Lezen

CORONA BLAUW

Eindelijk kijk ik naar een onbeschreven blauw.  Een uitzicht van een ver verleden, zoals mijn  voorouders dit destijds zagen.  Geen onrustbrengende witte lijnen meer, die tot nu, als het mes van een vandaal, elke dag opnieuw in het blauwe canvas van dit meesterwerk van de natuur heeft gekerfd. Geen verscheurdheid is er te bespeuren, geen slordig gekriskras, enkel rustig blauw. Het blauw is blauwer dan ooit.  Ik geniet van die ongestoordheid, dat natuurlijke evenwicht en kijk naar de corona rond de zon.  Zie nu toch!  Zelfs de wolken lijken rustiger te zweven en vervolgen hun weg zonder die witte slagbomen van overdreven menselijke activiteit. Toch merkwaardig dat ik als kunstenaar zijnde, zo genieten kan van die ongerepte blauwe leegte! Een kunstenaar moet toch gedreven zijn door die lijnen, die met een snelheid van 900 km per uur getrokken werden.  In mij is echter een Rothko wakker geworden.  De weergave van ongestoorde zuivere blauwe trilling.  Het lijkt wel alsof ik dit blauw verder en verder kan uitdiepen, de leegte voorbij. De ervaring is concreter, dieper, voller, gevoeliger...  Er komt een ruimtelijk gevoel over mij.  mijn kot wordt de wereld, het raam valt weg.  Ik adem de lucht weer zuiverder, het licht is helder en de lente mooier dan ooit! Ik ben helemaal smurfs, blij lopend doorheen het stripverhaal van mijn nieuwe leven, onder die ene witte wolkenmuts. O, wat is de eenvoud van het leven mooi!  Zo mooi als het corona blauwe ervaren!

madivo
25 1

Bijdrage aan een schrijfwedstrijd.

CurieusWest organiseerde onlangs een schrijfwedstrijd. In "One Moment in Time" vind je het hoofdstuk Verhaal nummer 40 , mijn oorspronkelijke bijdrage vind je hier. Saskia De Coster schreef begin, midden en einde in dit spannend schrijfavontuur.  De volgende dag vallen de maskers af. ‘Jullie worden over een uur verwacht. Sofie.’ las Michel op zijn gsm. Het wordt geen koffiekransje, weet hij. ‘Kleed je aan, we vertrekken,’ beveelt hij Maris. ‘Michel, wat…’ en kleedt zich snel aan. ‘Stel geen vragen, schiet op.’ Ze heeft nochtans op dit moment gewacht. In de auto die hen van Oostende naar Brussel brengt, beseft ze dat de wereld niet is veranderd; gedichten, teksten van werkloze auteurs, kleffe televisieprogramma’s, domme influencers en arrogante opiniemakers ten spijt. Iedereen heeft plotseling iets te zeggen en iedereen zegt uiteindelijk hetzelfde. Altijd dat ik. Altijd dat ego. Altijd dat showgehalte. Altijd geschreeuw en gegil. Huidhonger vindt ze een irritant woord.             Maris zucht. Michel zegt geen woord. ‘Ik ben geen Madame Soleil. Ik voel de dingen aan, ik leg verbanden,’ terwijl ze aanwijzingen probeert te zoeken op haar gsm maar de gezichtsherkenning ontgrendelt het apparaat niet. Idiote trut, denkt ze. Het is haar mondmasker. Sterke software toch.             Na anderhalf uur rijden doemt de basiliek van Koekelberg op. Via Molenbeek rijden ze richting Zuidstation naar hun eindbestemming. Ze weet wel naar waar. Brussel ontwaakt als uit een roes, dat doet de stad iedere ochtend, maar vandaag lijkt de stad slecht te hebben geslapen. Mensen met blauwe mondmaskers negeren het afstandswandelen. Ze buigen de hoofden naar hun schermpje, ze kijken niet naar elkaar. Verderop staan mensen te wachten voor gesloten prularia-winkels die straks hun koopverslaving zullen weten te temmen. Het monster van de graai-economie is terug.             Mensen hebben veel van zichzelf verloren, bedenkt ze. Het lijkt ook niemand te storen dat de overheid zomaar in de privacy van je huis en van je leven kan komen. Tok tok op de deur, kom maar binnen en kijk maar rond. Wat is er met hun kritische blik op de wereld gebeurd? Ze mist de lockdown al. Ze wil berusting. Nog even en dan… Haar kleding schuurt over haar lichte brandwonden en brengt het ongeluk terug in haar geheugen. Ze herinnert zich dat ze wakker werd in de kliniek waar verpleegster Saskia zich over haar ontfermde. Ze vergeet nooit haar warme strelen, haar goedlachse ogen en haar flauwe humor die haar erdoor hebben gesleurd. Hoe goed het voelde toen ze afspraken eens te gaan ontbijten in hotel du Parc of cava te drinken in beachbar Polé-Polé. Nu had ze perspectief. Een nieuwe vriendin misschien om mee op het podium te staan.             Op de radio klinkt een treurig liedje van Whitney Houston. Nooit meer Whitney, denkt ze bij zichzelf. Whitney is vallen en uitschuiven. Te veel miserie. Als ik terug op het podium sta, wil ik iets krachtiger. Iets wat een hit had moeten zijn, de hele wereld had moeten wakker schudden. Iets met tekst, met inhoud, met ballen en met borsten. In alle kleuren. In alle tonen. In alle stijlen.             De auto rijdt de ondergrondse parking van het ministerie in. De chauffeur parkeert de wagen. De deur gaat open. Ze voelt een lichte opwinding opkomen. Ze is er klaar voor. Game over.  

