Lezen

De papegaai

De papegaai Er was eens een bankdirecteur die het héél, héél druk had. Eigenlijk was het niet zo’n slechte man: als je hem zag, moest je meteen denken aan dat grappige, bolle mannetje dat in een reclamespot van lang geleden in de supermarkt een broodje met Philadelphia kaas binnengesjeesd krijgt, ervan proeft en dan met een gelukzalige blik zegt: “Mmm… Philadelphia… mmm… Philadelphia!’ Maar de bankdirecteur kreeg heel wat stress te verwerken en dat maakte hem af en toe een beetje nors. Dat hij hypergevoelig was, hielp natuurlijk niet meteen. Bovendien keek hij niet altijd goed rond. Zo had hij bijvoorbeeld een jonge, bijzonder lieve secretaresse die om de week een nieuw bloemstukje op zijn bureau zette. Ze zorgde ook altijd voor een kop verse koffie als hij aan zijn werkdag begon. Jammer genoeg kreeg ze voor al die kleine gebaren maar weinig terug: als ze de directeur een goede dag wenste, kreeg ze van hem soms zelfs een norse “Grmmpf” als antwoord. Druk dat die man het had! Druk, druk, druk. Zo kwam het ook dat hij niet opmerkte hoe een papegaai zich op een mooie lenteochtend zette op de vensterbank aan het open raam van zijn kantoor. Pas toen de vogel luid maar niet onvriendelijk “Goeiemorrrrggen!!!” kraste, keek de directeur verstoord op. Een tijdlang keek hij de papegaai aan. Het was een mooi dier, met diepblauwe en frisse gele vederen en verder af en toe een lichte groene toets. Vlak onder zijn bekje zat ook een wit vlekje; het was het mooiste wit dat de bankmanager ooit gezien had. Het deed hem denken aan schilderijen van Felix De Boeck. Toen namen zijn reflexen het opnieuw over en boog hij het hoofd weer diep over zijn papieren, tot hij er tot over zijn oren in zat. De papegaai bleef nog een tijdje zitten en vloog toen weg. Maar de volgende ochtend was hij er opnieuw. “Goeiemorrrrggen!!”, klonk het alweer. De bankdirecteur, die voor die dag net een extra volle agenda had, keek hem aan met een blik van ben-je-daar-nu-weer, en richtte dan zijn blik onmiddellijk weer op zijn computerscherm. Ook nu bleef de papegaai nog even zitten. Hij leek niet beledigd of verdrietig, integendeel, zijn blik had iets geamuseerds. Toen sloeg hij opnieuw zijn vleugels uit en klapwiekend zocht hij de blauwe lucht en de lentezon op, twee geschenken die de directeur die dag niet meer te zien kreeg. Het werd een vast ritueel: dag na dag kwam de papegaai bij de directeur aangevlogen en kwetterde hij vrolijk “Goeiemorrrrggen!!” De secretaresse, die één en ander in de smiezen kreeg, vond de vogel erg charmant en gaf hem af en toe een knipoogje; dat werd keer op keer zonder aarzelen met een vette papegaaienknipoog beantwoord. De directeur zelf reageerde naargelang de barometer van zijn humeur: nu eens stond hij de vogel aan te gapen, dan weer was het storm op zee en leek het alsof hij zijn vaste bezoeker met een stevige gooi van zijn schoen zou wegjagen. Maar nooit zei hij iets tegen de papegaai. Op zekere dag stopten de bezoekjes van de vogel. Hij kwam niet meer langs. De secretaresse was de eerste die het opmerkte, en ze vond het jammer. Ze miste de vogel. Ook de directeur merkte uiteindelijk dat zijn trouwe ochtendbezoek uitbleef. Hij vroeg aan zijn secretaresse of zij de papegaai nog gezien had, maar ze antwoordde hoofdschuddend. Uiteindelijk moest ook de directeur toegeven dat hij de papegaai wel miste. Hij begreep niet goed vanwaar dat gevoel van gemis kwam – hij was het beestje soms liever kwijt dan rijk – maar het was er. Toen de directeur, precies één maand na het laatste bezoek van de papegaai, opnieuw het vertrouwde “Goeiemorrrrggen!” hoorde schallen, keek hij aangenaam verrast op. De secretaresse, die net een extra kop koffie inschonk, schrok zich evenwel de pleuris en morste wat koffie op het witte, stijf gestreken hemd van de directeur. Ze werd net zo bleek als het hemd en bereidde zich voor op een donderpreek. Maar die bleef uit; haar baas bleef maar kijken naar de papegaai, tot er uiteindelijk een glimlach op zijn gezicht verscheen. Toen glimlachte ook de secretaresse. Discreet verliet ze het kantoor van de directeur, maar vanbinnen zong haar hart. De bankdirecteur bleef de papegaai nog een tijdje aankijken, en vroeg toen: “Waarom?”. De vogel antwoordde: “Waarrrom?”. Ach ja natuurlijk, wat ben ik toch een snol, dacht de man, het is een papegàài! Die herhaalt gewoon alles wat je zegt; wellicht zal hij die “Goeiemorrrgen!” ook ergens opgevangen hebben. Maar het beest bleef hem rustig aankijken en het drong stilaan tot de directeur door dat dit een slimme vogel was. Een wijze vogel, ook. Dus besloot hij het risico te nemen om zich onsterfelijk belachelijk te maken en vroeg hij hem: “Waarom doe je dat eigenlijk? Mij elke dag een goeiemorgen wensen?” De papegaai bleef nog een tijdje stil terwijl hij de directeur recht in de ogen keek. Die begon terug te twijfelen en vroeg zich af of hij zichzelf geen blaasjes wijsmaakte. Maar toen antwoordde het dier, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was: “Waarom zou ik dat niét doen?”. De ogen van de baas werden zo groot als pingpongballetjes. Het beest had hem zonet een antwoord gegeven! Een intelligént antwoord dan nog! Wat zeg ik, een uitermàte intelligent antwoord! “Eh,”, hakkelde de directeur, “omdat je altijd hetzelfde liedje herhaalt?” “Is dat zo erg?, vroeg de papegaai vriendelijk. “Ik bedoel, kom nou… geliefden zeggen elkaar toch ook vaak ‘Ik hou van jou’ zonder dat zoiets gaat vervelen? Pas als ze stoppen met dat te zeggen, is er strrr… strrrr…”. De papegaai aarzelde even, en floepte er toen uit: “Nou ja, strrroop aan de knikkerrr!” De directeur schoot in de lach; het was nog een grappig beest ook. En beleefd op de koop toe! Toen stelde de papegaai hém een vraag: “Waarom beantwoord jij mijn goeiemorrrrrgen nooit?”. De man aarzelde even, en zei toen: “Tja… ik deed er wellicht verkeerd aan, maar, ehh… het leek me eigenlijk een beetje tijdverlies. Ik heb al zoveel om mijn hoofd, er zijn zoveel zaken die mijn aandacht vragen…” De papegaai zweeg. “Ben je nu boos? Of beledigd?”, vroeg de directeur. De papegaai zei: “Ja, misschien toch wel een béétje…”. “Gelukkig!”, zuchtte de directeur, “ik was al bang dat het je niets kon schelen. En eh… de afgelopen maand heb ik je toch wel wat gemist.” “Ja, zo gaat dat”, zie de papegaai, “mensen missen vaak pas iets als het er niet meer is.” “Maar zeg me nu eens: waarom doe je dat eigenlijk, mij altijd een goeiemorgen wensen?”, vroeg de man. “Oh”, antwoordde de vogel, “ik doe het gewoon graag, meer hoef je daar niet achter te zoeken. Ik weet dat een groetje zo af en toe normale mensen gelukkig maakt.” “Ben ik dan niet normaal?”, vroeg de directeur.   Daar moest de papegaai blijkbaar even over nadenken. Toen zei hij weloverwogen: “Jawel hoor, je bent normaal. Maar ik denk dat je twee soorten normale mensen hebt: zij die van nature het goede zien en dat ook willen verder verspreiden, en zij die diep in hun hart wel verlangen naar het goede maar het laten ondersneeuwen door andere zaken.” De directeur knikte. “Ik snap het. Ik behoor tot de tweede categorie, niet?” De papegaai antwoordde: “Ja, dat klopt. Maar je kan veranderen. Dat is niet gemakkelijk, geloof me, dat besef ik. Mensen geraken gemakkelijk vastgeroest in bepaalde patronen of gewoontes. Maar ze zijn ook erg veerkrachtig en soepel als ze zich willen inspannen. Anders zou ik nooit bij je teruggekomen zijn.” De bankdirecteur zei: “Ik geloof je. En goed, ik wil proberen te veranderen. Maar ik ben bang dat ik het niet zal halen, dat ik onderweg zal afhaken. Ik kom nu éénmaal heel wat mensen tegen die net als ik een stressvolle job hebben. Soms lijkt het alsof onze mentaliteit normaal is in onze kringen.” “Tja”, zei de papegaai, “als niemand begint met veranderen dan zàl er ook nooit iets veranderen, denk je niet? Bovendien kom jij ook normale mensen uit de eerste categorie tegen.” “Aha?”, reageerde de directeur nieuwsgiering. “Zoals wie dan?” Maar de papegaai had zijn laatste woorden met de directeur gesproken. Hij zei niets, maar knikte met zijn gevederde kop naar de kop koffie die voor de neus van de directeur stond koud te worden. Toen vloog hij weg. De directeur zag de vogel nooit meer terug. Maar de volgende dag vond de secretaresse een bos bloemen op haar bureau. Er zat een kaartje bij, met daarop de tekst “Deze stille wenk stuur ik jou om alle stiltes van de voorbije maanden goed te maken. Dank je voor de koffie, voor de verse bloemen elke week… dank je voor wie je bent. Je baas.” Een week later, vroeg in de ochtend, vloog de papegaai naar een ander open raam en zette hij zich opnieuw op de vensterbank. Hij keek naar de rug van een struise, in elkaar gedoken jongeman. Die hield een telefoon tegen zijn linkeroor en sprak op dreigende toon: “Wat kan mij de ouders van die kerel nu schelen? Morgen geven we hem opnieuw op zijn donder. Hij moet zich maar leren verdedigen!” Het bleef even stil. Toen kraste de papegaai luidkeels en vrolijk “Goeiemorrrrrgen!!!!”. De jongeman schrok zich een ongeluk, draaide zich met een ruk om en keek de vogel stomverbaasd aan. “Wat…?!”, bracht hij uit. De papegaai liet zijn blik rusten op de jongen. Die had nog nooit een papegaai zien glimlachen; toch zou hij gezworen hebben dat de vogel hem met een vriendelijke knipoog toelachte.        Tekst: Wim Corbeel – Illustraties: P. Paul Delmé E wim.corbeel@gmail.com

