Lezen

Het dak eraf

Rond half vijf ’s nachts schrik ik wakker van een geluid. Het klinkt alsof er iemand de trap opkomt. Mijn hart gaat als een razende tekeer. Met ingehouden adem en gespitste oren - bij wijze van spreken dan - zit ik rechtop in bed. Dan hoor ik het weer …   Het goede nieuws is dat er niemand de trap opgekomen is. Het minder goede nieuws is dat we weer een marter onder ons dak hebben. Slapen deed ik evenwel niet meer, ik stond stijf van de adrenaline.   Op internet lezen we dat marters overdag slapen en niet van lawaai houden. Dus pak ik resoluut een paar pannendeksels en vraag onze vijfjarige zoon of hij zin heeft om veel lawaai te maken. Welnu, dat hoef je een kleuter natuurlijk geen twee keer te vragen. Hij mag zich eens goed uitleven op de bovenverdieping, net onder het dak.   Papa komt met een nog beter (?) idee op de proppen: opgetogen haalt hij zijn versterker en elektrische gitaar vanonder het stof en laat zich eens goed gaan. Man, man, wat een oorverdovende herrie komt er uit zo’n ding. Als de marter daar niet van gaat lopen … dan ik wel. Nu maar hopen dat dat beest niet van heavy metal houdt; het is niet de bedoeling dat hij lekker uit zijn dak gaat. Hij moet uit óns dak!   Maar eerlijk is eerlijk, die nacht hoor ik niets meer (kan natuurlijk ook aan zeer recente gehoorschade liggen). Als ik mijn echtgenoot dat de volgende morgen vertel, meen ik een zweem van teleurstelling op zijn gezicht te zien. Ook de dagen erna blijft het aangenaam stil ’s nachts. Maar nog geen week later kondigt mijn man aan dat hij toch nog eens gitaar gaat spelen boven. ‘Om zeker te zijn dat de marter niet terugkomt.’ De volumeknop gaat open, het dak gaat eraf. Probleem opgelost.

Vera's Column
8 0

Aanmodderen

Zoonlief wil na schooltijd nog even in de tuin spelen. Ik vind het prima, het is lekker weer en ik kan dan mooi nog wat onkruid wegwerken. Hij zit wat in de moestuin te rommelen, net om de hoek van het huis. En dus nét uit mijn gezichtsveld. Meestal is dat niet toevallig.   “Wat ben je aan het doen?” roep ik na een tijdje. Heel even blijft het stil en dan antwoordt hij: “Alles gaat goed!” Hm, dat is niet helemaal wat ik gevraagd had. Moeizaam kom ik overeind (sinds ik de veertig gepasseerd ben, gaat het allemaal niet meer zo soepel) om toch maar eens polshoogte te nemen. Om het hoekje tref ik mijn zesjarige aan met zijn armen tot zijn ellebogen in een zwarte modderpoel. Vaag herinner ik me dat hij op een gegeven moment de gieter kwam halen. Blijkt hij een put in de moestuin te hebben gegraven en daar met water een modderpapje in te hebben gemaakt. En nu was meneer druk bezig ons huis te bepleisteren (lees: de muur met een dikke laag zwarte modder aan het insmeren). Ach, dat spoelt er met de regen wel weer af, dacht ik nog. Maar toen besloot de kleine smeerpoets zijn van de modder druipende armen eens uit te schudden. Hadden we toch wel zomaar een gratis moddermaskertje gewonnen! En het gezichtsmasker bleek ook nog eens wonderbaarlijk goed te werken, want toen ik zag hoe mijn pas gewassen ramen eruitzagen, voelde ik mijn gezicht toch lichtjes verstrakken.     Tja, soms is het moederschap een kwestie van maar wat aanmodderen. Meestal figuurlijk, soms wat letterlijker.

Vera's Column
0 0

Hades aan de lijn.