Erwin Abbeloos
0 0

De witte droom - proloog

Elaleh Khayyam was pas 23 jaar oud toen zij begreep dat bomen intelligenter waren dan de meeste mensen. Eerst vond ze dit idee een kinderlijke gedachte. Een droom. Tot die ene winterdag in een dorp aan de voet van Mount Fuji.  ‘Iedereen droomt, maar veel dromen verdwijnen’, vertelde de oude Japanner, terwijl hij een vissersnet herstelde. ‘Zoals bladeren. Ze dwarrelen naar beneden, vallen op de grond en rotten dan weg in de koude winter. Enkele dromen worden opgeraapt door jonge kinderen en hun moeders, meestal na de vroege ochtenduren, wanneer de dauw verdampt is. Dan leggen ze deze tussen absorberend papier dat ze daarna tussen de pagina’s van een zwaar boek leggen. De bladeren worden droger en droger totdat ze eindigen in een fotoboek samen met wat uitleg. Later, weken of zelfs jaren later, bladeren moeder en kind vaak door hun herbarium om te begrijpen waaruit de natuur bestaat. Moeders kunnen medicijnen van deze dromen distilleren waarmee ze hun kind kunnen genezen van de kwalen van deze tijd.’ Op deze ochtend in februari zaten Elaleh en hij op een houten bank aan een meer dat beroemd was voor zijn uitzicht op Mount Fuji, maar vandaag verschool de vulkaan zich achter een reusachtige wolk. Ze zaten met hun rug naar haar toe, maar toch kon Elaleh haar aanwezigheid voelen. In Japan geloven ze dat bergen vrouwelijke geesten zijn. Niet alleen bergen. Volgens het shintoïsme kunnen ook in rotsen, bomen, watervallen en rivieren geesten huizen, de zogenaamde kami. Zodra Elaleh over dit basisidee van shintoïsme hoorde, beeldde ze zich vaak in hoe de natuur haar zou zien.  Luisterde Mount Fuji ook naar het verhaal van Kazemori san?  Kazimori san was de enige Japanner in de buurt die Engels kon praten (want hij had een Canadese vrouw) en die ook nog eens tijd had om haar tolk te spelen. De Japanse cultuur was in dit dorp nog uitzonderlijk intact gebleven.. Hij had haar meer verteld over de heilige bomen van de Kisovallei die zo fel beschermd waren door de samoerai dat je de doodstraf kon riskeren als je een van hen omhakte. Hij legde haar de structuren uit die ervoor zorgden dat houten tempels eeuwenlang aardbevingen konden weerstaan en weefde af en toe een haiku door zijn uitleg. Wat Elaleh het meest interessant vond, was dat Japanners hun meest heilige tempels om de twintig jaar herbouwen. Op die manier gaven ze de kennis en waarden om die tempels op te bouwen met de volgende generatie mee. In een land vol aardbevingen, tsunami’s en tyfoons leefden huizen niet lang maar de Japanse waarden en kennis zijn diep verankerd in de bodem en worden met elke generatie dieper de grond in geduwd. Elaleh beeldde zichzelf in als jong meisje in een veld vol Japanse schrijnen, samen met haar moeder. Haar moeder hield een glazen bokaal vol blaadjes vast. Elaleh reikte uit naar de bokaal, maar haar moeder tilde de bokaal hoger zodat Elaleh er niet bij kon.   ‘Dromen zijn zo mooi en leerrijk’, zei hij. Ze keek op naar Kazemori san. Na twee dagen was het tijd voor haar om verder te gaan. Haar studiereis in Japan was bijna over en over enkele dagen werd ze op haar project in Tokio verwacht. Toch wou ze zich nog voor een laatste keer als een klein nieuwsgierig meisje in een trage wereld voelen, voordat ze zich terug in een hippe designer jurk moest wurmen. Deze oude Japanner deed haar aan haar tante Nastya denken. Haar tante en de oude Japanner waren allebei verhalenvertellers uit een tijd die niet meer bestond, of die je alleen nog maar in verborgen hoekjes terugvond. Zijn vingers dansten nog steeds over het net. Een herinnering waaide op. Tante en ik in een berkenbos. De zon stond hoog,het was nog niet helemaal lente. De oude dikke vrouw gaf haar een glas met berkensap. En Elaleh dronk. Elk jaar nam tante Nastya haar aan het begin van de lente mee naar deze bomen om hun medicijn af te tappen. Berkensap deed je haar en huid glanzen. Totdat ze 21 jaar oud was. Tante Nastya had gezegd dat het tijd was dat Elaleh haar eigen weg vond.  ‘Het is wreed dat ze die ziekte de witte droom noemen’, zei Kazemori na een stilte. Elaleh wendde haar blik van hem af en keek naar haar handen.  ‘Een ziekte die zoveel moeders van hun kinderen heeft gescheiden.’ Tranen blonken in zijn ogen, maar geen een rolde over zijn wangen. Hij boog zich nog meer over zijn vissersnet.  Elaleh bleef naar zijn vingers kijken. Ze wou nog niet aan de wereld denken.  ‘Ik dacht dat Japan zijn ergste tijd meegemaakt had’, vervolgde de oude Japanner. ‘Het leek dat we de grillen van de natuur stilletjes aan konden bedwingen. Maar dan duiken er altijd nieuwe gevaren op. De witte droom, de Groene Uitbarstingen. De kami laten ons nooit vergeten dat het leven een cyclus is van goede en slechte momenten, van eb en vloed.’ Elaleh keek van het net naar het gezicht van Kazemori san. ‘Ik weet hoe je je voelt. Een kennis van mijn lagere school is ook aan de witte droom gestorven,’ zei ze, ‘en twee andere vrienden zijn in de Groene Uitbarsting in Londen omgekomen. Maar ik probeer er niet aan te denken. De wereld zal beter worden. We zullen weer gelukkig zijn. Elke dag  zijn er meer technologische ontdekkingen. Ik ben er zeker van dat ze snel een oplossing zullen vinden.’ De Japanner concentreerde zich weer op zijn net. ‘Hij sprak ook altijd over technologie. Daarom was hij naar Tokio verhuisd. Hij dacht dat hij daar gelukkig zou zijn.’ Elaleh wreef over haar armen. Ze wist niet hoe ze moest reageren.  ‘Ben je gelukkig in Londen?’ vroeg hij.  Die vraag verraste haar. ‘Ja. Ik woon daar graag.’  ‘Mis je je ouders niet?’  ‘Edinburgh is niet zo ver van Londen’, zei Elaleh snel, en dan besefte ze nog eens hoe hard ze hen miste. ‘Ze zijn gelukkig, omdat ik mijn droom volg. Vooral mijn mama is blij, want ze zou hetzelfde doen.’  ‘Zijn ze blij dat je in Tokio bent?’ ‘Ik ben hier maar voor korte tijd’, zei Elaleh. ‘Ze weten dat ik terugkom.’ Plots dansten onzichtbare vingers over haar ruggengraat. Ze klopte op het hout van de bank. ‘Schots bijgeloof’, mompelde ze en ze bloosde.  ‘Je hebt nog geen familie verloren’, begreep de oude Japanner.  Hun blikken ontmoetten elkaar.  ‘Nee’, zei Elaleh. Haar hart bonsde in haar oren.   Hij glimlachte en zei iets in het Japans tegen het vissersnet. Dan begon Kazemori san aan een verhaal. ‘Er was eens, en er was eens niet, een prinses zo wit als sneeuw.’ Elaleh wierp een blik op haar horloge. Ze had nog tijd.  ‘Ze was niet altijd zo wit geweest. Ooit was ze zo groen als gras dat onder je blote voeten knispert. Zo geel als de reusachtige zonnebloemen van haar vader. Zo roze als een kirrende baby. Zo bruin als de majestueuze beuken in een dreef. Zo oranje als de heerlijk ruikende pompoensoep van haar schattige oma. Zo blauw als de bessen in zijn tuin. Zo rood als zijn lippen. Ooit was de jonge prinses zo. Totdat het rood van zijn lippen ‘ja’ zeiden. Haar geliefde zou trouwen met een ander. Haar kleuren vervaagden in het donkerste van haar ziel en plots was zij niet meer de kleurrijke prinses, maar de Witte Prinses. De kleuren van haar jeugd waren vage herinneringen in een zwart gat, haar glimlach was verloren in een doolhof van onbegrip en haar hart bevond zich in een land waar zij nooit geweest was.’ Elaleh rechtte haar rug, maar onderbrak hem niet.  ‘Alleen haar meest loyale dienstmeisjes wisten dat ze deze ziekte had. Elke dag als ze opstond, zo wit als de nacht, hielpen ze haar om haar witheid te verbergen. Ze zat voor haar spiegel en liet haar dienstmeisjes haar lippen zo rood als robijnen verven. Haar ogen zo groen als esmerald. Haar haren zo bruin als hout na regen. Ze kleurden haar gezicht met pigmenten uit het Verre Oosten. Dan bekeek ze zichzelf in de spiegel en als het haar niet beviel, trok ze het masker van haar witte gezicht en liet de dienstmeisjes weer helemaal opnieuw beginnen. Het duurde altijd lang voordat ze eruitzag zoals anderen. Zoals haar ouders en haar onderdanen van haar verwachtten.’ Elaleh zag zichzelf op haar stoel in haar badkamer in Londen zitten. Alles lag voor haar uitgestald. Eyeliner, oogpotlood, een palet met veertig verschillende tinten oogschaduw, elf verschillende kleuren lippenstift, watjes. Onder haar spiegel, in een perfecte lijn wachtten haar 43 flesjes met nagellak.  ‘Niemand wist dat ze leed aan wat haar dienstmeisjes de witte droom noemden. Ze zorgde er  altijd voor dat ze er voor de buitenwereld piekfijn uitzag.’ Het potje naast haar nagellak bevatte haar recept voor succes.  ‘Zelfs niet de man van wie ze hield wist wat zij meemaakte, de man die ging trouwen, de man die haar hart had gebroken.’ Elaleh keek terug naar haar horloge en dan naar de oude Japanner. Ze nam vaak drugs met haar vrienden in Londen. Ze noemden het witte poeder hun vaccin tegen de witte droom. Hoe kon je anders presteren in een competitieve maatschappij? Alleen verborg ze dat voor haar familie. Net zoals de prinses moest Elaleh haar ‘witheid’ geheim houden, want ze wist dat haar familie de waarheid niet aan zou kunnen.  ‘Zijn naam was Zinan. Hij was een wijze ridder van goede inborst en hij had een zacht karakter. En toch was hij niet echt dapper en twijfelde hij vaak over zijn beslissingen. Meestal koos hij voor de meest gemakkelijke weg.’ Ze dacht aan haar eerste keer. Een vriend had haar zijn geheim voor succes toevertrouwd nadat ze had gemopperd over de vele deadlines en druk in haar tweede jaar aan de universiteit. Waarom verwachtten haar professoren dat je een heel design in minder dan vijftig uur kon uitwerken? Met zijn hulp leverde ze een design in dat de professor van zijn sokken blies.  ‘Eigenlijk weet ik ook niet waarom de prinses Zinan zo bijzonder vond.’ Elaleh knipperde met haar ogen. ‘Ze hadden wel heel wat interesses gemeen en waren allebei aardig, intelligent en nieuwsgierig naar de wereld, maar voor de rest was hij niet zo bijzonder. Het is zelfs verwonderlijk dat hij twee aanbidders had, namelijk de witte prinses en de rijke barones. Haar naam was Benten.’ Hij richtte zich tot Elaleh. ‘Waarom denk je dat hij voor Benten koos?’ ‘Ze was mooier’, zei Elaleh. Haar stem trilde. ‘Benten moest beter zijn dan zij. Op vele manieren. Mooier. Slimmer. Avontuurlijker. Grappiger.’ ‘Of had de Witte Prinses een laag zelfbeeld?’ merkte de oude man op. ‘Wist Zinan eigenlijk dat ze op hem verliefd was?’ Elaleh schudde haar hoofd. ‘Ik ken dit verhaal niet.’ De oude Japanner glimlachte droevig. ‘De Witte Prinses kreeg de witte droom omdat haar hart gebroken was’, fluisterde hij. ‘Onlangs las ik een artikel waarin stond dat mensen die voor een lange tijd droevig zijn meer kans hebben om de witte droom te krijgen. Als je hart gebroken is, kan witheid gemakkelijker zijn weg vinden via de spleten van je ziel.’ ‘Waarom vertel je dit verhaal?’ vroeg Elaleh.  ‘Ik kan het niet uitleggen. Het klinkt raar, maar mijn verhalen kiezen mij. Niet andersom. Het lijkt alsof een muze de verhalen in mijn oren fluistert.’ ‘Het klinkt alsof het verhaal gebaseerd is op jouw eigen ervaring’, zei Elaleh.  ‘Nee’, zei hij snel. ‘Die muze is misschien een schim van je vorig leven.’ Hij knipperde met zijn ogen.  ‘Geloof jij niet in een vorig leven? Is reïncarnatie niet boeddhistisch?’ vroeg Elaleh. ‘Vraag dit niet aan een stervende persoon’, zei hij. ‘Die zich meer wil bezighouden met zijn huidige leven.’  Zij sloeg haar ogen neer.  Hij pauzeerde. ‘Wil je dat ik verderga?’ Elaleh knikte. ‘Toen brak de dag van de trouw aan. Het bruidskleed van Benten was rood. Alles op de bruiloft was rood. De Witte Prinses voelde zich ellendig en verstikt, de pijn van haar ziekte voelde aan alsof ze verdronk. In de kerk merkte ze op dat als ze iets aanraakte, de kleuren van het voorwerp wegtrokken van haar vingertoppen. De kleuren leken te sidderen en zinderden als de lucht bij een hittegolf. Andere aanwezigen merkten ook op dat de kleuren onrustig waren. Toen Benten en Zinan het rood van hun lippen uitwisselden, vulde een luid gegil de kerk. Met ogen zo groot als verfpaletten staarde de Kleurrijke Koningin naar haar dochter.’ Elaleh dacht aan haar eigen moeder met haar rode haren voordat ze grijze haren kreeg. Haar fiere houding. Enkel haar kleding vond ze dof en saai.  ‘De tranen van de Witte Prinses hadden de valse vliezen van kleuren doen losweken zodat iedereen kon zien hoe wit zij was. Meer mensen begonnen te schreeuwen. Toen riep de Kleurrijke Koningin tot het volk dat ze voor haar dochter zou zorgen.’ Elaleh glimlachte naar de oude Japanner. Een warme gloed spreidde zich van haar vingertoppen tot haar tenen. Elaleh wist dat haar moeder op exact dezelfde manier zou reageren.   ‘Onmiddellijk bracht zij de Witte Prinses naar de beste dokter in het koninkrijk. De dokter bestudeerde haar ogen, luisterde naar haar hart en onderzocht de gleuven in haar lippen. Na een knik ging hij achter zijn bureau zitten en drukte zijn vingers tegen elkaar. ‘Wat is er met haar?’ vroeg haar moeder. ‘Ze is stervende’, zei de dokter droog. Haar moeder werd ook lijkbleek. ‘Kan u haar niet genezen? Ze heeft zo’n beloftevolle toekomst. Ze heeft de grootste onderscheiding, ze heeft de beste vrienden, ze is mooi en heeft veel geld. Waarom zou ze moeten sterven?’ ‘Ik kan haar niet helpen’, zei de dokter. Elaleh zag in haar herinnering haar moeder tieren en schreeuwen tegen haar vader.  ‘Hoe lang heb ik nog?’ vroeg de Witte Prinses met een krop in haar keel. ‘Je gaat de lente niet meer halen’, zei de dokter. Haar moeder gaf de hoop niet op. Haar moeder nam haar mee naar de tuin en liet haar van de bessen proeven, maar ze absorbeerde het blauw niet. Haar grootmoeder gaf haar pompoensoep, maar zij werd niet oranje. Haar opa versierde haar kamer met zijn zonnebloemen, maar het geel bleef niet op haar huid plakken. Haar familie en vrienden namen haar mee op wandelingen onder berken en eiken, maar ze bleef wit. Ze zochten in wouden, cafés, in de huizen van haar vrienden naar kleur maar de prinses bleef wit. De bomen zongen hun mooiste lied voor haar, want ze hielden van haar, maar ze zonk alleen maar dieper en dieper in de ijskoude oceaan van ellende.’  Elaleh huiverde. Ze zag zichzelf als tienjarige in een witte kamer. Tegenover haar zat een psychiater. Hij schreef iets in zijn boek. Elaleh haatte zijn minimalistische stijl. Het interieur was te leeg en ze tekende in haar hoofd uit hoe ze zijn consultatiekamer voller kon doen voelen. Er was meer kleur nodig.    ‘Op een grijze dag hoorde haar moeder van één van de dienstmeisjes dat een oude heks de witte droom had overleefd. De koningin nam haar dochter mee naar deze oude heks die op een berg aan het einde van de wereld woonde.’ Elaleh moest onwillekeurig aan tante Nastya denken. ‘De Bergheks glimlachte droevig bij de aanblik van de Witte Prinses. ‘Ik had dit ook’, zei ze. ‘Iedereen dacht dat ik ook zou sterven, maar ik had het geluk om op tijd een tovenaar te ontmoeten. Dé Kleurtovenaar. Hij gaf me alle kleuren van de regenboog.’ ‘Waar kunnen we hem vinden?’ vroeg de moeder snel. De Bergheks glimlachte geheimzinnig. ‘Ik moet het antwoord schuldig blijven. Ik weet niet waar de Kleurtovenaar is.’ Ze stond van haar zetel op, ging naar de open haard en gooide houtblokken in het vuur. ‘Ik heb het gerucht opgevangen dat hij zo ontdaan was van de dood van zijn kat dat hij in negen stukken versplinterde. Het was een zeer speciale kat. Deze stukken liggen over de hele wereld verspreid, maar ik heb geen idee waar.’ De Koningin richtte zich tot de Witte Prinses. ‘Jij moet op reis gaan en alle stukken van de Kleurtovenaar vinden, zodat je hem weer heel kan maken en zodat hij jou kan genezen.’ ‘Ja, dat begrijp ik maar waar begin ik?’ ‘Ik weet wat je bedoelt’, zei de Bergheks. ‘Tot enkele jaren geleden heb ik heel de wereld afgereisd omdat ik op zoek was naar iets, maar ik wist niet wat ik zocht en waar ik moest zoeken. Er is een leegte in ons allemaal, een witheid, die af en toe naar de oppervlakte drijft. Het is ons doel om deze leegte te kleuren en op te vullen met alle geluk van de wereld.’ Ze zuchtte. ‘Jij hebt deze leegheid voor zo lang genegeerd dat de de witheid in jou is geïnfecteerd tot een dodelijke ziekte… die alleen jij kan genezen.’ De oude Japanner legde zijn vissersnet neer.  Elaleh wachtte op een vervolg. ‘Hoe eindigt het?’ vroeg ze uiteindelijk.  ‘Waarom vertel jij het me niet?’ vroeg Kazemori san.  Elaleh lachte. ‘Ik ben geen verhalenverteller’, zei ze. ‘Maar je schrijft.’ ‘Ik schrijf blogs over lifestyle en interieur’, zei ze. ‘Niet over katten, en…’ Elaleh onderbrak haar zin omdat ze was afgeleid door een herinnering die plots opwelde. Het was een herinnering aan een nachtmerrie uit haar kindertijd. Ze zag een grasveld. De berken. Ze wandelde door het bos. Ze zag de oude man die op een boom leek. Hij stak zijn rechterhand naar haar uit. Zijn grijns was vals. Toen begonnen de bomen van het bos te dansen. Ze schrok toen de wortels en de takken met een flinke slag de oude man vermorzelden. Ze huiverde en keek Kazemori san aan. Hij knikte. ‘Er is een leegte in ons allemaal,’ herhaalde hij, ‘een witheid die af en toe naar de oppervlakte drijft.’ De handen en rug van Elaleh verkrampten. Soms had ze het gevoel dat de Japanse man haar gedachten kon lezen. Zijn metaforen raakten haar keer op keer.  ‘Goed. Als lifestyleblogger zou ik haar adviseren om naar de plek te gaan waarvoor ze het meest bang is,’ zei Elaleh, ‘want vaak bevinden verborgen schatten zich buiten de grenzen van onze comfortzone.’ ‘Zoals in Aokigahara’, zei Kazemori san.   Die naam gaf haar rillingen. De afgelopen dagen waren ze vaak langs dit dichte bos gelopen. Ze kende de reputatie van het bos voor ze dit Japanse prefectuur had bezocht. Sinds het verschijnen van de roman Kuroi Jukai, ofwel de Zwarte Zee van Bomen in 1960, pleegden veel Japanners hier zelfmoord. In de negentiende eeuw werd hier ook ubasute gepleegd, een soort van euthanasie waarbij jonge mensen ouderen in het bos droegen en hen daar lieten sterven. Kwaadaardige geesten lokten onschuldige zielen van het bewandelde pad. Elaleh had er elke keer stemmen gehoord. De stemmen klonken niet menselijk.  ‘Dat is inderdaad een enge plek’, zei Elaleh.  ‘Je weet wat je te doen staat’, zei hij.  ‘Wat bedoel je?’ ‘Het bos roept je.’ Een rilling liep over haar rug, alsof iemand zojuist over haar graf was gestapt.  ‘Ik begrijp niet wat je bedoelt’, herhaalde Elaleh voorzichtig. ‘Ik begrijp het ook niet allemaal’, zei de oude Japanner. ‘Pas alleen op. De geesten lokken graag jonge mensen. Soms denk ik dat mijn zoon naar Tokio is gevlucht omdat hij bang was voor de geesten in dat bos.’ ‘Ik geloof niet in geesten’, zei Elaleh.   De oude Japanner glimlachte. Hij stond op en maakte een lichte buiging. ‘Itterasshai!’ Elaleh en hij namen afscheid. Hij wandelde als eerste weg. Elaleh bleef nog een tijdje op de bank zitten. Waarom ben je zo bang? vroeg ze zich af. Het zit allemaal in je hoofd. Je bent beter dan dit. Ze stond op. Je bent geen klein meisje meer. Dan glimlachte ze.  Een halfuur later zat Elaleh op de bus naar Kawaguchiko. Tussen haar benen klemde ze een grote feloranje rugzak. Ze reden langs Aokigahara en Elaleh drukte op de bel. Ze schrok van haar impulsieve beslissing, maar tegelijkertijd tintelden haar handen en voeten van de opwinding. Ze stapte uit de busen zocht naar de ingang van het donkere bos. Toen Elaleh het spookbos betrad beklemde een onheilspellend gevoel haar borstkas. Dit bos was een plaats waar, net zoals bij de zee, zonneschijn alleen in bepaalde hoeken fonkelde. De bomen leken vreemd want hun kronkelende wortels en stammen weken alle kanten uit. Ze wist dat de bomen zo vreemd waren omwille van de vulkanische grond. Dat had ze van haar vader geleerd. Normaal gezien konden zulke weetjes haar niet boeien. Ze was geen geoloog maar een interieur designer. Ze hield niet van rauwe, maar van bewerkte producten. De grond voelde bevroren aan en overal lagen er reusachtige rotsblokken. Sommige bomen waren met mos bedekt. Tante Nastya had haar geleerd dat mos zure grond en water betekent. In Japan was mos het symbool van het eeuwige en daarom zag je zoveel mos in hun tuinen. Ook lagen er overal takken, schors en houtblokken van de berkenboom. Alsof iemand die daar had gelegd. Ze vroeg zich af of Japanners ook een speciale relatie hadden met berkenbomen. Ze wist dat ze de kerselaars in de lente tijdens picknicks bewonderden en vooral de geur van ceders en cipressen in hun haiku’s ophemelden. Maar berkenbomen? Elaleh zuchtte. Het was niet alleen stil; ze hoorde geen enkel vreemd geluid. Meer zelfs, ze hoorde helemaal niets, alsof iemand de volumeknop had toegedraaid in het bos. Na een tijdje begon ze haar hart te horen in haar borstkas. Het kloppende geluid maakte haar nerveus.  Er was geen enkel teken van leven. Er was een pad en dat nam ze. Bij elke stap die ze zette, klopte haar hart sneller. Ze versnelde haar passen want ze wou deze test zo snel mogelijk achter de rug hebben. Ze wist niet meer waarom ze hier was. Waarom deed ze zichzelf zoiets aan? Wat had ze verwacht? Dan hield ze halt. Ze werd overspoeld door gedachten. Talloze herinneringen van haar bezoek aan de kinderpsychiater prikkelden haar geheugen en haar ogen prikten van de opwellende tranen. Toen ze negen jaar oud was, vonden ze dat ze teveel fantasie had.  ‘Maar het is waar’, zei ze luidop. ‘De bomen hebben die man vermoord.’ Ze haalde diep adem. ‘Ze hebben me gered.’  En op dat moment wist Elaleh dat ze niet bang moest zijn voor de bomen. Plots zag ze iets in de verte fonkelen. Ze begon terug te wandelen, het fonkelend object tegemoet en  bevroor ter plekke door een immense bewondering voor wat ze daar zag. Een jonge dennenboom, zo oud als zij, was omringd door duizenden monotropastri,.Witte paddestoelachtige planten die Elaleh aan feeën deed denken. Ze zijn wit, omdat ze geen bladgroenkorrels gebruiken om nutriënten uit ontbonden materiaal te halen. Ze deed haar rugzak af en hurkte neer om haar fototoestel en een klein statief eruit te halen. Ze had een geweldig idee voor een volgende post op haar instagram account. Ze zette het statief op een rots en nam enkele foto’s van zichzelf en de monotropastri. Toen ze controleerde of dat ze juist en mooi op beeld stond, merkte ze dat een van de planten boven haar roze kleurde. De plant was op twee meter hoogte. Ze liet haar haar camera en statief achter en beklom een rotsblok om de roze plant van dichter te bestuderen. Zodra ze de plant zag, hoorde ze iets. Elaleh, waar is je mama?  De stem kwam van de dennenboom. Haar ogen sperden open van angst en ze viel bijna van de rotsblok, maar greep zich snel vast aan een boomstam binnen haar handbereik. Dan liet ze de boom los en klauterde omlaag. Ze schoot naar haar rugzak en wou de camera en het statief nemen, maar merkte dat die een meter verder stonden dan daarnet. Ze graaide naar de camera en het statief, en liep zo snel mogelijk het woud uit. Zodra ze uit het bos was, bleef ze stappen totdat ze de adem van de bomen niet meer in haar nek voelde.  Nog geen twee uur later bevond ze zich in een snelheidstrein naar Tokio. Pas daar durfde ze naar de foto’s van Aokigahara te kijken. Ze hapte naar adem, toen ze een foto van zichzelf op de rots bij de dennenboom trof.

