Lezen

Kapstersliefde

Kapstersliefde   Al jaren kom ik in dit kapsalon; er pronken mooie kadertjes aan de muren. Foto’s, herinneringen, fantasieën en zo veel meer! Het doet me een beetje denken aan mijn klaslokaal van vroeger, al waren die muren bruin. Ik hoor een stem in de verte die steeds luider wordt, voetstappen komen op me afgelopen en de geur van vers gemaakte thee dringt mijn kleine neusgaten binnen. En ja, hoor, daar is ze dan: de kapster bij wie ik al mijn hele leven kom. Alsof het mijn troon is, vlij ik me neer op de ordinaire stoel, die hier, voor zover ik weet, al tien jaar staat. ‘Wat zal het vandaag zijn?’ vraagt ze uiterst nieuwsgierig. ‘Kort, strak, maar modieus!’ antwoord ik met opgeheven hoofd. Ze wast mijn haren alsof deze van zilver gemaakt zijn: zorgvuldig, grondig, maar toch met de nodige zachtheid. We praten even over het weer; zonnig, met broze wolken en tetteren over onze mannen en kinderen. Daarna neemt ze de schaar in haar fluwelen handen en ze begint, zonder enige twijfel, te knippen in mijn dierbaar haar. Knip, knip, knip,…Krullende stukjes vallen op de betegelde vloer, die pas opnieuw werd aangelegd. Het schrille contrast tussen het blond en het zwart van de tegeltjes is de oorzaak van mijn wegkijken. Alles wat ik zie, is hemels; die bruine, steile haren, die getinte huid, rode lippen en om het af te maken: sprankelende ogen. Nu pas bemerk ik dat de kapster, mijn vriendin, in mijn doffe, bruine ogen kijkt. Alsof de tijd stilstaat, ja, zo kan je het beschrijven. Alsof hemel en aarde zijn bewogen. Alsof liefde echt bestaat. Met die laatste gedachte sta ik op en draai me om. Mijn haar half geknipt en mijn ogen volledig betraand. Van geluk? Van spijt? Van liefde… Ik zie dat ze twijfelt, geen woorden vindt. We weten het allebei niet. Maar dan, totaal onverwachts en tegen alle wetten van de natuur in, kus ik haar. Vol op de mond. Onze tongen spelen met elkaar en onze lippen houden ons bijeen. De zon verlichtte zonet ons hart, onze ziel. Handen die niet van elkaars lijf kunnen blijven, benen die staan te trillen van opwinding en een hart dat staat te kloppen, voor jou, mijn kapster, in het kapsalon waar ik al jaren kom.

Bronwyn
0 0

Ne me quitte pas - vrije vertaling

Verlaat me niet Vergeef me nu Je kan het wel Het vervaagt nu al Verwerp de tijd Van tweespraak en verloren dagen Je moet weten hoe Je kan vergeten Hoe al die vragen Ons geluk verraadden   Verlaat me niet Blijf hier bij mij Ga nu niet weg Laat ons niet los   Ik schenk je graag De regenparels Van landen waar altijd droogte heerst Ik zal zoeken tot aan mijn dood Naar goud en edelstenen voor je naakte huid Ik bouw een burcht Waar liefde woont en liefde heerst, Waar jij vorstin zal zijn   Verlaat me niet Blijf hier bij mij Ga nu niet weg Laat ons niet los Laat me niet gaan   Ik maak voor jou Een nieuwe taal Die enkel jij begrijpt Ik vertel je ook Over de geliefden Wiens hart opnieuw ontvlamt Ik...   Ik vertel je over de koning die stierf Omdat hij je nooit zou kennen   Verlaat me niet Blijf hier bij mij Ga nu niet weg Laat ons niet los   Hoe vaak gebeurt het niet Dat een gedoofde vulkaan Weer ontvlamt Hoewel te oud bevonden Ergens op de wereld Vind je verbrande grond Met een grotere oogst Dan eender waar En als het dan donker wordt, De lucht in vuur en vlam Waarom zouden rood en zwart niet samengaan?   Verlaat me niet Blijf hier bij mij Ga nu niet weg Laat ons niet los Laat me niet gaan Ik kan niet meer huilen Ik wil niet meer praten Ik stop me in een hoekje weg Om te kijken hoe je vrolijk danst Hoe je zingt en lacht Laat mij de schaduw van jouw schaduw zijn de schaduw van je hand of die van je hond   Verlaat me niet Blijf hier bij mij Ga nu niet weg Laat ons niet los

