Lezen

Kamperen voor Dummies (vervolg) Luister altijd naar de autochtone bevolking.

Ondertussen weet je dat de keuze van plaats op de camping cruciaal is. Een wijze les: niets is wat het lijkt. Raadpleeg de mensen met vaste standplaatsen, de habitués of de campinguitbaters of je tijdens het verblijf met iets moet rekening houden bij veranderende weersvooruitzichten. Misschien is een voorbeeld hier wel op zijn plaats… Je gaat bijvoorbeeld naar Oostenrijk. Het weer is er zo schitterend dat zelfs de Provence in Frankrijk je niet kan bekoren. Om zes uur ’s morgens in Oostenrijk zijn de ‘marcellekes’ populair zonder het bijhorende kippenvel. Je bent blij met de vele bomen waaronder je, indien gewenst,  toch kunt genieten van een broodnodige koelte. De heerlijke geur van rijke bebossing is beter dan een verblijf in een luxe-sanatorium. Je longen genieten volop. Fijn stof en milieuvervuiling zijn een ‘ver van mijn bed fenomeen’. ’s Nachts slaap je heerlijk! Je hebt het geluk dat de camping een plaatselijk restaurantje heeft waar je rijkelijk kunt genieten van het smakelijk eten, vriendelijk joviale mensen,  de muziek zorgt voor ambiance en je verbroedert met de al- dan niet plaatselijke bevolking. Wir sind alle Freunde untereinander! Een vreugdevuur in openlucht maakt het beeld compleet.   Aan hout geen gebrek. Naast de receptie staan stapels houten paletten in overvloed. De oudgedienden die op de camping staan maken er veelvuldig gebruik van. Je denkt bij jezelf: ‘Zoveel gedoe voor een paar weken vakantie! Daar begin ik niet aan. Als ik tijdens mijn vakantie moet gaan knutselen kan ik evengoed terug gaan werken of thuis blijven. Morgen een warmteonweer en daarna een paar dagen met minder hogere temperaturen. Boh!’ Schnaps und bier, bier und Schnaps. Vrolijk vier je verder. De kinderen slapen in hun eigen tent en je bent helemaal in de mood voor een vrijpartij. Het aangekondigde warmteonweer barst de volgende dag in alle hevigheid los maar de bomen bieden beschutting tegen de hevige regenval. Je zit gezellig in de voortent met een paar vrienden een kaartje te spelen tot het over is.  Je goed humeur is plots over als je voeten nat worden en je kinderen hals over kop komen binnengelopen.  ‘Al ons materiaal is nat! Het water stroomt als een bergrivier in onze tent!’ En je kunt de kinderen niet tegenspreken want het water dondert als een wildwaterbaan door je voortent. Plots denk je aan de jaren toen je nog met blokjes speelde: ‘Ik wil een heel hoge toren bouwen zonder dat hij omvalt!’ Het water sleurt je voorraad schoenen mee vanonder de caravan of wat dan ook. De temperatuur daalt ondertussen met 10 graden maar je voelt het nog niet omdat je als een gek zoveel mogelijk probeert droog te houden. En als je er dan in lukt kom je tot de constatatie dat je caravan, campingcar of mobilhome eruit ziet als een stapelhuis waar je zelf niet meer in past. Dit is het moment dat alle vermoeidheid en de frissere temperatuur je spieren laten kreunen. Een vriendelijke buur bezorgt je paletten zodat je alles in veiligheid kan brengen zodat je wel verplicht wordt om de binnentent helemaal leeg te maken. Je sleurt met paletten, legt het doorweekt grondzeil erop,  laadt het  huisje op twee of vier wielen terug uit om tenslotte uitgeput op je bed neer te ploffen. Je voelt je al ziek worden en de kinderen zitten mee in de caravan te balen omdat al hun strips nat zijn geworden. Dan weet je met zekerheid:  ‘De mood zit onder het nulpunt en die vrijpartij kan je op je buik schrijven.   De volgende keer: Je buren.

