Lezen

Onder de torens - Tussen de dekens - opdracht 6 - Marieke

Onder de torens - 1988 Zodra de deuren met een zucht openschuiven, valt de massa als een reeks dominosteentjes op het perron uiteen. Het meisje met het koffertje wacht haar beurt af en kijkt met grote ogen naar de stroom ongeduldige pendelaars voor ze zelf uitstapt.   Sinds ze zich in Gare du Nord door de roltrap naar beneden had laten voeren, was ze overspoeld door het ondergrondse leven in de wereldstad. Ondanks de drukte had ze in het toestel een zitplekje kunnen bemachtigen. Van hieruit kon ze haar medepassagiers stuk voor stuk ongegeneerd observeren. Het parfum van de twee kleurrijk geklede jongedames die vlak boven haar hoofd druk de laatste nieuwtjes uit de buurt uitwisselden in een mengelmoes van Frans en een onbekende Afrikaanse taal, prikte in haar neus. Tot de clochard was opgestapt. Hij had met zijn walm van wekenlang ongewassen kleren, zurige goedkope wijn en sigarettenpeuken de massa doen wijken. Ondanks het plaatsgebrek had iedereen rondom hem het rechtstaand reizen verkozen boven zijn odeur, waardoor hij snel een stoeltje te pakken kreeg en zelfs een driedubbele plek kon innemen. Het meisje keek verwonderd naar hem en stelde zich de baardige man voor, terwijl hij onder het gewelf van een brug op een stuk karton deze koude nacht had proberen slapen. Dat laatste blijkbaar zonder veel succes, want nog voor de metro weer vertrokken was, viel zijn kin op zijn borst en ontsnapte een rochelend gesnurkt tussen zijn lippen.   Het koffertje snijdt in haar handpalm terwijl ze door de betegelde gangen de pijltjes naar Île de la cité volgt. Als ze de vrolijke tonen van een Russisch volksliedje hoort, wijkt ze van haar route af en volgt de klanken tot bij een groepje muzikanten. Een glimlach tovert rond haar lippen als de accordeonist haar in de ogen kijkt en een wervelende solo neerzet. Ze gaat op zoek naar enkele Franse francs om in de openstaande vioolkist te werpen. Haar mond valt open van verbazing als de oma van het gezelschap haar krachtige stem verheft. Met haar voet tikt ze het ritme mee en laat de drukte langs zich heenglijden.   Bovengronds struint ze rustig langs de historische gebouwen. Met geheven hoofd kijkt ze naar de versierde gevels en dakranden. Het scheelt geen haar of ze botst tegen een gids die met opgestoken paraplu een groepje Japanners meetroont. Op het plein, onder de torens van de Nôtre Dame vindt ze een leeg bankje. Ze nestelt zich daar, kijkt op haar horloge en haalt opgelucht adem als ze ziet dat ze nog een zee van tijd voor zich heeft, vooraleer ze in Gare de Lyon de trein naar haar vriendin in het zuiden moet halen.   Met een dubbele klik opent ze de slotjes van haar koffer, ze tilt het kartonnen deksel op dat met imitatieriet is bekleed. Ze rommelt tussen haar kleren en boeken en haalt een flesje water boven, samen met een reep van drie lagen krokante sesamkoekjes. Het wolkendek breekt open, eerst toont zich een blauwe vlek tussen het grijs, dan komt de zon over de oplichtende randen kijken. Het meisje trekt haar jas goed dicht, zet haar kraag op tegen de wind, sluit de ogen en laat de zon haar wangen strelen.   Het gekrijs van meeuwen, die vechten om de restjes aan het kraampje met “Crêpes de Bretagne”, rukt haar uit haar gemijmer. Het geluid doet haar denken aan haar klasgenoten, samengetroept voor de spiegel in de toiletten van een donkere fuifzaal waar net een knappe jongen is verschenen. Haar vriendinnen die bekvechten over wie het initiatief mag nemen om hem aan te spreken, terwijl ze de staat van hun make-up keuren. Vriendinnen voor wie deze stad gelijk staat aan catwalks en de nieuwste modetrends.   Ze kijkt omhoog en doet haar best om zo veel mogelijk details van de waterspuwers op de gevel van de kathedraal te zien. Ze gaat op zoek naar de verhalen achter de beelden maar moet toegeven dat haar kennis van de Bijbelse mythologie onvoldoende is. Haar vader had haar bij het afscheid nog op het hart gedrukt om zeker de kleurrijke glasramen van binnenuit de gaan bezien. Van haar moeder had ze de raad gekregen om vooral goed op haar portefeuille te letten. En zich warm genoeg te kleden. Maar ze gaat niet naar binnen, voorlopig zit ze daar goed, het zestienjarig meisje met haar koffertje. Ze zucht tevreden en denkt: ‘Dit is vrijheid!’   Tussen de dekens                                                                                                  1997   Het is nooit haar favoriete periode van het jaar geweest, die dagen tussen Kerst en Nieuw. Het ijzige, grijze winterweer doet er nog een schep bovenop. Het is zo koud dat haar slaapkamer tijdelijk onbewoonbaar is en ze met matras en al naar haar living is verhuisd. Ze had het ontstaan van de ijsbloemen op het slaapkamerraam aandachtig bestudeerd. Om te voorkomen dat de leiding zou dichtvriezen moet ze een paar keer per dag de wc doorspoelen, ze dekt de bril af met een doek zodat haar billen niet blijven plakken aan het ijs. Omringd door donsdekens, kussens en met een warmwaterkruik aan haar voeten, brengt ze de dag lezend, rokend en piekerend door.   Is het de vertering van kerstdiners die ze bij beide kanten van haar familie weer voorbeeldig had doorstaan? Is het de leemte tussen familie, werk en de vrienden waarmee ze oudjaar zal vieren? De feestdis bij haar tante aan vaderskant was dit jaar zonder noemenswaardige incidenten gepasseerd. Een stoel en stiefmoeder minder weliswaar. Daardoor zeker wat gênante scènes bespaard, maar verder de traditionele ingrediënten van kalkoen en Bob Dylan, van kerststronk -die oma essentieel vond maar niemand lekker - tot heftige discussies over maatschappelijke thema’s onder semi-gelijkgestemden door de wijn in positie gebracht. Ondanks de opluchting die hij verwoord had, was haar vader dit feest aan de stille kant. Het viel haar op dat de frons op zijn voorhoofd sinds zijn vlucht naar het lege appartement met zicht op de Schelde niet verdwenen was. Ook zij maakte zich zorgen. Vooral over haar negenjarig halfbroertje. Gelukkig had zijn moeder toegestaan dat hij er op het familiefeest bij mocht zijn. Zijn andere halfbroer, intussen haar ex-stiefbroer, ontbrak. Hij zou pas jaren later weer aansluiten bij de kerstfeesten. ‘Hoe is het thuis?’ had ze het jongentje gevraagd toen hij op haar schoot was gekropen. ‘Niet leuk, ik moet mama altijd helpen’, hij trommelt met zijn vingers op de rand van de zetel. ‘Wat moet je dan doen? De afwas?’ ze aait hem over zijn haar en probeert zijn blik te vangen. ‘Ze ligt dan in bad en roept me uit mijn bed.’ ‘Waarom?’ ‘Ik moet haar handtas voor haar opendoen en met twee briefjes van honderd frank naar de nachtwinkel’ hij prutst aan een losse draad aan zijn trui. ‘Wat moet je dan gaan kopen?’ ‘Sigaretten en zo’n klein flesje whisky,’ Hij kijkt zijn grote zus amper aan, maar vertrouwt haar meer toe dan hij aan hun vader vertelt. ‘Die man mag dat helemaal niet aan een kind meegeven!’ ‘Maar hij weet dat het voor mama is.’ Ze voelt zich hulpeloos als ze aan dit gesprek terugdenkt. Ze kent de wegen niet om haar broertje te helpen. Haar eerdere poging om zijn moeder tot enige reden aan te manen was abrupt afgebroken toen die de telefoon op de haak had gegooid. Meer dan er voor hem zijn en naar hem luisteren kan ze niet bieden. Ze duwt zich rechtop, stapt uit haar bed, zet een pot kruidenthee en vergewist zich er voor de zoveelste keer van, dat de gaskachel wel degelijk op de maximumstand staat. Haar boek, waar de Groenlandse wetenschapster een hele reeks verschillende woorden voor sneeuw kent, zorgt ook niet voor de nodige warmte. In navolging van het personage dat op de besneeuwde dakrand staat te roken, neemt zij haar pakje tabak en rolt een dun sigaretje. Ze leegt de volle asbak, spoelt hem uit en niest bij de geur van natte as.   Zachtjes laat ze haar vingers glijden over het appelblauwzeegroene sjaaltje dat ze vorige week heeft cadeau gekregen. Te mooi om te dragen. Ze wilt het zorgvuldig bewaren. Tweemaal per week had ze in het hotel de Chinese vrouw, die door haar hoogtechnologisch bedrijf tijdelijk naar België was gehaald, Engelse les gegeven. Een mooie bijverdienste, naast haar eerste inhoudelijk volwaardige maar wel deeltijdse job. Extra centjes die ze zou sparen voor een nieuwe reis. Samen hadden ze kortverhalen van Roald Dahl gelezen. Uit de bespreking waren boeiende gesprekken ontsproten. Het Engels van de Chinese bleek van hoog niveau, het was haar verlegenheid die een rem op haar taalgebruik zette. ‘Dank je voor de lessen en de vriendschap’ zei de vrouw bij de laatste les toen ze het doosje met de zijden sjaal overhandigde. ‘Wat mooi! Hoe lang blijf je hier nog?’ ‘Ik vlieg terug op Oudejaarsavond. Ik moet maar tot Kerstmis werken. Heb je nog tips? Wat moet ik hier nog zeker zien?’ ‘Weet je? Ik kom je een dagje uithalen en toon je de stad. Of we maken een uitstapje naar Gent en Brugge!’ ‘Fijn.’ Had ze gezegd en zo hadden ze afscheid genomen met het vooruitzicht op een weerzien.   Maar ze komt er niet toe die belofte waar te maken. Verder dan de bakker achter de hoek is ze deze dagen nog niet geraakt. Met de hoorn in de hand had ze meer dan eens klaar gestaan om een vriendin te bellen. Maar ze heeft uiteindelijk geen enkele van die telefoonnummers ingetikt. Haar huisgenote, die een verdieping lager woont, heeft zichtbaar afstand genomen sinds ze doorheeft dat zij niet altijd die ondernemende en positief ingestelde vrouw is, waarmee ze tot voor kort goed bevriend was en samen avontuurlijke reizen mee ondernam.   De enige stem die ze die dag hoort, is die van de radiopresentator. En haar eigen hoestbuien. De saliethee kleurt felgeel. Ze zet de theepot op de kachel en warmt haar vingers aan haar kop. Ze kruipt weer onder de dekens om opnieuw in haar boek te verdrinken, gefascineerd als ze is door de zoektocht van haar hoofdpersoon naar identiteit en zin in het leven. Het sjaaltje heeft ze voor een keer om haar hals gedrapeerd.

