Lezen

Machtssymboliek

Sommige beelden verdienen een degelijke analyse en vaker dan men het vermoedt, omringt een wezen zich met attributen die diepere aspiraties symboliseren. Zo staat de zandloper (ook bij piraten) symbool voor het in de macht hebben van de eindigheid van het leven. Dit object dient ter afschrikking en wordt met dit oogmerk bewust als eerste geplaatst. Een lege kandelaar betekent dan weer dat men meester is van de duisternis. Zit men temidden van twee lege kandelaars, dan wordt benadrukt dat men het obscure in balans probeert te houden. Een pot met kleurpotloden staat symbool voor het in de macht hebben van de regenboog, van de kindertijd. Twee gouden pennen, rechtopstaand, één links en één rechts, betekenen dat men de stabiliteit van overtuigingen beheerst, dat men een evenwichtige band heeft met hogere sferen. De ring wordt aan de middelvinger gedragen. Opnieuw evenwicht troef en ook de twee fabergé-eieren staan mooi in symmetrie. Ook hier weer één en al balans. Het leven en de heropstanding worden beheerst. Er is hierbij weloverwogen gekozen voor twee artefacten van Maison Fabergé uit Sint-Petersburg, met als doel een bezwering of provocatie. De betekenis van het pepermolentje, helemaal in het midden, is voorlopig nog onduidelijk. Het staat vermoedelijk in verband met die twee Russische eieren. Verdere studie zal hieraan gewijd worden.   bron : "Slavische symboliek in tijden van onrust", Ignace Somers, eindverhandeling aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, 1991.   uit de reeks 'Kleinood'

Bernd Vanderbilt
31 1
Tip

Dilemma

Ik bevind mij om 16.00 uur in de middag in een digitale bijeenkomst. Verschillende achtergronden vullen mijn beeldscherm. Ze geven stiekem een inkijkje in het leven van de deelnemende collegae. Zo runt Jantine naast haar baan bij het consultatiebureau een tasjeswinkel vanuit huis en heeft Bregje een dramatisch ogend systeemplafond. Lidewij heeft oog voor kunst en gaat daar met asymmetrisch kapsel en moeilijke bril pontificaal voor zitten. Organisator Esther geeft haar uitvoerige inleiding als zwevend hoofd in een vakantie achtergrond en verdwijnt daarbij gedeeltelijk uit beeld. Nadat Esther nogmaals de aanleiding waarvoor wij hier met zijn allen bijeen zijn uitvoerig uit de doeken heeft gedaan, volgt een lovende introductie en is vervolgens hoofdspreker Yvonne aan de beurt. Zij ontvangt glimmend de lof aan haar adres en geeft aan ons te zullen gaan inspireren vandaag. Laten we het in godsnaam hopen. Hierop begint zij doodleuk de do’s en don’ts op te sommen van het vergaderen in een online omgeving. Met een heuse uitleg over handjes opsteken, de chatfunctie en het gebruik van de mute-knop. En de verontschuldiging dat zij niet weet hoe ze haar scherm moet delen. Zucht echt. Na twee jaar pandemie zou je verwachten dat je de gebruiksaanwijzing van online applicaties achterwege laat en dat je ook een online bijeenkomst een beetje inspirerend weet te presenteren. Yvonnes moeizame start biedt daarop weinig hoop. Als je het bij elkaar optelt zijn er toch weer 25 mensen 5 minuten betaald om naar deze geestdodende introductie te luisteren. Geld wat vast beter besteed had kunnen worden. Maar Yvonne laat niets aan het toeval over en vraagt ons ook om onze telefoons allemaal UIT te zetten en ons geluid AAN als we praten. Nadat we ons handje eerst hebben opgestoken dan uiteraard. En van stagiaire Melanie de beurt hebben gekregen. We zijn een kwartier verder inmiddels. Vervolgens stelt stagiaire Melanie zich voor.. Nadat het lachsalvo over de losvliegende parkiet van de stagiaire is uitgedoofd neemt Yvonne weer het woord en nodigt ons allemaal van harte uit om vooral actief deel te nemen aan de bijeenkomst. Wel met handjes opsteken dus. Voor de zekerheid checkt Yvonne nog even bij Melanie of zij dan wel de te verwachten handjes in de gaten houdt zodat niemand wordt overgeslagen. De moed zakt me inmiddels diep in de schoenen. 16.15 uur. Stefan heeft een hondje dat op de achtergrond keft, waarop Lidewij zonder handje op te steken op scherpe toon vraagt of dat nu een hónd is die ze hoort?? Passief agressief geeft zij daarmee aan zich daaraan te ergeren zonder dat ook echt te zeggen. Mét effect want Stefan gaat direct voor de rest van de vergadering op zwart. Dan volgt een rondje begrippen. Of we weten wat “een probleem” is vraagt Yvonne. Ik kan me er zo zoetjesaan levendig iets bij voorstellen. “Wie wil daar iets over zeggen?” Niemand reageert. Yvonne gaat om 16.20 uur over tot aanwijzen. Waarop Hester vertelt wat zij verstaat onder een probleem, geïllustreerd door een praktijkvoorbeeld wat door Yvonne juichend wordt ontvangen. Dan krijgt Els de beurt die zich aansluit bij wat Hester vertelde en daar eigenlijk niets aan heeft toe te voegen maar daar dan toch nog wel veel woorden voor nodig heeft. Ook Stefan wordt gevraagd om zijn inbreng maar na 2 minuten wachten op reactie vanuit het zwarte blok wat Stefan heet besluit Yvonne dan toch door te gaan naar het volgende begrip: een dilemma. Weet iemand wat daarmee bedoeld wordt? Ik ervaar er zelf een, een groeiend dilemma. Want ik wil eigenlijk net als Stefan mijn scherm op zwart gooien en iets anders gaan doen. Maakt niet uit wat, als het maar niet deze tenenkrommende meeting hoef uit te zitten. Maar ik vind dat dan lullig. Omdat Yvonne heus zwoegend haar best doet, en Esther mijn collega is die de bijeenkomst heeft georganiseerd. Zit ik, sukkel die ik ben, dus uit loyaliteit (en braafheid, als ik eerlijk ben) anderhalf uur van mijn leven te verspillen die ik nooit meer terug krijg. Aan informatie die ik niet op ga slaan. Yvonne vraagt ons naar een door ons ervaren dilemma uit de praktijk. Ik heb het maar niet ingebracht.   eerder verschenen op https://www.werkgeluk.nl/dilemma/

