Lezen

Tip

Niets is wat het lijkt. Relaas van een bijzondere ontmoeting.

Ik woon dicht bij de Scheldevallei, aan de voet van de Vlaamse Ardennen, een regio die erg geliefd is bij fietsers en wandelaars. Met een paar locals verken ik af en toe de streek via wandelpaadjes langs poelen, vijvers, weilanden en bossen. Wandelen vind ik heerlijk: zowel om te genieten van de natuur als van het gezelschap. Zelfs wanneer we zwijgen, zegt de stilte vaak zoveel meer. Stilte vertraagt, zet de mallemolen tussen je oren even on hold en verscherpt je zintuigen.   Afgelopen zondag had ik er weer zin in. Ik vertrok onder een staalblauwe hemel met een stralende winterzon die haar best deed om de lente - veel te vroeg - te verleiden. Deze keer ging ik alleen op pad. Ik pijnigde mijn geheugen om mij de weg te herinneren naar een prachtige vijver, afgeboord met een rietkraag en wilgen. Het kostte mij wel wat moeite want het is een goed verborgen pareltje. Na een paar kilometer zag ik eindelijk de vijver tussen de bomen. Ik genoot van het heerlijke, winterse tafereel. Stil was het zeker niet want ik hoorde de vogels uitbundig fluiten. Ik wist dat er ergens aan de waterkant een kijkhut lag. Na een beetje zoeken, vond ik een kwakkel, houten brugje dat naar de hut leidde. De hut is vooral bedoeld voor vogelspotters. Ik ben absoluut géén vogelspotter. Ik kan met moeite een huismus van een koolmees onderscheiden en ik weet dat een vlieg geen trekvogel is. Tot zover reikt ongeveer mijn ornithologische kennis. Toch kan ik erg genieten van de schoonheid van die beestjes.   Door het natte weer van de afgelopen weken hing rond de zolen van mijn wandelschoenen al een even dikke laag modder en aangestapte aarde. Voorzichtigheidshalve hield ik mij links en rechts vast aan de reling van de brug en stapte voetje voor voetje naar de hut. Ik trok het gammele, piepende deurtje open. Ik dacht onmiddellijk aan het ‘Schurend scharniertje’ van Jos Ghysen, voor wie zich die tijd nog herinnert. Mijn gemijmer stokte al snel toen ik in de hut een oude man zag zitten. Hij keek niet op. Zijn ogen tuurden over het wateroppervlak. Ik twijfelde even of ik rechtsomkeer zou maken, wat ik overigens onbeleefd van mijzelf zou vinden, dan wel of ik zou blijven. Ik koos voor het laatste en schuifelde een beetje onwennig naar het midden van de hut voor een beter zicht op de natuurpracht. Met zijn ene gestrekte wijsvinger voor zijn mond, gebaarde de oude man met zijn andere hand om naast hem te komen zitten. Zijn gehavende handen verraadden noeste arbeid. Zwijgend nam ik naast hem plaats op het bankje. Ik leunde een beetje achteruit. Vanuit mijn ooghoeken sloeg ik hem gade. Hij deed mij denken aan de opa van ‘Heidi uit de bergen’: beetje nors voorkomen, een bruine, velourse broek, een zwarte rolkraagtrui waar een kolonie motten had huis gehouden, een kakigroene jas en een dikke, grijze haardos die om een kapper smeekte. Net zoals de opa van Heidi had hij een grijze baard, onverzorgd. De broodkruimels van deze ochtend kon ik nog spotten ... Voor de rest spotte ik helemaal niets ... Ik tuurde ook over het wateroppervlak. Ik zocht minutenlang tevergeefs naar wat de oude man zo fascineerde. Ik zag water, dode bladeren, riet, waterplanten, ...   