Lezen

Een vriendin en haar keuken.

Ze slurpte met veel lawaai van haar warme chocomelk. Ze verbrandde haar lippen en vloekte. De twee mensen aan de tafel naast ons gooiden op een hautaine manier de hoofden in de nek. Hun blikken spuwden venijn naar ons. Wat denkt die tafel niet. Ik negeerde hen en vroeg haar verder over haar nieuw appartement. We waren in de keuken beland.   “Er valt niet veel te vertellen over de keuken. Het is een beetje een tegenvaller. De ruimte is hoog en het geheel is ongeveer 3 op 7 meter. Als je er met twee instaat, is het overvol. Toch is er alles wat je nodig hebt; ja, dat durf ik wel zeggen”. Ze zette de warme kop chocolade opzij en stak een sigaret op. Tot grote ergernis van de tafel naast ons. “Ik heb een zelfgemaakte keukentafel met vier barkrukken erbij. Dit idee komt van de vorige eigenaar, een Kristel Vermeylen uit Hoogstraten. Ik heb die nooit gekend maar ze had wel oog voor architectuur, design en ruimte. Aan de witte muren heb ik enkele kruidenposters uit de Flair gehangen. Die hebben hun nut wanneer mensen komen eten. Mensen denken daardoor al snel dat ik mijn gerechten besprenkel en bewerk met al wat op die foto’s staat. Zo laat ik een goede indruk achter, nietwaar”. Ze blies de rook van haar dunne sigaret in mijn ogen. Waarom doe je dat?   “Er hangen ook drie posters van de drie grootste hamburgers die je bij Quick kan verkrijgen : de Giant, de Big Bacon en de Chicken Filet. Un goût plus fort que tout! Het gasfornuis is klein en neemt amper plaats in. Het was een cadeau van Erik T., ken je die nog?” Ze kuchte. Voor ik kon antwoorden, zette ze haar verhaal verder. “Ik heb het nu al een maand of vier en het kookt als geen enkel andere huismoeder. Af en toe kook ik voor mezelf of als ik wil afwassen, ‘zet ik warm water op’. Ik heb helaas geen stromend warm water in de keuken”. Ik knikte.   “Ik heb een open keukenkast. Dat is jong, modern en blits. Maar eigenlijk vind ik dat niet zo praktisch. Ik moet de keukenkast voortdurend uitkuisen, afstoffen of ontvetten en dan is mijn wonderkeuken een mijnenveld van glazen, kommen, borden, kruidenpotjes, potten en pannen. Tof is anders hoor”. Ze vraagt of ik haar wil vergezellen in een Gin Tonic. “Eentje van die dure, komaan, we laten ons eens gaan”. Ze vertelde verder. “Op de vensterbank staan, naast het meest doeltreffende wasmiddel en het meest citroenfrisse afwasmiddel, twee planten die één keer per week een slokje water krijgen met een vitamineproduct erbij. Voor de venster hangt een geel rolgordijn. Dat was ook een idee van die Kristel. Ik doe het alleen naar beneden wanneer het echt warm is. Het gele rolgordijn geeft karakter aan mijn keuken. Geel en grijs zijn de hoofdkleuren in mijn keukenpaleis”. Ze lachte, bestelde twee Gin Tonic, “van die dure” en vertelde verder.   “Om het allemaal wat meer allure te geven, heb ik een blauwe keukenlamp gekocht maar daar heb ik me wat in misrekend; ze hangt nu zo hoog dat je de blauwe kleur van het kapje niet ziet. Jammer want ik heb ze echt gewild maar het mocht niet zijn”. “De grond bestaat uit wit vinyl en ik ben verplicht om elke twee dagen te dweilen zoals een non dat in het klooster doet : op haar knieën! Daar is veel discipline en doorzettingsvermogen voor nodig. Ik heb mijn hoofd al veel tegen de tafel gestoten. In de badkamer ligt hetzelfde vinyl dus dan poets ik de badkamer ook snel”. De Gin Tonics werden geserveerd, we toastten op haar nieuwe woning. “Je moet eens komen eten. Wat doe ik daar veel? Kuisen, dat wel ja, maar ook koken voor vrienden. En afwassen. Ik schrijf er ook aan. Ik heb mijn bureau verplaatst en ik voel me beter hier in de keuken. Het is een kwestie van feeling. Het bureau staat nu in de slaapkamer. Wanneer ik hier schrijf, staat meestal de muziek aan. Ik luister veel naar Madonna. Wat vind jij van Madonna?”   Ze slurpt een dosis gin binnen. “Ik heb het niet zo voor Madonna” antwoord ik. Ze kijkt verschrikt op. “Maar ik al zeker eens komen kijken,” herpak ik me. Ze verslikt zich. “Niet komen kijken, kom eens eten”. Ik zuchtte en beloofde haar binnenkort eens af te spreken.