Marleenvandecamp
92 5

De antwoordput

“Ik heb een vriend die in de put zit.” Zo zou je een gesprek kunnen beginnen wanneer je zelf iemand om raad wilt vragen. Of je hebt echt een kennis die in de penarie zit en die je wilt helpen. In elk geval: je zoekt iemand op die het beter weet dan jij en vertelt dan een verhaal over die kennis (of over jezelf). En degene die je hebt opgezocht komt met oplossingen, allemaal goedbedoeld, en meestal gepareerd met een “ja, maar”. Een situatie die de meesten wel zullen herkennen. Voor Johan zouden de zaken anders hebben gelegen. Om te beginnen wist Johan niet of hij wel vrienden had. Er waren vast wel mensen die het terloops over hem hadden als “mijn vriend Johan”, maar dan moest er eerst een onderwerp ter sprake komen dat Johan speciaal maakte. In een gesprek worden vrienden nu eenmaal vooral genoemd om de spreker een plaats te geven. Wie rijker bedeeld is met bewonderenswaardige eigenschappen krijgt eerder de status van vriend, de minder opvallenden blijven kennissen.Johan had niets wat hem speciaal maakte, en bracht het meestal niet verder dan “een kennis”. Hij had gewoon zijn hele leven gedaan waar hij goed in was: feiten verzamelen waar niemand op zat te wachten, en die neerschrijven in publicaties waar ook niemand op zat te wachten.  Als Johan vóór zijn pensioen gestorven was dan zou hij waarschijnlijk best tevreden met zijn leven zijn geweest. Maar hij bereikte de pensioengerechtigde leeftijd en kreeg niet langer opdrachten voor het verzamelen van nutteloze feiten en het schrijven van even nutteloze publicaties. Om de dagen te vullen ging hij op eigen houtje feiten verzamelen en hij deed dat zoals hij zijn werk altijd had gedaan: vol overgave. Binnen de kortste keren had hij dossiers vol informatie over ambtsdragers, besmettelijke ziekten,  chemische bestrijdingsmiddelen, en zo het hele alfabet door tot en met ijskappen en zwarte gaten aan toe. En elke keer als hij weer een dossier had doorgespit wilde hij niets liever dan wat hij had gevonden in een publicatie verwerken. Alleen zat niemand meer op Johan’s werk te wachten. Er waren geen opdrachtgevers en collega’s meer die geld konden verdienen met wat hij gevonden had, en geen geld betekent geen interesse. Een tijdlang vond Johan vertroosting in het cliché van wandelaars en fietsers: “het gaat niet om de bestemming, maar om de reis ernaartoe”. Hij onderzocht dingen uit nieuwsgierigheid, zo hield hij zichzelf voor, en hij schreef ze op omdat het uiteenzetten van zaken hem plezier verschafte. Maar diep van binnen wist hij wel beter. Het ging wel degelijk om de bestemming, een leuke reis is hoogstens de helft van je vakantie . Hij had dingen gevonden die nuttig konden zijn voor de wereld, moest die wereld dat dan niet weten? Zodat tenminste een paar mensen wisten wie Johan was, en wat hij gevonden had? Net als vroeger zijn opdrachtgevers en de enkele collega’s met wie hij had samengewerkt? Maar zo zat de wereld niet in elkaar. Niemand kende Johan, en