‘Wat denk je?’, vroeg Jane aan de apothekersassistent. Hij had de klant bediend en was bij haar aan de keukentafel komen zitten. Hij at van zijn bord opgewarmde havermout. Het was ochtend. ‘Ik kan Boris toch niet met een ooglapje laten rondlopen van zodra Yelena dat oog van hem heeft verwijderd? Hij heeft niets van een piraat. ‘Pirates of the Caribbean’ gaat het zeker niet worden.’ ‘Je hebt tegenwoordig heel mooie oogprotheses.’, zei hij. ‘Oh ja? Vertel.’ ‘Iemand van de klanten heeft een oogprothese die meerolt met het andere oog.’ ‘Wauw, dat zoiets kan. Daar wil ik meer over weten.’ ‘Ze bevestigen de oogspieren op een of andere manier aan de prothese.’ ‘En kunnen ze zover gaan dat je dan kunt zien?’, vroeg ze enthousiast. ‘Nu ga je toch wel wat ver, denk ik.’, antwoordde hij. ‘Waar is Bernard, trouwens?’, vroeg ze. ‘Die is hiernaast zijn koffietje gaan drinken en zijn babbeltje aan het doen.’ ‘En nu mag jij de boel alleen runnen? Ik stap maar eens op. Dat wordt dadelijk vast druk. Tot volgende week?’ ‘Nee, dan ben ik er niet. We rijden naar zee. Dat is alweer lang geleden.’, zei hij. Ze liepen allebei naar voor in de apotheek. De deurbel had twee keer gerinkeld. Twee nieuwe klanten stonden al klaar om te worden bediend. Ze nam vlug afscheid. ‘Tot de volgende keer en veel plezier aan zee. Doe Bernard nog de groetjes van me.’ ‘Zal ik doen.’    - - - Jane’s focus was haarscherp. In het stadsdeel waar ze zich ondertussen bevond wilde ze een mogelijke parkeerplaats niet missen. Het oude Brusselse stadscentrum herbergt lege plaatsen voor huizen die de spot drijven met menig chauffeur op zoek naar een autostaanplaats. Een inrit of een voordeur, het is een flinterdunne grens en een ongeoefend oog ziet nauwelijks het onderscheid. De inritten zijn soms zo krap dat je je afvraagt welk voertuig er nog langskan. Dubbele houten poorten die soms een voordeur zijn, dan weer een autoinrit of gewoon ook beide. Om gek van te worden.    Parkeren voor een inrit is natuurlijk dé reden om je wagen getakeld te zien. Ooit had Jane voor een hekwerk gestaan. Door de spijlen heen was er de uitkijk op een prachtige binnentuin. Met veel zorg aangelegd. Het was mei en dat maakt van zelfs de kleinste tuin een paradijs. Een oude rozelaar aan het begin van de binnenkoer stond overvloedig te bloeien. De rozen reikten met hun parfum tot aan het hekwerk en bedwelmden nieuwsgierige passanten die het hoofd door de spijlen probeerden te krijgen om nog meer van dat moois te kunnen opvangen. De zon kon het kleine stukje stadsgroen nog net zo belichten dat het een plaatje leek uit een reisgids. Het had haar zo afgeleid, dat ze geen oog meer had voor de informatie die de eigenaar op het hekwerk had opgehangen. Toen ze terugkwam dacht ze dat haar wagen op klaarlichte dag was gestolen. Niet dus. Hij was getakeld. ‘Stationnement interdit’, las ze nu. Op een terrein buiten de stad kon ze hem gaan ophalen. Eerst de rekening betalen. Die was niet mals. Takelkosten en stalling: honderdvijftig euro. De onoplettendheid had een gat geslagen in het huishoudbudget. Zoiets wilde ze niet nog eens meemaken.   ‘Mijn hemel wat is dit straatje smal.’, dacht ze. ‘Geparkeerde auto’s links en rechts. Halleluja, als ik hier een parkeerplaats vind. Ik zal tot het uiterste mogen gaan om mijn bolide ingedraaid te krijgen.’ ‘Hoe ver ben ik hier in vogelvlucht van de Grote Markt? Honderd meter? En toch geen toerist te bekennen. Wat een heerlijk rustige straat. Geen verkeer, geen pottenkijkers. Dat helpt mocht ik hier een parkeerplaats vinden. Zie ik dat nu goed? Een lege plaats voor die enorme glaspartij van dat oude herenhuis? Het ziet eruit als een winkel. Hopelijk verwachten ze geen levering en hebben ze de plek voor een vrachtwagen geblokkeerd.’ De goden waren haar gunstig gestemd. Zelfs Hades, de God van de onderwereld, die vlug van zich zou laten horen.   ‘Yes’, riep ze enthousiast terwijl ze haar tong oeverloos de es liet slissen tot haar stembanden het geleidelijk aan begaven en ze in een kleine ademnood dreigde te geraken. Heerlijk lang bleef ze genieten van het stukje parkeergeluk dat ze daar had gevonden. Ze stond op nauwelijks vierhonderd meter van de Bozar.   Net op het ogenblik van haar ontdekking reed een auto het smalle straatje in. In haar achteruitkijkspiegel zag ze hem veel te vlug naderen. En alsof dat nog niet genoeg was ontving ze een inkomend telefoongesprek. Ze was erop gebrand om te kijken wie het was. Twee weken geleden had ze op drie interessante vacatures gereageerd en ze verwachtte minstens één uitnodiging voor een gesprek. De wagen achter haar stond binnen de kortste keren op een enerverende afstand. Ze was nog niet eens begonnen met een parkeermanoeuvre. Gelukkig had ze net op tijd haar richtingaanwijzer opgezet. De hitsige chauffeur wist dus dat hij ieder ogenblik een achteruitrijdende auto mocht verwachten. Of ook niet? ‘Kerel, hou toch op. Man. Ben jij er weer zo eentje die denkt dat ie iemand kan wegjagen door geen ruimte te geven? Hup met die klotenwagen van je. Maak maar dat je minstens drie meter van me verwijderd blijft als je dat mooie chroom van je ook zo wilt houden.’   Ze had schoon genoeg van het soort types dat met een dure wagen anderen zat op te jagen. ‘Eikel, dacht je nu echt mij hier te kunnen wegjagen? Je ziet toch dat je die Porsche Cayenne van je hier niet kunt parkeren. Kerel, leer je auto kennen. Jouw wagen is veel groter dan mijne. Veel te groot voor deze plek. Vergeet het dus maar. En als ik die van mij er niet onmiddellijk kan indraaien, neem dan alvast je lintmeter en begin je wagen op te meten. Ik neem mijn tijd. Neem jij maar de tijd om je wagen én de parkeerplaats op te meten. Het zal je leren.’   De beltoon van haar gsm was ondertussen blijven rinkelen. Er was duidelijk iemand die haar graag wilde bereiken. Met een volumeknop op maximum was het aanhoudend gerinkel al even enerverend als de chauffeur achter haar. Terwijl ze de wagen in achteruit zette keek ze hoeveel ruimte ze rechtsvoor nog had opdat ze de geparkeerde wagens niet zou raken. Haar blik kruiste daarbij de console waarop de trillende gsm neurotisch om aandacht lag te vragen. In een oogopslag keek ze op het scherm.   ‘Verrek,’, zei ze. ‘Hades.’