Erwin Abbeloos
0 0

Waar is Agnetha Fältskog?

Ik voel het aankomen. Het is één van die nachten die op oneindigheid staat. Het is half twee ’s ochtends en ik weet nog steeds niet wat te doen. Na het werk thuiskomen, iets eten, iets drinken en gewoon wat in de zetel zitten werkt niet inspirerend. Ik ben niet moe. Van slapen is geen sprake. Ik zou een boek kunnen lezen om toch maar slaap te vinden maar als ik eerlijk ben, weet ik dat ik niet veel zin heb om te gaan slapen. Nu nog niet. Ik wil nog wat naar muziek luisteren. Ik kan natuurlijk ook naar muziek luisteren terwijl ik in bed lig en dan komt er geen boek bij van pas. Twee activiteiten tegelijkertijd om me te ontspannen is me wat te veel. Naar de radio luisteren in bed is te riskant; ik ben bang dat het toestel oververhit geraakt terwijl ik lig te slapen en ik heb nog geen brandverzekering.   Ik heb liggen zoeken naar “Maybe it was magic” van Agnetha Fältskog maar ik vind het liedje nergens terug. Ik weet wel dat ze op bijna elke cassette staat en dat ik geen enkel bandje mag afspelen of ze duikt op met het nummer, maar nu vind ik haar niet terug. Wat zou het praktisch zijn om gewoon op een knop te drukken om ze te horen waar en vooral wanneer ik dat wil. Dan maar Kate Bush, die zingt iets over “A little light” (of zoiets). De exacte titel ken ik niet; ik ben af en toe te lui om titelnummers op de kartonnetjes van de cassette bandjes te schrijven. Wat zou het praktisch zijn om gewoon songteksten en titelnummers waar en wanneer te vinden. Er heerst geen Kate Bush sfeer vannacht. Allicht omdat ik met “Maybe it was magic” in mijn hoofd zit. Het is één van haar beste solonummers. Vooral inhoudelijk omdat ze hier de ABBA-jaren bewierookt. Het mag geschreven worden dat ze ook slechte nummers heeft. Verder valt er over Agnetha Fältskog niet veel te schrijven.   Morgen is het vrijdag en dat betekent een verlofdag. Ik breek me het hoofd over wat ik zou doen. Eventueel. Ik kan toch proberen vroeg op te staan en naar de wasserij te gaan omdat ze me thuis laten weten hebben dat ik niet moet afkomen met kilo’s vuile was. De wasmachine daar doet het niet meer en ze wachten al een week op iemand van Bauknecht. In de wasserette kan ik rustig de Flair lezen. Zo’n wasbeurt neemt al snel anderhalf uur in beslag. Er werkt een oudere dame die voor iedereen de was insteekt, plooit en netjes teruggeeft. Je mag de winkel niet verlaten. Strijken moet je zelf doen.   Wanneer ik strijk, kan ik naar Radio Contact luisteren. Ze draaien daar een dag voor publicatie de nieuwe single van Madonna.   Maar ik zal uitslapen; ik voel me de laatste dagen niet zo erg fit. Zo staat er een afwas van twee dagen. Nochtans heb de laatste dagen geen al te overdreven lichamelijke inspanningen gedaan, tenzij de bewegingsoefeningen op De Kleine Academie. Ik heb ook niet overdreven gesext, vraag het maar aan Kurt, een gast uit Vlaanderen die hier wat blijft rondhangen. Mijn bioritme is wat in de war gebracht, misschien ligt het aan de lente die in de lucht hangt (witte bloemen, geuren en vrolijke mensen; krolse katten en wulpse teefjes). Ik ben toe aan orde, rust en stilte. Een beetje magie. Een beetje vakantie. En vitaminen. En zon. En geld.   Terwijl ik me ziek zoek naar die onnozele Agnetha, denk ik wat na. Over wat ik nog van het leven verwacht. Ik zou iets werelds kunnen doen, iets waar veel mensen baat bij zouden hebben. Mezelf een imago aanmaken. Een beetje verandering. Met durf. Met lef. Iets anders. Wat zou ik bijvoorbeeld kunnen doen? Voor een tijdschrift werken. Ik heb altijd al voor een tijdschrift willen werken. De Flair, want ik lees dat graag, ik voel me betrokken bij hun visie en hun reportages en ik ben ervan overtuigd dat ik goede artikels zou schrijven. An Brouckmans werkt daar en daar heb ik al eens me gegeten. Een toffe madame. Ze heeft me een tijdje wekelijks de Flair opgestuurd maar nu doet ze dat niet meer. Misschien schrijf ik ooit wel voor Flair. Misschien ook niet.   