Lezen

De koptelefoon

Iets of iemand had op de knop 'repeat' gedrukt. 'Repeat' in de koptelefoon die ze zichzelf had opgezet. Er waren verschillende cd's beschikbaar in die koptelefoon. Allemaal gingen ze over de toekomst. Over hoe ze het niet ging redden. Noch financieel, noch emotioneel. Over hoe ze nooit werk zou vinden. Werk dat haar uit die donkere tunnel hield, geen poets-of verkoopwerk. Over hoe en waarom ze niet paste in deze samenleving. Over hoe en waarom moeke toch gelijk had gehad, dat ze een beetje gehandicapt was en dus nooit financieel voor zichzelf zou kunnen zorgen. Over waarom ze beter nooit geboren was. Ze was toch al het resultaat van een vergissing: het huwelijk tussen haar ouders was een vergissing en zijzelf was dus één van de vijf vergissingen die haar ouders gecreëerd hadden. Over dat ze met haar groene idealen niets te zoeken had in deze wereld, die enkel gespitst was op andere kwaliteiten. Computerkwaliteiten. Organisatorische kwaliteiten. Stressbestendige kwaliteiten. Zelfstandige en beslisvaardige kwaliteiten. Twee- of liefst drietalige kwaliteiten. Administratieve kwaliteiten. Commerciële kwaliteiten. Autorijkundige kwaliteiten. De repeat-knop van haar koptelefoon bleef hard ingedrukt. Harder nog dan de besparingsknop die de regering indrukte.   Er waren verschillende platen opgenomen in de koptelefoon. Eén over vernietiging en vergiftiging van deze planeet. Eén over dreigende naderende oorlog. Een over herovering van religie op gezond verstand, wereldwijd én hier. Eén over mensenrechten en vooral vrouwenrechten. Eén over verrechtsing, en teloorgang van sociale zekerheid die geen zekerheid bleek te zijn.   Alle platen hadden één ding gemeen: ze bleven hangen. Telkens en telkens opnieuw bleven ze haperen, hangen en herhalen. Tot het hoofd en het hart van het meisje net zo hard doordraaiden als de platen in de koptelefoon. Ze draaide dol toen ze fietste. Ze draaide door toen ze liep. Ze draaide dicht toen ze zat. Door al dat door- dol- en dichtdraaien, zag en hoorde ze weinig.   De koptelefoon sloot haar oren voor twinkelierende vogelgeluiden en kwakende kikkers. Sloot haar ogen en oren voor kansen. Sloot haar ogen en oren voor deuren die misschien hadden kunnen opengaan. Sloot op de duur ook haar ogen en oren voor alle deuren die nog open waren, die ze zelf open gemaakt had. Deuren van liefde, passie en lust. Deuren voor het duo die ze had met haar Koene ridder.   De koptelefoon: wie had die repeat-knop ingedrukt?   En nog belangrijker: wie had die platen gekozen?   Soms, heel even, vooral op woensdagavond, kon ze de volumeknop een stuk lager draaien. Zodat de platen enkel een hardnekkige ruis vormden op de achtergrond.   Dan hoorde ze weer geknetter van knapperende vlammetjes op de achtergrond. Hoorde ze weer vrolijke, kabbelende stemmen. Als kleine watervalletjes in het donker.   Op één woensdagavond huilde ze heel even haar ziel weer schoon tegen een schouder. Altijd vond ze daar twee armen om haar heen. Wat zeg ik? Vier, zes, acht, soms wel tien armen om haar heen.   Soms probeerde ze een andere plaat in de koptelefoon op te leggen. Een dansende plaat, een vertellende plaat, een gidsende plaat,een zingende of een lachende plaat.   Toch bleken de platen over de toekomst sterker, hardnekkiger. En alleen voor hen bleef de repeat-knop ingedrukt.    

Woudnimf
0 0

Nog geen titel

  Zoals het gele, verdorde en verpieterde gras zichzelf terug glanzend groen tovert na een bad (of meerdere) van koel hemelwater, ook als dat hemelwater maandenlang wegbleef.   Zoals de bladeren van een boom geel gaan hangen, knisperend van droogte, twijfelen om voor eeuwig de tak los te laten en zich in de diepte van de wanhoop te gooien, en dan ineens zichzelf glanzend groen oprichten na een lavend bad (of meerdere) van verlossend hemelwater.   Zoals de Wilde Cichorei me elke morgen bewijst dat geen enkele droogte hoe uitzichtloos ook, haar zal tegenhouden. Ze lacht hemelsblauw het hemelwater naar zich toe   Zoals het Wilgenroosje en de Wilde Peen de droogte, schaarste en verzengende hitte gewoon uitlachen, Onverstoorbaar verder groeien, elkaar bij bosjes helpend en schaduw gevend, en de hemel uitdagen met hun kleuren.   Zoals de wortels van het tere kleine Slaapmutsje ongelooflijk wakker blijven en het water dapper vasthouden en opzuigen uit de armste, droge grond en dat water krachtig naar boven zuigen.   Zo zullen ook mijn wortels zoeken en vasthouden, diep, diep tasten tot in de onderste regionen van mijn ziel, en alleen maar kijken.   Kijken in mededogen en helderheid, elke droogte transformerend tot een zee van inzicht, een meer van inspiratie en moed waarin ik een bad (of meerdere) zal nemen en me laven.   Tot mijn wortels het inzicht en de inspiratie naar boven zullen sturen naar mijn kleine hersenen.   Tot mijn stengel de moed en de kracht verdeelt over mijn bladeren en takken. Die daadkrachtig mijn hele wezen zullen besprenkelen. (Wat zeg ik? Begieten! Onderdompelen!)     Zodat ik terug glanzend groen kan worden. Niet groen van valse hoop (op elke vacature die een illusie bleek) Niet groen van nijd op het onrecht in deze (en andere) samenlevingen. Niet groen van jaloezie op mensen die er wel in slagen om zichzelf te onderhouden. Maar groen van geloof en vertrouwen Zelfvertrouwen Vertrouwen in de ander. Vertrouwen in de toekomst.   Geen groen, blind vertrouwen in de kosmos. Maar een jong, frisgroen vertrouwen, dat al wie in het oog van de storm rust vindt en vormt, (en dus niet zoekt en wacht) altijd veilig groen zal blijven.    

