Lezen

Tip

Stalkster

Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Zijn ruwe krullen, waarvan de aanraking nog nazindert op je wang, uit de tijd dat je nog keuze had. Alsof je die ooit had. Zijn wit linnen hemd onder zijn beige linnen kostuum, dat een gesofisticeerde authenticiteit uitstraalt zoals alleen hij die heeft. Het is een stijl waar niemand mee weg komt, behalve hij. Alsof het uitmaakt wat hij draagt.   Klik. Hij doceert in Antwerpen, Leuven, Brussel, Amsterdam, Parijs. Parijs, waar hij gedichten schreef in Boulevard Jourdan. Alsof je wist dat ik die las. Parijs, waar jij jezelf verloor in Musée d’Orsay. Toen er nog te ontdekken viel.   Zijn thuisbasis blijft Gent. Gent, waar alle opties nog open lagen. Waar je naar hem verlangde in je kamertje. Waar je jezelf overwon en naar hem toe stapte. Hem sprak, minutenlang. Op de trappen van Blandynberg. Op de harde houten stoelen in de Universiteitsstraat. In de met mozaïeken betegelde gangen van Ledeganck. Aan de schuifdeuren van de supermarkt in Overpoort.   Gent, waar hij zijn arm om je sloeg, een minuut lang. Waar zijn lippen een seconde bereikbaar leken. Waar hij naar je zwaaide vanaf de overkant van de straat. Waar je jezelf geen houding wist te geven. Je hoofd draaide. Waar hij je geruststelde. Zei dat je je niet hoefde te schamen.   Maar de schaamte bleef. Was sterker dan jezelf. Overheerste je. Overmande je. “Hier scheiden onze wegen,” zei je gekscherend. Maar ik interpreteerde het letterlijk. Zelfs nadat je me opbelde, met een smoes over de titel van je thesis. Zelfs nadat je mijn naam riep aan Dampoort station.   Klik. Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Druk zijn beeltenis af, bewaar ze in je portemonnee. Alsof hij altijd bij je is. Alsof het ooit anders zou uitdraaien.

het stille meisje
57 4

Weymouth - opdracht 8 Elisabeth Leysen

Hun huwelijksfeest was een feest met kerstbomen. Ze droeg een donkerbruine jurk, een dun wollen truitje en schoenen, bekleed met zijde. Ze was in de jurkenwinkel eerst naar wit gaan kijken, maar wit was niets voor haar, dat vond de verkoopster ook. Ze koos een jurk van Nicole Cadine. De jurken van Nicole Cadine deden haar denken aan de Russische romans die ze had gelezen toen ze nog studeerde en haar man had leren kennen. Haar man droeg een Palestijnse sjaal, bestudeerde Karl Marx en las El Pais. Dat vond ze heel indrukwekkend.   ***   Ze is een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar een jaar oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis van haar grootmoeder, waar ze woonden tot het nieuwe huis af was. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Binnen in het oude huis stond een grote kerstboom. De boom was een beetje kaal, maar dat was niet erg. Het was heerlijk stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Kort voor het kerstfeest kwam Sinterklaas. Soms gingen ze kijken naar het nieuwe huis met de grote tuin. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de hoge bergen zand die rond het huis lagen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden. In de zomer was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Aan het eind van de tuin lag een pad en een grote weide. In de weide woonde een ezel. De ezel kon heel luid balken. De ezel is misschien een beetje eenzaam, zei haar vader. Als je achter de tuin het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, tussen de eiken naast de grote den. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er altijd een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.   ***   Ze kon heel lang naar het donker kijken. Als ze maar lang genoeg keek, dan kwamen ze misschien, tante Martha en nonkel Marcel en nichtjes Conny en Maggy. Tante Martha was de jongste zus van haar moeder. Als tante Martha er was, werd iedereen vrolijk. Je kon haar in het hele huis horen praten en lachen. Tante Martha woonde in de Nieuwstraat, boven de supermarkt. Nonkel Marcel schilderde reclamepanelen. Hij schilderde dingen die je in de supermarkt kon kopen en schreef er dan in sierlijke cijfers de prijs bij. Toen ze haar eerste communie deed, had nonkel Marcel panelen geschilderd voor het feest, met de letters uit een liedje. Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag. Op een zondagavond in maart kwam een auto de oprit opgereden, maar het was niet die van tante Martha. Het was de auto van nonkel Roger, een van de broers van haar moeder en van tante Martha. Nonkel Roger maakte altijd grapjes. Nu maakte hij geen grapjes. Ze hoorde de grote mensen praten over gas in de badkamer en het roostertje in de deur dat was afgeplakt omdat het anders tochtte en hoe Conny was gaan kloppen op de badkamerdeur omdat nonkel Marcel zo lang in bad bleef en het was tijd om naar de mis te vertrekken. Op vrijdag werd nonkel Marcel begraven. Ze zag voor het eerst de andere oma van Conny en Maggy en de broer van nonkel Marcel. De broer van nonkel Marcel leek heel erg op nonkel Marcel. In de zomer huurde nonkel Roger een huis in Luxemburg, helemaal speciaal voor tante Martha en voor Conny en Maggy. Het was een groot huis, met genoeg plaats voor de hele familie. Vlakbij was een groot woud en als je daar ging wandelen als het donker was, dan kon je everzwijnen horen ritselen.   ***   Haar man groeide op in een huis zonder kerstbomen. Er moeten ooit wel kerstbomen zijn geweest, maar dan lang geleden. Voor een kerstboom moet je genoeg plaats hebben. Je moet opruimen en plaats maken. Er werd nauwelijks opgeruimd in het huis waar haar man opgroeide. Het was er dof en het rook er naar schimmel. Er was een kachel, maar die kon maar één kamer verwarmen. In de andere kamers was het koud en vochtig. Weinig plaats voor een mooi gedekte tafel en weinig plaats voor blije gesprekken. Ze hoorde vooral verwijten. En toch heeft haar man mooie verhalen verteld bij de uitvaart van zijn ouders. Hij vertelde over de tijd dat het huis nog glansde en over de tafel die zijn grootvader had gemaakt en waaraan de grote Camille Huysmans ooit had gezeten.   Ze kreeg vaak verwittigingen in het huis vol verwijten. Dat ze nooit een cent van hen zou krijgen. Ze hadden geërfd en dat had hen achterdochtig gemaakt. En dat ze nooit een goede vrouw zou zijn voor hun zoon, want daarvoor was ze veel te feministisch. Toen zij en haar man plannen maakten om te trouwen, werden de verwijten zo ondraaglijk, dat ze beslisten om te wachten. Het wachten heeft dertien jaar lang geduurd. Als ze haar man wilde zien, dan moest ze naar het grauwe huis. Daar deed ze heel erg haar best om te doen wat van haar werd verwacht. En toch liep het mis, soms. Dan had ze hen beledigd, vonden ze, en de dagen nadien werd haar man daarvoor gestraft. Haar vader begreep niet waarom ze zo lang wilde wachten op een man die duidelijk niet van haar hield. Als hij jou echt graag ziet, waarom wacht hij dan zo lang? Haar vader had moeten vechten om te kunnen trouwen met de liefde van zijn leven. Mijn grootmoeder verhuurde kamers aan studenten die voor ingenieur studeerden. Dàt zijn geschikte kandidaten, vond haar grootmoeder, niet die staalarbeider zonder centen en zonder diploma.   ***   Alfie von Heikenstein, zo heette ze. Alfie had een boekje met haar naam in. Zo’n boekje moet je hebben, zei haar vader, want anders ben je niet zeker dat ze niet meteen ziek zal worden en doodgaan. Ze hadden al eens een hond gekocht op de dierenmarkt, maar dat dier was heel erg ziek geworden en doodgegaan. Op een dag zijn ze Alfie gaan kopen, met de auto, bij een meneer in Nederland. De meneer woonde in een straat met allemaal dezelfde huizen en in de tuin had hij een groot hok met honden. Ze mochten kiezen uit twee honden, Alfie en Daisy. Ze kozen voor Alfie. Jullie mogen Alfie nu wel meenemen, zei de meneer, maar op zekere dag kom ik kijken of jullie wel goed voor Alfie zorgen. En als jullie niet goed voor Alfie hebben gezorgd, dan neem ik haar gewoon weer mee. Ze zorgden heel goed voor Alfie en toch heeft Alfie in het begin gehuild, elke nacht, drie weken aan een stuk. Alfie is wel groot, maar toch is ze nog heel klein, zei haar vader. Ze waren bang dat de buren boos zouden worden en zeggen dat het zo echt niet meer verder kon, maar dat hebben ze niet gedaan. Alfie woonde in een groot hok in de tuin. Dat hok was te klein voor mensen, maar als ze heel verdrietig was, dan kroop ze toch mee in het hok. Dat mocht van Alfie. Als ze op avontuur gingen, naar het water met het eilandje achter de Zandstraat, dan ging Alfie mee. Op zekere dag is Alfie heel erg ziek geworden en moest haar vader met Alfie naar de dierenarts. Toen haar vader terug was van de dierenarts, heeft hij heel lang bij het lege hok gezeten, tot het donker was. Na Alfie hebben ze nooit nog een hond gekocht, ook niet een hond met een boekje.   ***   Vijf jongemannen zitten aan een tafeltje met gekrulde poten en een marmeren blad. Op de vloer ligt een groot tapijt, achter hen is een muur met gestucte laurierkransen en zwanen. Er is veel licht in de kamer. De man in het midden zit achterstevoren op zijn stoel. In de ene hand houdt hij een sigaret, de andere hand raakt een stuk op het speelbord dat voor hem op het tafeltje ligt. De man rechts van hem houdt ook een stuk in de hand. De andere mannen kijken toe, een hand elegant ter hoogte van de kin, de andere hand losjes op een knie. Ze dragen een driedelig pak met witte stijve boord en een das. Hun haar ligt glad, met een zijscheiding en een golf. Op de achterkant van de foto ziet ze het handschrift van haar moeder. Hubert Caers, staat er. Dat is haar grootvader. En Afgestudeerden Normaalschool Lier? Haar grootvader was hoofdonderwijzer in de jongensschool aan de Rijnstraat. Het gezin Caers woonde in het huis bij de school. Meester Caers was een strenge meester. Als kinderen in de buurt niet gehoorzaamden, dan dreigden de ouders steevast dat ze naar meester Caers zouden worden gestuurd. Dat verhaal werd keer op keer verteld door haar moeder. En door haar vader, want die had nog in het zesde leerjaar gezeten bij meester Caers. Ze ziet de foto nu voor het eerst, ze heeft hem gevonden in een kast in de kamer waar haar vader is overleden. Dit is een foto van haar grootvader als een jongeman, die zelfbewust voor de camera speelt dat hij een gezelschapsspel speelt. Het valt haar op hoezeer haar nonkels op haar jonge grootvader lijken. Haar nonkels studeerden theologie, wiskunde en filosofie en spraken vreemde talen. Ze hielden van feestjes en van discussiëren, over gelijk wat, ze vonden alles interessant. Ze hielden van andere culturen en van snel rijden. Haar vader hield niet van andere culturen en van snel rijden, maar de nonkels deelden zijn passie voor fotografie en hebben hem geholpen met zijn nieuwe huis.   Ze had tot dan alleen de foto gezien die bij haar ouders in de woonkamer hing. Haar grootvader als een wat oudere, vermoeid uitziende man, met zijn vrouw en hun acht kinderen, op een zomerse zondag in de tuin. Hij is niet veel later overleden, haar moeder was nog maar zeventien. Ze had biologie willen studeren, maar daar was geen geld meer voor. Regentaat kon nog wel. Haar moeder nam haar en haar kleine broertje en zusje mee op tocht naar de bossen en paadjes achter de tuin, nog verder dan de ezel, en leerde hen de namen van alle bloemetjes en bomen. Op het einde van de zomer namen ze een emmertje mee en gingen ze op zoek naar braambessen. Thuis maakten ze confituur. Een hele muur vol. Haar vader had lange smalle planken bevestigd tegen de muur boven de keldertrap en daar vond je de potten met etiketten. Rabarber, pruim, aardbei, braambes, kweepeer.     ***   Het huwelijksfeest was in december, in een oranjerie, midden in een groot park. Binnen stonden overal kerstbomen. Haar man had een tekst voorgelezen die hij voor haar had geschreven. Hoe zij had gewacht tot hij weg durfde uit het grauwe huis. Na het feest zijn ze op reis gegaan, naar de plekken waar hij als kind was geweest met zijn ouders. Ze liepen langs de hele hoge palmboom en langs de grote boulevard waar zijn moeder had gekeven, zo hard dat de hele wereld het had kunnen horen. En ze liepen langs het parkje in de buurt waar zijn ouders een appartement hadden gehuurd en waar zijn vader hem Franse woordjes had geleerd uit een boekje. Haar man houdt van Franse woordjes uit een boekje.   ***   Toen de ouders van haar man nog leefden, kocht ze elk jaar twee kerstbomen. Een grote voor het huis met de hoge plafonds waar ze woonde met haar man en een kleine voor het grauwe huis. Voor een kleine kerstboom was nog nét plaats. Ze moest even aandringen, want de ouders van haar man vonden een kerstboom te veel gedoe, maar als de lichtjes werden aangestoken, dan gingen hun ogen heel even glinsteren. Het grauwe huis ging er heel even van glimmen. En de verwijten gingen er heel even van verstommen. In de plaats van de verwijten kwamen de verhalen, de wonderlijke verhalen over een voorvader die met duizenden schapen helemaal van Friesland naar zijn bruid in de Rupelstreek was gekomen. Of over de treinrit van zijn vader die krijgsgevangen was genomen en een brood had gekregen van Duitse soldaten. Of hoe haar man nog een kind was en aan de hand van zijn grootvader naar het winkeltje mocht.   ***   Er groeit mos tussen de kasseien naast het huis van haar vader. Dikke stukken mos. Ze herinnert zich hoe haar moeder op haar knieën onkruid van tussen de kasseien schraapte. Zeker zestig vierkante meter kasseien. Het had ook met een product gekund. Product in een spuitbus, sproeien, even wachten en klaar. Dat moet de buurman zeker gedacht hebben, toen hij met zijn fiets voorbij reed en mijn moeder met haar knieën op een kussentje zag zitten. De buurman had product en spuitbus klaar, maar hij zweeg, want hij wist dat het toch geen zin had. Haar ouders waren tegen producten. Haar vader zit voor het raam in de keuken. Vier maanden na de dood van haar moeder kreeg haar vader een herseninfarct. Precies op vaderdag. Ze hadden nog samen pannenkoeken gegeten en toen haar zus en zij alweer weg waren, kreeg hij het infarct. Ze hebben hem pas de volgende dag gevonden. De dokters hadden voorspeld dat hij nooit meer naar huis zou kunnen, maar na vier maanden revalideren mocht hij weer naar huis. Sindsdien zit hij voor het raam in de keuken en slaapt. Eerst dachten ze nog dat ze hem moesten aanmoedigen om te bewegen, dingen te doen, maar daar werd haar vader heel ongelukkig van. Alsof hij een luierik was. Als je veel slaapt, dan is dat omdat jouw lichaam dat nodig heeft, had de neurologe vriendelijk gezegd en dat was het einde van de aanmoedigingen. Als haar vader niet slaapt, kijkt hij naar de tuin. Ze vermoedt dat hij het wel erg vindt, van het mos, maar hij zegt dat het hem niet kan schelen. Ze steekt een filmrolletje in de camera. Haar vader kijkt toe. Het is zijn camera. Meer dan vijftig jaar geleden had hij de camera gekocht, het invoerbriefje met de stempel van de douane zit nog in de fototas. Haar hele kindertijd is vastgelegd met die camera. Haar vader en zij in de tuin van het oude huis. Haar vader had net een sneeuwman gemaakt. Verjaardagstaarten met kaarsjes en vergenoegde kindergezichtjes. Alfie in haar nieuwe hok. Haar kleine zusje doodsbang op de slee die veel te snel de berg afgleed. Haar kleine broer en zij met de mutsen die haar moeder had gebreid. Zij, het oudste kind, is nu fotograaf geworden. Er woont een haas in de tuin, zegt haar vader. Hij heeft waarschijnlijk zijn leger onder de berg takken in de boomgaard achterin de tuin. Het is stil buiten. In de verte hoort ze de geluiden die ze al hoorde als kind. Het opgewekte zingen van de vinken. Suskewiet! Grote landbouwmachines die nog heel veel willen doen voor het donker wordt. De slaapvlucht van de kauwen. Ze heeft niet alleen foto’s, maar ook al enkele filmpjes gemaakt. Er is niet zo heel veel te zien op de filmpjes, je ziet alleen wat takken bewegen in de wind, maar je hoort de geluiden. Mijn vader heeft de foto voor haar laten afdrukken die ze vijf jaar geleden van haar moeder heeft gemaakt. Ze kan niet naar de foto kijken zonder heel verdrietig te worden. Ze maakt liever foto’s en filmpjes van de tuin. In de foto’s en de filmpjes gaat niets weg en blijft alles zoals het was.    

Elisabeth Leysen
0 0

keer je om, Orpheus- tweede deel

Zijn tante vertelt Hij wil zijn vader beter begrijpen en gaat bij diens oudste zuster, die kloosterzuster is. Laten we in de tuin gaan wandelen om daarover te spreken, Hendrik. De andere zusters moeten dat niet horen. Ze zijn vaak zo nieuwsgierig. Wat is de tuin klein geworden, tante. We speelden verstoppertje achter die bomen daar. Ja, waar is de tijd. Ge waart nog klein. En nu zo een grote man, zoals uw vader. Ik vraag me soms af  hoe het voor mijn vader was toen hij besliste om me aan de deur te zetten. Als oudste zus waart ge een vertrouwenspersoon voor hem. Uw vader was niet zo een gemakkelijke mens. Hij had zijn principes. En hij wou een goede opvoeding geven. Tot uw verkering met Marleen waart ge zijn trots. Ge studeerde goed en hij droomde ervan dat ge hem zoudt opvolgen. Hij had zelfs met de stichter van een verzekeringsmaatschappij afgesproken dat ge in Londen financiële wetenschappen mocht studeren op hun kosten. Dan zal het hem wel zijn tegen gevallen dat ik geneeskunde ging studeren. Ikzelf had het gevoel dat ik voor de verkering met Marleen  een marionet was in zijn handen, te laf om voor mezelf op te komen Ze lopen intussen over het bruggetje dat over de vijver ligt. Ze blijven staan om naar de vissen te kijken. Het water is diepte en hoogte tegelijk. Een spiegel om in de tijd terug te kijken. Ik heb met hem gesproken in de tijd van de breuk tussen u beiden. Hendrik dit is zeer vertrouwelijk, hé. Ik wil onze François niet tekort doen. Dat is niet de bedoeling, tante. Ik wil hem beter kunnen begrijpen. Ze stappen verder. Uw beeld van een marionet, Hendrik, ik denk niet dat het voor uw vader klopt. Hij zag u als een sterke zoon, die in de sporen van zijn sterke vader zou stappen. Ik weet hoe goed hij het bedoelde, maar hij kon zijn affectie niet tonen. Hij was altijd de eerste om familie in nood te helpen. Materieel. Hij vertelde hoe vreselijk hij was teleurgesteld in u. Hij had nog maar pas gehoord dat ge verkeerde zonder dat hij iets wist. Hij had tranen in de ogen. Hendrik. Ik heb uw vader niet vaak zien wenen. Het was een harde. Maar in die periode heb ik hem zien wenen. Hij begreep niet wat er was misgelopen met zijn oudste zoon. Haar spreken spit bedolven herinneringen naar boven. Het boort dieper in nooit ontgonnen lagen. In de crisis kwam hij voor een dilemma te staan. Ik denk dat hij zich voelde als een kapitein wiens schip in groot gevaar was. Hij ervoer uw gedrag als een vorm van muiterij. De spanning en het verdriet waren onhoudbaar, ook voor uw moeder. En dus hakte hij de knoop door. Bijna als een chirurg die zijn eigen arm amputeert. Met zeer veel pijn en spijt. Beter dan mijn marionettenbeeld pakt uw beeld van een schip het geheel van wat er toen gebeurde. Misschien heb ik dat altijd wel ergens gevoeld. Ik heb ook nooit echt rancune naar va gevoeld. Ze lopen onder enkele grote beuken. Hij slaat met zijn hand op de grootste beuk. En de eik en de beuk staan niet in elkaars schaduw.Tante glimlacht. Dat is variante op een vers van Kahlil Gibran, Hendrik, dat wel goed past bij u en uw vader. Wat ik toch nog niet goed begrijp waarom verkeren zo een muiterij was, tante. Ik wil proberen dat nog duidelijker te maken. Het is een aantal stappen stil. Ge hebt hem toen een brief geschreven. Hij heeft me die laten lezen. Een zeer eerlijke brief. Ge waart nog jong en ge deed het zeer hard. Ge wilde hem niet kwetsen, maar het kwetste hem heel erg. Ze botst  op een harde kern. Het doet pijn. Hij zucht diep en knippert met zijn ogen. Het is goed dat ze rondlopen. Dat ze in beweging blijven. Hij wil haar niet onderbreken want het is kostbaar materiaal dat nu naar boven komt. Op een bepaalde manier hebt ge daar de vinger op enkele pijnlijke plekken gelegd. Zijn seksuele moraal speelde sterk mee. Voor hem was langer verkeren dan een jaar onmogelijk. Hij was overtuigd dat er dan seksuele betrekkingen van komen. Dat was voor het huwelijk ontoelaatbaar voor hem. Dat wou hij absoluut voorkomen.  Hij vond u daarom een slecht voorbeeld voor de andere kinderen. Ik kende vooral  zijn zorg om de studies. Ikzelf wilde meer vrij zijn om met Marleen onze liefde te kunnen beleven. Dat het seksuele zo erg meespeelde, wist ik niet. Of misschien wel. Het werd niet uitgesproken. Wat ik niet begrijp is waarom hij zo principieel was. Er waren meer ouders in die tijd bezorgd over de voorhuwelijkse betrekkingen van hun kinderen. Maar die zetten hun kinderen toch niet op straat? Misschien ligt een verklaring in zijn jeugdjaren. Dat zult gij als psychiater beter kunnen uitleggen dan ik. Mijn vader dat weet ge, had een grote zwakte. Hij had een zeer goed hart en was een harde werker, maar alcohol…Ze zwijgt even. Als het te moeilijk is om daarover te spreken, moet het niet, hé tante.Ze herpakt zich. Uw vader als oudste en ik als oudste meisje moesten onze vader vaak uit het café gaan halen. En ik denk dat het op uw vader als jongen een grotere indruk heeft gemaakt dan op mij als meisje. Zou dat kunnen, wat ik nu zeg? Mijn moeder hield  het huishouden recht. Bedoel je de invloed van het rolmodel dat uw vader was, die eerder afwezig was als autoriteitsfiguur en dat mijn vader dit absoluut anders en beter wou doen. Dat denk ik. De scherven die nu naar boven zijn gespit, lagen op de straten van een verborgen stad, begraven onder het puin van het verleden. Ze keren zwijgend naar het klooster terug voor een tas koffie en stukje taart. De zusters krijgen na het weekend  van een bevriende patissier altijd een aantal taarten die niet verkocht zijn.                                                                                   ++++++ Mijn vader was onzeker over zijn vader zijn. Hij had geen goed rolmodel gehad. Ook ik vond mijn model niet goed en wilde het beter doen. Slaan van de kinderen heb ik moeten afleren. Als ik te veel spanning voelde, liet ik het aan Lieve over om op te treden. Zo kon ik mijn onzekerheid camoufleren. Vader heeft zijn onzekerheid ontkend en houvast gezocht in strakke regels en harde discipline. Zijn God was een strenge, straffende God. De God die de mens verdreef uit het paradijs. Een noodzakelijk stap in de menswording.                                                                                   ++++++ De gedachten zijn vrij De tijd dat hij machteloos achter het venster stond te brullen is voorbij. Zijn vader stond toen buiten, in de garage zijn broer op te wachten. Vader had zijn broeksriem rond zijn hand gedraaid en zou zijn broer afranselen. Die was tegen de zin van zijn vader naar een voetbalmatch van zijn klas. Zijn broer reed met zijn fiets de weg op naar de garage. Hij zag zijn broer achter het venster staan, glimlachte en wuifde. Hij had vader nog niet gezien. Hendrik maakte nog gebaren om het zijn broer duidelijk te maken. Te laat. Niets kon de opgekropte woede nog tegenhouden. Met gebalde vuisten. Als kanonskogels vlogen de scheldwoorden eruit. Smeerlap. GROTE SMEERLAP. Steeds opnieuw werd het kanon geladen. Smeerlap. Smeerlap. Zo luid dat hij er hees van werd. Het venster en de afstand verhinderden dat vader hem kon horen.  Vandaag is hij op weg als reactie op een telefoontje van zijn zus.Hendrik, va heeft ons allemaal verboden om nog met u contact te hebben. Wat? En waarom? Hij zegt dat je communist bent. Je wist niet welk uur de mis was in Holsbeek. Hij wil nooit nog bij een van zijn kinderen blijven slapen. Het voorbije weekend zijn va en moe bij hem komen logeren. Het was zaterdag in de vooravond. Hendrik woont samen met Lieve op een boerderijtje. Pica, de hond blaft als de auto van zijn vader op het erf rijdt. Hendrik gaat naar buiten om hen te verwelkomen. Dag va. Ze geven elkaar een hand. Dag Hendrik. Hij geeft zijn moeder drie zoenen. Dag moeke. Jullie wonen op een heuse boerderij en ze wijst naar de stallen en naar de rondscharrelende kippen. Ze kijkt omhoog naar de til waar de duiven zitten te roekoeën. En zelfs duiven zoals je opa. Hij had de beste reisduiven van Dokkum.Zijn vader is op weg naar de tuin. Allee, ge gaat uw grootouders achterna. Hij bukt zich bij een pompoen. En wat is dat voor iets? En waarvoor dient dat stro tussen de bedden? Om niet te moeten schoffelen? Jong volk, lui volk. Kom laten we binnen gaan. Lieve heeft konijn klaargemaakt. Zelf gekweekt. ’t Is konijn op zijn Vlaams. Leuven Vlaams, lacht zijn vader. Aan tafel. Na de tomatensoep met balletjes, komt al snel de politiek binnenwaaien. Vader blaast de eerste windstoot. Israël heeft dat weer goed aangepakt. Wil hij nu een confrontatie met mijn nieuwe politieke visie? Wat wilt ge zeggen, va?Volgt ge dan ’t nieuws niet? Ze hebben korte metten gemaakt met die vliegtuigkaping, ergens in Afrika.Ja, maar Israël heeft op illegale wijze massa’s Palestijnen verjaagd en die willen zich daartegen verzetten. Tijd voor het konijn! Lieve begint de soepborden af te ruimen. Het is wel Israël dat van de woestijn vruchtbare grond gemaakt heeft. Hij wil weer het laatste woord, godverdomme. Hendrik ademt diep in. De tegenwind komt eraan. Die wind zaait, zal storm oogsten.Ik versta niet dat de joden die zoveel ellende hebben gekend, nu hetzelfde doen. Een tijd geleden hebben ze nog met scherp geschoten op vreedzame betogers. Ik weet niet hoeveel doden. Die Arabieren die er woonden leefden in armoede omdat ze niets met het land deden. Ze kunnen er nu mee van profiteren, als ze willen. François, ga je nu ophouden met die discussies. Proef liever hoe lekker Lieve gekookt heeft. Moeder legt de wind stil.Ja, dat is waar. Vader steekt nog een stuk sappig bruin vlees in zijn mond. De saus drupt van zijn lip. Na het eten, in de zithoek.Hendrik, om wat uur is de Mis morgen? Even valt de stilte als een rotsblok uit de ruimte in het midden van de kamer. Een schokgolf. Brokstukken vliegen in het rond, door het hoofd van Hendrik. Het ontbreekt hem aan tijd of inspiratie om een stuk ruwe steen wat te polijsten of er iets creatiefs in uit te kappen.Dat weet ik het niet, va. Hoopt hij hiermee de zaak te sluiten?Lieve, wanneer zijn de missen in Holsbeek? Lieve is intussen voorbereid. Als we naar de mis gaan, is dat in de universitaire parochie in Leuven. Dat is om 10u30. Prachtig gevonden. Daar gaat hij toch niet naartoe, naar iets van de studenten. Thuis gekomen, sprak vader zijn fatwa uit. Na het telefoontje van zijn zus. Hoe durft hij. Met welk recht. De smeerlap. Plots staat hij weer achter het venster te roepen. 15 jaar oud. En dan staat hij op een kussen te kloppen. Een therapeut moedigt hem aan. Hij is in het psychodrama van zijn kindertijd terecht gekomen. Hij slaat vanuit zijn machteloze woede van vele jaren. Hij schreeuwt zoals toen. Maar nu met open venster. Een tegenspeler geeft tegenwind. Ge zult luisteren. Ik ben uw vader. Ge zijt nog een snotjong. De wind wordt een orkaan die alles door elkaar gooit, de lucht inslingert. Kort maar hevig. De orkaan verliest kracht. De wind verzwakt en valt stil. Al wat rondvloog, valt naar beneden en vindt een nieuwe plaats op de grond van zijn ziel. Nadien staat hij voor een lege stoel. Hij spreekt op een rustige manier tegen zijn vader en zegt dat hij nu geen snotjong meer is. Dat hij vanaf nu zijn eigen leven leidt. Hij neemt de telefoon en belt zijn vader.Va, ik wil eens afkomen om met u te spreken. Dat is goed jongen. Dan kom ik nu af. Hij gaat naar zijn boekenkast en bladert door enkele boeken over omgaan met agressie. Geen angst voor agressie. Woede helpt! Hou op! Je maakt met gek. De prijs voor de verdringing van agressie. Ik ben OK- Jij bent OK.Bij zijn platen valt zijn aandacht op Oh freedom, oh freedom. Hij leest de tekst en neuriet mee. And before I ‘ ll be a slave, I ‘ ll be buried in my grave, and go home to my lord and be free. Hij zingt het intussen luidop. AND BE FREE. Hij wil proberen duidelijk te zijn maar rustig te blijven. In de autorit blijft het lied zich opdringen. Oh freedom, oh freedom over me…and be free. Er voegen zich nog enkele andere liederen in de optocht. Leuven Vlaams stapt mee op. Er komen andere tijden. En we shall overcome. We walk hand in hand. We are not afraid.Hij glimlacht. Hij voelt zich solidair met alle onderdrukten. Eeuwenlang. Vast besloten om daar nu een stap in te zetten. De god die zijn kwaadheid blokkeerde, is dood. Kwaadheid over onrecht bevrijdt. Die Gedachten sind frei. Bij zijn vader. Vader ligt helemaal achteruit in zijn relaxzetel, de voeten op de kachel. Hij geeft hem de hand. Hij zet zich aan de andere kant van de tafel. Op veilige afstand.Va, ik ben daar niet mee akkoord dat mijn broers en zussen geen contact met mij mogen hebben. Ge weet wel waarom. Het begin van wat pingpong.Ik heb dat gehoord. Ge zijt een slecht voorbeeld. Het pingpongballetje wordt zwaarder.Wie geeft hier het slechte voorbeeld! Ge hebt dat recht niet! Ik ben hier nog altijd de baas. Een dictator, ja. Komt ge daarvoor?Hij zit hier niet voor een lege stoel. Het pingpongballetje wordt een steen; een ongepolijste. En de steen wordt… Ineens grijpt hij in zijn colère de schaar op tafel en gooit ze naar zijn vader. In een laatste reflex trekt iets of iemand zijn arm naar beneden. De schaar ploft in het midden van de kamer op het zachte vloerkleed. Zonder veel lawaai, in de vorm van een kruis. Oef. Terug in de auto, bedankt hij God. Een klein jaar later wordt Bram, zijn eerste zoon geboren. Ze gaan hem voor het eerst bij zijn ouders voorstellen. De kersverse oma, nonkels en tantes komen rond zijn draagmand staan. Wat een mooi kereltje. En een grote. Hij trekt op zijn vader. Neen, op zijn moeder. De nieuwe opa komt ook kijken. Va, zoudt gij graag peter willen zijn. Ja, jongen natuurlijk.De zachte wind door de kamer is een zucht van verlichting. Na al de spanningen van de voorbije tijd. Het is de eerste keer dat ik peter word. Dat moeten we vieren. Hij gaat naar de kelder en komt met een fles wijn naar boven. Daar moeten we op klinken. En hij is op dezelfde dag als ik geboren, roept een jonge oom. Op een familiefeest 15 jaar later. Bram draagt zijn haar in een paardenstaart. Op wat trekt dat nu. Als ge mijn zoon zoudt zijn, zoudt ge er zo niet bij lopen. Bram loopt in een wijde boog van zijn opa weg. Hendrik stelt zich recht en richt zich met duidelijke stem tot zijn vader.Va, Bram dat is mijne zoon en ge moet u daar niet mee bemoeien. Hij kijkt hem recht in de ogen. Even valt alles stil. Dan zet iemand een nieuw lied in en iedereen zingt mee.                                                                              ++++++Ik rijd met de fiets naar het werk. Lieve heeft daarnet bij het ontbijt gezegd dat ik er weer zo gespannen uitzie. Het ergerde me. Vooral dat woordje weer. Maar ze heeft godverdomme gelijk. Ik voel mijn nek en schouders. Een blok steen. Een rotsblok. Gebogen over mijn stuur trap ik stevig door. Ik zie niets. Blind voor de bloeiende Japanse kerselaars en de blauwe lucht, zie ik alleen wat er allemaal misloopt in de wereld. Niets hoor ik, doof voor de zangwedstrijd tussen merels. Ik hoor alleen mijn vloeken. Job die jammert: weg met de dag waarop ik werd geboren. Steeds stormachtiger worden de stromen van woorden. De zware steen op mijn schouders steeds onverdraaglijker. Ik wil niet langer als Sisyphus de rotsblok blijven naar boven duwen. Zo wil ik niet leven. Ik wil het niet. Het klinkt steeds luider. Lieve lijdt er ook onder. Waarom? Verzet. Protest. Maar tegen wie? De druk neemt toe. Een draaikolk trekt hem de diepte in. Het barst. Godverdomme, God. Laat mij met rust. Gij met al uw geboden en verboden. Met al uw verwachtingen. Ik kan de wereld niet redden. Godverdomme. Laat me los. Ik kom in een holle weg steil omhoog en schakel naar een lagere versnelling. In de schaduw van de bomen die de weg overdekken sleur ik mij de berg op. Ik vloek. Laat me los! Ik kan niet meer. Ik wil niet meer. De mond wijd open. Het zweet barst uit al mijn poriën. Binnenin slingert een orkaan alle heilige huisjes de lucht in. Hijgend, buiten adem kom ik boven. Ik schakel weer en kijk rond. Ik kom in een andere wereld. Mijn ogen gaan wijd open. Ik stop met trappen en laat mij uitbollen. Een uitgestrekte vlakte met velden en wijngaarden heet me welkom. Kraaien en eksters. En het lied van de merels. Mijn oren gaan open. Mijn adem wordt rustig. De zachte warmte van de zon. Hier hoeft niets. Tranen van vreugde om een herwonnen paradijs. Mijn nek en schouders vrij, dank ik God voor Zijn genade.                                                                            ++++++ Het lied van Oem. Hendrik loopt langs zijn boekenkast. Of liever zijn boekenkasten. De boeken trekken een spoor door zijn leven. Op sommige ligt stof. Alleen op de wereld. Bijbelatlas voor kinderen. Sprookjes van Grimm. Hij slentert langs die lang vervlogen kinderlijke paden. Op zoek naar…ja, naar wat? Een schab met enkele boeken van Marleen. Een glimlach. Maar hij loopt verder en komt op het pad van de sjamaan. Dik bezaaid met boeken, vol beelden van de sjamaan. Wat bezielt de sjamaan?  Het blijft een goede vraag. Maar plots struikelt hij over essai sur la transe. Dit is wel het eerste, denkt hij luidop. Je ontdekt nieuwe dingen door verloren te lopen en te struikelen. Wat hier als psychisch ziek wordt bestempeld, wordt in Afrika als de roeping van een nieuwe sjamaan gezien. Och. Carlos Castaneda. Een hele reeks. Wat heeft hij die verslonden. Zijn hart slaat een paar slagen sneller. Hij kan de verleiding niet weerstaan om enkele titels te lezen. Tales of power. De blik van de adelaar. The fire from within. En die psychedelische beelden op de omslagen! Onder een grote regenboog, één oog in het gerimpeld gelaat van een man dat door je lijkt heen te zien, omgeven door wolken en bloemen. Echt Salvador Dalí waardig. Hij maakt zich los. Hij voelt opnieuw in de opwinding van zijn lijf hoe aantrekkelijk deze weg is geweest en nog lijkt te zijn. Het verrast hem. Maar hij is definitief andere wegen ingeslagen. Hij steekt Castaneda terug op zijn plaats en schuift verder in de geschiedenis. De tijd van rondvliegen in de parapsychologie. Jammer dat ik niet in elk boek de datum heb geschreven wanneer ik het heb gekocht, denkt de autobiograaf anno 2017. Tenhaeff. Hendrik Van Praag. Professoren parapsychologie aan de universiteit van Utrecht.  Hans Bender prof in Duitsland. Hij zocht  een wetenschappelijk verantwoorde manier om hiermee bezig te zijn en wilde voorkomen om te gaan zweven in het luchtledige. Hij schudt het grijze hoofd. Sommige mensen leken over uitzonderlijke gaven te beschikken. Ene Croiset hielp door zijn helderziendheid onopgehelderde moordzaken oplossen. Hij kon voorspellen op welke stoel iemand zou gaan zitten. Alles onder strikt wetenschappelijk toezicht van een professor. Later bleek het enorme manipulatie. Was de prof verblind door zijn wetenschappelijke ambities? Maar zijn we dat niet allemaal? Poltergeisten. Nog zo iets. Hij doet het boek toe. Hier voelt hij niet langer de aantrekkingskracht van. Na het overgaan van Marleen was dat anders. Er leefde een onuitroeibaar geloof in hem dat als het mogelijk was om met geesten van overledenen te communiceren, hij dat zeker met Marleen zou kunnen. Daar stond hun liefde garant voor. Dat was zijn ambitie. Hij draait zich om en ziet zijn sjamanentrom staan. Hij glimlacht. Als hij op zijn kussen zit en begint te trommen en te zingen, vliegt hij door ruimte en tijd naar de voordeur van zijn leermeester. Hij belt aan. Het is een onopvallend huis in de rij. De deur gaat open en een vriendelijke vrouw heet hem welkom. Hij is verwacht. Achter haar verschijnt de man die hij een paar maand geleden heeft ontmoet. Een jonge zestiger. Lange grijze haren en een lange baard. Een paars, loshangend hemd en een wijde linnen pofbroek, gebroken wit. Een gezicht dat hij niet goed kan lezen. Volg me maar en kom mee naar boven, naar de tempel. Het klinkt als de kerkklok van zijn dorp. Een gewijde stilte in het kraken van de treden. Hij volgt hem op de smalle, steile trap. Door duisternis naar schemering. De tempel. Overal beelden en muziekinstrumenten. Trommen, rammelaars, sitars, triangels, gongs. De sjamaan wijst hem een kussentje waar hij mag gaan zitten. De leermeester zet zich tegenover hem, in kleermakerszit, achter een reeks klankschalen waar hij op begint te tokkelen. Wat ik kom doen? De trillingen van de schalen zegenen de ruimte zoals vroeger de rondvliegende stralen wijwater van de kwast van de pastoor de kerk zuiverden.Tijdens een studiereis in Malawi was ik te gast in het genezersdorp van Mluala. Daar ben ik als psychiater geïnteresseerd geraakt in de helende kracht van de trom.Hij bromt goedkeurend: Dat heb ik hier nog niet in mijn tempel gehad, ne psychiater. Hij neemt zijn trom. Een grote, platte trom met langs één kant een dierenvel beschilderd met allerlei symbolen. In het centrum van de trom staat een bruin rood hart. Het is tegelijk de kop en het lijf van een vogel wiens kleurrijke vleugels de hoogte ingaan. Op de rug van die hartvogel, een witte vredesduif, een blauwe maansikkel en een grote gele zon. De hartvogel staat met stevige poten in groene grond en op een hertenkop met een enorm gewei waarvan de vingers hoog de lucht ingaan. Hij klopt een vrij snel, eentonig ritme en zingt met een lang gerekte éé-klank. Het gaat op en neer, trager en sneller. Éééé. Soms klinkt iets van het gregoriaanse kyrie mee. Op zijn kussen laat Hendrik alles over zich komen en wacht af. Zijn ogen gaan dicht. Hij is terug in Malawi.  Een jaar geleden. Hij zit op een stoel samen met zijn collega in de grootste hut van het dorp. Ze zijn de enige blanken. De enige mensen die een stoel krijgen. In de hoek links van hen staan de drummers die er lustig op los trommen. Mluala gaat langs de zieken die in de half duistere hut verspreid op de grond zitten. Vlakbij de trommelaars is een soort dansvloer. Een paar vrouwen dansen. Op blote voeten. Hoe Afrikaanse vrouwen met de heupen wiegen. Hun kleurige kleren draaien rond. Ze dragen belletjes rond hun middel en rond de enkels en polsen. Ze genieten er duidelijk van om die te doen rinkelen. Ze schudden met hun billen, stampen met  hun voeten en draaien met hun armen door de lucht. Er wordt een man binnengebracht. Hij is ontmaskerd als heks in een conflict tussen buren en zal nu worden bevrijd. Hij draagt een bruine broek waarvan de pijpen tot op de knieën zijn opgestroopt. Een wit hemd. De vrouwen binden gewichten rond zijn middel. Hij krijgt ook belletjes om. Zijn gezicht is gespannen. Zware groeven in zijn zwarte huid. Zweetdruppels. Is er angst in zijn ogen te zien? Zijn dans begint erg houterig. De drummers versnellen hun ritme. Hij danst steeds sneller. De vrouwen wisselen elkaar af. Hij moet voort dansen. Plots wordt er geroepen. Trek zijn broek af. Hendrik krijgt een schok door zijn lijf. Na een kwartier, zet hij zijn trom naast zich neer en begint opnieuw op de klankschalen te tokkelen. Ik ben een scha maan en mijn artiestennaam is Shiva-Dji, zegt  hij met enige zelfspot. En welke vragen hebt ge voor mij als psychiater? Een lichte twinkeling in zijn ogen. In de psychiatrie zegt men dat emoties moeten verwoord worden, is het niet? Wel in het sjamanisme zegt men dat emoties moeten verklankt worden, dat is veel ouder dan het gebruik van woorden. Daarom werkt het veel sterker. Een eerste les in sjamanisme.Kwam ik in een soort trance en wat is het verschil met hypnose? vraagt Hendrik.Hypnose dringt zich op aan de patiënt. Hier gebeurt het vanzelf. In de ruimte tussen de klanken klinkt de waarheid.Dan stopt Shiva-Dji hem  een trom in de hand en hij zingt met hem mee. Een jaar later wijdt hij Hendrik in. Hij stopt een rituele schedel in zijn handen en vraagt wat hij voelt. Hendrik betast het ding maar er komt geen leven in. Tot de sjamaan begint te trommen en te zingen. Hij komt in het oude Egypte terecht. In een boom zit een gebochelde man die de voorbijgangers gadeslaat.Dat is uw beschermgeest. Hij zal u begeleiden op uw sjamanistische reizen. Door veel te zingen zult ge een eigen lied ontwikkelen, helemaal anders dan het mijne. Ge kunt ook zielen van overledenen helpen om los te komen van hun aardse banden. Wat moet ik me daarbij voorstellen? Het zal zich op uw weg voordoen, en ge zult weten wat ge moet doen.Een laatste waarschuwing. Als een sjamaan wordt ingewijd, grijpen er in zijn leven soms grote veranderingen plaats. Ik zeg u dat zodat ge niet verrast zult zijn. Dat zou Hendrik twee weken later zelf ondervinden. Tien jaar later. Maar laten we nu eerst tien jaar verder reizen. Vader is net gestorven. Hendrik is de voorbije nacht in zijn ouderlijk huis blijven slapen, zodat moeder niet alleen zou zijn. Vader ligt opgebaard in de voorste kamer. Mag ik wat trommen en zingen bij va? vraagt hij voorzichtig. Natuurlijk, jongen, doe maar, het is je vader.Hij zet zich aan de linker kant van het bed. De stilte is volkomen wit. Hij neemt zijn trom. Hij is door Shiva-Dji beschilderd met dezelfde motieven als de zijne. Met zijn linkerhand houdt hij de trom vast en met zijn rechter beroert hij zacht het strak gespannen vel. Trage, ritmische cirkels imiteren het ruisen van de zee. Een meeuw die meedrijft op de golven van het water. Tot hij zijn trommelstok neemt. Met een matige kracht, beaufort vier laat hij het hertenvel trillen. De meeuw vliegt op en duikt in de diepte. De witte stilte wordt doorbroken. De golven volgen elkaar op. Ze kleuren de hele ruimte. Zijn lied wordt het lied van OEM, een lang gerekt OE oe OE oe MMM. OE oe OE M M M. De beaufort gaat op en neer. Moeder komt erbij zitten. Rechts van haar man. Het verhaal van oem duikt verder de geschiedenis in, dieper in de emotionele zee. Het is mooi, zing maar verder als je wil. De broers en zussen komen binnen en zetten zich rond het bed. Over een half uur komt de begrafenisondernemer. Het hele gezin is volledig. Samen met hun moeder zijn de negen kinderen verzameld rond het dode lichaam. De lucht ademt hun geschiedenis. De ruimte tussen de klanken zuigt de emoties uit hun ingewanden. Gesnotter. Gebalde vuisten. Ontspannen. OE oe OE oe M M M. OE oe Oe oe M M M. Een beeld duikt op en vader verschijnt. Hij gaat zwijgend een berg op. Het is een zonnige dag. Er is weinig begroeiing in het dorre landschap. De weg wordt rotsachtig en kronkelt omhoog. Hij nadert de top en draait zich om. Hij wuift. Hij komt op de kim. Een laatste keer keert hij zich om. Ga maar verder vader, ga maar. Hij daalt af naar waar we hem niet meer kunnen volgen. Het lied van oem gaat verder. De begrafenisondernemer belt aan. Het zingen en trommen gaat door. Tot op de straat. De begrafenisauto rijdt weg. Buren komen kijken. De trom gaat naar binnen. Hij klinkt zachter. Bij het lege bed wordt de trommelstok vervangen door de hand die ritmisch over het hertenvel glijdt. Het geluid van de aanrollende golven van de zee, het geluid van de wind. De wind gaat liggen. De stilte neemt nu alle ruimte. De leegte. Het Niets. Niemand die iets zegt. In    de    L  E  E  G  T  E    tussen    de    klanken,    weerklinkt    de     waarheid. Heeft iemand zin in een tas koffie? brengt hen allen terug van de lege bergtop. Ze omhelzen elkaar. Zonder woorden worden spanningen vergeten. Ze waren altijd een gezin waar veel gezongen werd.                                                                                 ++++++ Ik droom.…tot we plots kop tegen kop staan de armen met wapens in de hand zakken langzaam en ontspannen heel langzaam ontwapen ik ik heb u uitgedaagd vader Ja, daarom ben je ook mijn zoon          aarzelend nog, twijfelend of ik hem wel mag vertrouwen vallen de wapens op de grond      ook die van hem Ook ik heb je uitgedaagd, zoon ja, vader, daarom ben je ook mijn vader kop aan kop blijven we lang genoeg staan om helemaal te ontspannen en de kracht en de waarde van de ander dankbaar te erkennen kop tegen kop                                                                                               ++++++                                   Keer je om! Hij trekt zijn stapschoenen aan en zet zijn groen petje op als bescherming tegen de zon. In zijn bruin lederen rugzakje uit Tunesië steekt hij zijn schrijfblok en een boek. Zijn twee wandelstokken zijn vaste gezellen sinds hij de camino naar Compostela liep. De vogels fluiten. Hij kijkt rond op de straat en ziet dat hij alleen is. Hij begint ook te fluiten. Hij komt in een veldweg en stapt op de brug over de wingebeek.Orpheus liet de hele natuur meezingen met zijn lied. Hij komt in een donkere holle weg. Hier komt minder zonlicht en hij moet zijn weg zoeken tussen de modder. Op depressieve momenten is hij vaak langs hier afgezakt. Naar een bank op het einde van dit donkere pad.Na de dood van zijn geliefde daalde Orpheus af naar de onderwereld. Hij zocht steeds hoe zijn depressiviteit te verbinden met God. Lectuur, schrijven en mediteren waren de ladders om omhoog te klimmen. Of was het om af te dalen in de diepte? Het boek dat hij laatst bij zich had, was De hemel begint in jezelf. Dan moesten de ladders helemaal niet groot zijn. Hij wil vandaag mediteren bij zijn geliefde Marleen.Orpheus zoekt de goden op. Hij wil zijn geliefde Eurydice zien.Op zijn bank begint hij te mediteren. Op het ritme van zijn ademhaling zegt hij als mantra de lettergrepen van het woord Maranatha, het Aramese woord voor Kom, Heer, Kom. De laatste tijd is hij diep in zijn verleden afgedaald. Hij heeft al de brieven gelezen die ze elkaar hebben geschreven en hun beider dagboeken uit die tijd. Enkele weken geleden liep hij in een beukenbos tussen enorme beuken die de ruimte vormden waar zijn verloren ziel in kon rondvliegen. Hij begon erbarmelijk te wenen. Hartverscheurend. Uit de diepte van het graf. En tegelijk riep een andere stem Het mag. Het mag. Naarmate hij harder huilde. HET MAG HET MAG HET MAG. Hij werd er helemaal rustig van. Hij heeft altijd gezocht naar de alchemie van dit proces. De formule blijft hem een geheim.Orpheus zingt zijn treurigste lied en overtuigt de goden dat hij niet geïnteresseerd is in de kwellingen in de onderwereld: Sisyphus, Tantalus, Prometheus, die de goden hebben uitgedaagd. Dat het enkel om zijn geliefde gaat. Ma ra na tha. Ma ra  na tha. Op weg naar de stilte duiken kwelgeesten op. Ben ik haar toch niet ontrouw geweest? Verdriet en schuldgevoelens. Hij stuurt er warmte naartoe. Dat is gemakkelijk om warmte te sturen. Je zou haar eeuwig liefhebben en hoe vaak denk je aan haar? Hij verzet zich op de bank en herneemt zijn maranatha. Ma ra na tha. Plots begint hij te wenen. Hij klemt zich vast aan zijn mantra en laat de tranen en de snikken hun weg zoeken. Ma ra na tha. Zijn adem wordt weer rustiger. Hij daalt dieper af en daar is ze! Zijn Marleen. Een warmte stroomt door zijn maranatha. De liefde!Orpheus overtuigt de goden van zijn grote liefde en Hij mag zijn Eurydice meenemen. Maar ze spannen ook een val.Maranatha. Marleentje. Ma ra na tha. Haar beeld wordt vager en tegelijk vervuld van licht. Licht in de vorm van een mandorla. Het schittert. Eén groot licht. Er klinkt een stem. Het is haar stem.Liefste, staar je niet blind op het licht dat ik voor je ben. Keer je om en ik zal jouw weg verlichten. Ga naar de wereld om te getuigen van onze liefde. We zijn toch geen mossel waarvan de twee schelpen aan elkaar geklonken zijn met in het midden het vruchtvlees van hun liefde? Keer je om en ga!Maranathamaranathamaranatha. Zijn adem versnelt. Dat beeld van een mossel. Plots verschijnt er een glimlach. Ze heeft nog steeds haar humor. Ma ra na tha herneemt haar rustige ritme op weg naar een diepe stilte. Daar zwijgen de demonen in zijn hoofd. Vol vrede, voorbij de onderwereld van Orpheus. Gedachteloos in het grote Niets, waar geen goden kunnen komen. Even toch, in het korte moment dat de alchemie werkt. Orpheus verliest zijn Eurydice een tweede keer en definitief. Hij wil niet meer verder leven. Hij wijst het leven af en wordt vermoord door de kansen die zich aanbieden.Ma ra na tha.  Zijn meditatiewoord dringt weer helder door. Op het ritme van zijn in- en uitademen. Een vogel roept hem uit de diepte naar boven. Hij knippert met de ogen. Hij zit intussen in de zon. Hij staat op. Daar is dat schitterende licht waarin Marleen veranderde. Hij glimlacht. Alles begint in hem te zingen terwijl hij terugkeert naar de bewoonde wereld. Kom zing een vredeslied en leer het aan je broeder. Ja, zing een vredeslied, zoek in elkaar het goede.Hij springt over de plassen, niet bang voor de modder. En ineens moet hij aan die mossel denken. Hij lacht. Misschien moet ik wel eerst voldoende gekookt zijn, voordat de mensen kunnen genieten van het lekkere mosselvlees. Hij zingt verder. Sluit vriendschap voor het leven, strooi liefde om je heen. Eén van de liederen in hun huwelijksmis.15 mei 2018. Hendrik Van Moorter          