Marieke Genard
2 0

opdracht 6/scene 1 en nu ook scene 2 / sabine steels

Scene 1 We eten stokbrook. Ik gebruik mijn eigen mes, een prachtig gevormde Gwalarn die met het klein blauw-groene touwtje van altijd vasthangt aan mijn vareuse. Eerst een stevige klot zouten boter en dan een laagje abrikozenconfituur. Er bestaat geen beter ontbijt. Het wakke brood, de frisheid van de scherpe botersmaak en het zoete, zachte van de confituur. Ik spoel na met oploskoffie en sluit de ogen. De zon is al warm op mijn hals en rechterkaak. De boten naast ons ontwaken. Ik luister naar de stalen koorden die tegen de masten klapperen. Ik geniet nog even van mijn blote benen en voeten in de zon en maak me dan klaar voor vertrek. Het wordt stilaan laagtij, het water stroomt de engte uit richting zee en we profiteren daarvan om zonder veel moeite weg te komen. De vaargeul is al redelijk ondiep, de rotsen steken hier en daar boven het water uit. Ludovic navigeert. Hij is heel goed. Hij ziet eruit als een jonge, joodse intellectueel met bruin krullend haar en een uitgesproken grote neus. Ik vind hem knap. Hij heeft iets onoverwinnelijks, staat relax in het leven. Ik neem het roer. Daar ben ik goed in. Vooral als de zee wild is en de golven haar in een groot alfabet van v’s omtoveren, wil je mij aan dat roer hebben. Dan dans ik met de boot en geef hem de ruimte die hij opeist om de golf af te glijden. Maar omgekeerd trek ik stevig bij als de voorsteven de golf inklieft en erover moet. Op het eind komen we precies uit waar het moet. Maar nu is het rustig varen. De zee is kalm. Het water klotst tegen de boeg. We varen een hele dag en tegen vijf uur leggen we ons voor anker ter hoogte van Ploumanac. Je kan er met deze stroming onmogelijk binnenvaren. De ketting van het anker staat strak gespannen. Het zal niet makkelijk zijn om straks foutloos te vertrekken. We wachten op het juiste tijdstip, wanneer laag-en hoogtij elkaar afwisselen en er minder weerstand is van het water. Anders smakken we tegen de rotsen. Het is een riskant manoeuver waarbij communicatie alles is. Ludovic neemt deze keer het roer. Marjan doet de fok. Ik zal het anker lichten, zo trekken dat de boot er net boven ligt en dan, wanneer het loskomt van de bodem, brullen naar Marjan dat ze de fok moet hijsen want anders zijn we de speelbal van de stroming. De ketting is glibberig, koud en pijnlijk in mijn handen. Hij schuurt en bovendien zit ik in een ongemakkelijke houding. Mijn reddingsvest maakt bewegen lastig. Het anker komt los en ik brul. Marjan hijst de fok en ik merk dat ik op haar touw sta. Het zeil flappert en snokt dan en ik til me kapot aan die onhandige ijzeren reus. De adrenaline raast door me heen. Ik sukkel met m’n laarzen, probeer grip te krijgen tegen de lage rand van de boot, zodat ik me kan afduwen om naar achter te leunen en dat anker binnen kan trekken. Het moet vooraan in de boeg door het valluik. Ik maak me klein zodat de wind haar werk kan doen in die fok. Dat gaat moeilijk met die laarzen en zwemvest, maar Marjan en Ludovic doen uitstekend werk. Het anker ligt op zijn plaats. De ketting gooi ik er achter aan, mijn pink zit er even tussengedraaid en er gaat wat vel af. Pijn. Schudden met de hand. Ik doe het luik dicht en kruip gehurkt naar achteren. We varen Ploumanac binnen. Ploumanac, Perros-Guirec, Trébeurden, Loquivy. De woorden smaken als stoere zeebonken in mijn mond. Het is een wereld die ik vooral ken vanuit de boot, een kustlijn met merkpunten, watertorens, rotsen die in lijn moeten liggen met de kerktoren zodat we koers kunnen houden, en ‘s avonds een haventje, het weerbericht aangeplakt aan de cabine van de havenmeester en – niet onbelangrijk - een douche. Ik monster de omgeving. Ploumanac heeft een vuurtoren met ‘quatre éclats tous les dix secondes’. De omgeving is ruw en schraal. De elementen hebben hier een filter op de kleuren gezet, zoals fel licht alles verbleekt: het groen van het helmgras is vooral zilver, het blauw van de loopbrug is vaal en er lijkt een laagje korrelig zand over te hangen. Ik krab in mijn haar. Het plakt op mijn voorhoofd door de spetters zee, de brandende zon en de resten zonnecreme. De zon heeft mijn haardos uitgedroogd en ik kan het nu precies breken. Wanneer ik mijn ogen groot open doe en de wenkbrauwen naar boven gooi, trekt m’n hele voorhoofd. Het gloeit en allicht heeft het de kleur van een babykreeft. God weet hoe ik eruit zie. Ik voel dat mijn haar alle kanten op staat. Door de wind en de vochtige lucht is het beginnen te kroezelen en heb ik net een heiligenkroontje van friezelhaar. Mijn hoofdhuid jeukt en ik voel korstjes. Ik kan er niet afblijven en krab ze van mijn hoofd los. Het is zaak ze uit mijn haar te trekken zonder ze te verliezen. Daarvoor moet ik het korstje heel stevig met m’n nagels beethouden en het als een klein kind dat van een glijbaan roetsjt goed begeleiden tot aan een haarpunt. Het verlangen naar die douche is onhoudbaar. En nadien een broek aantrekken die nog niet vuil is, misschien de donkerblauwe met onderaan elastieken en grote zakken op de heupen. Een frisse T-shirt en daarover mijn dierbare Glazik, rozig en afgekleurd door de zon. Ludovic komt naar boven met drie frisse pinten. Marjan volgt met nootjes en verse worst.   Scene 2: Zij heeft Gene en Tine uitgenodigd, en natuurlijk schuiven George, Ben en Maren aan. En de kinderen. Wanneer ze Limme op de binnenkoer de kaarsen ziet plaatsen, stopt ze met sla wassen en blijft ze voor het grote, open raam staan. Hij ziet er goed uit, haar oudste kind, zo groot en zo lenig. Zijn broek is te kort geworden, merkt ze nu. Als hij nu toch maar wat meer zou willen vertellen over wat er in hem omgaat, denkt ze bezorgd, maar ze wordt uit die gedachte gerukt door Kasper Jan die met veel zwier de binnenplaats oprijdt en net voor zijn broer zijn fiets stevig doet slippen. Hij laat z’n fiets met een smak vallen en springt op de rug van zijn oudere broer. “Kasper jan, heb je die eetbare bloemen gevonden?” onderbreekt ze hun gedol. “Jip” roept hij terug en komt naar haar toe gelopen. Dat kind doet haar denken aan een frisse, volle boerenaardappel, vers van het veld. Hij is ookgroot maar veel steviger, geblokter dan zijn broer, enthousiast, wild en onbekommerd. Hij doet niet liever dan met zijn handen in de aarde wroeten, zich vuil maken, de spieren gebruiken. Samen met hem stroomt er een heerlijk koele lucht binnen in de grote, oude leefkeuken. “Ik heb ook bessen geplukt, mama. Ik dacht: ‘die zullen haar sla extra pimpen’, en zodus, tada: besjes.” Hij opent zijn hand, toont zijn trofee en buigt zich naar haar toe, plakt een zoen op haar voorhoofd. “Gaan jullie vanavond spelen?” “We gaan wat jammenals je dat bedoelt, mama. We hebben niets voorbereid maar we doen wel wat. Liever geen drums, dacht ik, toch?”, dat laatste woord rekt hij en laat hij naar boven lopen. Hij doet dat expres en laat intussen zijn wenkbrauwen op en neer dansen. “liever geen drums, zoon” “Wie komen er?” “The Ususal Suspects: Gene en Tine, George, Ben en Maren, want het is haarboek. “Mmmm….., Guitige, Gulle Maren…. Mogen Karel en Toni ook mee aanschuiven, ze komen straks langs?” “Natuurlijk, maar dan moet je de tafel veranderen. Ik had voor negen gedekt. Vraag aan Limme of hij ook nog iemand verwacht.” “Neen, ik verwacht niemand”, lacht Willem Frederik die de deur openzwaait en op zijn moeder afstapt. Hij knuffelt haar en fluistert in haar oor: “de kaarsen: check”. “Zullen we vanavond de Ballade doen, Kaps?” Willem Frederik staat in het midden van de keuken, met de rug naar de piano, kin omhoog en de schouders naar achteren geklapt. Luid en zeer formeel declameert hij, zijn armen maken grote gebaren: “Frères humains, qui après nous vivez,N'ayez les cœurs contre nous endurcis,Car, si pitié de nous pauvres avez” waarna hij abrupt stopt en naar de sla op tafel staart. “Die salade is prachtig, mama, die paarse bloemen erin. Kan je die opeten?” Willem Frederik houdt van mooie dingen, heeft een oog om kleuren te combineren, maar van praktische zaken kent hij niets.  “Het zijn viooltjes, natuurlijk zijn ze eetbaar, spast” antwoordt zijn broer schertsend maar liefdevol en tikt hem in het voorbijgaan op zijn krullenbol. Willem Fredrik gaat hem achterna en knijpt hem in de lende.  “Flink hoor, dikzak, flink, flink, flink”. “Vergeet die tafel niet, Kasper Jan”, roept ze hen achterna, maar ze zijn al in de living verdwenen.  Het huis is ruw, robuust maar gezellig. De zetels in de living lijken al een heel leven mee te gaan. Ze staan wat schots en scheef op de blauwe steen. De grote open haard doet heel het huis ruiken naar verkoold hout. Alle deuren staan hele dagen open, alsof iedereen op elk moment mag binnenwaaien: vrienden, katten, hommels, een verloren rups. Om op de binnenkoer te komen moet je eerst een poort door, volledig overwoekerd door klimop, en een pad langs. Wat dieper ligt de oude molen, met rechts het woonhuis, en dwars daarop de ‘werkplaats’.  De uitgever kan er via de achterkeuken rechtstreeks binnen, maar dat doet ze nooit. Ze gaat naar haar werk via de binnenkoer. Dat zullen ze vanavond ook doen, voor het eten. Met z’n allen naar de overkant, waar Marens eerste boek ligt. Ze was meteen verkocht toen ze het werk van de jonge vrouw voor het eerst zag. Ruwe, zelfzekeren lijnen, geblokte composities, nonchalante, ingekleurde vlakken en gedurfde kleurencombinaties. Preciesde beeldtaal die nodig was voor het verhaal dat al een tijdje op haar bureau lag. Twee landheren die elkaar naar het leven staan maar tegelijkertijd niets zijn zonder elkaar. Ze wilde er een avant-gardistische toets in en had samen met Maren de werken van Léger, Picasso en Gontscharova overlopen. Vooral wat ze in het theater hadden gedaan, de decors en kostuumontwerpen. Maren had er aanvankelijk moeite mee, maar ze bleef vragen stellen en zoeken naar hoe zij haar eigen beeldtaal trouw kon blijven en toch kon bereiken wat de uitgever in gedachten had. Ze was zelf met de oplossing gekomen door het accent te verleggen naar het circus, geïnspireerd door wat Léger daar eerder mee had gedaan. Het sloot beter aan bij het verhaal, voelde ze, verbeelde in letterlijke zin het groteske in de relatie van de twee landheren, en toen ze toonde wat ze ervan had gemaakt, wist de uitgever dat haar intuïtie haar niet in de steek had gelaten. Ben zou ook trots zijn op het resultaat. Zoals steeds had hij ook nu het perfecte papier gezocht, en een formaat en typografie dat het groteske een extra dimensie gaf en ja, het was een parel geworden. Ze zou er mee naar Frankrijk, Engeland en Duitsland gaan. Het zou internationaal landen, daar was ze zeker van, en die euforie wilde ze vanavond in hun samenzijn voelen. Tot laat in de nacht samen eten en muziek maken, met de ramen van de keuken groot open. Geen kat die hen in de ruime omgeving kon horen.  