Johan kende niemand. Hij deelde zijn bevindingen met kennissen, stuurde zijn publicaties naar kranten en zelfs kamerleden. Maar de kamerleden namen niet eens de moeite om te antwoorden, de kranten stuurden steeds lulliger afwijsbriefjes en toen helemaal niets meer, en ook de reacties van zijn kennissen werden steeds lauwer. Op het laatst leek het wel of ze hem helemaal niet hoorden als hij weer eens enthousiast over een recent stokpaardje begon. Daardoor raakte Johan gaandeweg steeds dieper in de put. Toen hij nog optimistisch was over zijn nieuwgevonden levensvervulling had hij alles wat hij had geschreven op het internet gezet, zodat hij daar altijd naar kon verwijzen. Maar toen niemand interesse had gehad was daar de klad in gekomen. Hij betrapte er zich er steeds vaker op dat hij geen zin had iets uit te zoeken, laat staan daar ook nog een publicatie aan te wijden. Dan zat hij lusteloos voor zich uit te staren, of zwierf door de omgeving zonder er iets van te zien.  Zo ook op de dag dat hij bij de waterput belandde. Op het nieuws en in de krant was weer gerept van talloze problemen en bedreigingen. Johan was afgehaakt. Hij was tot de slotsom gekomen dat problemen niet bestonden: ze werden alleen zo genoemd om kijk- en oplagecijfers op te krikken of mensen geld uit de zak te kloppen via, heffingen, bijdragen of wat dan ook. Een mens had geen hoger doel dan ervoor te zorgen dat alles bij het oude bleef, desnoods tot op het moment dat de aarde een ontvolkte planeet zou zijn waarop ruïnes en hopen plastic naar het verleden verwezen. Misschien met nog wat rudimentair leven, dat koolzuurgas kon ademen en zich met afval kon voeden, en een paar biljoen jaar mocht doorvegeteren tot het moment dat een exploderende zon de planeet tot een magmabal zou reduceren. Niemand zat intussen te wachten op de bevindingen van ene Johan. Hij was afgeschreven, een soort naslagwerk waar niemand meer in keek en dat net zo goed bij het oud papier kon worden gezet. Door zijn gesomber had hij de oude waterput niet eens opgemerkt. Ooit was het de watervoorziening van een nu eveneens volledig vervallen villa geweest. Een kale vijgenstruik drong zich ernaast omhoog, De halfopen ijzeren deksel lag onwrikbaar vast. Toen Johan de put zag, liep hij eropaf en keek in de diepte. Hij riep zijn eigen naam, maar er schalde geen “Johan” terug, alleen stilte. Zelfs daar krijg ik geen antwoord, dacht hij. Ik kan net zo goed in die put gaan zitten en als iemand dan iets naar beneden roept roep ik terug hoeveel megaton koolzuur er de afgelopen week is uitgestoten of zo. Onwillekeurig grinnikte hij. Kan ik nog furore mee maken, dacht hij, als ik er een bordje “Antwoordput” bij zet. Misschien een project van maken, met een YouTubekanaal of zo… Toen hij zich omdraaide om terug naar huis te gaan was zijn stemming een stuk opgeklaard. Over een paar biljoen jaar maakt het toch niet uit of iemand mij heeft gehoord of niet, dacht hij. Dus waarom nu wel? Ik kan altijd nog in de put gaan zitten…