Ik zou morgen mijn appartement kunnen poetsen. Opruimen en poetsen. Het ligt er nogal vuil bij. En wanneer ik schrijf vuil, dan bedoel ik écht vuil. Voel jij (de lezer) je geroepen om hier af en toe alles eens aan de kant te zetten? Tegen een zeer kleine vergoeding? En de ruiten moeten ook eens gelapt worden.   Ik schreef het al, ik zal weer uitslapen. Hoeveel tijd heb ik niet in bed verloren, gewoon door daar te liggen, terwijl ik na dit leven een leven lang zal kunnen slapen. Mijn vroegere flatgenoot, Erik, met wie ik hier ooit woonde en die nog steeds de sleutel heeft, zal me uit bed bellen en me luiheid verwijten. Ik kan morgen aan Peter vragen wanneer we nog eens gaan autorijden. Ik wil echt mijn rijbewijs halen. En deze keer gaan we niet seksen! Anders geraak ik nooit aan mijn rijbewijs. Morgennamiddag komt Geert over zijn problemen praten. En ik verwacht in de vroege avond Erik en Bart. Ik moet dus van alles in huis hebben. Die mensen moeten iets kunnen eten en drinken. Morgen ligt de nieuwe singel van Madonna in de winkel. “Like a prayer”. Het nummer klinkt alvast goed en de zangeres neemt alweer een andere muzikale richting.   Ik heb hoofdpijn. Ik ben op het werk op een gladde vloer uitgegleden en ik heb mijn hoofd tegen een tafel gestoot. De pijn was niet om te lachen, terwijl mijn collega’s dat wel deden. Ik denk af en toe aan Kurt, die gast uit Vlaanderen. Ik denk aan hem wanneer hij hier niet is. Wat me logisch lijkt. De domste plaat van ABBA was ooit “You owe me on”. “Chiquitita” gaat eigenlijk nog wel.   Blijkbaar wil Agnetha “Maybe it was magic” niet meer zingen. De cassette waarop ik dacht ze te vinden, is af. Misschien kan ik morgen een ticket voor Las Palmas kopen om mijn ex Steven te bespioneren. Ik kan ook in mijn eentje naar Amsterdam gaan. Voor wat avontuur. Die Hollanders en hun seks. Het is me wat!   Wat zou er gebeuren als ik ongemerkt en onaangekondigd uit de running, uit het circuit verdwijnen? Wie zou me niet zoeken! Erik die de sleutel van mijn appartement heeft, zou al luttele briefjes achter gelaten hebben. Bart zou misschien met mijn ouders langs geweest zijn. En dan sta ik daar plotseling terug! Iedereen tussen woede en opluchting. Ik zou die avond mijn hele avontuur moeten vertellen en de volgende dag zou de routine mijn leven alweer domineren. Et j’en ai un peu marre. Ik sta al jaren in het rood en iedere drie maanden moet ik 2000 frank lenen van Erik om een dag op de rekening boven de nul te staan. Wanneer houdt dat op, zeg! Zeg mij, God, wanneer houdt dat op? Ik kan morgen misschien een bijverdienste zoeken, iets waar ik op een niet al te moeilijke en vermoeide manier 3000 frank kan bijverdienen. Tappen. Schrijven. Seksen. Neen, dat laatste niet. Daar ben ik veel te preuts voor. Dan liever een proefreportage voor een tijdschrift. I need the money. En wat ga ik morgenavond doen, wanneer de Peters, de Erikken, de Barten en de Geerten weg zijn? Kurt wil niet uitgaan (hij is niet zo’n café type), en ik wil wel uitgaan (ik ben zo’n café type). Weer alleen in het trieste Rijk der Zinnen.   Ik ga morgen gewoon de nieuwe single van Madonna kopen. Ik kan misschien morgenavond naar Agnetha luisteren. Misschien dat ze toch door magie opduikt. Gewoon thuisblijven. Nog nooit gedaan op een vrijdagavond. En hopend dat er ooit een dag komt waarop ik “Maybe it was magic” meteen vind waar en wanneer ik dat wil.