Attendant Moon
0 0

Vergeten Cake

‘Wat gaat ge met dat brood doen?’  Mijn oma kijkt mijn vader bezorgd aan.‘Dat is geen brood, ma. Dat is een cake,’ reageert hij. ‘Als jullie die hier in het rusthuis niet opeten, dan neem ik ze mee naar huis als dessert voor vanavond.’Mijn oma knikt tevreden.‘Moet ge niks drinken?’ vraagt ze dan aan mij. Ze glimlacht, maar in haar blik meen ik toch nog altijd een soort bezorgdheid te ontwaren.‘Neen dank je oma, ik heb geen dorst,’ zeg ik.‘Wat gaat ge nu met dat brood doen?’ herhaalt ze en aait met haar linkerhand de verpakking van de cake.‘Waarom wilt gij heel de tijd discussiëren over die cake?’ Mijn grootvader laat zijn hoofd in zijn handen zakken. ‘Het is toch al beslist dat zij die meenemen. Waarom wilt gij daar altijd op terugkomen?’ mompelt hij.Mijn oma giechelt en kijkt ons ongemakkelijk aan. Ik vraag me af of ze beseft dat ze de dingen niet meer onthoudt. Er heerst blijkbaar ook een totale ontkenning van het concept ‘cake’ in haar hersenen.‘Ziet maar dat ge niet dement wordt,’ zegt mijn grootvader met zijn hoofd nog altijd in zijn handen. ‘Laat het ons op tijd weten als ge iets dergelijks gewaarwordt, dan kunnen we er misschien nog iets aan doen.’‘Daar kunt ge toch niks aan doen pa,’ verdedigt mijn vader mijn oma.Mijn grootvader kijkt op en tuit zijn lippen. Hij weet dat mijn vader gelijk heeft, maar mijn grootvader geeft mensen nooit gelijk. ‘Hoe is het met de bouw van uw huis?’ vraagt hij in plaats daarvan aan mij, mijn vader negerend. ‘Ge moet zien dat ge de juiste keuzes maakt. Eén foute keuze en alles is naar de vaantjes.’Ik knik begrijpend.‘Ge bouwt tenslotte maar één keer,’ voegt hij daar nog aan toe.‘Ik beloof dat ik goed zal nadenken over alles, opa,’ stel ik hem gerust.Mijn grootvader zucht vermoeid.‘Zijt ge moe pa?’ vraagt mijn vader.‘Moe? Neen, wij zijn nooit meer moe. Om zeven uur moeten wij hier al in ons bed. Eten, drinken en slapen. Een mensenleven is ineens lang als ge geen doel meer hebt,’ antwoordt mijn grootvader.‘Ze zorgen hier wel goed voor ons,’ pikt mijn oma in met een positieve noot. ‘Ze komen altijd vragen of we nog eten moeten hebben. Eten dat wij hier hebben! En om drie uur ’s nachts komen ze altijd nog eens kijken of we er nog zijn.’Mijn vader kijkt haar vragend aan. ‘Wordt ge daar dan wakker van?’‘Wij slapen nooit diep, wat wilt ge als ge niet moe zijt,’ repliceert mijn grootvader in haar plaats.Een vriendelijke verpleegster komt de kamer binnen. Of mijn grootouders niet vergeten om naar de eetzaal te komen voor het avondeten.‘Moeten we wéér eten?’ vraagt mij oma bijna wanhopig.In de eetzaal zijn twee verzorgsters in de weer met boterhammen.‘Gaat ge krabsalade eten, Maurice?’ vraagt er één aan mijn grootvader.Hij knikt langzaam.‘En gij ook Lucie? Twee bokes?’Mijn oma kijkt de verzorgster verward aan. Bokes? Dat is een woord dat ze als rasechte Oost-Vlaamse niet kent. Ze trekt het mandje met brood dat voor haar op tafel staat naar zich toe.‘Maurice,’ fluistert ze tegen mijn grootvader, ‘ze zijn de cake vergeten mee te nemen.’