Fanny Vercammen
0 0

Jaja, ‘Goud’ kut

Ochtendstond naakt voor de deur van zijn appartement. Nog niet fris en met de haren van vorige week. Hij bonsde zijn voorhoofd in radeloosheid. De zoveelste gons in zijn schedel. En zijn kruin leek al even samengeperst als zijn waardigheid en het hout in het goedkope paneel dat lag tussen hem en het bed waar hij nooit meer uit wou. Misschien had hij zichzelf vervloekt. Het goede nieuws was dat dit betekende dat hij toch een beetje invloed had op de loop van de dingen, waar hij zich doorgaans compleet van afgesloten voelde. Hij was altijd naakt, ten prooi aan welke omstandigheden er naar hem werden geslingerd; waaraan hij niet was aangepast. Het was ook koud. Hij besloot zelfs niet te proberen een plan te bedenken om hier zonder kleerscheuren (dat vond hij grappig, hij snoof) of eerverlies uit te komen. Hij had daar al niet veel van op overschot. Hij rook koffie, maar het was niet zijn koffie. Er werden ergens eieren gebakken, een vriendin verhief haar stem, een hond stopte met blaffen. Ze hadden allemaal evenveel, niets dus, met hem te maken.  Dit was doodgaan. De schaamte. Meer nog was dit het leven, nog eens bevestigd.  Hij sloeg zijn vuist op de deur. Ze trilde, de klink rammelde een beetje. De vijzen zaten wat los en als compromis beloofde hij dat hij ze zou vastzetten. Maar de deur ging niet open.  Op zijn minst stond de vuilzak al in de gang.  Hij beloofde ook dat hij niet meer zou drinken, en dat hij de volgende dagen van de week gewoon zou werken. Hij wist dat het nu niets zou uithalen.    Na een hele tijd deed hij wat op zo’n onwaarschijnlijk dieptepunt, met grote waarschijnlijkheid iedereen zou doen. Hij ging kijken wat er eigenlijk precies aan scheelde, en zo mogelijk de lift repareren.   

Erte
47 1

De zin van de zomer

Terwijl ons thuisstadje met de jaarlijkse kermis de zomer uitzwaait, waaien we uit aan de kust. We stappen richting Brasserie Du Parc, vlakbij het casino in Oostende, tegenover de tramhalte aan het Marie Joseplein. Op het terras zit je aan stijlvolle Parijse terrastafeltjes. Het art deco interieur van de brasserie is ongewijzigd sinds 1932. “Aan deze tafels hebben heel wat artiesten gezeten”, vertel ik als we binnenkomen. “Zoals de schrijvers Stefan Zweig en Joseph Roth. Beide van Joodse komaf. Op de vlucht in die verschrikkelijke jaren ’30 van de vorige eeuw. Zweig heeft het treffend neergeschreven in ‘De wereld van gisteren’, een boekje dat je voor amper 6 euro in de boekhandel koopt. Elke jongeren zou het moeten lezen. In de brasserie hangt nog een foto van de twee. Roth leefde in hotels en vertoefde al te vaak in drankgelegenheden. Meer dan goed voor hem was. Toen Zweig een keer vroeg waarom hij niet in de zee zwom, antwoorde Roth dat het eenvoudig was. De vissen komen toch ook niet in het café, vertelde hij droogweg. Maar van droog gesproken, ik zal even naar de garçon zwaaien.”   Na drie pogingen en met bijna een lamme zwaaiarm krijgt hij ons in de gaten. “Ik had u wel gezien meneer”, zegt hij op redelijk norse toon. Ook zijn kostuum lijkt niet ongewijzigd sinds 1932. Hij draagt een deftige zwarte broek met bijpassende gilet en een strak wit hemd. Klassevol, maar ik zou me er de pleuris in zweten. We bestellen beide een dagsoep en ik geef het Oostendse streekbier het voordeel van de twijfel. Even later is hij terug. “Helaas meneer en mevrouw”, zegt hij nu vriendelijk. “Geen bloemkoolsoep meer. Enkel seldersoep.”   Wachtend de soep, geven we onze ogen de kost. Het valt me op dat er in de zomer aan de kust zoveel mensen een blauw-wit gestreepte sweater of t-shirt dragen. Helemaal in marinestijl, alsof ze klaar zijn om in te schepen. Als de tram passeert, waan ik me even in de jaren ’30. Maar een mevrouw met haar telefoon op speaker, haalt me uit die droom. Het is toch soms een vervelend ding, dat beltoestel.   De soep smaakt voortreffelijk. Terwijl we die zo stil mogelijk oplepelen en het Oostendse streekbier alsmaar meer voordeel krijgt, kan ik niet anders dan enkele flarden van het gesprek volgen van het jonge gezin dat achter ons zit. Het zoontje, ik schat hem zes of zeven, heeft geen zittend gat. Geen enkel kind van die leeftijd. Het is een kostelijk manneke. “Dat is er eentje om op te eten”, lacht mijn vrouw. “Ja, maar we hebben de soep nog”, knipoog ik. Waarna de jongen werkelijk de mooiste zin van de zomer uitspreekt. "Ook als ik niet bij jullie zou wonen, dan kwam ik nog bij jullie wonen”, zegt hij tegen zijn ouders. Van pure blijdschap zwaai ik met mijn andere arm naar de garçon. Het lijkt alsof hij ook plots goedgemutst is. Het zal de zomer zijn.  