Hendrik Van Moorter
52 0

Wat niet weet, niet deert deel 2

Regelmatig moet ze even gaan liggen. In de kostbare uren die ons nog resten halen we herinneringen op over ons gezamenlijk en over ons gescheiden leven.   We staan versteld van het gelijklopende traject dat we later doorlopen hebben, in dat leven zonder elkaar. We begrijpen niet wat er in elk van ons gevaren is dat we dit allebei, los van elkaar, aangevat en doorgezet hebben. ‘Waar haalden we opeens die ambitie, dat doorzettingsvermogen?’, vragen we ons af, ‘Waar kwam opeens die levensdrift vandaan?’   We kijken naar de twee levenloze meisjes in die donkere kelderkamer die alleen maar wilden slapen en verdwijnen. Nu pas kunnen we uitspreken wat we al die tijd van elkaar wisten. Hoe verloren we ons voelden, hoe slecht we ons konden aanpassen, hoe angstig en onzeker we waren. We praten over onze moeder. ‘Ze vroeg nooit hoe het met ons ging in Gent’, zegt mijn zus, ‘Zelfs nu kan ze zich er niet toe brengen om te informeren hoe het met me gaat’, zucht ze. Dansen bleek mijn zus haar natuur en werd haar passie. Beetje bij beetje moet ze loslaten wat ze beetje bij beetje opgebouwd heeft, haar dansschool. Ook als ze uitgenodigd wordt, komt mijn moeder niet kijken naar haar dansende dochter. Opnieuw een dochter die de onuitgesproken gedragscode ‘onopvallend op de achtergrond blijven’ doorbreekt. Daar wil mijn moeder geen getuige van zijn. Wat niet weet, niet deert.    Mijn huwelijk Mijn huwelijk is een schuilplaats waar ik me onopvallend op de achtergrond kan houden, maar de controle op mijn middenrif verzwakt. Ik heb drie kinderen. Ik probeer de moeder te zijn die mijn moeder niet was. Voor het eerst lees ik niet de boeken uit de uitgebreide bibliotheek van mijn man. In de openbare bibliotheek ontdek ik andere boeken. Over opvoeding. Ik lees ze gretig maar ze brengen ook onrust. Over mijn eigen verleden. Wat altijd vanzelfsprekend was, is het niet meer. Het drama van het begaafde kind.*   * Het drama van het begaafde kind. Alice Miller   Ik sta in de woonkamer van ons hoge herenhuis. Ik kijk naar buiten. Groepjes studenten in het stadspark lopen af en aan. Gelach, gebabbel, fietsgerinkel, leven. Het voelt alsof ik van hen gescheiden ben door een dikke glaswand. Mijn handen en voeten zijn geboeid. Ik begin te beseffen dat ik door de glaswand moet breken en dat ik mij moet bevrijden van de boeien. Ik heb geen idee hoe en of me dat ooit zal lukken. Het liefst zou ik op bed liggen en door het raam staren, net als mijn vader. En wachten tot het allemaal overgaat.   In het programma ‘De wandeling’ * zegt schrijfster, Yvonne Keuls tegen de interviewer, Joris Linssen : “Een van onze grootste opdrachten is onze eigen natuur volgen’. Ze lopen in een park waar ze een boom zoekt die ze tien jaar geleden gered heeft. Werkmannen stonden op het punt om hem om te hakken. ‘Geef hem een kans’, overtuigde ze hen, ‘Hij doet zo zo’n best.’ Met zichtbaar genoegen kijkt Yvonne Keuls naar het boompje dat nu een boom geworden is. ‘Kijk, hoe hij aan zijn natuur beantwoordt’. Ze spreidt haar armen wijd uit en staat daar even met open armen te stralen naast de boom, met zijn takken wijd gespreid.   * NCRV programma ‘De Wandeling’ 30 december 2017   Ik ben dertig jaar en mijlenver verwijderd van mijn natuur. Er zijn steeds meer momenten dat dit besef doorbreekt.   Op een avond kom ik samen met mijn man terug van een concert. We zaten tussen mensen die hun natuur volgden en er plezier aan beleefden. Dit besef is als een gifpijl binnen gekomen. Op het voetpad ga ik door de knieën. Ik kan en wil geen stap meer verder. Ik wil hier ter plekke doodgaan. Ik sla mijn hoofd tegen de trottoirtegels. Vanuit mijn middenrif komt een diep verdriet omhoog. De schaamte achteraf zorgt dat ik het terug probeer in het slikken. Het lukt me steeds minder goed om het allemaal weggeslikt te krijgen.   Er begint iets te veranderen. Ik droom dat ik me samen met mijn man in een grote ruimte bevind. Ik neem slechts een klein hoekje van de ruimte in. Het is vanzelfsprekend dat de rest van de ruimte hem toebehoort.  In mijn droom kom ik in opstand. Het duurt nog even voor ik dat in het werkelijke leven ook doe. De incidenten zijn niet sterk genoeg om me uit de oude doctrine los te rukken. Daar is een aardschok voor nodig.   Vakantie in Zuid-Engeland Het is zachtjes beginnen regenen. We kwamen aan met regen. We vertrekken opnieuw met regen. Daar tussen liggen, als een oase, veertien zonnige dagen. Mike zwaait ons uit. We blijven elkaar aankijken tot hij een wazige vlek geworden is. We zullen elkaar nooit meer terugzien. Hij weet het niet, en ik begrijp ook niet hoe hij het gedaan heeft, maar hij heeft bewerkstelligd waar ik zelf niet toe in staat was. Hij heeft me bevrijd van de demonen die mijn leven tot een hel maakten.   Nooit was ik er meer aan toe om even weg te zijn uit de vertrouwde omgeving. ‘Away from everything’ staat er in de aankondiging van het vakantiehuisje dat we, in het begin van de zomer, met het hele gezin huren. Everything is de man die mijn leven binnengedrongen is.   ‘Let it please be him oh dear God it must be him, it must be him,or I shall die’’   zingt Vikki Carr gepassioneerd en ik met haar, terwijl ik tegelijk bid en smeek om me te verlossen van deze gesel, van de onweerstaanbare drang om bij deze man te zijn, door hem bemind te worden. Mijn verstand weet dat het een verloren zaak is. Ik wil mijn veilige haven niet in gevaar brengen voor een man die enkel wil spelen, een man die ik even begeerlijk als weerzinwekkend vind. Het verlangen drijft me naar buiten, uit de schulp waar ik me al jaren veilig schuil houd. De afkeer, de schaamte en de angst drijven me telkens terug, maar ik vind geen rust meer in mijn schuilplaats.   Mijn man slaapt gewoonlijk tot de middag. Hij is onwetend van de uitzichtloze strijd die ik dagelijks eenzaam voer tegen de monsterlijke verliefdheid waar ik me diep over schaam. Mijn man heeft geen idee dat ik me soms voel alsof ik langzaam aan het sterven ben, dat ik voortdurend een krop in de keel heb die het slikken moeilijk maakt. Hij merkt niet dat ik kilo na kilo verlies, net zoals mijn moeder het ook niet merkte in dat eerste jaar na de dood van mijn vader. In het eerste jaar van het Lyceum. In het eerste jaar in Gent.   Ik was altijd ‘a master in disguise’. Maar het lukt me steeds minder goed. De onmogelijkheid en onwenselijkheid van de verliefdheid brengen de goed weggestoken gevoelens rond de dood van mijn vader naar de oppervlakte. Ik herken het oude verdriet, de angst en de schaamte. De oude onderdrukkingsmechanismen falen. Ik ben een vogel voor de kat.   Een vakantie in Engeland, ver weg van de man die mijn leven op zijn kop zette, zal me een rustpauze geven en de nodige afstand om terug op krachten te komen.    Mike, onze gastheer, werkt in Londen maar woont op zijn landgoed in Zuid Engeland waar wij deze zonnige zomer een paar kamers huren, die hij de flat noemt. Hij houdt van het buitenleven, van zijn honden, van het leven in zijn vijver. Mike  is veertig jaar. Hij kan niet geloven dat hij al zo oud is. Hij zegt het vrolijk. Elke ochtend maakt hij thee met melk en suiker en praten we in zijn keuken over het leven. Mijn man slaapt. De kinderen spelen in de tuin en met de honden en ik zit bij Mike in de keuken met de opengeslagen deuren. Doorheen de dagen kom ik stilaan terug tot leven. Ik bind een roze strik in mijn haar. De zon schijnt. We lachen en de laatste dag blijf ik achter om de flat schoon te maken voor ons vertrek. In plaats daarvan bedrijven we de liefde. De eerste en de laatste keer. “My darling”, zegt hij ‘I don’t want to be rough but we have to dress up’.   Ik moet terug naar mijn leven. Ik ben voorlopig genezen. Deze keer heeft Mike me bevrijd van de demonen. De volgende keer zal ik het zelf moeten doen. Tien jaar later zal een nieuwe fatale verliefdheid me opnieuw in de greep krijgen. Gelukkig zal ik dan al een stuk weerbaarder zijn.     Mijn man volgt wel zijn natuur. Hij gaat er vanzelfsprekend van uit dat zijn natuur mijn natuur is en ik spreek hem niet tegen. Ik weet nog niet wat mijn natuur is. Ik ben getraind om mij aan te passen. Dat doe ik met verve. Dat deed ik in mijn relatie al van bij de aanvang. Mijn lief, die later mijn man zal worden, is Mr. Higgins*. Ik lees alle boeken die hij me aanreikt. Ik ben volgzamer en gedweeër dan Elisa Dolittle*, maar een even goede leerling. Hij kleurt de lege ruimte in en ik laat mij inkleuren met een kleur die niet de mijne is. Ik heb geen kleur. Ik ga hoofdzakelijk in het zwart gekleed. Vele jaren later ontdek ik, met mijn natuur, ook vele andere kleuren en alle tinten blauw. Er is nu in mijn kleerkast bijna geen zwart meer te vinden.   *Georges Berhard Shaw, Pygmalion   In die laatste levensdagen vertelt mijn zus Annemie me dat haar man haar in hun eerste huwelijksjaren, leerde praten. We waren opgevoed tot zwijgen. Daar waren we allebei meesterlijk in geworden. Mijn man praat voor mij mee. Terugkijkend overvalt me het verkillend gevoel van schaamte bij diverse taferelen waar hij me meeneemt bij belangrijke kunstenaars en schrijvers. Mijn man voert breedsprakerig het woord en ik zit er zwijgend bij. Nog steeds als ik hem zie kan deze verkilling me overvallen.   We beseffen niet hoe deze herhaalde, voor mij vernederende taferelen, onze relatie diepgaand aantasten. ‘Waarom kwam ik niet in actie?’ vraag ik mezelf later terugkerend af. Het is moeilijk mijn doorgedreven passiviteit te accepteren en om mezelf gevangen te zien in die strakke doctrine van mij onopvallend en zwijgend op de achtergrond te houden.   Veel jaren later zal ik mijn brood verdienen met praten. ‘Dat jij zo’n hele dag zo natuurlijk aan elkaar kunt praten’, zegt één van de deelnemers aan een infodag ‘voorbereiding op pensioen’, ‘Ik zou het niet kunnen’. ‘Ik heb dat ook moeten leren’, zeg ik, zonder er dieper op in te gaan.   Eindelijk in actie We rijden de meer dan tweehonderd kilometer terug van Amsterdam naar huis. Ik heb stekende hoofdpijn, pijnlijk koude voeten, ik voel me misselijk en totaal uitgeput. Ook al kom ik elke keer in deze staat terug thuis, toch rijd ik vijf jaar lang, samen met Simone elke maand een weekend naar Amsterdam. We zijn de twee Belgen tussen de Nederlanders, dus carpoolen we samen naar onze bestemming. Emancipatoire ontwikkelingstherapie noemen ze het. Het is een intense combinatie van opleiding, studie en therapie. Er gaat een nieuwe, boeiende wereld voor me open maar tegelijk kan ik niet meer ontsnappen aan mijn eigen, zich langzaam ontsluitende binnenwereld.     We zijn tegenpolen. Voor Simone is het leven één groot feest. Ze beweegt zich lichtvoetig door het leven. Elke stap die ik naar buiten zet, weegt loodzwaar. Elke millimeter winst in de veroveringstocht tegen het oude dogma van je gedeisd houden, moet bevochten worden. Ik weet dat ik op weg ben mijn natuur te volgen, zoals Yvonne Keuls het zo mooi zegt, maar het voelt alsof ik tegen mijn natuur inga. Ik wil het leven ontdekken maar tegelijk wil ik me voortdurend verstoppen. In mijzelf gaan er voortdurend oude alarmbellen af.   In therapie Erica is mijn therapeute. Ze herspeelt de rol van mijn moeder. Dat doet ze goed, maar uiteindelijk te goed. Ze vergat eerst de fundamenten te versterken. De weerbaarheid op te bouwen. Een noodzaak om overeind te blijven, want de doos van Pandora is geopend. Ik word meegesleurd in een stroom van emoties. Soms lijkt het of de zwaartekracht geen vat meer heeft op mijn lichaam. De angst om alle controle te verliezen neemt soms psychotische vormen aan.   Vijf jaar eerder ben ik op bezoek bij Elga. Ze is opgenomen in een psychiatrische inrichting. We zijn even oud en hebben allebei drie kinderen. Onze mannen zijn bevriend. Ze zit apathisch op de sofa in de bezoekersruimte. Kettingrokend, zoals de meeste andere aanwezige jonge vrouwen. Door de medicatie zijn haar gebaren vertraagd. Het zorgt voor een bevreemdend, robotachtig effect. Ze praat nauwelijks en enkel over het eten dat niet lekker is. Na een tijdje komen haar man en kinderen binnen. Ze reageert er flauw op. Als ik terug buiten sta, stromen de tranen me over de wangen. Ik ben in shock, alsof ik net een luguber toekomstbeeld zag. ‘Nooit, maar dan ook nooit mag ik hier terecht komen’, herhaal ik voortdurend in mezelf, ‘Hier mogen mijn kinderen me nooit komen opzoeken.’ Als een bezwering blijf ik dit door mijn tranen heen voor me uit prevelen. Dit verontrustende tafereel blijft op mijn netvlies gebrand. Het beeld van de vertraagde bewegingen en de uitdrukkingsloze gezichten van de rokende vrouwen, duikt daarna regelmatig op in mijn dromen. Daar denk ik vijf jaar later aan terug. Het beeld werkt als een afweerschild tegen het verlangen om het op te geven, de regie uit handen te geven, te slapen en nooit meer wakker te worden.   Gelukkig ben ik erin getraind te functioneren, ook al ga ik vanbinnen dood. Ik wil niet, net als mijn vader, op bed gaan liggen en verdwijnen, ook al begrijp ik hem steeds beter en voelen zijn voetsporen aanlokkelijk vertrouwd. Ik wil de fakkel niet doorgeven. Ik wacht om in te storten tot ik alleen ben.   In een interview met Adriaan Van Dis* vertelt Stephen Fry over een documentaire die hij maakte over bipolaire stoornis, een aandoening waarop hij zelf al op zijn veertiende gediagnostiseerd werd. Hij vertelt:   ‘Ik sprak met een voormalige kapitein-luitenant ter zee. Hij deed een zelfmoordpoging door onder een grote vrachtwagen te lopen. Die verbrijzelden zijn benen. Hij heeft me de littekens laten zien. Het was gruwelijk. Tweeën een half jaar lang werden zijn benen voortdurend terug gebroken door de orthopedist om ze dan met pinnen terug vast te zetten. Deze kapitein-luitenant ter zee keek in de camera en zei: ik wil dat je lezers en kijkers goed beseffen dat de pijn in mijn benen die ik na mijn zelfmoordpoging drie jaar lang doorstond, niets was in vergelijking met de pijn die me ertoe gedreven had een eind aan mijn leven te maken’    * DWDD NPO1 8 maart 2018  'Hier is Adriaan Van Dis'   Ik bevind me op een waterlijn. Er is een constante kracht die me onder de waterlijn dreigt te trekken. Ik moet alles op alles zetten om dit te verhinderen. Onder de waterlijn ben ik weerloos ten prooi aan demonische angsten en duistere wanhoop. Alle lectuur van de afgelopen jaren studie en ontdekking haal ik uit mijn boekenkast. Ik voel bij elke zin die ik lees of hij me onder of boven de waterlijn brengt. Wat me eronder duwt, stop ik onmiddellijk. De zinnen die me erboven halen, schrijf ik op. Zo maak ik stilaan korte teksten. Bezweringsformules die ik voortdurend herschrijf en aanpas. Ik lees en herlees ze op elke vrije moment van de dag. Ze zitten in kleine briefjes in de zakken van mijn jassen, broeken en alles wat zakken heeft. Ik lees en herlees ze als ik onder de waterlijn dreig te geraken of er al onder zit. Soms moet ik een zin, waarvan ik weet dat hij helpt, tien keer herhalen tot hij binnen geraakt en ik terug boven de lijn uit kom. Ik maak de teksten steeds persoonlijker en directer.   Voor ik naar het restaurant vertrek, steek ik een ondersteunend briefje in de zakken van mijn donkerblauwe uniformrok. Ik moet opletten dat het niet uit mijn zak valt. Het zou me in verlegenheid brengen. Naast de opleiding die ik in Amsterdam volg, werk ik in een restaurant. Ik moet voor mezelf en voor mijn kinderen zorgen. Er moet brood op de plank komen.   In het restaurant Ik steek mijn hoofd om de hoek. Waar ik altijd al bevreesd voor was. Daar zitten ze, met zijn vieren gezellig babbelend, midden in zaal een. Zo noemen ze dat hier: de zalen. Zaal een als er niet veel volk is, zaal twee, als er meer volk verwacht wordt. In het weekend, als ze met hele families komen aanzetten, wordt ook zaal drie in gebruik genomen. Vandaag moeten we zaal een en twee bedienen. We zijn met drie vandaag, Thérèse, Liliane en ik, om het buffet aan te vullen, de borden af te ruimen, de dranken te bedienen. Ondertussen ken ik de belangrijkste wijnen en kan ik ze ook aanbevelen bij de juiste gerechten. Côte du Rhone, Côte de Baune, Sancerre, Matheus, enz. Ik heb ze ook allemaal geproefd. Regelmatig blijven er restjes in de fles achter.   De vier mensen in zaal een. Ik ken ze niet goed maar ze behoren tot de entourage van het leven dat ik achter me gelaten heb. Ik kan de zaal niet ingaan. Ik kijk naar mezelf in mijn uniform: de donkerblauwe smalle rok, de bloemetjesbloes met het blauw strikje. Natuurlijk zullen ze me herkennen. Ik zal ook al over de tong gegaan zijn. Een vrouw die geen reden had om zo’n goeie man in de steek te laten. Een gevallen vrouw die haar status verloren is. Het zweet breekt me uit. De koelkast van het restaurant is een kamer met schappen vol etenswaren. Ik vind er even verkoeling. Misschien kan ik mij ziek melden. Ik ben ziek van schaamte. Daarvoor kan ik niet bij de dokter terecht.   ‘Zit er al veel volk?’ Francis, als een engel doemt ze voor me op, ‘Ik heb mijn dienst gewisseld met Thérèse’, zegt ze. ‘Ik heb een feestje morgen’. ‘Ik ben nog nooit zo blij geweest je te zien’, zeg ik. ‘Nou, ik vind het ook fijn om je te zien’, lacht Francis, ’Wat is er aan de hand?’. ‘In zaal één’, zeg ik, ’Daar zitten ze. Ik kan ze niet bedienen.’ ‘Geen probleem’, zegt ze, ‘Ik zorg voor dekking. Doe jij maar de andere kant van zaal twee. Ik zorg wel dat ze snel buiten zijn’, lacht ze. ‘Maak je maar geen zorgen.’   Ze heeft niet veel woorden nodig om te begrijpen. Die woorden hebben we al uitgebreid gewisseld. Na de late shiften, als alles opgeruimd en opgekuist was, als we alle lege flessen in de glasbak gekeild hadden, als we de drankkasten terug aangevuld hadden en we verse tafellakens gedekt hadden voor het ontbijt de volgende dag. Er zijn weinig gezellige tafeltjes in dit grote restaurant. Eentje dat daar het dichtste bij aanleunt dekken we niet voor het ontbijt. We doven de grote lichten. Een klant stuurde me daarstraks terug met de fles Cabernet Sauvignon die ik net voor hem ontkurkt had. Hij beweerde een kurksmaak te proeven. Wij proeven er niks verkeerd aan. We klinken op een mooie toekomst, ook al ziet die er op dit moment voor ons beiden hoogst onzeker uit. Er valt veel te vertellen. We zijn twee drenkelingen aangespoeld op een vreemd eiland.   Francis komt uit Nederland.  Haar vriend is een Engelsman. Ze hadden samen een pub in Dublin. Toen die failliet ging kwamen ze in België terecht. Ondertussen heeft haar vriend haar verlaten. Ik vertaal  voor haar het sappige taaltje van vooral Angèle, die in haar enthousiasme altijd weer vergeet hoe onverstaanbaar haar zwaar Tienens dialect klinkt in de Hollandse oren. Het restaurant is voor ons beiden een transitzone. Francis zal terugkeren naar Nederland. Later zal ik haar bezoeken op de woonboot. Ik zal vanuit de donkere achtergrond voor het voetlicht treden.   Mijn eerste stappen voor het voetlicht Tien mensen zitten me afwachtend aan te kijken. Ik doe mijn kurkdroge mond open. Er komt geen geluid uit. De paniek neemt toe. Ik weet niks meer. Ik kijk naar de deur. Een vluchtweg die me trekt. Ik hou mijzelf op mijn plaats. Ik slik, en dan heel langzaam begin ik te praten. Alles wat ik zorgvuldig voorbereid had komt stilaan terug. Ik ontspan een klein beetje. Ik doorsta de sessie. De mensen kijken uit naar de volgende. Het thema ‘Van overlevingspatronen naar levenspatronen’ heeft gevoelige snaren geraakt. Ik ben zelf bezig dit in mijn eigen leven te leren. Het gaat niet vanzelf. Er moet heel wat overwonnen worden. Als ik thuis kom ga ik recht naar bed. De gordijnen moeten toe. Ik verdraag geen licht en geen geluid. Pijnstillers en ontspanningsoefeningen moeten helpen om mijn bonkende hoofd rust te geven. ‘Hoe lang ga ik dat volhouden?’, vraag ik me af. Maar er is geen weg terug. Ik heb een glimp opgevangen van mijn natuur en nu heeft ze me in de greep. ‘Waarom maak ik het mezelf zo moeilijk?’, vraag ik me bij herhaling af. Elke stap voor het voetlicht triggert diepe angsten: ‘Wie ben ik om…’, ‘Ze zullen me buitendragen’ en het voelt als, ‘Ze zullen me lynchen’. Keer op keer moet ik terug de arena in. Ze lynchen me niet en ik leer de angst te overwinnen en met deze ervaring leer ik, jaren later, anderen hetzelfde te doen.   Tien jaar later De deelnemers moeten op het einde van het leertraject een presentatie geven. Mijn collega’s en ik begeleiden het hele jaar drie groepen bankmedewerkers die allemaal op één of andere manier wat op een zijspoor terecht zijn gekomen. Soms was het een reorganisatie, soms was het een ziekte, soms een slechte relatie met het diensthoofd die hen op een zijspoor zette. Ieder heeft zijn eigen verhaal waarom ze deelnemen aan dit een jaar durende leertraject. Sonja brengt hen inzicht in belangrijke economische principes, Laura spijkert hen bij in de IT en Anita en ik helpen hen in het herstel van hun zelfvertrouwen en in de versterking van hun communicatievaardigheden. Ik begeleid hen ook naar de presentatie die ze op het einde moeten geven. ‘Voor een groep staan, over mijn lijk’, zegt Nathalie kordaat. ‘Dat durf ik nooit’, zegt Francine. ‘Een presentatie geven voor een groep. Het zweet breekt me nu al uit’. Allemaal hebben ze hun eigen argumenten om dit nooit te durven. Ik begrijp ze, ik ken elke variatie van plankenkoorts. Ik leer er hen stilaan mee omgaan en het belangrijkste wat ik zelf ook leerde: angst is geen reden om iets niet te doen.  En elk jaar opnieuw staan ze daar op het podium. En al trilt de stem en wordt er veel geslikt, ze doorstaan de test iedere keer. En wij, de trotse leraren zitten op de eerste rij naar onze leerlingen te kijken. En iedere keer opnieuw herinner ik mij de talloze keren dat ik er ook stond, soms terwijl de zenuwen door mijn lijf gierden. Ik leer mijn leerlingen: de angst wordt nooit zo door de anderen opgemerkt als ze door jou gevoeld wordt.     Steeds meer mensen vragen een persoonlijke begeleiding. Wat mij boven de waterlijn hielp, blijkt ook te werken bij anderen. Ik luister aandachtig naar vele verhalen. Ik schrijf ze uit, met ondersteunende teksten. Ik schrijf voor het leven, om op terug te vallen als ze terug onder de lijn dreigen te geraken. Ik schrijf hele boekwerken vol en leer mensen hun eigen hulpteksten te schrijven. Regelmatig moet ik ook voor mezelf opnieuw aan het schrijven. Als de oude angsten me weer eens in de greep dreigen te krijgen.     Afscheid van het oude huis Ik moet afscheid nemen van het hoge herenhuis. Ik moet mijn veilige schuilplaats verlaten. Ik kom eindelijk in opstand tegen de tweederangspositie in mijn eigen leven. Ik slaag er niet meer in om, net als mijn moeder, tevreden te zijn met een figurantenrol. Ik kan geen verlengstuk meer zijn van iemand anders. Ik moet mijn eigen natuur ontdekken.   Ik droom dat ik op een platgebrande vlakte sta. Als ik omkijk zie ik in de verte de stad met de warme lichtjes. Maar de poorten zijn gesloten. Het verleden biedt geen schuilplaats meer, de toekomst is versluierd. Ik moet mijn woonst opbouwen op de kale vlakte die zich voor me uitstrekt. Ik strijd tussen het gevoel van bevrijding en ontmoediging. Ik heb zelfs geen schop om een put te graven. Ik zal het met mijn blote handen moeten doen.   Nooit heb ik een moment spijt van de beslissing om mijn eigen leven te gaan leven. Nooit had ik gedacht dat het verlies van de veiligheid mij zo zwaar zou vallen. Alle energie is nodig om het heden te overleven, om stand te houden. Ik ben door het glas heen gebroken. De scherven haalden mijn huid open. De wonden bloeden nog. Ik beweeg me langzaam strompelend voorwaarts.   Er zijn nog meer intense dromen. In de droom zie ik kinderen spelen in een mooi vredig landschap, een groene wei met madeliefjes. De zon schijnt, hoge wolkjes aan de blauwe hemel. In de verte bergruggen met besneeuwde bergtoppen. De ouders zitten op een rood-wit geblokt doek met de resten van de picknick. Ze kijken glimlachend naar hun spelende kroost. Het besef dat ik een bom moet gooien op dit vredig tafereel, vervult me met afschuw.   Mijn constante zorg is dat het goed gaat met mijn kinderen maar ik kan niet vermijden dat er een barst komt in hun veilige basis.   De liefde De liefde blijft een moeilijk te bevaren zee. Als het gevoel aan het roer staat is het storm op zee en worden de oude scenario’s herspeeld. De herhalingsdwang blijkt zeer hardnekkig. Als het verstand stuurt is er geen wind in de zeilen.   Jan is twee jaar ouder dan ik en ook gescheiden. Hij heeft een vriendelijk gezicht en een goede inborst. Hij spreekt met liefde over zijn drie zonen. We fietsen samen in de zon en gaan ‘s avonds dansen op het plein. Ik weet het, maar ik wil het niet toegeven. Ik heb de regie aan mijn verstand gegeven. Jan zal me geen pijn doen. We kunnen samen wandelen en naar de film gaan. We zitten op het plein. Het is mooi weer. Zo wil ik het houden. Hij wil praten. Ik vrees wat hij wil zeggen. Ik probeer het kaartenhuis recht te houden. ‘Het is leuk samen’, zegt Jan, ‘we komen ook goed met elkaar overeen’. Ik bevestig het gretig. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘we zijn niet verliefd op elkaar.’ ‘Dat gaat problemen geven als één van beiden op iemand verliefd wordt’, zegt hij verstandig. Hij heeft gelijk maar ik wil hem geen gelijk geven. Ik dacht de herhalingsdwang te omzeilen en zo de oude demonen te slim af te zijn. Ik had opnieuw een veilige schuilplaats gevonden. Ik weet dat ik ze terug moet opgeven   Epiloog Ik hoor mensen vaak beweren: ‘Als ik mijn leven zou herdoen, zou ik net hetzelfde doen als ik gedaan heb’, ‘Als ik mijn leven zou herdoen, zou ik het totaal anders doen’, is mijn eerste reactie. Maar dan weet ik, met de identieke ingrediënten, zou ik misschien wel hetzelfde handelen.   Ik zou mijn leven onder geen beding willen herdoen. Ik kan enkel opgelucht ademhalen dat ik aanbeland ben op het punt waar ik me nu bevind. Op geen enkel punt in het verleden zou ik me terug willen bevinden. Misschien wil ik me ook in geen enkel ander ‘nu’ bevinden al had ik dat ‘nu’ graag langs meer zonnige en vrolijke paden bereikt, maar misschien is dat nu juist het resultaat van het bewandelen van de vele duistere paden. Ik herinner me diverse momenten waarop een doodlopend roemloos eindpunt schemerde maar gelukkig kwam het nooit zo ver. Ik heb dan toch, na veel dwaalwegen, mijn natuur gevonden en geleefd. En met ontelbare mensen, wiens pad ik kruiste in de voorbije twintig jaar, ben ik het pad een eind meegelopen, als gids, op de weg naar hun eigen natuur. Soms in groep, soms alleen.   Ik ben een gids geworden. En mijn kompas is het woord. Geschreven en gesproken.   In den beginne was het woord.   Ik maakte van zwijgen zilver en van spreken goud. Ik leerde de kracht van woorden. The Power of Words *   *  https://www.youtube.com/watch?v=Hzgzim5m7oU                                                                                                           Leuven, 21 mei 2018          