Ans DB
0 0

Smalltalk

‘Dat is niet de lente waar we op gehoopt hadden, hè.’ Of, ‘gisteren de koers gezien?’ Smalltalk hoeft niet moeilijk te zijn. En toch gooi ik er in die benauwde vierkante meter die onze kantoorlift beslaat niks beters uit dan: ‘en wat zijn uw hobby’s zoal behalve verrassend veel oorsmeer produceren en look eten als ontbijt?’   Het is waar. Vanaf ik doorheb dat ik meer dan 30 seconden met een onbekende moet converseren, word ik schichtiger dan Anne Frank op een buitenspeeldag. Als ik nog maar aan een kassa of toonbank arriveer, klap ik dicht als de laptops van de gemiddelde bank om 15.30 uur. Ik zweet mezelf een porie-ontsteking bij het idee alleen al dat ik die ongemakkelijke stiltes moet opvullen met iets wat mij niet doet overkomen als een psycho die – ik zeg maar iets – ’s nachts everzwijnen verkracht en z’n slachtoffers opeet om alle bewijsmateriaal te vernietigen. En voor ik het weet, vraag ik aan de gepensioneerde vrijwilligster in de bibliotheek: ‘hoort gij ook dat kinderstemmetje dat mij opdraagt om dat boekenrek hier over u te gooien?’ Vorige week in de apotheek was het ‘puur informatief, maar voor Rohypnol heb ik toch geen voorschrift nodig, hè?’ En wat ik tegen de vrouw aan loket 2 van de post heb gezegd durf ik hier niet herhalen, maar het was iets met enveloppen likken, een kiwi met de schil opeten en de oksels van Anne Frank als er op de deur wordt geklopt.   Mijn moeder is een meester in het smalltalken. Ze onthoudt hoeveel kinderen je hebt, in welk leerjaar de middelste van de drie zit, welke bloedgroep de jongste heeft en dat de oudste 18 op 20 had op haar toets rekenen... 7 jaar geleden. Ze vraagt hoe het met de gebroken ribben van je grootmoeder gaat, maar zwijgt over het gevecht op de parking van de Lidl dat de oorzaak was. En ze maakt grapjes over de hond van je buren die eruitziet als een eekhoorn met een ego-probleem.   Interesse tonen in het leven van anderen, laat staan hun kindersituatie, is genetisch gezien helaas aan mij voorbijgegaan. Op een goeie dag reproduceer ik de naam van mijn petekind zonder voorafgaande stilte – ’t ligt op het puntje van m’n tong, ik zweer het! – en slik ik net op tijd een goedbedoelde ‘uw moeder’ in tegen m’n collega die twee weken geleden nog een begrafenis moest regelen. 1 - 0 voor baarmoederhalskanker, laat ons zeggen.   Toch heb ik vorige week iemand bezig gezien die op sociaal vlak nog onhandiger was dan je favoriete – en, oké, enige – Heistse columnist. De vrouw in kwestie stapte naar de kassa van de Blokker met een dvd van het 43ste seizoen van De Kampioenen in haar handen. Meestal al een voorteken dat er weinig vruchtbare gesprekken zullen volgen, maar we moeten niet zo snel oordelen. Voor hetzelfde geld koopt ze de dvd voor haar zwaar mentaal gehandicapte zoon – excuses, ik weet niet meer wat dit jaar het politiek correcte woord is voor les handicapés – die zijn enige beetje levensvreugde haalt uit Marcske met zijn scrotum in een molshoop gezogen zien worden. De vraag die zich na deze hypothese natuurlijk onmiddellijk stelt: zijn er überhaupt andere Kampioenenkijkers?   