Sabine Steels
0 0

opdracht zes. Hendrik

  Het lied van Oem. Hendrik loopt langs zijn boekenkast. Of liever zijn boekenkasten. De boeken trekken een spoor door zijn leven. Op sommige ligt stof. Alleen op de wereld. Bijbelatlas voor kinderen. Sprookjes van Grimm. Hij slentert langs die lang vervlogen kinderlijke paden. Op zoek naar…ja, naar wat? Een schab met enkele boeken van Marleen. Een glimlach. Maar hij loopt verder en komt op het pad van de sjamaan. Dik bezaaid met boeken, vol beelden van de sjamaan. Wat bezielt de sjamaan? Het blijft een goede vraag. Maar plots struikelt hij over essai sur la transe. Dit is wel het eerste, denkt hij luidop. Tijdens zijn opleiding psychiatrie heeft hij hierin een andere kijk ontdekt op wat we hier in de moderne geneeskunde psychiatrische ziektebeelden noemen. Je ontdekt nieuwe dingen door verloren te lopen en te struikelen. Wat hier als psychisch ziek wordt bestempeld, wordt in Afrika en in andere traditionele gemeenschappen als de roeping van een nieuwe sjamaan gezien. Och. Carlos Castaneda. Een hele reeks. Wat heeft hij die verslonden. Zijn hart slaat een paar slagen sneller. Hij kan de verleiding niet weerstaan om enkele titels te lezen. Tales of power. De blik van de adelaar. The fire from within. En die psychedelische beelden op de omslagen! Onder een grote regenboog, één oog in het gerimpeld gelaat van een man dat door je lijkt heen te zien, omgeven door wolken en bloemen. Echt Salvador Dalí waardig. Hij maakt zich los. Hij voelt opnieuw in de opwinding van zijn lijf hoe aantrekkelijk deze weg is geweest en nog lijkt te zijn. Het verast hem. Maar hij is definitief andere wegen ingeslagen. Hij steekt Castaneda terug op zijn plaats en schuift verder in de geschiedenis. De tijd van rondvliegen in de parapsychologie. Jammer dat ik niet in elk boek de datum heb geschreven wanneer ik het heb gekocht, denkt de autobiograaf anno 2017. Tenhaeff. Hendrik Van Praag. Professoren parapsychologie aan de universiteit van Utrecht. Hans Bender prof in Duitsland. Hij zocht een wetenschappelijk verantwoorde manier om hiermee bezig te zijn om te voorkomen van te gaan zweven in het luchtledige. Hij schudt het grijze hoofd. Sommige mensen leken over uitzonderlijke gaven te beschikken. Ene Croiset hielp door zijn helderziendheid onopgehelderde moordzaken oplossen. Hij kon voorspellen op welke stoel iemand zou gaan zitten. Alles onder strikt wetenschappelijk toezicht van een professor. Later bleek het enorme manipulatie. Was de prof verblind door zijn wetenschappelijke ambities? Maar zijn we dat niet allemaal? Poltergeisten. Nog zo iets. Hij doet het boek toe. Hier voelt hij niet langer de aantrekkingskracht van. Na het overgaan van Marleen was dat anders. Er leefde een onuitroeibaar geloof in hem dat als het mogelijk was om met geesten van overledenen te communiceren, hij dat zeker met Marleen zou kunnen. Daar stond hun liefde garant voor. Dat was zijn ambitie. Hij draait zich om en ziet zijn sjamanentrom staan. Hij glimlacht. Als hij op zijn kussen zit en begint te trommen en te zingen, vliegt hij door ruimte en tijd naar de voordeur van zijn leermeester. Hij belt aan. Het is een onopvallend huis in de rij. De deur gaat open en een vriendelijke vrouw heet hem welkom. Hij is verwacht. Achter haar verschijnt de man die hij een paar maand geleden heeft ontmoet. Een jonge zestiger. Lange grijze haren en een lange baard. Een paars, loshangend hemd en een wijde linnen pofbroek, gebroken wit. Een gezicht dat hij niet goed kan lezen. “Volg me maar en kom mee naar boven, naar de tempel.” Het klinkt als de kerkklok van zijn dorp. Een gewijde stilte in het kraken van de trap. Hij volgt hem op de smalle, steile trap. Door duisternis naar schemering. De tempel. Overal beelden en muziekinstrumenten. Trommen, rammelaars, sitars, triangels, gongs. De sjamaan wijst hem een kussentje waar hij mag gaan zitten. De leermeester zet zich tegenover hem, in kleermakerszit, achter een reeks klankschalen waar hij op begint te tokkelen. Wat ik kom doen? Vraagt hij. De trillingen van de schalen zegenen de ruimte zoals vroeger de rondvliegende stralen wijwater van de kwast van de pastoor de kerk zuiverden. “Tijdens een studiereis in Malawi was ik te gast in het genezersdorp van Mluala. Daar ben ik als psychiater geïnteresseerd geraakt in de helende kracht van de trom.” Hij bromt goedkeurend:” Dat heb ik hier nog niet in mijn tempel gehad, ne psychiater.” Hij neemt zijn trom. Een grote, platte trom met langs één kant een dierenvel beschilderd met allerlei symbolen. In het centrum van de trom staat een bruin rood hart. Het is tegelijk de kop en het lijf van een vogel wiens kleurrijke vleugels de hoogte ingaan. Op de rug van die hartvogel, een witte vredesduif, een blauwe maansikkel en een grote gele zon. De hartvogel staat met stevige poten in groene grond en op een hertenkop met een enorm gewei waarvan de vingers hoog de lucht ingaan. Hij klopt een vrij snel, eentonig ritme en zingt met een lang gerekte éé-klank. Het gaat op en neer, trager en sneller. Éééé. Soms klinkt iets van het gregoriaanse kyrie mee. Op zijn kussen laat hij alles over zich komen en wacht af. Zijn ogen gaan dicht. Hij is terug in Malawi. Een jaar geleden. Hij zit op een stoel samen met zijn collega in de grootste hut van het dorp. Ze zijn de enige blanken. De enige mensen die een stoel krijgen. In de hoek links van hen staan de drummers die er lustig op los trommen. Mluala gaat langs de zieken die in de half duistere hut verspreid op de grond zitten. Vlakbij de trommelaars is een soort dansvloer. Een paar vrouwen dansen. Op blote voeten. Verrukkelijk hoe Afrikaanse vrouwen wiegen met de heupen. Hun kleurige kleren draaien rond. Ze dragen belletjes rond hun middel en rond de enkels en polsen. Ze genieten er duidelijk van om die te doen rinkelen. Ze schudden met hun billen, stampen met hun voeten en draaien met hun armen door de lucht. Er wordt een man binnengebracht. Hij is ontmaskerd als heks in een conflict tussen buren en zal nu worden bevrijd. Hij draagt een bruine broek waarvan de pijpen tot op de knieën zijn opgestroopt. Een wit hemd. De vrouwen binden gewichten rond zijn middel. Hij krijgt ook belletjes om. Zijn gezicht is gespannen. Zware groeven in zijn zwarte huid. Zweetdruppels. Is er angst in zijn ogen te zien? Zijn dans begint erg houterig. De drummers versnellen hun ritme. Hij danst steeds sneller. De vrouwen wisselen elkaar af maar hij moet voort dansen. Plots wordt er geroepen. “Trek zijn broek af.” Een schok door mijn lijf. Na een kwartier, zet hij zijn trom naast zich neer en begint terug op de klankschalen te tokkelen. “Ik ben een scha maan en mijn artiestennaam is Shiva-Dji,” zegt hij met enige zelfspot. “En welke vragen hebt ge voor mij als psychiater?” Een lichte twinkeling in zijn ogen. “In de psychiatrie zegt men dat emoties moeten verwoord worden, is het niet? Wel in het sjamanisme zegt men dat emoties moeten verklankt worden, dat is veel ouder dan het gebruik van woorden. Daarom werkt het veel sterker.” “Kwam ik in een soort trance en wat is het verschil met hypnose?” vraagt Hendrik. “Hypnose dringt zich op aan de patiënt. Hier gebeurt het vanzelf. In de ruimte tussen de klanken klinkt de waarheid.” Dan stopt Shiva-Dji hem een trom in de hand en hij zingt met hem mee. Een jaar later wijdt hij hem in. Hij stopt een rituele schedel in zijn handen en vraagt wat hij voelt. Hij betast het ding maar er komt geen leven in. Tot de sjamaan begint te trommen en te zingen. Hij komt in het oude Egypte terecht. In een boom zit een gebochelde man die de voorbijgangers gadeslaat. “Dat is uw beschermgeest. Hij zal u begeleiden op uw sjamanistische reizen. Door veel te zingen zult ge een eigen lied ontwikkelen, helemaal anders dan het mijne.” “Ge kunt ook zielen van overledenen helpen om los te komen van hun aardse banden.” “Wat moet ik me daar bij voorstellen?” “Het zal zich op uw weg voordoen, en ge zult weten wat ge moet doen.” Een laatste waarschuwing.