Woudnimf
0 1

Voorwoord

‘Ik denk dat er meer seks in moet, Yves’ zei de redacteur. ‘Seks? Ik schrijf nooit over seks. Waarom vraag je dat nu ineens?’ 'Wel, het zou eens een andere invalshoek zijn, met een breder palet de persoonlijkheid van je personages belichten. Het zou ook…’ ‘De verkoop doen stijgen bedoel je?’ onderbrak de schrijver hem. Hij had al voor deze interventie gevreesd. Na zijn derde boek was het heel flauwtjes geworden, en zijn vierde lag al na zes maanden afgeprijsd bij de koopjes in de kelder van de boekhandel. Het werd stil, en het manuscript op tafel lag nu plots als een zorgenkind tussen hen. ‘Ik wist dat je er zo over zou denken, maar luister Yves, als vriend en redacteur vraag ik je er eens over na te denken. Het is in hoor, iedereen doet het.’ ‘Ja, hallo ! Neuspeuteren en onder je stoel uitwrijven is ook altijd in geweest, maar moet dat ook op papier staan ?’ klonk het geërgerd. Er viel een nog grotere en ongemakkelijke stilte. De afstand tussen de twee mannen was nu bijna te voelen. De schrijver keek ongemakkelijk overal en nergens naar, en zag dat de redacteur een grote polshorloge droeg. Veel te opzichtig waren die dingen tegenwoordig. ‘Nog een beetje en ze zijn zo groot als een wandklok’ dacht hij. ‘Jouw personages doen het toch ook?’ doorbrak de redacteur onbeholpen het stilzwijgen, alsof hij aan een les voorlichting begonnen was. ‘Natuurlijk doen ze het, het zijn mensen godnogaantoe, maar daarom moet ik er toch nog niet over schrijven?’ ‘Je kan zo’n belangrijk menselijk aspect toch niet naast je neerleggen? Het hoort er toch gewoon bij? Opnieuw stierven de geluiden tegen het wandrek vol boeken uit. Ergens in het huis klonk een mobieltje met een ringtone van balkende ezels.  ‘Trouwens, heb je er anders iets op tegen dat je boekenverkoop de hoogte in zou gaan?’ ‘Nee, natuurlijk niet’ zei de schrijver, ‘Alleen, je begrijpt het niet, het is…’ ‘Beste Yves, jij met al je talent, schrijf over het leven zoals het in zijn volledige breedte bestaat. Dat is toch geen schande? Het zal je werk ten goede komen, echt. Geef het een nieuwe impuls!’ De schrijver keek de altijd enthousiaste redacteur vanonder zijn blonde voorhangende haren aan en vroeg cynisch:  ‘En terwijl ik daarmee bezig ben, moet ik dan ook over voetschimmels schrijven, over roos op schouders van een maatpak, over darmpoliepen die langs je–weet-wel- waar worden verwijderd, over steenpuisten die 's nachts openspringen? Is het dat wat je wil? Een mond die ruikt naar de laadbak van een vuilniswagen?’ ‘Alleen de prettige dingen Yves, de lezer wil alleen prettige dingen, dat weet je toch. Maak het hem niet te moeilijk. Geef het een kans, en wie weet komt misschien die langverwachte literatuurprijs er dan wel aan.’ Die had de schrijver meteen door. Het klonk als een beloofd ijsje na een tandartsbezoek. ‘Ik betwijfel het’ zei hij kort, en liet het lokkertje onaangeroerd. De redacteur zag zijn vertwijfeling en gaf het nog niet op. ‘Denk nu gewoon eens buiten de lijntjes Yves, out of the box’. Plots begon hij samenzweerderig te lachen. De redacteur overdreef altijd wanneer hij Engels sprak vond Yves, een weinig overtuigend en bekakt soort Cockney, alsof hij jaren in Londen had gewoond en nog maar net terug was. ‘Wat zit je nu zo domweg te lachen?’ vroeg de schrijver. ‘Ik wist niet dat ik er zoëven eentje scoorde Yves. De doos, begrijp je?’ en hij knipoogde. ‘Maar goed, serieus nu, laat ons zo afspreken : herwerk een en ander, en volgende maand zien we elkaar hier terug en bekijken we het nog eens rustig, goed?’ De redacteur stak zijn hand uit, strak en hard als een kaasplankje. Die dag was voor Yves Hurckmans goed begonnen, maar de redacteur had hem grondig weten te verpesten.  Thuis las hij balorig en met tegenzin zijn heel voorlopig manuscript na en zocht naar een geschikte plaats om een erotische scene in te voegen. Hij probeerde. ‘Zijn hand voelde de zwaartekracht en gleed langzaam volgens de natuurwet van de liefde naar beneden…’ Dat sloeg nergens op. ‘Hoe belachelijk, net natuurkunde op maandagmorgen' dacht hij. Hij schrapte de zin onmiddellijk. Hij probeerde iets anders. “Hij haalde een bus slagroom uit de berging, deed er een kanten tafelnapje rond en presenteerde het vlak voor haar neus als een exclusieve fles wijn. Hij had een sjaaltje rond hem geslagen en bootste een zwoel Frans accent na dat hem een beetje op inspector Clouseau deed lijken en haar deed gieren van het lachen. ‘Een uitstekend jaar madame, vraiment, UHT behandeld.’  Ze kwam niet meer bij en keek hem enigszins onbegrijpend aan, en toen zei hij zinnelijk en plagerig in haar oor: ‘Ultra Hoge Temperatuur madame, très très haut.’ Hij dimde het licht, en…” Hij hield op met schrijven, leek over het vervolg na te denken maar scheurde het blad in één ruk van zijn schrijfblok af en gooide de prop naar de andere kant van de kamer. Daar lagen er al een tiental. Hij probeerde nog iets met een achterbank van een auto, schuilen voor een zomeronweer onder een brug, maar tevergeefs. Het draaide elke keer uit op erbarmelijk schrijven, op slechte seks. Goed om honderd jaar geen zin meer te hebben. Uit onmacht om al die stompzinnige onzin die hij op papier had gezet ging hij voor het raam gaan staan, blonk met de onderkant van zijn trui zijn bril op en staarde in de verte. Hij was niet goed in dit soort dingen en was er ook niet ambiteus in. Niet dat hij preuts of puriteins was, of leed aan een of andere vorm van bigotterie, maar hij had het altijd een beetje onkies gevonden om over het seksleven van iemand te schrijven, ook al waren het fictieve personen uit zijn romans. Bovendien was het niet essentieel voor de kwaliteit van zijn werk vond hij. ‘Er zijn ontelbaar veel meesterwerken waar geen seks aan te pas komt en toch tijdloos blijven?’ zei hij tegen zichzelf. Hij gaf ook toe dat het aartsmoeilijk was om zoiets tot stand te brengen, er waren er die het heel goed konden en bewonderde hen daar ook voor, maar zelf voelde hij plaatsvervangende schaamte en voelde zich als een voyeur die een slaapkamer binnenkijkt.  Hij zag zichzelf in het raam weerspiegeld staan en hield spottend een verdedigingsrede: ‘Kijkt u goed, zie naar me, ik ben Yves Hurckmans, aangenaam! Ik ben schrijver, probeer een vakman te zijn, en kan dat alleen maar zijn als ik het op mijn manier kan doen en niet zoals anderen dat graag zouden willen. Ik heb zo m'n dingetjes. Ik hou van uitslapen, lang schrijven, roompatatjes en een goed toneelstuk.’ Boven zijn hoofd trok hij een denkbeeldige kolom en beeldde aan de linkerzijde enkele plusjes uit. Dan trok hij traag enkele horizontale streepjes met zijn vinger op het raam waar het een spoor achterliet. ‘Maar ik hou niet van spruiten, van kakelende mensen, van snel rijden en ook niet van schrijven over seks. Zo, en daar moeten jullie het maar mee doen’ zei hij tegen het  spiegelbeeld. Daarna nam hij een postkaart en schreef in een opwelling van zoete wraak een kort bericht naar zijn redacteur. ‘Beste Guido, ik heb een ijzersterke seksscène op papier gezet, je zal trots op me zijn ! Mijn tekst is nu veel beter, het corpus dieper uitgewerkt, vier billen geven immers redelijk veel overwicht. Die prijs is nu wel binnen, daar kun je nu wel zeker van zijn ! Zie hier wat er rond elf uur ’s avonds op bladzijde 14 – ze zetten net hun glas wijn op de salontafel-  gebeurt:   Zij ging open. Hij ging, zag en kwam.   Met een grimmig lachje en een overheersend gevoel van een overwinnaar zette hij zijn naam eronder, stak het in een envelop, smeerde er een postzegel bovenop en deed hem dezelfde avond nog op de bus. Zijn besluit stond nu meer dan ooit vast: zijn manuscript moest onaangeroerd en onbezoedeld blijven, en zoals steeds bleef hij vertrouwen op zijn innerlijke stem. De uitgeverij kreeg het aangeboden op de manier dat hij altijd al had gedaan. Hij weigerde mee te doen met welke stroming of modegril dan ook, want in zijn ogen kwam het gewoon weer eens neer op geld, altijd maar geld. Het enige wat hij nog besloot te doen was een verhelderend voorwoord aan zijn roman toe te voegen:     Voorwoord van de auteur   Beste lezer, De eerste keer is altijd moeilijk, dat is nagenoeg bekend. Misschien had u gehoopt dat ik dit voorwoord de titel ‘voorspel’ had meegegeven. Sommige mensen dromen er immers van dit soort dingen in boeken te zien staan, wat natuurlijk uw goed recht is. Ik wil u gewoon laten weten - mocht u het belangrijk vinden alvorens u de eerste zinnen gaat aanvatten - dat er geen seks in dit werk te vinden is. U vindt daar ook niets van terug in mijn vorige boeken, en het zal ook niet aanwezig zijn in mijn volgend boek, als die er komt. Ik laat u een kus zien, een omhelzing, hoogstens een leeg bed waar de warmte nog niet helemaal uit verdwenen  is, maar meer ook niet. Personages mogen dan fictief zijn, ik verkies hun slaapkamer (of gelijk welk vertrek, de trap inbegrepen) niet binnenstebuiten te keren. De privacywetgeving beschermt iedereen. Als u meer verwacht zijn er genoeg bekwame collega’s die u een meer rampetamperig ritme kunnen aanbieden, waar broekknopen wild in het rond vliegen en een hand Kate Winsletgewijs tegen de binnenkant van een bewasemd autoraam aanploft. In uw plaatselijke bibliotheek herkent u dit soort boeken aan het pictogram op de rugzijde : twee paar in elkaar verstrengelde voetjes (niet te verwarren met het hoekje voor de wandelclubs).  Maar voor mij, neem me niet kwalijk, is hitsig veel te heet, ik die zelfs m’n koffie bijna koud drink. En volgens mij zijn er ook niet zoveel tinten grijs als men beweert (hoewel nooit getest zou het kunnen dat ik licht kleurenblind ben). Maar goed, dit gezegd zijnde, hoop ik dat woorden genoeg vervangend zaad voor u moge zijn. Dit was mijn voorwoord, voor het addendum zorgt u beter zelf. Want wat u zelf doet, doet u meestal beter. Dan volgt nu de roman. Veel leesgenot.  