Joke Thiry
9 0

Jehovah

Mijn zondagen zijn me heilig. Daar moet men niet te veel aan tornen. Op de zevende dag wil ik recupereren, bekomen, lichaam en geest op hun verdiende adem laten komen. De zondag wil ik rusten en wil ik nog meer met rust gelaten worden. De zondag wil ik ronddwalen door het huis, op zoek naar alles, niets vinden, en dat vooral niet erg vinden. De zondag wil ik berusten in het lot en in de lethargie van een veel te lang durende winter. De zondag is van mij. De zondag ben ik effenaf een onverbeterlijke egoïst. Eén dag per week is niets teveel. En dan werd er aangebeld. “Godver”, riep ik. Ik ben ook vaak nors op zondagen, zeker als de telefoon toetert of als er aan de bel wordt gerinkeld. Maar norsheid en gevloek zijn maar klein bier in vergelijking met dat wat ons voor eeuwig en een dag onverminderd zal blijven bestoken. Ik bedoel natuurlijk de schuld en de boete. Als de bliksem trok ik mijn broek aan, sleurde een truitje over mijn pompende lijf, en strompelde blootsvoets en ongeschoren naar de voordeur. Voor mij stonden twee vrouwen op middelbare leeftijd, elk in een wat afgedragen mantelpakje. “De wereld gaat om zeep meneer, u leest toch ook de krant. Kijk naar al die rampen, het zijn tekens aan de wand. Het einde van de tijden, dat is niet meer veraf. En dan scheidt onze vader het koren van het kaf.“  “Van met-de-deur in-huis-vallen gesproken”, reageerde ik gevat maar ze waren niet onder de indruk. “Gelooft u?”, onderbraken ze me streng en voor ik het besefte stonden ze al in de gang. ”Gelooft u?”, herhaalden ze en terwijl de ene me recht in de ogen keek was de andere al ongemerkt de leefkamer binnengeglipt. Mijn oudste dochter werkte toegewijd aan een aquarelletje en mijn jongste oefende enthousiast op de blokfluit. Ik toonde hun mijn platen met hedendaagse muziek maar ook met Schubertiaanse, Gregoriaanse en Byzantijnse gezangen. Ik liet hun mijn boeken zien. “Kijk hier, ook de bijbel en de koran.” Ik kreeg onmiddellijk drie boekjes cadeau van de niet genode gasten. Ik vertelde hun dat ik niets anders doe dan met mensen spreken, niet altijd in de gemakkelijkste omstandigheden. Dat ik ook met graagte mijn buren bezoek die een eeuw ouder zijn dan ik, en die elke middag alleeen moeten eten, verlaten als ze zich voelen, door God, onder andere, en klein Pierke. En dat ik het niet kan helpen, maar dat er een paar mensen rondlopen op deze kloot die ik echt graag zie. “Hoe zou ik dat allemaal volhouden mocht ik niét geloven?”, zei ik, bijna buiten adem en zinnen. “Maar uw God, die verschrikkelijke kasteelheer, die ban en bliksem over ons stuurt, dié God, neen, die woont hier al lang niet meer!” En dan hoorde ik het plots druppelen in de gang. Ik dacht: “Het zal toch niet waar zijn, ze zijn wraak aan het nemen, of ze zijn hun terrein aan het afbakenen, zoals honden dat doen.” Ik stoof de leefkamer uit, het mes tussen de tanden. Helemaal klaar om de strijd aan te gaan, In de gang was echter geen enkele van de dames nog te bespeuren. Ze waren blijkbaar middenin mijn tirade ongemerkt en met stille trom vertrokken. Ik stelde wel vast dat mijn bad aan het overlopen was.   © Dirk Vandeweghe