Wendier
0 1

De Aarde doet het niet

De Aarde verdeelt niet in goed en kwaad. Dat doet de mens of was het God? De Aarde ziet niet, schuld of onschuld. Ze juicht niet bij overwinning, noch joelt Ze bij nederlaag. Dat doet de mens. De Aarde haat niet, noch heeft Ze lief. Dat doet de mens. De Aarde weet niet. Dat doet de mens. Zij leeft gewoon, Ze zet zich continu in evenwicht. Ze weet niet dat ze geeft, noch dat Ze neemt. Ze voelt niet dat Ze de gastvrouw is, de Enige, voor het leven in al zijn vormen. Neen, de Aarde neemt geen wraak. Ze zoekt evenwicht. Ze herstelt, steeds opnieuw en weer en nog … één keer? Wat doen de mensen intussen? Ze dromen weer, van groen en van hemelsblauw, van geel en koraalrood, van appelblauwzeegroen en zelfs van alle tinten grijs. Ze dromen weer van dansen en zingen, van samen eten en drinken en ze zouden lachen en iedereen die wil, doet mee. De anderen kijken en zouden zien dat dit ook goed was. Ze dromen weer van ‘gewone’ overstromingen, van ‘gewone’ hete zomers, van ‘gewone’ strenge winters, van ‘gewone’ natte herfsten. En mogen die ‘gewone’ grillige lentes ook terug? Alle seizoenen op hun plaats, op de wereldbol en in tijd. De rivieren meanderen weer. De vissen maken zich klaar, onwetend, waarvoor ze bestaan. De mensen dromen weer van de olifant, de vos, de haas en de giraf, de fazant, de wezel, het everzwijn, de slang en zelfs de vieze dikke spin. Dat die allemaal weer een plaats hadden, hun eigen plaats. Ze dromen, die mensen, dat ze zelf plaats genoeg hebben. Er was toch nog altijd elkaar! De kinderen, ze mogen zíjn, lachen, springen, ontdekken. Ze zien geen verschillen, die kinderen, ze zijn veilig. Ze dromen verder van de bomen en de struiken, de planten, de bloemen. Die mogen weer, zelfs het onkruid krijgt plaats. De groenten doen mee en al die kleuren fruit. Ze blijven maar groeien en geven en geven De mensen dromen nog verder, ze zouden weten wat ze moeten weten, vanzelf, zomaar. Er zou genoeg zijn voor iedereen. Ze delen, ze nemen, ze geven, wat ze nodig hebben, wat overbodig is. En de mensen dromen verder, dat ze weer kunnen leren. Dat ze weer weten, echt weten. Ze durven zelfs te dromen van knuffels, van handgeven, van hand-in-hand-in-hand-kringen en -slingeren, inhaken bij elkaar, van zoenen, van vrijen, van ravotten, van troosten. Ze ontdekken hun eigen kunnen weer en gaan, lopen, fietsen, trammen, treinen. Sommigen zwemmen zelfs. Ayla, het aardkind en Aarde wisten zich toch ook met elkaar te verzoenen. Ze wisten niet, ze kenden niet, ze dachten niet Het was gewoon zo. En de mensen dromen van nederigheid en dankbaarheid. Van verzoening. De mensen ontdekken alleen nog in traagheid verre landen. Al het groen en andere kleuren, de dieren, de zeeën, de lucht, de zon en maan én zijzelf. Ze zouden genoeg zijn. Maar nu, nu dromen ze nog.

Anemos
0 0

toekomstvisie

Corona. Het leven staat stil. En toch blijft het voortgaan, voor mij toch. In een periode waarin ik me niet meer kan inleven in hoe het druk het leven normaal is en hoe ik ben als de wereld zijn gewone gangetje gaat, moet ik grote beslissingen nemen. Geef ik mijn jeugd op en ga ik samenwonen met Nick? Geef ik mijn jeugd op om te gaan samenwonen met Nick? Ik weet dat ik niks liever wil, maar ik kan mezelf maar niet beloven dat ik er later geen spijt van zal hebben. Ik heb nog een heel leven met Nick, maar mijn jeugd zal snel voorbij zijn. Ik stop met de jeugdbeweging en weldra zijn mijn studentenjaren ook voorbij. Ga ik spijt hebben? Ik weet dat het voor mij nu bijna onmogelijk is om niet te gaan samenwonen, want we hebben er al zo veel over gepraat en we zijn er nu al zo dicht bij. Dus ik probeer mezelf er de hele tijd van te overtuigen dat dit de juiste beslissing is. Het enige waar ik tot nu toe van overtuigd ben, is dat het de beslissing is die me op korte termijn het gelukkigst zal maken. Gewoon doen, denk ik dan. Spring en zie waar je uitkomt. Maar die ratio laat me niet springen, laat me stilstaan bij de gevolgen van die beslissing. En als ik heel eerlijk ben, weet ik dat ik later ga denken dat ik te weinig van mijn jeugd genoten heb. Maar ik weet niet of dat komt doordat ik in een relatie zit of doordat ik gewoon zo ben. Ik ben niet zo een losbol en onverantwoordelijke student als de meesten. Misschien ben IK dat gewoon en moet ik dat beeld loslaten van hoe een studentenleven zou moeten zijn en gewoon achter mijn keuzes staan. Misschien he. Misschien ben ik te snel volwassen geworden, omdat ik dat wou, en heb ik er nu spijt van. Maar dat is al te laat. Ik kan maar beter genieten van de kansen die ik krijg. Ik zie wel wat de toekomst me brengt. 

Layla Clarke
12 0

Het monster op mijn zolder

Heb ik je al verteld over het monster op mijn zolder? Gulzig als het is, vreet het de kennis uit mijn oude schoolboeken. Bittere wiskunde moest er eerst aan geloven. Momenteel verwerkt het monster het zure schoonschrift maar het nadert zienderogen onze kruidige geschiedenis en mijn honingzoete taal. Met zijn vlijmscherpe tanden trekt het grote gaten in uit de mode zijnde kledij die niemand nog wil dragen. Het herleidt mijn stoere forten en droomkastelen tot een miezerig hoopje blokken. Met een rode pen past het onverbiddelijk de liefdesbrieven die ik nooit heb durven versturen aan de nieuwe spelling aan. Met een rietje zuigt het koortsig alle kleuren uit steeds fletser wordende vakantiefoto’s.   Ik heb ooit geprobeerd om het monster te weren uit dichtgeplakte kartonnen dozen onder een dikke laag stof, uit antieke kasten aangetast door houtworm, uit poëzieschriftjes en vriendjesboeken met een klein slotje erop, uit dagboeken die niemand anders dan ikzelf mocht lezen, uit verbleekte cassettedoosjes en gebroken CD hoesjes van al lang overleden tieneridolen maar toch steeds weer vindt het ergens een minuscuul gaatje om naar binnen te sluipen.   Ik heb al meermaals wanhopig getracht om het monster te vangen in een troostende gedachte, een melancholisch lied, een mooie rijm, … In elke naïeve poging van mezelf om iets tijdloos en uniek te creëren. In de ondergaande zon, de schoonheid van haar glimlach of de warme omhelzing van een bad na een lange werkdag in december maar na de hoop en de roes hoor ik de zoldervloer weer kraken en vervalt het genadeloos in zijn oude gewoonten.   Sinds kort gooi ik het over een andere boeg. Ik werp zonder scrupules al zijn potentiële prooien in de vuilnisbak.   Sindsdien is het stiller in huis.   Ongetwijfeld waart het monster nog ergens rond maar ik slaag er steeds beter in zijn aanwezigheid te negeren, ja, zelfs te vergeten.   De zolder wordt binnenkort een kinderkamer.

Koenraad Vuncker
63 0

Binnendieren.