Lode Van Wabeke
0 0

'Avondster', hoofdstuk 1: 'Levensvragen'

'Mathis, kijk uit!' Net op tijd buig ik door mijn knieën en ontwijk een gloeiendhete steekvlam. Mila's waarschuwing redde me zonet het leven, dus ik werp haar een glimlachje toe. Veel tijd om haar te bedanken heb ik echter niet, want de monsters zitten ons op de hielen. Gehaast ren ik verder over de ongelijke ondergrond, die de kleur van jade heeft. De rotsblokken die op het pad liggen, worden steeds groter en ik moet goed uitkijken om ze te ontwijken. Een eindje verderop meen ik een soort grot te ontwaren. Daar zouden we naartoe moeten rennen, misschien kunnen we er beschutting vinden. Het is donker om ons heen, nergens is een lichtje te zien. Gelukkig staat de volle maan te blinken aan de hemel, waardoor we tenminste niet over onze eigen voeten struikelen. De omgeving doet me denken aan een maanlandschap, maar aangezien we de maan boven ons zien, kan dat natuurlijk niet. Dit alles komt me merkwaardig bekend voor, maar ik heb geen flauw idee wanneer ik hier eerder geweest zou moeten zijn. 'Broertje, vangen!' Tijdens het rennen gooit Tar me een wapen toe, een speer met blauwe en gele strepen. Zonder problemen vang ik het ding op en klem mijn hand eromheen. Veel liever had ik mijn zwaard bij me gehad, maar dit is beter dan niets. Achter ons hoor ik een woest gebrul, veel dichterbij dan ik zou willen. Ze moeten vlakbij zijn. Ik ren voorbij een puntige stalagmiet en glip de grot in. We zijn niet zomaar op deze troosteloze plek verzeild geraakt, waar het stikt van de monsters en alles even angstaanjagend is. Nee, we zijn op zoek naar iets wat ons kan helpen om de Yua te verslaan. Een magisch kristal dat het Zwarte Mineraal wordt genoemd en volgens de legendes in dit maanlandschap te vinden moet zijn. Ik schrik van een hand die de mijne aanraakt, tot ik me realiseer dat het Mila is die me een geruststellend kneepje geeft. Mijn spieren zijn helemaal gespannen van angst waardoor ik veel heviger reageer dan ik normaal gesproken zou doen. Het gebrul wordt luider en klinkt nog dichterbij dan daarnet. Ik durf niet achterom te kijken. Met de gestreepte speer zou ik de monsters misschien wel kunnen raken, maar ik heb weinig vertrouwen in mijn mikkunsten. Ik werp een blik over mijn schouder om in te schatten hoeveel kans ik maak om het monster te raken. Ik snak naar adem, want de speer verdwijnt uit mijn handen en wordt vervangen door een tweeloop. Mijn mondhoeken krullen zich naar boven, ook al gieren de angst en de adrenaline door mijn borstkas. Met dit speeltje maak ik veel meer kans om het monster vanaf een afstand te raken. Ik hef het geweer tot op ooghoogte en draai me al rennend om. Een afschuwelijk lelijke drakenkop staart me aan. In zijn roodgloeiende ogen zie ik niets dan pure woede. De lange speekseldraden die uit zijn bek met vlijmscherpe tanden druipen, wijzen erop dat hij honger heeft en dat voorspelt weinig goeds. Vertwijfeld blijf ik staan, terwijl Mila en Tar in volle vaart doorrennen. Met een half oog kijk ik hen na en zie hoe ze steeds verder weg gaan. Pas na een paar seconden merken ze dat ik niet langer achter hen aan loop en keren ze zich om. Tar slaakt een gilletje van angst wanneer ze ziet hoe dichtbij de woeste draak is. Hoe kunnen we zo'n onding in godsnaam met z’n drietjes verslaan? Opeens realiseer ik me dat er iets niet klopt. 'Waar zijn de anderen? Isa en Dean?' Ik was de twee sneeuwbolbewoners haast vergeten door alle commotie. Mila haalt haar schouders op en ook Tar lijkt niet te weten waar haar nieuwe vrienden zijn gebleven. Ondertussen komt de draak dichterbij. Telkens wanneer een van zijn logge poten de grond raakt, trilt alles rondom ons. Ik zie in dat dit geen goed moment is om laf te zijn en zonder te aarzelen richt ik de tweeloop op zijn kop, recht tussen zijn rode ogen. Met mijn wijsvinger haal ik de trekker over en ik word achteruit geblazen door de kracht waarmee het wapen afgaat. Mijn schot treft doel en de draak wankelt brullend achteruit, wat ons weer wat extra tijd oplevert. Eén draak minder op deze planeet. 'Goed zo, maatje. Als we op deze manier verder spelen, kunnen we de inwoners van Maandal vast redden. Dan winnen we dit spelletje Onrust in de Nacht!' Geschokt hap ik naar adem. Het is Ewan die me een schouderklopje geeft voor mijn meesterschot. En dat is onmogelijk, aangezien mijn beste vriend voor eeuwig opgeslokt is door de droomwereld. Hij is droomdood, dubbel droomdood nog wel, en daardoor kunnen we hem nooit meer terughalen naar de realiteit. Althans, dat dachten we. Maar nu staat hij voor onze neus. 'Ewan?' Grijnzend kijkt hij me aan, al kan ik nog steeds niet geloven dat hij het echt is. Wie weet is het wel een list van de Yua, een manier om op mijn gevoelens in te spelen en me zwak te maken. Hoe beter ik naar mijn vriend kijk, hoe meer elementen ik opmerk die verkeerd aanvoelen. Zijn lichaam is niet zo solide als het zou moeten zijn, als ik mijn best doe kan ik er zelfs doorheen kijken. Af en toe flikkert het, waardoor hij steeds een tiende van een seconde verdwijnt. Verder beweegt hij zich schokkerig, wat niet strookt met zijn vlotte verschijning van anders. 'Denken jullie dat ze dit gezichtsbedrog speciaal voor ons hebben gecreëerd?' Zonder mijn blik van Ewan af te wenden, vraag ik Tar en Mila om hun mening. De anderen reageren niet, dus draai ik me een kwartslag. De twee meisjes zijn verdwenen en wanneer ik mijn lichaam terug in Ewans richting keer, merk ik dat hij er ook niet meer is. Wanhopig draai ik rondjes om mijn as in een poging mijn vrienden terug te vinden. Het wordt steeds donkerder om me heen, alsof de maan stilaan haar kracht verliest. Of misschien wil dat rotding me gewoon angst aanjagen? 'Zo, Mathis… Eindelijk zijn we alleen.' De krasserige stem zorgt ervoor dat de haartjes op mijn armen recht overeind gaan staan. Ik zie niet meteen waar ze vandaan komt, wel weet ik dat ik mijn wapen het best in de aanslag kan houden voor het geval dat ding op me af stormt. In een van de donkere gangen zie ik iets bewegen, het is niet meer dan een schaduw. Onbeweeglijk blijf ik staan. Ik durf amper adem te halen. De schaduw stapt het flakkerende licht van de toortsen in en ik slaak een gil. Zijn rokerige gedaante is reusachtig, waardoor hij metershoog boven me uittorent. Bliksemflitsen jagen door zijn lichaam, dat er zo verminkt en misvormd uitziet dat ik bijna moet kokhalzen. Ik til mijn geweer op, maar besef een halve seconde later dat mijn kogels hem geen kwaad zullen doen. Het zou zijn alsof ik in de lucht schoot. Het wezen lacht bij het zien van mijn ontstelde blik, het klinkt alsof er duizend nagels over een schoolbord krassen. Daarna komt hij op me af gelopen. Hij maakt met zijn klauw een beweging in de lucht en mompelt woorden die ik niet versta. In een poging mezelf te beschermen laat ik het geweer vallen en sla ik mijn armen voor mijn gezicht, maar het is te laat. Geschokt zie ik het oneindige niets van de dubbele droomdood als een zwarte deken op me afkomen. Mijn ogen sperren zich wijd open en ik schreeuw Mila's naam… Met een schok word ik wakker uit de nachtmerrie, mijn armen beschermend over