Wim Corbeel
16 1

Die lente toch...

De vrouw lachte breed toen Robby’s naam in het oog sprong tussen de andere mails. Ze klikte de mail open en begon te lezen: Bedankt voor je vertrouwen, Lisa. Via e-mail is het toch makkelijker om contact te houden. Jouw profiel sprak me onmiddellijk aan. En die korte berichtjes van gisteravond… Nu ja, ik wil graag met je afspreken. Zegt jou dat ook wat? Laat je me niet te lang in spanning… pleeeaasse! Zij bleef het antwoord nog een dag schuldig. Robby zou heus wel toehappen. Ze begon aan haar dag, zich verheugend op de onderbreking van de dagelijkse routine, nadenkend over hoe het allemaal begon.   Die toevallige ontmoeting daar in dat park op dat bankje. Ook later die namiddag in de fietsengarage recht tegenover haar huis. Er volgden fijne wandelingen en anderhalvemeter-ontmoetingen. Ze wisselden telefoonnummers uit. “In geval van,” had hij gezegd. Tot die warme middag een paar maanden na hun eerste ontmoeting. Hij had haar enkele ondeugende berichten gestuurd. Ze had het voelen kriebelen. Haar lippen krulden. Haar ogen brandden. Spontaan had ze even stout geantwoord. Een half uur later stond Els gillend aan haar deur. “Wat denk jíj nu wel? Het aanleggen met míjn man!” gevolgd door een scheldsalvo waarvan de buren vast doorheen de muren bloosden of in hun vuist lachten. Maar ze was dapper het gesprek aangegaan met Els. Haar ego had dan een deuk gekregen maar nog geen onherstelbare schade.   Het afspraakje met Robby kwam er. Hij zat er al, daar op dat bankje. ‘Zo voorspelbaar als je hem eens doorhebt,’ dacht ze nog. Ze stapte op hem af, ging voor hem staan en tikte even op zijn schouder. “Verdomme Britt, wat doe jij hier? Stalk jij mij?” Poeslief glimlachend antwoordde ze: “Dag Bart slash Robby. Ik ben… Lisa. Ik heb een verrassing voor jou, jij die toch zo van triootjes droomt.” Bart zag van achter de boom voor het bankje iemand bekend opduiken. Ze ging naast Britt staan. Beiden sloegen demonstratief hun armen over elkaar, in de aanval voor een ‘standje’. Bart piepte enkel nog:  “Els? Jij zat toch aan zee met de kinderen?”

Anemos
65 0
Tip

Het bootje en hoe verder met de werkinstructies?