“Als een sjamaan wordt ingewijd, grijpen er in zijn leven soms grote veranderingen plaats. Ik zeg u dat zodat ge niet verrast zult zijn.” Dat zou hij twee weken later ondervinden. Tien jaar later. Maar laat we nu eerst tien jaar verder reizen. De vader van Hendrik is net gestorven. Hij is de voorbije nacht in zijn ouderlijk huis blijven slapen, zodat moeder niet alleen is. Vader ligt opgebaard in de voorste kamer. “Mag ik wat trommen en zingen bij va?” vraagt hij voorzichtig. “Natuurlijk, jongen, doe maar, het is je vader.” Hij zet zich aan de linker kant van het bed. De stilte is volkomen wit. Hij neemt zijn trom. Hij is door Shiva-Dji beschilderd met dezelfde motieven als de zijne. Met zijn linkerhand houdt hij de trom vast en met zijn rechter beroert hij zacht het strak gespannen vel. Trage, ritmische cirkels imiteren het ruisen van de zee. Een meeuw die meedrijft op de golven van het water. Tot hij zijn trommelstok neemt. Met een matige kracht, beaufort vier laat hij het hertenvel trillen. De meeuw vliegt op en duikt in de diepte. De witte stilte wordt doorbroken. De golven volgen elkaar op. Ze kleuren de hele ruimte. Zijn lied wordt het lied van OEM, een lang gerekt OE oe OE oe MMM. OE oe OE M M M. De beaufort gaat op en neer. Moeder komt erbij zitten. Rechts van haar man. Het verhaal van oem duikt verder de geschiedenis in, dieper in de emotionele zee. “Het is mooi, zing maar verder als je wil.” De broers en zussen komen binnen en zetten zich rond het bed. Over een half uur komt de begrafenisondernemer. Het hele gezin is volledig. Samen met hun moeder zijn de negen kinderen verzameld rond het dode lichaam. De lucht ademt hun geschiedenis. De ruimte tussen de klanken zuigt de emoties uit hun ingewanden. Gesnotter. Gebalde vuisten. Ontspannen. OE oe OE oe M M M. OE oe Oe oe M M M. Een beeld duikt op en vader verschijnt. Hij gaat zwijgend een berg op. Het is een zonnige dag. Er is weinig begroeiing in het dorre landschap. De weg wordt rotsachtig en kronkelt omhoog. Hij nadert de top en draait zich om. Hij wuift. Hij komt op de kim. Een laatste keer keert hij zich om. ”Ga maar verder vader, ga maar.” Hij daalt af naar waar we hem niet meer kunnen volgen. Het lied van oem gaat verder. De begrafenisondernemer belt aan. Het zingen en trommen gaat door. Tot op de straat. De begrafenisauto rijdt weg. Buren komen kijken. De trom gaat naar binnen. Hij klinkt zachter. Bij het lege bed wordt de trommelstok vervangen door de hand die ritmisch over het hertenvel glijdt. Het geluid van de aanrollende golven van de zee, het geluid van de wind. De wind gaat liggen. De stilte neemt nu alle ruimte. De leegte. Het Niets. Niemand die iets zegt. In   de   leegte   tussen   de   klanken,   weerklinkt   de     waarheid. “Heeft iemand zin in een tas koffie?” brengt hen allen terug van de lege bergtop. Ze omhelzen elkaar. Zonder woorden worden spanningen vergeten. Ze waren altijd een gezin waar veel gezongen werd.   Dear Father 12 maart 2017 Een berichtje uit van Bram, hun zoon uit Trondheim. “Dochter geboren. Alles OK 4,300 kg Skype straks.” Ze kussen elkaar. “Proficiat, Lieveke.” Ze hadden zelf graag nog een dochter gehad. Nu hebben ze een kleindochter. Zaterdag 7 mei 1977 Comme un enfant aux yeux de lumière qui voit passer au loin les oiseaux…vois comme le monde est beau... “ ‘t Is precies of het over ons ging hé.” Ze lagen lui lekker te luisteren naar het eurovisie songfestival. Elke dag kon hun kind geboren worden. Zijn ziel cirkelt nog als een vogel rond hun huis, en zoekt naar het gepaste moment om in te dalen. Twee dagen later. “Ik verlies een beetje bloed, liefke,” roept ze van op het toilet. “Oké, ik bel eerst de dokter en dan zijn we weg.” De valies staat klaar. Als een vooruitziende zorgzame vrouw heeft ze alles netjes voorbereid, voor zichzelf en voor de baby. “Al twee cm opening.” De huisarts heeft haar vingers diep in de vagina van Lieve en tast de voortgang van de arbeid af. Ze hebben haar gekozen omdat ze op een kind- en moedervriendelijke manier een bevalling begeleidt. Lieve mag zo lang als het kan in een gewoon bed liggen in plaats van in de ongemakkelijke gynaecologische stoel. Het licht is gedempt, zoals in het zeewater van de baarmoeder. De muziek is van Neil Diamond uit de film Jonathan Livingston Seagull. Lonely looking sky laten ze zich zachtjes zweven als een meeuw, die haar eigen eenzame weg zoekt. Ze willen hun zoon welkom heten in een lieflijke wereld. Lieve en hij hebben geoefend om te ontspannen. Om de arbeid te laten gebeuren door de wijsheid van haar natuur. Lieve moet op de eerste plaats zo weinig mogelijk doen. Gewoon ontspannen en de baarmoeder doet al het voorbereidende werk. Negen maand zweefde hun baby in een onderwaterwereld met gedempte geluiden en schemerlicht. In een eindeloze tijd. Ze hebben geleerd om naar de weeën op een positieve manier te kijken. Bondgenoten. Korte krachtige golven die door de baarmoeder trekken. Ze moeten door de beschermende dijk van de baarmoederhals breken en de baarmoedermond open maken. De monding van een stroom die de weg naar zee opent. Het gebeurt vanzelf. Lieve hoeft niets te doen, enkel de neiging om mee te persen moet ze tegengaan om pas op het einde tijdens de echte uitdrijving mee te duwen. En zich nu over te leveren aan de krachtige stoten en ze welkom te heten. Tussendoor ontspannen om voorbereid te zijn op de volgende golf. En ze hebben alle tijd. Ze wandelen in die tussentijden op het strand langs de zee. Ze is een kind van de zee. “Hoor de meeuwen schreeuwen tussen het bruisen van de zee, liefke. Zie de schittering van de zon op de weidse zee. Voel het warme zand onder je voeten schuiven. Zie de golfjes wit aanspoelen op het strand. ” Zijn woorden ondersteunen samen met de muziek haar verbeelding. Lost on a painted sky where the clouds are hung for the poet’s eye you may find him if you may find him. Nog even en ze vinden hem in hun armen. En daar is een volgende wee. Een windstoot die de golven opjaagt, die de boot van de geboorte voortdrijven. Straks brengt die hun zoon mee, die zijn eerste grote reis maakt. Ze zullen hem Bram heten naar Abraham, de aartsvader die zijn vader en familie verliet om zijn eigen weg te gaan, de weg die diep in hemzelf lag verborgen, de weg die zijn God hem zou tonen. Is het omwille van zijn eigen losmaken van zijn dominante vader dat hij Abraham als model voor de menswording van hun zoon heeft gekozen? Jonathan de zeemeeuw vindt zijn roeping buiten de groep. Als in het zenverhaal van “De os en zijn hoeder”, keert de man nadat hij zichzelf gevonden heeft terug in de gemeenschap waar hij zijn rol opneemt. Sing as a song in search of a voice that is silent and the one God will make for your way. “Ik kan het hoofdje al voelen,” zegt de dokter. Lieve straalt. Wat doet ze het goed. Ze knijpt in zijn hand. Het helpt. Het leidt de neiging om zich op te spannen af naar hun handen. Hoe het hen verbindt! En rustig ademen. De luchtstroom laten gaan, in en uit. En dan weer laten drijven op de lucht, in de vrijheid van de zeemeeuw. De dokter duikt weer bij Lieve naar binnen. “Hij zit klaar. Hij wil naar buiten. Je mag naar de gynaecologische stoel.” Een stoot van vreugde. there on a distant shore by the wings of dreams through an open door you may know him if you may. “Nu mag je mee persen bij de volgende wee.” De weeën komen sneller. Hand in hand werken ze met hen mee. Hand in hand lopen we weer op het strand. De tijd van de wee is een heel andere dan de tijd van de zee. “Het is een grote kerel. Zijn schouders zitten wat dwars.” “Wat wil je met onze familie,” fluistert hij. Ze glimlacht terwijl een volgende wee zich opdringt. “Ik zal wat extra moeten helpen,” besluit de dokter. Ze vertrouwen zich aan haar toe. Ze neemt een verlostang en brengt ze deskundig om zijn hoofd om wat extra te kunnen trekken. Hij concentreert zich op Lieve. Hij is niet de assistent van de dokter, maar van Lieve. Ze knijpen in elkaars hand. Ze duwt als een wee de arbeid probeert af te werken. En de dokter trekt en stuurt zodat de schouders zich in de beste houding draaien. En dan weer even alles loslaten. Lichaam en geest vrij laten in het niets doen, niets dat hoeft. Een kusje en een glimlach. Samen zweven op de vleugels van hun dromen op het strand. “Ik denk dat hij er bij de volgende wee zal zijn,” moedigt de dokter hen aan. “Zijn schouders liggen goed” en floep daar is hij. DAAR IS HIJ. BRAM. De dokter legt hem op de borst van Lieve. Ze streelt hem. Hij streelt haar. Tranen. Kusjes. Te veel voor woorden. And we dance to a whispered voice overheard by the soul undertook by the heart and you may know it if you may know it. Bram weent niet. Hij kreeg geen slag op zijn billen. De dokter kietelt hem over zijn buik en daar komt een eerste kreet als teken van zijn zelfstandigheid. Wat later zijn eerste glimlach. Oh God. Wat een wonder. De dokter geeft hen alle tijd. Bram knippert met zijn oogjes. Je zou van minder knipperen na zo een doortocht. Hij mag nog wat aan de navelstreng hangen langs waar hij gedurende vele maanden alles heeft gekregen op zijn reis doorheen miljoenen jaren. Van eitje tot kikkervisje. Van reptiel tot zoogdier. Van primaat tot premature mens. Een mens met een eigen roepnaam: Bram. Waarheen? While the sand would become the stone which begat the spark turned to living bone Holy Holy Sanctus Sanctus De navelstreng wordt afgebonden. Bram wordt nu gewassen, gewogen en gemeten. 4,250 kg. 51 cm. “Proficiat, Lieve. Proficiat, Hendrik. Het is een stevige, gezonde kerel, jullie zoon.” Dat hij is afgekoppeld lijkt hem niet te deren. Be as a page that aches for a word Gloria dear father. We dream. Een uur later. Lieve rust uit van al de inspanningen. Hij rijdt naar huis en gaat de familie verwittigen. Zijn vader en moeder, de ouders van Lieve, de ouders van Marleen. In de veilige ruimte van zijn R4 breken alle emotionele dammen. Elk van de ouders roept een nieuwe golf van emoties op. Golven die elkaar versterken. Hij houdt ze niet langer tegen. Ze krijgen de vrije loop. Hij kijkt op en door de mist ziet hij zijn Marleen, zijn Eurydice. “Je wilde zo graag een kind van mij. Mijn kind is ook een beetje van jouw.”