mijn hoofd geslagen. Mijn naderende dood is afgewend, de monsterlijke Yuaan is verdwenen, evenals de draken die mijn vrienden en mijzelf aan stukken probeerden te scheuren. En dat is allemaal gebeurd door gewoon mijn ogen te openen. Ik snak naar adem en probeer mijn bonzende hart weer tot bedaren te brengen. Het was maar een droom, hou ik mezelf voor. Het is een leugentje om bestwil, want ik weet donders goed dat er niet zoiets bestaat als 'maar een droom'. Alles wat ik in mijn dromen meemaak, beïnvloedt de realiteit, in positieve of negatieve zin. Nog niet zo lang geleden ontdekten we dat de realiteit en de droomwereld niet zo ver uit elkaar liggen als we altijd dachten. De Yua krijgen steeds meer invloed op de realiteit, en mijn vrienden en ik reizen steeds makkelijker tussen de twee werelden heen en weer. De grens is erg dun geworden, wat het makkelijker en tegelijkertijd ingewikkelder maakt. Terwijl ik de sensatie van het oneindige niets dat me dreigde te overspoelen van me af probeer te schudden, komt er een bonkende hoofdpijn opzetten. Wordt het weer zo'n soort dag? Zo eentje waarin ik mijn dromen niet van me af kan zetten en mezelf pijnig met mijn gedachten, tot er niets overblijft behalve een knallende hoofdpijn en duistere gevoelens? Zuchtend draai ik mijn lichaam naar dat van Mila toe. Ze ligt naast me in het grote bed, tot een bolletje opgerold en met haar lichtbruine haren als een waaier over het hoofdkussen uitgespreid. Om haar niet wakker te maken, schuif ik met kleine beweginkjes naar haar toe en sla mijn arm voorzichtig om haar heen. Ze slaakt een zucht en beweegt haar hoofd een stukje, waardoor de vanille-met-rozengeur van haar shampoo in mijn neus kruipt. Even ben ik bang dat ik haar gewekt heb, maar ze pakt mijn hand vast en slaapt rustig verder. Ik hoop dat ze een leukere droom beleeft dan degene die ik daarnet had. De kans is redelijk klein dat ze over regenbogen en vlinders droomt. Sinds de Yua de macht over de droomwereld hebben overgenomen, zijn zo goed als alle dromen nachtmerries geworden. Meestal zijn ze zo angstaanjagend dat een doorsnee mens het in zijn broek zou doen. De nachtmerrie waaruit ik net ontwaakte, was echter nog van een heel ander kaliber. Voor de zoveelste keer keek ik de dood in de ogen, hoewel ik net op tijd wist te ontsnappen. Vlak voordat het noodlot toesloeg, werd ik wakker geschud door mijn onderbewustzijn. Zo zou het eigenlijk altijd moeten gaan, want in principe kun je in een droom niet sterven. Je lichaam zou de schok van zo'n ervaring niet aankunnen en in een comateuze toestand verzeild raken. Dat is de reden waarom je altijd wakker schrikt vlak voordat je in een droom tegen de grond smakt, of onder ratelende wielen terechtkomt, of verzwolgen wordt door een kolkende watermassa. Vandaag de dag is het allemaal anders. Sinds de Yua met de scepter zwaaien in de droomwereld, is een zogenaamde 'droomdood' helemaal geen uitzondering meer. Dat ondervond ik aan den lijve toen ze me naar hun piratenschip lokten en daar een gevecht op leven en dood met me aangingen. Mila en ik verzetten ons zo goed als we konden, maar we waren niet sterk genoeg om de slaafjes van onze vijanden te verslaan. Een van hen sneed mijn keel door en maakte me droomdood. Een huivering loopt over mijn rug wanneer ik terugdenk aan dat moment. Ik kan het scherpe lemmet van het mes nog voelen, het koude staal tegen mijn naakte huid en daarna het warme bloed dat uit mijn slagader gutste. Onwillekeurig grijp ik Mila iets steviger vast, ik druk mijn lichaam tegen het hare aan alsof het de laatste keer is dat ik haar kan aanraken. Meestal kalmeer ik wanneer ik me ervan bewust word dat ze er nog steeds is om me te helpen, dat ze me niet opgeeft omdat ze inziet dat het een hopeloze zaak is. Dat ze beseft dat we geen enkele kans maken tegen de Yua. Deze keer lukt het me desondanks niet om rustiger te worden. Komt dat door de nachtmerrie die ik had of door het litteken op mijn hals dat me aan die nacht op het piratenschip herinnert? Beide mogelijkheden zijn een duidelijke waarschuwing dat de Yua nog niet klaar met me zijn. Zachtjes haak ik mijn arm los van Mila's bovenlichaam en schuif bij haar vandaan. Ik laat mijn benen uit bed glijden en gooi de dekens van me af. Mijn hersenen willen deze plek verlaten en de rest van mijn lichaam volgt. De ochtendlucht voelt koud aan op mijn huid, die warm is van onder de dekens te liggen. Ik onderdruk de drang om te klappertanden, zet door en schuifel op blote voeten naar de keuken. Tijdens het slapen draag ik enkel een boxershort en een T-shirt, deze keer eentje van mijn favoriete band Pink Lunar Promises. Een van hun nummers klinkt als de soundtrack van de dramaserie waarin mijn vrienden en ik ons op dit moment bevinden. The light of the evening star is not the end. It's not the end until I can feel the sunlight on my face. Een waterig zonnetje schijnt door het keukenraam naar binnen en ik sleep een keukenstoel naar het streepje licht om van de warmte te profiteren. Ik plof neer op het houten zitvlak en geniet met gesloten ogen van het zonlicht dat op mijn gezicht valt. Bestaat er iets aangenamers dan dit? It's not the end until I can feel the sunlight on my face. Desondanks duiken mijn duistere gedachten van daarnet weer op en verstoren de kalmte die over me heen was gedaald. De herinnering aan hoe ik stierf in een droom houdt me nog steeds in de ban, net zoals de periode daarna, die ik doorbracht in de Grijze Zone. Op die plek zwerven alle droomdoden rond, wachtend op… Ja, op wat eigenlijk? Op hun redding? Of juist op hun ondergang? Het beeld van Ewan verschijnt op mijn netvlies, hoe hij eruitzag toen ik hem voor het laatst zag. Zijn gespierde lichaam was mager, bijna uitgemergeld, en zat vol blauwe plekken en brandwonden. Zelfs zijn gezicht werd ontsierd door littekens en rauwe, bloedende wonden. Zijn kleren waren aan stukken gescheurd, die lapjes stof konden nog amper kledingstukken genoemd worden. Liep hij toen al zijn ondergang tegemoet? Hoofdschuddend verban ik deze sombere gedachten naar een hoekje van mijn onderbewustzijn. Ik wil niet aan mijn vriend denken, die nu dubbel droomdood is en zich ergens bevindt waar we hem nooit meer kunnen bereiken. En ik wil vooral niet aan die donkere periode bij de droomdoden denken, waarin ik een van hen was en ergens tussen slapen en waken in zweefde. Dat tijdperk is voorbij, een afgesloten hoofdstuk in mijn leven. Mijn blik dwaalt af naar de horizon, waar de kustlijn de lucht van de aarde scheidt. De lucht is redelijk helder, met weinig wolken behalve hier en daar een schattig schapenwolkje. Daardoor kan ik de omtrek van de bergtoppen zien die het strand en de zee omringen. Het is nog vroeg in de ochtend en de alpengloed is op dit moment op haar mooist. De prachtige paarsroze kleuren van de opkomende zon kunnen me echter niet bekoren. Integendeel, ze maken me een beetje angstig. Ze doen me te veel denken aan de Grijze Zone waarin ik tot voor kort opgesloten zat. Ze herinneren me aan de wond op Mila's borst die dezelfde kleuren had. Ze zorgen dat ik het moment niet vergeet waarop de alpengloed bijna uitdoofde en Ewan stierf… Ik