Net toen ik voorzichtig weer wilde opstaan, nam hij mijn arm vast en wees hij naar de waterkant. Tussen het riet zat een koppel eenden. “Wilde eenden” fluisterde hij, alsof hij zijn woorden spaarde om geen geluidsoverlast te veroorzaken. “Cool!” dacht ik ironisch bij mezelf. “Het mannetje maakt het hof” fluisterde hij verder. Ik was niet bijster geïnteresseerd in het amoureuze gevogel, diep verscholen in het riet, maar ik bleef toch zitten. De oude man leerde me nog meer over de verliefde vliegbeesten, onder andere dat ik het mannetje, de woerd, kon herkennen aan zijn glanzende groene kop, een witte halsband en een kastanjebruine borst. De vrouwtjes zijn doorgaans donkerbruin. “De winter lijkt soms doods en stil, maar vergis je niet, alle voorbereidingen voor nieuw leven zijn ook onzichtbaar al aanwezig. In het donker ontkiemt immers het zaad” vertelde de oude man. “Wist je dat de Kelten feestten bij de eerste volle maan in november om het toekomstige nieuwe leven te vieren? Dat leven moet eerst kiemen, rijpen in de donkere aarde” ging hij verder. Ik humde eens om duidelijk te maken dat ik naar hem luisterde. Hij zweeg even, zuchtte diep en ging toen verder: “Zo gaat het ook met ons. Ons leven stopt niet bij onze dood, het kent net zoals in de natuur een cyclus.” Het gesprek kreeg plotseling een heel bijzondere wending. Voor het eerst keek ik hem recht aan in zijn glasheldere, blauwe ogen. Ik ken nog iemand met zo’n ogen ... Ik moest slikken bij de herinnering, de herkenning. Hij zweeg weer even maar bleef mij aankijken met een zachte maar toch doordringende blik. “We zijn hier om te leren, om een beter mens te worden, om te groeien, ons verder te ontwikkelen.” Ik was een beetje overdonderd en wist niet wat zeggen, maar ik begreep, ik voelde, wel wat hij bedoelde. Er hing een bijzondere, diepzinnige sfeer in de hut. De stilte was alleszeggend en oorverdovend. Ik hoorde zelfs de vogels niet meer. Ik vergat de woerd en zijn aanwinst. Ik dacht diep na over wat de oude man had gezegd ... Zijn woorden raakten mij.   Plotseling trok iemand de deur open. Ik schrok. De speciale stemming verdween, alsof ze wegvloog en opging in de natuur. Een nette dame van - ik ben slecht in leeftijden schatten - ongeveer 60 jaar stapte binnen. Ze was van kop tot teen uitgedost in een piekfijne wandeloutfit met een berenpoot. ‘Fashionable’ zou mijn oudste dochter zeggen. De dame bleef heel aanwezig in het hoekje van de hut staan. Ze keek me aan met een blik van ‘vertrek nu maar, IK wil nu op het bankje’. De oude man keek ondertussen weer strak en zwijgend voor zich uit. Ik hoopte zo dat de dame weer zou afdruipen. Helaas pindakaas ... Opeens rinkelde luid haar gsm. Het irritante lawaai stond in schril contrast met de natuurgeluiden. Ze nam op en begon met een schelle stem te tateren. De optie om terug naar buiten te gaan, overwoog ze duidelijk niet. En het leek er ook niet op dat het gesprek snel zou aflopen. Ik bedankte de oude man voor het bijzondere gesprek en verliet de hut.   De rest van mijn wandeling was ik verzonken in wat hij mij had verteld over de natuur, het leven en de dood. Waarom vertelde hij mij uitgerekend daarover? Het is toch geen koetjes-en-kalfjes-onderwerp voor vreemden die elkaar nog nooit eerder spraken. Of had ik hem al eerder ontmoet? Was onze ontmoeting geen toeval? Net voor ik de bebouwde kom weer naderde, kwam ik de dame uit de hut weer tegen. Ze leunde op één been tegen de koffer van haar mooie SUV en wisselde haar wandelschoenen voor een proper paar. Ik knikte en vroeg tijdens mijn passage wat ze van de hut vond. “Ik ben niet gebleven. Ik betrouwde die rare man voor geen haar.” Ik knikte nogmaals beleefd en stapte verder. “Je weet niet wat je hebt gemist” dacht ik bij mezelf. Niets is wat het lijkt ... Meestal toch.