Haddie
0 0

Opdracht 8 - Dingen die niet overgaan - Veerle Schaltin

Dingen die niet overgaan     We zijn nooit voorbereid op wat we verwachten. James Michener           Dites, quel est le pas Des milles pas qui vont et passent Sur les grand’routes de l’espace Dites, quel est le pas Qui doucement, un soir, devant ma porte basse s’arrètera?   Emile Verhaeren     ©Veerle Schaltin 30 mei 2018             & 26 mei 1917   De nacht heb ik in een weide, geleund tegen een dode koe, doorgebracht. Dum-dum kogels schuifelden en ontploften langs alle kanten. De koe beschutte me tegen de schrapnels. Toen het geschut verminderde, krijste een koppel raven, aangetrokken door de lijkgeur boven mijn kop. Verderop waar kapotgeschoten huizen staan, kermden katten. Mijn gedachten tolden wilder rond dan de muggen rond mijn oren die wreed in mijn handen en gezicht beten. Nu strompel ik door het slijk van het ene naar het andere lichaam met opengesperde ogen en mond. Een dof gebrom van kanonnen in de verte vertelt me dat er nog leven is. Soms zak ik tot aan mijn knieën in de modder. Ik moet hem vinden. Ik moet. Ik steek mijn laatste sigaret aan en speur het hele gebied af. Een dik mistdeken bemoeilijkt dat. Maar ik moet hem vinden. Ik moet. Ik klauter over een lege loopgracht en hompel tot aan de spoorlijn.  Ernaast is een obusput waar dode Duitsers in liggen. Tussen de Duitse kleuren herken ik een Belgisch uniform. Ik spring op de levenloze moffen, schuif armen en benen opzij en draai het uniform om. Zijn lede ogen staren me aan. Het bloed rond het gat in zijn kop is opgedroogd. Ik leg mijn vingers erop alsof ze de wond alsnog kunnen stelpen. Ik druk hem stevig tegen me aan en jank. Ik jank zoals ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gejankt.  Zo vergaan uren. De gevechten komen dichterbij. Ik hijs zijn lijk uit de put en tors hem op mijn schouders. Hij weegt als een kanon. Ik ben midden op een voetbrug als Duitse schuifelaars fluiten. Ik spring om uit het gevaar te zijn. Mijn bottine blijft hierbij achter een boomwortel haken en ik val languit voorover, met mijn gezicht vlak op de grond. Zijn lichaam kwakt naast me neer. Ik krijg een hele klodder drek binnen.  Met mijn handen veeg ik het grootste deel weg, de rest hoest ik naar buiten. Bruine fluimen vliegen in het rond. Plat op de grond kruip ik verder, zijn dode lijf als een zak op mijn rug, mijn hoofd onder hem geborgen. Als ik bij onze abri aankom, is die leeg. Ik leg hem neer en scheur zijn natte uniform vol bloed open. Dan wring ik zijn opgesteven lijf in een schoon kostuum. Alle tranen, die waarschijnlijk voor de rest van mijn leven waren bedoeld, gutsen er nu uit. Achter de abri graaf ik een put. Daar smijt ik stro waar we ons ’s nachts mee bedekken in. Ik leg hem zacht op het stro neer en gooi de put weer toe. Van takken maak ik een kruis en plaats dit op het graf. Ik kniel en wil bidden, maar de enige woorden die ik over mijn lippen krijg, zijn: ‘Ik had in deze put moeten liggen. Ik had hier moeten liggen.’                                                 h Stille strepen   De krantenpaginagrote tekening ligt tussen hen in op de gebloemde toile cirée. Farahildes hand gaat snel op en neer. Met fijne, haast onzichtbare streepjes kleurt ze de boomkruinen. Zijn hand beweegt trager. Als hij een stuk lucht heeft opgevuld, wrijft hij er in cirkels met een watje over. Zo krijgt ze levensechte schakeringen. Tussendoor grijpt zijn vrije hand regelmatig naar de Jupiler voor hem. De tekening is nog niet voor de helft ingekleurd als Farahilde blaast. ‘We krijgen dit nooit af!’ ‘Maar jawel!’ Nonkel Marcel legt zijn arm om haar schouder. ‘Al zullen we er nog uren zoet mee zijn.’ Ze rekt zich uit en springt overeind. ‘Ik heb dorst.’ Op Moékes sloefen met bolletjes die bij elke stap vrolijk tegen elkaar kletsen, huppelt ze naar de gang waar de cola fris staat. ‘Breng voor mij nog een pint mee,’ roept nonkel Marcel. Met twee flesjes keert ze terug. Het bier zet ze voor zijn neus. Zelf gaat ze met de cola aan de andere kant van de tafel zitten. Het moet duidelijk zijn dat ze voorlopig niet meer mee kleurt. Nonkel Marcel kapt zijn Jupiler binnen en komt met de nieuwe pils naar haar toe. ‘Misschien ben je al wat groot om nog te kleuren. Misschien moet je grote meisjesdingen doen.’ Hij laat zich op de stoel naast haar zakken. ‘Ik weet iets plezant.’ Zijn troebele ogen kijken haar anders dan anders aan. Vanzelf kruipt ze wat naar achter. Hij glimlacht en schuift dichterbij. Hij brengt zijn lippen naar haar oor. ‘Echte grote meisjesdingen!’ Even raakt zijn hand haar wang. Dan glijdt ze naar beneden en duwt haar kleed omhoog. Farahilde wil de hand wegduwen, maar ze is sterk. De hand streelt de rand van haar onderbroek. Zijn vingers met hun lange bruine nagels klauwen achter de rand en trekken de broek omlaag. Ze strelen tussen haar benen en dan kruipt een vinger in haar spleet. Hij duwt zijn vinger dieper in haar en beweegt hem heen en weer. Hij glimlacht nog steeds. ‘Is het plezant?’ Ze heeft haar lippen stevig op elkaar geklemd en schudt ‘nee’. ‘Als later je lief dat doet, zal je het wel plezant vinden.’   De keukendeur knarst. Moéke en Luc komen vanuit de tuin binnen. ‘Doeme!’ Hij trekt haar kleed snel op zijn plaats, giet zijn bier achterover en haast zich met het lege glas naar de tekenprent. Moéke blijft in de keuken, maar Luc stapt haast meteen de kamer in. Hij loopt door naar de gang om er een cola voor zichzelf te halen. Zo onopvallend mogelijk probeert Farahilde haar onderbroek terug op de juiste plaats te krijgen. Dan zet ze zich ook opnieuw aan de tekening en kleurt verder. ‘We zullen straks nog eens proberen,’ fluistert nonkel Marcel ‘Als ik ga slapen, kom ik wel bij je bed kijken.’ Ze buigt zich dieper over de prent en krast grove strepen. In de keuken draait Moéke een blik open en steekt het gasfornuis aan. Even later waait de geur van gesmolten boter die wel bruin wordt, maar net niet aanbrandt de kamer binnen. Een biefstuk knispert in de pan. ‘Ruimen jullie op?’ roept Moéke. Nog nooit lagen Farahildes kleurpotloden zo snel in de doos. Uit de lichtroze geschilderde kast neemt ze borden en bestek. Terwijl het vlees zacht sist, komt Moéke met een rieten onderlegger en een dampende pot patatten de kamer binnen. Ze lacht als ze ziet dat Farahilde al zo flink aan het helpen is. Dan haalt ze de biefstuk en de erwten met wortelen. Ze schept de borden goed vol. Farahilde schrokt alles naar binnen. Ze vult haar bord nog eens en nog eens, tot er maar één patat meer rest. Die prikt ze op haar vork. Daarmee sopt ze de laatste saus uit de vleespan. ‘Is er dessert?’ Moéke geeft haar een potje Saroma-pudding. In een mum van tijd is het leeg. ‘Mag ik nog een koek?’ Terwijl Moéke in de keuken water pompt en een moor op het vuur zet, verorbert Farahilde alle koeken uit het pak. Daarna helpt ze afdrogen. Voor elk kopje of bord dat ze in de kast zet, steekt ze een borstbol uit het blik op het snoepschab er vlak boven in haar mond.   Reusachtige vingers dansen op het plafond. Bij een windvlaag worden ze lang en smal en klauwen ze naar kleine meisjes. Farahilde draait haar hoofd weg. Ze ziet de contouren van Moéke en Luc die in de twijfelaar een paar meter verder slapen. Moéke ronkt. Beneden is er af en toe een gestommel. Dan knijpt Farahilde haar ogen dicht, maar houdt haar oren gespitst tot ze zeker weet dat de geluiden niet haar kant opkomen. Waarom moesten jullie naar dat stomme Parijs, Moeke en Vake? Waarom kon ik niet gewoon thuis blijven slapen? Haar ogen flitsen van de vingers op het plafond naar de slapende hopen naast haar en terug. Ze draait en keert.  Bij nieuw gerommel houdt ze haar adem in. Een streep licht onder de deur. Ze spint zichzelf een cocon. Voetstappen op de trap. De deur draait op een kier. De cocon smelt samen met het bed. Voeten schuiven naar de rand van het bed. ‘Psst, ik ben hier…’ Een geruis vlakbij. ‘Oh,… je slaapt al… Dat is spijtig…’ Het duurt eeuwen tot de voeten terug naar de deur schuifelen. Het hoofd dat bij de voeten hoort,  blijft in de deuropening hangen. Het duurt opnieuw eeuwen tot het verdwijnt en de deur zich sluit. En nog eens eeuwen voor ze haar ogen weer durft open te doen. De wind is gaan liggen. De vingers boven haar zijn stille strepen.   Poing. Pom. Poing. Pom. Uren aan een stuk al klopt Farahilde op de straat voor hun huis met haar raket tegen de tennisbal van haar jokari. De bal kaatst aan het elastiek weg en komt terug. Weg. Terug. Bij elke poing flitst een beeld door haar hoofd, alsof ze naar dia’s kijkt zoals op familiefeesten. Het kleuren van de krantenpagina. Nonkel Marcels grote meisjesspel, waarvan ze wel zeker weet dat ze het nooit plezant zal vinden, ook niet later met haar lief. De plafondvingers die haar die hele nacht wakker hielden. De prijsuitreiking gisterenavond.   Groepjes kinderen lopen rond tussen het speelgoed in de grote Christiaensens-winkel. Hun ouders praten met elkaar, met een drankje in de hand. Farahilde past rolschaatsen als iemand in haar arm knijpt. ‘Kiekeboe!’ Het is Jurgen, die in hun straat woont. Ze kijkt hem met grote ogen aan. ‘Heb jij ook met de wedstrijd meegedaan?’ Jurgen blinkt. ‘Ik denk dat ik hem misschien win.’ Farahilde heft haar schouders. Tussen de rekken spelen ze verstoppertje tot een microstem de laureaten op het podium roept. Ze zet zich naast Jurgen op de achterste rij. Haar ouders staan samen met de andere toeschouwers in een halve cirkel voor hen. Een meneer van de krant praat lang. Daarna komt de baas van Christiaensens aan het woord en dan de burgemeester. Farahilde bijt op haar lip als hij met een envelop zwaait. ‘Hierin zitten de namen van de winnaars.’ Hij opent de envelop. ‘Alle tekeningen waren prachtig, maar één sprong er uit. De winnaar is… Farahilde…’ Ze kijkt naar de grond. Dit kan toch niet? Na… na… heb ik niet meer gekleurd. Nonkel Marcel heeft de prent afgewerkt. ‘… lucht … levensecht.’ Ze hoort het nauwelijks. Jurgen stoot haar aan. ‘Je moet naar voor gaan.’ Ze strompelt het podium af. De baard van de krantenman prikt als hij haar het gewonnen boekenpakket met drie kussen overhandigt. Ze moet op de foto en vergeet te lachen. Ze krijgt looza en morst op haar kleed. Als iedereen al lang weg is, laten haar ouders hun glas nog eens bijvullen. Aan een tafel waarop nootjes staan, bladert ze in haar nieuwe boeken. Ze grabbelt de laatste nootjes uit de schaal. Als ze eindelijk naar huis gaan, klemt ze de boeken stevig onder haar arm.   Poing. Pom. Poing. Pom.  Plots staat iemand onder de plataan op het plein vlak naast Farahilde. Als Farahilde haar aankijkt, waggelt ze op haar korte benen naar haar toe. Haar petieterige armen zwieren hevig heen en weer. Gretige ogen en een hemelsbrede lach vullen haar te grote gezicht. ‘Wat doe je? Wie ben je? Waar woon je?’ De vragen spatten als zeepbellen uit haar mond. Voor Farahilde kan antwoorden, gaat het verder: ‘Je hebt me nog nooit gezien, he. Ik ben Sonja, het nichtje van Koen van achter de hoek. Ik logeer hier twee weken. Mag ik meespelen?’ Farahilde steekt de tennisraket naar haar uit. Ze toont hoe je die moet vasthouden en hoe je tegen de bal slaagt. De raket is echter te groot en te zwaar voor Sonja. ‘Die weegt zoveel als een koe!’ Ze kletst met haar handen op haar dijen, stampt met haar voeten op de grond. Farahilde haalt haar autoped. Maar ook daarbij kan Sonja amper met haar handen aan het stuur. Bovendien is ze na een halve toer rond het plein al doodmoe. Ze zetten zich neer in het gras. Sonja tatert erop los. Farahilde heeft nog nooit met iemand zoveel gelachen. Als Sonja toch even stilvalt, zegt ze: ‘Ik sta in de krant.’ ‘Een overval gepleegd?’ ‘Nee, een kleurwedstrijd gewonnen.’ ‘Wauw!’ ‘Eigenlijk heb ik zelf niet zoveel gekleurd. Mijn nonkel heeft het grootste deel gedaan.’ ‘Wat heb jij een toffe nonkel!’                                                     Luchtgitaar   Pas als de bel van de Williams door de straat weergalmt, zwaait de garagepoort bij Jurgen open en stormen Yves, Peter, Guy en Jurgen recht op de ijskar af.  Ze drummen Annick en Farahilde, die aan het hinkelen waren en het snelst bij de ijswagen stonden, opzij. ‘Wij hebben de hele dag gerepeteerd. Wij verdienen onze crème het eerst.’ De meisjes draaien met hun ogen. Ze schuiven achter de jongens in de rij aan.  Uit bijna alle huizen komen mensen gelopen die ijs willen kopen. Als het haar beurt is, haalt Farahilde vijf frank voor een chocoladefrisco uit haar broekzak. De volwassenen blijven op het plein praten over de voorbije dag. De kinderen lopen naar de andere kant van de straat. De jongens zetten zich op het betonnen hek van meneer Pannekoek neer. Annick gaat naast hen op de stoep zitten en Farahilde kruipt op de lantaarnpaal. Haar poep past net op de rand waar de iets bredere basis overgaat in een slanke mast. Ze likt aan haar frisco die snel smelt. ‘Spelen we sebiet potteke stamp?’ Peter zucht. ‘Wij hebben de hele dag gerepeteerd, he.’ ‘We moeten trouwens nog enkele nummers kiezen.’ Yves tokkelt op een luchtgitaar.  ‘En beslissen welke kleren we aandoen. Het optreden is volgende week al.’ De jongens drammen door. Farahilde laat zich van de paal zakken en zet zich naast Annick op de grond. Ze knikkert kiezeltjes die in de goot liggen de straat op. Hoeveel plezanter waren de vorige zomervakanties toen de jongens zich niet dag in dag uit in die stomme garage opsloten, maar we koersen organiseerden en rolschaatswedstrijden. Kampen bouwden en sprinkhanen vingen… en samen speelden tot we eigenlijk al lang in ons bed hadden moeten liggen… ‘Jullie moeten de tickets verkopen.’ Ze schrikt op uit haar dromerijen. Tickets verkopen… het is alleszins iets anders dan touwtje springen of met de barbies spelen…   De volgende dag knipt ze bij Annick in de woonkamer rechthoeken uit gekleurd papier. Ze schrijft er ‘OPTREDEN’ en ‘2 frank’ op, en tekent er nog een gitaar bij. Met deze kaarten schuimen ze de omliggende straten af. Een week later hangen de meisjes lichtjes op de in de garage bij Yves. Ze zetten drie rijen stoelen klaar en een tafel aan de zijkant. Annick plaatst er bekertjes met chips op. Farahilde legt er gebakjes bij die ze thuis met Petit Beurres, Smarties en suikerglazuur heeft gemaakt. Ze halen ook flessen cola aan. Voor de garage klappen ze een picknicktafeltje open. Hierop installeren ze de kassa, een eenvoudige schoendoos waar ze het geld instoppen. Als iedereen er is, sluiten ze de poort. In het pikdonker komen de jongens binnen. Ze tokkelen wild op hun gitaar. Keiharde rockmuziek vult de garage. Zodra Yves begint te zingen, knipt Annick het licht aan. Guy’s armen wapperen op en neer,  zodat iedereen gaat rechtstaan. De kinderen dansen voor of zelfs op hun stoel. Farahilde dwingt haar voeten mee te springen. Op het einde zwaaien Peter en Jurgen hun gitaren in de lucht, en gooit Guy zijn drumstokken weg. De vier pakken elkaar stevig vast. Iedereen applaudisseert luid. Alleen Farahilde vindt het juiste klapritme niet. Als het publiek weg is, zeuren de jongens over hoe goed en tof het is geweest. Annick en Farahilde ruimen ondertussen alles op.   Sneller dan anders fietst Farahilde na school naar huis. De garagepoort kan niet vlug genoeg open zijn. Ze zwiert haar fiets tegen de muur en dendert de trap op. Met de livingdeur nog in haar hand juicht ze: ‘Moeke, er is een muziekschool waar je kan leren gitaar spelen zonder eerst zeven jaar notenleer te moeten studeren!’ Ze grist het briefje van Jeugd en Muziek uit haar boekentas en geeft het aan haar moeder. ‘Mag ik dat doen? Toe?’ Natuurlijk mag het. Haar hart maakt een schroefsalto als ze even later de trap naar haar kamer op holt. Ze zal leren gitaar spelen zonder saaie muzieknoten. Als ze dat kan, repeteert ze volgende zomer met de jongens mee.   Op zaterdagmorgen gaat het hele gezin naar de markt. Terwijl hun vader bij de Sels op hen wacht, slenteren Luc, Farahilde en hun moeder langs de kramen.  Met een heleboel zakken in hun handen stappen ze uiteindelijk ook het café binnen. Als het volgens Farahildes moeder hoog tijd is om naar huis te gaan, smeekt haar vader: ‘Nog eentje?’ Staf schuift dan snel de zoveelste pint naar hem toe. Luc en Farahilde krijgen chips en cola. Farahilde speelt nog maar een spelletje op de flipperkast. Haar moeder roert woest met haar lepel in haar koffie rond. Farahilde kiest nog maar een plaatje in de jukebox. In de auto op weg naar huis vliegt haar moeder uit: ‘Hoe moet dat nu met de muziekschool?’ Thuis brult ze zo hard dat het drie huizen verder te horen is. Zonder eten klaar te maken gaat ze in haar bed liggen huilen. Farahilde schuift de koud geworden kip van de markt in de oven. Ze zet water op voor rijst en lost currysauspoeder uit een zakje op in melk. Als het klaar is, slikt ze alles met grote happen weg. Haar moeder komt niet aan tafel.   Haar vader zegt geen woord als hij haar naar de muziekschool brengt. Het is al gebeld als ze de speelplaats op stapt. Ze kan nog net als laatste de klas binnenglippen. Ze ploft neer op de enige lege stoel, die naast Jenny. Jenny trekt haar neus op. ‘Geen kattengejank naast mij, he.’ De meisjes achter hen gniffelen. Farahilde schuift haar stoel zover mogelijk van Jenny weg en kijkt strak voor zich uit. Op het bord heeft de meester vijf lijnen getekend. Erop staan muzieknoten. ‘Si si, la la,’ zingt hij. Hij wijst de noten met een stok aan. De kinderen zingen hem na. Farahilde prevelt de klanken mee. Jenny zucht. Tijdens de speeltijd priemt ze haar vingers in Farahildes rug. ‘Miauw, miauw, miauw!’ krijst ze. De andere kinderen gaan in een kring rond hen staan. ‘Miauw, miauw, miauw!’ apen ze Jenny na. Farahilde trekt zich los. Ze rent de speelplaats over en duwt de eerste de beste deur open. Daarachter is een trap naar beneden. De kinderen volgen tot aan de deur. Ze holt de trap af. Ze hoort de kinderen lachen. Ze loopt door een lange gang. ‘Miauw, miauw, miauw,’ echoot het in haar oor. Een nieuwe deur. Ze stapt de ruimte erachter binnen.  Een geur van schimmel en zweetvoeten overvalt haar. Langs de kant zijn dozen gestapeld. Sommige zijn kapotgebeten. Links staat een oude piano. Farahilde laat zich op de kruk ervoor vallen. Is dit nu die muziekschool zonder noten? Waarom moeten we dan noten zingen? En waarom krijgen we pas volgend jaar een gitaar? Ze legt haar hand op de pianotoetsen. Ze schrikt op als er een doffe toon weerklinkt. Ze schuift de kruk verder van de piano weg. Enkele jaren geleden bevond ze zich op een plek die rook als hier.   ‘I’m singing in the rain, just singing in the rain…’ De muziek is nauwelijks hoorbaar in de kelder, maar Farahilde hoort hem wel, tussen het geroezemoes van de grote meisjes verderop aan de toog, het gejoel van de jongens die tussen en over de bergen kleren die overal verspreid liggen springen, en het herhaaldelijke ‘Stt…’ en ‘Zit stil!’ van de turnjuffen.  Helemaal alleen zit ze op de bank vlak aan het luik naar de zaal, op blote voeten en in een blauw maillot. Op wat brandende spotjes na is het pikdonker. Niemand merkt haar op. Ze bibbert. ‘What a glorious feeling…’ Ze zou boven moeten zijn en mee dansen. Wekenlang heeft ze elke woensdagmiddag geoefend. Ze kent nu alle passen en danst ook in de maat. En ze laat de paraplu, als Wilfried die naar haar gooit, haast nooit meer vallen. In het begin deed ze dat wel. Wilfried lachte haar dan uit. Dat deed hij ook als ze moest tuimelen en zo scheef rolde dat ze tegen hem aanbotste. Maar ondertussen heeft ze veel geoefend thuis in de tuin, en ze weet wel zeker dat ze vandaag recht zou rollen. Alleen die kus onder de paraplu op het allerlaatst, daar had ze nog tegenop gezien. Wilfried lachte dan altijd zo raar. Stiekem had ze liever met Dirk gekust. Maar die danste met Ann. Al weet ze niet wie vandaag met wie danst. Toen ze zich daarnet, toen het bijna hun beurt was, op twee rijen voor de trap naar de zaal moesten klaarzetten, ontdekte de juf dat er een meisje te veel was. ‘Da’s waar ook,’ verzuchtte ze, ‘Marc is ziek.’ Ze duwde alle meisjes een plaats vooruit, tot ze bij Farahilde kwam. Die nam ze bij haar schouder vast en drukte ze neer op de Zweedse bank. ‘Blijf jij maar hier.’ Het luik was opengegaan. De jongens marcheerden de zaal in met hun paraplu’s over hun schouder en de meisjes huppelden er achteraan. Farahilde bleef achter op de bank waar ze nog steeds zit. Piepkleine beestjes, net luizen, tuimelen rond in haar buik. Dat is vervelender dan in haar haren, want in haar buik kan ze niet eens krabben. Ze trekt haar benen op, grijpt haar knieën stevig vast en wiegt zacht heen en weer. Moeke en Vake zitten in de zaal. Vragen zij zich af waar ik nu ben? Ze staat op en slentert naar haar jas die helemaal aan de andere kant van de kelder hangt. Uit de binnenzak diept ze een bonnetje op. Aan de toog steekt ze het in de lucht. Het komt maar net boven de tapkast uit. Het duurt dan ook even voor iemand het ziet. ‘Paprikachips alstublieft.’ Met de chips zet ze zich weer op de bank. Ze opent het zakje. ‘A smile on my face…’ De chips kraakt tussen haar tanden. Hij kruipt in de spleten en holtes in haar mond. Hij smaakt een beetje naar de zweetvoeten waar heel deze kelder naar ruikt. ‘I’m dancing and singing in the rain.’ Als het applaus tot in de kelder doordringt, laat ze de chips nog harder kraken. Het luik gaat open. ‘Ik heb het goed gedaan!’ ‘En ik de paraplu niet laten vallen…’ ‘Dat was plezant!’ ‘Ik heb ons mama gezien!’ ‘Mijn mama zat op de eerste rij!’ ‘Mijn zus en mijn broer ook!’ ‘Mijn zus applaudisseerde het hardst!’ ‘Stt!’, sist de juf, ‘Jullie hebben het heel goed gedaan, maar ze mogen ons boven niet horen.’ Farahilde gooit haar zakje in de vuilbak. Ze neemt een tweede bonnetje uit haar jas en koopt nieuwe chips. En dan nog en nog.   Haar buik grolt. Nu heeft ze geen chips. In haar tas in het klaslokaal zit een pakje Cent Wafers. Pas als ze de bel hoort, komt ze los van de pianokruk. Ze snelt de lange gang opnieuw door. Buiten adem zwaait ze de klasdeur open. Alleen de meester is er nog. Hij fronst zijn gezicht. ‘Gaat het beter nu?’ Ze grabbelt naar haar tas. ‘Je had toch buikpijn?’ ‘Ja… buikpijn… ik zat op het toilet.’ In de auto terug naar huis is alleen het gekraak van het pak koeken nu en dan te horen. Thuis zit haar moeder te lezen alsof er niets is gebeurd. Haar vader pakt een pint. Farahilde neemt haar boek van ‘De vijf’ van het schab en zet zich mee op de bank. Als ze ergens mee begint, moet ze het van haar ouders minstens een jaar volhouden. Dus gaat ze een jaar lang elke week opnieuw naar de muziekschool. De chips en de cola van bij de Sels liggen elke week zwaarder op haar maag. Af en toe ontsnapt ze naar de kelder. Ze leert nooit gitaar spelen.                   De lijst   Mo drukt zich dichter tegen haar aan. Hij legt zijn donkere hand op haar bleke. ‘Il y a du cognac dans ma tente,’ fluistert hij in haar oor. Zij schuift wat van hem weg op de skai bank, wrikt haar hand los en pakt het glas Pisang van het tafeltje. ‘Ik vind de Pisang oké.’ Ze zuigt extra hard aan het rietje. Haar ogen speuren de rokerige ruimte af. Overal staan of zitten groepjes mensen. Ze lachen, praten, flirten, dansen. Zij zijn de enigen die daar maar met twee zitten. Waarom is An niet gewoon meegekomen? Ze doet al heel de vakantie ambetant. Als we niet op Jefke en Marieke moeten passen, komt ze haar tent niet uit. Af en toe naar ’t strand, ja. Maar ik wil ook nog wel eens iets anders zien. Ik ben niet alleen om te babysitten naar hier gekomen. Mo had hààr trouwens uitgevraagd. Op het terras daarstraks was ’t toch gezellig? Maar toen hij van een dancing sprak, was ze ineens moe. En nu zit ik hier alleen met Mo… meer dan twintig kilometer van onze camping vandaan. Hij buigt zich weer naar haar toe. ‘C’est du bon cognac!’ ‘Gaan we dansen?’ Ze staat recht, strijkt haar rok glad en strekt haar arm naar hem uit. Hij drukt zijn sigaret uit in de asbak, staat ook op, maar negeert haar hand. Ze loopt naar de dansvloer. Hij beent naar de uitgang. Als ze voelt dat hij haar niet is gevolgd, draait ze zich om en ziet hem nog net naar buiten stappen. ‘Mo,’ vormen haar lippen en dan valt alles een seconde stil. Eén seconde maar, want meteen lijkt het alsof iets haar opwindt en danst ze als een ballerina in een doosje rond. Papa Chico you’re the sun… Nog voor het eind van het nummer valt de ballerina stil. Ze keert terug naar het tafeltje, pakt de Pisang en giet hem in een teug naar binnen. Dan laat ze zich op de bank zakken, maar veert haast meteen weer recht. Ze loopt naar de bar. ‘Pisang Ambon, s’il-vous-plaît.’ Met het nieuwe glas in haar handen leunt ze tegen de toog.  Haar blik dwaalt naar de ingang. Telkens als de deur opengaat, hoopt ze dat er een zwarte binnenkomt.  Maar Mo laat zich niet meer zien. Ze kijkt almaar vaker naar de dansvloer waar vrolijke mensen swingen. Als ik hier met een vriendin was, zou ik nogal uit de bol gaan.  …seems like yesterday not far away, this is where I long to be… la Isla Bonita… Zacht lipt ze met Madonna mee. Voorzichtig bewegen ook haar heupen. Je bent hier nu, zegt ze tegen zichzelf, amuseer je! Een blonde jongen bestelt vlak naast haar tien pinten. Als hij met het grootste deel ervan naar zijn vrienden stapt, botst hij met zijn ellenboog tegen haar borst. ‘Excusez-moi!’ Zijn grote blauwe ogen schitteren. Als hij terugkomt om de rest op te halen, vraagt hij: ‘Tu es toute seule içi?’ ‘Oui… Depuis quinze minutes…’ ‘Raconte.’ ‘Dat is een te lang verhaal,’ wimpelt ze hem af. Hij troont haar mee naar zijn kameraden. ‘Je vous propose…’ ‘Farahilde.’ ‘Farrahilde,’ herhaalt hij met een ‘r’ die ze nog nooit zo schattig heeft horen rollen. Daartegenover komt de ‘r’ van Patrice, zijn naam, maar zuinigjes uit haar mond. De vrienden schuiven wat op en zo kan ze half op Patrices schoot net mee op de bank. De jongens drinken de ene pint na de andere. Zij houdt het bij haar Pisang. Ze lacht uitbundig om hun grappen, al begrijpt ze die maar half. Als ze op de klanken van Bon Jovi opspringt, volgen Patrice en de anderen haar naar de dansvloer. Ze hotsen van hier naar ginder, zwaaien met hun armen in de lucht. Take my hand and we’ll make it, I swear. Oooohhh… livin’ on a prayer… Bij de bamba kiest Patrice haar zoveel mogelijk uit. Hij moet snel zijn, want zijn fameuze vrienden proberen haar van hem af te snoepen. Eerst zoenen ze nog op de wang, dan drukken ze hun lippen zacht opeen. Tijdens de slow die erop volgt glippen hun tongen elkaars mond binnen. Ze zetten zich weer op de bank, zij helemaal op zijn schoot nu. Patrices vrienden laten hen met rust. De discotheek loopt langzaam leeg. Ook de vrienden zoeken een voor een hun slaapzak op. Ze vertelt Patrice nu toch hoe ze hier alleen is terechtgekomen. ‘Waar logeer je eigenlijk?’ ‘Op een camping in Lacanau-Océan.’ Zijn ogen worden nog groter als hij hoort hoe ver weg dat is. Hij streelt haar haren. ‘Ik zorg wel dat je er geraakt.’ Ze gaan naar buiten. Hij vraagt haar bij de uitgang te wachten. Net als ze denkt dat hij haar ook laat stikken, rijdt hij een 2PK’tje met open dak voor. ‘Sorry, ik moest onderhandelen met Maxime, dit is zijn auto.’ Patrice heeft geen idee waar Lacanau ligt. Zij wijst de weg waarlangs ze denkt dat ze met Mo is gekomen. Hij loopt langs de kust. Bij een duinbosje vertraagt de auto. ‘Is het goed als we hier even stoppen?’ Ze knikt. Patrice parkeert de wagen zoveel mogelijk achter de bomen. Zodra de motor stil ligt, verdwijnt zijn hand onder haar bloes en de hare in zijn broek. Als hij na een poos een condoom tevoorschijn haalt, wringt ze zich los uit zijn armen. Hij is verrast. ‘Toch niet zo vlug,’ stamelt ze, ‘Ik heb het nog nooit gedaan…’ Zijn ogen worden iets doffer. Hij steekt het condoom weer weg. Op hun rug liggen ze naast elkaar in de wagen. Alleen de haartjes op hun handen raken elkaar nog. Ontelbare sterren zijn getuige van hun ongemakkelijk liggen en zwijgen. Als het te fris wordt, rolt Patrice het dak dicht en rijden ze verder. Farahilde merkt haast meteen een wegwijzer naar de camping op. Blijkbaar waren ze de hele tijd al vlak in de buurt. De Renault draait de parking op. Hun lippen zoeken elkaar weer. ‘Vind je de weg terug in het donker wel? Anders,’ Farahilde aarzelt,’ kan je blijven slapen.’ ‘Vindt je vriendin dat goed?’ ‘Ze moet wel. Het is allemaal haar schuld.’ Ze verheft haar stem. Samen wandelen ze naar de tent. Als Farahilde het zeildoek openritst, schrikt An wakker. ‘Weet je wel hoe laat het is?’ ‘Weet je wel dat Mo me zomaar heeft achtergelaten? Wees blij dat je me nog levend ziet.’ Ze wijst naar Patrice. ‘Hij blijft hier slapen.’ An springt overeind. Voor ze iets kan zeggen sleept Farahilde haar luchtmatras naar de voortent. ‘Er is niet veel plaats,’ gebaart ze naar Patrice. Hij glimlacht. Met hun kleren aan vallen ze te dicht bij elkaar in slaap.   Als ze ook na haar tweede brief geen post uit Lyon ontvangt, weet Farahilde dat haar Franse romance voorbij is. ‘Patrice,’ schrijft ze onderaan de lijst op de laatste bladzijde in haar dagboek. Ze voelt zich een stuk speelgoed dat voor de zoveelste keer achteloos is weggegooid. Eén naam ontbreekt op haar lijst. Of liever: hij ontbreekt niet.   ‘Stoppen we om te eten?’ roept Dirk. ‘Is over tien minuutjes goed?’ Farahilde veegt het zweet van haar voorhoofd. ‘Ik heb nog een beetje mortel dat ik eerst op wil werken.’ Ze schept wat voegspecie uit de kom en strijkt het met haar ijzer tussen de bakstenen. Het teveel aan mortel schraapt ze weg. Dirk kijkt over haar schouder. ‘We dekken de tafel al ondertussen.’ Met enkele vrijwilligers verbouwen ze de kleedkamer van de turnkring. Vera en zij zijn de enige meisjes.  Normaal is ze niet zo’n doe-het-zelver, maar om bij Dirk in de buurt te zijn doet ze al wat meer. Terwijl zij aan haar muur verder werkt, zetten de anderen zich aan de tafel op de koer. Farahilde hoort hen schaterlachen. Ze smijt de specie wat onstuimiger in de voegen. Ze krabt de resten ook niet meer zo zorgvuldig weg. Als ze bij de tafel komt, hebben de anderen al een halve schaal  koffiekoeken naar binnen gespeeld. Ze pakt een stoel en schuift aan vlak naast Dirk. Als ze zich naar de koeken uitstrekt, wrijft haar heup tegen de zijne.  Ze slaat haar ogen neer. Onder de tafel raken hun knieën elkaar. Dirk trekt zijn knie niet weg. ‘Als we goed verder werken, zijn we morgenavond klaar.’ ‘Dat moeten we vieren!’ zegt Vera. ‘Zaterdag zijn mijn ouders niet thuis. Komen jullie dan naar ons?’ De jongens storten zich weer op hun karweien. Vera ruimt de tafel af. Farahilde blijft zitten met de koffiekoeken die over zijn voor haar. Pas als de laatste op is, slentert ze terug naar haar muur. De klodders mortel die ze daarnet niet goed heeft afgeveegd zijn hard geworden. Met een beitel klopt ze de stukken weg. Dan helpt Dirk haar nieuwe mortel maken. Ze snuift zijn zweetgeur op. Het is de heerlijkste zweetgeur ooit.   Die zaterdag is ze als eerste bij Vera. Terwijl Vera iets anders aantrekt, maakt ze kaasprikkers en schikt ze bloemkoolroosjes en wortelstaafjes in een schaal. Ik kan niet wachten tot Dirk er is. ’t Was zo plezant deze week. Ik denk dat hij me nu eindelijk wel zal willen. Hij is met alle andere meisjes van de turnkring al mee geweest. Alleen niet met Hilde. Maar ja, wie wil nu met Hilde? Vanavond wordt onze avond. Ik hoop maar dat hij mijn legging mooi vindt en mijn nieuwe schoenen. Telkens als de bel gaat, kijkt ze vol verwachting naar de deur, alsof ze een kind is op Sinterklaasavond. Maar telkens is het Dirk niet. Het is niet zijn gewoonte zo laat te komen. Hij zal toch niks voorgehad hebben. De anderen lijken zich geen zorgen te maken. Ze babbelen en lachen en drinken en smullen van de hapjes. Farahilde zuigt zuinig op haar rietje. Pas rond half tien rinkelt de bel opnieuw. Hij is er eindelijk. Samen met hem stapt een meisje met lange bruine haren en fonkelende blauwe ogen de living binnen. Ze lacht Farahilde breed toe.   Farahilde begrijpt niet dat ze jaren geleden zo naïef kon zijn. Ze begrijpt niet dat ze nog steeds zo naïef is. De naam die op de lijst ontbreekt of net niet. Hoopt ze nu nog altijd dat ze iets met Dirk krijgt? Ze turnt zelf niet meer, gaat ook niet meer met de mensen van de turnkring uit. Ze ziet hem alleen nog af en toe op een vergadering.  Ze leest alle namen. Waarom houdt ze hier eigenlijk een lijst van bij? Ze neemt de bladzijde tussen twee vingers en scheurt ze uit het dagboek. Dan versnippert ze ze in honderden stukjes. Ze wil niet langer speelgoed zijn.   ‘Hoe was je vakantie?’ vraagt Walter als ze samen in de Tom Tom Club op hun vrienden wachten. ‘Ging wel.’ Farahilde trekt een grimas. ‘Alleen deed An ambetant. Ze had nergens goesting in.’ ‘Ik heb ervan gehoord.’ Hij lacht. ‘Maar er was wel een koene ridder die je van een verkrachting redde.’ ‘Dat klopt niet helemaal,’ wuift ze zijn woorden weg. ‘Het is trouwens al voorbij. Ik hoor niks meer van hem. Ik heb het nu wel gehad met relaties. Altijd dat verdriet als ze je laten stikken…’ Walter kijkt verbaasd. ‘Echt, ik heb niemand meer nodig. Ik voel me goed alleen.’ ‘Daar zullen we dan maar ene op drinken.’ Hij loopt naar de toog en komt terug met twee pintjes.               & 23 november 1918   Soms laat ik me ophitsen door het geroep van de mensen langs de kant van de weg en dan marcheer ik met opgeheven hoofd en mijn borst vooruit door de dorpen. Maar als ik ook maar even terugdenk aan die ene nacht krimp ik vanbinnen helemaal ineen en zou ik het liefst onder de kasseien willen verdwijnen. De mannen brengen de avond in een kroeg door. Ik ben het rumoer ontvlucht en zit beschut onder de wortels van een omvergeschoten boom. Het miezert. De regendruppels vallen niet dik genoeg om het vuur dat ik heb gemaakt te doven. Op amper een uur en half lopen hiervandaan staat het huis van mijn lieve ouders, die ik vier jaar niet meer heb gezien. Als we veel vooruitgang maakten, droomde ik regelmatig van de dag dat ik weer op de drempel van hun woonstede zou staan. Mijn vader, oude krijger van 1870, met tranen van fierheid in zijn ogen. Mijn moeder met haar armen rond mijn hals zonder iets te kunnen zeggen, blijdschapstranen op haar wangen. De andere mannen zoeken hun familie op als we op loopafstand van de plek waar ze geboren zijn passeren. Maar ik kan het niet. Ik mag het niet. Ik haal mijn carnet uit mijn zak en blader door mijn aantekeningen.   … Koude voeten? … Dan nam ik een muziekje en speelde dat men leute had. Al de oude straatdeuntjes kwamen voor de pinnen en rap was onze tent in een danszaal herschapen. Men draaide en danste en zo had men geen koude voeten meer…   Ik had mijn voeten die avond in een deken gerold, herinner ik me. Hij moest daar zo hard om lachen.  ‘Ik bibber, ik bibber! Ik ben een oude grotemoe. Ik bibber!’ Toen ik dat muziekje aan mijn mond zette, was hij als eerste recht gesprongen.   …In de loop van de dag mag men zich niet tonen, dus moet men zijn plan trekken als men zijn behoefte moet doen. Hij kruipt toch naar buiten. Hij hief zijn hoofd nauwelijks boven de tranchée. Dadelijk floot er een dum-dum kogel naast  zijn oor. Ziehier wat ik deed: ik trok een zakje onder mij en… de mitrailleuse werkte!!...   Hij had toen geluk gehad. Maar waarom? Al wat ik lees gaat over hem alsof deze hele rotoorlog alleen uit hem bestaat. Ik steek de ene sigaret met de andere aan.   …Patrouilleurs zijn tot in onze abri geweest. Hoe de voorpost die heeft laten doorgaan weten wij niet… De verkenners waren viervoetig met een lange staart. In zijn musette hadden ze een schietgat geboord en daarna een half brood binnengespeeld…   Dan kom ik bij mijn nota’s over die nacht. Mijn maag draait om. Ik smijt mijn half opgerookte sigaret in het vuur.  De patatten die ik vanmiddag gegeten heb komen eruit. Ik scheur de bladzijden met deze gebeurtenissen uit het carnet en smijt ze achter de sigaret aan. De vlammen laaien hoog op. Ik wil naar huis. Naar mijn moeder. Naar mijn vader. Ik kan het niet. Ik mag het niet.                         h Dozen   De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze liefst zo hoog mogelijk klom. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen toch niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dit huis past haar niet. Het heeft ook nooit gepast. Ze ploft in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc heeft zijn vuisten gebald. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt. De laatste keer. De laatste keer dat ik hier kom. Zou Ronny in zijn garage zijn? De poort staat open, het licht brandt… niemand te zien… Hij zal ze ook missen. Nu zitten ze daar in die stomme dure serviceflat. Tussen de bomen waar ze hun hele leven van gedroomd hebben. Ze zien geeneens bomen langs hun kant. Nu moet ons vader daar sterven waar hij niemand kent. Sterven… het woord dat niet uitgesproken mag worden. Ik wil afronden, maar hoe kan dat als iedereen doet alsof het allemaal gewoon doorgaat? Ik wil dingen vragen. Over vroeger. Over het begin. Hoe was het toen ik er plots aankwam? Hebben ze abortus overwogen? Waren ze zoveel weg omdat ze nooit jong hadden kunnen zijn? Geven ze mij daar de schuld van? Als we over zijn dood konden praten, zou dat misschien ook lukken over het begin. Maar nee, potjes toe, doen alsof alles goed gaat. Hij leeft nog jaaaaren…   Haar handen zijn klam als ze de oprit voor haar eigen huis oprijdt. Walter neemt de boeken van haar over. Binnen legt hij ze op tafel naast de rommel die er als onkruid groeit. ‘Het was een zware dag, he.’ Hij slaat zijn armen om haar heen. Ze drukt haar hoofd tegen zijn borstkas. ‘Johannes was weer aan het gamen toen ik thuiskwam. Ik hoop dat hij ook wat gestudeerd heeft vandaag.’ ‘Waarom moet dit ook allemaal zo vlak voor de examens gebeuren?’ Ze schenkt zich een glas water in en neemt wortelen, paprika’s, courgetten en paddenstoelen uit de koelkast. Ze bereidt iets met veel vitaminen. Dat geeft hem misschien de nodige energie voor achter zijn studieboeken. Voor ze de groenten fijnhakt, pakt ze een reep biochocolade. Tijdens het snijden steekt ze er regelmatig een brok van in haar mond tot ze helemaal op is. Dan valt ze aan op de biokaas. Hoe stom ben ik? Dure en gezonde producten kopen en ze dan zonder smaak opschrokken? Maar het is me ook allemaal te veel. Kon ik de klok maar terugdraaien. Tot voor dat stomme feest drie weken geleden. Tot voor hun grote nieuws. En voor ze ons zouden vragen borg te staan. Hoe hadden ze het lef? En dan nog kwaad zijn, omdat we dat niet wilden. Na al wat zij voor ons gedaan hadden. Wat hebben ze dan gedaan misschien? Op Johannes gepast. Ja, ze hebben veel op Johannes gepast, dat vonden ze plezant. Ook alleen maar als het hen uitkwam, he. Met de trouw van Annelies hebben ze ons schoon laten stikken. Ze hadden het beloofd. We hadden al toegezegd. En toen konden we hem naar oma brengen die nog een papfles wilde klaarmaken. Hij was al tien. En verder? Bij onze bouw? In ons huis? Met mijn rugoperatie? Het was zelfs te veel om een paar weken voor ons te strijken. Dat kon niet met haar schouder. Ocharme. Ze kwamen me wel alle dagen bezoeken.  En ze brachten rotte druiven mee. Zot werd ik ervan. En onze Luc nu maar de engel spelen. Hij regelde de verhuis. Hij zorgt voor een housewarming. En hij blijft rustig bij die vraag om geld. Ik ben de slechte. De geldwolf. De duivel. ‘Laat het los!’ zegt Walter als ze er na de spaghetti weer over begint. Ze vult de vaatwasmachine en laat haar gedachten dwalen naar toen ze zelf pas waren verhuisd.   Een ijzingwekkende gil weergalmt door hun nog bijna lege huis als Farahilde de kreeft in het kokendhete water onderdompelt. Meteen daarop rinkelt de telefoon. ‘Alles oké?’ vraagt Walter als hij haar schorre stem hoort. ‘Ik heb net een moord gepleegd, verder alles oké!’ ‘De kreeft?’ ‘Het beest hield zich koest, maar ik denk dat de buren mij konden horen. Ik maak nooit nog kreeft!’ ‘Als het maar lekker is,’ lacht Walter, ‘Ik zal over een uur thuis zijn.’ Farahilde werkt de kreeftensla af. Daarna trekt ze zich terug in de badkamer onder een wolk schuim. Toen ze het huurcontract van hun rijtjeswoning opzegden, hadden ze over het hoofd gezien dat ze de vloerverwarming in hun nieuwe huis niet meteen mochten opstarten. Dat mocht pas een maand nadat de tegels waren gelegd. Overmorgen is het zover. Ondertussen wonen ze in de keuken waar ze het met bijzetkacheltjes warm proberen te krijgen. Maar de thermometer wijst amper zestien graden aan. Gelukkig kunnen ze af en toe naar de badkamer vluchten. Een extra radiator verspreidt daar wel een zalige warmte. Ze wrijft zich met een zachte handdoek droog. Haar huid gloeit. Dan smeert ze haar hele lijf in met lichaamsmelk en brengt ze make-up aan. Ze kiest haar frivoolste lingerie uit, trekt er een strakke jeans over en wel drie truien. Een bloemensjaaltje en grote parelmoeren oorbellen zorgen voor de finishing touch. Ze voelt zich een eskimo in feestkledij, maar ze mag gezien worden. Uit een kartonnen doos, diept ze hun trouwservies op en schikt het op de keukentafel. Naar de wijnglazen moet ze lang zoeken. Ze werkt de tafel af met papieren servetten vol harten en theelichtjes. Als ze het laatste kaarsje aansteekt, draait de achterdeur open en staat haar liefste daar met een grote bos rode rozen. Hij kust haar in haar nek.  ‘Fijne Valentijn!’ Terwijl hij snel een douche neemt, en zijn maatpak wisselt voor een warme fleece, legt ze de laatste hand aan de aperitiefhapjes. Walter zet Vaya con Dios op en ontkurkt de champagne. Farahilde tovert het ene exquise gerecht na het andere op tafel. ‘Dat verdient hier een Michelinster,’ paait Walter haar. ‘Als je niet naar de vuile afwas op het aanrecht kijkt’. Naarmate er meer wijn vloeit, vergeten ze de kilte in huis, en kunnen de kale witte muren, de vele dozen die nog moeten uitgepakt worden en al wat ze nog moeten afwerken hen niet meer deren. Als Farahilde de ‘flensjes  Cupido’ opdient en ze er de laatste fles voor vanavond bij kraken, kruipen ze dichter bij elkaar. Even later verdwijnen ze naar boven. Onder de dikke dons pellen ze langzaam hun vele lagen kleren af. Eerst knuffelen ze kalmpjes. Algauw wordt hun bed een vulkanisch landschap met wel erg veel geothermische activiteit. Uiteindelijk dommelen ze in mekaars armen in.   Vanavond is er geen vulkaanuitbarsting.             Benevelde velden   Haar vader zit met zijn ogen gesloten in de relaxzetel bij het raam.  De vingers van zijn linkerhand liggen dichtgevouwen op zijn buik, zijn duim gestrekt erbovenop. Al weken houdt hij zijn hand zo. Op het tafeltje naast hem staat een tas koffie. ‘Hij heeft soep met een boterham gegeten,’ zegt haar moeder, ‘Maar de korsten krijgt hij niet meer binnen.’ Ze staat aan de eettafel en propt papieren in haar handtas. ‘Ik hoop dat hij nog wat drinkt.’ Farahilde loopt haar voorbij. ‘Ik zal het hem vragen.’ Ze buigt zich naar haar vader toe en drukt een zoen op zijn koude wang. Hij slaat zijn ogen naar haar op. Haar moeder neemt haar jas. ‘Hij heeft bijna de hele voormiddag geslapen.’ ‘Dan zal hij nu wel uitgerust zijn. Dan kunnen we goed babbelen, he, Va.’ Haar moeder staat al in de deuropening. ‘Ik moet naar de notaris. Het kan dus zijn dat ik lang wegblijf.’ Ze trekt de deur toe. Farahilde doet haar jas uit en zet zich op de sofa vlak naast haar vader. ‘Heb je dorst?’ ‘Nee. Maar ik zal maar drinken of ze wordt kwaad. Ze is altijd kwaad tegenwoordig.’ Zijn hand graait naar de tas. Farahilde houdt ze voor hem vast en brengt ze naar zijn lippen. Hij nipt eraan. ‘ ’t Smaakt niet. Niks smaakt nog.’ ‘Amai, en gij die zo graag gegeten hebt. Dat moet erg zijn.’ Hij duwt de tas weg. … ’t Is schoon weer, he?’ Hij probeert zich naar het raam te draaien. Zijn gezicht vertrekt. ‘Ik zie er niet veel van.’ … ‘Is er nog bezoek geweest?’ ‘Ja, Greet met haar hond. Hoe heet die weer?’ ‘Jules.’ ‘Ja, Jules, maar die is niet binnen geweest.’ … Hij hangt half uit de zetel. Zijn gezicht vertoont een grijns. ‘Zit je nog wel goed?’ Ze gaat naast hem staan en probeert hem rechter te zetten. Hoe ze ook sleurt, het lukt haar niet hem in een comfortabele houding te brengen. … Zijn ogen vallen telkens opnieuw dicht. De dingen die nog gezegd moeten worden, maken de lucht rondom hen zwaar als beton. Haar hersenen kronkelen tegen lichtsnelheid om een manier te verzinnen om ze uitgesproken te krijgen. Uiteindelijk waagt ze het erop. ‘Heb je er nooit aan gedacht je levensverhaal op te schrijven?’ ‘Gedacht wel. Maar ik zou niet weten hoe ik moet beginnen.’ ‘Waarom heb je het niet aan mij gevraagd?’ ‘Je weet niet hoe moeilijk dat is, zeker, al wat je uitgestoken hebt aan je eigen dochter vertellen?’ ‘Er zijn toch ook goede dingen?’ ‘Ach...’ ‘Ik heb anders wel vragen.’ Hij spert zijn ogen wijd open. ‘Ge zijt kwaad op nonkel Marcel. Waarom?’ ‘Nonkel Marcel is dood. Daar moeten we niet meer over praten.’ ‘Maar ik wil het wel weten.’ Hij zucht. ‘Hij heeft mijn ouders heel veel verdriet gedaan. Meer zeg ik niet.’ Zelf heeft ze ook wel iets over nonkel Marcel te vertellen. Maar kan ze hem dat in zijn laatste weken nog aandoen? Dan wordt hij nog kwader. Moet hij daar nu nog zijn energie in steken? Ze twijfelt, maar zwijgt ook. … ‘Hoe heb je ons moeder leren kennen?’ ‘Mijn vriend was zot van haar vriendin. Toen we hen op de bus naar Mechelen zagen zitten, zijn we ze achternagelopen. Tussen mijn vriend en die vriendin is het nooit iets geworden. Maar tussen mij en haar dus wel.’ ‘Kende je haar al lang toen ze zwanger werd?’ Hij denkt diep na. ‘Een half jaar ofzo.’ ‘Hoe kwam dat dan?’ ‘Ik wilde ook eens iets doen. Ik wist niet dat je daar kinderen van kon krijgen.’ Farahildes mond valt open. Waren ze in de jaren zestig nog zo achterlijk? ‘Heb je dan geen abortus willen laten doen?’ ‘Nee.’ Voor het eerst deze namiddag klinkt hij vastberaden. ‘Nooit.’ Het dubbele kan de leugen niet verbergen. Tegen beter weten in vraagt Farahilde: ‘Heb je dan geen spijt?’ ‘Nee. Helemaal niet.’ Hij wijst naar zijn koffie. ‘Die is koud geworden.’ ‘Geeft niet.’ Farahilde houdt de tas tegen zijn mond. Hij slurpt ze helemaal leeg. Daarna valt hij in slaap. Ze bekijkt hem van top tot teen. Zijn huid is vaal alsof er een laag was over ligt. Wat zou hij echt gedacht hebben toen hij onverwachts vader werd? Zij heeft haar kind bewust gewild. Ze was ervan overtuigd dat ze het allemaal ook veel beter dan haar ouders zou doen.   ‘Weet dat je wordt bemind en gesteund op deze reis,’ fluistert Farahilde tegen het kind dat Walter in haar armen legt. Ze drukt hem dicht tegen haar borst, streelt zijn bolle wangen en de haartjes op zijn hoofd, en glimlacht. ‘Welkom, Johannes!’ Nu pas valt het mistdeken, dat haar de voorbije uren omwikkelde, af en beseft ze dat dit kind het hare is. Dat zij hem op de wereld heeft gezet en de rest van haar dagen voor hem zal zorgen.   Rond half zes wordt ze wakker door een immense plas water die uit haar vagina gutst. Ze stoot Walter aan. ‘Lap, het is van dat!’ Het duurt even voor hij zijn ogen open krijgt. Dan springt hij uit bed en haalt meteen het beddengoed af. Terwijl zij onder de douche staat, dweilt hij de slaapkamer. Ze nemen de koffer die ze pas gisterenavond heeft klaargezet en rijden langs benevelde velden en lege straten naar het ziekenhuis. ‘Goeiemorgen. Mijn water is gebroken,’ zegt ze tegen de receptionist. ‘Ik heb gebeld,’ vult Walter aan, ‘Het is voor een keizersnede.’ ‘Waarschijnlijk toch. Eergisteren lag ons kindje nog dwars. Ik heb hem nog voelen bewegen, maar of hij genoeg gedraaid is om gewoon te kunnen bevallen…’ ‘Wacht hier even. De verpleegster haalt jullie zo meteen op.’ Een vrouw in een wit pak brengt hen naar de verloskamer. Farahilde krijgt een riem om haar bolle buik. Zodra die met de monitor verbonden is, zien ze hun kind op het scherm. ‘Het hartje klopt normaal,’ stelt de verpleegster hen gerust. ‘Er is ook nog voldoende vocht in de vruchtzak. Maar ik denk niet dat hij gedraaid is. De dokter zal straks uitsluitsel geven. Zij is nog niet aanwezig. Heb je weeën?’ Farahilde schudt haar hoofd. Dan valt de blik van de verpleegster op Farahildes handen. ‘Jij hebt rode nagels! We moeten de huidskleur onder je nagels kunnen zien.’ Ze loopt weg en komt terug met een pot aceton en een pak watten. Terwijl ze op de gynaecoloog wachten, verwijdert Farahilde het rode kleurtje. De baby ligt inderdaad nog steeds dwars. Farahilde wordt naar de operatiezaal gereden. Walter loopt er achteraan. Eerst moet ze op haar zij gaan liggen en krijgt ze een spuit in haar rug. Dan zetten ze een hoge tafel met een groen tafellaken over haar buik. Die beneemt haar alle zicht. Walter houdt haar hand stevig vast. Plots komt een straal pipi boven de tafel uit. De dokter en haar assistent lachen. ‘Proficiat, mevrouw!’ Een verpleegster toont een kind in een doek. Farahilde strijkt met een vinger langs zijn gezichtje. Dan is de verpleegster alweer weg. ‘Kom maar mee, papa!’ Walter volgt haar tot achter een glazen wand. ‘Drie kilo honderdnegentig,’ roept iemand, ‘achtenveertig centimeter, apgarscore tien-tien-tien.’ ‘We gaan al naar de kamer,’ komt Walter zeggen. Hij zoent Farahilde. Een vertwijfelde blik. ‘Tot gauw.’ De dokters trekken en duwen aan en in haar buik. Dan rollen ze haar de recoveryroom in. Naast haar staan twee bedden met slapende mensen. Voor haar hangt een klok met wijzers die abnormaal traag tikken. Ze probeert ze met haar ogen te verschuiven. Pas na uren brengt een verpleegster haar naar de kamer waar Walter met de baby op haar wacht.   Ze drukt het kind nog dichter naar zich toe. Walter kruipt tegen haar aan. Hij schuift zijn vinger in het vuistje van de baby. Zo zitten ze daar een hele tijd met drie in één cocon. Een verpleegster verstoort de stilte. ‘Heb je de baby al aangelegd?’ ‘Hij slaapt.’ ‘Hij moet toch eten. Hoe sneller je hem aanlegt, hoe beter voor de melkproductie.’ Walter verhuist naar de stoel aan het raam. De verpleegster maakt het operatieschort los en trekt het naar beneden. Ze verschuift het kind zodat zijn lippen de moedertepel raken. Er gebeurt niets. De verpleegster neemt de borst in haar handen en duwt ze in de kindermond. ‘Ondersteun ze zelf met je vrije hand.’ Zacht tikt ze enkele keren tegen de wang van de baby. De jongen sabbelt even. Haast meteen valt hij weer in slaap. ‘Blijf tikjes geven,’ spoort ze Farahilde aan. ‘Als hij een beetje heeft gedronken, probeer je de andere borst.’ Ze verlaat de kamer. Johannes dommelt meteen weer in. Farahilde probeert hem met tikjes te wekken.  Ze duwt haar tepel naar zijn mond toe. Walter komt weer dichterbij zitten. Als hij over de wang van de jongen wrijft, tuit die even zijn lippen. Veel melk krijgt hij echter niet binnen. Na een poosje proberen ze de andere kant. Ze krijgen het kind niet goed gelegd en hij vindt de tepel niet. ‘Ik kan het niet,’ zucht Farahilde. Uiteindelijk bellen ze om hulp. De verpleegster legt een kussen onder Farahildes arm. Enkele tikjes op de wang en de baby zuigt. De verpleegster lacht. ‘Maak je geen zorgen. Als hij niet genoeg drinkt, geven we hem straks wel suikerwater.’ Farahilde trekt grote ogen. Ze hoort de moor fluiten en de lepel, waarmee Moéke de suiker onder het kokende water roerde, in het glas rinkelen. Speeksel vormt zich net als toen in haar mond. Het was lang wachten tot het water weer wat afgekoeld was en haar mierzoete troost kon brengen. Een voorrecht dat je alleen ten deel viel als je ziek was. Haar kersverse kind is niet ziek. Hij is moe. En zijzelf is te stom om hem te kunnen voeden. ‘Dat wil ik niet,’ zegt ze. De verpleegster heeft de deurklink al vast. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Hij heeft toch iets nodig om aan te sterken.’ Om beurten duwen Farahilde en Walter de tepel tussen de lippen van de jongen. Na een poos neemt Walter zijn zoon over en legt hem in het plexiglazen bedje naast het raam.  ‘We proberen het straks wel opnieuw. Hij is te moe nu.’ ‘Ik wil niet dat hij met suiker groot wordt.’ Wat later verschijnt het hoofd van de verpleegster in de deuropening. ‘Is het gelukt?’ ‘Ja!’ knikken Farahilde en Walter gelijktijdig.   Haar vader kreunt. Ze probeert hem weer gemakkelijker te zetten. Hij houdt zijn ogen gesloten. Jij gaf Johannes wel suiker. Maar ook verhalen en fantasie. En jullie moesten altijd zo hard lachen samen. Je hebt hem meer gegeven dan ik zelf had gekund. Ze legt haar hand op de zijne. ‘Je was de beste grootvader die we ons maar hadden kunnen dromen.’                                           & 14 december 1964   Amai, wat ben ik moe van dat kort stukske van ’t Rerum tot hier! Gelukkig heeft de onderpastoor aan de doeken gedacht. Zo moet ik niet meer rondhossen om ze op tijd in de zaal te krijgen. Ik schenk een tas koffie uit en zak neer in mijn zetel. De Vrouwengilde zal content zijn met het toneeltje dat ik morgen opvoer op hun feest. Ik steek een sigaret aan. Tiens, ze smaakt me niet. Dat is ook de eerste keer. Ik druk ze weer uit. Mijn borst doet zeer. ’t Is alsof het schuldgevoel dat ik al zo lang meesleur er tien keer zo hard op drukt als anders. Geen mens die daar een gedacht van heeft. Mijn moeder zaliger, ja, die voelde dat er iets was. Iets anders dan de gruwelen die alle soldaten aan het front hebben meegemaakt. Ze was ambetant omdat ik niet wilde zeggen wat er scheelde. Maar wat had ik kunnen zeggen? Ze had het toch niet kunnen begrijpen. Kan ooit iemand het begrijpen? Zal ooit iemand snappen dat ik niet ben wie de mensen zeggen dat ik ben? De jongeman die missionaris zou worden, maar na de oorlog niet naar het missiehuis is teruggekeerd. De zoon die met zijn zuurverdiende oorlogscenten een woning voor zijn ouders kocht. De ijverige ambtenaar bij de Spoorwegen. De knaap die met ‘Moeder Maria’ uit de processie is getrouwd.  De brave familievader die vanuit zijn zetel aan het raam zijn kroost stil in de gaten hield. De vrome man die zijn gat vanonder zijn lijf liep voor de pastoor en de kerkfabriek. Het manusje-van-alles in de vele verenigingen van het dorp. Zal ooit iemand de man kennen die ik echt ben en die ik nooit heb willen zijn?  De man die niet eens had mogen bestaan. In de keuken rammelt ons moe met potten en pannen. De geur van  gesmolten boter die wel bruin wordt, maar net niet aanbrandt, komt de kamer binnen. Terwijl ik dat anders zo graag riek, word ik er nu mottig van. De zeer in mijn borst wordt ook erger. Ik moet overgeven. Ons moe komt afgestoven. Ik zie nog de paniek in haar ogen. En dan valt het doek.   h Haar eigen paar   Zodra ze de kamer binnenstapt, voelt ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen zijn. De lucht is dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vult. ‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zegt Rebecca terwijl ze een kop thee inschenkt. Farahilde tuit haar lippen. Ze wil iets zeggen, maar de woorden stokken in haar keel. Haar hele leven al morrelt ze maar wat aan. Ze heeft het gevoel dat ze met een rem op leeft. Dat wil ze niet langer. Ze heeft al zoveel geprobeerd… Ze heeft al zoveel geleerd…, maar slaagt er niet in er echt iets mee te doen. Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend heeft ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’ Ze begreep geen snars van de antwoorden die haar voorouders haar stuurden. Hopelijk kan Rebecca helpen om het duidelijk te maken. Ze neemt een slok van haar thee. ‘Je wil dus weten waarom je voortdurend remt,’ begint Rebecca. Farahilde wipt van haar ene been op haar andere.

veerle schaltin
8 0

Zomer, herfst, winter, lente en opnieuw..