De vrouw was nog maar net begonnen aan haar zin, die volgens mij iets moest worden als ‘zit de dvd in het doosje of moet ik die hier nog krijgen’ en liet daar tijdens het woord ‘doosje’ zo’n oorverdovende, onwelriekende spermaboer dat de pannen van Piet Huysentruyt kletterend van de muur vielen. Nog veel erger was dat ze tijdens haar ‘pardon’ zo’n donderende zaadscheet liet dat de lantaarnpalen voor de winkel uit de grond werden gerukt en er een golf van autoalarmen door onze winkelstraat trok. Daarop is de vrouw in zeven haasten vertrokken, zonder dvd, en dus hoop ik dat mijn veronderstelling over mentaal beperkte Fritsje niet klopt. Ook ik heb mij er rap uit de voeten gemaakt, want heel de Blokker stonk op dat moment naar het zaaltje van de Swingers XXXtravaganza Party in Aarschot om 6 uur ’s ochtends. Ik werd er onpasselijk van.   Het allerergste soort smalltalker, ten slotte, is wat ik noem De Martelaar H/T. Het type dat je gijzelt in een ijzeren kooi en je elke ochtend foltert met buitengewoon oninteressante ‘anekdotes’ waarvan je je polsen binnenstebuiten wilt keren met een dunschiller. Om dat ’s avonds nog eens helemaal over te doen, deze keer mét foto’s van z’n lelijke kinderen erin verweven. Je zal maar vasthangen aan zo iemand waarmee je van Gent-Dampoort tot Brussel-Noord voor de rest van je leven verplicht moet chitchatten voor 54 minuten enkele rit. Of verschrikkelijker nog, iemand die met z’n nuchtere-maag-op-een-koffie-en-twee-sigaretten-na adem jarenlang gepassioneerd blijft ratelen over z’n gecompliceerde darmproblemen. Ontsnappen. Is. Geen. Optie. Denk daar maar eens aan de volgende keer dat je mij tegenkomt en ik oogcontact vermijd als Anne Frank die uit de nachtwinkel wandelt met een gepikte fles rum onder haar rok. Soms zijn ongemakkelijke stiltes er om van te genieten in plaats van op te vullen. Er moesten meer mensen zijn die na een ‘goeiemorgen’ gewoon vriendelijk hun bakkes houden.

Hans Verhaegen
0 0

De supporter

Sommige mensen vergeet je niet snel. Ook al heb je ze maar een half uur gekend. Hij is een gast, net als wij, voor een bed en een ontbijt in de stad. De gastvrouw geeft hem ’s morgens een vriendelijke ‘goodmorning’, die wij even voordien ook hebben ontvangen. “Oh, het is in het Engels vandaag”, zegt hij. “Geen probleem.” Waarna hij zich naast ons aan de ontbijttafel zet.   Het is opvallend, niet alleen onze woordenschat, zoals de afkorting B&B, maar ook de gesproken taal in het hotel- en logeerwezen vertoont alsmaar meer sporen van verengelsing. Hij is een voetbal- en wielerfan. Voor het tweede is hij nu in de stad. “Ze rijden vandaag een belangrijke wedstrijd. Het is de koers voor de tricolore trui”, verduidelijkt hij. “De nationale titel. Ik ben altijd grote supporter van Claude Criquelion geweest. In 1990 werd hij Belgisch kampioen. Daar was ik bij.” “Hij heeft in de Tour heel wat top 10-plaatsen behaald”, zeg ik. “Klopt”, zegt hij. “Vijf keer, met een vijfde plaats in 1986. Veel ritten gezien in Frankrijk. Eigenlijk had hij twee keer wereldkampioen moeten worden. Ik was erbij in 1988, in Ronse, toen die Canadees hem dat lapte in de sprint.”  De naam van de winnaar krijgt hij nog altijd niet over zijn lippen. Hij vertelt het zichtbaar ontroerd. Als hij vermeldt dat zijn held veel te vroeg overleden is, klinkt het alsof hij ook daar bij aanwezig was. Toevallig net op dat moment veegt hij een kruimel uit zijn mondhoek en meteen snel iets uit zijn oog.   Ondertussen supportert hij al jaren voor een andere coureur. Alsof een mens zonder helden toch maar alleen is. Net als de renner zonder supporters. “Je hebt zijn naam niet gevraagd”, zegt mijn vrouw achteraf. “Klopt”, antwoord ik. “Maar misschien vindt hij het niet erg dat we hem herinneren als Claude.”