Erwin Abbeloos
0 0

De duivel speelt accordeon en werkt 24 uur per dag

            Thierry, 23, student toegepaste economische wetenschappen zat in de universiteitsbibliotheek in alle rust te bekomen van z’n examenstress. Voor hem lagen een boek en een tijdschrift; ‘Notendop’ van Ian McEwan en een nummer van The Journal of the History of Ideas uit 2015. Onverwacht werd hij duizelig, kortademig en misselijk. Hij had de indruk elk moment flauw te kunnen vallen. Een licht gevoel in z’n hoofd kwam plotseling en erg hevig op. Koud zweet brak uit. Hij voelde een minieme maar niet te betwijfelen benauwdheid in z’n hele bovenlichaam. ‘Ik wil niet dood.’ mompelde hij. ‘Is dit een hartstilstand?’ De stilte in de bib was gekmakend. Het duurde vijftien minuten om te herstellen van deze kleine, emotionele, paniekaanval. Tijdens een examenperiode had hij daar last van. Vechtend tegen z’n wanhoop stond hij op, liep naar de bibliothecaresse en leverde het tijdschrift in.               Op straat leek alles zich af te spelen in dezelfde gekmakende stilte als in de bib. Te voet op weg naar z’n studentenflat zag hij in de goot eekhoorns. Of waren het ratten? Hij bleef even staan en keek rond. ‘Ik moet een mindfulness- oefeningetje doen.’ zei hij tegen zichzelf en begon te hyperventileren. Voor z’n voeten nam hij wel achttien ratten waar die zich van hem niets leken aan te trekken. Het was nog steeds volstrekt stil. Een oud vrouwtje met een klein hondje passeerde hem en keek hem aan. Hij hoopte dat het hondje de ratten zou verjagen maar het enige dat hij zag was een grote, blaffende Duitse herder met diep groene ogen en z’n tanden bloot. Hij zette het op een lopen. De ratten liepen achter hem aan.               Uitgeput liet hij zich vallen in de zetel, nat van het zweet. ‘Mijn zintuigen werken niet.’ dacht hij. In het keukentje dronk hij een kopje koffie. ‘Dit smaakt naar pittig vergif. Ik drink dit niet uit.’ Hij bleef het ontzettend warm hebben en opende de vensters. Meteen vlogen er allerlei merkwaardige vogels binnen. ‘Jaag die vogels weg!’ riep Thierry hysterisch ‘Hoe kan ik hier nu rusten met al die vogels? Ga weg!’ Zittend aan de keukentafel nam Thierry het boek dat hij de afgelopen dagen had proberen te lezen. Hij sloeg het open, bedacht zich, legde het opzij en nam het uiteindelijk opnieuw ter hand. Hij wilde de openingszin nog een keer hardop voorlezen, mocht dat lukken. ‘Hier ben ik dan, ondersteboven in een vrouw.’ Plots begon het boek te praten.   “Spring door het venster!” zei de foetus. “Spring! Nu! De vogels zullen je helpen! Spring!” In grote verwarring en overtuigd door het sprekende boek stond Thierry op van z’n stoel. Het kostte hem moeite door het raam te kruipen en zich te laten vallen. Springen kon je het niet noemen. Acht verdiepingen, een gat in de stoeptegels van vier centimeter en, uiteraard, op slag dood.    