Rudi Lavreysen
14 0

Kamperen voor Dummies (vervolg)  De keuze van plaats op de camping.

    Meeste campings, vooral buiten het seizoen, verlenen je de gunst om zelf je plaats te kiezen. Je kuiert de camping rond met het plattegrond van de camping in je handen terwijl je alle mogelijkheden afweegt. Dicht bij het sanitaire blok? Kantine, bij de speeltuin voor de kinderen, het zwembad, riviertje, een meer of een rustig plaatsje met veel ruimte? Je kiest voor een vlakke ondergrond, met een mooi uitzicht waar je ’s morgens wakker wordt door het gekwinkeleer van de vogeltjes. Er is een waterkraan aanwezig, zodat je niet steeds om water naar het sanitair blok moet lopen.  Ben je in het bezit van je eigen chemisch toilet hoef je ’s nachts niet naar het sanitair blok te sprinten in de hoop dat je tijdig ter plaatse bent én er nog wc-papier aanwezig is. Comfort! Het gras kleurt frisgroen omdat de plaats weinig gebruikt word. Je eigen kleine paradijs voor de duur van het verblijf! Het weer is stralend, je geniet volop van de rust, de natuur, geen rumoerige kinderen… en toch krijg je het gevoel dat er gevaar dreigt. Een buikgevoel, het oerinstinct dat in elk van ons sluimert jaagt je cortisol (het vlucht- of vechthormoon)en je bloeddruk naar boven. Je vreest onverwacht bezoek te krijgen door beren, leeuwen of vampiers… met andere woorden je fantasie slaat op hol. Iets in je zegt dat dit plekje te volmaakt is maar het aangename zonnetje en het wit wijntje sussen je in slaap. Tijdens de nacht hoor je het geluid van de donder, de hemelsluizen gaan open, je hoort het trommelen van de regen op het dak van je caravan en betreurt het lot van je campinggenoten: ‘Ach de stakkers die in een tent liggen.’ In je caravan of mobilhome of zelfs campingcar zit je hoog genoeg van de grond om geen last te hebben van binnenstromend water. Een beetje regen ’s nachts is goed voor de natuur, door de koelte kan je beter slapen en de vooruitzichten zijn dusdanig dat je wakker wordt door een schitterend zonnetje. Geen wolkje aan de hemel. Goed uitgeslapen wakker, stap je uit bed om te ontbijten in de binnentent of lekker in de openlucht. Je stapt op het opstapje en weet plots waarom dit plekje zo rustig is als het lichtgewicht kampeergerief ronddobbert op een, als bij toverslag, nieuw gevormd meertje. Verdwaasd kijk je in het rond waar drie stroompjes nog water afvoeren van de hoger gelegen terrassen naar je para-plas-dijs. Ga nooit in een dal staan! Gebruik geen plastiek onder je grondzeil. Als het water rond je kampeerplaats is verdwenen blijft de grond onder het plastiek zeil nog zeer vochtig en laat het zonnetje het voorheen groene gras lekker gisten. Als je hof van Eden begint te ruiken naar je gft-bak zit er maar één ding op: opkrassen.   Wordt vervolgd met: Luister altijd naar de autochtone bevolking.