Beste Jasmien,   Ik had er wel al eens over gehoord. Ik was er nog nooit langs geweest. Ik passeer er nooit. Eerlijk gezegd is het niet zo heel ver vanwaar ik woon. Toch, het vraagt een inspanning. De laatste kilometer is de baan smal. Hoffelijke chauffeurs stoppen waar er een inham is. De openingsuren zijn beperkt, het aanbod onzeker. Maar het is het waard. Ik heb het over de Seizoenschuur. Een boer en boerin met lef. Jeroen en Delfien, een jong koppel, startten een aantal jaar geleden een landbouwbedrijf op, met bijhorende hoevewinkel. Het woord -landbouwbedrijf-  vat het niet naar mijn gevoel. Helaas vind ik ook geen passender woord. Voor sommige concepten schieten woorden dan ook te kort. Ik doe een poging om de ervaring met je te delen. Via een wekelijkse nieuwsbrief schrijven ze over de stiel en de taken die ermee gepaard gaan. Ze wieden, zaaien, oogsten dag in dag uit. Ze laten de ooien grazen, de kippen scharrelen. Ze duimen voor juiste weersomstandigheden. En dan staan ze vol enthousiasme in hun winkeltje.  Ze verkopen met trots de seizoensgroenten en geven met plezier nog wat uitleg erbij. Ik geraak er niet zo vlug. Maar ik ga er zo graag heen. Als ik me wat somber voel, kom ik er gegarandeerd blij van terug. En als ik er blij heen ga, kom ik er buiten met vleugels. Ze geven aan mij veel meer dan enkel groenten. Tussen de bloemkool en de warmoes zit een halve kilo energie. Tussen de tomaten en de sla zit er een bussel kracht. Zomaar. Een weerkerende ontmoeting, zo nu en dan, die mijn dagen op deze wereldbol kleuren. Zo heb ik ze graag. Ik koester ze en zoek ze op. Als de keukenprinses in mij niet in slaap gevallen is. Katrijn

Trijn
1 0

Zoeken naar woorden - opdracht 8 - Marieke

Inhoud   In de prille lentezon       2016.  Aan de Schoolpoort & bovenop het stapelbed        1981. 5 Onder de moerbeiboom             2014. 8 Achter de boeken                           1985. 12 Onder de torens            1988. 14 Tussen de dekens           1997. 16 Langs de kustlijn          2015. 19 Dwars door de keuken        1998 – 2008 -2018. 22 Aan het meertje (to do)         2016 juni 27 Pal voor het bed (to do)        2001. 27 In de plaaster (to do)       2016 dec. 27 Aan zee (to do – herinnering van anderen)   1981. 27 Door de muren (to do)        2017 - 2011. 27 In de spiegel (To do)        2018. 27     Met dank aan Creatief Schrijven, Erik Vanhee en Mieke De Veuster voor de leerrijke masterclass Autobiografisch schrijven. Met dank aan mijn medeschrijvers voor het meeleven en -lezen en de feedback: Hendrik, Jan, Haddie, Kristien, Vera, Ludo, Elisabeth, Veerle, Sabine, Esther en Tamara. En in het bijzonder aan Adinda voor de tussentijdse aanmoedigingen en verdiepende gesprekken. Ook dank aan de vrienden die mee naar de woorden zochten en wilden nalezen. In het bijzonder: Ellen, Isabel en Barbara. Tot slot ook dank aan wie mee mijn levensverhaal schreef, maar er tot nu toe nog niets van te lezen kreeg: mijn ouders, mijn stiefouders, mijn volle-, half- en stiefbroers en mijn stiefzus. Ook mensen die er niet meer zijn: mijn grootouders en Sin. Denis ben ik dankbaar voor de manier waarop we nu apart maar samen onze kinderen opvoeden. Het grootste stuk dankbaarheid gaat uit naar Zoë en Tibbe, mijn prachtige kinderen. Zij zijn mijn inspiratie, spiegel, stressmeter, energiebron en twee zonnetjes in mijn leven. Borgerhout, mei 2018       In de prille lentezon                                                                  2016   Ze hadden hem samen tot in kamer 159 gebracht, zijn valies helpen uitladen en zijn tandenborstel in het bekertje gezet. Zij had zich bij het afscheid op de achtergrond gehouden, de kinderen een duwtje in de rug gegeven. Hij had hen allebei heftig tegen zijn borst aangedrukt. Met zijn blik op haar gericht. Smekend. Op de terugweg had zij de kinderen bij vriendjes afgezet, om hen de afleiding en zichzelf wat rust te gunnen. De stilte overvalt haar als ze weer thuiskomt, omhult haar als een deken en smoort haar onrust. Geen kinderstemmen, geen radio, geen geroep of gehuil. Hoe lang was dat geleden? Ze voelt de vermoeidheid van haar voeten tot in haar hoofd kruipen. Loopt meteen door naar de slaapkamer. Ze zet de dubbele terrasdeuren wijd open om licht en lucht overvloedig binnen te laten stromen, trekt de lakens van het bed en gooit die in de wasmand. Met een oude keukenhanddoek veegt ze het mosgroen laagje van de ligzetel op het dakterras. Ze legt zich languit in de prille lentezon en sluit de ogen. Het suist in haar oren, de beelden van de vorige dagen flitsen voorbij. Een loodzwaar gewicht van de afgelopen periode drukt haar op de zetel neer. Het was een slopende aanloop naar de moeilijkste beslissing uit haar leven geweest. De bittere noot was gekraakt. Ze kon niet anders, wist dat het moest gebeuren. Al zou ze het op haar manier doen. Ze zucht. De spanning heeft zich vastgezet in haar lichaam. Als ze voorzichtig rondjes draait met haar schouders, trekken de spieren stram tot waar haar nek haar schedel raakt. Haar schouderbladen kraken. Zodra de zon haar huid zachtjes warm likt, voelt ze het gewicht langzaam van zich afglijden. Ze ademt diep in en laat de lucht voorzichtig langs haar lippen stromen. Alsof ze nog niet helemaal durft uit te ademen. Een behoedzame glimlach verschijnt op haar gezicht. Straks zal ze voor het eerst sinds vele nachten terug in haar eigen bed slapen. Van alle scenario’s die er lagen, lijkt het best denkbare zich nu te ontplooien. Al die nachten kamperen in de living heeft dan toch iets opgebracht. Die ochtend tien dagen geleden, hoorde ze voetjes van de kinderkamer trippelen naar hun bed aan de andere kant van de gang. Daarna de paniek in zijn stem terwijl hij terugliep naar hun stapelbed en zijn zus wekte: ‘Mama is er niet!’. Haar geruststellende woorden: ‘Misschien is ze beneden, ik hoorde hen gisterenavond nog’. Gehaast maar voorzichtig zette hij zijn blote voeten op de koude trap. Hij kon niet wachten tot hij beneden was, boog zich voorover en tuurde tussen de metalen treden door, de living in. Zo keken moeder en zoon elkaar in de ogen. Opgelucht rende hij de trap af, sloeg zijn armen om haar heen en kroop mee in de slaapzak. Op een geïmproviseerd bed van twee grote kussens had ze een bijna slapeloze nacht doorgebracht. Ook zijn zus was snel beneden en schoof zo goed en zo kwaad als het ging mee bij hen aan op de kussens. Met haar twee kinderen in de armen, dicht tegen zich aan, zocht ze de woorden om hen te vertellen wat er hun gezin te wachten stond. Haar tienjarig meisje had het al voelen aankomen. Had er voorheen zelf naar gevraagd en een oprecht antwoord gekregen. Ze had zelfs begrip getoond. Bij haar zoontje drong het bericht die ochtend voor het eerst duidelijk door. Een zucht, meer van opluchting dan van verdriet, ontsnapte hem. Alsof hij toen ineens begreep wat hij al zo lang aanvoelde maar geen woorden kon geven: de echte reden van zijn onverklaarbare woedeaanvallen, de spanning die hij voelde trillen in huis maar niet kon duiden. ‘We zijn al met zo veel kinderen van gescheiden ouders in de klas.’ Hij telde luidop, kwam aan tien vingers. ‘We zouden een praatgroepje hierover moeten hebben! Dan leren we van elkaar.’ En zo werd de kiem gelegd van het groepje met een tiental tweedeklassers. Samen zouden ze hun ervaringen zouden over twee huizen, bezoekregelingen, ruzies en wisselmomenten. De dagen die volgden zwalpte hun vader als een wrak in huis rond. Zij hield het roer in handen. Zo kon dit niet blijven duren. Ze ging met de kinderen op stap en zag de bloesemknoppen paraat om open te barsten. Keek rond naar huurhuizen, al wist ze dat het geen haalbare kaart zou zijn om een dubbel huishouden met enkel haar loon te onderhouden. Ze vond een leuk plekje via Airbnb aan het plein voor de school. Dat zou korte termijn soelaas kunnen bieden. En toch wilde ze haar kinderen niet uit hun vertrouwde huis wegrukken en kon ze hen in deze toestand niet alleen bij hem laten. Zij slikte, slikte nog eens maar hield zich recht. Voor de middag kwam hij, zoals gewoonlijk, niet uit zijn bed. De rest van de dag hing hij als luie Wanja tegen de verwarming aan, snikkend, smorend, snotterend met af en toe luide uithalen van verdriet. Het kwam dubbel bij haar binnen: dat schuldgevoel ook naar haar kinderen, die ze dit soort scènes wilden besparen.   Die avond, toen ze al vijf dagen op de kussens sliep, had ze de kinderen in bed gelegd en zich uit huis aan een goed gesprek met een vriendin gelaafd. Ze geneerde zich voor de onverwachte zweetaanvallen die haar deze dagen parten speelden. Dan liep haar gezicht en hals helemaal rood aan en voelde ze de natte kringen in haar T-shirt groeien. Een onbekende ervaring die op café tamelijk vervelend kon zijn, ze voelde zich dan bekeken. Wat zouden de mensen van haar denken? Ze wilde op zulke momenten helemaal verdwijnen. Later terug thuis, liep ze meteen door naar de badkamer, gepoetst en opgefrist trok ze een vers gewassen pyjama aan en kroop in de living in haar slaapzak. Hij knielde neer en zette zich naast haar tijdelijk nest, hij smeekte om weer naar boven in bed te komen. Wat moest hij doen om haar weer voor zich te winnen? Die vraag kwam te laat. Hij strekte zijn hand naar haar uit om een haarlok uit haar gezicht te vegen. Maar zij weerde dit gebaar af. ‘Laat je helpen’ was het enige wat ze op dat moment nog aan hem kon meegeven. Hij droop af. Ze had geen illusies meer. Deze boodschap had ze al zo vaak gegeven. Maar deze keer drong het door. Hij besprak het met zijn psychiater en samen waren ze er snel uit. Hij kon enkele dagen later terecht in de PAAZ, bij hun kinderen beter gekend als ‘de spoed voor mensen die ziek zijn in hun kop’. ‘Ik laat me opnemen. Maar geef me dan nog een kans’ zei hij vlak voor zijn vertrek. ‘Ik kan niets beloven’ was haar oprechte antwoord, meer dan dat kon ze op toen niet zeggen. Ze moest nog leren voelen wat er kon en wat niet meer. Daarnet hebben ze hem in het ziekenhuis afgezet. Nu laat ze de zorg over aan professionelen. Voor even is er een oplossing, dat geeft ademruimte. Ze blokt de onoverkomelijke gedachte nog af, dat hij snel de weekends vrij zal krijgen en weer voor de deur zal staan. Hoe zullen ze dan leven in datzelfde huis? Even is zij, voor het eerst sinds lang, alleen in huis. Haar thuis waar ze de laatste jaren van wegliep, vluchtend in werk en engagement. Ze ademt weer, ze bekomt, nu geniet ze. Straks legt ze verse lakens en slaapt verfrist in haar eigen bed. Alleen.     Aan de Schoolpoort & bovenop het stapelbed                                             1981   Aan de schoolpoort                                                                                                        –            de vader Een grote man staat vrijdagnamiddag te wachten aan de schoolpoort. Zijn vriendelijke gezicht is omrand met een getrimde baard en snor. Hij draait zijn hoofd weg van de mensen en kijkt naar zijn voeten. Boze blikken prikken in zijn rug, hij hoort gefluister achter zijn schouders. De poort opent en de ouders stromen naar de speelplaats door. Het schoolgebouw is een statige herenwoning met een grote tuin, waar achterin twee barakken als kleuterklassen dienstdoen. Wanneer de deur van de klas op een kier wordt gezet, herkent hij meteen de licht hese roep van zijn zoon. Ongeduldig staat die te trappelen om de speelplaats op te rennen. Maar de juffrouw maant hem tot kalmte en schudt rustig elk kind een voor een de hand ten afscheid. Zodra hij buitenkomt stormt de kleuter op zijn vader af. Die pakt hem op en gooit hem in de lucht. De jongen krijst van opwinding als zijn vader hem weer opvangt. Als hij landt, loopt het kind de tuin weer in en klimt meteen met zijn vriendje op een breed vertakte boom. De kleuterjuf passeert, kijkt de vader met een verwijtende blik aan en loopt hem voorbij zonder groeten. Opgewonden stemmen klinken intussen uit het grote gebouw waar de schooldag nu ook eindigt voor de vierde klas. De vader kijkt zoekend naar de jongens en meisjes die druppelsgewijs de brede trap aflopen. Een meisje in een blauwwit gestreepte salopette tuurt geconcentreerd naar haar voeten terwijl ze op één been, trede per trede naar beneden springt. Zodra hij haar blik kan vangen, vergeet ze het spel, gaan haar ogen stralen en breekt een glimlach haar gezicht open. Ze loopt op hem toe. Hij pakt haar op en wang aan wang houden ze elkaar stevig vast. Even lijken zij in een zeepbel te leven, weg te zweven van de wereld rondom hen. Een vriendinnetje roept haar naam, ze draait haar hoofd en de blonde staartjes zwiepen langs zijn baard. De bel spat uiteen, hij staat weer alleen op de speelplaats. Met aan elke hand een van zijn kinderen wandelt de man even later de schoolpoort uit.  Als ze andere ouders passeren, draaien de hoofden mee met het trio. De vader moet het jongentje stevig vasthouden om te voorkomen dat die in zijn enthousiasme de straat oploopt. Het meisje hinkelt tussen de lijnen van de stoeptegels door. Zo kent hij zijn dochter: ze wil het helemaal onder de knie krijgen, zoals bij elk nieuw spel dat op de speelplaats zijn intrede doet. Hij neemt hen mee naar zijn nieuwe woonst, waar hij naartoe had moeten vluchten. Het was niet zijn keuze geweest. Maar eenmaal daar had hij de opluchting gevoeld. Hier konden zijn nieuwe leven en liefde een plek krijgen. Hij neemt zich voor het gemis van zijn kinderen ruimschoots en met onverdeelde aandacht in te halen.   Bovenop het stapelbed                                                                                                 -             zijn dochter Als ze aankomen in de onbekende straat haalt haar vader een mooie blinkende sleutel boven. Hij moet trekken en duwen aan de afgebladderde voordeur om ze open te krijgen. De kinderen volgen hem in de donkere gang. Drie brievenbussen klepperen nog na als ze de trap opgaan. Zodra de deur van het appartement op de eerste verdieping opent, worden ze verblind door het licht dat uit de voorkamer binnenvalt. De zon staat daar pal op het hoekraam. Witgeschilderde muren en vloeren. Een blankhouten tafel met vier stoelen. Er hangt een scherpe geur van dat gevaarlijke product waar haar vader zijn verfborstels in zet. White spirit. Ooit heeft haar broertje ervan gedronken. Ze herinnert zich nog de paniek, de sirenes van de ziekenwagen voor de deur. En dan het eeuwige wachten, alleen in de auto op de parking van het ziekenhuis -want kinderen mochten niet binnen in de intensieve afdeling. Dan was ze naar haar grootouders gebracht. Waar ze samen hadden gewacht tot het nieuws kwam dat alles goed zou komen. Aan de andere kant van de woonkamer staat een ezel met een leeg doek dat op een kader is gespannen. Als ze beter kijkt, ziet ze al enkele dunne lijntjes van het schilderij dat nog moet ontstaan. Er ligt een schilderspalet op een kruk. De mengelmoes van kleuren trekt haar aandacht. Ze kan het niet laten er even aan te voelen. Verder is er in de kamer niets. Zelfs geen gordijnen. De overburen kunnen zo naar binnen loeren. Vanuit het raam kijken ze uit op de grote bladeren in de vorm van harten. Er hangen perfect ronde bolsters in met scherpe piekjes. De stam is afgebladderd, gevlekt. Zoals een camouflagepak van het leger. Daaronder beweegt het voortdurend op de Leien. Ramen openen gaat niet, door het lawaai en de stank van het drukke autoverkeer. Als vieruurtje proeven ze een koffiekoek van de bakker hieronder, op de gelijkvloers van dit huis. Een koek met chocoladedakje, gevuld met pudding. Ze drinken een glas heel zoet, goudgeel appelsap. Dan vraagt haar vader om hem te volgen. Het enige kamertje dat niet aan de drukke Leien grenst, zal hun slaapkamer worden. De kinderen helpen een vers pakket van Ikea openscheuren. Ze houden de rode metalen spaken recht, terwijl hun vader met schroeven en sleutels in de weer is. Twee lattenbodems worden boven elkaar in het frame gehangen, matrassen uit hun plastieken cover gehaald, lakens, kussens en slopen opgeschud en gedrapeerd. ‘Ik wil boven’ roept het jongentje enthousiast, nog voor de ladder stevig staat gemonteerd, is hij er al op gekropen. ‘Neen ikke!’ zegt zijn zus. Ze bekvechten over wie waar zal slapen. ‘Ssst, geen geruzie, jullie kunnen om beurt’ sust hun vader. ‘En dan in haar vuile lakens moeten slapen?’ Het broertje knijpt zijn neus tussen duim en wijsvinger en maakt er een grimas bij. Zijn zus trekt haar schouders op en legt zich op het onderste bed. Alles ruikt naar nieuw. ‘Slaapwel’ zegt ze. Op klaarlichte dag draait ze zich op haar zij. Vanop het bed boven haar klinkt dezelfde boodschap in echo. Ze snurken om ter luidst en proesten het uit. Met een luide geeuw strekt het negenjarige meisje haar armen. ‘Ik heb zo wa-wa-wa-waanzinnig gedroomd’ zingt ze uit volle borst. ‘Ik werd door ka-ka-ka- kadoo’s overstroomd’ valt haar broertje in. ‘hihihi, kaka!’ Hij klautert de ladder af. De geur van gebakken vlees lokt hen naar de keuken. Ze gaan samen kijken naar hun vader die intussen achter de potten staat. Er is een groot raam, maar toch dringt er zelfs op deze zonnige dag amper licht in deze ruimte door. Op nog geen twee meter van het venster begint de muur van het huis ernaast. Als ze het raam opent, om door de smalle koker naar boven kijken, ontwaart ze met moeite een stukje blauwe lucht. Op het koertje een verdieping lager hoort ze geritsel. In een flits ziet ze een rattestaart tussen de stapels dozen en vuilzakken verdwijnen. ‘De tafel mag gedekt worden’ zegt de vader, terwijl hij naar de keukenkast wijst ‘daar staan de borden en in hier ligt het bestek.’ De kartonnen doos van dit Number One starterspakket voor de keuken zet hij bij de rest van het oud papier in de gang.  Het meisje neemt voorzichtig het witte servies uit de kast en plaatst de borden op tafel. Twee naast elkaar en eentje ertegenover. Zoals altijd moet ze even nadenken, waar ze nu weer het mes en de lepel moet leggen. Haar tong glijdt langs de binnenkant over haar tanden. Daar waar die ene boventand naar achter zit. Dat is links, waar de vorken komen. Ze zet een stap achteruit en kijkt. Schud haar hoofd. Er klopt iets niet, ze mist iets. Ze verzet een stoel naar de kop van de tafel en verschuift de borden totdat ze een mooie gelijkzijdige driehoek vormen.     Onder de moerbeiboom                                                                             2014   Vandaag zal het de laatste keer zijn, dat de mol vrij spel krijgt in onze achtertuin. Deze middag heeft Liv overlegd met de arts. Geflankeerd door haar zoon heeft ze gevraagd om de pijn verder te bestrijden.  De medicatie zal opgevoerd worden. Wij weten allemaal, met haar steeds verzwakkende toestand, dat deze verhoging wel eens de laatste kan zijn. Of het nu een kwestie van uren of van dagen is, in ieder geval komt er snel een einde aan het verblijf van deze bijzondere gaste. Bij de diagnose had ze ervoor gekozen om zich niet verder te laten behandelen. Chemo en bestraling hadden haar leven misschien nog iets kunnen rekken, maar konden geen oplossing bieden. Deze ‘giftige’ ingrepen zou ze sowieso nooit hebben toegelaten. Zelfs bij minder noodlottige prognoses had ze die geweigerd, dat wist ze me te vertellen op een van die vele momenten dat ik haar kwam verplegen.   Toen ze iets meer dan twee maand geleden toekwam, moest ze het nog leren: ‘zich laten verzorgen’. Ze was een taaie en koppige dame die al jaren alleen woonde en gewoon was haar plan te trekken, zich te harden en eindeloos op zichzelf te bezuinigen. Met een verbeten, lichtjes verbitterd trekje rond haar mond probeerde ze zich toen zelf recht te zetten, op te staan en naar de wc te gaan. Ze weigerde hulp te vragen. Maar al heel snel kwam er verandering in haar houding. De groene omgeving deed haar weer ademen. Hoe meer ze onze zorg toeliet, hoe zachter de trekken in haar gezicht werden. Hoe zwakker haar lichaam werd, hoe stralender haar lach en haar ogen. Het was een intense ervaring om haar op korte tijd zo te zien evolueren naar iemand die gelukkig haar einde tegemoet trad. Het zijn er maar enkelen per jaar die nog zo helder van geest zijn als ze hier toekomen, die tijdens hun verblijf in onze hospice nog een mooi slotstuk aan hun leven kunnen breien. De meeste van de gasten komen pas als de medische wereld hen geen sprankeltje hoop meer kan bieden. Ze hebben vaak nog maar enkele dagen te leven en zijn soms amper bij bewustzijn. Aanvaarden dat het einde nabij is, blijft voor velen erg moeilijk. Slechts enkelen durven hun lot in de ogen te kijken en te spreken over wat er gaat komen. Nog zeldzamer zijn de naasten die dit gesprek ook durven aangaan. Liv bloeide op tijdens haar verblijf. Ze genoot met volle teugen van dat laatste slokje leven, alsof ze nu pas ontdekte hoe lekker het was. Zin in een stukje oude kaas? Ze durfde het te vragen en haar kinderen zorgden dat het in orde kwam. Een kopje advocaat én een stukje pure chocolade bij de koffie? Mosselen gaan eten op restaurant?  Voor haar was het pure luxe. Dat was meer dan twintig jaar geleden wist ze me te vertellen. Deze zomer wilde ze het allemaal nog meemaken. Oude bekenden, vrienden en familie kwamen op audiëntie terwijl zij als een koningin op haar favoriete plekje onder de moerbeiboom zat. De verweerde planken van de ronde tafel lagen verstopt onder blikken koekjesdozen, kaartjes, schaaltjes met pralines, fotoalbums, fruitsap en bloemen. Oude herinneringen werden opgerakeld en nieuwe ter plekke gesmeed. Er werden banden aangehaald en andere definitief verfoeid. Ze stond midden in het leven, net nu iedereen wist dat het voor haar snel zou afronden. Liv werd ook gevierd. Op een natte zomerdag omringde een groep intimi haar met muziek en woord. Een afscheid voor de dood. Samen. Ze zag er moe maar stralend zijn. Ik mocht erbij zijn. Op die korte tijd durfde ik me al vriend van de familie noemen. Vooral met de schoondochter smeedde ik een hechte band. Ik voelde tijdens de viering het meeslepende ritme van de taiko-drums en werd geraakt door de kwetsbare stem van haar negenjarige kleindochter. Ik kon het me amper voorstellen toen Liv vertelde dat ze zo alleen had geleefd. Ver van mensen, in verbinding met de natuur. Hoewel ze samen een intense band hadden, verliep het contact met haar beide kinderen niet altijd zonder conflict. Ze was dan ook een vrouw met een sterke mening en dat durfde wel te botsen met haar zoon en dochter. Ook tussen haar twee volwassen kinderen kon het heftig ontvlammen. Ooit moest ik tussenbeide komen in een ruzie omdat hun geroep tot in de ziekenkamers reikte. Deze zomer stond voor hen beiden honderd procent in het teken van zo veel mogelijk met hun moeder samenzijn. Dagelijks kwam minstens een van hen op bezoek. Haar zoon had met zijn vrouw en beide kinderen een stacaravan in een nabijgelegen camping gehuurd. Dit was hun vakantie. Ze waren hier kind aan huis. Vooral zijn jongste zoon had het soms moeilijk om de nodige rust in ons verblijf te respecteren. De zesjarige jongen bruiste van energie en had zijn beweging nodig. Als grootmoeder en kleinzoon samen plannetjes bekokstoofden dan zag je de vonken tussen hen beiden flikkeren. Hun pretoogjes spraken boekdelen. Zo ben ik ervan overtuigd dat zij degene was die hem had ingefluisterd dat die mollevallen nood hadden aan een grondige sabotage. Want dierenleed raakte haar meer dan gelijk welke onheil de mensheid overkwam. Onder het goedkeurend oog van zijn grootmoeder deed hij dagelijks zijn tour langs het grasveld om met een stok val per val te laten dichtklappen. Geduldig zette onze tuinman de vallen de volgende keer weer gebruiksklaar. Het groeiende aantal aardebruine bergjes op ons gazon toonde wie er in deze strijd aan de winnende hand was. In die dagen ontstond mijn vriendschap met de schoondochter. Het was er een van weinig woorden. Zij was toen vooral onzichtbaar. Ze nam haar rollen als moeder, vrouw en schoondochter voorbeeldig op. Haar drukke job als onderneemster had ze voor deze vakantie even achter zich gelaten. Maar hun tijdelijke woonst op de camping in de buurt bezorgde haar geen plezier. Ze werd van kop tot teen gekeurd door de permanente campingbewoners die vanaf het middaguur aan de bar hingen. Die brachten hun dagen door met bier, platte grappen en karaoke. In tegenstelling tot haar man die vlot met iedereen een babbeltje deed, trok zij zich achter haar boeken terug. Bij ons in de hospice voelde ze zich beter thuis. Maar ik merkte dat er binnenin iets woelde. In een droom die haar deze nachten bleef bezoeken, werd ze gewillig geschaakt. Het schuldgevoel droop van haar af toen ze die fantasie aan me opbiechtte. Ze had als kind al geleerd om in verbeelding te vluchten. Dit vertrouwde vangnet van fictie had ze voor zichzelf uitgespreid.    Vandaag is het schooljaar alweer enkele weken bezig en heeft dit gezin er een weekenduitstap van gemaakt. Ze plannen om vannacht een laatste keer in de caravan te slapen. De nachtelijke kou dringt diep binnen door de dunne wanden. Maar de zon schijnt voor de tijd van het jaar uitbundig. Na het gesprek met de dokter hebben ze zich weer geïnstalleerd onder de moerbeiboom. Naast haar stoel staat de rollator die dienstdoet als mobiel tafeltje voor haar vaste attributen: het doosje met sigaartjes, een turquoise aansteker met assenbakje, haar gsm en een klein snoeptrommetje gevuld met zoetigheid voor de kinderen. Binnen handbereik staat altijd een groot glas water, afgedekt met een siliconen groen lapje in de vorm van een blad met een bijtje op. De kleinzoon heeft zijn rondje langs de mollenvallen gedaan. Tot maandagochtend zijn die diertjes weer gered. Als ik aan de vooravond buiten kom om een andere patiënt op het aanliggende terras te verzorgen, valt me op hoe moeizaam Liv beweegt. Uitgeput draait ze haar hoofd op het steunkussen en zoekt een houding die haar minder pijn doet. ‘Zal ik de leuning naar achter doen?’ vraagt haar schoondochter. Liv knikt en sluit haar ogen. Mijn vriendin springt recht en kantelt voorzichtig de rugleuning van de rolstoel. ‘Rust maar even terwijl de kinderen weg zijn.’ De warme septemberwind doet de bladeren van de moerbeiboom ritselen, zonnevlekken dansen op haar broze huid. De schoondochter zet zich weer aan de tafel en verdiept zich in haar boek. Ze genieten allebei van de stilte nu de kinderen even weg zijn met hun vader.  Straks weer het rumoer, dan staan ze terug hier, om samen spaghetti te eten.  Liv reikt met haar dunne arm naar de vrouw en heft haar hoofd op. ‘Ik zeg het nog eens: als hij niet drastisch aan zichzelf gaat werken,’ zegt ze duidelijk, al is haar stem niet meer dan een zucht ‘moet jij voor jezelf én voor de kinderen een beslissing nemen en van hem weggaan.’ De vrouw kijkt op, zegt niets, maar knikt dat ze haar begrijpt. Ze ademt diep in, houdt de lucht even in haar longen vast, om ze dan gecontroleerd weer te laten ontsnappen. Het is alsof ze een groot verdriet wegdrukt, groter dan het nakend verlies van Liv. Het is alsof ze de consequenties van deze boodschap niet durft laten doordringen, omdat die haar hele wereld op zijn kop zullen smijten. Maar ze heeft het gehoord. Ik ben benieuwd of ze deze morele steun zal toelaten en of die haar de moed zal geven om de stap te zetten. Het is niet de eerste keer dat Liv dit zegt, vertelde ze me eerder. Wel de laatste keer. Ook aan haar zoon gaf ze meermaals dezelfde boodschap. Hoe hard moet dit niet voor een moeder zijn? Te zien dat haar zoon zijn gezin aan het verliezen is. Maar Liv kijkt verder vooruit naar het leven dat ze niet meer zal meemaken, ze kiest voor het welzijn van haar kleinkinderen.   Straks, na het eten zal Liv helemaal uitgeput zijn. Ze zullen haar naar haar kamer brengen, nog instoppen en warm afscheid nemen. Zij beseffen het niet, maar de kans is groot dat ze haar niet meer bewust terugzien, dat ze, geholpen door de medicatie, langzaam uit zal doven. Dan zal er rouw volgen. Gemis. Van haar sonate zal nu de coda weerklinken. Voor haar nageslacht begint er een nieuwe melodie.     Achter de boeken                                                                                          1985   Het is bijna vakantie. De laatste loodjes wegen zwaar voor haar moeder. Zoals elk jaar. Er wordt door de school weer gretig gebruik gemaakt van haar talenten om te tekenen én om geen neen te kunnen zeggen. In het Steineronderwijs is het de traditie om rapporten voor elke leerling persoonlijk te maken. Zonder punten maar in woord en beeld. Wat natuurlijk een bijzonder geschenk is voor elk kind en diens ouders, maar een gigantische berg werk voor de leerkrachten. Zo’n dag is het voor het meisje, helemaal aan de staart van haar eerste schooljaar in het middelbaar onderwijs. Ze trekt zich niet veel aan van de drukte. Want zij heeft weer een mooie buit in de bibliotheek verzameld, ze kan zich in zeven onbekende werelden onderdompelen. Sinds ze met de lidkaart van haar vader de volwassenafdeling literatuur mag verkennen, is er een nieuw universum bereikbaar. Op de jeugdafdeling en in de huisbibliotheek heeft ze nog weinig nieuws te ontdekken. Ze worden vandaag mee op sleeptouw genomen, zij en haar broertje, naar een bel-etagewoning in een andere wijk van de stad. Daar waar die populaire leerkracht wiskunde woont met zijn kinderen. Als ze toekomen worden ze hartelijk door hem onthaald. Haar kinderen krijgen een kus op de wang, bij de mond van hun moeder blijft zijn mond iets langer hangen. Hij nodigt hen naar boven uit, ze mogen meteen aanschuiven aan de grote tafel bij het gezin. ‘Allez, zeg eens beleefd goeiendag tegen iedereen’ hun moeder port haar aan. Licht blozend geeft het meisje de drie grote zonen en dochter een klam handje en slaat dan snel de ogen neer. Een dampende ovenschotel wordt geserveerd, pasta met vegetarische groentesaus. Sinds hij weduwnaar is, kookt een dame uit de buurt voor hem en zijn kinderen. ‘Neen, toch niet weer van dat konijneneten’ klaagt een van de puberzonen. ‘Geen gezeur, we moeten blij zijn met wat de pot schaft’ reageert hun vader.  Maar de honger overtroeft hun kieskeurigheid en al snel wordt elk restje uit de schotel geschraapt. Ook de borden worden vakkundig leeggemaakt. Hier en daar helpt een tong om elke verspilling te vermijden. Gelukkig komt er nog een dessert: een grote kom vanillepudding sluit de maaltijd af. Dan verdwijnen de jongeren naar hun kamers of naar de straat en valt de stilte in de woonkamer.  