Hubert Grimmelt
0 0

Eerste schooldag

Iedereen is druk in de weer in huis bij familie Luis. Vandaag gaat de tweeling voor het eerst naar school. Er moet nog zoveel gebeuren. Mama kleedt Anne-Marie aan.  Haar nieuwe jurk staat haar goed. Nu nog twee vlechtjes. Afgewerkt met zijden strikken. Restanten van de stof voor de jurk. Zo is het haar ook netjes aangekleed.   In de badkamer poetst papa de tanden van Peter. Nu nog zijn haarscheiding. Met een klodder gel blijft  zijn haar mooi gescheiden en raakt het niet in de war  van al die moeilijke sommen.   Beneden in de woonkamer huilt de baby. De poes steekt zijn poten door de spijlen van de box. Hij wil de vogel pakken, maar schrikt als die begint te loeien.   Wanneer de kom met Brinta leeg is, springt iedereen op de fiets. De zon straalt als een nieuwe euro. De wind geeft duwtjes in de rug. Het belooft een mooie dag te worden.   Bij het schoolhek is het al druk. Het ziet zwart van de kinderen. Je kan zien wie nieuw is. Meisjes hebben rode wangen. Jongens maken selfies met hun schoen. Allemaal houden ze de hand van hun papa of mama vast alsof ze superlijm zweten.   Dan gaat de bel.  Iedereen loopt naar binnen. De juf wacht bij de deur van de klas. ‘Welkom!’ Ze aait de kinderen een voor een over de bol alsof ze raadt uit welk land ze komen. Zwarte krullen: Afghanistan. Blonde pony: Nederland. Kaal: Marokko.  Ze is dol op reizen naar exotische landen. Aan de ouders geeft ze een hand.   Maar wat gebeurt daar nu? Als Anne-Marie en Peter aan de beurt zijn trekt de juf een raar gezicht. Alsof ze iets vies ruikt. Alsof Peter de prullenbak over zijn hoofd heeft gegooid.  En Anne-Marie in de poep is gestapt. De juf gilt zo hard dat de hele school trilt. ‘Luizen! Niet een, maar twee!’ Ze houdt haar hand in de lucht. Als een politieagent met een kogelvrij vest wringt ze haar dikke kont tussen de deur. En snert tegen Anne-Marie en Peter. ‘Jullie komen er niet in!’   Ouders in de gang hebben alles gehoord. Ze brommen: ‘Het is een schande. Hoe halen ze het in hun hoofd om hun kinderen naar deze school te brengen?’ Ze kijken naar papa en mama Luis alsof het kindermoordenaars zijn. ‘De arme kinderen. Je zal maar zo’n ouders hebben!’ ’Dit is een luisvrije school,’ fluistert een mama. Papa en mama zakken in de grond van schaamte. Hun hart bonst tegen hun slapen. Wat doet het pijn als mensen zulke vreselijke dingen zeggen.  Het meest schamen ze zich dat de  tweeling alles hoort.   Dan pakt mama de hand van Anne-Marie. En papa pakt de hand van Peter. ‘Dit is geen geschikte school,’ zegt mama. Ze houden hier niet van onze soort,’ zucht papa. ‘Jullie krijgen thuisonderwijs,’ zegt mama alof ze net haar juffendiploma heeft gehaald. ‘Dan worden jullie nooit meer gepest.’ Deze school is de laatste druppel.   Maar Peter en Anne-Marie willen niet weg. Hete tranen rollen over hun wangen. Ze hadden zich zo verheugd op deze dag. Ze wilden zo graag nieuwe vrienden maken. Ze kunnen het bloed van de juf nu wel drinken.                                    

Margaretha Juta
0 0

De vrouw en het kind in de supermarkt. In Brussel.

« Ah, de kleine Dylan ! » hoor ik de man zeggen tegen een klein jongetje dat er wat verloren en goedkoop gekleed bij loopt. “Hoe gaat het met je? Aan het winkelen?” Het is niet al te druk in de supermarkt. “Waar is je mama?” vraagt de man. De kleine Dylan kijkt de man niet aan. Zijn blikken zijn gericht op wat in de rekken staat. Cornflakes. “Ik mag van mama niet tegen jou praten want jij bent een vuile janet”. Zo, dat was gezegd.   “Dylan, kom hier. We gaan naar de kassa”. Een vrouw van rond de dertig trekt aan de arm van het kind. “Ah, ja, een vuile janet”, zegt de man. De vrouw kijkt de man niet aan en zegt tegen het kind dat het moet doorlopen. “Dus, jij wordt zo’n etterke van een kind”. Het kind kijkt verward naar de man. Dan richt hij zich tot de vrouw. “Mooi is dat. Ik kan er mee leven dat een kind tegen me zegt dat ik een vuile janet ben, hoewel ik Dylan er toch op wil wijzen, janet, ok, tot daartoe, daar heeft hij gelijk in maar vuil klopt niet; ik heb me gewassen. Dat doe ik elke dag, ’s morgens en ‘s avonds”. De vrouw maakt aanstalten om door te lopen maar de man houdt haar met scherpe woorden tegen. “Mooi om te zien dat jouw zoon binnen pakweg tien jaar zijn diploma niet zal afmaken, op zijn 16de achter de vuilkar zal lopen, de straten veegt met zo’n stofzuiger van de stad en in zijn vrije tijd wat experimenteert met cannabis en goedkope speed”. De vrouw snuift. “Hoe durf je!” Ze kijkt de man met vurig venijn in de ogen. “Jij moet me niet komen vertellen hoe de toekomst van mijn kind eruit ziet. Jij moet mij en mijn kind met rust laten”. Haat spuwt uit haar mond; de man blijft opvallend kalm. “Ach kind toch”, en loopt rustig verder.  