 Samen met mijn kater zit ik achter frisgewassen tralies van glas. De wereld ging op slot, alweer vijftig dagen geleden. Het nieuwe gewoon.De anderhalvemetermaatschappij en burgerzin zijn begrippen geworden die we dagelijks lezen in de krant. Een gemeten geweten, toch lossen cijfers niet alles op.De lente doet haar best, knoppen ontploffen, zelfs binnen tranen mijn ogen als gevolg van een pollenallergie, deze kent geen grenzen. De zon probeert ons uit onze tent te lokken maar we zijn moedig en houden vol. Kinderstemmetjes klinken door de dunne stadsmuren waar ze eigenlijk buiten zouden moeten klateren, als fris water na lange droogte. De wolken razen voorbij, enkel de wolken, mensen razen niet meer. Ik praat tegen de planten, de kat en natuurlijk tegen mezelf. Zoveel verloren woorden, die vallen voordat ze zijn aangekomen. We luisteren naar elkaars verhalen, draadloos verbonden verdrinken we in eenzaamheid. De glimlach, verstopt achter een zelf genaaid masker, zo zien we eruit als bandieten in een western. Ogen blikken angstig weg. We zijn allemaal potentieel gevaarlijk, virusdragers, tot de dood erop volgt. Pijlen op de grond als een speurtocht voor kinderen, moeten verhinderen dat we elkaar voor de voeten lopen in leeg gehamsterde winkels.Haren groeien onverstoorbaar verder net als het gras in het park. Waar je niet mag gaan zitten, enkel in beweging, snel snel een frisse neus. Boetes voor te dichtbij worden uitgedeeld als zoete broodjes op een zondagochtend. De dagen verliezen hun betekenis. Kinderen verwelken nog in de knop, oudere worden behandeld als dor hout. Ramen zijn etalages van verstilt leven waaruit witte lakens wapperen vol overgave. Elke avond klappen we ons naar de waanzin voor helden die tot voor kort wegbezuinigd werden.Economisch gezien is het een ramp, orakelt het nieuws. Mentaal een catastrofe fluisteren we zacht tegen de muren. Mijn huid hongert waar stille hoop groeit dat we mogen beseffen wat er werkelijk toe doet in een gelukkig leven.Ik sta op, geef de kat zijn brokjes en maak de essentiële verplaatsing naar de bank. Weer een dag op de kalender en de zon gaat onder. Hanneke van de Kerkhof    (2-5-2020)

Miss Blue Sky.
14 2

Een nieuw leven in corona

lieve Marie, ik schrijf je omdat ik even iets van me wilde laten horen, het spijt me heel erg van Elias. Hij was een schatje. Ik kan niet meepraten over het verlies en de droefheid die je moet voelen wanneer je een kind verliest door zo'n vreselijke ziekte als corona. Ik kan je niet beloven dat ik je laat lachen, maar ik kan je wel beloven dat ik met je mee zal huilen. Ik kan helaas door deze crisis niet naar jullie huis komen om je persoonlijk te troosten maar ik hoop dat je je een klein beetje opgefleurd voelt door mijn brief. Ik weet dat het moeilijk kan zijn om weer vertrouwen te hebben in onze wereld en de goedheid van het leven maar beloof me dat je het zult proberen. Je bent een wijze en goede vrouw Marie, laat dat niet van je afgepakt worden.  Heel veel liefs en sterkte geweldige vriendin, Rose   Rose veegde haar tranen uit haar ogen:' Arme Marie, eerst verlaten door haar man en daarna haar kleine jongen die overlijdt, ik hoop dat ze het hieruit maakt.' mompelde ze triest tegen zichzelf. Ze stond op uit haar stoel. Niemand had een jaar geleden verwacht dat Jonas Marie zou laten stikken, ze leken zo gelukkig met elkaar, het leek alsof er nooit iemand tussen zou kunnen komen tot hij haar drie maanden geleden verliet. Marie was toen voor de eerste keer gebroken, maar na een maand leek ze erbovenop te zijn gekomen, ze zei altijd dat haar vier jarige zoontje Elias haar redding was geweest, als het niet voor hem was, had ze vast en zeker uit een raam gesprongen. Rose voelde een kille angst zich bezit nemen van haar hart,wat als ze echt zelfmoord pleegt? Ik kan er niet bij zijn om haar te beschermen tegen haarzelf! Als ik mijn kinderen wil beschermen moet ik thuisblijven, maar dat betekend dat ik er niet kan zijn voor haar, en..., 'Wat moet ik nu doen?' kreunde ze 'Ik kan ze niet allemaal beschermen, en ik kan haar niet bereiken op haar telefoon, want die heeft ze blijkbaar uitgeschakeld, en..' . Ineens stapte Felix, haar man, binnen:'Rose?' vroeg hij 'ben je in orde?' Rose keek op:' Ja..nee..misschien...' begon ze. Felix trok één wenkbrauw op:' Rose, je bent duidelijk overstuur, wat is er aan de hand?' hij wierp even een blik op haar bureau en keek toen vol medeleven naar zijn vrouw:'Je maakt je zorgen om Marie, heb ik het juist?' Rose keek hem met een gepijnigde blik in haar ogen aan:'Het is nog maar drie maanden geleden dat Jonas haar verliet en Elias was haar hele wereld. Ik zie geen enkele manier om haar  persoonlijk te troosten, ze heeft haar gsm uitgezet en ik kan niet bij haar op bezoek gaan zonder jullie allemaal in gevaar te brengen, onze oudste is vijf Felix!' Felix sloeg zijn armen om haar heen: 'Ik vind het heel erg goed dat je een brief naar haar stuurt, liefste, maar de enige die Marie kan helpen is Marie, wij kunnen haar aleen maar aanmoedigen om dat te doen. Als ze niet geholpen wilt worden ben jij niet de schuldige, okè?' Rose vlijde zich tegen zijn borst: 'okè, ik heb zoveel geluk met jou, Felix, dank je wel' Felix glimlachte:'En ik heb geluk met jouw Rose'   Marie lag in haar grote zetel wanneer ze vier maanden later Rose' brief las. De tranen sprongen in haar ogen:'Al die tijd dat ik mijn bed niet uit ben geweest en niets van me heb laten horen heeft Rose zoveel aan me gedacht, zelfs Felix en de kinderen hebben kaarten en tekeningen opgestuurd.' Al die tijd had ik gedacht dat ik dit zonder hulp moest doen, maar er zijn zoveel mensen die me willen helpen. De woorden in Felix laatste brief deden het: het is niet zwak om om hulp te vragen, er zijn zoveel mensen die er voor je zijn, zoals Rose. 'Ik heb hulp nodig,' zei ze emotioneel 'Ik heb echt hulp nodig.' ze besloot Rose te bellen, Marie zette haar gsm, die de afgelopen maanden had af had gestaan weer op en belde haar vriendin:'Hallo?' klonk het aan de andere kant van de lijn: 'Hey Rose, ik heb besloten om iets van me te laten horen, Marie hier' Marie! Wat geweldig om iets van je te horen, lieverd, gaat het al een beetje beter? Marie knikte maar besefte toen dat Rose dat niet kon zien en zei:'Een beetje, ja' dat is fantastisch nieuws , lieverd, kan ik je ergens mee helpen? Marie aarzelde even, maar dacht toen aan Felix' wijze woorden:'Ja, weet je het email adres van die therapeut nog, die je heeft geholpen met over je trauma van je miskraam over te komen? ik denk dat ik eindelijk om hulp ga vragen.' 3 jaar later Marie en Rose wandelden door het park terug naar huis:'Wat zei de therapeut?' Rose keek haar vriendin aan. Marie lachte: 'Ik hoef niet meer te komen! ik ben over mijn trauma heen!' Rose keek haar vriendin ongelovig aan:'Echt? Ik ben zo trots op je, lieverd!' 'En ik heb nog een verrasing voor je', zei Marie. 'Ja, gaat het over Chris? Hoe was jullie date gisteren?' Rose keek  verwachtingsvol naar Marie. 'Hij heeft me een aanzoek gedaan en ik heb ja gezegd!' Er verscheen een brede glimlach op Rose' gezicht:'Ik wist het! Oh, ik ben zo blij voor je, lieverd, je verdiend het om gelukkig te zijn!' Al lachend en sprekend over de komende bruiloft wandelden de twee vrouwen naar huis.  deze tijd kost zo veel levens, en veel families hebben een dierbare verloren, mijn boodschap is dat je niet bang hoeft te zijn om om hulp te vragen zoals Marie. en als een naaste vriendin zoiets meemaakt dat je ze alleen maar kunt helpen als ze het toelaten zoals Felix tegen Rose zei. Samen komen we er wel door deze coronatijd, als we er voor elkaar zijn.