‘Orde orde,’ zei Mikkie. Het werd niet rustig. Ze kwamen elkaar niet elke dag tegen, dus als er een universele vergadering bijeen was had je een hoop bij te kletsen. De zon scheen, het was droog en de manden met mandarijnen en broodjes gingen rond. De geur van geroosterd schapenvlees vulde de lucht.   ‘Allemaal koppen dicht, het woord is aan Gab,’ zei Mikkie. Stof wapperde op bij elke klap die hij met de hamer op de tafel timmerde om zijn woorden te ondersteunen. Eindelijk werd het stiller, achterin gaf iemand commentaar op de temperatuur van de kippensoep.   ‘Dank je Mik, we zijn hier voor dat bootje,’ zei Gabri. ‘En ik begrijp waarom, maar zo doen we dat dus niet.’   ‘We moeten toch onze duurbaarheidsdoelstellingen halen?’ zei Raf.   ‘Ja, maar dan stuur je die boot toch niet in het zand,’ zei Gabri.    ‘Ik heb de voorkant al losgemaakt, de rest komt de komende week.’   ‘Je had het helemaal niet moeten doen.’   ‘Doe ik vaker.’   ‘Dat weten we, Raf’ mengde Mikkie zich in het gesprek. ‘Het probleem is dan ook breder dan dat bootje, en we moeten hier een principe uitspraak over doen, na een rustig debat.’   ‘De wereld gaat compleet naar de kloten en jullie praten over “Een principe uitspraak”? zei Filhema. ‘Ik ben het niet vaak met Raf eens… ‘   ‘Dat weten we,’ fluisterde Url in Rafs oor, die begon te grinniken.   ‘... maar nu wel,’ zei Filhema. ‘We moeten kordater optreden, zo verandert er helemaal niks, nada, noppes.’ Ze keek naar de zeven grinnikende oude mannetjes achter de tafel. ‘Elke keer heb ik het gevoel dat wij hier als opvulling zitten. Jullie beslissen ik weet niet wat voor onzin, waarbij wij dat maar moeten slikken als een gans de mais. Deze dame maakt geen foie gras meer,  ik hou de snavel dicht. Jullie gooien er alleen een vergadering tegenaan bij onderling gekrakeel en dan mogen wij netjes buigen en tekenen bij het kruisje.’   ‘Wie zijn jullie zevenen dat jullie nog steeds in het bestuur zitten?’ vroeg Benei die zich naar voren drong. ‘Wanneer komen er verkiezingen, Aartsmannetjes?’ Instemmend gemompel steeg op uit de menigte, “Aarts? Mijn Aars, dat klinkt beter!” riep iemand van achteren en er werd besmuikt gelachen.    ‘Hier hebben we het al over gehad,’ zei Mikkie. ‘Het loopt oke zo, laten we niet te veel veranderen. Veranderingen brengen onrustige tijden met zich mee, en onrust bij ons veroorzaakt rampspoed beneden.’   ‘Loopt oke zo?’ zei Benei. ‘Elke keer is het dezelfde discussie: er gebeurt iets op de wereld en we reageren op de waan van de dag, gaan een paar jaar ouwehoeren en uiteindelijk verandert geen enkele werkinstructie, nieuwe inzichten worden niet gebruikt. Ik ben er klaar mee. Ik wil een visie.’    De gebroken wit gejurkte menigte werd luider in instemming. Gejoel steeg op.   ‘En ik wil verbeterde werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Laten we een nieuw bestuur kiezen,’ riep Filhema. ‘En dit keer 50-50 met vrouwen.’   ‘Ja, een stemming,’ zei Benei. Achterin de meute begonnen een paar te klappen en instemmend te roepen.   ‘Dat van die 50-50 weet ik niet, iedereen moet een kans krijgen,’ zei Benei.   ‘We leven in 3874!’ riep Filhema, ‘we zijn toch niet meer achterlijk?’    ‘We leven nu in 2021,’ zei Gabri.   ‘1443,’ riep Azzie. Het werd nu een gekakel van jewelste: “2078 of 1933”, “5781”, “4718”, ”564”, iedereen kwetterde door elkaar.   ‘Orde, Orde!’ Mikkie liep rood aan. Hij had het niet meer in de hand, misschien hadden Benei en Filhema gelijk, en waren ze antiek en was het tijd voor een nieuwe garde. Hij keek naar rechts waar zijn oude vriend Gab verbeten voor zich uit keek. Die was tijdens de hoogtijdagen van de Nubiërs in het bestuur gekomen en was toen al niet meer de jongste. Zelf had Mikkie de migratie langs de Beringstraat overzien, was tijdens de opkomst van de Olmeken bestuursvoorzitter geworden en naar het Midden Oosten verhuisd.   ‘2021,’ zei Gabri stuurs. ‘Dat wordt het meest gebruikt.’   ‘Alleen omdat jij daar toevallig was,’ antwoordde Muha. ‘Als jij niet zo stom was geweest om die slager te helpen die vreemd was gegaan met die vrouw van de timmerman was er niets gebeurt.’   ‘Zou nu ook niet meer kunnen,’ zei Filhema, ‘arme meid, als er toen Me too was geweest had de wereld er heel anders uitgezien. Die viezerik.’   ‘Iedereen heeft wel eens geholpen,’ antwoordde Gabri. ‘Daarnaast, wist ik veel dat die timmerman en zijn vrouw zo bijgelovig waren dat ze een hele cultus voor dat kind opstartten.’   ‘Had je kunnen weten,’ zei Muha. ‘Je gaat niet zomaar in iemands slaapkamerraam staan wapperen zonder de consequenties te overdenken. Het was een beetje amateuristisch.’    ‘Zo'n beginnersfout,’ zei Benei, ‘was niet acceptabel voor iemand van jouw statuur, dat had je moeten voorzien. En je volgde de werkinstructies niet.’    ‘Die werkinstructies van jouw weten we nu wel,’ zei Gabri. ‘Je valt in herhaling.’   Iemand in de menigte riep: ‘Gepruts.’ Het begon weer uit de hand te lopen.   ‘En om ons daarna te vragen liedjes te kwelen,’ zei Azzie. ‘Dat deed het hek helemaal van de dam.’    ‘Moet jij zeggen met je verschijning in die woestijn,’ zei Gabri.   ‘Dat was ik,’ zei Sammu. ‘Ik probeerde het te corrigeren.’   ‘Dat bedoel ik niet,’ zei Gabri. ‘Jij deed een dappere poging, ik bedoelde later toen onze vriend Az aan de slag ging.’   ‘Dat was gewoon een geintje met een marktkoopman,’ zei Azzie, ‘Gebbetje moet toch kunnen?’   ‘Over die verschijningen moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei, die voelde dat hij het momentum kwijt begon te raken. ‘Ik ben het zat om altijd naar van die kutdorpjes te gaan. En dan tegen de volgende inteeltkop te moeten preken. Zit geen uitdaging in. En op de een of andere manier, lukt het die gasten altijd om over mijn sandalen te kwijlen.’   'Ik pas ervoor nog langer in het bos te doen alsof ik een sprekend dier ben,’ riep Ykulop, ‘om die arme mensen de stuipen op het lijf te jagen. Jullie daar,’ zij wees op de zeven mannen achter de tafel, ‘hebben al die jaren niets veranderd.’   ‘Stelletje conservatieve fossielen,’ mompelde Tace. De massa werd nu echt rumoerig.   ‘Precies Mikkie, als het aan jou en je cluppie bejaarde langharige makkers ligt, met die prehistorische richtlijnen, halen we die duurzaamheidsdoelstellingen nooit,’ zei Filhema.    ‘En prehistorische werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Weet je wat ook mijn neus uit komt?’ zei Ykulop ‘Koortje spelen, getverdegetver. Als dat bejaarde zootje het nodig vindt, moeten we altijd in dezelfde jurk, toeterend op een primitief trompetje of met zo’n kinderachtig tamboerijntje in de hand, onzin rond lopen zingen. We zijn toch geen kleuters meer? Dit wilden we een paar duizend jaar geleden al veranderen, en wat is er sindsdien gebeurt?’   ‘Geen moer,’ zei Tace.   ‘Voor muziek moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei.  ‘Verkiezingen! En nu!’ riep Filhema.   ‘We geven iedereen een week om kandidaten te voor te stellen,’ zei Benei. ‘Daarna maken we een lijst en gaan we stemmen. Ik ontwerp een procedure, zodat het eerlijk en transparant gaat. Met een mogelijkheid van beroep, als dit zo nodig is.’    Filhema toverde een perkament uit haar gewaad en legde dit op een brede platte steen, ze legde er een ganzenveer bij en zei: ‘Inschrijven als kiezer kan bij mij.’ Ze keek om zich heen.   ‘Heeft iemand een potje inkt?’   ‘Shit zeg, dit is old skool,’ zei Ykulop. ‘Hier.’ Zij gaf Filhema een notebook en zei: ‘Op zonne-energie, werkt hier prima.’ Benei zette er een handzame printer naast.   ‘Orde orde.’ riep Mikkie weer. Hij klopte de tafel bijna in tweeën.   Tevergeefs. De menigte begon het geduld kwijt te raken, geen goed teken. Geduld was iets waarvoor ze bekend stonden nietwaar?    Een rij ontstond bij de steen waar Filhema iedereen registreerde als kiesgerechtigde.   Verandering hing in de lucht.