kap mijn gedachten af, want ook hier wil ik niet aan terugdenken. Ewans dood was een vreselijk ongeluk, het had nooit mogen gebeuren en zeker niet door mijn schuld… Ik krijg een krop in mijn keel en voel me ontzettend benauwd, de muren komen op me af. Naar adem happend grijp ik de groen geverfde vensterbank beet en knijp erin, zo hard dat mijn knokkels wit worden. De kleine wondjes op mijn handen die ik tijdens gevechten opliep branden, maar die pijn verdwijnt in het niets bij wat Ewan meemaakte. De laatste ogenblikken van het leven van mijn beste vriend flitsen in een razend tempo voorbij: zijn hand in die van Isabeau, het onnozele grapje dat hij maakte vlak voordat hij het zeewater raakte, hoe hij werd verzwolgen en verdween… Alsof het weer mijn emoties kan lezen, pletsen er opeens dikke regendruppels tegen het raam. Ik voel me belabberd, en de wolken huilen met me mee. Een paar minuten voor Ewan dubbel droomdood werd, redde hij mijn leven. Hij gaf Zed een dodelijke klap op zijn hoofd waardoor die laatste stierf. Voor de tweede keer ging hij dood in een droom... Net zoals even later bij Ewan het geval was. Waar zou hij nu zijn? Zouden hij en Zed samen ergens rondlopen? Ik schrik op uit mijn gedachten door een ritselend geluidje bij het raam en til mijn kin op. Het was Lizzie die zich uitstrekte op de vensterbank. Op het nippertje zie ik een lange, dunne schaduw verdwijnen achter het huis aan de overkant van de straat. Is daar iemand? Op hetzelfde moment word ik gewaar dat iemand de keuken binnenkomt. Met een bonzend hart draai ik me om en zie dat het Mila is, die geeuwend een stoel achteruittrekt en erop neerploft. Ze schuift de theepot naar zich toe, opent het deksel en gluurt naar binnen. 'Goeiemorgen, liefje,' zegt ze. 'Heb je nog geen water gekookt voor de thee?' Ik schud mijn hoofd en kom overeind, loop naar haar toe en druk een kus op haar haren. Daarna neem ik voorzichtig de theepot uit haar handen en zet hem op het aanrecht. Ik vul de waterkoker voor driekwart, zet hem aan en probeer niet langer te denken aan alles wat is misgelopen. We moeten ons op de toekomst richten, we moeten bedenken wat onze volgende stap zal zijn en hoe we onze vijanden kunnen stoppen. '… denk jij?' Mila's stemgeluid haalt me weer naar het hier en nu. 'Mathis?' Ik realiseer me dat ze me waarschijnlijk een vraag stelde en een antwoord verwacht. Ik bijt op mijn lip en probeer iets neutraals te bedenken wat op elke vraag een mogelijk antwoord is. Helaas ben ik niet zo snel van geest als Mila of Tar en komt er niet meteen iets bovendrijven. 'Eh…' Hoe kan ik antwoorden op een vraag die ik niet gehoord heb? Ik voel me een grote idioot, maar weiger haar te vragen haar zin te herhalen. Het lampje van de waterkoker gaat uit en het kokende water stopt met borrelen. De hete damp stijgt op in de lucht en vormt een ondoorzichtig waas tegen het raam. 'Eh…' herhaal ik. Met de waterkoker stevig in mijn hand geklemd loop ik naar de keukentafel toe. Ik giet het ding leeg in de theepot, waarin Mila twee theezakjes hangt. 'Laat ik het anders stellen: denk je dat hun hol ergens in de buurt is?' Aha, daar kan ik iets mee. Terwijl ik nadenk over een logisch antwoord, zet ik de waterkoker weer op zijn plaats, pak de honing uit de kast en plof neer aan tafel. Verschillende scenario's over de verblijfplaats van de Yua rollen door mijn gedachten: ze bevinden zich onder ons, in een soort van ondergronds bouwwerk dat alleen zij zouden kunnen bouwen en dat lijkt op de hel. Of ze hebben hun hol ergens op een onbewoond eiland geplaatst, waar we hen nooit zouden kunnen vinden zonder in de Bermudadriehoek terecht te komen. Ik stel me voor dat we met een vliegtuigje de zee afspeuren, op zoek naar een glimp van hen. Ik zit in de cockpit achter de stuurknuppel wanneer alle lampjes op het dashboard beginnen te knipperen en we hoogte verliezen. We storten neer en alles wat er van ons overblijft, zijn onze platgeslagen lichamen op de zeebodem. Mila is zich niet bewust van de lugubere beelden die zich in mijn hoofd afspelen en schenkt de hete thee in twee kopjes. Ze schuift er eentje naar mij toe en gebaart naar de honing. Ik grijp de fles beet en knijp erin zodat het goudgele goedje in mijn mok belandt. Daarna geef ik het ding aan Mila. 'Misschien,' zeg ik aarzelend. 'Misschien zijn ze inderdaad in de buurt. Het zou zomaar kunnen dat ze in onze achtertuin kamperen.' Mila's mondhoeken krullen omhoog in een grijns. Het is een scheef lachje, maar het is beter dan niets. 'Dan zullen we hen maar gauw ontbijt op bed gaan brengen,' reageert ze grappend. 'Voordat ze sterven van de honger en hun lelijke lichamen hier achterlaten.' Ik grinnik zenuwachtig, maar kan haar kwinkslag niet echt smaken. Tenslotte ben ik degene die zijn lichaam achterliet toen hij droomdood werd. Het lag op me te wachten tot ik zou terugkeren uit de dood. Ik stel me mijn levenloze lichaam voor dat ergens in een glazen kist ligt te wachten tot de prinses me wakker komt kussen. Of in een ziekenhuis, dat ondertussen verlaten is doordat de mensheid gevlucht is voor de ziekte van de Yua en er griezelig, zombie-apocalyps-achtig uitziet. Of mijn ouders dachten dat ik voorgoed verdwenen was en hebben me begraven… Bij dat laatste idee loopt er een ijskoude rilling over mijn rug. Plotseling schiet me iets te binnen. 'Mila, toen we het voor de eerste keer over de droomdood hadden, vertelde je me dat het lijkt alsof je nooit bestaan hebt voor degenen die achterblijven in de realiteit. Maar wij herinneren ons de droomdoden toch? Wij zijn Ewan en Zed niet vergeten. Hoe verklaar je dat eigenlijk?' Ik klem mijn beide handen om mijn theekop en leun wat dichter naar haar toe. Ze roert honing door haar thee, blaast zachtjes in haar mok en neemt een klein slokje. Ze drukt het kopje stevig tegen haar borstkas aan. Zuchtend sta ik op en verwarm de heteluchtoven om koffiekoeken te bakken. Pas na een halve minuut beantwoordt Mila mijn vraag, nadat ze de mogelijkheden goed heeft overdacht. 'Tja, dat was wat Zed me vertelde toen ik het met hem over de droomdood had. Hij zei dat iedereen hem zou vergeten na zijn droomdood. Iedereen behalve ik natuurlijk, omdat ik zijn droompartner was. Ik wist er zelf helemaal niets over, dus ik geloofde hem op zijn woord.' Een verbeten trek verschijnt rond haar mondhoeken, ik zie haar vingers wit worden omdat ze zo hard in haar mok knijpt. Ik weet niet zeker of ze dat doet omdat ze haar voormalige vriend haat, of omdat ze hem mist. Voordat ik daarover kan nadenken, gaat ze verder met haar uiteenzetting. 'Maar Zed was ook degene die me vertelde dat het onmogelijk is om uit de Grijze Zone te ontsnappen en terug te keren naar de realiteit. Volgens mij was het de bedoeling van die klootzak om me alle hoop te ontnemen, want wij hebben bewezen dat het wél mogelijk is om iemand te bevrijden.' Knarsetandend schuift ze haar mok van links naar rechts over de tafel, waarbij er telkens enkele druppels thee over de rand klotsen. Op dit moment haat ze hem duidelijk, en het beest in mijn borstkas brult goedkeurend. Ik leg mijn hand op die van Mila en probeer haar te sussen. 