bobcom
7 0

Uitgemolken

Ik denk dat er geen nalatenschap zo wordt uitgemolken als die van André Hazes. Zijn immer treurende weduwe heeft zich ontpopt tot een gewiekste zakenvrouw. Samen met Jeroen van der Boom, die zichzelf heeft uitgeroepen tot meest populaire zanger van Nederland, organiseert zij steeds weer nieuwe evenementen. Eerst hadden we Heel Holland zingt Hazes. De titel bekt wel lekker, dat moet ik ze nageven. En nu is er ook weer Hazes is de Basis. De eerste aflevering schijnt overigens niet zo’n succes te zijn geweest. Met name het optreden van Rachel zelf kon rekenen op behoorlijk wat kritiek. Want oh, oh wat is ze altijd gelukkig geweest in haar huwelijk met de zanger. Dat ze elkaar de tent uitvochten, dat mag niemand meer weten. Eigenlijk probeert iedereen mee te liften op de nalatenschap van Hazes. Ook zijn zoon, Dré junior, mag zich verheugen in een grote interesse voor zijn persoon. Ik denk niet dat als hij de zoon van Piet Jansen, de bakker uit Nergenshuizen, was geweest, hij dit succes had behaald. Zelfs nu hij niet zingt, wat overigens naar mijn mening het beste klinkt, is hij nog populair. Natuurlijk bemoeit mama zich ook daar mee. Als je de roddelbladen mag geloven, is ze in ieder geval blij dat zijn relatie met Monique voorbij is. Althans, voor nu. Je weet natuurlijk nooit wat de toekomst brengt. Dingen kunnen zomaar veranderen. En wat heeft Rachel daar dan eigenlijk mee te maken. Misschien houdt ze gewoon niet van mensen die haar doorzien. Of Monique dat doet weet ik niet trouwens, ik ben er nooit bij geweest. Ook naar de musical ben ik niet geweest. Ik ben ervan overtuigd dat het een prima productie is, met vakmensen in de hoofdrol. Maar dat het nou weer over Hazes gaat, nee, dat is me toch te veel van het goede. En niet dat ik de zanger niet kan waarderen, hij had een hele goede stem en ook al hou ik niet van het genre, er zijn nummers bij die toch echt tot de klassieken gaan behoren. Alleen dat uitmelken, daar kan ik niet zo goed tegen. Maar ja, wat zal zijn vrouw blij zijn dat ze de scheidingspapieren nog niet had getekend doen André kwam te overlijden. Nu kan ze tenminste nog op een legale manier cashen. Kijk, en dat Nederland daar wat van vindt, ach, dat lijkt me voor haar minder belangrijk. Zij kijkt waarschijnlijk op haar bankrekening en denkt “Proost Dré”.    

Machteld
5 0

Man overboord

‘Neem jij zijn benen?’ ‘OK!’ ‘Dan neem ik zijn armen.’ ‘1, 2, 3, hop!’ ‘Oh neen, hij is te zwaar.’ ‘Marie, waar is Lydia?’ Lydia stond wat verder naar het glinsterende, donkere water te staren. Jeaninne riep haar. Het waaide als zwoele warmte van een late zomernacht, de maan scheen hen bij. Jeaninne, Lydia en Marie hadden hem beet. Jan kreunde zacht. De drie handtassen hadden zijn hoofd afgerammeld.  Het was een toeval geweest, deze cruise en deze ontmoeting. Marie en Jan vierden hun twintigste huwelijksverjaardag. Lydia wou weg van haar twijfelende minnaar. Jeaninne was alleen op reis nadat haar nieuwe vriend hun romantisch trip had afgeblazen.  In het bubbelbad vanmiddag was het duidelijk geworden. Alles kwam boven water.  ‘Wat?’ riep Marie uit ‘Wie kent hier Jan? Dit is ONZE reis!’ Ze schreeuwde het uit. Lydia zonk met haar hoofd onder water. Jeaninne wou in tranen uitbarsten. De bubbels spetterden in haar gezicht. Ze liep rood aan. ‘Smeerlap!’ ‘Idioot!’ ‘Bedrieger!’ Ze gilden. Jan vluchtte het bubbelbad uit.  Te laat.  Drie samenzweerders beraadden hun plan: op het dek, voorbij de champagnebar, om één uur vannacht, met zwaar gevulde handtassen.  PLONS  De maan knipoogde en verdween achter een wolk. Onzichtbaar werd het dek. Verdwenen in het donkere water, weg was de kater.       --- Tentoonstelling: Vracht, MAS, Antwerpen Zin in Musea, Creatief Schrijven, 27 februari 2022