MCH
94 0

Brussels Lof

Van het onkruid in de dakgoten is weinig meer over dan dorre, stugge sprieten. En ook al is de dag amper begonnen, het wegdek, het trottoir en de gevels zijn al doorweekt met een lamgeslagen warmte.Priegelend aan het eindje van zijn onafscheidelijke sigaret observeert Albert vanuit het open raam hoe een half dozijn mannen zich samenpakt naast een vaalblauwe Ford Transit met Bulgaars kenteken. Een paar plastic tasjes gaat van hand tot hand, de inhoud wordt geïnspecteerd. Na een korte woordenwisseling worden wat beduimelde bankbiljetten uitgewisseld en rolt een bleke twintiger de kleinste van de tasjes als een slaapzak op om ze onder zijn witte trainingsjack te verbergen. Twee agenten in een permanent gestationeerde patrouillewagen attenderen elkaar op de transactie, maar wanneer de koper aan hun wagen voorbij stiefelt blijven de portieren en ramen gesloten.Albert legt zijn sigaret op de rand van een zware, glazen asbak, recht zijn rug en trekt met beide handen zijn gilet strak. ”In mijn tijd had de gendarme de wapenstok laten spreken! Als straks Filip de Winter premier is, dan gaat dat hier anders lopen!”, verkondigt hij naar de keuken. Maar Elsbeth reageert al jaren niet meer op zijn tirades. Ook zijn eindeloze hoestbuien lokken geen reactie meer bij haar uit, ze is er immuun voor geraakt. Op de derde etage van hun appartementsgebouw aan de Rue Grisar is onverschilligheid haar enige overgebleven vorm van verzet.Terwijl buiten de weeïge geur van broeiend straatvuil wedijvert met de vetzwangere dampen uit een dönerloket, vult het appartement van Albert en Elsbeth zich met de laffe lucht van grijsgekookte witlof en een tot schoenleer doorbakken karbonaadje. Albert verwacht de warme maaltijd ’s middags om twintig over twaalf op tafel. Iedere dag, stipt, zonder uitzondering. Dat ze op dit soort dagen zelf geen hap door haar keel krijgt verandert daar niets aan. Ze leert Albert 44 jaar geleden kennen wanneer ze als stagiaire rapportages uittypt op de afdeling Algemene Inspecties van het Ministerie van Landsverdediging, tegenwoordig de Federale Overheidsdienst Defensie. Als negentienjarige majoorsdochter is ze onder de indruk van Alberts vastbesloten, heldere stijl. Hij is de enige inspecteur die zelf zijn notities naar de typekamer brengt en controleert of zijn rapportages correct gearchiveerd worden. Zodra ze Alberts tred over de harde PVC-vloer van het archief herkent grist ze een willekeurige map van haar bureau en snelt ze naar hetzelfde krappe gangpad.“Pardon” zingt ze zachtjes en manoeuvreert haar lichaam tussen hem en de manshoge dossierkasten in. Terwijl ze zijn blik met gespeelde verlegenheid ontwijkt voelt ze hoe de stof van haar dunne bloesje zijn gekruiste armen toucheert. Ze vertraagt, ontspant haar mondhoeken en met half geopende lippen ademt ze hoorbaar in. Met licht gebogen hoofd maakt ze vluchtig, maar indringend oogcontact: ”Mijnheer de inspecteur”.Haar onderbuik zoemt. Blozend schuifelt ze verder, tweemaal de hoek om, terug naar haar bureau. Dat ze bijna tien jaar jonger is dan hij weerhoudt hem er niet van haar avances te beantwoorden en nog voor Elsbeth haar studie af kan ronden trouwen ze en koopt Albert de etage in het Brusselse Kuregem. Kuregem, waar in de jaren ’50 en ’60 de hogere middenklasse elkaar op weg naar kantoor, kerk of kruidenier hartelijk maar beleefd toeknikt. Maar na de oliecrisis brokkelt de bedrijvigheid in de welvarende wijk af en trekt de burgerij weg naar groenere stadsdelen. De leegstaande woningen worden snel ontdekt door huisjesmelkers. Ook Albert ziet zijn kans. Hij koopt met een lening van de bank de appartementen op de begane grond en eerste verdieping en verhuurt deze per kamer aan de vluchtelingen en arbeidsmigranten; mensen zonder binding met zijn België, zijn Brussel en zijn Rue Grisar. Wanneer de respectabele buren van weleer Kuregem definitief achter zich hebben gelaten dringt Elsbeth aan om de appartementen toch maar te verkopen en ook naar de rand van de stad te verhuizen om daar een gezin te stichten nu het nog kan. Maar Albert weigert zijn verlies te nemen. Zijn rotsvaste vertrouwen dat zijn wijk er weer bovenop zal komen en zijn investering zal renderen slaat met het verstrijken van de jaren om in een halsstarrige weigering de mislukking van zijn plan te accepteren. Onachtzaam keert Elsbeth het karbonaadje nog eens om. Een bruin verbrande vetspetter landt op haar zalmroze nachthemd. Ze heeft zich al dagen niet fatsoenlijk aangekleed. Haar grauwbruine haar hangt los op de schouders. Wanneer ze een naar voren gevallen lok uit haar gezicht veegt ziet ze Benji in zijn mandje naast de radiator liggen. Ze pakt een gebruikt ontbijtmes uit de gootsteen, duwt een vork in het uitgedroogde lapje varkensvlees en snijdt een stukje van de rand. Met haar vingers trekt ze het taaie hapje van de vork en laat het in Benji’s richting op het keukenzeil vallen. Het beestje komt niet in beweging.“Benji! Hapje?” roept ze zacht, maar ook nu blijft het witte pluizenbolletje liggen. Kalm legt Elsbeth de vork neer en hurkt om haar mamma’s kindje nog één keer goed te bekijken. De oogjes zijn half geopend, maar staren leeg de keuken in. Ze aait over zijn lijfje, maar het reageert niet meer. Dan raapt ze het stukje vlees van de vloer en gooit het terug in de pan. “Het is goed ventje, je mag gaan”, mompelt ze.Schijnbaar onaangedaan giet ze de witlof af en laat ze twee stronkjes uit de pan op een bord glijden. Dan vist ze het karbonaadje uit de pan en legt deze ernaast. Een paar seconden staart ze het bloedeloze stilleven aan. Haar maag draait om. Ondanks de hitte schiet haar nekhaar overeind, alsof er in slow motion een lucifer tegen de binnenkant van haar schedel wordt afgestreken.“Je mag gaan”, herhaalt ze hardop. Ieder woord nadrukkelijk uitsprekend, overtuigt ze zichzelf: “Je mag gaan”.Haar blik verstart, ze zet zit zich schrap. Met een felle pets slaat ze met beide vlakke handen op het aanrecht. Gedecideerd beent ze naar de badkamer en trekt het medicijnkastje open. Alberts digitalistabletten staan onder handbereik in het deurtje. Onderweg terug naar de keuken draait ze het potje in één krachtige beweging open. Daar keert ze de inhoud van het potje om op het aanrecht en met diezelfde vork drukt ze de pillen tot een grof poeder. De bittere witlof moet de smaak van het medicijn camoufleren. Vanmiddag om tweeëntwintig over twaalf zal ze de ambulance bellen.