Hilde Bours
48 1

Anates Ex Machina

Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Die opnames verdwijnen in het niets naast de beelden van de Aankomst.   Iedereen weet waar hij zich bevond en wat hij aan het doen was toen de eerste nieuwsberichten van de komst van de Ufo’s verspreid werden. De gigantische schotels verschenen op twaalf plaatsen tegelijkertijd in het luchtruim: Los Angeles, New York, Buenos Aires, Brasilia, Londen, Parijs, Berlijn, Moskou, Beijing, Seoul, Tokyo, Sidney.   Zien was geloven. Ik zag, maar geloofde niet. Ik wist wel beter. Ik had het idee geleverd voor de projectoren die deze illusies creëerden. Ik had de technologie gebouwd die dit bedrog mogelijk maakte. Ik was medeplichtig aan dit sterke staaltje van fake news.   Ik schreeuwde het uit op mijn website: “Levensechte hologrammen doen Moeder Aarde op haar grondvesten daveren.” Nog geen tien minuten later werd mijn site offline gehaald en was ik vogelvrij verklaard. Gelukkig had ik dit voorzien. Ik koos één van de vele valse identiteiten die ik speciaal voor deze noodsituatie had aangemaakt. Ik dook onder in een bos in een hutje waar de overheid niets van wist. Ik had er alles wat ik nodig had om het verdere verloop van de gebeurtenissen te volgen.   “Wij komen in vrede,” zeiden de aliens.“Wij komen orde op zaken stellen voor het helemaal verkeerd loopt met jullie planeet,”was hun boodschap.   Daar had de mensheid wel oren naar. De komst van de buitenaardsen was de oplossing voor al onze zorgen. Alle wapens zwegen op slag; gedaan met oorlog! Er was sprake van technologie die klimaatproblemen, honger en ander leed uit de wereld zou verhelpen! Geen religieuze twijfels meer: de aliens hadden God gezien; Hij sloeg zowaar een mea culpa voor de eeuwenlange verwaarlozing!   Deze beloftevolle aankondigingen waren zo overweldigend dat kritische vragen onverbiddelijk in de kiem gesmoord werden. Waarom vertoonden de aliens zich enkel aan de presidenten van China, Rusland en de Verenigde Staten? Waarom kozen ze net deze wereldleiders als hun spreekbuis?   Dag na dag arriveerden er nieuwe Ufo's boven de grootste wereldsteden.Activisten waarschuwden mensen op straat: “Als iets te mooi is om is om waar te zijn, is het dat ook.” Dissidenten riepen op onze ogen niet te geloven.Veel succes hadden deze enkelingen niet. Het fake news waardoor de massa alles voor waar aannam wat de leiders van China, Rusland en de VS beweerden, was veel geloofwaardiger dan de cynische werkelijkheid. Wie niet mee ging in de wereldwijde illusie werd opgepakt en afgeschilderd als een gek die geloofde in complottheorieën.Ik zag met lede ogen toe hoe online netwerken van verzet werden afgesneden van het internet. Ik weerstond de verleiding contact te zoeken met mogelijke medestanders. Het kwam er op aan uit de handen van de overheid te blijven en te wachten tot er Ufo’s in het buurt van mijn schuilplaats zouden verschijnen.   Ik wist dat die dag zou komen, en eindelijk kwam die dag. Ik zag mijn kans schoon. Vanuit mijn hutje in het Zoniënwoud kon ik met mijn telescoop vanop veilige afstand het toestel spotten dat een paar Ufo’s boven Brussel projecteerde. Ik wist perfect hoe die machines werkten; ik had er zelf de blauwdrukken voor getekend. Ik nam een GSM die bij geen enkele provider geregistreerd was en opende de app die ik voor dit doel geschreven had. Tot mijn grote vreugde bleek ik met het netwerk van de projector te kunnen connecteren.                                                               ***   Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Vergeet de filmpjes van het verschijnen van de Ufo’s bij de Aankomst. Die opnames verdwijnen allemaal in het niets vergeleken met wat de mensheid zag op de dag dat die imposante en machtige Ufo’s één voor één veranderden in reusachtige, maar onschuldige, zwevende, gele badeenden.  