Dirk Vandeweghe
0 0

De neurochirurg

De deur zwaait open. Daar staat de neurochirurg. Hij geeft ons een hand terwijl hij zegt "Ik heb uw dossier al uitgebreid bekeken." We zetten ons neer op de stoeltjes aan zijn bureau. Nog voor hij gaat zitten, kijkt hij ons aan en zegt: "ik vrees dat we niet anders kunnen dan opereren." Weg vliegt het laatste beetje (valse) hoop.   Hij begint opnieuw, zoals alle dokters, over hoe uitzonderlijk dit is op mijn leeftijd. Vreemd hoe je tijdens je puberteit niets anders wilt dan opvallen en gezien worden. Om dan eens je volwassen(er) bent net het tegenovergestelde te hopen. Ik zou liever geen uitzonderlijke nek hebben. Hij begint met een reeks mogelijke oorzaken op te sommen: een ongeval?, gevallen?, whiplash?, roker?, eerdere operatie?,... Ik moet op iedere vraag 'nee' antwoorden. Ik heb flink gestudeerd, werk ijverig, zorg voor mijn gezin, hou van mijn familie, doe geen extreme sporten, ben gelovig, heb nooit drugs gebruikt,... Het wringt een beetje en de vraag "waarom ik" duikt vaak op in mijn hoofd. Ik had misschien beter wel wat extremere sporten gedaan, wie weet. Maar ik heb hoogtevrees.   Hij toont de tussenwervels die ze zullen plaatsen. Het zijn synthetische exemplaren die door sommige verzekeringen worden terugbetaald. Als dat niet het geval is, kost het ongeveer 200 euro. Ik denk aan de vakanties waar we dit jaar gingen voor sparen. We gingen onszelf voorop zetten en geen verbouwingen of andere zaken doen. "Een goedkopere optie is om bot te nemen van de heupen en dat in de plaats te gebruiken maar op uw leeft...". Mijn man en ik kijken naar elkaar en zeggen bijna simultaan "neen, de eerste optie." De chirurg beantwoordt netjes al onze vragen. In totaal zullen ze 2 of 3 tussenwervels vervangen via een kleine incisie in mijn nek.   Na 20 minuutjes staan we opnieuw buiten met een infomapje en de operatiedatum. Iedereen heeft het over hoe goed het is dat we vooruitgang maken. Over hoe ik moet vooruit kijken en positief zijn. Het einde van de pijn is in zicht. Terwijl ik met een naar gevoel blijf lopen en het optimisme voorlopig niet deel. Ik zou willen huilen maar ik kan niet. Nu ik hier vandaag alleen zit, lijkt alles me te overspoelen.   Het gevoel van oneerlijkheid. De angst voor de operatie. De boosheid om alle voorbije ingrepen en doktersbezoeken die niets uithaalden. Alle vragen over 'wat na de operatie': hoe goed zal ik mijn nek nog kunnen bewegen?, hoe zal het voelen?, zal het litteken niet te groot en opvallend zijn?. Het wanhopige gevoel dat ik ondanks alle moeite in het worst-case scenario ben terecht gekomen. De frustratie over 'op jouw leeftijd zien we dit niet veel'. Het onvermogen dat ik voel om hierover op een correcte manier met de kinderen te praten Het gevoel dat ik bijna een half jaar van mijn leven 'kwijt' ben.   Ik moet het nog een plaats geven. Ik moet nog de zin vinden in de komende maanden. Ik moet opnieuw wat hoop en positiviteit bij elkaar schrapen. Ik kan het alleen nu even nog niet. Ik heb tijd nodig.  