Zodra de tafel is afgeruimd, wordt die helemaal ingepalmd voor de eindsprint. Ze ligt bedekt met papieren. Er wordt geschreven, getekend, geteld, geordend, lijsten gecheckt. Want morgen de getuigschriften uitdelen. Het meisje nestelt zich in een zetel in de hoek en vertrekt naar een kleurrijke magische wereld in Latijns-Amerika. Haar broertje volgt een van de grote jongens die een elektrisch treinspoor voor hem bovenhaalt. Ze laat zich meezuigen in liefdesverhalen ten tijde van cholera. Als ze opkijkt ziet ze amper wat er zich vlak voor haar neus afspeelt. Haar moeder straalt weer, lacht, geniet. Die laat zich welwillend charmeren. Wat een contrast met de jaren van verdriet die zij achter zich heeft. En de jaren van zoeken naar de juiste man. De kinderen zagen al enkele kandidaten passeren. Maar de voorgangers van deze wiskundeleraar waren nooit goed genoeg. ‘Ik ben weg hé vake’ De jongste zoon des huizes ziet er blits uit met een fluogele trui, een nektapijt en een zwart potloodrandje onder zijn ogen. Hij trekt de deur luid achter zich dicht. De examens zijn achter de rug, leerlingen vrij. De leraars werken naarstig maar goed gezind verder. Op de achtergrond speelt de radio een vioolconcerto. Een heruitzending van de onderbroken Koningin Elisabethwedstrijd, waar een maand eerder het geweld op de Heizel de aandacht van de muziek had afgeleid. Het meisje leest, haar broertje speelt aan haar voeten met de treinen. Het wordt laat en de berg getuigschriften is nog maar half gevorderd. ‘We gaan er niet geraken’ zegt hun moeder lichtjes panikerend. ‘Toch wel. Maar het zal nachtwerk worden.’ zegt de leraar met een brede glimlach. ‘Jullie blijven toch gewoon hier slapen!’ Het meisje mag logeren in het grote bed bij haar toekomstige zus. De enige zus in een wereld vol broers. Op haar kamer legt ze haar boek even aan de kant en bladert in de Flair. Zo maakt ze kennis met lectuur over mode, verliefdheid en make-up. De dag die volgt zal de laatste zijn voor beide ouders in dezelfde school. Hun werkplekken zullen scheiden, maar hun levens verder samenvallen. Diezelfde zomervakantie gaan ze op zoek gaan naar een nieuwe woning. Want noch zijn bel-etage noch haar rijwoning volstaan voor het nieuwe gezin met zes kinderen. Die herfst, vlak voor de veertiende verjaardag van het lezende meisje, verhuizen ze naar de boerderij te midden van de velden. Ver weg van de stad, pendelen naar school en vriendinnen, maar met een bessentuin, kamers voor ieder kind en katten die jaarlijks nestjes bouwen.   Onder de torens                                                                                      1988   Zodra de deuren met een zucht openschuiven, valt de massa als een reeks dominostenen op het perron uiteen. Het meisje met de koffer wacht haar beurt af en kijkt met grote ogen naar de stroom ongeduldige pendelaars. Sinds ze zich in Gare du Nord door de roltrap naar beneden liet voeren, was ze overspoeld door het ondergrondse leven in de wereldstad. Het was druk in het metrotoestel, maar ze had toch een zitplaats kunnen bemachtigen. Van hieruit kon ze haar medepassagiers stuk voor stuk ongegeneerd observeren. Het parfum van twee kleurrijk geklede jongedames prikte in haar neus. Ze wisselden druk gebarend de laatste nieuwtjes uit in een mengelmoes van Frans en een onbekende Afrikaanse taal. Tot de clochard was opgestapt. Hij had met zijn walm van wekenlang ongewassen kleren, zurige goedkope wijn en sigaretten de massa doen wijken. Ondanks het plaatsgebrek had iedereen rondom hem het rechtstaand reizen verkozen boven zijn odeur, waardoor hij snel een stoel te pakken kreeg. Of drie, want niemand wilde naast hem zitten. Het meisje stelde zich de baardige man voor, terwijl hij onder het gewelf van een brug op een stuk karton afgelopen nacht had proberen te slapen. Dat laatste blijkbaar zonder succes, want nog voor de metro weer vertrokken was, viel zijn kin op zijn borst en ontsnapte een rochelend gesnurkt zijn lippen. Het handvat van de koffer snijdt in haar handpalm terwijl ze door de betegelde gangen de pijlen naar Île de la cité volgt. Als ze de vrolijke tonen van een Russisch volkslied hoort, wijkt ze van haar route af en volgt de klanken tot bij een groep muzikanten. Ze glimlacht als de accordeonist haar in de ogen kijkt en een wervelende solo neerzet. Ze zoekt haar Franse francs om in de openstaande vioolkist te werpen. Haar mond valt open als de oma van het gezelschap haar krachtige stem verheft. Met haar voet tikt ze het ritme mee en laat de drukte langs zich heenglijden. Bovengronds struint ze rustig langs de historische gebouwen. Met de kin in de lucht kijkt ze naar de wolken, de versierde gevels en dakranden. Het scheelt geen haar of ze botst tegen een gids die met opgestoken paraplu een groep Japanners meetroont. Op het plein, onder de torens van de Nôtre Dame vindt ze een lege bank. Ze nestelt zich, kijkt op haar horloge en haalt opgelucht adem. Ze ziet dat ze nog een zee van tijd voor zich heeft, voor ze in Gare de Lyon de trein naar haar vriendin in het zuiden moet halen. Met een dubbele klik opent ze de sloten van haar koffer, ze tilt het kartonnen deksel op dat met imitatieriet is bekleed. Ze rommelt tussen haar kleren en boeken en haalt een fles water boven, samen met een reep van drie lagen krokante sesamkoekjes. Het wolkendek breekt open, eerst toont zich een blauwe vlek tussen het grijs, dan komt de zon over de oplichtende randen kijken. Het meisje trekt haar jas goed dicht, zet haar kraag op tegen de wind, sluit de ogen en laat de zon haar wangen strelen. Het gekrijs van meeuwen, die vechten om de restjes aan het kraam met ‘Crêpes de Bretagne’, rukt haar uit haar gemijmer. Het geluid doet haar denken aan haar klasgenoten, samengetroept voor de spiegel in de toiletten van een donkere fuifzaal waar net een knappe jongen is verschenen. Vriendinnen voor wie deze stad gelijkstaat aan catwalks en de nieuwste modetrends. Ze kijkt omhoog en bestudeert de waterspuwers op de gevel van de kathedraal. Ze gaat op zoek naar de verhalen achter de beelden maar moet toegeven dat haar kennis van de Bijbelse mythologie onvoldoende is. Haar vader had bij het afscheid nog op het hart gedrukt om zeker de kleurrijke glasramen van binnenuit te bezien. Van haar moeder had ze de raad gekregen om vooral goed op haar portefeuille te letten. En zich warm genoeg te kleden. Maar ze gaat niet naar binnen, voorlopig zit ze daar goed, het zestienjarig meisje met haar koffer. Een warm gevoel borrelt op vanuit haar buik. ‘Wow, wat is dit heerlijk! Ik kan hier eindeloos rondkijken. Ik zou dit nooit beu worden. De wereld is zo groot en ik wil er nog veel meer van zien. Ontdekken. Reizen. Mensen van andere landen leren kennen. En zien hoe zij leven. Niemand die iets van me wil. Niks moet. Hier wil ik meer van. Dit is vrijheid!’      Tussen de dekens                                                                                                 1997   Het is nooit haar favoriete periode van het jaar geweest, die dagen tussen Kerst en Nieuw. Het ijzige, grijze winterweer doet er nog een schep bovenop. Ze had het ontstaan van de ijsbloemen op het slaapkamerraam aandachtig bestudeerd. Het is daar zo koud dat de kamer tijdelijk onbewoonbaar is en ze haar matras naar de living heeft verhuisd. Om te voorkomen dat de leiding zou dichtvriezen moet ze een paar keer per dag de wc doorspoelen. Ze dekt de bril af met een doek zodat haar billen niet vastplakken aan het ijs. Omringd door donsdekens, kussens en met een warmwaterkruik aan haar voeten, brengt ze de dag lezend door. Is het de vertering van kerstdiners die ze bij beide kanten van haar familie weer voorbeeldig heeft doorstaan? Is het de leemte tussen familie, werk en de vrienden met wie ze oudjaar zal vieren? De feestdis bij haar tante aan vaderskant is dit jaar zonder noemenswaardige incidenten gepasseerd. Een stoel en stiefmoeder minder weliswaar. Daardoor zeker wat gênante scènes bespaard, maar verder de traditionele ingrediënten van kalkoen en Bob Dylan, van kerststronk -die oma essentieel vond maar niemand lekker - tot heftige discussies over maatschappelijke thema’s onder semi-gelijkgestemden door de wijn in positie gebracht. Ondanks de opluchting die hij verwoord had, was haar vader dit feest aan de stille kant. Het viel op dat de frons op zijn voorhoofd sinds zijn vlucht naar het lege appartement aan de Schelde niet verdwenen was. Ook zij maakte zich zorgen. Vooral over haar negenjarig halfbroertje. Gelukkig had zijn moeder toegestaan dat hij er op het familiefeest bij mocht zijn. Zijn andere halfbroer, intussen haar ex-stiefbroer, ontbrak. Hij zou pas jaren later weer aansluiten bij de kerstfeesten. ‘Hoe is het thuis?’ had ze de jongen gevraagd toen hij op haar schoot was gekropen. ‘Niet leuk, ik moet mama altijd helpen’, hij trommelde met zijn vingers op de rand van de zetel. ‘Wat moet je dan doen? De afwas?’ Ze aaide hem over zijn haar en probeerde zijn blik te vangen. ‘Ze ligt dan in bad en roept me uit bed.’ ‘Waarom?’ ‘Ik moet haar handtas voor haar opendoen en met twee briefjes van honderd frank naar de nachtwinkel’ Hij prutste aan een losse draad aan zijn trui. ‘Wat moet je dan gaan kopen?’ ‘Sigaretten en zo’n kleine fles whisky,’ hij keek zijn grote zus amper aan, maar vertrouwde haar meer toe dan hij aan hun vader vertelde. ‘Die man mag dat helemaal niet aan een kind meegeven!’ ‘Maar hij weet dat het voor mama is.’ Ze voelt zich hulpeloos als ze aan dit gesprek terugdenkt. Ze kent de wegen niet om haar broertje te helpen. Haar eerdere poging om zijn moeder tot rede aan te manen was abrupt afgebroken toen die de telefoon op de haak had gegooid. Meer dan er voor hem zijn en te luisteren kan ze niet bieden. Ze duwt zich rechtop, stapt uit haar bed, zet een pot kruidenthee en vergewist zich er voor de zoveelste keer van, of de gaskachel wel degelijk op de maximumstand staat. Haar boek, waarin het Groenlandse personage gespecialiseerd is in soorten sneeuw, zorgt ook niet voor de nodige warmte. In navolging van die onderzoekster die op de besneeuwde dakrand staat te roken, neemt zij haar pakje tabak en rolt een dunne sigaret. Ze leegt de volle asbak, spoelt hem uit en niest bij de geur van natte as. Zachtjes laat ze haar vingers glijden over het appelblauwzeegroene sjaaltje dat ze vorige week heeft cadeau gekregen. Te mooi om te dragen. Ze wilt het zorgvuldig bewaren. Tweemaal per week had ze de Chinese vrouw, die door haar hoogtechnologisch bedrijf tijdelijk naar België was gehaald, Engelse les gegeven. Een mooie bijverdienste, naast haar eerste inhoudelijk volwaardige maar wel deeltijdse job. Extra centjes die ze zou sparen voor een nieuwe reis. Samen hadden ze kortverhalen van Roald Dahl gelezen. Uit de bespreking waren boeiende gesprekken ontsproten. Het Engels van de Chinese bleek van hoog niveau, het was haar verlegenheid die een rem op haar taalgebruik zette. ‘Dank je voor de lessen en de vriendschap’ zei de vrouw bij de laatste les, toen ze de doos met de zijden sjaal overhandigde. ‘Wat mooi! Hoe lang blijf je hier nog?’ ‘Ik vlieg terug op Oudejaarsavond. Ik moet maar tot Kerstmis werken. Heb je nog tips? Wat moet ik hier nog zeker zien?’ ‘Weet je? Ik kom je een dagje aan je hotel ophalen en toon je de stad. Of we maken een uitstapje naar Gent en Brugge!’ ‘Fijn’ zei ze en ze hadden zo afscheid genomen met het vooruitzicht op een weerzien. Maar ze komt er niet toe die belofte waar te maken. Verder dan de bakker achter de hoek is ze deze dagen niet geraakt. Met de hoorn in de hand had ze meer dan eens klaargestaan om een vriendin te bellen. Maar ze heeft uiteindelijk geen enkele van die telefoonnummers ingetikt. Ze kon de woorden niet vinden. Haar huisgenote, die een verdieping lager woont, heeft afstand genomen sinds ze doorheeft dat zij niet altijd die ondernemende en positief ingestelde vrouw is, waarmee ze tot voor kort goed bevriend was en samen avontuurlijke reizen ondernam. De enige stem die ze vandaag hoort, is van de radiopresentator. En haar eigen hoestbuien. De saliethee kleurt felgeel. Ze zet de theepot op de kachel en warmt haar vingers aan de kleurrijke kop. Ze kruipt weer onder de dekens om opnieuw in haar boek te verdrinken, om op te gaan in de zoektocht van haar hoofdpersoon naar identiteit en zin in het leven. Het sjaaltje heeft ze voor één keer om haar hals gedrapeerd.     Langs de kustlijn                                                                          2015   ‘Zet me daar in het dorpje maar af’ had ze tot hun verbazing gezegd ‘Ik loop wel en zie jullie daar.’ De kinderen waren dit niet gewoon van hun moeder, haar man fronste maar sloeg van de hoofdbaan af en reed door de dorpskern tot aan het strand. Ze wuift hen uit als de auto weer vertrekt, zet zich neer op het betonnen overblijfsel van een bunker en trekt haar schoenen en sokken uit. Het is rustig op het strand. Een vrouw met een hond, een jong gezin, een koppel hand in hand. In de verte ziet ze de vage contouren van de rotsen die haar einddoel markeren. Bij eb had de zee een weidse ruimte aan de wandelaars geschonken, maar gestaag komt ze die terug opeisen. Het zeewater voelt warm aan voor deze tijd van het jaar. Met opgetrokken broekspijpen, haar schoenen met de nestels aan elkaar gebonden over haar schouders geslagen, loopt ze waar water en zand elkaar raken. Een grote hond duikt rakelings langs haar het water in en spettert haar kuiten nat. ‘Excusez moi’ mompelt de oude man met bakkebaarden. Ze lacht en stelt hem gerust. Hoe verder ze de badplaats achter zich laat, hoe zeldzamer de wandelaars.   ‘Ik ben ermee gestopt. Ik heb mijn boeken thuis laten liggen,’ meldde haar man droog toen ze enkele dagen geleden goed en wel vertrokken waren. ‘Wat? Zomaar ineens? En het is al beslist?’ In haar buik voelde ze een krop groeien, ze slikte zo hard dat haar oren even dichtklapten. ‘Ja, het is gewoon te veel. Ik wil van deze vakantie genieten. Ik haal die examens volgende week toch nooit.’ Ze hoorde zijn opluchting. ‘En jij beslist dat zomaar even zonder dat met mij te bespreken?’ Haar stem maakte een sprong. ‘Het was niet haalbaar. Te hoog gegrepen. Ik heb het in de bijles beslist. Mijn leraar gaf me gelijk’ Het klonk te luchtig. Intussen probeerde hij zich te concentreren op het drukke vrijdagavondverkeer richting kust. ‘Alsof die keuze geen effect heeft op mijn leven!’ Zij leek meer ontgoocheld dan boos. ‘Mama, papa, geen ruzie maken!’ kwam het streng vanop de achterbank.   De golven klotsen over haar voeten. Met haar hielen duwt ze putjes in het natte zand. Sporen die door de eerste vloed weer worden afgevlakt, om bij de volgende golf volledig te verdwijnen. Ze ziet de witte rotsen voor zich steeds scherper opdoemen. “Hèhè, even tijd voor mezelf. Dat was nodig! Mijn verjaardagscadeautje aan mezelf. Want echt ontspannend was deze vakantie niet. De kop in het zand steken, daar is hij goed in. Hij wordt boos als ik het nog maar durf aan te raken. Zo komen we geen stap vooruit. Alsof ik niets gedaan heb om zijn studies mogelijk te maken? En dan, zonder boe of bah ermee stoppen! En ik dan? Ik ben weer naïef geweest. Ik heb me weeral eens in zijn zotte plannen laten meeslepen. Mijn hele schema overhoopgegooid om ervoor te zorgen dat hij kon studeren. Ik draaide nu weer voor alles op met de kinderen en in het huis, naast mijn zaak. Zodat mijnheertje kon studeren. In de week én in het weekend. Ik deed het omdat ik hem wou steunen in zijn plan. Typisch dat hij er weer even snel mee stopt als hij ermee begonnen is. Hoe vaak kan ik uit een leeg potje hoop blijven schrapen? Wanneer is de bodem bereikt? Dit hou ik gewoon niet vol. Wat gaat hij nu doen? Die studie opgeven is één ding, maar die hele dagen weer niks om handen hebben, dat vind ik nog het ergste. Smoren en surfen op zijn gsm. Meer doet hij niet. Ik wil rust na een volle werkdag, maar hij is al een derde kind, alle aandacht opeisen en amper helpen in het huis. Als ik dan moe thuiskom overspoelt hij me.” Zonder dat ze het gemerkt heeft, is het iele herfstzonnetje achter een dik pak grijze wolken verdwenen. Een stevige wind zorgt voor witte schuimkoppen langs de kust. Bij de hoge rotsen aangekomen, is de zee al zo genaderd dat ze haar broek tot over haar knieën moet optrekken. Klauterend en struikelend vervolgt ze haar route. “Hoe ver zou het nog zijn tot aan de kaap? Misschien moet ik teruggaan en het pad over de rotsen volgen. Maar dit is wel veel korter. De oude waterlijn komt tot aan mijn borst, in het slechtste geval ben ik tot daar nat. Maar zo hard snel zal het toch niet gaan? Ik haal het wel8 Ah, hier is nog een stukje strand vrij. Zie, het is nog niet overal zo hoog. Hier loopt het eventjes zachter. Oef. Ik moet iets doen, want ik geraak er zo niet uit. Mijn vriendin had gelijk: als ik het niet kan accepteren dan moet ik iets ondernemen. Zijn moeder zij het al. Hoe lang hou ik dit nog uit? Ik wil het mijn kinderen niet aandoen. Maar ik moet er met iemand over praten. Ik ben al bang om het woord te zeggen. Ik moet durven toegeven dat ik dit niet meer volhou. Hulp vragen. Als we straks thuis zijn, bel ik mijn vriendin. En ik mail mijn therapeute voor een afspraak. Ik pak de gesprekken weer op en we zien wel waar ik uitkom. Auw, de rotsen zijn scherp hier. Het water blijft stijgen. Oppassen dat mijn schoenen droog blijven! Maar daar is de trap al, ik zie mensen op de rotsen staan. Ben er bijna.”  ‘Mama, eindelijk, daar ben je!’ haar dochter staat van opwinding te springen op de trappen. ‘Wat heb je gedaan? Je broek is helemaal nat!’ ‘Mama! Kijk! Ik heb wel drie fossielen gevonden.’ Terwijl het jongentje haar tegemoet klautert, spat een golf op het rotsblok uiteen en gulpt in zijn rechter regenlaars. Even kijkt hij geschrokken naar zijn voet, dan klimt hij vastberaden voort en vliegt zijn moeder in de armen. Iets verderaf struint hun vader, geconcentreerd turend naar de bodem tussen de rotsen. Hopend op dé grote vondst op het laatste stukje vrije strand. Nog even. Dan beukt de zee tegen de klippen.     Dwars door de keuken                                                                1998 – 2008 -2018   Thuis is de plek waar je ophoudt weg te lopen[1]   1998 De avondzon pakt haar, zoals ze daar door de keuken tot ver in de living een warmgeel tapijt werpt. De jonge vrouw ziet wat kan zijn. Op slag verliefd op potentieel. Buiten de lichtkegel is alles donker. Ze is verblind. ‘Ik word je buurman’ sms’te haar broer enkele weken voorheen. Letterlijk om de hoek van waar ze woonde had hij een appartement gehuurd. Grondig als hij in alles was, ging hij op zoek naar de authentieke plankenvloer die onder lagen vinyl was verstopt. Hij had de hulp van zijn familie ingeroepen om zijn droom te realiseren. Toen ze daarnet in haar bestofte werkkledij bij haar broer stond te schuren, werd er op de deur geklopt. Een bejaarde man, in overall maar met zijn arm in de plaaster en schrammen op zijn gezicht wandelde de kamer binnen. ‘Hoe loopt het hier?’ zijn strenge blik speurde de ruimte af. ‘Hmm, ça va. Wat vindt ge hiervan?’ vroeg haar broer. Hij toonde de hoek waar al enkele planken blank zijn geschuurd. ‘Ek z’n goeste’ fronste hij, waarmee hij in het West-Vlaams aangaf dat smaken verschillen. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg haar broer en wees op de arm van de man. ‘’Ik ben van de stelling gevallen. Ik was de isolatie op de muur aan ‘t boren en ben met zo’n plaat op mij tegen de grond gegaan’  ‘Oei, gebroken? En verder alles oké?’ ‘Ja, ik heb nog geluk gehad. Maar nu heb ik het wel gehad. Ik verkoop het huis. Heb je geen interesse?’ ‘Euhhh, neen’ hij keek zijn zus aan en lachte. Net afgestudeerd aan de toneelschool was hij nog niet aan huizen kopen toe. ‘Het is nochtans interessant hoor, ‘zei de man. Hij haalde een stoffen zakdoek uit zijn broek en snoot luidruchtig zijn neus. ‘Met de huurinkomsten van de vier appartementen heb je meer dan je aan de bank moet afbetalen.’ ‘Is dat niet iets voor jullie om samen te doen?’ komt hun moeder in het gesprek tussen. Zij had meegeluisterd vanuit de keuken, waar ze met vod en schuurspons de verkommerde pompbak een nieuw leven gaf. ‘Dat zou jij wel leuk vinden, hé moeke?’ zei de broer. ‘Ik huur liever nog even. En trouwens de bank zou me nooit een lening geven nu.’ Zijn zus knikte begrijpend, zij had aandachtig geluisterd. In haar hoofd maakte ze de rekensom en liet de gedachte toe.  Nu staat ze hier aan de grond genageld bij de deur van het gelijkvloers appartement. ‘Hoe zou het zijn om hier te wonen? Zou een huis kopen me beperken in mijn vrijheid om te reizen? Wil ik me wel binden aan een stuk grond en bakstenen? Ik ken de buurt en weet dat ik hier graag woon. De wereld woont hier in de straat. Maar kan ik dat wel maken? Helemaal alleen zo’n groot huis? Er zal werk aan zijn, dat is zeker.’ Een grijze wolk schuift voor de zon, contrasten vervagen en de rest van de ruimte komt in beeld. Nu pas ziet ze de vermolmde keukenkast, de lekkende kraan en de vierkante gootsteen van gebarsten porselein. Ze is gecharmeerd door de glazen deur met rechthoekige ruitjes. Als ze dichterbij komt, voelt ze de herfstwind door kieren waaien. De dubbele deur knelt en piept als zij ze opent. Het stadstuintje ligt er verfomfaaid bij. Een rommelkot palmt een groot stuk van de ruimte in. Langzaam draait ze rond haar as en neemt vanuit elke hoek het huis en de tuin in zich op. Ze droomt van groen maar ziet vooral veel grijs. Dan breekt de zon weer door het wolkendek. Ze glimlacht. ‘Hier kan iets groeien! Dit appartement is onbewoonbaar, keuken en badkamer moeten vernieuwd worden. Maar de andere drie zijn verhuurd. Dus die zullen dan toch nog leefbaar zijn. Hier zou ik de nieuwe keuken zetten, met een toog aan de deur om van de avondzon te genieten! En de badkamer die kan hier achter de hoek. Daar heb je minder daglicht nodig. Maandag ga ik met de bank spreken. Eens horen of dit überhaupt een optie is.’   2008 ‘Eindelijk. Ik moet even zitten.’ Ze zijgt neer in een stoel op het spiksplinternieuwe terras en sluit haar ogen. Met beide handen wrijft ze over haar buik. Van binnenuit krijgt ze een stevige stamp. Liefdevol beantwoordt ze de begroeting. ‘Zoetje, kom eens voelen?’ Het kleine meisje kruipt bij haar moeder op schoot. Haar blonde steile haren vallen als een waaier over de bolling. Ze probeert met een toeter aan haar oor de hartslag op te vangen. ‘Wanneer komt ie?’ vragend kijkt het kind haar moeder aan met grote donkere ogen. ‘Nog enkele weken meisje’ zegt de vrouw ‘Mama moet nog een week werken en dan maken we alles klaar voor de baby.’ Ze denkt aan haar team dat ze in de steek zal laten in deze moeilijke tijden, ze kan zich niet ontdoen van enig schuldgevoel. Ze schudt snel haar hoofd en daarmee de gedachten aan het werk weer weg. Haar man is in de weer met het uitrollen van verse grasmatten in hun tuintje. Zij mag niet meer helpen. De bouwwerf verandert in een mum van tijd. Buiten de rozenstruik heeft ze niet veel van haar planten kunnen redden. Maar de tuin zal een tweede leven krijgen. De groene matten doen wonderen. De overschotten rolt hij voorlopig uit over de berg zand die achteraan ligt. Deze ronding is een spelparadijs voor kleuters. Hij pauzeert even, rolt een jointje. Hij zet zich rokend naast zijn vrouw en kijkt tevreden naar het resultaat. Het zijn de laatste loodjes voor het feest van straks. Zijn veertigste verjaardag en de housewarming in een keer. Gelukkig brengt elke gast een eigen schotel voor het buffet mee. Ze verwachten heel wat volk. ‘Jullie zijn zot’ hadden de mensen gezegd toen ze aan de grondige verbouwing begonnen. Ze hadden hun dromen uitgetekend en goed doordacht. Ze waren getrouwd zodat het project ook echt van hun beiden werd. Het was voorheen een oud huis waar zwammen hun tentakels in hout en tussen stenen hadden genesteld. Waar bouwsels en bijgebouwen met koppige smakeloosheid waren toegevoegd. Maar zij hadden een droom. Ze overleefden stofwolken en drilboren, kamperen zonder sanitair, een winter zonder ramen in de achtergevel. Juist als ze hun kinderwens even waren vergeten, werd hun dochter verwekt. Net voor hun meisje daar ter plekke in het water ter wereld kwam, was hun appartement bewoonbaar gemaakt. Sindsdien werden vijf verdiepingen vernieuwd, drie keukens en badkamers, zeven dubbele deuren om de avondzon binnen te laten, vijf terrassen langs de westkant, twintig centimeter isolatie in muren en dak. En nu, drie jaar later waren ze weer naar beneden verhuisd. Nog niet afgewerkt, maar meer dan leefbaar en tenslotte op hun definitieve plek.    2018 Hier zit ze dan. De avondzon doet haar donkerblonde haren oplichten. De dubbele deur staat wijd open en een briesje trekt langs haar ontblote armen. Op de witte muur achter haar dansen donkere vlekken. Ze hoort de boom ritselen telkens er een vlaag passeert. Dan zwiepen de schaduwvlekken.   Het is zo’n avond waar het in de tuin iets te fris is, maar het verlangen naar het buitenzijn gestild kan worden met open deuren en zicht op heldergroen. De takken van de druivelaar schieten alle kanten uit. De eerste minuscule trosjes zijn verschenen. Ze moet weldra snoeien zodat er eetbare vruchten uit kunnen ontstaan. De rozen zijn weer opengebarsten. De dieprode bloemen zijn zo groot als een opengesperde hand. Deze tint rood vindt ze uniek. Een gelijke is ze nog nergens tegengekomen. Bijna twintig jaar geleden vond ze een zielig takje op de grond in het verwaarloosde tuintje. Ze is blij dat ze er toen een rozenstruik in zag, in plaats van hem met de rest van de rommel op een hoop te smijten. Ze had hem helpen klimmen. Tot hij uit eigen kracht rechtop kon blijven staan. Sindsdien biedt hij haar jaarlijks in mei en nog eens in augustus een uitbundig schouwspel met meer dan dertig simultaan bloeiende rozen. Zachtjes wiebelt ze heen en weer, haar zomers kleedje wappert mee. Ze heeft zich comfortabel geïnstalleerd, haar voeten gekruist op de zitbank, een glas fruitsap op het tafeltje naast zich. In deze schommelstoel, gevonden in een zolderkamertje van dit huis, zoekt ze naar woorden. Laptop op de schoot, blik in de verte. “Straks ben ik weer alleen eigenaar van het hele huis. Dan tekenen we definitief de papieren. Hij zal er een mooie som voor krijgen, ik kan weer plannen maken. Afwerken wat jarenlang bleef liggen. Zijn deze bakstenen een rem geweest op mijn beslissing? Die droom heeft me geholpen. Ik herinner me hem nog zo scherp: het hele huis stond op een vlot? Het lag langs de kade aan een dok. Het vlot begon te zinken en het huis verdween verdiep per verdiep in het water. Daar stond ik en keek toe. Met aan elk hand een van mijn kinderen. Ik voelde vooral opluchting: wij zijn veilig. Ik begreep dat ik ook van een andere plek een thuis zou kunnen maken. Een plek waar ik niet meer weg hoef te lopen. Dat idee gaf me moed om de stap te zetten. En zie, nu kunnen we hier toch blijven wonen.” Ze mijmert en doet een poging om verder te schrijven. Over de kinderen moet ze zich vanavond niet druk maken. Die kan ze intussen vol vertrouwen bij hun vader laten. Zij geniet van de avonden op zichzelf. Maar haar gedachten schieten zo vaak alle kanten uit. De korte brokken tijd die ze kan vrijmaken worden zo niet optimaal gebruikt. Waardoor het nog trager gaat. Ze wroet met woorden, voelt dat ze er nog lang niet is. Er is nog een hele weg te gaan. Ze scrolt weer naar boven, herleest, verandert hier en daar een woord. Ze past de tijd aan, voegt een gebaar toe, schrapt een overbodig woord, ziet nog een beeld, zet het in een actieve vorm. “Dagelijks ben ik bezig om anderen te helpen de juiste woorden te vinden. Ik ga samen met hen op zoek naar hun kern. Via verhalen zoeken we naar woorden die hen de weg kunnen wijzen in hun werk. Hoe komt het dan, dat ik hier zo worstel als het over mijn eigen leven gaat? Ben ik dan zo veel op anderen en zo weinig op mezelf ingesteld?”  Ze staart zich blind op haar eigen teksten. Ze zuigt de feedback van anderen op maar die brengt haar ook in de war. Ze kan het nog niet, of is het gebrek aan durven? Als ze de woorden vindt en die kan delen, dan kan ze het gevoel pas toelaten. ‘Vreemd’ zei een vriendin, ‘bij mij is het omgekeerd.’ Zij wordt telkens overspoeld door gevoel en zoekt daar dan de woorden voor. Ze schrijven vaak samen. Elk apart, in een andere taal. Maar samen. In haar tuin of elders.  ‘Het is wat het is’ zegt ze luidop. Onaf. Niet eenvoudig voor haar om te accepteren. Het flinke kind in haar steekt nog vaak de kop op. Maar ze weet dat ze zich erbij moet neerleggen. Er zijn nog heel wat puzzelstukken te leggen voor ze er zal zijn. Er is nog een stuk dat ze steeds maar uit blijft stellen. Gesprekken die nog moeten plaatshebben. Woorden die misschien zullen kwetsen, misschien zullen helen. Ze zet de printer aan, voedt de lader met papier en checkt of de inkt zal volstaan. Ze kijkt op. De wind is gaan liggen. Diepblauw is de avondlucht intussen. Ze houdt van dit moment vlak voor de nacht intreedt. Ze staat op en slaat een trui over haar schouders. Zoekt een doosje lucifers. Een voor een ontsteekt ze de kaarsjes op de tuintafel. Ze zingt. ‘Summertime … when the living is easy’. Met haar vinger glijdt ze over het reliëf van de blauwe mozaïek in de tafel. Ze verkent de ruwe putjes waar steentjes ontbreken. Het is al te donker om het verschil te zien. Maar ze kan de littekens wel voelen. Deze tafel heeft geleefd.     ‘Ik was te druk bezig met leven. Miste de tijd om echt stil te staan. Het is wat het is en ik omarm het leven.’       Aan het meertje (to do)                                                                         2016 juni Een plekje voor mezelf– loswrikken – stap 2 scheiding - schrijfvriend Pal voor het bed (to do)                                                           2001 Kennismaking met mijn man In de plaaster (to do)                                                                2016 dec In de plaaster. Na de val op mijn gezicht. met samengesteld gezin van toen – stap 3 – apart wonen                          Aan zee (to do – herinnering van anderen)                         1981 Het overspoelend verdriet van de moeder – het besluit van het flinke meisje Door de muren (to do)                                                               2017 - 2011 Scènes in dialoog beschreven door de buurman: wat hoorde hij? Dagboek 2011 teruggevonden. Eerste opname in de psychiatrie en mijn beslissing ‘dit geen tweede keer’ In de spiegel (To do)                                                                    2018 Mijn oude zelf terug tegenkomen. Met het valiesje weer naar Parijs. Mildheid.   Het lijkt alsof je huilt, mama Is ook zo, ik ben een beetje verdrietig vandaag Ik word er droevig van als ik je zie huilen. Ik zal mijn best doen om niet meer te wenen, lieve jongen. Neen, je mag het laten gaan. Maar dat is moeilijk voor mij, dat is… …je zwakke plek Wat zeg je? Je zwakke plek! Je sterk houden en niet willen wenen. Je kent me goed precies!?! Ja, ik ben slim, en ik ken je al negen jaar. Maar wenen mag hoor mama. Vind je dan dat ik meer moet wenen? Ja dat moet! Of toch, als je wilt, het voelt, dan mag of moet je huilen. Soms wil ik wel huilen maar kan het niet. Het zit ergens vast in mijn lijf.     [1] Thuis, de zoektocht naar de plek waar we willen leven, Essay, Daniel Schreiber. Ambos, 2017  