Bruno Lowagie
32 0

het gras van de buren

Ward zat aan de ontbijttafel en las de krant op zijn tablet. Hij veegde kruimels van het scherm. Zij haalde de was uit de trommel en deed ze in een mand. ‘Voer voor de droogkast’ zei ze gelaten.   ‘Doe de verse was maar in de zon vandaag.   Met die hitte zijn ze zo droog’ zei hij zonder opkijken.  Hij las de krant oppervlakkig. Zijn blik gleed diagonaal over de kolommen tot hij aan een krantenkop bleef haken: “Mensen hielden de Sahara tegen”. Terwijl hij een slok koffie nam,  las hij verder en bakte zij een omelet.   Lang geleden was de Sahara nog groen maar toen veranderde de baan  van de aarde en viel er minder regen. De nomaden wisten  hoe ze de grond vruchtbaar konden houden. Als er één biotoop was  dat terrein won, dan was het de woestijn wel. Niets woekerde meer dan zand. Soms had hij de indruk dat hij zelf een nomade was, een kind van de woestijn . Als je er veertig jaar doorheen zwerft  word je een land beloofd. Halfweg het artikel vouwde hij de krant toe.   ‘Mag ik mijn groen hemd?’ vroeg hij.  ‘Straks. Geduld is een schone deugd’ zei ze terwijl ze  met een houten lepel in de pan roerde en de dooier brak. Ward had hemden in meer kleuren en hij koos de kleur die bij de dag en bij zijn bui pastte. ‘Vandaag was een groene woensdag’, besloot hij. ‘Wat is jouw plan?’ vroeg ze. ‘Gras zaaien en regen bestellen.’   Het was juli, de hooimaand en de naam leek niet uit de lucht gegrepen. De voorspelde hittegolf hield al weken aan. Ward schoof het raam open en liep de tuin in.  Het gras was geel, alsof er iemand met een haardroger over ging. Een kwartier later kwam ze buiten met het groene hemd en ze kneep  het vast aan een wasdraad. ‘Jouw omelet staat op de ontbijttafel, mijnheer.’    Het ophangen van was deed hem altijd denken aan een tafereel uit zijn jeugd. Als kind was hij getuige van een misdaad in de wijk.   Zijn oude buurvrouw, die het lef niet had om haar kip te slachten met een mes, hing ze op aan de wasdraad. In het begin had hij daar nachtmerries over, maar geleidelijk bezonk het. Het verschil tussen  het hemd  en de kip was groot genoeg om de herinnering  van zich af te zetten.    ‘Het gras van de buren is groener.’ zei hij terwijl zij de rest van de was ophing.  Het kon ook niet anders. Elke avond werd er gesproeid,  zodat hun tuin wel een moeras in de woestijn leek, zoals de Okavango delta die één keer per jaar overstroomt en alle vogels van Afrika aantrekt. Ward wachtte liever op de regen.  Hij wist dat als je te veel sproeit je het risico loopt dat het gras verbrandt. De druppels worden vergrootglazen  voor de zon. Je mag het gras niet verwennen zodat de wortels dieper moeten en weerbaar worden. Hij sproeide één keer per week en zette dan een lege theekop in het gazon, zette de sproeier aan tot het halfvol was. Dat was de wekelijkse portie regen die hij het gras gunde.    ‘Jij hebt het vaak over de buren’ zei ze licht uitdagend. ‘Heb je iets verloren bij hen?’ ‘Nee, ik vind hun gras gewoon groener. Maar het schaadt ons niet. Wij hebben alles wat zij missen.’ ‘Bluf’ zei ze. ‘Je hebt me door. Ik mag zoiets niet te luid zeggen  of de buurman klimt over de haag om mij aan te vallen.’ ‘Gekke man.’ zei ze met een knipoog. ‘De buurman is gekker.  Dat weet ik zeker. Hij is een wichelroedeloper  met een fobie voor aardstralen. Wist je dat? In geen honderd jaar word ik jaloers op de buurman.’   Ondertussen was het hemd bijna droog. Het kreeg een lichtere tint.  Hij haalde het van de wasdraad en vergeleek het groen van zijn hemd  met het groen van het gras van de buurman.  ‘Mijn hemd wint’ besloot hij nuchter, alsof het ging over een onderzoeksrapport. Hij trok het aan en merkte dat er een schaduw over hem schoof. Hij keek omhoog naar een dreigende wolkbreuk en ging terug naar binnen, aan de ontbijttafel zitten.  