Lumes
41 1

De laatste brief

Morgen wordt ze 18 jaar en mag ze weer een brief openen. Een stem uit het verleden die haar toespreekt, maar waar ze de klankkleur en intonatie al lang van is vergeten. De pijn is er nog. Niet meer zo scherp al voorheen, maar dof en drukkend. Een zwaarte op de achtergrond, die haar op onverwachte momenten nog kan overvallen als een cycloon die haar omverblaast en ontredderd en alleen achterlaat. Hoe kan iets tegelijk zo zwaar en leeg zijn? Er is een stuk dat weg is en nooit meer terugkomt. Het was haar basis, haar ijkpunt, haar evenwicht. Het gaf haar kracht en vertrouwen om de wereld aan te gaan. Zonder voelt ze zich verloren. Ze neemt de schoendoos met brieven en opent het deksel. Bovenop de stapel ligt de laatste brief. Deze keer een mooie crèmekleurige enveloppe van stevig papier. Ze ruikt eraan en probeert tevergeefs de geuren terug te vinden die bij de schrijver horen. Ze ruikt niets, enkel de geur van papier en oud karton. Boos gooit ze de doos door de kamer. De brief blijft achter in haar hand. Zou ze hem al openen?  Niemand die haar tegen kan houden en binnen een paar uur is ze toch officieel volwassen. Dan mag ze doen en laten wat ze wil. Ze wil haar eigen weg gaan en haar eigen beslissingen nemen. Slordig scheurt ze de enveloppe open, haalt de brief eruit en strijkt de kreukels plat. Liefste Theresa, Wanneer je dit leest, ben ik er al een tijdje niet meer. Deze brief hoort bij het beginpunt van een nieuwe periode en bij het afscheid nemen van je tienertijd. Op het moment dat ik dit schrijf, speelt de film van je leven zich voor mijn ogen af. Ik zie je als baby’tje in mijn armen liggen en kan je mondje nog rond mijn tepel voelen. Je hapte altijd wild in het rond tot je me beet had en dronk dan gulzig, met grote teugen alsof je leven ervan afhing.  Je vloog mijn leven binnen als een wervelwind. Je wilde alles meemaken, altijd de oren gespitst om niets te missen, je voelsprieten alert op al wat gebeurde. De kleinste verandering had je gezien en wanneer ik mijn haar had geknipt werd je boos omdat ik niet meer dezelfde was. Je vroeg me de oren van mijn hoofd. Elke vraag moest ook een antwoord krijgen. Op driejarige leeftijd vroeg je al wanneer tante Paula nu zou sterven. Want als je oud bent, ga je dood. Dat had je al snel door. Had ik je toen moeten verwittigen dat niet enkel oude mensen sterven? Ontelbare knuffels heb ik gekregen en heb je ook genomen. Je had het nodig om regelmatig ‘bij te tanken’, zo noemden we dat. Ook als ik er geen zin in had, omdat ik boos op je was. Op dat moment had je die omhelzing nog meer nodig dan anders, om er zeker van te zijn dat het nog ‘ok ‘ was tussen ons. Ik was je veilige haven, je vertrouwenspersoon, je wereld om naar terug te keren. Op een dag gebeurde het ondenkbare. Het werd al snel duidelijk dat ik er niet meer lang voor je zou kunnen zijn. Mijn wereld stortte in, maar ik moest recht blijven staan. Hoe kon ik je nog alles meegeven wat je nodig had, voordat het te laat was? Theresa, je bent nu geen kind meer. Een brief als deze hoort een allerlaatste wijze raad te brengen, maar er schiet me niet zoveel te binnen, enkel dit: ‘Ga je eigen weg. Drink het leven met volle teugen, gulzig en zonder twijfel. Neem je eigen beslissingen, ga ervoor en kijk niet om.’ Een traan rolt langs haar wangen en valt als een parel op het papier. Het duurt even voor het papier hem heeft opgezogen. Een kleine donkere vlek blijft achter. Net zoals in haar hart ook een donkere vlek achterblijft. Ze overdenkt wat haar moeder nog meer heeft nagelaten. Het zijn niet enkel de woorden die belangrijk zijn. Het is ook een geborgenheid die ze nog steeds meedraagt, na al die ontelbare omhelzingen. Met haar ogen dicht voelt ze de stevige armen rond zich heen die haar verwarmen en bij elkaar houden. Een glimlach verschijnt op haar gezicht. Terugdenken aan wat was, maakt niet enkel verdrietig. Het prikkelt haar fantasie, het doet haar dromen en geeft haar ook de kracht om door te gaan. “Bedankt mama, maak je geen zorgen. Ik kan het leven weer een beetje beter aan.”  