Marieke Genard
0 0

Claustrofobie

‘Ben je zeker dat het hier is?’, vraagt Pieter aarzelend. ‘Ja hoor. Ga maar naar binnen.’ Haar geruststellende lach kan hem niet volledig overtuigen. Twijfelend stapt hij de verduisterde kamer binnen. ‘Ik zie geen hand voor..’ Met een klap slaat Claudia de deur dicht en doet ze op slot. ‘Hey,’ roept Pieter stomverbaasd, ‘wat doe je? Dit is niet grappig!’ Tastend vindt hij de deur. Hij wringt de deurknop wild op en neer. ‘Komaan Claudia, doe open.’ Geen antwoord. Paniek vult zijn hoofd. Zweetdruppels parelen aan zijn voorhoofd. Verdorie, ze weet toch dat ik bang ben in kleine ruimtes. Hij zoekt een lichtschakelaar. Niets. Mijn gsm, denkt hij, ik kan de zaklampfunctie van mijn mobiele telefoon gebruiken. Het licht schijnt op de stenen muren. Ongeduldig richt hij zijn telefoon op alle hoeken van de ruimte. Een afgedankte zetel. Een open kast met oude boeken. Aan de muur hangt een poster van Kate Bush. In haar open mond een sleutel, die ze met een kus wil doorgeven aan een man. Op de muur er tegenover dezelfde foto. Moet ik een sleutel vinden, vraagt hij zich angstig af. Nerveus begint hij te zoeken. In de zetel. Eronder. In de kast. Niets. In de hoek van de kamer ziet hij een pop. ‘Ja,’ roept hij opgelucht wanneer hij de sleutel in haar mond vindt. Bevend zoekt hij het sleutelgat.  Opluchting wanneer hij de deur opent. Met een knal vliegt de kurk uit de champagne fles. ‘Surprise! Gelukkige verjaardag, Pieter!’, roepen zijn vrienden in koor.

Johnny
0 0

De tijd laten verstrijken

We zitten te wachten. Of het nu op een bus, trein of vliegtuig is, vervelend is het altijd. Jezelf vervelen of een babbeltje slaan is dan meestal de enige optie. De tijd laten verstrijken en af en toe naar de klok in de wachtruimte kijken, hoe de wijzers stilletjes verder sluipen. Iedereen zit ermee. Ook de tien meiden. Ik schat ze 14 à 15 jaar. Ze praten met een Nederlandse tongval, maar het voorval waarvan we getuige zullen zijn, kan zich bij elke nationaliteit afspelen. Eerst blijft mijn blik nog even hangen op het jeansvest dat één van de meisjes draagt. Ze heeft er zowaar het logo van The Beatles op genaaid. Een groep van lang geleden. Dan gebeurt het. De hele groep meiden krijgt de slappe lach. Ze proesten het allemaal uit. Het is wellicht een weddenschap. Plots draait één van de dames zich om en ze begint de arm te masseren van de meneer die achter hun zit. De man kijkt het meisje vol ongeloof aan, maar trekt zijn arm niet weg. Het duurt amper dertig seconden. De man lacht min of meer schaapachtig, maar zegt niets. Het meisje stopt met masseren, ze draait zich opnieuw om en ze schateren het allemaal uit. De man schudt met zijn hoofd. Hij geneert zich wellicht een beetje. Het opzet van de dames is geslaagd. Uit verveling werden ze vervelend, maar het vond een uitweg.    Dan horen we omroepen dat ons vervoermiddel eindelijk is gearriveerd. De groep zet zich in beweging. Ook de meidenbende, die hun lol nog altijd niet op kunnen. Ik draai me nog even om en zie dat het ene  meisje op haar jeansvest nog een logo heeft staan. Van AC/DC zowaar. Het schiet door mijn hoofd dat deze trip wel eens een ‘Highway to hell’ kan worden.   

