $ $ $ $ $ $ $  * $ $ $ $ $ $ $ $ $ $ $$  *$ $ $ $ $$ $ $ $ $ $ $$    De arme profiteur Wordt vervangen Door de rijke profiteur De onrechtvaardigheid De rijke heeft nog veel De arme niets.    ****************************************************************************************** foto GALLERY  https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ ************************************************************************************* foto VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+rooie+flikkers+amsterdam%3a+montaigue+de+quercy%2c+frankrijk/   ***********************************************************************************   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
10 0
Tip

Koers in ‘t dorp

We moesten sneller zijn. We moesten als gekken door de grauwe steeg rennen voordat het peloton draaide aan de oude maalderij. Bij de vorige ronde kwamen we te laat in de Maria Sterckxstraat en zagen we enkel nog de gelosten, de achterblijvers, de sukkels. Met die mannen wilden we niks te maken hebben. Deze keer moesten we rapper zijn. Jokke struikelde in de steeg maar Dafkes trok hem mee. Wij lieten niemand achter. Daar was het licht, aan het eind van de grauwe steeg, maar godverdomme, we zagen de eerste fietsen al. De titanium frames weerkaatsten de onzichtbare zon tot op de mossige keien van de steeg, recht in onze ogen. Godver… Omkeren! Onmiddellijk naar de Vlooikenslei, langs de koer van bakkerij Vleesbuyk. Dat moest toch lukken. De was hing uit op de koer. Tuur snokte hem opzij, een paar witte slipjes vielen op de vuile stenen. ‘Hé, moeten we dat niet oprapen?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ En we waren weer weg, op naar de Vlooikenslei. Zweet in de nek, kramp in de kuiten, maar ditmaal zouden we het halen. We zagen de vadsige ruggen en de roestige nadars, maar er was nog geen onrust. Enkel spanning. De renners moesten nog komen. We smeten ons tussen de ruggen en tegen de nadars en daar waren ze! Was het de afstand, het tegenlicht, onze eigen uitputting? Dat wisten we niet, maar het leek dat de kopgroep – die eerste zeven, acht met hun voeten in de trappers geklemd – in slow motion de bocht nam, als om ons te belonen voor onze inspanning. Toen werden ze de straat in gekatapulteerd en schoten sneller voorbij dan onze koppen en oogballen konden volgen. Maar hem zagen we wel, onze held, in voorlaatste positie: De Smyter. We riepen, brulden, tierden zijn naam naar zijn gekromde rug en lycra achterwerk. Ha, hij hield zich in, natuurlijk, spaarde zijn krachten voor de laatste ronde. Goed bezig, Smyterke! En nu? Binnendoor, langs de school naar de brug, dan konden we ze van boven zien. Ja! Goed idee! Van wie? Dafkes natuurlijk. Lopen, mannen! We klommen over de poort, een twee drie en voort, komaan! Shit, Jokke was weer gevallen. Alles oké, gast? Ja ja, wij gaven niet op, wij waren zoals De Smyter. In volle vaart over de speelplaats, alleen Tuur bleef even achter. Wat nu weer? Hij had een losse kei gevonden en gooide die door een ruit. ‘Stomme rotschool!’ Lachend, de bek helemaal opengesperd, sloot hij weer aan. ‘Was dat nu nodig?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ We waren bijna op tijd. De eerste drie zaten al onder de brug. Eerste drie? Ja, de rest was gelost, de volgende drie zagen we nu komen, en daarachter… ‘t was niet waar… Komaan, De Smyter! Laat u niet doen, Smyterke! Zijn lijf was gespannen als een boog, zijn neusvleugels stonden helemaal open. Hij had nog over, ja, maar mocht niet meer te lang wachten. En zag je dat? Wat? Rond zijn oren? Nee, wat? Hij begon grijs te worden. Daar moesten we even van bekomen. De Smyter grijs? Ja, en dan, bij sommige mannen begon dat vroeg. Andere werden snel kaal, hè, Jokke? Maar we verloren tijd, weg van die brug, of nee, de brug over, we moesten de spoorlijn volgen, dan waren we direct bij de maalderij. Was dat niet gevaarlijk? Gast! Als ‘t koers in ‘t dorp was, werd de spoorweg afgesloten, net zoals de andere wegen. Niemand kon erin of eruit op een dag als vandaag. ‘Zeker dat er geen trein rijdt?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ We renden tussen de spoorstaven, bij elke stap voelden we de stenen door de dunne zolen van onze schoenen. Ballast, zo heetten die stenen. Wie zei dat? Wie wou er de slimme uithangen? Geen zever nu, mannen, we moesten op tijd aan de maalderij zijn. Het was de laatste ronde! Auw! We keken om, maar dat was niet nodig, we hadden het kunnen weten. Jokke was achter een van de bielzen blijven hangen en lag nu met zijn smoel tussen de andere ballast. We keken voor ons: de maalderij. We konden het nog halen. Achter ons: Jokke, die recht krabbelde. Het lukt wel, jongens, niet wachten, denk aan De Smyter. Niks ervan, we pakten hem samen op en trokken ons weer op gang. Rond de maalderij hing, zoals altijd, een dikke stofwolk. Tussen de bakstenen torens zocht een duif haar weg door de bleekgele mist. De zon kwam er amper door, net genoeg om de witte finishlijn op te blinken. We waren op tijd! Vanop de spoorheuvel hadden we een perfect zicht. High five! We hoorden het peloton komen, we voelden het in onze lijven. Nee, dat was iets anders. Dat was… dat was… gezoem van de sporen, geknetter van de bovenleiding. We keken naar elkaar. Wie had gezegd dat er vandaag geen treinen reden?  De afrastering tussen het spoor en het talud was zeker twee meter hoog. Moest lukken! Bovenaan zat prikkeldraad. Zou ons niet tegenhouden! Maar hoe kregen we Jokke erover? Godver… En als we ons nu gewoon tegen de draad duwden, dan konden we de finish toch nog zien? We keken naar elkaar, naar de ballast, de sporen die al leken te bewegen. Nee, dat konden we niet maken. Jamaar, De Smyter, hij zou zometeen uit de mist komen. Hiervoor hadden we het toch gedaan? Jokke beefde. Was het pijn, angst of de trilling van de sporen? Zijn mond ging open maar hij zei niks. ‘t Was zijn schuld. ‘We moeten het spoor oversteken en langs de andere kant naar beneden,’ zei ik. ‘Kop toe, Makke!’