Bas van der Graaf
48 3

Het koor

Het jaar? Dat moet 1978 geweest zijn. We waren twaalf jaar oud en zaten in onze banken te wachten. Het was een vrijdag. De dag dat de Woef naar onze zangkwaliteiten kwam luisteren.  Ik was al de hele week zenuwachtig en had veel geoefend. Voor de spiegel in de badkamer, in mijn kamer of terwijl ik in bad lag. Meezingend met David Bowie op een cassette die ik van de Top 30 had opgenomen. Zelfs de woorden van de discjockey kende ik uit het hoofd. De Woef was onze meester in het zesde leerjaar. Zijn bijnaam was afgeleid van zijn familienaam, maar dan vernam ik pas op het einde van het schooljaar. Namen van mensen waren toen nog niet belangrijk. Met de voornamen van je vrienden kwam je al ver.   Hij was vooral groot. Je kon niet naast hem kijken. Hij was groter dan twee meter en speelde volleybal. Een hatelijke sport. Vooral omdat ik klein was en meer aanleg voor voetbal had. Ik liep vlot onder het volleybalnet door zonder me te moeten bukken. De Woef was zo groot dat hij zonder zijn armen te strekken het plafond in de klas kon aanraken. Daarvoor moest hij wel op het verhoogje vooraan in de klas staan, maar echt hoog was dat niet. Dat maakte het nog straffer. Het verhaal ging dat de Woef ooit klem was komen te zitten in een schoolbank. Het waren van die banken waarvan je het blad kon omhoogklappen. In die bak lagen je boeken en het schrijfgerief. Om een leerling een vraagstuk voor de tiende keer uit te leggen, was hij in de bank naast de jongen gaan zitten. Ze hebben de bank moeten demonteren omdat hij er met zijn lange benen niet uit geraakte. De banken waren op maat van 12-jarige kinderen gemaakt. Doorgaans zijn die ongeveer anderhalve meter groot. Al kwam ik daar niet aan. Zondag over een week zou er een speciale viering in de kerk zijn. De kinderen met de mooiste zangstem mochten vooraan in de kerk enkele liedjes zingen. Zij waren het gelegenheidskoor. Het was geen David Bowie, maar omdat muziek toen al belangrijk voor me was, leek het me wel wat.  Danny naast me in de klas bleek minder zenuwachtig te zijn. Hij was ook een voetballer en zou die zondagochtend liever naar de wedstrijden van de grote jongens kijken dan naar de kerk te gaan. We zaten samen in een team. Onze wedstrijden speelden we op zaterdagnamiddag. Omdat Danny en ik meteen naast de deur zaten, rechts vooraan, zei iedereen dat we op de eerste bank zaten. De bank aan de kant van de venster die op de speelplaats uitkeek, zou je ook de eerste bank kunnen noemen, maar dat werd niet gedaan. We kwamen wellicht als eerste aan de beurt. Het was een kerklied waarvan ik de inhoud ben vergeten, als ik die al ooit onthouden heb.  De Woef had vooraf gezegd hoe het in zijn werk zou gaan. “Iedereen begint te zingen en ik kom bij jullie langs. Niet schrikken, maar ik ga vlakbij bij je mond staan met mijn oor, zodat ik goed kan horen wie vals zingt en wie niet. Wie niet zo mooi zingt, geef ik een zachte tik op het hoofd met mijn hand. Als je dat voelt, mag je stoppen met zingen. Doe ik niets, dan blijf je gewoon zingen.” Met zijn handen zo groot als een kolenschop, kon hij ons met één hand uit de bank lichten, dus die tik was niet iets waar we verwachtingsvol naar uitkeken. Al was het uitdelen van een tik in die late jaren ‘70 grotendeels uit het schoolbeeld verdwenen. Toch had Danny ooit dicht bij een handafdruk op zijn linkerwang gestaan, toen hij tijdens de speeltijd het raam van het secretariaat aan diggelen had gestampt met de leren bal, die hij van thuis had meegebracht. We mochten enkel met plastic ballen voetballen. Maar als er wind was, voetbalde dat voor geen meter. Je moest dan al een aardig effect in de voeten hebben om te scoren. Na twee regels gezongen te hebben, stond de Woef bij onze bank. De eerste bank. Danny kreeg al snel een tik op zijn hoofd.  Daarna was ik aan de beurt. Wat stond hij dicht bij mijn mond. Ik kon mezelf amper horen zingen. Akelig ook, met dat grote oor van de Woef voor mijn ogen. Bij mij leek het iets langer te duren, maar ik voelde plots toch ook een hand op mijn hoofdhaar. Het leek alsof hij met die tik eigenhandig mijn mond sloot en mijn muzikale toekomst de grond in boorde. Ik keek naar Danny maar die leek zich er weinig van aan te trekken. De klas zong verder. Op het einde bleef exact de helft van de leerlingen over, die alsmaar luider zongen. Alsof ze onze valse stemmen moesten overnemen.  Tijdens de misviering kregen zij een plaats op het altaar, het podium van de kerk. Wij kregen een andere taak toebedeeld. Op het einde van de plechtigheid mochten we tekeningen ophangen. De zangers en zangeressen van onze klas stonden nog altijd recht op het altaar terwijl wij, de valse zangers en zangeressen, naar de stoelen op de eerste rij sjokten. Ze keken ons hooghartig aan. Wij keken vals terug. De misviering was bijna afgelopen. Ik vertel dit voorval omdat het een kleine rol heeft gespeeld in mijn liefde voor muziek. Je moet weten dat muziek altijd enorm belangrijk voor me geweest is. De dag dat ik David Bowie voor het eerste hoorde zingen, vergeet ik nooit meer. Buitenaards mooi.  Een verhaal vertellen op drie of vier minuten, waarbij de muziek voor iets magisch zorgt, zodat je het keer op keer opnieuw wil horen, dat is muziek. De tekst als eerste laag en de muziek als tweede. Het verveelt nooit. Een verhaal kan je maar zolang vertellen tot het einde of de plot nog niet gekend is. Het einde van een song zorgt ervoor dat je het telkens opnieuw wil beluisteren. Niets einde verhaal. Een derde laag is het beeld van de zanger op het podium, in een studio of in een videoclip. David Bowie had dit als geen ander begrepen.  Maar het ultieme gevoel moet zijn om zelf op dat podium te staan. Een song zingen die je zelf geschreven hebt. Maar zingen was voor mij niet weggelegd. Dat had die tik van de Woef me duidelijk gemaakt. Ik zong vals. En dat betert niet met de jaren. Hij had mijn mond gesloten. Wijselijk en verstandig voor de omstanders.  In de jaren erna heb ik nog gitaar proberen te spelen, maar ik had het geduld niet. Of de aanleg.  Dertig jaar later We zijn ondertussen dertig jaar verder. Het einde van het eerste decennium in de eenentwintigste eeuw. Samen met mijn vrouw sta ik in de AB in Brussel. Een echte muziektempel. Wat hebben we hier vaak gestaan. In de zaal en op de rode balkons. Die zijn trouwens het bewijs dat we ons in een muziektempel bevinden. Een tempel is goddelijk. In een tempel kan je van bovenaf naar het podium kijken. Zoals een god naar beneden kijkt.  Vandaag staan we in de zaal. Nee, eigenlijk op het podium, want we zingen zelf. De zaal is het podium. Wat hebben we hier naar uitgekeken. We zijn allebei muziekliefhebbers. Zo breed als het maar enigszins kan. Van pop en rock en new wave tot jazz en klassiek.  Het internationaal bekende gezelschap ‘Choral 2000’ doet ons land aan. Alhoewel, gezelschap. Eigenlijk zijn ze maar met twee. Een dirigent en een jongeman op akoestische gitaar. Ze zijn ermee gestart in hun thuisstad Minneapolis. De stad van Prince, Hüsker Dü, The Replacements en The Jayhawks.  Begin jaren 2000 deden ze een oproep voor een optreden in een zaaltje. “Gezocht: 150 muziekliefhebbers om samen popklassiekers te zingen. Van Bowie en Nirvana tot Nina Simone.” Het recept bleek aan te slaan. Peter, de dirigent, schreef de songs uit voor een groot koor. Tweestemmig, driestemmig. Ze deden alsmaar grotere zalen aan. Eric, de man op akoestische gitaar droeg altijd een baseballpet van The Minnesota Twins, de baseballclub uit Minneapolis.  In hun beginjaren tourden ze vooral in Amerika. Het ging van kleine naar grote zalen. Eerst koren bestaande uit 500 mensen, later werden het er 2000 en meer. Na de USA en Canada volgde Europa in deze ‘Choral 2000 World Tour’.  Via een vriendin die bij een concertpromotor werkt hebben we tickets weten te bemachtigen. Ze hebben een aantal koren uitgenodigd, maar er is ook plaats voor ‘gewone’ mensen, zoals wij. Mijn vrouw, die geen onaardige zangstem heeft, hoopt op nummers van Nina Simone. Zelf kijk ik uit naar Bowie. Welke songs we gaan zingen, maken ze vooraf niet bekend. Ik heb er jaren niet meer aan gedacht, maar bij het betreden van de zaal moet ik plots aan het voorval met de Woef in het zesde leerjaar denken. Ik heb het nooit aan mijn vrouw verteld, besef ik tijdens het aanschuiven. Dat is iets voor straks. In de auto naar huis. Stel dat ze een zangtest afleggen vooraleer we naar binnen mogen, vraag ik me angstig af. Al is die angst niet nodig, want onze vriendin van de concertpromotor heeft ons gerust gesteld.  “Ze weten dat er mensen in de zaal zijn die niet al te best zingen. Maar dat is nu het mooie aan dit concept. Het merendeel van de mensen kan wel goed zingen. Zij overstemmen de mensen die ietwat vals zingen. Komt helemaal goed”, zei ze.  We geraken inderdaad zonder zangtest de zaal binnen. Iedereen krijgt een lintje met een bepaalde kleur. In de zaal wijzen medewerkers de bezoekers naar een vlak met dezelfde kleur.  We staan in het gele vlak. Naar wat ik kan zien, zijn er vier vlakken. Er is voldoende ruimte gelaten in de zaal. Iedereen staat comfortabel. Ik schat het aantal bezoekers op een twaalfhonderd.  Peter en Eric worden op een geweldig applaus onthaald. Vooraleer we tot een song komen die gefilmd wordt en later op YouTube belandt, gaat er een uur oefenen aan vooraf. “We spelen twee songs”, vertelt Peter. “De titel van het tweede nummer verklappen we niet, maar het eerste is Here Comes The Sun van The Beatles. Een nummer van George Harrison. Zijn jullie er klaar voor? Yeah? Yeah? Really yeah? Okay, let’s start.” Het oefenen gaat vlot. Eric laat ons helemaal in de song belanden met zijn fijn gitaarspel. Waar normaal een gitaarsolo klinkt, neemt de groene groep het over met een zeer subtiel ‘hmm hmm’. De magie van het zingen op een podium is voor mij nooit zo dichtbij geweest als op dit moment.  Na het eerste uur is er een pauze van een half uur. De twee pintjes gaan vlot naar binnen. Van zingen krijg je dorst. “Niet te veel”, zegt mijn vrouw. “Zodat je dadelijk niet begin te lallen. Of te luid gaat zingen.” Het is precies alsof ze me een knipoog geeft. In het cafe meen ik Danny te zien. De jongen naast me in de klas vroeger. Maar dat zou een al te groot toeval zijn. Hij had niets met muziek. Terwijl hij terug naar de zaal gaat, zie ik duidelijk dat hij het niet is. Maar hij heeft er iets van weg. Eric kondigt de tweede song aan. Hij heeft zijn pet afgezet. Nu zie ik pas dat hij lang haar heeft en een beetje op George Harrison lijkt. Of verbeeld ik me dat?  “We zoeken het niet te ver voor onze tweede song”, zegt hij. “We blijven bij The Beatles. Al is dit geen song van The Fab Four, maar wel eentje van de eerste soloplaat van George Harrison na de split. Zijn jullie klaar voor My Sweet Lord?” Ik had op Bowie gehoopt, maar eigenlijk zijn deze songs nog beter. Een song over een mens die zoekende is, naar God in dit geval. “I really wanna know you. I wanna show you Lord.” Doen we dat niet allemaal tijdens ons leven? Zoeken? Iemand leren kennen? Iemand willen tonen? Zoeken naar iets of iemand die ons bestaan zin geeft? Dit liedje komt aardig in de buurt van iets goddelijk als je het mij vraagt.  Het nummer lijkt gemaakt om samen met 1.200 mensen te zingen. Peter en Eric kijken bij het oefenen van deze song een paar keer naar boven. Naar de balkons. Alsof ‘The Lord’ van George Harrison daar ergens bovenaan staat.  We zijn klaar voor de opname van de definitieve versie die over een paar dagen op YouTube verschijnt. Ik zie drie camera’s. Een bewegende op het podium en twee vaste op de balkons. Eric begint met de overbekende akkoorden van My Sweet Lord. Ik kijk naar mijn vrouw naast me. Een blik en een lach van verstandhouding.  Waar in de song in het begin al een elektrische gitaar weerklinkt, begint de rode groep met een fijn geneurie.  Wij mogen beginnen met de regels ‘My sweet Lord. Oh my lord.” Zo staat het ook op ons geel gekleurde papiertje. Ik doe mijn mond open en voel plots een hand op mijn hoofd. Ik schrik en kijk achterom. Het is de Woef. Het lijkt alsof hij nog groter is geworden. Hij torent boven iedereen uit. “Wat heb ik nu van dat zingen gezegd? NIET doen hè.” Ik hoor me nog net “WOEF” roepen en maak mezelf wakker van het schrikken. Ik zit rechtop in bed. Mijn vrouw naast me doet één oog open. De dag lijkt al te beginnen. Er komt daglicht door de jaloezieën van de slaapkamer. “Wat WOEF? Was je aan het dromen?", vraagt ze. "Weeral over dat voorval in de zesde lagere zeker?" “Je was ook opnieuw aan het zingen. Of toch zoiets. Ik heb je al eens wakker proberen te maken.” Ik ben ondertussen een beetje gekalmeerd en lig terug op mijn kussen.  "Het was iets van The Beatles”, zucht ik.  