Rudi Lavreysen
0 0

Brief aan mijn baasje

Liefste baasje,   Met dit briefje wil ik je laten weten dat ik je ontzettend dankbaar ben omdat je me adopteerde. Je bent het liefste baasje van de wereld. Hoe mijn vorig baasje in Spanje eruit zag, ben ik vergeten.  Ik herinner me nog wel de laatste dag dat ik hem zag. We gingen wandelen in een bos en hij bond me vast aan een boom. Hij zei dat hij er spijt van had en dat ik daar moest blijven. Ik dacht dat het een spelletje was, dus ben ik braaf op hem blijven wachten. Maar het werd donker en hij kwam niet terug. Ik denk dat hij me vergeten was. Ik werd bang en begon te janken. Gelukkig had een mevrouw me gehoord. Ze zei wel mijn naam verkeerd want ze noemde mij ‘arm dier’. Ik was opgelucht want ze maakte me los en ik mocht met haar mee. Ik vroeg haar of ze me naar mijn baasje wilde brengen maar dat deed ze niet. Ik was er zeker van dat hem iets was overkomen. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zijn trouwe hondje alleen achterlaat. De lieve mevrouw bracht me naar een plaats waar nog andere honden zaten, die ook hun baasje niet meer terugvonden. Niettegenstaande dat de verzorgers heel lief voor me waren, wilde ik toch naar huis. Ik weet niet hoelang ik in het asiel, zoals ze het noemden, ben gebleven maar op een dag vertelden ze me dat ik geluk had. Dat ik naar een nieuw baasje mocht gaan. Ze hebben me samen met mijn speeltje in een kooi gezet. Ze brachten me naar een grote ijzeren vogel. Zijn buik ging open en hij liet me met hem meevliegen. Toen ik uit de vogel kwam, stond je te wachten en je nam me mee naar mijn nieuwe huis. Ik was blij want ik zag meteen aan je ogen dat jij mij nooit in een bos zou achterlaten.   Jouw hondje, Phoebe

Johnny
285 0

Wat niet weet, niet deert

Proloog ‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes het hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik. Dat zal helpen tegen de droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden, en er van kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik, maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.  Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag. Ik voel me licht misselijk worden. Ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer een familielid binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren. Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk. Ik heb hen de fakkel niet doorgegeven. Soms kan ik niet geloven dat het me gelukt is.  ‘ Zal het lukken, mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol. Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen. De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk.    Beste familie en vrienden,  Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed. Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in haar woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten, tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en vreemd uitzonderlijk in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze ‘gezinsgroep’ zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor.  Daar is gelukkig verandering in gekomen.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg:   Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend van de beproeving die ze doorstond vooraan in de kerk, met alle ogen op zich gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven. Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer. De draad die ook richting gegeven heeft aan mijn eigen leven.   Mijn moeder beleeft in haar laatste levensjaren de gelukkigste van haar leven. Niets moet meer. Ze is niet meer goed te been en ze heeft de ziekte van Ménière, die het risico op vallen verhoogt. Het biedt haar een uitstekend excuus om zich niet meer buiten de deur te begeven. Haar wereld is gekrompen tot dertig vierkante meter. Ik vraag haar of ze het niet mist, de wereld daarbuiten en of ze geen zin heeft om zich eens te laten rondrijden. ‘Oh nee, daar heb ik geen behoefte aan’, haast ze zich te zeggen, ‘Ik heb genoeg aan mijn boeken en aan mijn kruiswoordraadsels. Ik verveel mij nooit.’ Mijn moeder leest bij voorkeur thrillers en detectiveverhalen, al gaat het lezen steeds moeizamer. ‘De dokter heeft gezegd dat het heel goed is dat ik mijn geest blijf trainen en dat ik zo goed blijf bewegen’, zegt ze trots, terwijl ze enkel wat over en weer schuifelt op haar dertig vierkante meter. Ze wil graag de dokter ter wille zijn. Gezagsgetrouw blijft ze tot haar laatste snik. ‘Als ik iets nodig heb, haal ik het zelf uit de kast’, zegt ze. ‘Mij niet gezien dat ik me laat dienen!’ Mijn moeder houdt er stiekem van om zich te laten dienen. Elke dag staat er een team klaar om haar te helpen. Haar eten wordt  gebracht, haar kinderen doen de boodschappen en onderhouden de tuin, waar ze trouwens zelden in komt. De dames van Familiehulp helpen haar met het dagelijkse toilet en met de schoonmaak. Ik gun haar deze luxe. Ze staat in schril contrast met de levensomstandigheden in haar jonge jaren waar ze moest zorgen voor een groot gezin in een huis zonder de gemakken die nu vanzelfsprekend zijn. Een huis zonder badkamer, zonder wasmachine en met enkel een buiten-wc. Ik zie nog het beeld van mijn moeder op haar knieën, gebogen voor de kachel in de woonkamer, de enige verwarming in het huis. Elke ochtend maakte ze eerst de kachel leeg en schoon om hem daarna met papier en hout terug aan te steken en vervolgens de hele dag met kolen brandend te houden. Later kwam de continu-kachel die ’s nachts heel licht bleef smeulen. ’s Morgens moest dan enkel de asla geledigd, de kachel opgerakeld en opnieuw met kolen gevuld worden. De koperen kolenkit, die regelmatig in de kelder bijgevuld werd, stond altijd klaar naast de kachel. Mijn moeder geniet op haar oude dag van een voor haar luxueuze situatie, met als belangrijkste element dat ze gevrijwaard is van alle sociale verplichtingen. En voor mijn moeder zijn alle sociale contacten, verplichtingen.   Dat was altijd al zo. Als ik tien jaar ben en mijn moeder bevraag over haar vriendinnen vroeger, zegt ze heel beslist: ‘Ik had geen vriendinnen’. ‘Met wie speelde je dan?’ vraag ik verwonderd. ‘Ik speelde met mijn pop’, zegt mijn moeder. ‘En met je broers en zussen dan?’, probeer ik nog. ‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘Die speelden te wild. Ik breide poppenkleertjes en soms ook een trui’. Ze vertelt opnieuw het verhaal van de mooie trui die ze gebreid had en die ze vervolgens aan haar zus gaf omdat die de trui zo mooi vond. ‘Maar jij had daar al dat werk aan gedaan!’, zeg ik. ‘En dan’, zegt mijn moeder.   Mijn moeder praat bij voorkeur niet over zichzelf. Ze heeft het liever over haar familie. Niet over haar kinderen en kleinkinderen maar over de mensen uit haar ouderlijk huis. Ze is trots dat ze deel uitmaakt van deze familie. Ook al voelt ze zich de minste, iets van de mythische glans, die ze haar familieleden toebedeelt, straalt ook op haar af, denkt ze. Als mijn moeder anekdotes vertelt over haar vader en moeder en over haar broers en zussen, zit er dezelfde ondertoon in haar stem als in de stem van zuster Remigia, als ze de verhalen vertelt over de Heilige Familie: Maria, Jozef, en Jezus.   Als ik tien jaar ben kan ik mij niet voorstellen dat mijn neven en nichten gewoon naar school gaan en de dagelijkse dingen doen die wij doen. Alsof ze in een ander, verheven universum leven.   Het fotoalbum Mijn broer Olav verzamelt foto’s en documenten over de familie. Ik ben op bezoek om zijn jongste kleindochtertje Mona te bewonderen. ‘Neem het fotoalbum gerust mee’, zegt hij, wijzend op het dikke, in rood leer gebonden boek dat op de tafel ligt. ‘We komen het in de zomer wel ophalen’, zegt Ingrid, ‘ Dan geraken we eens in Leuven.’   Het rood lederen fotoalbum is in twee delen opgesplitst. Het eerste deel is gewijd aan de familie van mijn vader, het tweede deel aan die van mijn moeder. Daar start ik mee. Ik bekijk zorgvuldig de foto’s van mijn jonge moeder, op zoek naar oude sporen van het extreme gedrag dat haar later zo kenmerkt.   De zwartwit foto, tweeëntwintig op zestien cm, is genomen in de tuin van haar ouderlijk huis in de Albert Liénartstraat in Aalst. Het huis dat niet lang daarna zal gebombardeerd worden. De tuin is een typische ommuurde stadstuin met gesnoeide boompjes die langs de muren opgroeien. Vooraan, op een tapijt in het gras, zitten vier jongere broers en zussen van mijn moeder. Centraal op de foto staat een tuinbank. Aan de rechterkant zit mijn grootmoeder met haar jongste kind op schoot. Ik zie een mooie, fijngebouwde jonge vrouw. Het is haar niet aan te zien dat ze al tien kinderen gebaard heeft. Ze staan allemaal op deze foto. Naast haar zit haar oudste dochter, glimlachend naar haar jongste zusje op haar moeders schoot. Op de uiterste linkerkant van de tuinbank zit mijn moeder. Ik schat haar twaalf jaar. Ze laat een grote ruimte op de bank tussen haar en haar oudste zus, alsof ze zich wat distantieert. Dit effect wordt nog versterkt door de licht gebogen schouders. Ze heeft een donker kleedje aan met geruite kraag en manchetten. Haar handen rusten in haar schoot. Het hoofd met het donkere kroeshaar, uit haar gezicht gehouden met twee speldjes, is licht gebogen. Vanuit deze schuwe positie kijkt ze voorzichtig glimlachend in de lens. Achter de tuinbank staat mijn grootvader met zijn gezicht in de richting van de twee rechtstaande oudste zonen. Hij kijkt glimlachend naar zijn jongste zoontje dat op de leuning van de tuinbank staat, gesteund door de oudste broer. Daardoor staat mijn grootvader in profiel. Op deze en ook op andere foto’s lijkt hij sprekend op Freud.   In het fotoalbum vind ik een paar vergeelde krantenknipsels uit 1982, naar aanleiding van het overlijden van mijn grootvader op 93 jarige leeftijd. ‘Patriarch van Vlaanderen overleden’.   De journalisten bespreken uitvoerig zijn levensloop als advocaat, zijn verdiensten als politiek activist – hij zette zich in voor de Vlaamse zaak – en zijn journalistieke carrière als lid van de politieke redactie van De Standaard. Mijn grootvader had alle kwaliteiten van een patriarch, zowel thuis als in zijn publieke leven.   Dertig jaar later Langzaam dunt de generatie uit. Mijn moeder was de vierde van de tien broers en zussen die overleed. Na haar volgden snel twee oudere zussen. Ze werden allemaal negentig en meer. Ik woon opnieuw een rouwdienst bij, deze keer van mijn tante Haddie. ‘We zijn hier samen om afscheid te nemen van Haddie’. Ze is de enige naamgenoot die ik ken. Het is vreemd om mijn naam zo veelvuldig, en dan nog in deze context, te horen noemen.   Ik zit in de kerk naast mijn nicht Vina. Ze was altijd een haantje de voorste en niet op haar mondje gevallen. Het lijkt me een eeuwigheid geleden dat ik haar nog sprak. ‘Hij kon zijn handen niet thuishouden’ zegt ze. Ze heeft het over onze grootvader. Ik ben verbaasd dat ze, in de korte tijd dat we daar samen zitten, erin slaagt het gesprek op dit onderwerp te brengen. Hoe groot het taboe was in de generatie van onze ouders, des te groter blijkt het genoegen bij de generatie erna om er omstandig over uit te wijden. ‘En als dat zo was bij zijn kleindochters, zal dat ook wel zo geweest zijn bij zijn dochters’, voegt ze er nog aan toe. Vina heeft haar hele jeugd in de Kasteelstraat gewoond, de straat waar ook onze grootouders woonden.   Voor ons gezin waren de ouders van mijn moeder verre figuren met een heiligenstatus. De weinige keren dat ze op bezoek waren heerste er spanning in huis. We hielden ons gedeisd. Mijn moeder liep zenuwachtig rond en sloofde zich uit om het hen naar de zin te maken. Ze had iets goed te maken. Een vrouw was maar zo goed als ze van haar huwelijk een succes wist te maken en om precies te zijn, een materieel succes met de nodige aanzien.   ‘Hij kan nog promotie maken in die verzekeringsmaatschappij’, had mijn grootvader geoordeeld over mijn vader. Mijn grootvader was niet alleen ambitieus voor zichzelf maar ook voor zijn kinderen. Zijn vijf dochters moesten een goede partij huwen en dat vereiste wel wat koppelvaardigheden. In vergelijking met de huwelijkskandidaten voor haar zussen was de kandidaat voor mijn moeder minder hoog gegrepen. In vergelijking met zijn schoonbroers stond mijn vader op de laagste sport van de maatschappelijke ladder. Maar mijn grootouders waren al blij dat mijn moeder onder de pannen was en het vooruitzicht op de promotie gaf toch een zeker perspectief. Een perspectief dat mijn vader nooit waarmaakte.   Het oude huis in Melsele Op de sepiafoto zie ik een tuin met op de voorgrond rozelaars. Het gebouw links op de foto doet me denken aan de Zweedse houten huizen. Op de achtergrond over bijna de hele breedte van de foto staat een volière. Als ik inzoom ontwaar ik takken waar ik vogels op vermoed. Centraal op de foto staat een smeedijzeren carrousel hoog uitlopend op een spits torentje. Op het ronde vlak hangen acht klokjes. In het midden van de carrousel, voor een hoge  takkenconstructie, staat mijn vader -  ik schat hem zo’n twaalf jaar – samen met een meisje dat iets jonger is. Ik veronderstel een buurmeisje, mijn vader had geen broers  of zussen. Als ik op mijn beurt twaalf jaar ben, is deze paradijselijke plek vervallen. Er is geen spoor meer van de rozelaars. Het gebouw links op de foto, staat er vervallen bij. De volière is afgebroken. Het torentje staat er triest bij. Er hangen maar twee klokjes meer onderaan de grote klok en ook die dreigen er af te vallen. De tuin -  twee boomgaarden, een groenten en bloementuin, een kriekengaard en een voortuin, alles tezamen zo’n 70 are groot - is langzaam verwilderd. Mijn vader werkt niet in de tuin. Hij ligt boven op bed. Ik breng hem een bord met een peer die mijn moeder geschild heeft. Hij staart wat uit het raam. Ik kom even bij hem liggen terwijl hij de peer opeet. Daarna kan ik het bord terug naar beneden brengen.  Hij is ziek maar we weten niet wat hij heeft. We hebben geleerd niks te vragen. Wat we moeten weten - zo weinig mogelijk - zal ons verteld worden. Vragen worden vaak op ongeduld en irritatie onthaald. We voelen snel feilloos aan wanneer een vraag niet gepast is. En een vraag blijkt bijna nooit gepast in mijn moeders wereld.     Mijn kleindochtertje is anderhalf. Ze zit in de kinderstoel en houdt haar handjes voor haar ogen. Ze ziet niemand meer en ze denkt dat niemand haar ziet. ‘Waar is Finneke nu toch’ vraagt mijn dochter Marieke gespeeld bezorgd. Dan haalt ze haar handjes weg en kraait van plezier. Daar is ze terug! Ze had haar oogjes toe en was er van overtuigd dat niemand haar zag. Finneke is twee en ze begint te beseffen dat alleen haar oogjes sluiten niet voldoende is om niet gezien te worden. Mijn moeder was een expert in haar ogen sluiten. Ze behield haar hele leven het kinderlijk magisch geloof dat, als ze er niks van wist, het ook niet bestond. En, wat niet weet, niet deert. Mijn moeder gaat er prat op dat ze niet nieuwsgierig is. De meest elementaire vraag: ’Hoe gaat het?’ heb ik haar nooit weten stellen. Als ik op bezoek kom en ik op mijn beurt wèl vraag hoe het met haar gaat, is haar antwoord er gewoonlijk een in de pluralis majestatis en een variant op: ‘We mogen niet klagen. We laten het hoofd niet hangen. We houden er de moed in.’   Mijn moeder is in de voorbije dertig jaar welgeteld twee keer bij mij thuis geweest. Ze bracht haar kruiswoordpuzzels mee en zat wat ongemakkelijk in de zetel te wachten tot ze terug naar huis kon. Ik nam haar mee naar de winkelstraat waar ze in hoog tempo door beende. Af en toe bleef ik staan voor een winkel waar ik inschatte dat de uitgestalde waar haar zou kunnen interesseren. ‘Ik heb niks nodig’, zei ze, zonder een blik te werpen op de etalage en stapte verder. Ik gaf het op om haar uit te nodigen. Het was voor ons beiden een beproeving. Ze belde me ook enkel als ze een praktische mededeling had. Praktische mededelingen, die ons beiden aangingen, waren schaars.   Op een dag krijg ik telefoon van mijn moeder. Het is een paar maanden geleden dat we elkaar nog hoorden. Het gaat slecht met mij en dan is mijn moeder het slechts denkbare gezelschap. Als ik de stem van mijn moeder hoor, heb ik spijt dat ik de telefoon opgenomen heb. Ze valt meteen met de deur in huis. ‘Ik  heb een nieuw telefoonnummer’ zegt ze ‘schrijf je het even op. Ik werd de afgelopen maanden regelmatig opgebeld en dan hoorde ik niks aan de andere kant van de lijn. Ik was er toch niet gerust in’ vervolgt ze, ‘Katrien heeft er voor gezorgd dat ik een nieuw nummer heb.’ Het blijft even stil. Ik heb een krop in mijn keel, ik kan niet vermijden dat er een snik in mijn stem zit. Ik kom niet uit mijn woorden. Ze haakt onmiddellijk in. Ik merk in de week daarna dat ze 50€ op mijn rekening gestort heeft. Daarmee is voor haar de kwestie afgesloten. Er wordt nooit meer op terug gekomen. Wat niet weet, niet deert.   ‘Hoe ging ze om met de problemen van mijn vader?’, vraag ik me af. Vele jaren later peil ik er voorzichtig naar maar ze ontkent in alle toonaarden dat er wat aan de hand zou geweest zijn met mijn vader. Ze maakt van mijn vader een heilige en plaatst hem onbereikbaar hoog op een voetstuk. Het woord depressie voelt in haar bijzijn belachelijk misplaatst en ongewenst.   Mijn broer komt erachter dat mijn vader jarenlang patiënt was bij een psychiater. Hij zoekt hem op. Hij blijkt ondertussen overleden. De dossiers zijn vernietigd.     ‘We leven in een maatschappij met meer taboes dan een tijd geleden, de jaren van de vrijheid zijn voorbij’, zegt Rik Torfs in een interview in Humo.* Hij heeft mijn moeder niet gekend. Wij,  Beatrijs, de koningin der taboes.     * Humo nr.4035/01 van 2/1/2018       Op die vooravond, aan de rand van haar bed, deed de pijnstillende morfine zijn werk. Ze maakte mijn moeder uitzonderlijk praatgraag. Ze antwoordde me verrassend gewillig op vragen die vroeger onbeantwoord bleven.   Het is onbegonnen werk om op te sommen waar met mijn moeder niet over gepraat kon worden. Uiteindelijk bleef over: het weer, haar familie, de gezondheidsklachten - enkel de hare en zolang ze niet te intiem waren -  het ophemelen van haar huishoudhulp en afkeurende commentaar op het gedrag van anderen en in het bijzonder op het gedrag van mijn oudste zus.   Mijn oudste zus Behalve mijn broers Olav en Maarten hebben we allemaal plechtige namen. Mijn oudste zus heet Katharina. Ze wordt Kaatje genoemd, een naam die ze op haar zestien belachelijk vindt. Ze wil voortaan aangesproken worden met Katy, naar de hit van het moment van Marc Aryan. Na een tijdje vindt ze ook Katy te kinderachtig. Ze kiest uiteindelijk voor Katrien. Het duurt een tijd voor iedereen er aan gewend is. Maar als we haar met haar oude naam aanspreken, antwoordt ze niet. Mijn oudste zus krijgt voor haar zestiende verjaardag een dichtbundel met de titel ‘Mijn moeder was een heilige vrouw’, naar een gedicht van René de Clercq.   Mijn moeder was een heilige vrouw - o daar ligt blijdschap in dien rouw - mijn moeder was heilig, en rein, en zoet als de melk van haar borst... O mijn moeder was  goed! En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar  wang, haar oogen al ziel en haar woorden al zang!  … Ze is verontwaardigd over zo’n ouderwets en stom cadeau. Ze droomt van heel andere dingen maar ze moet naar de bijeenkomsten van het katholieke Marialegioen. Ze valt er theatraal flauw. Tegen ons, haar jongere broers en zussen, wijdt ze omstandig uit over de pijn van het langdurig bidden op de knieën en over de misselijkmakende geur van wierook. Ze hoopt dat dit haar vrijstelling geeft voor toekomstige bijeenkomsten van het Marialegioen. Mijn zus heeft weinig op met de devotie van mijn moeder en diens pogingen om haar te behoeden voor de verlokkingen van het leven. Mijn zus wil leven en lachen, en voordragen. ‘Langzaam gaat de trage man door de straten waar de matte stralen van de maan vallen.’ Ze leert ons, haar jongere broers en zussen, hoe het moet. De korte a moeten we uitspreken als o. ‘Longzaam gaat de trage mon longs de straten …’. Wij oefenen graag mee. Mijn moeder vindt het maar niks dat voordragen en ook niet het babbelgrage van mijn zus, die iedereen in het dorp kent en hen aanspreekt in de Waaslandse tongval. Misprijzend noemt mijn moeder haar ‘de gazet van het dorp’. Het verschil tussen moeder en dochter kan niet groter zijn. Mijn zus belichaamt alles wat mijn moeder niet kan, durft en wil zijn. Ze gaat daarmee in tegen mijn moeders devies: ‘Hou je onopvallend op de achtergrond’. De plaats op de voorgrond is enkel voorbehouden aan de mensen van haar familie. Onze plek is, samen met haar, op de achtergrond, in de milde schaduw van haar ouders en andere, in haar ogen gezaghebbende familieleden.   Het gebeurt niet vaak dat er volk over de vloer komt in ons huis in Melsele. Pascal is bij iedereen een graag geziene gast. Hij brengt kleur in ons vlakke bestaan. Hij is fotograaf. Hij legt ons leven vast in zwart en wit. Hij komt voor mijn oudste zus. Mijn moeder is er blij mee, ze ziet in hem de gedroomde partij voor haar oudste dochter. Ze hoopt dat hij de geest wel terug in de fles krijgt. Pascal heeft flaporen. Het was ons niet opgevallen, maar mijn zus wel. Ze gruwt ervan. Ze behandelt hem heel koel. Ze heeft een vrijer in het dorp.   ‘Naar het volgende kerstfeest zal ik niet alleen komen’, vertrouwt mijn oudste zus me, veel jaren later, wat geheimzinnig toe. Ze doet haar uiterste best om de woorden van mijn moeder niet waar te maken. ‘Die geraakt nooit van de straat’, zegt mijn moeder terugkerend als mijn zus opnieuw komt aanzetten met een man die niet kan rekenen op haar goedkeuring. Het kerstfeest gaat door in de Gasthuisstraat waar mijn moeder naar verhuisd is na de dood van tante Madeleine. ‘Dit is Jean-Pierre’ stelt mijn zus trots haar vriend aan me voor. Ik zie het al bij de eerste oogopslag maar ik wil de triomfantelijke overmoed van mijn zus niet kelderen dat ze kan ontsnappen aan de herhalingsdwang en aan de bepaaldheid van mijn moeders woorden.   Een paar maanden later ben ik op bezoek bij mijn moeder. ‘Katrien is terug alleen?’, vraag ik aan mijn moeder. ‘Ja, eindelijk. Ik begrijp niet, dat ze daar zo lang bij gebleven is’, zegt mijn moeder op die welbekende afkeurende toon, ‘Als een man je zo behandelt’. ‘Ik begrijp dat wel’, zeg ik. Mijn moeder schuift onrustig op haar stoel. Ik houd mij niet aan de regels van het spel en ondertussen weet ze dat ze me dit niet meer kan verbieden. Ik ben een spelbreker. Dit gesprek had als volgt moeten verlopen; Mijn moeder: ‘Dat begrijp ik niet, enz.’ Ik: ‘Ja, t‘ is niet te verstaan’. Mijn moeder: ‘Dan moet ze achteraf ook niet komen klagen.’ Ik probeer mijn moeder duidelijk te maken dat menselijk gedrag soms door andere drijfveren dan de rede gestuurd wordt, dat relaties vaak bepaald worden door je verleden. We bevinden ons op drijfzand. ‘Het gebeurt me ook altijd opnieuw dat ik verliefd word op een man die me niks te bieden heeft en waar ik terug afscheid moet van nemen, net als van mijn vader’, waag ik eraan toe te voegen. Mijn moeder is een afwerende, gestolde, zwijgende massa geworden.  De lucht tussen ons verdicht zich en slorpen de woorden op die in het bijzijn van mijn moeder volkomen misplaatst zijn. ‘Verliefd’ is zo’n woord en, ‘mijn vader’. Vermits ze lang geleden gestopt is iets te drinken aan te bieden als er iemand op bezoek komt, kan ze dit niet als vluchtweg aangrijpen. De winkelbel gaat. Mijn moeder woont in de Gasthuisstraat in een voormalig winkelpand. De winkelruimte vooraan gebruikt ze niet en heeft ze wat opgesmukt met zelf gebreide dieren en prullaria. Deze verder lege ruimte zonder bestemming vormt een buffer tussen de buitenwereld en haar leefruimte. Het is de gracht voor de burcht. De ophaalbrug kan desgewenst opgehaald, maar bij voorkeur neergelaten worden. Mijn broer komt binnen, de verlosser van het moment. Mijn moeder kan terug opgelucht ademhalen. ‘En, alles goed hier?, vraagt hij, terwijl hij ons onderzoekend aankijkt. ‘We mogen niet klagen’, antwoordt mijn moeder, nog voor ik iets heb kunnen zeggen.   Ik ben niet de enige van de broers en zussen die af en toe probeert de burcht te betreden. Mijn broer Maarten neemt de moed in beide handen en vraagt mijn moeder wat er nu precies met onze vader gebeurd is. Het is een mooie dag en de deur naar de tuin staat open. Na een lange pijnlijke stilte waarin alleen de vogels in de tuin te horen zijn zegt mijn moeder uiteindelijk: ‘Het zijn dezelfde vogels van verleden jaar, ze zijn terug gekomen.’   De familie van mijn vader Het huis in Melsele, mijn geboortehuis en het huis waar ik tot mijn dertiende woonde, was het voorste gedeelte van een grote boerenhoeve. Daar woonden vroeger mijn grootouders, Jules Geerts en Elodie De Coninck samen met hun enige zoon Louis, mijn vader. In het achterste gedeelte woonde nonkel Jef, de broer van mijn grootmoeder met zijn vrouw, tante Alice en hun twee dochters, Louise en Lucie.  Mijn grootvader Jules overleed op drieënvijftigjarige leeftijd. Twaalf jaar later, twee jaar voor mijn geboorte, stierf ook mijn grootmoeder. Als enige zoon, erfde mijn vader het huis met de grote tuin.   In het fotoalbum bekijk ik andere, nog oudere foto’s van het huis en de tuin in Melsele. Het woord ‘lusttuin’ komt in me op als ik de oude sepiafoto’s van de toenmalige tuin nauwkeurig bekijk. Het geeft me een nostalgisch gevoel ook al heb ik die tuin nooit in deze paradijselijke staat gekend. Ik pak er het vergrootglas bij. Op verschillende foto’s staan jaartallen geschreven, van 1922 tot 1924. Mijn vader is een blond jongetje op de arm van zijn vader. Ik zie details die me vroeger niet opgevallen waren. Mijn vader in een wit matrozenpakje. Voor zijn voeten staat een houten paardje op wieltjes dat nu in een antiquariaat een hoge prijs zou halen. Mijn vader houdt het touwtje vast om het voort te trekken. In gedachten zie ik hem rondlopen op de keurig onderhouden paadjes tussen de struiken en kleurrijke bloemperken, het paardje achter zich aan. Op één van de foto’s staat aan de zijkant een man op klompen. Ik vermoed de tuinman, als ik zie hoe mooi en keurig verzorgd deze lusttuin oogt. De ouders van mijn vader moeten welstellend geweest zijn. Daar blijft later helaas niets meer van over.   Het paard van nonkel Jef Nonkel Jef is een boer. Ik zie hem vaak met paard en kar het erf afrijden naar een veld een eind verderop. Soms staat het paard bij ons om de boomgaarden af te grazen. Eén boomgaard ligt naast het huis, de andere is het verste stuk van onze tuin. Behalve dat het paard de boomgaard afgraast en nonkel Jef af en toe met de zeis onze voormalige groenten en bloementuin afmaait, gebeurt er verder geen onderhoud in onze tuin. Bij stormweer waait er al eens een boom om. De bomen blijven liggen en worden voor ons een paard, een evenwichtsbalk, deel van een kamp, al naargelang het spel van het moment. Ik zit met mijn broer Maarten op een omgevallen boomstam in de achterste boomgaard. Het paard van nonkel Jef staat een eind van ons rustig te grazen. We zijn geen van beiden op ons gemak. We willen naar huis. ‘Als we heel rustig naast elkaar naar het hek stappen, zal het paard wel gewoon blijven grazen’, zeg ik geruststellend. ‘Denk je?’, vraagt mijn broer wat angstig. Hij is twee jaar jonger dan ik. Langzaam stappen we richting het hek. Plots, als een pijl uit een boog, spurt mijn broer de boomgaard over. In een reflex ga ik hem achterna. Het paard heft de kop op, krijgt ons in het vizier en stuift dan onze richting uit. ‘Snel, snel,’ gil ik terwijl ik mijn broer bij de hand pak. We horen het roffelende geluid van de hoeven steeds dichterbij komen.  Op het laatste nippertje schuiven we allebei onder de prikkeldraad door. Ik hoor het geluid van scheurend textiel.  We staan allebei te trillen op onze benen. Dan zie ik het. Een scheur over de hele breedte van het hemdje van mijn broer.   Wat me pas veel jaren later opvalt. We stonden even doodsangsten uit maar ik sla mijn armen niet om mijn trillende broertje hoewel ik bezorgd om hem ben en opgelucht dat we veilig zijn.  We rennen niet naar onze moeder om te vertellen wat er gebeurd is. We sluipen het huis in. Mijn broer verstopt zijn hemdje in een hoekje van zijn kast en doet een ander aan. Mijn moeder moet achteraf dit hemdje gevonden hebben. Ze heeft er nooit over gesproken, net zomin als mijn broer en ik. Wat niet weet, niet deert.    Mijn ijsman In de verte weerklinkt het vrolijk deuntje van de ijskar. Op slag laat ik mijn pop vallen wiens haren ik net nog zo zorgvuldig aan het borstelen was. Ons huis, met vooraan de symmetrische houtconstructie, in het midden oplopend naar een punt, ligt zo’n twintig meter dieper dan de straat. De voortuin en de boomgaard ernaast zijn omzoomd met een haag. Van de voordeur tot aan de straat loopt een paadje dat uitkomt op een hek.  Ik snel het paadje af naar de straat. Het is een rustige straat. Verkeer kennen we nog niet. Zelf hebben we geen auto en slechts een paar buren hebben al een auto op de oprijlaan. Soms gaan we naar de hoek van onze straat die uitkomt op de Schoolstraat, de hoofdstraat van het dorp. We wachten geduldig en roepen dan: ‘Daar is er weer één!’ en  schrijven de nummerplaat op van de auto die voorbij rijdt.  Het kan wel even duren voor ons blaadje vol is. Zelden draait een van deze auto’s onze straat in.   Het tingelende muziekje klinkt steeds harder en dwingender. De ijskar rijdt heel langzaam onze straat door om iedereen de tijd te geven de werkzaamheden even te staken, de portemonnee te pakken en de straat op te lopen. Ik zie de bovenkant van de ijskar al opdoemen boven de haag. Ik open het hek – het is gelukkig niet op slot - en zonder te kijken storm ik de straat op. Met gierende banden komt de camionette van de brouwer, vanuit de andere richting, in de sloot voor ons huis tot stilstand.   De therapeute noemde het een geleide fantasieoefening. We moesten onze ogen sluiten en de ogen van onze moeder zoeken. Ik vond ze niet. Geen enkele situatie kwam me voor de geest waarin ik haar ogen op me gericht wist. Er kwamen me wel andere ogen voor de geest: de buurvrouw van een tante waar ik logeerde en die meer deed dan alleen mijn gekneusde knie verzorgen. ‘Ach, die jongens kunnen zo wild zijn’ zegt ze vriendelijk. De ogen van Claire, de monitrice. Ze draagt me in haar armen. Er zitten splinters in mijn voet van het houten podium. Ze neemt de tijd om ze voorzichtig één voor een met een pincet uit te trekken. De pijn deert me niet. De vriendelijke ogen van de ijsman. Ook als ik geen ijs koop mag ik in zijn ijskar klimmen. Hij heeft zwart haar en een snor. Hij is altijd vrolijk en vertelt verhalen. Af en toe krijg ik een kartonnen reclamebord van Ola. Ik ben de koning te rijk. Hij is mijn ijsman.   Ik zit samen met mijn broers en zussen in de speelkamer als de deur openzwaait. De imposante verschijning van de brouwer vult de deuropening. ‘Wie was dat stoute kind dat voor mijn auto sprong zodat ik bijna verongelukte?’, vraagt hij terwijl hij ons één voor één streng aankijkt. Ik wil in het kleinste hoekje kruipen maar ik kan me niet bewegen. Hij speculeert nog wat over een mogelijke straf voor dit stoute kind. Dan zegt hij:  ‘De volgende keer, eerst goed links en rechts kijken voor je naar je ijsman snelt.’ Hij knipoogt naar mijn moeder. Ze lachen. Iedereen lacht. Ik voel mijn wangen warm worden.  Het hek zal wel weer op slot gaan.   Ik kom van school en ben op weg naar huis. Opeens hoor ik het bekende tingelmuziekje. Uit de andere richting nadert de ijskar. Ik durf niet op te kijken maar vang toch nog een glimp op van de man achter het stuur. Een oude, norse man zonder snor. Mijn ijsman komt niet meer naar onze straat. Hij zal wel boos op me zijn.     Het zesde leerjaar Ik zie ze nog allemaal voor me, de juffen van de lagere school. In het vijfde leerjaar is onze juf een non. Zuster Remigia heeft een lief, blozend gezicht.  Halverwege het jaar verlaat ze ons. De directrice van de lagere school, die we Moeder Overste noemen, komt in onze klas. Ze vertelt dat zuster Remigia ziek is en herstelt in een ander klooster. De aanwezigheid van Moeder Overste is zo imponerend dat niemand een vraag durft te stellen, bijvoorbeeld welke ziekte ze heeft en of ze dit jaar nog terug naar onze klas komt. Zuster Remigia komt niet meer terug naar onze klas.  Ze schrijft een brief waarin ze voor ieder van ons een attent woordje heeft. Een paar maanden later weet een meisje uit de hogere klas te vertellen dat zuster Remigia uit het klooster getreden is.   Juffrouw Thérèse is de onderwijzeres van het zesde leerjaar. De vrouwen van haar generatie moesten stoppen met lesgeven als ze trouwden. De oudere onderwijzeressen in onze school zijn ofwel nonnen ofwel ongehuwde dames. Jonge dochters worden ze genoemd. Juffrouw Thérèse is een jonge dochter op leeftijd. Als ze voor de klas staat zijn haar wenkbrauwen altijd gefronst. Haar rechter boventand staat ingedrukt op haar onderste lip. Het geeft haar iets verbetens. De hoofdtonen van juffrouw Thérèse zijn grijs en bruin, ook al zijn de aanbevolen kleuren van de school blauw en wit, de kleuren van de maagd Maria, die ons tot voorbeeld moet strekken. Onze schorten zijn blauw en wit geruit,  onze plooirokken zijn donkerblauw, net als onze blazers, jassen en truien. De bloezen en kousen mogen wit zijn. Er zijn twee zesde klassen. Juffrouw Rosa leidt de andere klas. Ze is van dezelfde leeftijd als juffrouw Thérèse. Haar hoofdkleur is oudroze. Als we in de rij staan te wachten om naar onze klas te gaan, spreken ze Frans met elkaar. In hun jonge jaren was het onderwijs Franstalig. In het boerendorp waar we wonen is dit de enige mogelijkheid om deze vaardigheid te oefenen. Dat wij hen dan niet begrijpen, is mooi meegenomen.   Juffrouw Thérèse heeft zich tot missie gesteld om de jeugd te behoeden voor ijdelheid en zelfoverschatting.  Ze gebruikt graag het woord ‘hovaardigheid’. Daar zal ze ons van verlossen. Daarvoor neemt ze elke gelegenheid te baat om ons eraan te herinneren dat we niks voorstellen, niks kunnen en niks weten, ‘ook al zitten jullie nu al in het zesde leerjaar’, voegt ze er aan toe. Het komt niet in ons op om haar er op te wijzen dat haar onderwijs dan wel jammerlijk gefaald heeft.   Er is een uitstap gepland: met de bus naar het zwembad in Sint-Niklaas. Ik kan niet zwemmen en ik heb ook geen badpak dus ik blijf samen met nog een paar meisjes, die elk hun eigen reden hebben om niet mee te gaan naar het zwembad, achter bij juffrouw Thérèse in de klas. We krijgen rekenoefeningen. Ik had gehoopt op iets vrolijker, iets wat meer in de lijn van het zwemuitstapje. Ik krijg mijn aandacht niet op de rekensommen gericht. Ik stel me voor hoe mijn klasgenootjes zich vermaken. Eerst in de bus – naast wie zou Linda zitten? -  daarna spelend in het water en daarna met een flesje chocolademelk in de hand. Het rekenblad blijft onaangeroerd. Juffrouw Thérèse kloft door de klas. Haar schoenen lijken een maat te groot. Bij elke stap dreigen ze uit te vallen. Ze ziet mijn leeg rekenblad. Zelfs zonder naar haar te kijken weet ik hoe ze kijkt. De gefronste wenkbrauwen, de tand die wat dieper boort in de onderlip. Ik ben geen held. Ik ben opgevoed  tot strikte gehoorzaamheid, een grote deugd volgens mijn moeder en volgens juffrouw Thérèse.  Mijn oudste zus wordt thuis dagelijks opgevoerd als voorbeeld hoe het niet moet. In onze klas is het Rita Verstappen die deze niet benijdenswaardige rol speelt. Soms moet ze helemaal alleen achteraan in de klas gaan zitten, soms vooraan op haar knieën op de trede met een boek op haar hoofd. Om te leren stil zitten. Dat leidt tot hilarisch taferelen waarbij sommige meisjes hun lach niet kunnen inhouden en juffrouw Thérèse steeds bozer wordt. Juffrouw Thérèse staat naast mijn bank. Juffrouw Godelieve van het vierde leerjaar rook naar eau de cologne. Juffrouw Thérèse ruikt muf en vreugdeloos. Er is een kortsluiting in mijn hoofd. De cijfers dansen en springen op en neer, ze zwemmen! ‘Komt er nog wat van’, klinkt het naast me. Ik kan niet geloven dat ik mezelf hoor zeggen: ‘Nee’.  Als door een wesp gestoken springt Juffrouw Thérèse op. ‘Alsof je deze extra oefeningen niet nodig hebt. Deze hovaardij zal ik je wel eens afleren!’, roept ze door de klas. Het komt vanuit mijn middenrif in schokkende bewegingen. Ik kan het niet tegenhouden. Ik slik en slik, ik trek mijn spieren samen, ik buig naar voor, ik probeer mijn adem in te houden. Het helpt niet, mijn hele lichaam schokt. ‘Ga naast je bank staan en je mag pas terug gaan zitten als je gestopt bent met deze belachelijke vertoning’, zegt ze. Ze kijkt me koud en kwaad aan. Ik sta lang naast de schoolbank. De andere meisjes zijn doodstil en buigen het hoofd boven de rekensommen. Juffrouw Thérèse is oppermachtig, ze wint de strijd. Ik krijg, na een bovenmenselijke inspanning, het uitstulpende verdriet ingeslikt en afgegrendeld. Het wordt een levenswerk om dat middenrif terug ontgrendeld te krijgen.   Een jaar later Elke ochtend als we nog aan de ontbijttafel zitten, vertrekt mijn vader met de fiets naar de Grote Baan. Daar neemt hij de bus naar Antwerpen. Mijn vader werkt in Securitas, een verzekeringsmaatschappij. Zoals elk jaar gaat ook dit jaar het hele  gezin met een grote taxi naar het sinterklaasfeest in Antwerpen. Ik kijk er naar uit, ook al word ik misselijk achteraan in de auto en in de lange tunnel. Op het feest krijgt elk kind tot twaalf jaar een mooi cadeau van sinterklaas. Het is de laatste keer dat ik een cadeau krijg. De vorige jaren was het speelgoed. Voor de twaalfjarigen is het een passer in een lederen etui. We eten rozijnenbrood en drinken chocolademelk. Mijn vader neemt ons mee naar zijn werkplek. Met de bureaustoelen op wieltjes rijden we langs de grote donkerbruine houten bureaus. We klimmen op de ladders langs de hoge muren met de archiefkasten.  Mijn broer zit aan het eerste bureau en ik aan het laatste. Elk met een donkergroen vilt op het bureaublad. Mijn vader toont hoe we elkaar kunnen opbellen. Ik hoor de stem van mijn broer dicht aan mijn oor. We kunnen er niet genoeg van krijgen maar we moeten nog naar de voorstelling. Er komt een goochelaar.   Een maand later Het hele dorp loopt uit, de kerk zit vol. Er wordt gefluisterd en gefezeld. Iedereen wil een glimp opvangen van de weduwe achter de zwarte voile, omringd door haar kinderen. Er gebeurt niet veel in het dorp. Een drama brengt leven in de brouwerij en zorgt voor gespreksstof. Ik ben voorzanger in het koor van pastoor Sabot. Onlangs nog zongen we in de rouwdienst van het kleine blonde jongetje. Drie jaar was hij net geworden. Hij stak de straat over. Zijn vader zag hoe de aankomende auto hem dodelijk trof. De grote, zware man zat op zijn knieën voor het kistje en huilde hartverscheurend. Het raakte me diep. Nu voel ik vooral de priemende ogen van mijn dorpsgenoten. We weten dat er iets mis is met het ongeval van onze vader. Verdronken in de Schelde op een koude, mistige maandagochtend in januari. Er wordt gekletst in het dorp. Ze hebben hun oordeel klaar. Er was discussie over de begrafenis. Het was niet zeker of hij in de gewijde grond van de begraafplaats mocht liggen.   Een verzorgde mevrouw in mantelpak komt bij ons thuis onze maten nemen. Na de dood van mijn vader zal de verzekeringsmaatschappij ons allemaal in het nieuw steken. Voor de meisjes  een donkerblauwe rok en blazer en een witte bloes. Voor de jongens een donkerblauwe broek en blazer en een wit hemd. ‘Maak het maar op de groei’, zegt mijn moeder. Een tijd later krijgt mijn moeder een brief. ‘Tot onze spijt kan de levering van de kleding niet doorgaan.’  De verzekeringsmaatschappij heeft geoordeeld dat het niet om een bedrijfsongeval gaat. Mijn vader was te ver afgeweken van de dagelijkse route naar zijn werk. Mijn moeder blijft haar hele leven angstvallig vasthouden aan de versie van een ongeluk. Maar er wordt bij voorkeur nooit meer over gesproken. Een nieuw groot taboe doet zijn intrede in ons leven.   Het verblijf bij tante Lieve Een paar maanden na de dood van mijn vader blijft mijn moeder overdag in bed liggen. Dat is nog nooit gebeurd. We weten niet wat er scheelt. Mijn oudste zus zegt dat het iets met de zenuwen te maken heeft. We begrijpen niet wat ze daarmee bedoelt. We weten ook niet of dat ernstig is. Mijn moeder keert voor een tijd terug naar haar ouderlijk huis. De zeven kinderen worden verdeeld tussen de huishoudens van haar broers en zussen.   Mijn zus is een jaar ouder dan ik. Anna-Maria staat er op haar identiteitskaart. We noemen haar Annemien. Later valt de laatste n van haar naam weg. We komen samen terecht bij de oudste zus van onze moeder. Tante Lieve is vriendelijk en welwillend maar wij zijn onbereikbaar. We weten nog altijd niet zeker wat er precies met onze vader gebeurd is. We vrezen dat hij iets slecht gedaan heeft. We schamen ons diep. Hij is dood en wij zwijgen hem dood. We weten niet wat er met onze moeder aan de hand is. We weten niet hoelang we bij tante Lieve moeten blijven. We vragen niks. We wachten. We schuilen in de boeken die we meegenomen hebben. ’s Avonds liggen we in bed. Ik hoor Annemien zachtjes huilen. Ik huil stil met haar mee. We troosten elkaar niet. Dit verdriet bestaat niet. De twee dochters van tante Lieve zijn een paar jaar ouder dan wij. Ze zijn heel zelfbewust en maken zich mooi. Ze laten ons duidelijk voelen dat we twee oninteressante en saaie huisgenoten zijn. We doen niets om dit beeld te veranderen. Het liefst willen we, net als onze vader altijd deed, op bed liggen, door het raam staren of lezen, of stilletjes huilen als niemand het hoort of ziet.   Op een dag mag iedereen terug naar huis. Er is een belangrijk besluit genomen waar mijn moeder beter van wordt. Ze gaat terug naar haar geboorteplek, in Geraardsbergen. We krijgen een nieuw huis waar niemand weet heeft van ons grote geheim.    Nonkel Herman, de broer van mijn moeder, heeft een brandstapel gemaakt in onze tuin in Melsele. Het vuur laait hoog op. Alles wat we niet meenemen naar het nieuwe huis wordt verbrand. ‘Eén pop mogen jullie houden’, zegt mijn moeder tegen mijn zus en mij. Ik kan niet kiezen. ‘Toch niet die met dat afgeknipte haar en nog maar een oog’, zegt mijn moeder. De pop komt op de brandstapel terecht. Ze brandt niet, ze smelt langzaam weg.   Eerste buitenlandse reis Met elk onze kartonnen valies in de hand zet nonkel Herman mijn zus en mij af bij de trein. Het is onze eerste treinreis en onze eerste buitenlandse reis. We gaan tien dagen naar Zwitserland  De mutualiteit organiseert elk jaar een reis voor de veertienjarigen. Ik ben nog maar dertien maar ik mag mee met mijn veertienjarige zus. Terwijl wij in Zwitserland zijn, zal de verhuis doorgaan.   In de barak in Melchtal slapen we in stapelbedden. De tweede nacht krijg ik een bloedneus. Het stopt maar niet. ‘Dat komt door de hoogte’, zegt de dokter. Ik krijg dikke watten in mijn neus. ‘Zonder de toestemming van de ouders mogen we het niet dichtbranden’, zegt hij. Mijn moeder is onbereikbaar. Ze is aan het verhuizen, naar het nieuwe huis. We hebben nog geen telefoon. Die zal pas een paar jaar later zijn intrede doen in ons huis. Als hij bij uitzondering al eens rinkelt durft niemand de hoorn op te nemen. De rest van de dagen breng ik door op bed in de ziekenboeg. Ik probeer af en toe iets mee te doen maar na elke inspanning wordt de bloeding erger. Ik krijg bezoek van de monitrice, mijn zus en een paar meisjes van mijn groep. Ik vind het best. Ik lees en droom van het nieuwe huis terwijl ik door het raam naar de besneeuwde bergtoppen kijk. Het zal klaar zijn als we terug naar huis moeten.   Behalve mijn zus zal niemand thuis ooit weten dat ik mijn eerste buitenlandse vakantie doorbracht op bed met dikke proppen watten in mijn neus. Niemand vraagt iets, wij vertellen niets. Wat niet weet, niet deert.   Het nieuwe huis Het nieuwe huis is donker en vochtig. Alle lichte beelden die ik droomde in Zwitserland verdwijnen als sneeuw voor de zon. Het huis is van tante Madeleine, de ongetrouwde zus van mijn grootvader. Ze is mager en benig. Elke avond daalt ze de trappen af van de tweede verdieping helemaal naar de kelder. Ze heeft dan haar haar, dat anders in een knot gedraaid achter op haar hoofd zit, in een lange grijze vlecht. Haar kleren zijn op verschillende plaatsen netjes versteld met stukjes stof, soms in een iets andere kleur als ze blijkbaar geen stofje kon vinden in dezelfde kleur. In de kelder schept ze op haar knieën water uit de waterput. Nu zouden we dit milieubewust noemen maar tante Madeleine is vooral zuinig. Ze had vroeger een kruidenierszaak in dit huis. Nu woont ze op de tweede verdieping van haar eigen huis. Wij wonen beneden en slapen op de eerste verdieping. Een kamer voor de drie jongens, een kamer voor de drie meisjes en een kamer voor mijn moeder en onze kleinste zus, die pas vier is. De jongenskamer is klein. Met de twee bedden en een commodekast staat ze propvol. De grauwe, vochtige muren worden doorheen de jaren volledig bedekt met de posters uit het poptijdschrift ‘Salut les Copains’. De meisjesslaapkamer is de grootste. In de plompe, donkerbruine houten kleerkast hangen voor elk van ons een paar zondagse kleren. Ze hangen wat verloren in de grote kast. Tegenover de kast staat een eenpersoonsbed voor mijn oudste zus en daar tegenover een tweepersoonsbed voor mij en Annemien, die ondertussen Annemie geworden is. Mijn oudste zus is er niet blij mee. Ze had in het oude huis een eigen klein kamertje. Nu moet ze de kamer met ons delen. Ze hangt een laken tussen onze bedden. Zo kan ze zich weer even in haar kleine kamertje in het grote, oude huis wanen.   Voor het eerst in ons leven hebben we een ligbad. Beter gezegd, tante Madeleine heeft een ligbad en wij mogen er gebruik van maken. Ik vind het zalig om in het bad te drijven. Ik kan er niet genoeg van krijgen maar het moet vlug gaan. Eén na één moeten we op zaterdag in bad. We mogen tante Madeleine niet teveel storen, dus we doen het snel en mijn moeder zorgt ervoor dat de badkamer schoon blijft na die zaterdagse invasie. Het helpt niet. Op een dag komt tante Madeleine naar beneden. ‘Beatrijs’ galmt het door de lange gang. Mijn moeder zucht. ‘Die kinderen maken zoveel lawaai’ klaagt tante Madeleine, ‘Ik kom op zaterdag niet meer aan mijn middagdutje toe.’ Het zaterdagse badritueel verplaatst zich van dan af naar de keuken. De gordijnen gaan toe, de deur gaat op slot. Er worden doorlopend grote potten water op het gasfornuis gewarmd. Op de keukentafel staat het plastic kinderbadje waar mijn jongste zus ondertussen uitgegroeid is. Ik droom van het ligbad op de tweede verdieping. Pas als tante Madeleine overleden is, een paar jaar later, mogen we terug in bad. Ik loop even haar woonkamer in. In de ligstoel waar ze haar dagelijks dutje deed, liggen twee kussens en een dekentje netjes opgevouwen. De kachel die ze elke dag oprakelde met welgeteld zeven bewegingen over en weer, is koud. De badkamer heeft zijn glans verloren.   Een nieuwe school Behalve mijn oudste zus die het laatste jaar van haar middelbare school op internaat gaat in haar oude school, moeten we allemaal naar een nieuwe school. Ik sta op de speelplaats. Ik kijk naar de spelende meisjes in hun hemelsblauwe schorten. Ik denk aan mijn oude school. Daar waren onze schorten blauw en wit geruit.  Ik voel me niet thuis in dat hemelsblauwe. Een meisje komt naar me toe. ‘Hoe heet je’, vraagt ze. Ik twijfel wat ik moet zeggen. Thuis heet ik Haddie. Op school ben ik Hadewijch. Welke naam ik ook zeg, ik moet hem altijd verschillende keren herhalen. Ik zwijg. ‘Weet je niet hoe je heet?’, lacht ze. Het is ongewoon dat er zomaar in het tweede jaar van de middelbare school iemand nieuw in de klas komt. Geraardsbergen is een klein provinciestadje zonder noemenswaardige industrie, buiten dan de Union Allumettière, in de volksmond, de stekskesfabriek. Ze is nieuwsgierig wat ons gezin naar deze plek brengt. ‘Wat doet je vader?’ vraagt ze belangstellend. Ik verstar. Ik heb me niet voorbereid op die vraag. En zelfs als ik er me probeer op voor te bereiden krijg ik het antwoord niet geformuleerd. Maar ik wen langzaam, ook al is deze school strenger dan mijn oude school. Als we op onze knieën op een stoel zitten moet onze rok het zitvlak van de stoel raken. Ik zie een meisje op de speelplaats met een strook papier onderaan haar rok gespeld tot op de juiste lengte. Ze doorstond de stoeltest niet. Ze zorgt er wel voor dat ze de volgende dag een andere rok aan heeft, om niet uitgelachen te worden. Broeken zijn niet toegestaan. Enkel als het ’s winters heel koud is mogen sommige meisjes, die van ver komen met de fiets, boven hun collant een broek aantrekken. Die moet dan wel bij aankomst in de school, terug uit. Om geen aanstoot te geven. Deze en andere kledingvoorschriften deren me niet. Ik heb ondertussen twee vriendinnen, Hélène en Chantal. Ik kom regelmatig bij hen thuis. Hélène haar moeder gaat uit werken. Als ik na school met haar mee naar huis ga, is haar moeder nog niet thuis en kijken we samen tv. Thuis hebben we nog geen televisie. Die komt er pas een aantal jaar later, als ik het ouderlijk huis al verlaten heb. Met Chantal ga ik de hele zomer fietsen. Er is een nieuwe rage: de minifiets. Als bij wonder hebben we er één, de enige fiets die we ooit bezaten. Behalve dan de fiets van mijn vader. Die fiets is niet mee verhuisd naar het nieuwe huis. Ik vraag me af waar hij gebleven is. Maar dat kan ik niemand vragen.   Opnieuw een nieuwe school In de nonnenschool waar Annemie in het derde en ik in het tweede jaar van de middelbare school zit is er een probleem met de punten van mijn zus. In plaats van dit uit te praten besluit mijn moeder zonder overleg om mijn zus en mij naar een andere school te sturen. Ik wil niet weg uit de school waar ik me, na een moeilijke start, eindelijk thuis voel en ik vriendinnen heb. Maar het besluit is al genomen dat we de vier volgende jaren in het Lyceum zullen doorbrengen. Annemie doet haar derde jaar over zodat we in dezelfde klas zitten. Het lyceum is een cultuurshock. Alle meisjes spreken plat dialect. De tweede dag spreekt Myriam, één van onze klasgenoten, mijn zus en mij aan: ‘Zorg er maar voor dat jullie zo snel mogelijk normaal gaan spreken. Hier spreken we niet in dat bekakte Nederlands’,  zegt ze in haar platste dialect. In de nonnenschool waren er ook meisjes die dialect spraken maar de voertaal was algemeen Nederlands. De eerste weken zwijgen we tot we beginnen te begrijpen hoe we de klanken moeten vervormen. Maar zwijgen is voor ons geen probleem. We zijn erin getraind. Spreken is zilver, zwijgen is goud.   Mijn moeder heeft haar eigen problemen. Ze moet het huishouden draaiende houden met het kindergeld en een overlevingspensioen. En ze moet voortdurend rekening houden met de bemoeienissen van tante Madeleine. Ze heeft dan ook wel wat anders aan haar hoofd dan ons te vragen hoe het gaat op de nieuwe school. We vertellen weinig. Nochtans komen we elke middag thuis eten. Heel vaak is het pasta of rijst met een rode saus erbij en gehaktballen of koteletten van de slager die een paar huizen verderop woont. Ik vind het niet erg want ik heb geen honger. Ik heb opnieuw een krop in de keel. Ik slik veel, soms tot de tranen me in de ogen schieten. Elke avond schommel ik mezelf in slaap.   Ik weet nog niet dat mijn hechtingsstijl *, die al in de eerste drie levensjaren gevormd werd, me in de weg zit om me gemakkelijk aan te passen aan veranderende omstandigheden. Ik weet nog niet dat de boodschap van mijn moeder, ‘je onopvallend op de achtergrond te houden’, geen goede ingesteldheid is om me in de buitenwereld te begeven.      * A secure Base John Bolwby   Ik ben het vierde kind van mijn ouders in vijf jaar tijd. Na mijn geboorte adviseerde de dokter om het bij vier kinderen te houden. Er kwamen nog drie kinderen na. Als ik twee jaar ben is er geen plaats op de schoot van mijn moeder. Mijn jongste broertje is pas geboren. Hij ligt aan de borst. Na dat zesde kind is mijn moeder uitgeput. Mijn andere broertje dat elf maanden jonger is dan ik, begint net wat schommelend te lopen. Ik vind troost op het schommelpaardje waar ik zelf op en af kan kruipen en waar ik mezelf in slaap schommel. Ik heb niemand nodig voor troost en veiligheid.   Het duurt lang maar ook in het lyceum maken mijn zus en ik uiteindelijk vriendinnen en we leren stilaan de finesses van de plaatselijke taal.   Verliefd Ik ben 16 jaar. Ik ben verliefd op een jongen die een paar straten verder woont.  Als ik van school kom loopt hij vaak met een paar vrienden voor mij uit naar huis. Soms blijven ze ergens staan dan vertraag ik mijn pas om ze niet voorbij te moeten steken. Soms steek ik de straat over. Ik kijk hem nooit aan. Ik spreek ook met niemand over deze verliefdheid en niemand merkt wat aan mij hoewel het vaak pijn doet aan mijn hart. Het is een opluchting als het gevoel langzaam slijt en op een dag helemaal weg is. Ik hoop dat dit gevoel me nooit meer in de greep krijgt. Het geeft me enkel onrust, angst, schaamte en pijn.   Ik ben 17 jaar. Ik ben verwonderd dat Hugo verliefd op me is. Hij wordt mijn eerste vriendje. Hij kiest dat, niet ik. Dat is veiliger. Ik hou me op de vlakte. Ik ben de perfecte kopie van mijn moeder. Ik blijf onopvallend op de achtergrond. Als iemand me in die achtergrond opmerkt, ben ik verwonderd en onwennig.   Als iemand me op dat moment zou vertellen dat ik me op een dag vanuit die achtergrond op de voorgrond zal werken om voor een groep te staan, zou ik vol ongeloof het hoofd schudden. Op dat moment ben ik nog lichtjaren verwijderd van deze toekomst.   Dertig jaar later sta ik in het ondertussen vertrouwde opleidingslokaal van de bank in de Kreupelenstraat in Brussel. Twaalf deelnemers heb ik deze keer. Zoals gewoonlijk zijn er meer vrouwen dan mannen die ingeschreven hebben op de opleiding sociale vaardigheden. Vaak zijn het de mensen in de kantoren. De druk op de mensen in de bank is groot. Een tweedaagse is te kort maar ik geef ze zoveel mogelijk praktische bagage mee. Al de vaardigheden en hulpmiddelen die ik zelf moeizaam verworven heb, verwerk ik er in. ‘Dat kan ik met mijn puberzoon ook gebruiken’ zegt een vrouw opgelucht als we het territoriummodel bespreken en oefenen met de principes van geweldloze communicatie.  Ik kijk naar de naamkaartjes. Rita, haar gezicht komt me bekend voor. Ze lacht me vriendelijk toe. In de pauze komt ze naar me toe. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze. Rita Liekens. We volgden twintig jaar geleden samen een bijscholingscursus. Ze is wat ouder geworden, maar ze heeft nog altijd hetzelfde vriendelijke gezicht. We lunchen samen. ‘Ik ben verbijsterd, zegt ze ‘Waar is het verlegen meisje van 20 jaar geleden gebleven?’ ‘Je sprak niet’, herinnert ze zich,’ ‘Hoe ben je ooit zover gekomen?’ vraagt ze oprecht verwonderd. Het is een lang verhaal. Zelfs met twee lunchpauzes hebben we niet genoeg. Ze verzorgt nog steeds liefdevol haar man die na een ongeval in een rolstoel belandde.   Na elke opleiding moet elke deelnemer een evaluatieformulier invullen en op verschillende items punten geven. Ze geeft overal tienen met een uitroepteken. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven’, zegt ze bij het afscheid, ‘Je doet dit fantastisch, maar ik had het nooit kunnen denken. Het is onvoorstelbaar. Blijf dit vooral doen!’ Ze omhelst me krachtig.   Verder studeren Na vier jaar zijn voor mijn zus en mij de lyceumjaren voorbij. We zijn geen briljante studenten maar we halen met weinig inspanning de eindmeet. Ik denk terug aan het vijfde leerjaar hoe ik op een dag thuis kwam met mijn rapport. Mijn moeder zette het op de schouw bij de rapporten van mijn broers en zussen, voor mijn vader om ze te tekenen als hij thuis kwam van het werk. Ik keek stiekem naar de cijfers in de andere rapporten. Mijn ouders zouden nu wel merken dat ik echt hoge cijfers had. ’s Morgens lagen de rapporten ondertekend klaar om terug mee naar school te nemen.  ‘Steek maar in de boekentas’, zei mijn moeder, zonder verder commentaar. Schoolresultaten waren niet belangrijk. Er is niets om je best voor te doen.   Er wordt in het lyceum gepraat over de studierichting die we moeten kiezen. Mijn zus en ik weten het niet. We hebben geen ambities. Thuis is het geen onderwerp van gesprek. We maken uiteindelijk toch een keuze. Mijn zus gaat binnenhuisarchitectuur doen en ik schrijf me in in de sociale hogeschool. We gaan samen op kot in Gent.   Het studentenkot ligt in de kelder. Vanuit ons bed zien we voeten en benen tot aan de knie passeren en af en toe fietswielen, die ook vaak voor het kleine getraliede raam blijven staan. De lamp boven de tafel, die ook dienst doet als bureau, brandt de hele dag en dan nog wordt het nooit helemaal licht.   We verlaten deze schuilplaats steeds minder. Zonder het uit te spreken weet ik dat Annemie, net als ik, niet kan aarden in de nieuwe school. We praten niet. We zijn een zwijgend verbond.  Veertig jaar later praten we wel. We hebben niet veel tijd meer. We klinken op onze laatste gezamenlijke verjaardag. We schelen een jaar en een dag. Mijn zus krijgt thuis palliatieve zorgen. Haar krachten nemen snel af. R