Fanny Vercammen
30 0

WITTE TANDEN

‘Wel verdomme, wie dat er daar is!’In slow motion komt hij overeind.‘Wie is dat wel misschien?’‘Het is Rino,’ zeg ik snel, om deze keer de eerste te zijn, ‘de oudste zoon.’Mijn grootmoeder kijkt naar mijn vader.‘Is dat waar?’ vraagt ze nijdig, verstoord door wat er nu plots weer uitkomt.‘Ja moeder’, zegt mijn vader.‘Hoeveel kinderen heb jij zo?’ vraagt ze.‘Vier’, zegt mijn vader.‘En ik wist daar niets van’, zucht mijn grootmoeder hoofdschuddend.
‘Zie haar zitten,’ zegt mijn vader, ‘zesennegentig komt ze eind deze maand… En ze stapt nog steeds alleen in en uit haar bed!’Grootmoeder schopt met haar ene been in de lucht.
‘Ga je je trui uitdoen?’, vraagt ze.‘Ja,’ zeg ik terwijl ik de col over mijn hoofd trek, ‘zo warm dat het hier is…’‘Ja, en nochtans, de kachel is uit!’ Grootmoeder schudt haar hoofd.Ze schuift de hele tijd met haar ene voet over de grijze vinyl waarmee de vloer bekleed is, iets sneller dan het ritme van de muziek die stil maar schel uit het oude transistorradiootje komt, de ene Vlaamse schlager na de andere.‘Ze loopt tot het eind van de hal en weer terug zonder haar wandelstok en je moet zorgen dat je mee bent hoor!’ zegt mijn vader.‘Waarom loop je zo snel?’ vraag ik aan mijn grootmoeder.Ze kijkt naar haar voet die heen en weer schuift en zegt: ‘Ik zit zo graag in mijn zetel.’
Er komt een vrouw binnen met een looprek, ze wijst naar me en knikt. ‘IK KEN JE HOOR!’ roept ze. ‘MAAR IK WEET JE NAAM NIET MEER!’‘Rino’, zeg ik.‘Je gaat het een beetje luider moeten zeggen,’ zegt mijn vader, ‘ze hoort elke dag een beetje minder.’
‘RINO’, zeg ik, een heel stuk luider nu. Ze kijkt naar me met dichtgeknepen ogen, terwijl ze een hand rond haar oorschelp houdt.‘RINO’, roep ik, nog luider en ze nijpt nog meer met haar ogen.‘RINO! RINO! RI-‘‘RINO!’ roept ze plots en lacht, alsof ze er zelf opgekomen is. Mijn vader en mijn grootmoeder lachen mee. Overal beangstigend perfecte, veel te witte tanden.
Ze staat strak rechtop, het looprek met haar twee knokige handen vasthoudend.‘Het is bijna november en de kachel brandt niet’, zegt mijn grootmoeder en ze schudt opnieuw haar hoofd.‘HEEL DE WERELD IS VERDRAAID’, zegt de vrouw met het looprek. ‘HET WEER IS VERDRAAID, DE NATUUR IS VERDRAAID, DE BEESTEN ZIJN VERDRAAID, EN DE MENSEN ZIJN VERDRAAID.’ ‘DAT IS MIJN OUDSTE ZOON’, zegt mijn vader.‘HET IS GEEN WAAR HOOR!’ roept mijn grootmoeder.‘Maar moeder toch’, zucht mijn vader. Zijn stem klinkt vermoeid.Grootmoeder kijkt van de één naar de ander met verschrikte ogen. De vrouw met het looprek knipoogt naar me, wendt zich naar mijn grootmoeder en zegt: ‘MAAR JIJ KUNT TE MINSTE NOG LOPEN ZONDER LOOPREK!’Lachend haalt mijn grootmoeder haar schouders op.