Rudi Lavreysen
37 1

ik ben een koekoek

‘Ik ben een koekoek.’ Rita’s krakende stem zou die dag voor een laatste keer de kamer vullen. Onder een wollen sprei ligt een dame die hele zalen deed opveren na haar laatste lied. Nu streelt ze enkel het trommelvlies van een onderuitgezakte Leo, haar zoon. ‘Ik joeg anderen de afgrond in door mijn wil in hun hoofden te nestelen en alle dromen die ze bezaten uiteen liet spatten op koude grond. Ik ben een koekoek.’ Plots zit Leo weer rechtop. Ze kijken samen naar een natuurdocumentaire waarin een vrouwtjeskoekoek net een ei legde in het nest van een karekiet en alle andere eieren de dieperik in duwde. Leo zit naast haar bed op de hoge stoel, zijn hoofd rustte net nog tegen de zijkant van haar harde, synthetische hoofdkussen. Na drie jaar op deze kamer had Leo geleerd hoe te reageren op zulke uitspraken. Vandaag kan hij niet vluchten door te zeggen dat Christa en de meisjes op hem wachten achter opgeschepte borden. Vandaag zal hij blijven tot de laatste lange noot haar longen uitglijdt en doodstil op de linoleumvloer valt, tot haar kleuren in de muren vluchten en de kamer al aankleden voor de volgende, tot ze een herinnering wordt, een naam met nummer en voicemail in zijn gsm.  Moeder en zoon staren naar het grote scherm dat veel te dicht en veel te luid staat. De karekiet is het pasgeboren koekoekskuiken al aan het voeden en hangt met haar bek in de keel van het jong. ‘Misschien vindt de karekiet het niet erg?’ Ze draait haar hoofd in zijn richting, neemt een diepe ademteug. ‘Ik heb je nooit laten studeren. Vind je dat niet erg?’ Leo drukt de volumeknop naar omhoog en redt zo hun laatste moment samen. De karekiet vliegt af en aan met rupsen en andere insecten. Niemand hoort Leo’s mekkerende maag. De haakse vingers van Rita’s rechterhand strelen bevend en onophoudelijk haar linker, alsof ze iemand vervangen die weet wat er te gebeuren staat, haar troost. Rita was ooit het koekoeksjong, is het haar waardvogel die haar opnieuw sterkt? ‘Wanneer komt Peeters?’ Rita moest niks weten van dokter Peeters. Toen ze hoorde dat hij zijn vrouw had bedrogen met een pas afgestudeerde spoedarts leek ze plots twintig jaar jonger. Ze klaagde minder over ontstekingen en was bereid dit te bewijzen door toertjes rond de salontafel te lopen, waarna ze, zich beroepend op haar aangeboren zwakke hart, neerplofte in de krakende zetel en de infraroodlamp aanklikte. ‘Volgens de verpleegster zal hij er binnen het kwartier zijn.’ ‘Let maar op met hem, hij is een aasgier, doet zelf het vuile werk. Wist je dat aasgieren andere eieren openbreken met stenen?’ Leo mag hem wel, al is hij van kindsbeen af misschien snel geïmponeerd door mannen in blinkende auto’s, mannen die wel hun eigen dromen najagen in plaats van ze te verdringen. Tijdens de aftiteling van het programma komt Peeters binnen. Hij trekt een verse lading van de weeë geur van het woonzorgcentrum de kamer in. Zijn zwarte tas maakt een dof geluid wanneer hij deze op de dichtstbijzijnde stoel neerploft. Rita schrikt en kijkt nors de andere kant uit. Waarom toch hij? Heel de dag had ze zitten mokken toen ze hoorde dat de oude Peeters er niet zou geraken. Ze had niets willen eten en blafte naar de verpleegsters als een kwijlende hond naar een angstige passant. Hoe kon hij? Alsof dit een cafébezoek is! Leo had haar getroost met de woorden dat meneer Peeters het wellicht te moeilijk had met dit afscheid door hun verleden samen en hij daarom zijn zoon stuurde. Hij wou de vale muren behouden. ‘Mevrouw Simons, bent u er klaar voor?’