Haddie
0 0

Een afgewerkt verhaal?

Ledeberg, 28 mei 2018 Dag Lus, Toeval bestaat inderdaad niet. De titel die ik eerst voor brief 7 in gedachten had, was… vragen staat vrij! Ik was deze week ook op zoek naar een boek om mijn kennissen die net hun zoon verloren hebben een hart mee onder de riem te steken. Ik kwam uit bij het boek dat Guillaume Vanderstighelen schreef na de dood van zijn zoon. Hij noemde ook Mathias, ontdekte ik toen. Straf, hé. Hoewel, als would be boeddhist wist ik dat al: de Dalai Lama gelooft ook niet in toeval. Fijn te lezen dat we heel wat gemeenschappelijke kenmerken hebben! Hopelijk bevestigt deze brief dat nog een beetje. Je hoort van mij graag de ultieme tip om het schrijven vol te houden. Wellicht ben ik de minst relevante persoon aan wie je dat vraagt, Lus, want ik ben de koningin van de onafgewerkte verhalen. Tips heb ik in de loop van de jaren wel verzameld, ze toepassen is iets anders. * De tip van de Meester himself, Tom Lanoye, zoals ik in brief 1 schreef: ‘Maak het af!’. Een fulltime job, 3 kinderen, zich vanzelf opstapelende was en afwas, … ik kom er gewoon niet toe. Ik geef echter toe, het zijn ook excuses. Tijd heb je niet, tijd maak je en voor dat laatste is er best nog wat speling. Het is eerder faalangst en perfectionisme dat me dwarsboomt. * Wat voor mij wel werkt, zijn deadlines, op voorwaarde dat ze niet té strikt zijn want dan haak ik vroeg of laat ook af. Ik zit al jaren in een schrijfclubje met vriendinnen, de deadline om iets binnen te leveren is om de 5 weken en als je een keertje overslaat, is dat ook niet erg. Als ik die deadlines efficiënt zou gebruiken om aan 1 verhaal door te werken, zou ik goed bezig zijn. Meestal schrijf ik echter over wat me op dat moment bezighoudt en tegen de volgende deadline is dat weer iets anders dus ja, zo kom ik aan die schuif vol onafgewerkte verhalen…* Een nieuwe tip - zelf uitgevonden - is om in de slipstream van een gedisciplineerde schrijver kruipen. Een van mijn schrijfvriendinnen is net aan haar tweede boek begonnen. Ik ga haar tempo proberen te volgen om een langer verhaal af te werken. Tot mislukken gedoemd, zij is gepensioneerd dus heeft zeeën van tijd. * Een streepje Sartre ter inspiratie? Seuls les actes décident de ce qu'on a voulu. * ‘The line’ vind ik een van de beste tips die ik ooit gehoord heb, maar ik heb hem ook niet volgehouden. Het komt er op neer dat je het schrijfproces – de lijn – niet onderbreekt. Al doe je je computer maar 10 minuten open om 3 woorden neer te pennen, schrijf élke dag. *** Bestaat er een zelfhulpgroep voor verstrooide mensen?, vroeg je me. Ik heb het even aan Mr Google gevraagd en hij antwoordde van niet. Ik heb wel info gevonden over hoe je zelf een zelfhulpgroep kan opstarten, dan word ik je eerste lid! Ach, is verstrooidheid geen teken van creativiteit? *** Ik ben wel coach maar om je van je chocoladeverslaving af te helpen, is me een brug te ver. Waarom zou ik? Ik kan zelf niet zonder chocolade een en ben helemaal niet gemotiveerd om dit aan te pakken, laat staan dat ik anderen zou willen overtuigen. Wat ik wel probeer,  is zo veel mogelijk voor de ‘goede’ chocolade te kiezen, namelijk de pure vanaf 70% cacao of chocolade met stevia. Zal ik je eens meenemen naar de chocoladebar in Gent? Mmm… *** ‘Mijn bureauschuif puilt stilaan uit van de onafgewerkte verhalen’Je wilde ook graag weten welke verhalen ik zeker wil afwerken. In de eerste plaats een fictieverhaal omdat ik meestal reisverhalen schrijf en dit verhaal tot mijn verbazing eigenlijk veel vlotter uit mijn pen rolt. Jaren geleden ben ik begonnen aan een verhaal over Frida Kahlo, dat moet ook eens afgeraken. En op mijn laatste reis naar Mexico heb ik zo iets wonderlijks meegemaakt tijdens Día de Muertos, dat moet ook echt op papier. Mijn probleem is dat ik goed ben in titels en het verzinnen van het begin en het einde van een verhaal. Maar het eigenlijke verhaal… zucht. Maar… in mijn bureauschuif ligt ook wel een bundeltje met – afgewerkte! – reisverhalen!*** Dit brengt me automatisch naar Mexico met je vraag over San Miguel de Allende en het koloniale huis. Heb je naar De Mol gekeken op tv? Ze hebben een heel stuk van de route van mijn laatste Mexico-reis gevolgd. San Miguel de Allende is een prachtig koloniaal stadje in Centraal-Mexico. Mijn goede vriend Dirk, die al meer dan 20 jaar in Mexico woont, heeft er een winkel geopend en hij woont nu deels daar en deels in zijn schitterende, koloniale huis in Mexico City. Hij is een fabelachtig interieurarchitect, ik vind het telkens een voorrecht om in zijn huis en in zijn gezelschap te mogen vertoeven. Kom, ik neem je even mee naar Mexico City. *** Ik ben het helemaal met je eens over omgaan met verdriet. ‘Dood ben ik pas als jij me bent vergeten’ van Bram Vermeulen zegt het helemaal. Daarom zijn de dodenherdenkingen in Mexico zo mooi, zij geloven oprecht dat hun dierbare overledenen 1 keer per jaar terug naar de aarde keren om bij hun familie te zijn. De familie maakt altaren met hun foto, favoriete voedsel en spullen, ze waken de hele nacht bij het graf op het kerkhof en er is een overvloed aan bloemen, kaarsen, muziek, … *** Ik ben wel een knuffelaar, vooral met mijn zonen, ook al zijn die intussen, 11, 14 en 16. Lang voor ik hen kreeg, verbaasde ik me er al over hoe braaf Mexicaanse kinderen zijn. Op urenlange busreizen zitten ze soms met z’n vieren op een bankje van twee, zonder speelgoed, en ze geven geen kik. Een van de redenen is volgens mij dat ze van kleinsaf gedragen worden en heel veel geknuffeld. Kinderen zijn god in Mexico. De laatste jaren zie ik buggy’s verschijnen en voor het eerst hoorde ik al eens een kleine krijsen, wat ik vroeger nooit heb meegemaakt. In elk geval heb ik mijn kinderen ‘Mexicaans’ opgevoed door hen zo lang mogelijk te dragen (ik was wellicht een van de eerste draagdoekmoeders in Gent) en elke dag te knuffelen. Ik heb erg brave, rustige kinderen gekregen. Ook wel kleine macho’s, moet ik toegeven, dus een Mexicaanse opvoeding heeft toch zijn neveneffecten…   Ik zal er op de Schrijfdag helaas niet bij zijn, Lus. Oprecht jammer, zeker met een ‘thuismatch’ maar volgend weekend doet een van mijn metekindjes haar communie. Dat is op zondag maar mijn broer woont met zijn gezin in Wenen, dus ik vertrek al eerder. Mijn vriend zal er wel zijn, passeer zaterdag zeker eens langs zijn kraampjevan met handgebonden schriften en boekjes, aan de ingang van de bib. Hopelijk kunnen we elkaar op een ander moment in Gent, Dendermonde of ergens tussenin eens ontmoeten? Want dit verhaal is toch nog niet af? Knuffel, Tinetineschrijft@hotmail.com (ik zou er beter ‘tineschrijftsoms’ van maken…) PS Ik ben geen geboren Gentse, maar ja, ik ken de Ledebirds!

Ambrozijn
0 0

De ninja mag mee

Donderdagnacht De bondscoach neuriet een triomfantelijke melodie terwijl hij in zijn tricolore cabriolet over de donkere snelweg rijdt. Vannacht hebben de hoge heren van de voetbalbond zijn contract met twee jaar verlengd tijdens een copieuze maaltijd in het duurste restaurant van het land. Het is een onverwacht teken van vertrouwen en geeft hem de ruggensteun die hij nodig zal hebben wanneer hij over een paar dagen zijn selectie voor het levensbelangrijke toernooi in Rusland zal bekend maken. Hij zweet een beetje en er komt een ongemakkelijk gevoel op in zijn buik. Die Coupe Brésilienne als afsluiter van het diner was een overmoedige keuze. Terwijl de zoetigheid pruttelend begint te gisten in zijn maag, komen ook in zijn hoofd de zorgen bovendrijven. Hij mag dan wel blij zijn met zijn nieuwe contract. Door een groot en luidruchtig gedeelte van de publieke opinie zal het nieuws minder enthousiast onthaald worden. Als Spanjaard is hij nooit populair geweest bij de supporters van de Rode Duivels. De Belgen zijn van nature achterdochtig tegenover elkaar, maar meer nog tegenover buitenlanders. Van zijn vrouw mag hij de commentaren op sociale media niet lezen, maar hij doet het toch. Elke trainer doet dat, gelooft hij. Het is één aspect van het martelaarschap dat bij de job hoort. Het is je plicht de vlaag op te vangen. Je offert je persoonlijke rust op voor de glorie van je club. Of je land. Of, zoals in zijn geval, een ander land dat wil betalen. Daar zullen morgen weer honderden giftige reacties op alluderen: op dat betalen. Dat het toch ongehoord is, één miljoen. Voor een Spaanse toerist die er niets van bakt. Dat de man in de straat het voor een honderdste van dat bedrag twee keer zo goed zou doen. De bondscoach huivert al bij de gedachte aan de verwensingen die hij een paar dagen later ongetwijfeld over zich heen zal krijgen wanneer hij de selectie bekendmaakt. Dan zal hij de man in de straat pas echt op de lange tenen trappen. Hij heeft immers beslist dat de ninja niet meegaat. De ninja is de populairste speler onder de fans. Het is geen slechte voetballer, maar de bondscoach kan hem niet luchten en daar heeft hij goede redenen voor. De ninja komt steevast te laat aan op training, werd al verschillende keren betrapt toen hij in een verborgen hoek van het stadium stiekem stond te roken en heeft de vervelende gewoonte om elke zin die hij uitspreekt met een knallende wind te besluiten. Een gestampte boer. Daar houdt de bondscoach niet van en daarom gaat hij niet mee naar Rusland. De fans zullen woest zijn en hij zou veel krediet winnen door hem wel mee te nemen, maar zijn besluit staat vast. De bondscoach wil geen flatulentie in het team.   Een slokje water en de koele wind over zijn kale schedel verdrijven de misselijkheid. Op de radio begint een nummer van The Clash dat herinneringen oproept aan zijn tijd in Engeland. De bondscoach draait het volume luider. Go straight to hell, boy lipt hij dromerig mee tijdens het refrein. De muziek brengt hem in een meditatieve toestand waaruit hij bruusk wordt weggerukt door het naderende geluid van sirenes. Een combi scheert langs zijn linkerflank. Aan de andere kant wordt hij bijna geramd door een slingerende bestelwagen. Er klinkt een schot. De kogel zoeft net voor zijn neus en boort zich door het raam van de bestelwagen. De coach gaat vol in de remmen. Tientallen dolle politiewagens razen met gierende banden langs weerszijden van zijn gedeukte sportwagen voorbij en rijden zich even verder tegen elkaar te pletter. De bondscoach haalt adem. Hij is ongedeerd. 'There ain't no asylum here. King Solomon, he never lived around here. Go straight to hell boy.' klinkt het net voor hij de contactsleutel omdraait en verbouwereerd uit de wagen stapt.De agent die op hem afkomt trekt grote ogen wanneer hij ziet wie hij voor zich heeft. In Jommekesspaans verontschuldigt hij zich voor de situatie waarin de trainer van de nationale voetbalploeg is terechtgekomen en hij gaat verder in het Vlaams. 'Stel je voor: Frank had je bijna neergeknald. Het scheelde geen haar, maar hij heeft niets geraakt. Dat was ook niet de bedoeling, zegt hij. Het ging per ongeluk. De kogel is zoek. Verdwaald als het ware.' De man is helemaal van de kaart, net als zijn collega's die over de breedte van de rijbaan verspreid staan. Enkele van hen halen een groepje mensen uit de bestelwagen. Het zijn vluchtelingen uit het Midden-Oosten. Plots ontstaat er commotie. Er wordt geroepen en gevochten. Een gepijnigde oerkreet maakt iedereen stil. De bondscoach kijkt naar de bestelwagen en ziet een jonge vrouw met een bloedend kind in de armen. Ze schreeuwt haar onmacht uit. Een agent neemt het kind af. Een andere houdt de huilende vrouw op afstand. De vluchtelingen worden geboeid naar een bestelwagen van de politie overgebracht. In trance gaat de bondscoach dichterbij. De wild om zich heen slaande moeder wordt als laatste in de combi geduwd. Hij ziet nog hoe ze beide armen uitstrekt en hem smekend aankijkt voor de deur met een brutale klap wordt dichtgegooid en de wagen met loeiende sirenes vertrekt. De agent die het kind in de armen houdt, weet zich geen raad meer. Hij geeft het kleine, slappe lijfje door aan de bondscoach. 'Hou jij dit even vast? Ik kan maar beter een ambulance oproepen. Miserie, miserie.' Het is een meisje. Haar kleedje is besmeurd met bloed. De helft van haar gezicht is aan flarden geschoten. Ze maakt geen geluid. Ze ademt niet. De bondscoach omhelst het dode lichaam, drukt het met al zijn kracht tegen zijn borst en laat zich op de knieën vallen. Hij laat zijn tranen de vrije loop, wil schreeuwen, maar er komt geen geluid. Wanneer de ambulance het lijkje komt ophalen is de bondscoach een andere man geworden. Zijn plannen zijn gewijzigd. Zijn missie is bijgesteld.     Maandagmiddag De persconferentie begint met het geruststellen van de journalisten: de ninja gaat mee. Een zucht van opluchting gaat door de kamer. Maar wanneer de bondscoach de andere tweeëntwintig namen opsomt reageert de zaal onthutst. Het zijn een voor een namen die ze nog nooit gehoord hebben. 'Wie? Waar speelt die?' Er ontstaat onrust in de zaal. De journalisten begrijpen er geen snars van, maar dan legt de bondscoach het uit: 'Dit zijn niet de namen van professionele voetballers, maar van mannen die hun land ontvlucht zijn en in het asielcentrum bang wachten op nieuws. Geen van deze spelers heeft op dit moment de Belgische nationaliteit, maar de minister heeft me beloofd dit zo snel mogelijk in orde te brengen, zodat ze samen met jullie geliefde ninja de eer van ons land kunnen verdedigen op het wereldkampioenschap. Ik weet het. Er zullen jongens teleurgesteld zijn. Ik kon kiezen uit honderden fitte gasten die hopen op een kans. De volgende keer neem ik tweeëntwintig andere jongens mee. De ninja zal er dan uiteraard ook weer bij zijn. Die kan ik niet laten vallen. Dames en heren van de pers: ik dank u.' Met een korte knik neemt de bondscoach afscheid. Zonder omkijken verlaat hij de perszaal. De stortvloed aan vragen klinkt als een ver en onbelangrijk geruis.   24-27/05/'18    

tijl
0 0