Erwin Abbeloos
16 0

Dure Fiets

De haat-liefde verhouding tussen Nederlanders en Vlamingen is van alle tijden.  Naast het échte bier en de bourgondische levensstijl benijden de Noorderlingen ons vooral het feit dat wij zogenaamd tweetalig zijn.  Zij gaan er van uit dat elke Vlaming een aardig potje Frans kent Niettegenstaande haar onbetwiste onkunde op taalgebied, werd een van mijn vele nichtjes reeds op vroege leeftijd verliefd op een Franstalige knapperd. Er volgde een huwelijk en er kwam een zoontje ter wereld.  Ze verhuisden naar een bekende Waalse stad. Mijn nichtje werd alsmaar beter tweetalig,  zelfs zodanig dat ze in de lokale supermarkt geregeld omroepen deed via de luidsprekers.  Lag het aan de Walen die niet al te kieskeurig waren of had ze zich via de liefde de taal van Molière eigen gemaakt? Dat gold ook voor haar zoontje.  Zij, en ‘langs haar kant’ de Bomma, Bompa en de vele tantes, nonkels, nichtjes en neefjes spraken met hem Nederlands.  Met  papa en ‘de son côté’ al evenveel familieleden en ook op school  werd Frans gesproken. Het mannetje was al vijf toen wij er eindelijk in slaagden met zijn ouders af te spreken voor een bezoek  aan hun recent gekochte woonst  net buiten de Waalse stad. Bij aankomst stond zoonlief ons ongeduldig op te wachten.  Meteen zei hij:  “Ah, ja, in het Nederlands!”.  Toen hij merkte hoezeer ik op zijn grootvader leek voegde hij er aan toe: “Ah, non, tu n’ es pas Bompa. Gij zijt zijn frère.” Dan palmde hij mijn echtgenote in aan wie hij vertelde dat hij voor zijn verjaardag een nieuwe 'vélo' had gekregen.  Hij troonde haar mee naar de plaats waar de fiets stond.  “Wat een mooie fiets”, zei ze.  Het jongetje glunderde,  sloeg met zijn hand op het zadel en zei:  “Het is duur, hoor!” Mijn echtgenote beaamde dat je wel kon zien dat het een dure fiets was.   Dan  twijfelde hij  en zei : “Neen, neen, dit is duur”, en opnieuw sloeg hij nog harder op het zadel. Gelukkig was ook zijn groottante sinds mensenheugenis tweetalig en begreep ze snel dat hij bedoelde dat het zadel van zijn nieuwe koersfiets fameus hard was. Gedurende het verder verloop van een fantastische dag samen hoorde wij de jongen om de haverklap oefenen: “Hard en Flamand, dur in het Frans, hard en Flamand, dur in het Frans,…….”