Hendrik Van Moorter
0 0

Decemberlucht

De lucht kleurt al donker wanneer ik die avond mijn huis verlaat.Ik trek de voordeur achter me dicht en wandel naar de bar waar ik met mijn twee broers en zus heb afgesproken. Op de hoek van de straat waar ik moet zijn, hou ik even halt. Ik neem mijn pakje sigaretten uit mijn broekzak en neem er één uit. Verdorie, het is de laatste. Ik steek de sigaret op en blaas kleine wolkjes in de koude decemberlucht.Door het raam van de bar zie ik ze zitten. John en Eléonore naast elkaar met elk een kop koffie voor zich. Ze praten met Jacques, de barman. De man staat hier al jaren achter de toog. Al zeker sinds we deze jaarlijkse traditie startten, dat moet nu zo ongeveer vijfentwintig jaar geleden zijn.Stephen zit niet bij hen. Hij zit wat verder aan de bar met zijn rug naar mij toe, afwezig in een tijdschrift de bladeren. Ik neem een laatste trek. Daarna gooi ik de peuk argeloos met duim en wijsvinger de nacht in. Ik steek de straat over en ga de bar binnen. ‘Je bent laat,’ zegt Stephen zonder op te kijken van het tijdschrift.‘Ja sorry, het is druk op de zaak en ik moest de kinderen nog te slapen leggen’ zeg ik terwijl ik hem een schouderklopje geef.‘Geen probleem hoor Dennis, let maar niet op hem,’ zegt Eléonore. Ik begroet haar met een kus en geef ook John een schouderklop.‘Whisky?’ vraagt barman Jacques al met een glas in zijn hand.‘Neen Jacques, voor mij geen alcohol op een weekavond. Doe mij ook maar gewoon een kop koffie,’ zeg ik en neem plaats op de kruk naast John. Stephen tikt met zijn nagels tegen de asbak op het ritme van de grote klok die boven de bar hangt.‘Hier zitten we weer,’ zeg ik.‘Inderdaad,’ zegt Eléonore terwijl ze langzaam in haar drankje roert. ‘Hier zitten we weer, alweer een jaar verder.’‘Eén koffie voor meneer!’ Jacques zet de kop voor me neer en begint daarna zijn koffieapparaat schoon te maken.John kijkt in het rond en zucht. ‘Er komt hier steeds minder volk. Toen we hier vorig jaar zaten, was het hier ook al niet bepaald druk.’‘Het zal vast door het slechte weer zijn,’ zegt Eléonore. Ze schuifelt ongemakkelijk heen en weer op haar kruk.‘Ja het is ineens erg koud de laatste dagen,’ beaam ik. ‘Volgens mij was het vorig jaar niet zo koud toen we hier zaten.’Eléonore schud met haar hoofd. ‘Toch wel hoor, ik had ik toen ook een dikke winterjas aan we toen we hier de vorige keer afspraken. Je weet wel, die bontjas in nerts die ik van mama heb geërfd.’John en ik knikken. Stephen zucht diep en slaat geërgerd een pagina van zijn tijdschrift om.‘Gisteren was het zelfs zo koud dat ik de kinderen twee truien moest aantrekken,’ gaat Eléonore verder. ‘Dat is toch niet normaal meer? Volgende week zou het gaan sneeuwen. Daar heb ik echt een grondige hekel aan.’‘Menen jullie dit nu?’ Stephen slaat met zijn vlakke hand op de bar. Hij kijkt ons met wijde ogen aan. ‘Gaan jullie nu echt over het weer praten?’‘Stephen…’ begint Eléonore.‘Neen Noor, ik wil dat dit stopt. Ik kan het niet meer verdragen dat er door iedereen wordt gedaan alsof er niets gebeurd is.’ Stephen’s stem beeft alsof hij elk moment de boel kort en klein zou kunnen slaan.‘Rustig Stephen,’ sist John . ‘Wat wil je dan dat we doen? Wil je dat we hier allemaal zitten huilen? Dat lost toch ook niets op man.’‘Ik kan er gewoon niet tegen dat iedereen, de hele familie, ons lijkt te mijden. Ze willen er gewoon niet over praten. Neen, geef hen maar hun rustig leven waar vooral niets in vraag wordt gesteld. Niemand vraagt ons hoe wij ons voelen. Niemand vraagt ons of we het wel redden. Als jullie nu ook al beginnen te doen alsof pa hier moment kan komen binnengewandeld, dan hoeft dit hele circus voor mij niet meer.’‘Dat doen we toch niet. Het is gewoon moeilijk om over te praten,’ zegt Eléonore zacht. ‘Dennis zeg jij ook eens wat.’Ik slik. ‘We hebben allemaal even tijd nodig Stephen. Niemand kan vatten wat er is gebeurd en iedereen gaat daar op een andere manier mee om.’‘Bullshit!’ snauwt Stephen. ‘Ik kan niet leven met al die raadsels. Waarom we bijvoorbeeld elk jaar opnieuw de tweede donderdag van december naar deze bar moesten komen van pa. Waarom mama nooit mee wilde. Ik wil praten en snappen waarom er is gebeurd wat er is gebeurd. Ik had gehoopt dat jullie aan mijn kant zouden staan, maar als jullie er zo over denken, dan bekijken jullie het maar.’ Hij grist zijn jas van de stoel, gooit wat kleingeld voor zijn koffie op de toog en stormt de bar uit.Geschrokken bijven we met zijn drieën achter.‘Waarom doet hij nu zo? We zitten toch allemaal in hetzelfde schuitje? Niemand weet het fijne van wat er zich in het verleden heeft afgespeeld in de familie?’ Eléonore begint zachtjes te huilen.‘Rustig nou Noor.’ John wrijft haar over de rug. ‘Trek het je niet aan. Natuurlijk weet niemand dat, hé Dennis?’‘Neen inderdaad,’ mompel ik.‘Wat had die ineens?’ vraagt Jacques die alles van aan de andere kant van de toog heeft zien gebeuren. Hij neemt Stephens kleingeld van de toog en kijkt me dan lang en onderzoekend aan.‘Geen idee. Slechte dag misschien?’ glimlach ik vaag en richt mijn blik snel op mijn kop koffie.‘Ja, zo’n dingen gebeuren wel eens.’ zegt Jacques en verdwijnt naar de ruimte achter de toog.Eléonore snuit haar neus. ‘Stephen heeft wel een punt. Ik zit ook nog steeds met veel vragen. Soms lig ik er ‘s nachts uren over te piekeren. Ze laten me niet los.’‘Noor toch, soms blijft het verleden beter in het verleden. Misschien is het wel goed dat we niet alles weten, het zou onze mooie herinneringen aan pa alleen maar schade toe brengen.’ John neemt Eléonore’s hand vast en knijpt er even in.‘Ik wil naar huis,’ zegt Eléonore snikkend. Ze staat op en trekt haar jas aan.‘Ik loop wel even met je mee, ik moet toch dezelfde kant uit,’ zegt John.‘Ik blijf nog even zitten,’ zeg ik ‘mijn kop koffie is nog niet leeg.’‘Vind je dat niet erg?’ vraagt John terwijl hij zijn portefeuille bovenhaalt.‘Neen hoor. Ik heb het tijdschrift dat Stephen achterliet hier nog. Maak je maar geen zorgen over mij. Laat trouwens maar zitten, ik betaal de drankjes wel.’Eléonore en John verlaten de bar. Ik blader in het tijdschrift en drink rustig mijn kop leeg. In mijn hoofd blijven Stephens woorden malen. Hij heeft gelijk. Het is inderdaad vreemd dat we elk jaar op de tweede donderdag van december hier naartoe kwamen en dat onze moeder nooit mee wilde. Het is ook vreemd dat er in onze familie nooit over vaders jeugd wordt gesproken. Langzaam giet ik de laatste slok koffie naar binnen. Ik geef een teken aan Jacques die ondertussen met wat andere bargasten aan het praten is dat ik wil betalen. Hij knikt en loopt naar zijn kassa.‘Tien Euro tachtig, alsjeblief’ zegt hij wanneer hij bij mij staat.‘Nou, jij bent er ook niet goedkoper op geworden,’ lach ik terwijl ik hem een briefje van twintig toeschuif.‘Het is voor iedereen crisis, ik moet ook zien te overleven,’ antwoord hij kort en loopt weer naar de kassa voor het wisselgeld.Ik trek ondertussen mijn jas aan en kijk even naar buiten. Het is licht gaan regenen.Jacques legt het wisselgeld en het bonnetje op de toog. ‘Alsjeblief, fijne avond nog en alvast prettige feesten.’‘Tot een volgende Jacques.’ Ik graai het bonnetje en het kleingeld van de toog en vertrek. Wanneer ik thuiskom, zit mijn vrouw op de bank televisie te kijken.‘Was het gezellig?’ vraagt ze als ik de woonkamer binnenkom.‘Viel wel mee. Stephen deed wat moeilijk,’ antwoord ik en plof naast haar op de bank neer.‘Ach, geef hem wat tijd. Hij heeft het vast erg moeilijk om alles wat er het voorbije jaar gebeurd is te verwerken.’ Ze streelt mijn arm en nestelt zich tegen me aan.‘Hm, dat kan wel,’ mompel ik.‘Ik ga slapen denk ik, Catherine, ik ben echt kapot.’ Ik sta op en maak aanstalte om naar de badkamer te gaan.‘Oh schat, heb jij misschien nog wat kleingeld?’ vraagt mijn vrouw nog net voor ik de woonkamer verlaat. ‘De kinderen gaan morgen naar de Kerstmarkt met school en ik wil ze graag wat zakgeld meegeven.’‘Natuurlijk liefje.’ Ik vis het wisselgeld en het bonnetje van vanavond in de bar uit mijn broekzak en leg het op de salontafel.Catherine neemt het bonnetje dat Jacques me gaf en ontvouwt het. ‘Wat is dit Dennis?’ vraagt ze verbaasd. ‘Er staat wat opgeschreven.’ Mijn vrouw geeft het bonnetje aan mij.‘Meer info over je vader, morgen 19u30, Steenstraat 13. Zeker komen. Groeten, Jacques.’‘Wel heb je ooit…Jacques…’ zucht ik. ‘Decemberlucht’ haalde de top tien in de Ward Ruyslinck Prijs voor Kortverhalen 2018

Ans DB
10 0

tweede brief

Dear John,                                                                                      8 april Terwijl ik in de 46 jaar die we van elkaar gescheiden zijn veel té weinig aan je heb gedacht ,probeer ik dat goed te maken met deze correspondentie . Ik nam indertijd niet echt afscheid van en je verdween  soms zelfs helemaal uit mijn gedachten. Onvergeeflijk is dat , vind ik nu en nog meer onbegrijpelijk. Pas sinds enige tijd ben ik je ook bewust gaan missen en denk vaak aan mijn kindertijd. Hoe je het gazon van onze stadstuin geduldig afreed met een handmaaier , vaak met ontbloot bovenlijf en zwetend als een paard. De schildpadden in de herfst in een bakje met droog gras zette voor hun winterslaap en ik  ruik soms nog de geur van een rode Belga sigaret. Ik rookte in het geheim met je mee. Kom je morgen ook naar je moeder? Myriam    Beste John,                                                                 9 april Ik weet niet wie het meest verbaasd was bij onze ontmoeting gisteren? Veel  emotie kon ik niet bespeuren  bij jou. Zelf was ik geschokt door het feit dat ik nu  meer dan 10 jaar ouder ben dan jij. Toen ik je vroeg waarom je nog rookte , antwoorde je: “je kan maar één keer doodgaan!” Ik liet je foto’s zien op mijn gsm van  Annelies , Maarten, Karel , Eva , Benny , Kris , Jeroen , Bart en Evelien. Je leek overdonderd en verdween zelf in mijn beeldscherm. Ik was je weer kwijt, maar ook weer niet. Myriam   Lieve John,                                                                   11 april Je ging met me mee naar mijn huis. Je zei dat ik beter auto reed dan mijn moeder . “Mjn zoon lijkt op jou “ merkte ik  op  , “ Vooral van karakter” . Dat vond je raar. Je was je zelf niet bewust van je zorgeloze aard en beschermende vleugels. Of herinner ik me dat verkeerd? Misschien was je wel egoïstisch en radicaal . Zeker is dat je hield van de geneugten des levens. Dat je daarin te kort werd gedaan , kon ik veel later pas begrijpen , omdat ik ook een beetje naar je aard. De twee buitenlandse vakanties die we deelden , hebben een onvergetelijke indruk op me gemaakt.  Verliefd dansen op het toenertijd ondeugende : “Je t’aime , moi non plus!”  Dat liedje doet me nog steeds smelten.  De drang om te rijmen heb ik van mijn moeder geërfd .   Hier het resultaat.   Onze vaders , die heen zij gegaan. Klinken wij op hun naam, Met een glas bubbels of wijn, Dat ze nog lang zonder ons mogen zijn.    Benieuwde groetenallemaal, Myriam