Rudi Lavreysen
0 0

CENSUUR

Het eens zo gevreesde woord boezemt me niet langer angst in. Het woordje censuur las ik voor de een of andere reden in twee stukken, namelijk ‘cense’, ‘gevoel’ in het Engels en ‘suur’ waarvan ik ‘zuur’ maakte. Bijgevolg: zure gevoelens. Vermits ieder mens fantasie heeft creëerde mijn linker – of is het rechterhelft – van mijn brein een niet al te fraai beeld van de Homini-censura. Een magere man in een donker pak met een brilletje op de punt van zijn neus, een magere vrouw met een streng knotje, smalle mond en het onvermijdelijke brilletje, waarover beiden je rigide aankijken met een blik die doet vermoeden dat hun gevoel voor humor al bij de geboorte geamputeerd werd. Het duo zit aan een  groot bureau waarin een enorme versleten tapijt op de grond ligt, in een donkere kamer, waar het daglicht, angstvallig door  zware draperieën verbannen wordt brandt een felle bureaulamp. Tegenover hen op een krakkemikkelig stoeltje doordrongen met de geur van angstzweet zit de auteur.  Blijkt dat ik dit helemaal verkeerd heb ingeschat. Vergelijk het met politiemannen- en vrouwen in België die  bijna een ceremoniële functie hebben gekregen. Ze hebben wel een wapen maar ojee als ze ermee schieten.  Zoveel  staat er niet meer op het spel. We hebben een open-debatcultuur, voorlichting, psychologen, psychiaters en allerlei mensen die moeilijke thema’s niet langer uit de weg gaan. Integendeel. We omarmen de wetenschap en verbranden vele ‘heilige huisjes’ om de delinquent te vergeven of te begrijpen. We zijn allemaal, of toch bijna, kinderen van de verlichting die niet sidderen voor God of Duivel. Natuurlijk zijn sommige thema’s, weliswaar gezegd of geschreven, zo wansmakelijk dat ze afschuw veroorzaken. Gruwelijke moorden, kindermisbruik, slavernij, uitbuiting, groepsverkrachting, volkerenmoord of vervolging van minderheden. We hebben het allemaal eens gezien, gehoord of besproken. Wie eraan twijfelt zet best het nieuwsbericht op. Er zit ongetwijfeld wel iets naar uw gading bij. U kunt kiezen voor het geschreven of gesproken woord. Wil je zelf iets publiceren  wees dan gewaarschuwd. Wil je het uitgeven? Begin te beven. Ik volg het programma ‘Master chef’ waarin  censuur wordt toegepast op drie koks die het hart uit hun  borstkast rukken tijdens het koken en samen opdienen met  gerechten die ze aan een aantal criticasters in chique kledij voorschotelen. De presentators beoordelen het zelf ook eens zodat er geen twijfel bestaat wie geveld gaat worden door het zwaard van Damocles. Dan worden de ongelukkigen verjaagd uit de tempel des heren met ‘good luck’, een vriendelijk woord. Geef toe het kan onpersoonlijker en onbeschaafder.  Maar ja dat staat niet sympathiek voor de televisiemakers. Nu zit ik in hetzelfde schuitje als de drie koks af te wachten of ik de eindtermen zal halen. Schrijven, het doet iets met je. Die onzekerheid: was ik niet te sarcastisch… To be Azerty of niet?  Censuur bestaat in grove of fijne penselen. Gelouterd ga ik door, of het lot van zovelen op de slushpile delen? Het zwarte pak, het knotje en de strenge blikken zijn nu verdwenen door sympathieke mensen.   De censuur blijft.

Fanny Vercammen
17 0