Alice Bremt
0 1

Huiswerkopdracht: Bloemlezing

Boek ‘Bloemlezing uit de gedichten van Piet Hannes (1902-1969)’ door Lode Certonck (Brussel 1947)   Lode Certonck is met dit boek niet aan zijn proefstuk toe. Eerder schreef hij al een bloemlezing uit de gedichten van Cor C de Kloten (1890-1941) en becommentarieerde hij het werk van Paul Snoek (1933-1981). Deze bloemlezing, voorzien van een voorwoord, is het eerste belangrijk naslagwerk van de twintigste-eeuwse dichter Piet Hannes. Het is de derde herziene druk. Prof. Certonck doceert Duitse en Nederlandse filologie aan de universiteit van Nijmegen en is in zijn vrije tijd hobbykok.   Gedicht uit 1914   Pwook pwook Tok tok toaak Kukkelekuu uuh uuh Tok tok tok toaak Kukkelekuu Pwooak pwooak Tok tok tok tooak Kukkelekuu   Dit gedicht dat de heer Hannes op twaalfjarige leeftijd schreef, bewijst zijn genie. We kunnen Piet gerust een wonderkind noemen en we zijn blij dat men zijn eerste opstellen en gedichten bewaard heeft. Ze bevatten een schat aan informatie. Piet Hannes had als kind een zwakke gezondheid. Door het feit dat hij vaak ziek is, raakt hij verslingerd aan lezen. We kunnen bij dit gedicht analogieën zien met het fameuze ‘kikker-gedicht’ van zijn collega dichter Paul Snoek. Er is echter wel één groot verschil: Piet had een voorkeur voor kippen en ander pluimvee; Paul voor insecten en al wat in en rond water leeft. Op de boerderij bij opa Sooi liepen er genoeg kippen rond en dit moet op Piet grote indruk hebben gemaakt. De literaire analyse is eerder eenvoudig: het zijn kippengeluiden met drie maal de ‘kukkelekuu’ van een haan. Uit de dagboeken en memoires van oma ‘boerin Jeanine’, de vrouw van Sooi, weten we ook dat grootvader feilloos een Mechelse koekoek kon imiteren. Zo goed dat het moeilijk te onderscheiden was van het werkelijke dier. Ook dit moet grote indruk hebben gemaakt op de jonge dichter. Deze biografische gegevens leiden tot nog meer literaire inzichten. De keuze van de dichter voor kippen is hier o.a. mee verklaard. De dichter heeft ook dankzij dit mooie gedicht een trauma kunnen verwerken en het heeft hoogstwaarschijnlijk veel moed gevergd om het te schrijven. Op de leeftijd van vier heeft Piet namelijk gezien dat een kip een tijdje blijft rondlopen ook zonder kop. Boer Sooi slachtte nl. van tijd tot tijd een dier. Overbodig te melden dat ook deze schokkende gebeurtenis op Piet een zeer grote indruk moet hebben gemaakt. Aanvankelijk noemde Piet zijn gedicht: ‘Die de kleinste eieren leggen, kakelen het hardst.’, ondertussen, na grondig onderzoek, weten we dat deze titel is weggevallen. De verwijzing naar Pasen vond Piet iets té katholiek. Dit werd hem niet in dank afgenomen.   Het boek is uitgegeven door uitgeverij Zondag en verkrijgbaar in de betere boekhandel. 341 pagina’s, 17,50 euro genomineerd voor de Jules Deelder prijs voor beste bloemlezing in het Nederlandstalig gebied.    