‘WAT GA JE NU FORCEREN?’ roept de vrouw met haar looprek terwijl ze de hal in staart die zich net buiten mijn blikveld bevindt. ‘Man man man, ze gaat nog eens verongelukken!’ zucht mijn vader die zonet half overeind gekomen is om het beter te kunnen zien maar nu weer gaat zitten.‘ZE STEEKT WEER TOEREN UIT’, zegt de vrouw met het looprek.‘Het is erg de laatste tijd’, zegt mijn vader.De vrouw met het looprek roept: ‘WACHTEN ZE ERGENS OP JE MISSCHIEN?’‘Wel merci,’ zegt mijn grootmoeder geschrokken terwijl ze naar me kijkt, en met haar hoofd knikt in de richting van de hal, ‘dat is nu de eerste keer dat ik dat van haar zie!’
‘JE HEBT DE KRANT MEEGEBRACHT!’ roept mijn vader naar de vrouw met het looprek en ze lachen naar elkaar, het betreft duidelijk een inside joke, zelfs mijn grootmoeder lacht mee.‘JA,’ zegt de vrouw met het looprek, ‘HOE MIN ZE HIER WETEN, HOE BETER ZE SLAPEN!’‘STAAT ER IETS IN MISSCHIEN?’ roep ik.‘HETZELFDE ALS GISTEREN’, zegt de vrouw met het looprek.‘Het gaat haar niet om wat er in staat,’ zegt mijn vader, ‘het gaat om wat er in zit!’De vrouw met het looprek vouwt de krant open.‘KIJK EENS HIER!’ Ze tovert een koekje tevoorschijn, en draait zich naar me toe: ‘MOESTEN ZE ZIEN DAT IK MIJN KOEKJE AAN JE VADER GEEF, IK ZOU ER GEEN KRIJGEN, BEGRIJP JE? HOEWEL IK EVENVEEL RECHT OP EEN KOEKJE HEB ALS IEDER ANDER. IK BETAAL HIER OOK ELKE MAAND MIJN DEE-‘‘WE GAAN DAT MET PLEZIER OPETEN!’ roept mijn vader.
Mijn grootmoeder is ongemerkt opgestaan en naar het wc gegaan. ‘Ik ga toch maar eens kijken’, zegt mijn vader na een tijdje.‘Maar moeder toch,’ hoor ik hem zeggen, ‘je moet je haar niet kammen, het is nog maar geborsteld, het zal helemaal plat liggen’.Ze komen samen weer tevoorschijn terwijl mijn vader vruchteloos door haar haar woelt met zijn hand. Mijn grootmoeder blijft staan met haar ogen toe.
‘Hou je sterk hé broere,’ zegt hij, we staan op straat en zoals gewoonlijk geeft hij mij eerst een hand en dan een kruisje op mijn voorhoofd,‘God zegene en beware je, en altijd goed opletten onderweg.’Ik kijk in mijn spiegel terwijl ik weg rijd en als ik aan het eind van de straat kom staat hij er nog steeds, met zijn armen gekruist.