Myriam
0 0

Opdracht 6. Twee nieuwe scènes over alter ego. Haddie Geerts

    Ik ben het vierde kind van mijn ouders in vijf jaar tijd. Na mijn geboorte adviseerde de dokter om het bij vier kinderen te houden. Er kwamen nog drie kinderen na.   Als ik twee jaar ben is er geen plaats op de schoot van mijn moeder. Mijn jongste broertje is pas geboren. Hij ligt aan de borst. Na dat zesde kind is mijn moeder uitgeput. Mijn andere broertje dat elf maanden jonger is dan ik, begint net wat schommelend te lopen. Mijn moeder is geen Shiva met vier armen. Ik vind troost op het schommelpaardje waar ik zelf op en af kan kruipen en waar ik mezelf in slaap schommel. Ik heb niemand nodig voor troost en veiligheid.   Ik ben 16 jaar. Ik ben verliefd op een jongen die een paar straten verder woont.  Als ik van school kom loopt hij vaak met een paar vrienden voor mij uit naar huis. Als ze blijven staan vertraag ik mijn pas zodat ik ze niet voorbij moet steken. Soms steek ik de straat over. Ik kijk hem nooit aan. Ik ken zijn naam niet en doe geen enkele moeite om hem te achterhalen. Ik spreek met niemand over deze verliefdheid en niemand merkt wat aan mij. Twee maanden zomervakantie doen het gevoel langzaam slijten totdat het op een dag helemaal weg is. De opluchting. Ik hoop dat dit gevoel me nooit meer in de greep krijgt. Het brengt enkel onrust, angst, schaamte en pijn.   Ik ben 17 jaar. Ik ben verwonderd dat Hugo verliefd op me is. Hij wordt mijn eerste vriendje. Hij kiest dat, niet ik. Dat is veiliger. Ik hou me op de vlakte. Ik ben de perfecte kopie van mijn moeder, ik blijf onopvallend op de achtergrond. Als iemand me in die achtergrond opmerkt, ben ik verwonderd en onwennig.   Als iemand me op dat moment zou vertellen dat ik me op een dag vanuit die achtergrond op de voorgrond zal werken en voor een groep zal staan, zou ik vol ongeloof het hoofd schudden. Op dat moment ben ik nog lichtjaren verwijderd van deze toekomst.     Dertig jaar later sta ik in het ondertussen vertrouwde opleidingslokaal van de bank in de Kreupelenstraat in Brussel. Twaalf deelnemers heb ik deze keer. Zoals gewoonlijk zijn er meer vrouwen dan mannen die ingeschreven hebben op de opleiding sociale vaardigheden. Vaak zijn het de mensen in de kantoren. De druk op de mensen in de bank is groot. Een tweedaagse is te kort maar ik geef ze zoveel mogelijk praktische bagage mee. Al de vaardigheden, en de nodige hulpmiddelen, die ik zelf moeizaam verwierf, verwerk ik er in. ‘Dat kan ik met mijn puberzoon ook gebruiken’ zegt een vrouw opgelucht als we het territoriummodel bespreken en oefenen met de principes van geweldloze communicatie.   Ik kijk naar de naamkaartjes. Rita. Haar gezicht komt me bekend voor. Ze lacht me vriendelijk toe. In de pauze komt ze naar me toe. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze. Rita Liekens. We volgden twintig jaar geleden samen een bijscholingscursus. Ze is wat ouder geworden, maar ze heeft nog altijd hetzelfde vriendelijke gezicht. We lunchen samen. ‘Ik ben verbijsterd’, zegt ze ‘Waar is het verlegen meisje van 20 jaar geleden gebleven? Je sprak niet’, herinnert ze zich. ‘Hoe ben je zo ver gekomen?’ vraagt ze oprecht verwonderd. Het is een lang verhaal. Zelfs met twee lunchpauzes hebben we niet genoeg. Ze verzorgt nog steeds liefdevol haar man die na een ongeval in een rolstoel belandde.   Na elke opleiding moet elke deelnemer een evaluatieformulier invullen en op verschillende items punten geven. Ze geeft overal tienen met een uitroepteken. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven’, zegt ze bij het afscheid, ‘Je doet dit fantastisch, maar ik had het nooit kunnen denken. Het is onvoorstelbaar. Blijf dit vooral doen!’ Ze omhelst me krachtig.           Vakantie in Zuid-Engeland Het is zachtjes beginnen regenen. We kwamen aan met regen. We vertrekken opnieuw met regen. Daar tussen liggen, als een oase, veertien zonnige dagen.   Mike zwaait ons uit. We blijven elkaar aankijken tot hij een wazige vlek geworden is. We zullen elkaar nooit meer terugzien. Hij weet het niet, en ik begrijp ook niet hoe hij het gedaan heeft, maar hij heeft bewerkstelligd waar ik zelf niet toe in staat was. Hij heeft me bevrijd van de demonen die mijn leven tot een hel maakten.   Nooit was ik er meer aan toe om even weg te zijn uit de vertrouwde omgeving.   ‘Away from everything’ staat er in de aankondiging van het vakantiehuisje dat we, in het begin van de zomer, met het hele gezin huren. ‘Everything’ is de man die mijn leven binnengedrongen is.    ‘Let it please be him, oh dear God, it must be him, it must be him, or I shall die’ zingt Vikki Carr gepassioneerd en ik met haar, terwijl ik tegelijk bid en smeek om me te verlossen van deze gesel, van de onweerstaanbare drang om bij deze man te zijn, door hem bemind te worden. Mijn verstand weet dat het een verloren zaak is. Ik wil mijn veilige haven niet in gevaar brengen voor een man die enkel wil spelen, een man die ik even begeerlijk als weerzinwekkend vind. Het verlangen drijft me naar buiten, uit de schulp waar ik me al jaren veilig schuil houd. De afkeer, de schaamte en de angst dringen me telkens terug, maar ik vind geen rust meer in mijn schuilplaats.   Ik neem een vriendin in vertrouwen maar ik vertel niet over de pijn van het dwangmatig verlangen en de diepe schaamte over de weerzin. Het bevestigt het gevoel dat er iets mis met me is, net zoals er iets mis was met mijn vader. Ik mobiliseer al mijn redelijk verstand en besluit telkens weer om ermee te stoppen. Het lukt niet. Ik ga dood als ik hem niet zie.   Een vakantie in Engeland zal me een rustpauze geven en de nodige afstand om terug wat op krachten te komen.     Mijn man slaapt, ook tijdens deze vakantie, zoals gewoonlijk tot de middag. Hij is onwetend van de uitzichtloze strijd die ik dagelijks eenzaam voer tegen de monsterlijke verliefdheid waar ik me diep over schaam. Mijn man heeft geen idee dat ik me soms voel alsof ik langzaam aan het sterven ben, dat ik voortdurend een krop in de keel heb die het slikken moeilijk maakt. Hij merkt niet dat ik kilo na kilo verlies, net zoals mijn moeder het ook niet merkte in dat eerste jaar na de dood van mijn vader. In het eerste jaar van het Lyceum. In het eerste jaar in Gent. I am a master in disguise.   Mike werkt in Londen maar woont op zijn landgoed in Zuid Engeland waar wij deze zonnige zomer een paar kamers huren, die hij de flat noemt. Hij houdt van het buitenleven, van zijn honden, van het leven in zijn vijver. Mike is net veertig jaar geworden. Hij kan niet geloven dat hij al zo oud is. Hij zegt het vrolijk. Elke ochtend maakt hij thee met melk en suiker en praten we in zijn keuken over het leven. Mijn man slaapt. De kinderen spelen in de tuin en met de honden en ik zit bij Mike in de keuken met de opengeslagen deuren. Doorheen de dagen kom ik stilaan terug tot leven. Ik bind een roze strik in mijn haar. De zon schijnt. We lachen. De laatste dag blijf ik achter om de flat schoon te maken voor ons vertrek. In plaats daarvan bedrijven we de liefde. De eerste en de laatste keer. “My darling”, zegt hij ‘I don’t want to be rough but we have to dress up’.   Ik moet terug naar mijn leven. Ik ben voorlopig genezen. Deze keer heeft Mike me bevrijd van de demonen. De volgende keer zal ik het zelf moeten doen.  