Hubert Grimmelt
30 0

Alleen wij samen

Hier sta ik dan met ontbloot bovenlijf… En hangende borsten. Twee verlepte stukken huid, ontdaan van vrouwelijke trots. Verloren speelsheid… Niet dat Gerard er ooit iets van zegt. Uiteindelijk is niks nog wat het ooit was. Is alles anders. Ook zijn handen. Naar mijn gezicht kijk ik niet. De spiegel zou niets verbergen. Ik weet wat er te zien is. Elke rimpel, elk litteken, elk vlekje vertelt dat ik geleefd heb. Lang geleefd. Lang genoeg om de vergane glorie te aanvaarden. Of zoals hij zegt om terug te reizen naar mijn meisjesjaren.   Ik zucht. Wat doe ik hier ook alweer? Met bevende hand pak ik de waslap van de lavabo. Ik wrijf traag over mijn gezicht. De droge stof schuurt. Er ontbreekt iets. Aarzelend glijden mijn ogen over de dingen onder de spiegel. Er staan maar weinig spulletjes. Wat moet ik nu? Dat blauwe flesje, dat is toch wat Gerard altijd gebruikt? Waar blijft hij trouwens? We doen toch gewoonlijk alles samen? Sinds kort ook het wassen. Mijn Gerard draagt sindsdien weer zijn slagersschort, maar nu onberispelijk schoon, zonder vlekken van de geslachte beesten. Het staat hem zo charmant. Zo knap met zijn donkere haren en zijn groene ogen. Weifelend pak ik het flesje, haal het dopje eraf en spuit een toef zeep op mijn hand. Net als ik het schuim wil opbrengen, wordt de deur geopend. Een koude rilling trekt over mijn rug. De jonge vrouw glimlacht. “Martha, lukt het? Oh, neen! Dat is scheerschuim! Wie heeft er die fles op jouw kamer gezet? Hoe stom kunnen ze zijn?” Ik begrijp er niks van. Wat moet die vrouw hier? En wat doet zij met Gerards slagersschort aan? Waar blijft Gerard verdomme? Waarom grijpt die meid mijn arm vast? Wat denkt ze wel? “Kom Martha, dat maken we snel even in orde.” Oh, neen, dat maken we niet in orde. Ik wil Gerard. Als die meid denkt zich met mij te bemoeien… Met wat moeite veeg ik het schuim op haar arm. Probeer me dan uit haar greep te bevrijden. “Toe Martha, wees eens lief. Ik wil je alleen maar helpen…” “Ik hoef je hulp niet! Ik wil Gerard! … Gerard! Gerard! Help mij, Gerard!” Ik schreeuw de longen uit mijn borstkas. Hij moet me horen nu. Een ogenblik later staat hij er. In hetzelfde slagersschort als de vrouw. Is zij een hulpje misschien? Dat wist ik niet. “Dag Martha, ik ben er.” “Ze denkt dat je haar echtgenoot bent, niet?” zegt het hulpje. Gerard glimlacht en knipoogt. “We hebben het samen altijd goed kunnen vinden, Martha en ik. We kennen elkaar al een poosje… laat ons maar begaan…” Zie je wel, echt mijn Gerard. Twee zinnen uit zijn mond en de jonge vrouw druipt het af.   Vol vertrouwen laat ik het waslapje over mijn gezicht glijden, over mijn armen, over mijn slappe borsten. Ik ben gelukkig met Gerard, alleen wij samen…

R Ryckoort
40 1

(N)iemand (500 woorden verhaal)