Wim V
0 0

Vorige levens

Nee daar ben ik niet van overtuigd, zei ik. Ze had me gevraagd naar mijn geloof in vorige levens. Ik was niet voor dat deel verleden naar haar gereden op een vrije dag, ik had een afspraak gemaakt om mijn familie op te stellen in de ruimte.  in de tijd. Vanuit mijn ervaringen, kennis, gedachten, en bijgevolg met alle beperkingen vandien. Maar het zou niet gaan over beperkingen, het zou gaan over mogelijkheden. Het bleek mogelijk om een deel van mijn bloedverwanten in haar kamer op te stellen. Toch was er ook plaats voor mijn levensgezel en voor een thema.  Zelfs twee.   Thema: veiligheid. Familie: vader.   Op een cirkelcormige mat van Ikea had ik mijn vader klaar gelegd.  Precies achter mij. Ik keek naar de grote Buddha, en zolang ik naar de houten figuur keek, kon ik mijn vader niet zien. Hij kon niet in mijn ogen kijken. Wij kenden geen verbondenheid.   De vrouw trad binnen in een vorig leven, leunde stoer tegen een muur, keek lichtjes arrogant op me neer. Zij werd man toen ze daar stond en wist zich geen identiteit te geven. Ik twijfelde amper aan zijn geloofwaardigheid. Hij had geleefd. Hij had een rol gespeeld in het leven van mijn vader, had op een gluiperige manier misbruik gemaakt van zijn kinderlijk vertrouwen. Mijn vaders openheid naar de wereld en zijn sluimerende seksualiteit werden bekeken met misprijzen. Mijn vader liet zijn hoofd hangen, de hals in een diepe plooi naar voren. Hij zocht gulzig en dorstig de schouder van zijn moeder, vond geen schoot waar hij geborgen en veilig mocht zijn. Boos werd hij. Boos! Maar hij strekte zijn hals en keek als een gluiperd rond, de belofte makend dat wraak ooit zoet zou smaken.   Ik keek in de ogen van de vrouw die in vorige levens geloofde, zag mijn vader en zijn spijt. Herinnerde mij hoe hij vaak onder mijn rokje keek. Ik zocht de Buddha, vond minder hout.  