Haddie
0 0

Opdracht 1

Beste onbekende, Het voordeel om te wonen in een doodlopende straat speelt nu in mijn nadeel. Een drukke stad laat zich beter beschrijven dan een oase van rust. Toch hebben we bewust gekozen om ons hier te settelen. Er moeten dan wel wat objectieve parameters de revue zijn gepasseerd.   De eerste voorjaarszon bundelt haar krachten. Ik trek wat blaadjes munt, pers een halve limoen en meng dit met “Earl Grey” thee. Voorzichtig nip ik aan het nog iets te warme vocht. Door mijn keukenraam zie ik hoe de zon reflecteert op de witte gevel aan de overkant van de straat. Ik rep me naar buiten. Het felle licht maakt dat ik niets zie op mijn laptopscherm. Het wordt een moeilijke keuze, werken in de schaduw of genieten van de zonnewamte. Een vogel fluit ritmisch en schel. Een andere antwoordt met meer elan, wisselend van toonhoogte. Aan de lange uithaal en het crescendo, denk ik dat het een kanarie is. Stilte is niet gelijk aan geluidloos. In de verte hoor ik de brommende motor van een vliegtuig. Dichterbij probeert de buurman zijn grasmachine aan de praat te krijgen. Na enkel uithalen, schiet het in gang. Als snel pruttelt de motor en dooft uit met een rauwe zucht. Een citroenvlinder fladdert voorbij en landt midden op de kleverige stamper van de eerste lelies, die onze tuin omboorden.   Samen met mijn man Wim en onze huisdieren James, Mozes, Luna en Beau woon ik in het lieftallige dorp Melsele, gekend om de beste aardbeien. Elk jaar brengt een delegatie van het Melseelse Aardbeicomité en het Beverse Gemeentebestuur een korf primeuraardbeien naar het koninklijk paleis. Deze traditie dateert al van de jaren zestig. De aardbeien waren dit keer extra groot omdat het gaat om een totaal nieuwe soort; het ‘Sonsation’-ras. De koning nam ze niet zelf in ontvangst. Dat doet hij maar om de vijf jaar. Waag het niet om te zeggen dat deze van Hoogstraten beter zijn.Het lokaal patriotisme viert een hoogdag.   Deze aardbeisoort ziet er zo verleidelijk uit als een vrouw die te knap is om te benaderen. Wilde fantasieën passeren de revue, maar mijn innerlijke ik fluistert me in dat ik moet afhaken. Dit is geen spek voor mijn bek, mompel ik binnensmonds. Het is als een verleidingsspel. Je wil wel, maar jeprobeert de extase nog even uitstellen. De liefde is uitnodigend, het model uitdagend. Zal ik me overleveren aan verleidingsspel met de angst om gekwetst te worden ? De goesting is te groot, ik hap toe … Slechts één beet. Ik ben verkocht. Het zoete vocht sijpelt over mijn vuurrode lippen. De wortels van mijn man liggen in het Antwerpse Hoboken, gelegen aan de Schelde in een deels industriële en deels polderrijke omgeving. Ik hou van de synergie van haven en toerisme. Bij industrie wordt vooral gedacht aan milieuvervuiling, aantasting van het landschap en het wegpesten van de dorpsbewoners. Kijk maar naar het polderdorp Doel. Ik probeer me niet te laten meeslepen in deze negatieve spiraal. De wereld is in evolutie. Negativisme kan je omkeren in positivisme. Samen met James, onze Franse Bulldog, gaan we graag wandelen in het “Klein Rietveld’. Dit is een natuurcompensatiegebied, dat is ontstaan als tegemoetkoming voor het verlies van kostbare natuur voor de uitbouw van de Waaslandhaven. De houten wandelpaden doorkruisen het water. Twee zwanen pletsen met hun zwarte zwemvliezen aan wal. Door hun specifieke gang helt hun lichaam afwisselend van links naar rechts. Het is genoeg geweest. Voldaan keren we terug naar huis. Zoals altijd is James nu te moe, lees te lui, om in de auto te springen. Ik sla mijn armen om zijn voorpoten en achterste en til hem de auto in. Als ik het slot omdraai verschijnt de melding “controleer koelvloeistof”. Ik zucht diep. Het is uiteraard belangrijk dat mijn auto volledig in orde is om veilig te kunnen rijden, maar hoe je het draait of keert, de kostprijs is meestal hoger dan verwacht. Een belletje van de receptionist is niet tevermijden :‘Goede morgen mevrouw Adriaenssens.’‘Voor u ook’, zeg ik.‘We hebben uw wagen nagekeken. De druk in uw banden is laag en de profielen zijn uitgesleten. Zo verliest u uw grip op de weg, zeker als het regent. U zal er toch eens aan moeten denken om …’‘mijn banden te laten vervangen zeker’, zeg ik bitsig.‘Inderdaad’, repliceert hij.‘Ok, ik bespreek het met mijn man en bel je nog terug’.Het is of die werklui gouden handen hebben. Op de vorige factuur zag ik dat ze voor één werkuur zestig euro zonder BTW aanrekenen. Daar zal dan hun koffie en hun toiletbezoek inbegrepen zijn! De rest van de dag blijf ik snibbig en in mezelf gekeerd.Die avond stop ik na het werk nog even in de plaatselijke supermarkt. In het weekend hebben we familie uitgenodigd. Met een aantal koppels kopiëren wij de “Komen Eten Formule”. Dromerig sta ik aan de vleestoog. Tinten van baby roze tot bloedrood, met hier en daar een verlept groen van peterselie vullen de etalage.‘Dag mevrouw, kan ik u helpen ?’Ik richt mijn hoofd op en zie een gezicht dat ik me nog vaag herinner, maar niet kan thuis brengen.‘Ingrid, Ingrid, dat ben jij toch ?’Ik scan elke millimeter van zijn gezicht. In zijn gulle glimlach ligt de openbaring.‘Geert ?’ pers ik hoopvol uit.‘Ja’, antwoordt hij lang gerekt.Het is nu alsof twintig jaar in tien minuten moet worden gepropt.Standaardvragen schieten van de éne naar de andere.Beleefd sluiten we ons gesprek af. Als ik ooit nog eens een lekker sappig stuk vlees nodig heb, dan weet ik waar ik deze beenhouwer kan vinden.