Ik schrik op en vraag of er iemand aan de deur heeft gebeld? Niemand antwoordt. Het kan ook niet want er is niemand.  Niemand meer om te zeggen of er iemand gebeld heeft.Zal ik dan zelf maar gaan kijken?  Ik moet wel, want er is niemand anders.Ik kom recht uit mijn zetel en besef dat het geen zin heeft naar de deur te gaan.  Er zal niemand zijn, net zoals hier niemand is.  Ik heb het mij vast ingebeeld.Van zodra ik mij terug neerzet, hoor ik weer dat geklingel.  Is het wel de deurbel?  Het is net of er iemand in mijn hoofd zit met een klok in de hand.Vroeger klonk die deurbel toch anders? In feite weet ik het niet meer zo goed. Ik moet op zijn Vlaams tot mijn scha en schande bekennen dat ik niet zo op het geluid van dat ding gelet heb in de tijd dat er nog iemand was die ging opendoen als er iemand aanbelde.Er zit nu niets anders op dan weer recht te staan en mij naar de deur te begeven.  Die is trouwens niet zo ver verwijderd van de plek waar mijn zetel staat.  Ik sta zo in de smalle gang die naar de voordeur leidt en waar ook de steile trap naar de bovenverdieping zich bevindt. Ik weet niet meer waarom ik vroeger nooit de deur opende als er iemand aanbelde.  Ik zou er altijd als eerste kunnen geweest  zijn.  Als er iemand naar de deur liep kwam die vaak van de trap naar beneden gedonderd of uit de achterkeuken aangesneld.Maar nooit heb ik beseft dat die bel zo een leven maakte. Wie zou er trouwens aan die klok hangen?  De postbode vast niet.  Als die al iets voor mij heeft stopt hij het wel in de brievenbus.  Die bus is meer dan honderd meter van het huis verwijderd. De klep van de brievenbus is in het muurtje ingebouwd waaraan het tuinhek is bevestigd.  Het tuinhek staat altijd open.  Achteraan het muurtje is er een deurtje dat ook nooit op slot zit. Daarin zou iemand grote omslagen of zelfs kleine pakjes kunnen deponeren. Neen, de postbode komt heus niet tot aan het huis als het niet hoogdringend nodig is.Ruime tijd geleden waagde hij het om rond Kerst en Nieuwjaar tot aan de voordeur te komen in de hoop een borreltje te versieren of een fooi te krijgen.  Dat heeft geduurd tot hij de krenterigheid door had van de bewoners van deze plek.De voordeur klemt een beetje.  Wanneer  ik ze openruk,  merk ik dat het gesneeuwd heeft.  In deze tijd van het jaar? Dan zie ik de voetstappen in de sneeuw.  In de verte stapt iemand naar het tuinhek. Het is iemand in een rood pak met een rode muts met witte boord.  Hij heeft een zware koebel in de hand. Voor het hek staat een slee met twee rendieren. Hoezo? Is het dan al Kerstmis? Is er (n)iemand die dit weet?  