'Misschien werkte het toen wel zo,' probeer ik Zeds woorden goed te praten. Ik merk dat ik het maar halfslachtig doe, omdat ik hem eigenlijk niet kan uitstaan. Hoewel ik hem het liefst met zijn lelijke rotkop tegen de muur zou kwakken, was hij Mila's vriend. Ik weet zeker dat ze zou willen dat zijn daden bestuurd werden door de Yua, dat hij ons niet met opzet wilde doden. 'Wie weet was het in die tijd inderdaad onmogelijk om terug te keren naar het moment waarop je stierf in een droom om dat moment te veranderen. Er is sindsdien veel veranderd in de droomwereld, weet je nog?' Daarmee doel ik op het feit dat onze vijanden nog veel en veel machtiger zijn geworden. Ze hebben zelfs een manier gevonden om de realiteit te overheersen. De blik in Mila's ogen wordt steeds duisterder en ik krijg door dat ik moet ingrijpen. Haastig loop ik naar de woonkamer en schreeuw naar de slaapkamers boven: 'Tar! Isa! Het ontbijt is bijna klaar, eten jullie met ons mee?' Een luid gekreun in stereo bevestigt dat ze allebei nog sliepen. Grinnikend keer ik op mijn schreden terug en stop koffiekoeken in de oven. Isabeau woont nog niet lang bij ons, maar iedereen noemt haar nu al Isa in plaats van haar volledige naam te gebruiken. Een paar minuten later schuiven de twee dames bij ons aan tafel. Tars haren zitten in de war en verbergen haar gezicht, hoewel haar melkchocoladebruine ogen af en toe de mijne ontmoeten. Isabeau draagt haar kamerjas en staart naar de thee in haar kopje. Met make-up heeft ze geprobeerd om de wallen onder haar ogen weg te werken, maar aan de rode randjes van haar oogleden zie ik dat ze gehuild heeft. Daar heeft ze alle reden toe natuurlijk: Ewan was haar vriendje. Ik slaak een zucht. Arme Isa. De chocoladebroodjes die ik net in de oven heb gestopt, zijn ondertussen warm, alsof ze net van de bakker komen. Dat is onmogelijk natuurlijk, aangezien de halve mensheid in een soort coma ligt nadat ze zijn bezweken aan de nachtkoorts, de ziekte van de Yua. We zouden ons hele leven kunnen zoeken naar een bakker. Voorzichtig haal ik de bakplaat uit de oven en ik laat een koffiekoek op elk bord glijden, ervoor zorgend dat ik me niet brand aan de gloeiendhete ovenschaal. Isabeau snuit luid haar neus en veegt haar ogen af. Huilt ze alweer? Mila en ik wisselen een blik van verstandhouding uit, waarna Mila haar keel schraapt. De opborrelende woede omwille van Zed is vergeten, of lijkt dat alleen maar zo? 'Gaat het wel goed met je, Isa?' Mila's vraag blijft eventjes onbeantwoord in de lucht hangen. 'Ja hoor, het gaat prima.' Isabeau probeert te doen alsof ze sterk is, alsof ze het allemaal met gemak aankan. Maar dat is slechts de buitenkant, het masker dat ze heeft opgezet. Vanbinnen gaat ze waarschijnlijk kapot van verdriet. Net als Mila weet ik hoe zwaar het voor haar moet zijn: wij hebben het ook meegemaakt en zijn elkaar al twee keer kwijtgeraakt. Nadenkend kauw ik op mijn chocoladebroodje, dat naar rubber smaakt doordat ik me zo'n zorgen maak om Isabeau. Hoe kan ik ervoor zorgen dat ze zich beter voelt? Uiteindelijk is het Mila die de gespannen stilte doorbreekt. 'Wil je dat we proberen terug te gaan in de tijd om Ewans droomdood ongedaan te maken?' Haar stem klinkt gespannen, ze is bang voor het antwoord op haar vraag. Ze weet net zo goed als ik hoe moeilijk het zou zijn om Ewans droomdood, een dubbele droomdood nota bene, ongedaan te maken. We moeten dan naar het schip gaan, de piraten een tweede keer verslaan en terugkeren naar het strand zonder dat Ewan opgeslokt wordt door het zeewater. Daarna moeten we voorkomen dat hij wordt neergeknald op het voetbalveld. Een onmogelijke opgave lijkt het, als je alles zo op een rijtje zet. Isabeau stopt het laatste stukje van haar chocoladebroodje in haar mond en zucht. 'Nee, dat moeten we niet doen, denk ik,' mompelt ze. 'Ik twijfel er eerlijk gezegd aan of het technisch gezien zelfs kán.' Tar en ik kijken haar vragend aan, Mila bijt nadenkend op haar onderlip. 'Luister, Mathis. Ewan was degene die jouw leven redde op het schip. Hij sloeg Zed dood en zorgde er op die manier voor dat je niet gewurgd werd door die maniak.' Ik knik bevestigend terwijl de beelden zich in mijn hoofd herhalen. Isabeau haalt een paar keer diep adem en gaat verder. 'Maar… Ewan is er nu niet meer.' Ze slikt en ik doe hetzelfde, de brok in mijn keel zorgt ervoor dat ik bijna geen lucht meer krijg. 'Hij zal deze keer wellicht ook niet op het schip zijn om je te redden.' Ik wil protesteren, want er bestaat wel degelijk een kans dat hij er is, maar Isabeau snoert me de mond. 'Natuurlijk zou hij er kúnnen zijn, maar dat weten we niet zeker. En we mogen het risico niet lopen dat hij je niet kan redden. Dan zou Zed of iemand anders je alsnog vermoorden… en dan is alles voor niets geweest!' Met een klap zet ze haar kopje op de tafel neer. Iedereen is stil geworden. Mila en ik staren elkaar aan, Tar is opgehouden met kauwen en zelfs Sam ligt als een brave hond onder de tafel zonder zich te bewegen. Lizzie ligt opgerold boven op de verwarmingsradiator en bekijkt de scène die zich voor haar afspeelt aandachtig, alsof zij de regisseur van het stuk is. Met haar slimme oogjes volgt ze het gesprek, maar ze bemoeit zich er niet mee. 'Maar Isa… We kunnen Ewan toch niet zomaar aan zijn lot overlaten? Hij is ook míjn beste vriend, weet je. Hij is gestorven, maar ik wil niet dat hij voorgoed dood is…' Isabeau veert overeind, een actie die ik niet van haar had verwacht. Haar stoel valt om en komt met een klap op de stenen vloer neer. We schrikken allemaal van het geluid. 'Ewan is niet dood!' sist ze. Geschrokken kijk ik haar aan, bang dat ze gek geworden is. Herinnert ze zich niet meer wat er gebeurd is? Maar uiteraard bedoelt ze iets heel anders, iets waar ik zelf nog geen seconde over nagedacht heb. 'Hij leeft nog, ergens, ik weet niet waar,' gaat ze verder. 'Daar ben ik van overtuigd.' Mila en ik kijken haar vragend aan. Is het soms een of andere godsdienstige overtuiging of zoiets? Denkt ze echt dat Ewan ergens als een engeltje rondzweeft, zoals mensen hun kinderen vertellen? Onmiddellijk zie ik voor me hoe dat zou gaan. 'Hé maatje, eindelijk ben je er!' Ewan leunt nonchalant tegen een wolkje en kijkt me aan met een blik van voldoening. 'Ik hoop dat je een jaarvoorraad pizza's hebt meegebracht, want die rijstpap komt me de oren uit…' De stem van Isabeau schudt me wakker uit mijn dagdroom. 'Ewan is niet dood zolang we nog over hem praten, zolang we nog aan hem denken. Een geleerde zei ooit dat iedereen twee keer sterft: een eerste keer wanneer je je laatste adem uitblaast, en een tweede keer wanneer iemand je naam voor het laatst noemt. Ewan mag dan wel gestorven zijn in de letterlijke zin van het woord, maar hij zal pas echt dood zijn wanneer niemand zich hem nog herinnert.' Zonder een antwoord af te wachten, keert ze ons de rug toe en wandelt weg. Met stomheid geslagen door haar wijze woorden blijf ik roerloos zitten. Ik denk na over wat ze zei. Misschien heeft ze gelijk en is Ewan inderdaad nog levend, ergens daarbuiten. Een verontrustende gedachte flitst voorbij, het is een vraag die ik me nooit eerder gesteld heb. Wiens dood zal míj voorgoed doden?  