jessy hamvas
8 1

De date

‘De date’ V:          Hey, hallo… M:         Euh, ...hallo zeker? V:          Ja, ik ben dit ook niet gewend hoor. Voor mij ook de eerste keer. M:         De eerste keer? V:          Ja, maar ik dacht bij mezelf, kom Sofie, doe eens zot en stap uit je comfortzone. M:         Aha… V:          Ik ben al te lang braaf geweest, altijd maar veiligheid opzoeken, nooit eens iets nieuws proberen,… Tijd voor verandering! M:         Mmm, interessant. Altijd braaf en voorzichtig, dat ken ik niet. V:          Ah nee? Ik wel, ik zet normaal gezien alleen maar een stapje de wereld in, wanneer ik tegen alle risico’s beschermd ben, … alsof ik in zo’n sumoworstelpak zit.  Je kent dat wel; als je dan omvalt kom je sowieso zacht terecht. Maar dan bij wijze van spreken, hé. M:         Ja, ha ha, maar…, nu zie je er toch niet uit als een sumoworstelaar. Mooi figuurtje, sexy hielen. V:          Merci, ik heb mijn best gedaan. Ik ben wel tien keer van outfit gewisseld. Ik dacht eerst om een rood kleedje aan te doen, maar ja, rood én een diepe decolleté, dat geeft toch snel de verkeerde indruk. Uiteindelijk heb ik dan een paar foto’s gewhatsappt naar een vriendin en die heeft het zwarte kleedje gekozen. Daar doe je nooit iets fout mee, zei ze. Wat denk jij? M:         Och, ik heb daar geen verstand van, maar als het aan mij lag, had je best dat rode kleedje mogen aantrekken. Daar zou ik geen nee tegen zeggen. V:          Zie je wel, toch weer de verkeerde keuze…. Ik zou ook nooit meer deze schoenen aantrekken. Achteraf bekeken zijn stiletto’s niet zo handig om mee naar een park te komen. Onderweg naar hier heb ik al het halve park opgeruimd. Om de paar meter moest ik er papiertjes afhalen. Ik heb er zelfs een colablikje mee opgeprikt. Verre van glamoureus. M:         Da’s lachen; maar je komt er wel mee weg hoor. V:          Vind je? M:         Ja, hoor. Mooie blauwe ogen heb je trouwens. V:          Oh, bedankt. Maar, om eerlijk te zijn… ze zijn eigenlijk bruin. Ik heb van die gekleurde lenzen in. M:         Aha, een geheim ontrafeld. Nog meer geheimen? V:          Euh, ja, …deze borsten zijn ook niet helemaal echt…Push up BH. M:         Wat een teleurstelling; maar iedereen heeft zijn geheimpjes zeker… Kom, vertel, waarom is zo’n aantrekkelijke dame zo onzeker? V:          Goh, het grote cliché? Een neurotisch betuttelende moeder en een over beschermende vader? M:         Tja, met een dochter kan je nooit voorzichtig genoeg zijn zeker? Achter elke boom schuilt de grote boze wolf. V:          Misschien, maar in ieder geval, nu ben ik vrij. Mijn moeder is een tijd geleden gestorven. Uitgegleden op een ijsplek toen ze in haar kamerjas en op pantoffels de post uit de brievenbus ging halen. Altijd zo voorzichtig geweest en dan zo aan je einde komen. M:         Da’s hard. V:          En mijn vader is voor een nieuwe vrouw gegaan. Die had uiteindelijk toch ook genoeg van de betutteling en woont nu in Saint-Tropez. Elke dag zon, Picon, bermuda’s en Docksides. M:         Oké, ik begrijp het. En dan nu jij nog. V:          Ja, nu is het me-time. Tijd voor Sofie 2.0. Gedaan met die eenzame glazen wijn in de zetel, met nog maar eens een herhaling van Friends als gezelschap. Tijd voor een happy end! M:         Heb ik even geluk, ik hou wel van happy endings… V:          Ah, euh ja….. euh … M:         Grapje….Gezellig zo in het zonnetje. V:          Ja, dat is waar, een wit wijntje zou er wel bij passen, of een frisse pint. M:         Vertel mij wat. V:          Of een Cavaatje. Dat lust ik altijd, jammer dat ik er niet aan gedacht heb om een fles mee te brengen. Het is tenslotte een date hé. M:         Een date? V:          Ja…, ik moet zeggen. Ik was eerst wel heel zenuwachtig, zo’n eerste keer een blind date, maar voorlopig valt het reuze mee. In mijn hoofd speelde zich een heel ander scenario af. M:         Euh, heb ik dat goed begrepen, zei je nu een date? Ik weet niet of ik het zo zou noemen hoor; eerder… een toevallige ontmoeting met mogelijkheden? V:          Toevallig? In ons bericht stond toch om twee uur op het bankje tegenover het beeld van de naakte dame? M:         Nee schatje, ik denk dat je je vergist. V:          Een vergissing? M:         Wij hebben geen date. Oei, time is up,  daar komt mijn vrouw aangewandeld met de kinderwagen. V:          Wat zeg je, je vrouw? M:         Ja, …kans verkeken, toch geen happy end vandaag. Ik denk trouwens dat je het verkeerde bankje hebt gekozen. Volgens mij heb je een date met die man daar tegenover. Diegene die daar alsmaar meer ineengedoken op zijn bankje zit. Ik zag hem al een paar keer ongerust op zijn horloge kijken.   Jessy Hamvas

jessy hamvas
26 1

Papier hier!