Rino Feys
17 0

De andere kant

Tijdens een zomerwandeling in het bos Elfbergen geniet Sofie van de schaduwrijke verkoeling. Een paar uur later valt ze uitgeput onder een beukenboom op de grond, en schiet prompt weer overeind. “Au! Wat is dát nou?!” Met een van pijn vertrokken gezicht wrijft ze over haar bil.                 Tussen het gras en ander aan-de-natuur-gerelateerd materiaal, ligt een rechthoekig hoopje … bruin. Het lijkt te zijn gemaakt van zacht, lichtbruin leer. Ze aait met haar vingertoppen over het verweerde materiaal.                 Als Sofie ervan overtuigd is dat het echt niet één of ander monsterbeest blijkt te zijn, knielt ze in het gras. Op handen en knieën inspecteert ze het voorwerp.                 Een koffer, besluit Sofie bij het zien van het handvat en de slotjes rechts en links ervan. Koffertje, eigenlijk, want het ding is niet groter dan haar hand. Zou iemand het zijn vergeten mee te nemen? Is diegene nog hier – wordt ze bespied? Nerveus kijkt ze om zich heen, maar de schaduwen geven niets prijs en al snel wint haar nieuwsgierigheid het van haar angst.                 Met haar rug tegen de boom gaat ze zitten en pakt het koffertje. De geur van leer is subtiel. Het koffertje is licht. Ze schudt het heen en weer, maar naast het klapperen van het handvat, hoort ze niets. Zou het leeg zijn? Wat zou je erin kunnen doen? Een boterham en een pakje melk? Misschien een schetsboekje met potlood of –                 Of misschien schreef iemand een liefdesbrief en deed die in het koffertje en legde het op de plaats waar de twee geliefden elkaar altijd ontmoetten, in de hoop dat zij – want de man zou de brief hebben geschreven – het koffertje zou vinden en de brief zou lezen. Is het koffertje daarom zo verweerd? Ligt het al jaren buiten?                 Sofie lacht om haar eigen fantasie.                 De slotjes zijn numeriek, alle vier staan ze op nul. Sofie duwt tegen de metalen clips, maar er zit geen beweging in. Het soepele leer geeft wat mee onder haar vingertoppen, daaronder is het hard. De lijnen van de opening zijn zichtbaar, maar sluiten zo mooi op elkaar aan dat het koffertje waterdicht lijkt, zelfs in haar verweerde staat. De enige bezoedeling op het stukje schoonheid zijn de net zo verweerde Romeinse cijfers IV-II-IX-VII, gekerfd aan de onderkant van het leren handvat.                 Na een kort debat met zichzelf – want waarom zou iemand de code weggeven? – haalt Sofie haar schouders op en draait aan de slotjes. Ze duwt tegen de clips en het koffertje klikt open. Ze lacht verbaasd.                 Langzaam tilt ze het bovenste deel op en blaast dan haar ingehouden adem uit. Niks. Nada. Noppes. Had ze anders verwacht? Had ze anders gewenst? Sofie denkt aan de liefdesbrieven. Ook al was dat misschien wat overdreven, het was leuk geweest als er iets in het koffertje had gezeten. Ze slikt haar teleurstelling weg en reikt met haar hand in het koffertje. De stof is satijnzacht – dan wordt alles zwart.      “Hé, hé wordt wakker!”                 Sofie schudt de hand van haar schouder en draait op haar andere zij. “Nog een minuutje.”                 “Nee, nee, nee, jongedame. Vertel wat je hier doet! Hoe ben je hier gekomen? Nou ja, ik weet hoe, maar hoe kan dat? Waar is – “                 Sofie opent haar ogen en kijkt over haar schouder. “Kun je niet nog even wachten met al die vragen? Ik slaap.” Ze legt haar hoofd weer op haar arm en sluit haar ogen.                  Dan springt ze op. Met grote ogen bekijkt ze het wezen voor haar. “W-w-wie ben jij? Wát ben jij?”                 Het wezen draait met zijn ogen. “Ik ben een pratend konijn, dat zie je toch? Jullie hebben toch ook konijnen aan de andere kant, die praten weliswaar niet – veel saaier, geen idee wat zij de hele dag doen – maar – hé waar ga je heen? Kom terug, je moet mij vertellen waarom je hier bent!”                 