Eva Linden
0 0

Diamanten dauwdruppels

Steek ik de brug over? Van koppig blijven liggen naar opstaan. Steek ik de brug over? Van piekeren naar positieve mantra's. Steek ik de brug over? Van stilstaan of zelfs afdalen naar groeien en bloeien. Steek ik de brug over? Van eindeloos herkauwen naar bewust worden. Steek ik de brug over? Van verwaarlozen naar voeden. Steek ik de brug over? Van vet en vuil naar gezond en fris. (al werkt onze douche op dit moment niet echt mee!!).Steek ik de brug over? Van angst en haat naar geloof en liefde.Steek ik de brug over? Van verlamming naar vertrouwen. Steek ik de brug over? Van eindeloos redeneren, betogen, argumenteren, bekritiseren, herhalen, herhalen, en nog eens herhalen naar beleven van het nu. Steek ik de brug over? Van zelfveroordeling naar zelfaanvaarding.Steek ik de brug over? Van verstikkende, verzengende hitte naar elke dag wat meer dauw.De brug oversteken is nooit zo moeilijk als 's morgens.Maar ik weet dat de dauw op me wacht. Dauw is wat de natuur zichzelf geeft. Versmoord, verzengd, verhit en verdord, laaft Moeder Aarde zich in dauw. Koestert zich in een verkwikkend voetbad, om straks verder te kunnen in de droogte. Zo stilt zij haar pijn in haar aderen, in haar rivieren. Zoals mijn (spat)aderen intens nagenieten van een verkwikkend voetbad.Dauw draagt de droogte heel even weg.Dauw dompelt nacht in draaglijk donker. Dauw draagt Moeder Aarde in haar overleven. Over-leven. Voor het échte, volle leven, moet ik nu onder de regen zijn.Voor het échte volle leven, moet ik nu bij stromende, spetterende, gietende, gutsende watervallen zijn. Maar dat heeft mijn steppe nu even niet. Hoe draag ik mijn steppe doorheen deze droogte?Hoe tover ik mijn steppe terug om in een groen, bloemenrijk en wild woud? Waarin onder andere mijn woudnimfje kan rond dartelen? Hoe voed ik die bron in mijn woud? IK WEET HET NIET ! ! !Maar zolang mijn bron niet zichtbaar en gevoed is, draagt dauw me doorheen deze steppe. Elk dauwdruppeltje is een diamant om NU van te genieten. Zo een diamanten dauwdruppel, is een ontdekkingstocht langs eetbare kruiden met mij als gids. Zo een diamanten dauwdruppel is een verhaal vertellen, of meerdere.Zo een diamanten dauwdruppel is soms Gerda, die me opnieuw leert ademen. Zo een diamanten dauwdruppel is soms Leo, die me mijn kleuren weerspiegelt.Zo een diamanten dauwdruppel, is de lichtcirkel, die een vuur aansteekt en in mij weer vonkjes en vlammetjes doet opflakkeren.Zo'n diamanten dauwdruppel, is soms een koestering van twee grote, warme, zachte handen , die me drenken in olie en zachtjes mijn bolster open kneden. Zo een diamanten dauwdruppel is vaak dans. Zo een diamanten dauwdruppel is nog vaker Koen. Nee, Koen is geen diamant, Koen is een hele schat van diamanten. Een rots waarop ik kan bouwen, en waarin een goudmijn zit. Een andere diamanten dauwdruppel heet folk. Folk; een traditionele worteltaart gebakken op gestoomde muzieknoten en gevuld met gezelligheid. Geserveerd op een bedje van authenticiteit en ongedwongenheid. Met verbinding als slagroom en eenvoud als kruimeldeeg. De kers op deze traditionele worteltaart is levensvreugde. Folk; een ware warme lekkernij voor de ziel. En laat ik die schare van diamanten dauwdruppels niet vergeten, die zich kennissen en vrienden noemen. Wat een dauwdruppels zijn zij! Duizendvoudige flonkeringen van inspiratie stralen ze uit. Onvermoeibaar schitteren ze. Tonen me in alle spiegelende kleuren, hoe mooi ik ben.Tonen me in welke hoekjes nog vuil kan zitten. Welke kantjes misschien te scherp zijn.Tonen me in zoveel kleurende spiegels de weg naar mijn kern.Mijn woud kan dan nu wel opgedroogd zijn tot een steppe, maar iedere keer als ik rondom mij kijk, pinken en wenken zoveel duizenden diamanten dauwdruppels. Ik voel me schatrijk!