Op het bankje zitten een dame (A) midden vijftig en een meisje, rond haar negende jaar (M). Het is zonnig weer, nog niet te warm. A is aan het schrijven. M eet boterhammen op het hoekje van het bankje. A – Hé!? Oh, hallo meisje. Houd je me gezelschap? M (kijkt verbaasd op) – Oh, ik dacht dat je me niet gezien had. Ik zit hier al eventjes hoor. A – Ik voelde de bank wel een beetje bewegen, maar was zo bezig. M – Schrijf je sprookjes? A – Neen, allez, nu toch niet. Ik… eigenlijk gewoon saaie grote-mensen-dingen. M (lacht voorzichtig) – Ja, dat is saai. (M neemt nog een hap van haar boterham) A – Lees jij sprookjes? M – Ja! Ik ken alle sprookjes! Dat zegt mijn mama. (met halfvolle mond) A – Hoe weet jouw mama dat? M – Ze leest elke dag een ander sprookje voor. Of soms eens opnieuw omdat ik het zo mooi vind. A – Welk sprookje vind je het mooist? M – Dat is altijd anders; vandaag Sneeuwwitje. Maar Roodkapje vond ik ook mooi. Alleen … dat was verschieten met die wolf. A – Ja, dat was inderdaad nogal bangelijk. M – Bangelijk? A – Verschieten en dan even bang zijn. M – Ja! Echt waar. Weet jij dat nog van vroeger? A – Ja, ik weet dat nog en dat ik heel blij was toen het sprookje goed eindigde. M – Ken jij echt álle sprookjes nog?! A – Hmm, neen niet allemaal meer. Er komen ook nieuwe sprookjes bij. Die ken ik niet meer. M – Dat is niet erg hoor. Misschien ken ik ook niet alle sprookjes. Mijn mama heeft het dikke boek nog niet uit. (even stilte terwijl M verder eet) A – Wacht je op iemand hier? M – Ik eet alleen maar mijn boterhammen op en dan moet ik terug naar de juf. We zijn op schoolreis vandaag. Fijn hé! A – Ja, heel fijn. Dat heb ik vroeger ook nog gedaan. Hier op schoolreis. Toen was er nog geen attractiepark, geen dolle achtbaan. Gewoon het sprookjesbos en Holle Bolle Gijs natuurlijk. M –Ik houd niet van de achtbaan en die andere draaidingen. Dan moet ik van mama altijd gaan zitten en kijken hoe mijn broertje en grote broer ronddraaien. Maar dat vind ook niet fijn. A – Word je dan ziek in je buik? M – Ja, ze lachen me dan uit. Maar ik kan er ook niet aan doen. Ik doe dan alsof ik nog in het sprookjesbos ben. A – Wat gebeurt daar dan? M – Waar? A – Als je doet alsof je in het sprookjesbos bent. M – Euhm… de zeven geitjes redden en Roodkapje vóór de wolf komt. Ik ben dan de held! Ik neem ze mee op de stoomtrein, daar durft de wolf niet komen. A – Dat zou nog mooi zijn voor de Efteling, een echte held. M (lacht even verlegen en springt dan op) – Ik ben zo terug hè. In de nabijheid: “Papier, hier! Papier, hier!” M – Hahahaha, grappig hé. Ik neem altijd papiertjes van thuis mee om in Holle Bolle Gijs te gooien. Hij heeft altijd honger. A – Ik soms ook. M – Honger in papiertjes? Jij ook? A (lacht) – Neen, dat niet. Ik vind het ook grappig. M – Maar jij bent toch al groot! A – Eigenlijk wel ja. En toch vind ik het nog plezant. M – Heb je nu ook papiertjes bij? A – Toevallig wel. Weet je wat? Ik scheur de saaie grote-mensen-dingen uit mijn boekje. M – Mag ik ze aan Gijs geven? A – Alsjeblieft. M. springt op, huppelt weer naar Holle Bolle Gijs. Papier hier! Papier hier! … M – Nu zijn alle papiertjes weer weg. Ik heb ook die op de grond opgeraapt. A – Ja, ik zag het. Dat is fijn, zo blijft het zeker netjes hier. M – Ja hè? Het moet ook zo. Dat staat overal op de bordjes. Ik kan dat al goed lezen hoor. A – Inderdaad, het hoort zo. Dat heb je goed gelezen en gedaan. M – (glimlacht trots). Ik lees ook al boeken van Jommeke! A – (kijkt verrast). Wauw! Heb je er al veel gelezen? M – Ken jij die boeken? A – Ja hoor. Ik las ze vroeger ook; heel graag nog wel. M – Amaai. Jommeke heeft echt al veel avonturen meegemaakt hé? A – Ja, dat is zo. Welke avonturen lees jij