Louisa Autrix
0 1

De vraag van de dag

Hij ligt op tafel. De vraag van elke dag. "Wat eten we straks?" Als het compromis er eindelijk is, schrijven we de benodigdheden en de rest van de boodschappen op een geel notitiepapiertje. Inkopen doen, het kleurt tegenwoordig je dag. Bij de supermarkt worden we in de wachtrij begroet door een kennis. "Ik ga naar Italië", lacht hij. "Straks maken we zelf pizza. En jullie? Naar de zee? Dan moet ge naar de visafdeling. Och, je mag toch een beetje plezier hebben." Aan de winkelkarren wacht een medewerker ons op. Met de beste wil van de wereld versta ik niet wat hij zegt. Zijn mondkapje zit er voor iets tussen. Ik schakel over op mijn dovemansmechanisme. Doen alsof je het begrepen hebt, tegelijk ja en nee knikken, hm hm murmelen, maar in werkelijkheid niet weten wat er gezegd wordt. Maar mijn tactiek werkt niet. Hij houdt me tegen. "We moeten allebei een kar nemen", zegt onze jongste. “Oké”, zeg ik, waarna ik een jeton uit mijn portefeuille haal en de tweede winkelkar losmaak. Het doet me plots aan een botsauto van de kermis denken. Wat in de groenteafdeling niet overdreven is, want door de drukte is een botsing niet uitgesloten. We besluiten om elk een deel van de boodschappen te doen. Om hem terug te zoeken ga ik achteraan in de supermarkt de rijen af om ze volledig te overzien. Maar hij doet tegelijkertijd hetzelfde, waardoor we elkaar missen. Gelukkig hebben we allebei een telefoon. Ik hoor hem vlakbij ‘hallo’ zeggen. Bij het inladen krijg we een stortbui op ons hoofd. Kletsnat stappen we de auto in. We lijken wel twee kletsnatte honden die uit het water komen en zich droogschudden. Ik doe er nog een luid hondengeblaf bij. Maar soms moet je ook weten wanneer het genoeg is geweest.  

Rudi Lavreysen
30 0

Fien (esse)

Wim Sonneveld zong over zijn lellebel Josefien. Of ze ook allemaal Josefien heetten, of misschien  Rudolfien of Adolfien heb ik nooit geweten, maar in ons dorp van weleer waren er enkele ‘Fienen’ die in de ogen van de dorpsbewoners elkaar de loef afstaken om het meest op te vallen. ‘Zotte Fien’ herinner ik mij nog levendig.  Ik was waarschijnlijk niet ouder dan zes jaar want zat op de kermis nog op de paardenmolen. Een bezigheid die men vanaf een bepaalde leeftijd staakte, want het dorp keek mee en je wilde niet voor ‘broekje’ aanzien worden. Of het haar eigen kinderen waren of neefjes of nichtjes weet ik niet, maar eentje zat naast mij in een brandweerwagen.  Zotte Fien stond met haar wilde zwarte haren langs de kant te turen.  Haar opengesperde ogen draaiden haast sneller dan de molen.  Zij had net een felgekleurd rood zuurtje gegeten of een gesuikerde rode appel op een stokje.  Telkens haar familielid voorbij kwam stak ze haar lange bloedrode tong uit.  Ik dacht dat ze het op mij gemunt had,  hield de teugels van mijn paard strak en vergat naar de ‘floche’ te grijpen. ‘Zwarte Fien’ was er eentje die je nooit in het dorp zag.  Om haar te zien moest je langs het huis van Mieke en Marcel.  Mieke had een zus waarvan wij dachten dat ze zich bijna nooit waste omdat iedereen haar zwarte Fien noemde.  Dat klopte niet met de waarheid want het ‘zwart’ had te maken met de (ontbrekende) kleur van haar lange kousen die ze droeg en tot haar knieën optrok.  Ze droeg blijkbaar nooit schoenen en stond  uren op kousenvoeten in het deurgat. Een derde beruchte Fien was de eega van Pol Klos, een koopman in oud ijzer.  Die bijnaam kreeg hij door het feit dat hij dag in dag uit dingen in elkaar kloste, wat er in het lokaal dialect op neerkwam dat hij een knoeier was.  Zijn Fien had ook een bijnaam.  Omdat ze eerder zwaarlijvig was, noemde men haar ‘Fien spek’. Maar het spek had ook te maken met de kracht die ze bezat om zware metalen voorwerpen op de kar te tillen, waar ze het dorp mee rondtrok.   Van haar is geweten dat ze ooit op het middaguur bij een hoeve aankwam waar men net aan het middagmaal zat. Op vraag van de boerin of ze ook een ‘sjat soep’ wou ging Fien gretig in. Toen ze even later zag dat er biefstuk op het menu stond, zei ze zonder schroom dat ze daar ook wel een stukje van lustte. Onlangs stuurde een familielid mij het doodsprentje met een opvallend mooie foto van Fien spek,  haast onherkenbaar en één en al finesse.

Vic de Bourg
46 1