Woudnimf
288 0

Papa's plekje

Het waterige novemberzonnetje beschijnt de voordeur waar ik op bons. Geen reactie. Na een minuut klop ik en roep, ‘papa!’ Geen reactie. Het voedt mijn ongeduld. Mijn irritatie. Ik bezoek hem iedere week, een plicht die ik mijzelf jaren geleden heb opgelegd omdat ik anders nooit langs zou komen. Een moment om mijzelf ervan te vergewissen dat hij nog leeft.      Hoewel ik zijn dochter ben, kom ik nooit zomaar zijn huis binnen. Niet meer na de keer dat hij zijn privacy eiste. ‘Ook al lig ik dood te gaan, je klopt eerst! En daarna klop je opnieuw, hard. En als ik dan nog niet kom, dán mag je die verrekte sleutel gebruiken.’       Ik diep nu die verrekte sleutel op uit mijn handtas en steek ‘m in het slot. Een stapel kranten en reclamefolders maken het me moeilijk binnen te komen, maar de eerste -tweede- mopperronde slik ik in. Pa wordt oud, ik pak ze straks wel op. ‘Papa?’Ik hoor slechts een echo. Normaal buldert hij. Ziet hij dit als een manier om mij terug te pakken voor vorige week?      Ik hoor nog zijn verwijten. Hoe hij mij beschuldigt van zijn gebrek aan geluk, zijn eenzaamheid, het feit dat met mij de familielijn uitsterft. En ook al zijn het maar woorden, woorden die ik de afgelopen jaren meer dan eens heb gehoord, toch raken ze mij nog iedere keer. Zijn teleurstelling, zijn walging, zijn verwijt, stak opnieuw recht door mijn hart. Jaren geleden ben ik gestopt met het lijdzaam toestaan van dit verbale geweld. Nu vraag ik mij af of ik niet te hard tegen hem ben geweest. Op zijn manier hield hij van mama, maar ik zag hoe ongelukkig zij was en dat heeft mij altijd dwars gezeten. Het was niet netjes hem dit in te wrijven, ongeacht de uitwerking van zijn woorden op mij.      ‘Hatsjoe!’ Ik wapper met mijn hand voor mijn gezicht en wacht op de tweede nies, maar die komt niet. Papa kan wel een lenteschoonmaak gebruiken. Meteen zet ik de gedachte van mij af, als de herinnering aan een rood bezwete moeder met rubberen handschoenen en een plumeau in haar hand, zich aan mij opdringt. Vooral de tranen die over haar wangen rollen, terwijl mijn vader vanuit zijn leunstoel tegen haar raast en tiert.      Opeens heb ik genoeg van zijn spelletjes. ‘Pa!’ brul ik. Nog steeds niets. Het is onwaarschijnlijk, maar misschien ligt hij nog op bed. Met twee treden tegelijk ren ik de trap op. Als een puber zwaai ik, zonder te kloppen, zijn slaapkamerdeur open en stamp naar binnen.      Het bed is leeg. En opgemaakt. Met een klap sluit ik mijn mond die klaarstond om hem zijn late ochtend te verwijten. Ik haal even diep adem en kom terug tot mijn volwassen ik. Ik sluit de deur. Hij zal wel mokkend in de woonkamer zitten. Tijdens het afdalen van de trap duw ik mijn irritatie weg en besluit me normaal te gedragen.      Ook de woonkamer blijkt verlaten. ‘Waar ben je, pa?’ fluister ik. Verward kijk ik voor me uit. Hij is negentig en niet meer zo kwiek als voorheen. Verlaat zijn huis nooit op eigen houtje, naar mijn weten. Hij kan niet ver weg zijn. Ik loop naar de donkere keuken en open het gordijn. Dit laat mij echter alleen zien dat er koude thee in de kan zit en mijn vader zijn ontbijtbord nog op tafel heeft staan.      Het huis waar hij in woont is niet groot en nadat ik voor de zekerheid in de bijkeuken kijk, zijn mijn ideeën op. Ongerust zak ik op een stoel. Moet ik de politie bellen? Nee … mijn vader moet in de buurt zijn en zal binnen een half uur wel weer terugkeren. Toch blijf ik denken. Dat mijn vader en ik een slechte band hebben, betekent niet er geen klein stukje van mijn hart, nog voor hem is.      Tijdens het vullen van de waterketel kijk ik uit over de kleine achtertuin. Waar kan hij zitten? Hij woont al zijn hele leven in de Friese plaatsje Suawoude; zelfs op zijn leeftijd kent hij dit op zijn duimpje.      Ik krijg een bizar idee, schuif het weg. Maar een paar seconden later vind ik het niet zo gek meer. Wat als hij bij mijn ouderlijk huis is? Mijn vader was gek op dat huis, maar ze moesten vijftien jaar geleden verhuizen omdat het niet langer kon. Ik denk aan het tuinhuisje dat op het uiteinde van het grote erf staat, beschut achter struiken en planten die de afgelopen jaren welig tierden. Ongeacht het seizoen zat mijn vader in dat huisje zijn pijp te roken. Hij keek uit over de tuin en het water even verderop.      Vanaf zijn huidige huis is het zelfs voor een oude man op loopafstand. Ik geloof niet dat hij er in die vijftien jaar ooit is geweest, maar het is de moeite waard om te kijken. Ik draai het gas uit, pak mijn jas en tas en wring me opnieuw door de smalle opening in de voordeur. Ik stap op mijn fiets.      Twee minuten later sta ik in de tuin. Vastbesloten loop ik over gezond gras naar het tuinhuisje, zo’n twintig meter verderop. Het is nog koel in mei, al houdt dit de akkerhoornbloem, bosanemoon en bleke klaproos niet tegen om al kleur in de tuin te verspreiden.      Bij het huisje aangekomen zie ik de sleutel in het slot. Langzaam trek ik de deur open. De verduisterende gordijntjes, die mijn vader per se wilde hebben zodat hij overdag een dutje kon doen, zijn gesloten. Ik zet de lichtschakelaar om en zie mijn vader liggen. Onderzoekend glijdt mijn blik over zijn lichaam op de grond, maar ik zie geen teken van leven. Zachtjes stap ik naar binnen, alsof ik bang ben hem wakker te maken. Na even diep in- en uit ademen zak ik op mijn knieën en leg mijn hand op zijn schouder. Hij ligt op zijn buik, met zijn hoofd op de grond. Ik draai hem voorzichtig op zijn rug en denk te weten wat er is gebeurd.   Al dagen voel ik me niet thuis. Dit is mijn huis niet, die staat een paar honderd meter verderop. Nu is het huis van mijn dochter Arabelle. Ik denk met spijt terug aan alle moment dat ik tegen Miranda, mijn overleden vrouw, tekeer ben gegaan. ‘Ik mis je om me heen, Mier,’ zeg ik in het niets. Misschien hoort ze me. Ik denk ook aan mijn dochter, die ik nooit heb laten weten hoe ik echt over haar denk.      Het is nog vroeg als ik mijn onderkomen verlaat en wat wankel op weg ga naar het huis waar ik driekwart van mijn leven woonde en alle mooie momenten meemaakte. In het huis is het nog donker en ik besluit niet aan te bellen. Als een dief in de nacht sluip ik door de tuin, naar mijn oude plekje. Ik heb Arabelle nooit verteld over de reservesleutel en kreunend buk ik om hem achter het hout vandaan te pakken. Ik steek de sleutel in het slot, draai hem om en stap naar binnen.      Niets veranderd; al mijn oude spulletjes, die Miranda niet mee wilde naar ons nieuwe huis, liggen op dezelfde plaats. Mijn schommelstoel staat nog naast het ronde tafeltje. Op het tafeltje staat een vaasje met nepbloemen, die Miranda ooit eens voor me heeft gekocht, ‘om dat donkere hok wat op te vrolijken.’ Grinnikend denk ik aan het moment terug: mijn gezicht vertrokken van afschuw, maar Miranda, eigenwijs als ze was, zette het vaasje op tafel. Ik heb het nooit weggehaald.      Naast het vaasje staat mijn asbak. Deze is leeg. Arabelle zal wel schoongemaakt hebben. Intens gelukkig trek ik de deur achter mij dicht. Ik zak in de schommelstoel die slechts een klein beetje kraakt. Het schommelen is een oud vertrouwd gevoel en ik besef hoe erg ik dit moment heb gemist de laatste vijftien jaar.      Het is nog vroeg in de ochtend. De zon klimt gestaag en met zijn reflectie op het water, geniet ik van een geweldig uitzicht. Als mijn oude vertrouwde zelf pak ik mijn pijp uit de binnenzak van mijn jas. Mijn zakje tabak leg ik op schoot. Met jarenlange ervaring is het stopwerk gauw klaar. Ik zet hem tussen mijn tanden en strijk een lucifer af. Rustgevend rook ik mijn pijp en geniet van de stijgende zon. Hetgeen ik in mijn woning niet kon vinden, vind ik hier.      Ik rook mijn pijp leeg, zet hem klem tussen mijn tanden en sta op. Ik schuifel naar het raam en sluit het gordijn. Voordat ik bij mijn dochter langsga, wil ik nog even een dutje doen. Wat zal het een verrassing zijn; haar vader bij haar voor de deur! Ik weet niet wanneer de laatste keer was. Ik ken alle hoeken en gaten van het huisje en schuifel in pikkedonker terug naar de schommelstoel. Wat ik niet verwacht is een obstakel op mijn weg.   Voor zover Arabelle ziet, heeft haar vader niet geleden. Alleen de kop van de pijp steekt nog zichtbaar uit zijn mond en hij heeft een bloeduitstorting op zijn hoofd. Waarschijnlijk heeft hij snel zijn bewustzijn verloren. Ze kijkt verongelukt naar het oude betonnen beeld van de buldog aan haar vaders voeten. Die stond voor kort in de tuin, maar hij is zo lelijk. Verdriet overspoelt haar als ze naar haar vader kijkt. Gelukkig kon hij nog eenmaal van zijn lievelingsplekje genieten.

schaapschrijft
0 0

De poedelvrouw

De deur gaat automatisch open en er stapt een stel naar binnen. De man onberispelijk gekleed in een donker grijs kostuum en keurig gepoetste schoenen. De vrouw draagt een zacht roze Chanel pakje. Ze komt mij bekent voor en ineens weet ik het. Ze lijkt op de koningspoedel van mijn buren. Zelfde spitse koppie, scherpe oogjes en ook zo’n kuif op haar hoofd. Ik zit in de lounge van een van der Valk hotel. Zullen we daar gaan zitten schat, zegt de man. Noem mij geen schat, zegt de vrouw met een als een net geslepen uitbeenmesstem. Ik zit in een heerlijke stoel en de vrouw zet zich met een zuur gezicht tegenover mij op de bank. De man zet zich naast haar. Wil je een cappuccino lieverd? Lieverd? Klootzak. Dat hebben we toch al in de auto besproken. Even een cappuutje drinken en dan door. Verder stilte. Als de bestelling is opgenomen gaat de vrouw naar het toilet en de man kijkt mij aan. Ik frons mijn wenkbrauwen en de man barst los. Ik ben veertig jaar getrouwd met die vrouw, dat was best goed alleen was er geen passie meer. Ik ontmoette op een personeelsfeestje een vrouw uit een ander filiaal en wauw ik was verkocht. Of het zo moest zijn hadden we een paar weken later een brainstorm weekend in Parijs. Het leek wel of ik vleugels had. We gebruikte het bed langdurig maar niet om te slapen zei hij met een tinteling in zijn ogen. Tot mijn vrouw erachter kwam en ja veertig jaar getrouwd en de kinderen hè. Nu probeer ik het weer goed te maken maar ze is nog steeds woedend. De vrouw komt eraan en hij schakelt direct over op voetbal. Zwijgend drinken ze hun koffie en verdwijnen weer. Hij aan de leiband van zijn poedel.

Bassam Camino
0 0