Vic de Bourg
31 1

De vlecht

Al jaren kom ik in dit kapsalon. Het kapsalon geurt naar brandend wierrook en de houten deur is half vermolmd door het vocht en de schimmel. De barsten van de ruiten zijn beplakt met stukjes tape. En toch siert dit kapsalon van alle huizen het meest de straat. Iedereen komt hier ook graag. Gekwelde huisvrouwen, patsers, straatboksers, jonge boefje, vrijpostige jonge dames, botterikken en werklui. Vroeger kwam er een jongen op zijn bakfiets rijst verkopen. De kappers gaven hem een fooi voor de boodschappen en zoals altijd wat grammen tabak voor in zijn pijp. Het kind was te jong voor te roken. Het was een broodmager schepsel dat elke dag door weer en wind moest fietsen. Uiteindelijk stierf hij aan de koorts in een kartonnen doos in de grijze schaduw van een container. Maar zoiets is hier geen nieuws meer. Hoewel er toch tranen gevloeid zijn.   In het kapsalon is een jong meisje mijn haar aan het wassen. Ze is zo'n jaar of zestien, ruikt naar alles wat in deze tubes en flesjes zit, haar handen zijn bleker geworden van de producten en ze draagt een kruisje om haar hals. Erg jeugdig ziet ze er niet uit. Van het harde werken is ze veel te vroeg rijp geworden. Ik zie het aan haar ogen, de eelt op haar handen en haar verhard gelaat. Alsof het uit graniet was gehouwen.    Ik wil niet zoals dat meisje worden. Ik wil niet zoals die jongen van de rijst eindigen. Ik ben even oud als hen maar heb het geluk dat ik niet van deze straat kom. Niet van deze buurt, waar het me verboden is te komen van mijn voogd. Want overal is het hier plakkerig en de plak houd je vast als de zuignap van een inktvis.   Het meisje brengt me naar de kaptafel en doet me een inktzwarte schort aan. Opeens besef ik dat, als iedereen op internaat mijn geknipte haren ziet, ze weten dat ik weggelopen ben. Mijn voogd zal me dan niet meer "beschermen". Ik ben maar een stuk bezit in haar ogen. Mijn haar is daar een van. Ze dreigt me kaal te scheren als ik ongehoorzaam ben.   'Wat kan ik voor u doen?' vraagt het meisje. 'Maak van mijn haren één vlecht en knip die af. Scheer de rest weg.' 'Meent u dat?' Het meisje kijkt haar ogen uit, net als iedereen die achter mij zit te wachten op een knipbeurt. Maar ze begint. "Zo'n mooi haar'. mompelt ze. Er gaat een warme gloed door me heen, alsof ik nu echt leef.   'Wilt u ook mijn vlecht in een plastiek zakje doen?' En ik geef haar de fooi. Ze pakt het langzaam aan. Haar ogen staan wijd open als dat van een dier. Als ik de deur achter mij toe klap komt er een glimlach op mijn mond. Er ging een gloeiende elektrische lading door me heen en nog meer door het meisje. Het meisje heeft een kind gezien dat niet alleen een einde maakte aan haar lange haren, maar zo ook van haar meesteres.    Door de lange straten van de stad die geurt naar zwarte magie en wierrook, wandel je nooit veilig. Daarom ben ik hiervan weggehaald, en daarom hebben ze mij, in een internaat voor wezen of moeilijk opvoedbare meisjes gestoken.   Eenmaal ik aankom bij de poort van het internaat, begin ik onder het hek te kruipen zoals op de heenweg. Het oude gebouw met zijn witgekalkte muren, lange ramen met gemonteerde spijlen en een kast van een deur. Ik klop tweemaal op de deur. Mijn meesteres doet open en half slaperig kijkt ze mij aan. Ik smijt het plastieken zakje naar haar en zeg: 'het wordt tijd dat je leert dat ik nooit je werktuig ben geweest, en de andere meisjes ook niet. En daarom zal ik voorgoed weggaan.' Mijn meesteres geeft mij een rake klap. 'Jij ondankbaar schepsel! Na alles wat ik voor je deed. Ik heb je gevoed, jij vrat me op.' siste ze. 'Neen,' antwoorde ik. 'Ik was slechts een meid.' Ik keerde haar de rug toe en loop richting de poort, de vrijheid en wreedheid tegemoet die ik zowel bemin als vrees.

Andrea Derese
9 0

Beste menselijkheden 2019!