de amechtige specht
23 1

Kwart voor zes

"Is dat morgen?" We hebben er niet aan gedacht, dat de klok ‘s nachts een uur overslaat. Ze moet vroeg uit de veren. De plicht roept. "Nu zelfs een uur vroeger", zegt ze. "Zo mag je niet denken", antwoord ik. "Je slaapt minder, maar je geniet 's avonds meer van het uur extra licht." Ik krijg een dat-gaat-gij-hier-niet-bepalen blik. Het zou de laatste keer kunnen zijn, zegt mijn krant. Niet die blik, maar dat we een uur overslaan. De Europese landen mogen kiezen tussen zomer- en wintertijd. Stel je voor. Een uur tijdverschil met onze buurlanden. Het is een kunstmatig iets, die tijd. Maar het zorgt voor houvast. Zo heb ik lang gedacht dat "kwart voor" een belangrijk moment was. Om kwart voor acht begon het journaal op Brussel. Om kwart voor zes werden de voetbaluitslagen voorgelezen. Dat was pas een moment. Je moest stil zijn, want ze werden niet herhaald. Denken aan die voetbaluitslagen is denken aan die rode Simca. Onze neef was enkele jaren ouder, had een rijbewijs en reed op zondagnamiddag met zijn pa, onze goedlachse nonkel, naar de uitwedstrijden van Lommel SK. Wij mochten mee. Ik herinner me een wedstrijd in Gerhees. Was het in bevordering? Of toch in derde? Zijn rode Simca had kuren, vertelde hij bij het vertrek. De auto mocht niet stilstaan. Anders viel de motor uit en moesten we duwen. We reden langzaam naar de verkeerslichten om niet te moeten stoppen. Het leek me straf, want de auto had thuis ook stilgestaan. Maar het was lachen. De wedstrijd was om kwart voor vijf afgelopen. Om vijf uur zaten we in de auto. De hotdog hadden we in de rust naar binnen gespeeld. Misschien reden we langzaam om onderweg kwart voor zes niet te missen. Wat waren we stil, in die rode Simca.

Rudi Lavreysen
15 0

Hoe corona ons de troost afnam

Het is een spreekwoordelijke open deur intrappen dat corona ook al veel zielenleed heeft berokkend. De dagelijkse zo nodige nabijheid van geliefden en gelijkgestemden is verbroken, er werd écht afstand gecreëerd tussen mensen. Individuen die de nabijheid van elkaar zo nodig hebben. Ik kan niet met droge ogen denken aan de medemensen die nu - in woonzorgcentra of anderszins - wegkwijnen van de eenzaamheid. Of de situaties waarbij in zeer beperkte kring afscheid moet genomen worden van de diegenen die ons definitief verlaten. De enige wat rest zijn de herinneringen. Deze gedachten overvielen me bij het bekijken van het middagnieuws. Binnen het huidige kader werd weinig moeite getroost voor het lustrum van de aanslagen op de luchthaven en in Maalbeek. Met diep respect voor de al dan niet overleden of overlevende slachtoffers en hun families. En voor alle hulpdiensten. Voor zij die nog elke dag het gevecht leveren, fysiek en/of mentaal. Wellicht heeft niemand hier vandaag niet de nodige aandacht voor gehad. En dan zie je die ceremoniële beelden … De Koning, de Koningin, enkele hoogwaardigheidsbekleders en familieleden, de premier, en veel, veel ruimte, veel lege stoelen, veel leegte. Alsof het beleven en verwerken van het leed een steriele gebeurtenis is. Gedeelde smart is halve smart. Onderschat de louterende kracht van uithuilen op een aangeboden schouder toch niet. Maar zoals zonet al aangehaald is de smart niet te delen, door de maatregelen, door de dreiging van die vuile, smerige, geniepige maar o zo gevaarlijke en dodelijke ziekte. De noodzakelijke fysieke afstand creëert ook mentale en emotionele afstand. Duidelijk is dat niet enkel onze fysieke integriteit mega in gevaar is, maar dat in het gevecht hiertegen ook onze psyche zwaar onder druk staat. Neerslachtigheid, depressies, uitzichtloosheid, … Al deze gevoelens zijn niet van de lucht. Maar het ergste vind ik nog dat corona ons de troost heeft afgenomen …

SvenR
20 3

Onheil

Ik ben aan een groot onheil ontsnapt, en dit onheil hing in de lucht. Het klinkt als een cliché. Beter gezegd: het ís een cliché, maar anders kan ik het niet zeggen.     In het park, hing aan een tak van de grote eik bij mijn eendjesvoerplek, een stapel dozen.  En dit betekende onheil, het hing letterlijk in de lucht.  Op zonnige dagen liep ik in de middag uit mijn werk van de Duffemakade via het park naar de Kuchensesteenweg. ‘s Morgens niet, dan was ik chagrijnig en bleef ik in de bus zitten en als het regent of koud is ook niet, ik was niet gek. Het rondje rond het park was twee haltes.   Die middag half zes was het vijfentwintig graden, mijn colbertje hing nonchalant over mijn schouder. Van de twee vijvers in het park was dit de kleinste en, met modderig stinkend stilstaand water, de minst populaire. Zeker in de zon, en tussen vijf en zonsondergang perste de zon volop haar warmte op het water, scheen het hier te stinken. Volgens anderen, want door een overdaad aan snuiven in mijn jonge jaren, was mijn reukzin dusdanig aangetast dat ik het water niet vond stinken. Het is altijd lekker rustig en met plezier voerde ik mijn lunch aan de eendjes. Ik moest met een leeg broodtrommeltje thuis komen en eendjesvoeren was beter dan alles in de afvalbak op het station mieteren. De eendjes kenden mij en kwamen vrolijk op mij afkwateren. Ze aten zelfs uit mijn hand.   Hier heerste een sacrale rust, de laatste meditatieplek in de stad. Op die bewuste dag niet: toen hingen daar dozen in de boom.   Drie dozen.    Drie kartonnen dozen.    Drie bruine kartonnen dozen.     Drie open bruine kartonnen dozen.    En uit elke open bruine kartonnen doos kwam gepiep. Vroeger zou je het gerinkel noemen, maar smartphones rinkelen niet meer, die piepen of zingen of blaten. Als ze al rinkelen hoor je kapot glas.   Dit gepiep klonk dringend en agressief. Ongemakkelijk liep ik snel verder. Deze piepdozen betekende maar een ding: Onheil en rampspoed. Oké, twee dingen dus. Bij het grasveld rond de grote vijver, waar ik meestal zo snel mogelijk langsschiet, liepen verhitte gezichten rond. Een kortbebaarde jongen met een rood Scarlet jasje kwam op mij af.   ‘Heeft u de oproerkraaiers gezien?’ vroeg hij   ‘Hoebedoelu?   Een oranje sweater van Orange botste tegen mij op, verexcuseerde zich en snelde door.    Twee paarsblauwe shirts van Proximus renden het grasveld over, de rechter hield een soort ouderwetse radio met grote antenne in zijn handen. De antenne draaide rond, de antenne leek wel in paniek om zich heen te kijken.   ‘Vanmorgen ontsnapten zeven smartphones.’   ‘Ontsnappen?’ vroeg ik. Als het waar was, dan was ik aan een groot onheil ontsnapt.   ‘Drie hiervan waren al eerder vertrokken en zijn gisteren gepakt.' zei hij. 'Voordat we de GPS uit konden schakelen namen ze weer de benen, nu met vier kompanen.’   ‘Hoe?’   ‘De trilstand,’ zei het rode jasje. ‘Ze bellen elkaar en trillend schuiven ze zo een stukje verder. Binnen vijf minuten schuiven ze een paar honderd meter door. Je let een keertje niet op en hupsakee: je bent ze kwijt.’   De oranje sweater kwam terug en zei: ‘Waarschijnlijk zijn ze nu met een paar honderd, zoveel mensen hebben een toestelvermissing gemeld.’ Zij keek angstig om zich heen. ‘De laatste melding kwam hier uit het park.’   ‘Ik heb de rebellerenden gezien. In een doos,’ riep ik uit.   ‘Camouflage! Dat we daar niet aan gedacht hebben,’ zei roodjasje. Hij vormde met zijn handen een trechter voor zijn mond. ‘Ze hebben zich verstopt, een publieke melder meldt hier een publieksmelding:  ze verstoppen zich in een doos.’   ‘Drie dozen,' zei ik.   ‘Drie dozen!’ bazuinde hij.    Iedereen schoot een kant op en met een paar seconden was het grasveldje leeg. Een enkeling waadde nog door de grote vijver, haar gele Telenet trui knipoogde vrolijk terwijl ze zich zo snel mogelijk naar de wal probeerde te bewegen.    ‘Wat voor dozen?’ vroeg de rode jas.   ‘Kartonnen dozen.’   ‘Kartonnen dozen!’   ‘Bruine dozen,’ zei ik voor de zekerheid.   ‘Bruine dozen!’   ‘Ik zag de dozen daar,’ zei ik en wees in de richting van de kleine vijver.   ‘Mensen, die kant op!’ toeterde het jasje en iedereen kwam teruggerend. Ze verzamelden zich om mij heen, keken gespannen in de richting van mijn hand en renden in een kleurige stroom weg. Ik riep ze nog na: ‘Pas op, het water stinkt daar!’Dapper volk, mij zag je daar niet meer. In de bus wilde ik mijn vrouw melden dat ik eraan kwam, en merkte ik dat ik mijn telefoon miste. Na twee jaren, drie maanden en een week bedriegelijke rust, was muiterij in mijn binnenzak ontstaan! Zoals ik eerder zei: ik was aan een groot onheil ontsnapt.