R.F.G. Vandenhoeck
118 2

Fêtes de Wallonie

En hop, we zijn weer terug van de Walen. Deze keer waren de Fêtes de Wallonie aan de beurt, in hoofdstad Namur. Naast een bevestiging van Namen als mijn favoriete Zuid-Belgische stad en een hernieuwde sympathie voor onze Waalse compatrioten, heb ik als enige souvenir dit mee: een lege, 2 kg verpakking van Fastgas. Naar het schijnt krijg je daar sinds kort statiegeld voor, al weet ik niet hoeveel. Ik zag de fles liggen toen ik doelloos de tijd verdreef aan Bruxelles Midi. Het was die zaterdag maar een lange overstap tussen mijn trein uit Gent en de vervolgtrein naar Namen. Eten kon ik niet doen, want dat had ik thuis nog maar net overdadig gefikst. Jammer eigenlijk, want aan de achterkant van het Zuidstation zitten een paar aantrekkelijke en zeer betaalbare eetgelegenheden. Het meest geïnteresseerd was ik in een keetje waar ze een Breakfast Buffet aanboden, elke dag tot twee uur ’s middags. Dat ontbijt kon evengoed als lunch dienen en viel nog net binnen het tijdsbestek, maar zoals gezegd, ik had niet genoeg honger om me aan een all-you-can-eat formule te wagen. In de plaats daarvan ging ik maar een straat verder en dronk wat pintjes in een Portugees café. Er waren best wat groezelige bars van verschillende nationaliteiten te vinden in het straatje en op de hoeken aan het kruispunt. Eén daarvan was heel inventief ‘Bar Corner’ genaamd. Andere vertegenwoordigers heetten ‘Real Madrid’, maar de poging om de glorie van de voetlbalploeg te doen afstralen op het inspiratieloze gokhol waren mislukt, ‘Café Douro’ en ‘Le Nkam’. Ik ging echter bij de grootste Portugees omdat de serveersters daar decolletés hadden die het dragen van kledij welhaast overbodig maakten en waar in bepaalde landen gevangenisstraf op staat. Het verklaarde alvast waarom het daar redelijk vol zat. Ik had drie kwartier te doden, maar teveel pinten ging ik nu ook niet hijsen, aangezien er nog vele zouden volgen op 't Waalse stadsfeest. Bij het buitengaan viel mijn oog opnieuw op de gasfles, zo een residu van het lachgas dat jongeren in deze barre tijden nodig hebben om ietwat tevreden te zijn met hun bestaan. Ik overwoog om ze mee te nemen voor het statiegeld, er was plek genoeg in mijn rugzak. Maar ja, dat onding drie dagen lang meesleuren op de Naamse Feesten, zoveel kon de compensatie niet waard zijn. Dat de Brusselaars maar zelf hun stad proper hielden! Ik trok opnieuw naar het station en bereikte na een enorme omweg via Leuven mijn hotel in Namen. Daar was het ultiem geestig, met als uitschieters zeker de absurde gezelligheid in Café du Centre en het zeer acceptabele La Colonne d’Or.   Op maandag keerde ik terug naar Brussel, deze keer zonder omleiding. Ik had me voorgenomen om de ontbijtformule nu wel een kans te geven en had speciaal een moordende honger meegebracht. Het zaakje, Time Off, was open maar blijkbaar verdomd populair. Het zat er stampvol, ’t was net zeven over twaalf en alleman die in de buurt werkte, kwam daar blijkbaar lunchen. Nou moest ik weer tijd doden, tot er een tafeltje vrij was. Ergens anders gaan eten was ook een optie, maar een beetje lullig als je speciaal voor die ene zaak bent gekomen. Ik sloeg opnieuw de straat in richting Portugees, en wat ligt er daar op mij te wachten? Jawel, drie dagen later en nog steeds had niemand die capsule lachgas opgeruimd. Het was overduidelijk een teken, weliswaar voor twee interpretaties vatbaar. Ofwel: neem mee, ’t is gratis geld en heeft hier heel het weekend op u liggen wachten, ofwel: niet aanraken, de reden dat niemand anders dit opruimt is omdat er meermaals op is gepist. Met twijfelen is nog nooit iets gewonnen, dus ik zette mijn rugzak neer, maakte hem open, sloeg de fles wat af tegen een boom en stak ‘m erin. Het ding bleek immens zwaar, duidelijk veel meer dan twee kilo. En toen ik wat verder wandelde kreeg ik bevestiging van optie twee. Mijn handen roken duidelijk naar urine, niet van een hond maar van minstens één mens. Wat had ik eigenlijk verwacht, in een straatje vol marginale cafés? Ik wandelde de eerste de beste koffiebar binnen en stak direct door naar het toilet in de kelder, waar ik mijn handen waste. Daarna een koffietje gedronken en dan terug naar de Time Off, waar een tafel vooraan bij het raam was vrijgekomen. Ik at niet teveel, maar had toch mijn plezier in het buffet. Mission accomplie! Omdat mijn trein er zat aan te komen, ging ik maar niet meer langs het toilet en repte me naar Station Zuid. In feite had ik beter in die koffiebar eens geplast, als ik dan toch helemaal de trap naar beneden had genomen om mijn handen te wassen. Het werd ietwat nijpend en toen bleek nog dat die trein vertraging had ook. Zou er in het station een vlot toegankelijk toilet zijn? Dat kon haast niet anders, met al die daklozen die er volgens het onheilsnieuws binnen en buiten rondhingen, waar zouden die hun gevoeg doen? Maar ik vond het niet en ging dan maar naar het perron. ’t Was gewoon een kwestie van niet stil te blijven staan. Daarom kuierde ik wat rond en viel mijn oog op een paar van die ouderwetse wachthokjes waarin reizigers konden schuilen tegen de wind. Ik liep er even binnen om de sfeer op te snuiven. ’t Was echter meer dan sfeer wat ik opsnoof en meteen had ik het antwoord op mijn vraag over de daklozen. De WC in die koffiebar rook minder naar urine dan dit treinhokje. Snel weg daar!  Ik nam de trein. Ik nam de tram. Ik zette de gasfles voorzichtig en met twee vingers in een hoek in mijn garage.   Tijd om dit ietwat ontspoorde verhaal terug op de juiste rails te zetten. Waalse Feesten heel tof! Voor al wie ooit overweegt erheen te gaan, niet twijfelen maar doen.

Pvw
5 1