Ingrid Strobbe
7 0

Obariyon

De hele omgeving was op een paar dagen tijd volledig tot een waar herfstspektakel omgetoverd. De grond lag bezaaid met duizenden, gedroogde bladeren. Degene die nog steeds volhardend aan de bomen bleven hangen, dreigden elk moment hun strijd te moeten opgeven. Een spoor van kleine, witte wolkjes rees op vanuit de schoorsteen. Gedurende de wintermaanden kon het hier best koud worden. De enige verwarming in zijn hut was een oude houtkachel. Buiten een paar roestplekken werkte deze nog goed. Het deed waarvoor het moest dienen, meer moest niet voor hem. Als Kaito het warm wou hebben, moest hij gewapend met een bijl, diep het bos ingaan om hout bijeen te sprokkelen. Vond hij niet genoeg, dan zocht hij speciaal achter een oude, zieke boom om neer te vellen. Ook al duurde het zo soms uren om genoeg hout te vinden, hij wou de jonge bomen een kans op leven geven. Wederzijds respect noemde hij het. Tenslotte zouden bomen de mens wel kunnen overleven. Hetzelfde met zijn eten, hij doodde enkel hetgeen dat hij volledig zou opeten en gebruiken.   Kaito had deze hut met zijn eigen bloed, zweet en tranen gebouwd, samen met zijn broer. Het was misschien niet zo groot, maar meer had hij niet nodig. Hij had afstand gedaan van al het materiële, geen afleidingen meer. Doorheen de jaren was er een zekere afkeer voor de maatschappij in hem gegroeid. Hij kon het niet langer uitstaan om hier nog langer deel van uit te maken. Het werd zelfs zo erg dat hij andere mensen begon te mijden. “Ze zouden je alleen maar doen lijden,” dacht hij bij zichzelf. Kaito zat er niet ver naast. Heel zijn leven was hij in dienst geweest bij hetzelfde bedrijf. Op een gegeven moment stond hij zelfs aan het hoofd van zijn eigen afdeling, leidinggevende over een tiental mensen. Toen het echter slechter begon te gaan met het bedrijf, aarzelde ze niet om hem als eerste te laten gaan, omwille van zijn leeftijd zogezegd. Geld was voor hen het allerbelangrijkste. Dat ze zijn leen verwoestten was voor hen niet belangrijk.Gezien zijn leeftijd was er geen enkel bedrijf dat stond te popelen om hem nog in dienst te nemen. Gedurende enkele jaren was Kaito werkloos, maar af en toe kon hij nog ergens een tijdelijke job strikken. Wanneer één van zijn beste vrienden met een lucratief voorstel afkwam, aarzelde hij geen seconde. Zijn laatste spaargeld investeerde hij in het bedrijf van zijn vriend, met de belofte dat hij zijn geld verdubbeld zou terugkrijgen. Wanneer ook dit bedrijf ten onder ging door de economische crisis, was zijn vriend echter met de noorderzon vertrokken, inclusief met Kaito zijn laatste spaargeld. Geld dat hij nooit nog zou terug zien. Op dat moment besefte Kaito dat hij niemand echt kon vertrouwen, zelfs zijn beste vrienden niet. Niet veel later verbrak hij dan ook al het contact met iedereen die hem voordien nauw aan het hart lagen. Geld was de regesten ziekte die de mensheid kende, de oorzaak van alle miserie op aarde. Iets wat ervoor had gezorgd dat we een beschaving konden uitwerken, zou uiteindelijk ook zijn eigen ondergang worden. Toen uiteindelijk ook het moment kwam dat Kaito zijn huis moest verkopen om alle rekeningen te kunnen betalen, was voor hem de maat vol. Hij liet alles achter en nam zijn toevlucht tot de hut die hij samen met Yuuto, zijn oudere broer, had gebouwd toen hij 26 jaar oud was. Ze hadden dit gebouwd om een soort clubhuis te hebben waar ze de drukte van Shizuoka* konden ontvluchten. Een plaats waar ze in alle stilte konden gokken, drinken en alle andere activiteiten die het daglicht beter niet zagen. Geregeld kwam Yuuto hier ook met vrouwelijk gezelschap voor een romantisch weekendje, zoals hij het graag noemde.   Wanneer er enkele wandelaars spoorloos waren verdwenen op een week tijd, staken er verschillende geruchten de kop op. Van een zelfmoordpact, wat wel vaker gebeurde in de regio rond Mt. Fuji, tot zelfs een seriemoordenaar. Toen ze een tijdje later enkele van hen hadden gevonden, of wat er nog van overbleef, kwam er snel de de legende van een Obariyon* ter sprake. Een Obariyon wachtte in de bossen op nietsvermoedende reizigers, om dan op hun rug te springen. Als de reiziger hem meedroeg op zijn rug, werd het monster zwaarder en zwaarder. Tegelijkertijd knauwde het op de schedel van de reiziger, om hem nog meer pijn te bezorgen, tot hij uiteindelijk zou bezwijken onder zijn gewicht. In meeste gevallen was een ontmoeting met één van deze Yokai* niet dodelijk, en gaf het enkel rugklachten, maar toch wezen de bewijzen op zijn aanwezigheid. Yuuto was altijd al bijgelovig geweest, en toen hij hoorde van een Obariyon die zogezegd in de buurt zou rondhangen, is hij nooit meer in de hut geweest. “Je kan daar beter wegblijven,” zei hij nog tegen zijn jongere broer. Maar Kaito was een realist. Hij geloofde helemaal niet in dingen die hij niet met zijn eigen ogen had gezien, dus hij bleef nog wel geregeld de hut bezoeken. Tot het moment er kwam dat het menselijke egoïsme hem ertoe had genoodzaakt om er permanent zijn woning van te maken. Het was een grauwe dag in oktober. Wolkenvelden verhinderden elke poging van de zon om door te breken. Kaito had beter een ander seizoen gekozen om te verhuizen, maar als hij het in deze condities kon overleven, zou het altijd wel lukken. Hij was op zijn dagelijkse zoektocht naar brandhout toen hij zijn mening over Yokai moest herzien.   