Vic de Bourg
9 0

Zielig boekje

Zielig boekje Hier lig ik dan op de boekenbeurs: een magere paperback, vodje papier van niemendal, met kleine letters, beduimeld en gescheurd door een zeldzame malloot die gretig mijn eerste bladzijde monsterde, om me daarna onverschillig op de stapel broertjes te gooien. Liever had ik dwarsligger willen zijn. Zo’n ding van sigarettenpapier dat je op de trein vergeet terug in je zak te steken. Maar mijn schrijver is wars van populisme. Ik had hem ingefluisterd mij niet in eigen beheer uit te geven, maar nee, hij moest en hij zou. Het heeft hem nog veel geld gekost, met mijn uitdagende cover in kleurendruk. Mijn vrouwenbeen met afgezakte panty, zodat de huidkankervlekken goed tot hun recht komen, moest het doen. Maar helaas, het publiek kan zijn grapje niet smaken. Jaren heeft mijn geestelijke vader gezwoegd aan elk woord mijner zinnen, totdat niets zinnigs meer overbleef; toch een must om literair te wezen tegenwoordig. Branden van jaloezie doe ik, op die dikkerd van Lize Spit, waarvan nu 80.000 collega’s ergens op een Ikea-kast vertellen dat de eigenaar trendy is. Hoe ze het heeft klaargespeeld met een gestolen idee zoveel kitsch te verkopen, stoot mij tegen mijn ongebonden rug, maar ja, wie ben ik? Het product van een onbekende debutant. Zijn pen bleef onaangeroerd tijdens de signeersessie en hij heeft mij intussen verlaten om troost te zoeken in de drank. Zo heeft hij tenminste het gevoel iets gemeen te hebben met Jeroen Brouwers. Maar ik, kijk, daar word ik nu vreselijk onzeker van. Beter was ik iets steviger uitgevoerd: ingebonden met een harde kaft en een gouden biesje eromheen. En zo’n lintje eraan, zodat de lezer tenminste weet waar hij gebleven is. Dat doet het altijd. Maar nee, het moest chiclit-goedkoop. Ik word daar depressief van. Mijn roemloos lot is devaluatie, opgekocht worden voor 2 euro door de Markies, of erger nog de Slegte en hopen dat een gefrustreerde, slechtziende eenzaat mij koopt voor mijn pittige buitenkant. Tussen mijn letters voel ik de boekenhel al opdagen: een rommelmarkt of een derderangs antiquariaat, waar ik jaren zal liggen muffen tot mijn papier vergeeld en mijn schrijver vergeten is dat hij dankzij mij de onsterfelijkheid betrachtte. Volgende keer ga ik digitaal, zeker weten.

LUDO DELBON
36 0

a clean desk is a sign of a sick mind

            Hubert staat, zoals gewoonlijk, op om 06.38. Buiten is het nog donker. Hij is niet vrolijk. Na het ochtendritueel, een kort toiletbezoek om te urineren, betreedt hij de woonkamer. Hij gaat naar de kleine keuken en zet het koffieapparaat aan. De vorige avond heeft hij dat klaargemaakt voor deze ochtend.             De keukentafel doet dienst als werktafel. Als hij wil eten aan deze tafel zit er niks anders op dan opruimen. De tafel is ovaal. Er staan vijf stoelen rond waarvan er drie niet kunnen gebruikt worden om op te zitten. Ze liggen volgestapeld met allerhande paperassen: gekregen kunstboeken, oude kranten, volgeschreven Atoma-schriften, reclamefolders, een lege doos fotopapier, plastic mapjes, … onderaan een nutteloos zitkussen. Het tafelkleed is eigenlijk een dekentje gekocht door z’n moeder in de IKEA. Hubert vindt het interessanter als tafelkleed. Er zitten vlekken op van o.a. tomatenketchup, boschampignonsoep, blauwe Waterman inkt en het ligt vol met broodkruimels. Verspreid over de tafel liggen er notitieblokjes, to do – en boodschappenlijstjes, rekeningetjes allerhande: beenhouwerij Dockx, Delhaize, gazettenwinkeltje (als hij had betaald met bancontact), schrijfgerief, elastiekjes, paperclips, een bluetooth box, een wekkertje, brieven, overschrijvingsformulieren, fototoestellen, brilpoetsdoekjes, medicatie, een busje Rexona, een perforator, bestek, een leeg blik Pools bier, een iPod van 8GB, oude treintickets, USB sticks, een Post-It blocnootje bijeengehouden door een elastiekje met daarin z’n alcoholgebruik sinds december 2015, klein geld en een tube Noorse handcrème. Soms doet hij een hopeloze poging om orde te scheppen alsof er dan ook meer ruimte in z’n hoofd zou ontstaan. Ondanks de chaos weet hij ongeveer waar wat ligt. Af en toe werkt Hubert in een bibliotheek of een café. Hij vindt het dan fijn om veel ruimte te hebben aan een grote, lege tafel zodat hij een aantal boeken en aantekeningen open kan leggen.             Na z’n tweede sigaret en derde koffie gaat hij aan tafel zitten.

Hubert Grimmelt
57 1