De goede voornemens van het 'nieuwjaar' hebben meestal een houdbaarheidsdatum van 2 weken. Vanaf 15 Januari zit 60% van de wereldbevolking met een rothumeur vanwege collectieve faling, 37% is tegen deze tijd depressief om dezelfde reden en 3% pleegt zelfmoord. Elk jaar opnieuw. Om deze reden heb ik dit jaar afgezien van alle voornemens. Ik heb me erbij neergelegd dat goede voornemens op nieuwjaar geen kloten waard zijn. Als je iets wil veranderen in je leven hoeft dat niet persé rond de jaarwisseling uitgedrukt te worden. Je doet iets of je doet het niet, zonder teveel gezeik en geslijm.  Het is eigenlijk iets om beschaamd over te zijn als we de statistieken bekijken. We maken onszelf belachelijk. De meeste wensen komen niet uit. Je stopt met roken of niet, je verlost jezelf van je overgewicht of niet, je stopt met drinken of niet. Hoe minder verhaal, hoe meer kans op slagen.   Het massale falen van je medemens na nieuwjaar is sowieso een negatieve frequentie om op mee te surfen. Wil je positieve veranderingen aanbrengen in je leven? Dan kan je daar best met nu mee beginnen. Of in augustus.  Augustus is de maand bij uitstek om na te denken over wat je wil met je leven. De lichtzinnigheid van de zomer loopt dan op z'n eind en de aankomende herfst geeft je de juiste atmosfeer om te mijmeren en bezinnen. Een perfecte periode om je nieuwe ideeën post te laten vatten. Tegen de jaarwisseling ben je dan volop ontnuchterd, klaar om te feesten en alle  bullshit los te laten. Als het je gelukt is tussen augustus en januari om enkele veranderingen aan te brengen, dan heb je reden tot feesten. Laat de champagne dan maar rijkelijk vloeien. Vreet je dan maar stijf aan foie gras, hoewel ik dat op elk tijdstip van het jaar walgelijk vind. Bah. Arme ganzen hun zieke lever opvreten.   Wil je vermageren? Doe dat in februari. Je bioritme werkt dan het beste mee. Wil je stoppen met roken? Doe het nu, of je sterft aan een enge ziekte. Wil je meer succes in je leven? Gedraag je er dan nu naar. Wacht niet tot nieuwjaar om het je voor te nemen. Leef of het elke dag nieuwjaar is. Neem jezelf voor, faal, sta op en leef. Accepteer dat een nieuw jaar er geen zak aan verandert als jij niet de kracht vindt om op elke dag van het jaar in actie te komen om je dromen waar te maken en je leven mooier te maken.   Ik wens jou voor de rest van je leven een mooi leven. Neem je elke dag iets positief voor. Slaag en faal.  Accepteer en leef. Dit is mijn wens voor jou en mezelf.   Gelukkig 2019!                                      Heidi Schoefs (www.schoefsheidi.com)

Heidi Schoefs
37 0

Vergeetwoorden

Ik zit aan onze eettafel en blader door een boek met ‘1000 vergeetwoorden om te koesteren’. Het zijn woorden als pertang, schielijk, schobbejak en bijkans. De bijhorende beelden komen als vanzelf. "Ik had pertang goeien troef", hoor en zie ik grootvader aan de ronde keukentafel in het ouderlijk huis zeggen.  Deze dopen ze op vrijdagavond om tot kaarttafel. Ze zitten er met zijn vieren. Het is een beeld van lang geleden. Hij werpt zijn twee resterende speelkaarten theatraal op tafel, waarbij ze een paar keer rond hun as draaien. Het spel kunnen ze niet meer winnen. De overige troeven zitten bij de tegenpartij. Hij gooit zoals een lassowerper, maar dan met speelkaarten in plaats van met een touw. De teleurstelling van het verloren spel dikt hij hierdoor nog wat aan. Alsof het een staatszaak is.  “We hebben toch bijkans acht slagen”, vervolgt vader troostend. Hij is in dit spel de compagnon van grootvader. En dat hij maar drie troeven had, maar wel goede ‘speelkaarten’, waarna hij de zeven gerangschikte stapeltjes met telkens vier kaarten nog maar eens natelt. Alsof het er plots acht zouden zijn. Grootvader vervolgt dat hij ook geen ‘vluchthand’ had. En de nonkel die met vijf troeven durft te passen, is volgens hem een schobbejak. Het is taal en kaarterstaal die je nog zelden hoort.   Tussen het kaarten door vertellen ze verhalen, over de een of andere kennis die schielijk gestorven is. Waarna grootvader ongeduldig vraagt of er nog gekaart wordt. Want met al dat gepalaver komt er van kaarten niets in huis. Gepalaver. Wie gebruikt het nog? Ook dat staat in het boek van niet vergeten woorden en niet vergeten mensen.  

Rudi Lavreysen
57 0