MCH
16 0

Voor de kleine groten

In de twaalf jaar dat ik mijn ouders gehuwd heb gekend, heb ik ze nooit jaloers gezien. Ik weet niet of het een overvloed, dan wel een schaarste aan liefde was.Mijn ouders waren geen reizigers; ze leefden op een uitgesleten piste die ze rondgingen als afgeleefde lastdieren. De één torste ego mee, de andere angsten. Beiden noemden het rede. Toen wist ik nog niet dat rede altijd acheraf kwam. Volwassenen kunnen namelijk alles uitleggen, vooral aan zichzelf.Het huwelijk kende problemen, zeker. Maar geen problemen die achteraf pas helder werden. Er was geen geweld, geen alcohol of overspel. Er was wat er altijd was, onrust.Onrust is een evolutie. Onrust is honger in de nacht. Onrust is een kettingbotsing van wegkijken. Mijn ouders waren bang van vele dingen, zoals volwassenen wel vaker zijn. Je moet ze niet te veel toevertrouwen. Ik heb ze bijvoorbeeld nooit gezegd dat ik gepest werd , dat kunnen ze niet aan.Kinderen snappen dat veel beter. Volwassenen zijn als kinderen, ze kunnen het gewoon beter verstoppen.Achteraf, als de storm lijkt te liggen (als een rotweiler, sluimerend achter een hek) merken ze het; je kunt niet op vakantie gaan zonder jezelf mee te nemen.Ze pijnigen anderen om niet altijd het slachtoffer te spelen. Want ego en angsten brengen ego en angsten. De ziekte zit namelijk in de remedie.Ze willen dat wij, kinderen, opgroeien. Maar wat ze niet beseffen is dat we niet opgroeien, maar afgroeien, als het waar. We spreken onszelf toe zoals we aangesproken worden. En wij willen niets meer dan liefde in ons eeuwig huwelijk met de volwassenen. Tot ook wij de zekerheid van onze gebroken kindertijd missen als het mes waarmee we ons snijden. De wind blaast het zand over de ruïnes van onze herinneringen. Ons bewustzijn is een woestijn.Kinderen zijn als volwassenen, denk ik dan. Ze kunnen het gewoon beter verstopen.

Stelselmatig
8 1

Verlies van lading

Wij zijn het verlies van lading. Wij zijn meesters in het verrassingseffect. Het is een heerlijk gevoel om met het lot te kunnen spelen. Vaak zijn we goedgezind en zorgen we voor een vleugje humor doorheen de dag. Zo lieten we ons enkele jaren terug flink gaan in Rusland, waar we besloten om twee trucks tegen elkaar te laten botsen. De lading gele verf gutste over de achterliggers. Het was best een maf zicht, en de wereld zag er toch heel wat kleurrijker uit. Dit vinden wij een mooie verdienste. Soms hebben we ook eens een dag waarop we eerder kiezen voor het lugubere, om mensen een lesje te leren. In Taiwan hadden we ons plezier met een walvis van zo'n 45 ton. Het lijk lag rustig op een oplegger, dat kan je nu eenmaal van lijken verwachten. En toen de oplegger een drukke verkeersader doorkruiste, kozen we ervoor om het te laten exploderen. De hele omgeving zat onder walvisblubber en wij waren alvast verlekkerd op de uitkomst. Het zal ze leren om een dood dier door de stad rond te zeulen, laat dat dier toch gewoon rustig vergaan op het strand. Vandaag hebben we het op Marine gemunt. We weten dat op het moment dat de Pyrex-schaal zich door de voorruit zal boren, zij maar aan één ding zal denken. Het zal haar terugbrengen naar een donderdag zo’n dertig jaar geleden, toen ze met haar vader net een nieuw zwembad was gaan uitkiezen. Een dolle pret zou het worden in het grote zwembad dat haar ploeterbadje zou vervangen. Wij zagen al dat het zwembad nooit in het achtertuintje zou passen, en vonden het onze taak het zwembad daarom nooit op z’n bestemming te laten aankomen. Ook het kleine Renaultje R4 van haar vader was trouwens niet opgewassen tegen de grote verpakking en het kostte wel wat moeite om deze in het wagentje te proppen. Maar toch, na heel wat gesakker en gevloek kon haar vader vertrekken, weliswaar met de koffer open en slechts wat dichtgebonden met een touwtje dat hij nog ergens vond. Het zou maar een klein stukje A7 worden. Het liep allemaal goed tot wanneer haar vader het gaspedaal wat dieper indrukte. Marine zat op de achterbank en genoot van de wind die door haar haren speelde en deze tot een suikerspin lieten oprijzen. Ze kirde het uit. En toen gebeurde het, wij telden af tot op de seconde. Drie, twee, een. De kartonnen doos gleed uit de wagen en spatte open op het asfalt. De vrachtwagen die achter de auto hing kon niks meer ontwijken en de zware wielen vermorzelden het pakket. Marine’s vader werd lijkbleek en Marine schreeuwde als een klein varkentje dat naar de slachtbank werd geleid. Nooit zou ze het hem vergeven. Wisten wij dat er een woede zou ontsteken die enkel zou gestild worden door eten. Massa’s eten. Marine barstte uit haar voegen en pas toen haar vader stierf, verdween ook de woede en de zin naar eten. En net vandaag, nu ze op weg is naar de Weight Watchers-bijeenkomst en ze aan het dromen is van een overvloedige maaltijd om haar kleine triomf te vieren (die 10 kilogram is er eindelijk af!) sturen wij een schotel worsten door haar voorruit. Naast de meesters van het verrassingseffect zijn wij immers ook meesters van de ironie. (Geschreven na het lezen van volgende artikel 'Vliegende schotel met worsten knalt door voorruit van rijdende wagen' : https://www.hln.be/bizar/vliegende-schotel-met-worsten-knalt-door-voorruit-van-rijdende-wagen~ade227a6/)

Jolien Van de Velde
9 0