Een felle regenbui had een uur voordien het hele landschap omgetoverd tot een ware modderpoel. Droog hout vinden in deze omstandigheden zou een heuse onderneming worden. Bij elke stap zonken zijn voeten keer op keer diep in de modder weg. Een krachtstrijd tegen de natuur die de hele dag zou duren en hem uiteindelijk uitgeput zou achter laten. Het zag er naar uit dat Kaito het die avond niet warm zou hebben. Hij werd genoodzaakt om met lege handen huiswaarts te keren. Wanneer zijn voet voor de miljoenste keer vast kwam te zitten in de diepe, bruine smurrie, hoorde hij een stem in de verte. “Tasukete*!” Het klonk als een kinderstem. Het hulpgeroep van een kind drong door tot diep in zijn ziel. Met moeite trok hij zijn been los, alsof de kreet om hulp hem net dat beetje meer kracht gaf. De kreet leek uit het oosten te komen, de tegenovergestelde richting van zijn hut. Toch kon hij zich niet weerhouden om te gaan kijken. Ook al had hij een afkeer van mensen, hij kon geen kind in nood achter laten. Met zijn bijl in hand, baande hij zich een weg naar het oosten. “Tasukete!” Het kwam steeds dichterbij. Hij was duidelijk in de juiste richting aan het lopen. In eerste instantie dacht hij dat er een kind, net zoals hij, vast kwam te zitten in de modder. Maar toen hij eindelijk bij de oorsprong van de hulpkreet was aangekomen, was er niemand te bespeuren. Geen kind, geen modderpoel die groot genoeg was om in vast te komen zitten. Kaito krabde in zijn haar en vroeg zich af wat er in godsnaam aan de hand was. Had zijn eenzame afzondering eindelijk zijn tol geëist? “Obusaritei*!” klonk het opeens boven hem. Verschrikt richtte hij zijn aandacht op de boomkruinen. “Wie klimt er nu met dit weer in een boom,” dacht hij bij zichzelf, “en dan nog op zo’n afgelegen plaats?” Hij bleef rondkijken, in de hoop de kleine jongen te spotten, maar er was niemand te bespeuren. Kaito dacht dat hij gek aan het worden was, tot opeens de stem weerklonk in de dichte vertakkingen boven hem. “Obusaritei!” “Waar zit je dan?” vroeg Kaito. Wederom kwam er geen antwoord. Zijn ogen kamde de hele omgeving uit, maar nog steeds kon hij niemand vinden. “Obusaritei!” “Ik wil wel, maar dan moet ik eerst…” Voor hij zijn zin kon afmaken, viel er een zware last op zijn schouders. Door het gewicht zakte hij op zijn knieën in de modder. Zijn handen liet hij vallen op een paar platgestampte bladeren.   Minutenlang probeerde Kaito recht te komen, maar hij was uitgeput. Het gewicht duwde hem steeds terug de modder in. Hij greep zijn laatste wilskracht bijeen en uiteindelijk lukte het hem om recht te komen. Met bibberende knieën probeerde hij zicht stap voor stap richting zijn hut te begeven. Eénmaal hij recht was gekomen leek het gewicht wel mee te vallen. Het had hem gewoon verrast, dat is al. Alleszins dat probeerde Kaito zich toch wijs te maken. Met elke stap die hij nam, werd het gewicht zwaarder en zwaarder. Steeds verdwenen zijn voeten dieper in de modder. In de verte zag hij hoe zijn laatste brandhout, klein witte wolkjes door de schoorsteen joeg. Hij besefte maar al te goed dat de laatste warmte zich een weg door de spleten in de muur naar buiten baande. Na een uitputtende trektocht, door het nu moeras geworden gebied, bereikte hij uiteindelijk zijn vertrouwde hut. Eénmaal toen hij binnen was, greep hij met beide handen naar zijn schouders, in een allerlaatste poging om het gewicht van zijn rug te gooien. Hij zakte bijna ineen in deze poging, maar uiteindelijk lukte het hem om zich te bevrijden van de zware last. Terwijl hij de last op de grond had gegooid, was hij echter verbaasd dat er geen mens of geen Yokai lag. In de plaats lag er een groot aardewerk voor zijn voeten, tot op de rond gevuld met goudklompjes. Meeste reizigers zouden de kreet van een Obariyon negeren, maar diegene die zo vriendelijk waren om de last te dragen zouden rijkelijk beloond worden. Het gebrek aan egoïsme had ervoor gezorgd dat Kaito in alle weelde van zijn laatste dagen kon genieten.     Shizuoka: Shizuoka is de hoofdstad van de prefectuur Shizuoka in Japan. Obariyon: een mensachtig wezen dat in bossen leeft. Het wil enkel een lift op de rug van reizigers, wat resulteert in hevige rugpijn. Yokai: bovennatuurlijke wezens uit Japanse mythologie en folklore. Obusaritei: Ik wil een ritje op de rug.  