graag? M – Oh, allemaal. Ik spaar voor Jommekesboeken. Soms zijn ze grappig, maar soms ook … euhm … verschieten en dan bang zijn. A – Bangelijk. M – Ja, bangelijk. Met die stoute Anatool en de twee boeven, Kwak en Boemel. Maar de mama en papa van Jommeke zijn wel gek hè? (lacht) A – Ja, daar moest ik ook altijd mee lachen. En met Choco en Flip en Pekkie. M – Ja, Flip is wel heel slim, die maakt veel mopjes. En Filiberke is altijd zo’n beetje … dom. A – (lacht nu ook voluit) Ja, die Filiberke toch. … (M. drinkt aan haar drinkbeker en wuift naar drie kinderen die op een volgend bankje naast haar zitten. Ze laat een boertje.) M – Hahaha. Euhm, oh pardon. Nog een boertje. Oei, er zitten twee boeren in mijn buik. A – (glimlacht). Hadden ze dorst? M – Wie? A – De boertjes. Omdat je nogal snel dronk. M – Ah, nee, ík had dorst. En dan komen pas de boertjes. A (geveinsd verbaasd) – Oh? Hoezo? M – Mijn papa zegt dat de boertjes van veel drinken komen. Het zijn niet de boeren van de koeien hè. A – Ah zo. Nu begrijp ik het. Daarom heb ik dat soms ook. M – Dat is bij iedereen zo, zegt hij. Ook de scheetjes. (lacht ondeugend) A – Ja? Hoe komen die er dan? Want die heb ik soms ook. M – Dat weet ik niet helemaal juist, maar ze zitten in de … poep (fluistert het laatste woord) A – Oh, dáár (fluistert terug). M – Het is zoals de eitjes, zegt mijn mama. A – Laten de eitjes ook scheetjes? M – Geen echte. Als je ze in heet water legt, moet je er eerst een gaatje in prikken. Dan komen er belletjes in het water. A – Luchtbelletjes? M – Ja, het gaatje moet je goed prikken, in de poep van het eitje. Dan… A – Ja, dan … ? M – Dan zijn het precies scheetjes. Als je in de kop prikt, komt er wit uit. A – Dat heb je goed gevonden. Een beetje zoals luchtbelletjes als je onder water zwemt? M – Ja, zo ziet het eruit. Dat heb ik ook al gedaan. Maar onder water mag je geen scheetjes laten, alleen uitblazen met je mond. (M. zegt iets tegen de kinderen op het volgend bankje.) A – Zijn die kinderen van jouw klas? M – Ja, die jongen en die anderen van andere klassen. A – Wilde je niet liever daarbij zitten? M – Neen, straks zie ik ze weer allemaal. De juf zei dat ik hier moest komen zitten, helemaal op het hoekje. De juf zit op nog een ander bankje. (wijst) Dáár, bij die grote jongens. A – Het zijn niet zoveel kinderen precies. M – Neen, die anderen zitten in die hoge draaidingen. Wij moeten hier onze boterhammen opeten. Straks komen die anderen met de meester en dan gaan wíj al naar de speeltuin. A – Dat is mooi geregeld. M – Ja hè ….  Nu kan ik óók een verhaaltje schrijven. Over de vertelseltjes die we gezegd hebben. A – Oh ja? Zit er al een verhaaltje in je hoofd? M – Ja, echt. We moeten alles goed onthouden vandaag. Het is voor huiswerk. Ik kan al goed schrijven. A – Vandaag nog? M – Neen, voor na zaterdag en zondag. A – Na het weekend? M – Ja, dan! (In de nabijheid: ‘Mara! Mara! Kom je terug? We gaan al verder.’) M – Ik moet terug. Dat is de juf die roept. A – Wat fijn dat je hier je boterhammen hebt opgegeten. Dank je wel voor je gezelschap. M – Eigenlijk … ik wilde eerst niet, … eigenlijk moest ik van de juf omdat ik vlug boos word. Hier op het hoekje. A – Word jij vlug boos? Daar zou ik niet gauw aan denken. M – Ja, als ze allemaal tegelijk praten en roepen en veel te luid lachen. Dan doet het raar in mijn hoofd. A – Drukte? Houd je niet van drukte? M – Ja, dat is het, drukte! Nu weet ik dat woord weer.(ze staat op, steekt haar drinkfles weer weg, raapt nog enkele papiertjes op en huppelt weg. Ze wuift nog naar A). Daaag! A – Dag Mara. Veel plezier nog. Papier hier! Papier hier! (A buigt zich weer over haar schrijfboekje. Haar oog valt op een naam die ze al kende: Mara)

Anemos
17 1