Sofie rent tussen bomen door, over slootjes en langs struiken. Bloemen buigen voor haar opzij en – volgt die kraai haar nou? Is dit Elfbergen, het lijkt op hetzelfde bos, waar is het koffertje?                 Sofie stopt onder een boom. Met haar handen op haar knieën zuigt ze zuurstof in haar longen. Als ze haar ogen opent zit de kraai in een boom tegenover haar.                 “Rustig maar hoor,” zegt de kraai.                 Sofie zet gillend een stap achteruit.                 “We doen je niets, we willen gewoon weten hoe het kan dat je hier bent.”                 Sofie draait zich om. Het konijn glimlacht en houdt zijn voorpootjes in een onschuldig gebaar omhoog. Pratende dieren … word ik gek?                “Nee lieverd, je wordt niet gek,” zegt de kraai.                 Sofie stapt opzij zodat ze allebei de dieren ziet, en stamelt, “Hoe kan het – Waarom – Wie zijn – AARGH!”                 “Wij zijn de dieren van Dmitri. Je bent in hetzelfde bos, Elfbergen, maar dan aan de andere kant. Eh, zeg maar … de magische kant.”                 Mensachtige dieren, opzij buigende bloemen, een magisch koffertje …                 “Kun je ons vertellen hoe je hier komt?” vraagt het konijn.                 Sofie zit, met haar rug tegen de beukenboom, en vertelt de kraai en het konijn wat ze eerder die dag onder een andere beukenboom ontdekte.     “… maar ik heb geen idee waar het koffertje nu is, kan ik nog terug naar – jeweetwel – mijn kant?” besluit Sofie haar relaas.                 “Geen probleem, maar wil je niet meer over deze kant weten, meer zien?” Voor Sofie antwoord kan geven grijpt het konijn – Berend – haar schoenveter en trekt haar mee. Tijdens het lopen vertelt hij.                 “Dmitri is, was, een magiër en leefde heel lang. De laatste eeuwen veranderde de wereld; de mensen, de natuur – hij was niet blij met het resultaat.                 “Die bloem daar noemen ze Sint-Janskruid. Dmitri werd verstoten toen hij daarmee het bloeden van een jong meisje stelpte, terwijl de dokter een aderlating wilde verrichten. Later werd hij verjaagd toen hij het vuur dat een bliksem veroorzaakte doofde en daarmee een huis redde. Zie je, Dmitri kon alles dat bij Moeder Aarde hoort bevechten, manipuleren en laten triomferen, maar mensen werden bang.                   “Dat is ook de reden dat wij bestaan. Dmitri was ongelukkig en eenzaam en hij wilde een plek waar hij zichzelf kon zijn, ergens waar al het mooie leven beschermd is. Maar we hebben hem al een hele tijd niet gezien. En na wat jij ons hebt verteld …” Berend kijkt Sofie aan en haalt dan diep adem.                 “De enige die de code voor de slotjes op het koffertje kan lezen, is een magiër. Het koffertje kan niet zonder meester, of meesteres in dit geval, en … hé, hé gaat het wel? O shit, ga even zitten, je trekt helemaal wit weg!”                 Ik, een magiër?                 Sofie laat zich naar de rand van een beekje leiden en ploft daar op een steen. Ze pakt Berend en zet hem op schoot. Terwijl ze naar de stroming kijkt, aait ze over zijn vacht en Berend laat het genietend toe.                 “En nu?” vraagt Sofie na een tijdje.                 “Nu ga jij naar huis, neem je jouw koffertje mee en ga je nadenken. Als je er klaar voor bent zullen wij je helpen. Je bent hier altijd welkom en,” lacht Berend, “je weet hoe je hier komt.”                 Hij springt van haar schoot en brengt haar naar de beukenboom. Daar zet hij haar met de rug tegen de stam en zegt haar haar ogen te sluiten.     De schemering zet in. Sofie wrijft de slaap uit haar ogen en kijkt naast haar. Het koffertje is gesloten, de slotjes staan op nul. Wat stijfjes komt ze overeind, pakt het koffertje en loopt richting de uitgang van het bos.

schaapschrijft
0 0