Nick Van Loy
0 0

Gast

We moeten het dringend eens hebben over de grootste schending van de mensenrechten sinds de mensenrechten. Die gruwelijke trend die getuigt van zo’n barbaarsheid dat hij kinderverkrachting, terrorisme en de oprichting van De Romeo’s degradeert tot kattenkwaad. Misschien maak jij je er ook schuldig aan. Natuurlijk maak jij je er ook schuldig aan! Inderdaad, we moeten eens praten over die compleet, on-bruik-bare microlavabo’s in mensen hun gastentoilet.   Ik heb geen grote handen. Waarschijnlijk zeg ik daarmee zonder het te weten dat ik weerzinwekkend klein geschapen ben, maar ik hoor mijn vrouw niet klagen. En de jouwe ook niet trouwens. Nu ja, die van jou wel, maar dan in de zin van: ‘Mijn man heeft dat nog nooit gekund bij mij, Hans. En zeker geen vier keer in anderhalf uur. Misschien moet ik dat op z’n personeelsfeest maar eens zeggen tegen die fake blonde Vanessa van HR als ze weer op zijn zaad staat te azen met haar smerig paardenbakkes.’ Magische handen? Absoluut. Grote, nope.   Kan iemand mij dan eens uitleggen waarom ik tegenwoordig in geen énkele gasten-wc nog de handenwasbeweging kan maken, zonder mijn rechterhand kreupel te raspen aan de straalbreker van de kraan en terwijl dat kot onder water te zetten alsof de loodgieter de sifon is vergeten? Heb ik het Koninklijk Besluit gemist dat zei dat het alleen nog toegelaten is om scháálmodellen van lavabo’s te kopen? Of heeft heel België collectief beslist dat handen wassen nichterig is en heeft Bibi Smetvrees hier nog altijd niet door dat die dingen er enkel pro forma hangen, zoals dichtgenaaide vestzakken, Fort Escort-spoilers en het ‘Welkom in Ninove’-bord?   Drie weken terug, tijdens een etentje bij vrienden, was ’t weer van dat. Toen de obligate gezelschapsspelfase van de avond was aangebroken, zag ik m’n kans schoon om aan de teamverdeling te ontsnappen door m’n blaas vol zure dozenwijn te gaan ledigen. Tot zover alles oké. Ik doe proper m’n ding, knoop m’n broek dicht, draai mij een kwartslag en daar hangt hij. ‘Fancy zeepbakje,’ dacht ik. Tot ik zag dat er geen zeep in lag en er een kraan boven hing. Een halve minuut later sta ik hyperventilerend te staren naar de tsunami-restanten op de grond, de muur, mijn hemd, broek, schoenen en het plafond. De lavabo is droog gebleven.   M’n gedachten schieten alle kanten uit. ‘Mijn vrienden gaan denken dat ik half hun huis heb ondergezeken. Zij wéten niet hoe zacht en respectvol ik die bril naar boven heb gezet. Hoe ik met de vaste hand van een hartchirurg heb gemikt om geen enkele druppel nog maar in de buurt van de rand te laten komen. Al wat zíj zien is hoe hun gastentoilet veranderd is in een voetbad vol zeik.’ Exact op dat moment gebeurt het. Door een of andere gestoorde kronkel in mijn hersenen, denk ik: ‘Fuck het. Fuck het gewoon! Als mijn imago van propere vriend dan toch om zeep is, kan ik er evengoed volledig voor gaan.’   Ik doe het deksel van het toilet dicht, laat mijn broek terug zakken en pers er met alle macht een halve lasagneschotel en twee potjes tiramisu uit. Daarop schep ik, met de souplesse van een bouwvakker die z’n vijfhonderdste villa invoegt, elke keer wat in m’n handpalm en smeer het uit over de muur. Na tien minuten heb ik ongeveer elk plekje van m’n canvas gevuld en sta ik buiten adem naar mijn werk te kijken. En dan pas besef ik het. Er wáren andere opties. Ik hád die druppels kunnen opkuisen met een paar velletjes toiletpapier. Ik hád kunnen terugkeren naar de rest en hen zeggen dat die spatten in ’t wc en op m’n kleren geen pipi, maar water waren. Dat de lavabo te klein was. Achteraf is het altijd gemakkelijk natuurlijk. Die avond was de laatste keer dat ik Thomas en Femke gezien heb.   Kapot gezocht heb ik mij. Maar ik heb ‘m. De allerkleinste lavabo die ik kon vinden na elke sanitairsite van West-Europa door te lichten. Het ding ziet eruit als een doormidden gezaagd soepbord, je krijgt er amper een wijsvinger in. Sinds vorige vrijdag hangt hij. En langzaam maar zeker pak ik ze allemaal terug. Etentjes dat ik al georganiseerd heb! Geen één gaat buiten zonder dat ik hem of haar langs de pot heb gestuurd met de lopendste chili con carne die je ooit gezien hebt, de eetdag van de KWB inbegrepen. Dat ze godverdomme zelf eens ervaren hoe ze gast na gast tot de waanzin drijven met hun perverse mind games. Ik zweer het je, tegen dat ik deze humanitaire crisis heb opgelost, kan je baantjes trekken in de wastafel van elke wc in België. En dan ga je zien dat iedereen z’n handen wast in onschuld, alsof het nooit anders geweest is.     PS Thomas, Femke, als jullie dit lezen, denken jullie er dan nog even aan om de Doodle in te vullen?

Hans Verhaegen
0 0