Elise Legrande
0 0

Een kom + Beloning voor goed gedrag, opdracht 6 Jan Loogman

Een kom voor in de keuken Wie een handgranaat naar zijn hoofd krijgt, stelt beter geen vragen. Anders volgt er misschien nog een. Toch, hij moet zich bedwingen om stil te blijven. Hoe kan het? Maar hij stelt de vraag niet, hij beseft het vrijwel meteen, het moment dat ze zei dat het veilig was. Ze telde haar dagen altijd. Hij is in de val getrapt. Vrijen op het ritme van de natuur. Schijnheilige sodemieter. Hij staat op, ongetwijfeld kijkt ze nu naar hem, speurend naar zijn reactie. Nou, vooruit dan. Hij schopt de buitendeur open en vertrekt.   De eerste keer dat hij op bezoek kwam, heeft hij verdomd lang moeten zoeken voordat hij het toegangshekje zag. “Het gaat op in de natuur,” zei zij even later, nadat hij het toch gevonden had en het houten huis tussen de duintjes had bereikt. Zo moeizaam als hij de weg vond, zo gemakkelijk bleek het om te blijven. Je kunt hier de zee horen ruisen, de wind door de duintoppen horen waaien. Als hij hier is, voelt hij zich deel van de natuur. Hij is bevrijd van de moeizame gedachten over ouderschap, co-ouderschap, verdeling van boeken, platen, planten. Is het verstandig dat Sacha en hij dezelfde advocaat nemen, moeten zij nu juist niet de loopgraven betrekken, elkaar zwart gaan maken, elkaar het leven zuur maken? Hier is de verwarring ver van hem, hier is een vrijplaats. Hij kent intussen de weg en fietst tegenwoordig rechtstreeks op het toegangshekje af, soepel slaat hij zijn been achter zich over de lastdrager en begint te steppen, van het pad af, een duw met het voorwiel tegen het hekje dat meegeeft, open gaat. In het zand smoort zijn vaart. Hij zet zijn fiets tegen de berk.   Voordat hij de deur kan openen, is zij er al. De haren, halflang tot op haar schouders, hij haalt zijn handen erdoor; licht- verglijdt in donkerblond. Ze drukt zich tegen hem aan en hij is stil. Zo staan, niet bewegen, niet naar voren, evenmin achteruit. Alleen dit moment waarin hij alle sores kan vergeten. Geen gedachten aan de kinderen, geen gedachten aan Sacha. Alleen dit moment.   Maar vandaag stapt zij naar achteren en gaat het huis in, de krappe hal die ook als keuken dienst doet. Hij volgt haar. Valt hij voorover, dan ligt hij op bed. Het is de beste keuze, het is waar hij voor komt, en ook, verbeeldt hij zich, waarom zij wil dat hij hier komt. Maar zij gaat die kant niet op, en ook hij beweegt naar links, achter haar aan, de kamer in. Wat is er aan de hand? Waarom koerst zij naar de woonkamer? Pas als ze gaat zitten op het tweezitsbankje, draait ze zich naar hem om. Ze slaat met haar hand op de plek naast zich. “Kom zitten.”   Hij is niet gek, hij kent de theorie rond slecht – en goed nieuwsgesprekken, hij herkent de signalen. Slecht nieuws vertel je het best meteen, en dat is wat ze nu gaat doen. Nou ja, einde van een leuke relatie, een fijne afleiding, hij heeft ervan genoten. Misschien verwachtte zij er meer van dan hij, hij heeft het wel gehoord, dat ze de vier woorden zei: “Ik hou van jou.” Vorige week nog, toen ze bij hem in bed lagen. Zelf heeft hij ze zorgvuldig vermeden. Hij zal haar teleurgesteld hebben. Hoe kon hij anders, een vrijplaats is een illusie. Maar hij zal de gepaste tegenwerpingen maken, het is niet nodig haar te kwetsen door te laten merken dat het hem niet veel uitmaakt, al is het natuurlijk jammer van de omgeving, dat zei ze goed die eerste keer. Het gaat hier op in de natuur, heerlijk is dat. Maar voor haar een ander, of niemand. Misschien is dat het beste, vrouwen verwachten altijd weer iets van je. Mooi is ze wel, wat dat betreft is het jammer. Maar schoonheid, hoe zei Lucebert het ook alweer: “In deze tijd heeft schoonheid haar gezicht verbrand.” Inderdaad, ze heeft haar neus gestoten. Goed dat ze op tijd inziet dat er geen echte relatie inzit, tussen hen. Ze wacht trouwens wel erg lang, mist hij iets? Och ja, het spel moet gespeeld worden, hij moet haar aankijken, dan zal ze het zeggen.   Maar als hij haar in het gezicht kijkt, zegt ze: “Ik ben zwanger.”   Hij antwoordt niet. Wat heeft het voor zin? Hij weet dat ze kijkt, schopt de buitendeur open en is vertrokken. Een begrijpelijke reactie zal ze denken. Ze zal denken dat het nieuws hem overvalt. Wat natuurlijk ook zo is. Zei ze dat zojuist al niet? “Neem je tijd om je ervoor open te stellen,” hij weet zeker dat hij haar dat heeft horen zeggen. Dat is waarom de trap tegen de deur hem geen moeite kostte. Maar “zich openstellen”? Ammehoela.   Wanneer hij thuiskomt, een uur later, op de agenebbisj verdieping die hij nog twee maanden lang zijn huis moet noemen, loopt hij naar de vensterbank en pakt de aardewerken kom op. Wist zij het al, toen zij hem de kom gaf? Hij had haar van de trein gehaald, een eeuwigheid geleden, ver voor de handgranaat. Vorige week woensdag. Ze was naar haar vader geweest, een bezoek dat hem verbaasd had en dat hij nu in een ander licht ziet. Wilde zij de man blij maken? Toen ze terugkwam, had hij op het station geïnformeerd hoe het bezoek verlopen was. “Ach, het blijft een vreemde man,” had ze gezegd. Hij had niet verder gevraagd, voorlopig hoefde hij niets van mogelijke schoonfamilie te weten. Sterker nog, hij had geen behoefte aan schoonfamilie. Als die er was, dan was er een relatie en daar tekende hij voorlopig niet voor. “Waarom wil je scheiden,” had Sacha gevraagd en hij had niets anders kunnen bedenken dan dat hij alleen wilde leven. “Wel met de kinderen, natuurlijk,” had hij snel toegevoegd. Maar zonder vrouw die hij verdriet kon bezorgen en die hem verdriet kon geven. Zijn schoonvader en schoonmoeder had hij wel willen behouden, zo welkom had hij zich altijd bij hen gevoeld, maar zij waren haar ouders, zij moesten haar kant kunnen kiezen.   Toen ze van het station bij hem thuis waren gekomen, had ze opgemerkt dat hij het vet in de keuken weg had geschrobd. “Nu de slaapkamer nog,” had zij gezegd, maar hij had gelachen en haar op bed getrokken. Schoonmaken deed hij wel als hij alleen was. En trouwens, zo lang ging hij hier niet blijven. Hij heeft een mooie etage aan de Oosterlaan gekocht. Samen met Sacha is hij er gaan kijken. Het is dichtbij de Beukenlaan waar zij blijft wonen. Ideaal, vond Sacha de etage. Hier kunnen de kinderen zich thuis voelen, zei ze. Hij ziet ernaar uit om daar te gaan wonen, weg van deze klerezooi. Alleen de keuken heeft hij hier schoongepoetst, hij wil een beetje behoorlijk kunnen eten.   Daar zijn ze vorige week gaan zitten, in de schone keuken. Vlak nadat zij in bed haar liefdesverklaring in zijn oor had gefluisterd. Stiekeme huichelaar. Ze heeft hem een cadeau gegeven. Een handgebakken aardewerken schaaltje, zag hij toen hij het uit het papier had gepakt. Hij luisterde niet naar het verhaal dat ze erbij vertelde. Hij had geen behoefte aan schoonfamilie en evenmin aan gedeelde huiselijkheid. Hij had het kommetje in de vensterbank gezet en voorgesteld naar haar huis te gaan.   Nu heeft hij de kom in handen en kijkt om zich heen. De vaste vloerbedekking met de aangekoekte vlekken in de kamer, het gladde zeil in de keuken, hij keurt ze af en opent de deur naar de hal. De betonnen vloer zonder enige bedekking bevalt hem. Hij stapt de hal in, heft de kom hoog boven zich. De afstand tot de betonnen vloer is maximaal. Hier zal hij in duizend stukken vallen, een kwetsbaar maaksel dat stukslaat op de betonnen werkelijkheid. Hij laat zijn armen weer zakken, hij heeft de kom nog steeds in zijn beide handen. Hij opent de deur naar de meterkast en plaatst de kom op de plank, naast het stoffer en blik. Het heeft geen zin scherven te veroorzaken die je zelf op moet ruimen.   De volgende ochtend is het zaterdag. Meteen na zijn ontbijt trekt hij zijn jas aan, sluit de deur achter zich en fietst naar het huis in de Beukenlaan, waar hij tot voor kort woonde. Coby wacht al op hem, een plastic tas in haar hand. “Mijn judospullen heb ik al ingepakt,” zegt ze. “Kun je de houdgreep nog?” vraagt hij. Op de fiets voelt hij haar handen in zijn zij. Op de Oosterlaan wijst hij naar links. “Daar ga ik over een paar weken wonen, “zegt hij. “Dan krijgen Maika en jij daar ook een kamer. Er is een grote woonkamer en dan kun je de houdgreep op me oefenen.” “Ik houd je gemakkelijk,” zegt ze.   Tijdens de judoles wandelt hij naar de Hema en koopt een kaart van Jip en Janneke. Hij gaat zitten bij het Gulden Vlies, bestelt een koffie verkeerd en vraagt om een pen. “Volgende maand ben ik officieel gescheiden,” schrijft hij. “Ik ga goed voor mijn kinderen zorgen. Samen met mijn ex-vrouw. Wie weet, ben ik ooit toe aan een nieuwe relatie, een nieuw kind. Nu niet. Waar ik zeker niet van houd, is erin geluisd te worden. Wat jij doet, is jouw verantwoordelijkheid. Niet de mijne.” Hij stopt de kaart in zijn binnenzak. Vanmiddag zal hij de kom inpakken en met de kaart aan haar versturen. Nu gaat hij Coby ophalen. First things first.   Beloning voor goed gedrag Zaterdag, de groene velden met de witte kalklijnen, bij voorkeur een zonnetje, een graad of achttien, een hooguit lichte bries. Hij ontbijt, haalt het dunne, zwarte jasje van de kapstok en voelt of de chronometer in het borstzakje zit. Hij staat even voor de spiegel, juist als zijn dochter roept dat ze vertrekt. In de spiegel ziet hij een man die nog wel een sprintje kan trekken. “Heb je je scheenbeschermers,” roept hij, maar hij hoort de deur al in het slot vallen. Het zal wel.   Wat later fietst hij op zijn gemak langs de brede vaart. Kleine rimpelingen in het water, het lijkt alsof het zonlicht opspringt en weer neerkomt. Aan de overkant de molens, daarachter de polder vol ganzen. Het is een dag waarop mensen gelukkig kunnen zijn. Toch voelt hij in zijn borst de zekerheid te kort te schieten. Het is altijd zo geweest. Kwetsbaar, vol zelfverachting, niets heeft hij er aan kunnen veranderen. Het gevoel in zijn borst kan tijdelijk verdwijnen. Hij denkt en handelt, hij is actief, doet zijn plicht of wat hij graag doet, maar als hij stil is, voelt hij het knagen, de leegte. Het is niet slecht wat hij doet,  maar het legt geen gewicht in de schaal. Hij kent zijn talenten en weet dat zij niet tellen.   Misschien is hij niet zo geboren. Zijn moeder vertelde hem dat zij na vier geboorten kort na elkaar geen vijfde wilde. Toen kwam jij, voegde ze eraan toe. Hij was het vijfde kind. Een jongen na vier meisjes bovendien, zoveel ongedurigheid was er in hem, ze sloot hem dikwijls op in  de kast. Hij herinnert zich hoe donker het was en hoe het naar grondwater rook. Zijn vader wilde hem juist in het licht zetten en kon het niet verkroppen als hij ervoor terugschrok. Klappen leverde het op, scheldwoorden of zwijgen. Misschien hebben zij hem de zekerheid gegeven tekort te schieten.   Toch is er nu de lentedag. Aan de overkant sjort de molenaar de kop met de wieken naar de zachte westenwind. Hard zullen ze niet draaien vandaag, maar alle beetjes zijn meegenomen. In de vaart slaan de riemen van de wedstrijdroeiers in het water. Het is het geluid dat zijn eigen peddel maakte, in het water van de ringvaart voor hun huis. Maandenlang hadden zijn zus en hij gespaard. Toen ze honderd gulden hadden, gingen ze kijken naar kano’s die te koop werden aangeboden. Steeds was hun bod te laag. Op een dag kwam papa thuis, het was in de tijd dat hij nog schillenman was. “Ik heb een kano voor jullie gekocht,” zei hij. “Geef mij jullie spaargeld, ik heb er honderd piek bovenop gedaan. Volgens mij is het een prachtding.” ’s Avonds had papa hen naar Halfweg gereden waar de kano lag. Hij was precies zoals ze hem wilden hebben, doorzichtige bruine glanslak, twee plaatsen achter elkaar. Dat je zo wiebelde als je erin stapte, daar hadden ze niet op gerekend. Misschien voelden ze zich ook ongemakkelijk omdat papa en de verkoper naar hen stonden te kijken. Toen ze eenmaal weg peddelden, voelde Johan  zich prima.  Zijn zus had al gauw genoeg gekregen van de kano en meestal voer hij alleen de ringvaart af, elke slag bracht hem verder van huis. Hij voer helemaal tot aan het Nieuwe Meer. Daar was het water wilder. Hij stak de neus van de kano recht in de golven en liet zich drijven. Een sleepboot voer snel over het meer, de golfslag werd woest, nu moest hij de neus zeker goed op de golven houden. Of zou hij dwars gaan liggen, zich laten omslaan? Het water spatte over zijn lijf. Laat in de middag kwam hij doorweekt thuis, zijn moeder gaf hem op zijn kop, maar hij had niet het gevoel dat ze echt boos was. Zij hield ook van water. Ze had eens zijn plastic bootje uit het kanaal gered, toen hij als kleuter ermee  op de steiger zat te spelen en het te ver van hem was weggedreven. Verdrietig om het verlies van het bootje was hij binnengekomen. Zij had zich snel omgekleed en was in het water gesprongen. Opgewekt stapte ze even later druipnat het huis weer binnen, zijn bootje in haar hand.   Hij zet aan en voegt zich in de stroom van jongens en meisjes met de zwarte sporttassen in hun fietsbak. Hij kan blijven zoeken naar woorden voor het gevoel van tekort, nooit zal hij eraan ontkomen. Het kan altijd in hem zijn geweest. Heel goed mogelijk dat zijn ouders het niet in hem hebben opgewekt. Wat maakt het uit? Je kunt jezelf niet veranderen, hoorde hij zeggen, maar wel je gedrag. Dus, wat maakt het uit waar de zekerheid  tekort te schieten vandaan komt, zolang hij er niet naar handelt?   Hij fietst onder de poort met het zwart-witte bord door, hij is aangekomen bij de groene velden, stalt zijn fiets en kijkt naar de vlaggetjes aan de cornerpalen, de netten die in de doelen schommelen. Echt weinig wind, altijd prettig voor de wedstrijd. In het wedstrijdsecretariaat  zitten de mannen rond de koffietafel. Slechts een enkeling van hen vervult een taak, de anderen zitten er omdat hier een voetbalveld is, waar zij met andere mannen het eeuwige gesprek kunnen voeren. Ook zijn vader voerde vroeger dit gesprek, met mannen die de kleine Johan over zijn bol aaiden. “Kom op, naar buiten,” zei zijn vader dan. Hij had belangrijke kwesties te bespreken. Dat de scheids er vorige zondag weer helemaal niets van kon, dat hij in zijn tijd wel raad had geweten met die voorzet van de linksbuiten. Het zijn de kwesties waar het ook op deze lentedag nog over gaat. Johan luistert ernaar, maar praat nog steeds niet mee. Hij schudt Piet de hand en pakt een bal, twee vlaggetjes voor de grensrechters, een fluitje, een bloknootje en een pen. “Veld C,” roept Piet hem na.   Bal aan de voet, het schrijfgerei in een van de steekzakken van zijn jasje, het fluitje in de ene hand, de vlaggetjes in de andere loopt hij Veld C op. Voor het rechterdoel is het thuisteam aan het afwerken. De speelsters staan in een rij achter elkaar, ter hoogte van de middencirkel. Hij zwaait naar zijn dochter die gelukkig haar scheenbeschermers draagt. Aan de overzijde is de tegenstander nog bezig sprintjes te trekken. Hij blaast op zijn fluitje, schudt de handen van de coaches. Er melden zich twee grensrechters, hij geeft hen een vlaggetje. “Uitbal, achterbal, corner, buitenspel,” zegt hij, “voor een overtreding hoef je niet te vlaggen. Die beoordeel ik zelf.” Dan draait hij zich naar de beide aanvoerders die zich intussen in de middencirkel hebben gemeld. “Hebben jullie er zin in?”   Na zijn beginsignaal volgt hij het spel op korte afstand. Hij vindt zich te oud om zelf nog te voetballen. Maar nu, met het gras onder zijn sportschoenen, is hij blij als een lange pass wordt gegeven, rennen moet hij dan, rennen om ter plekke te zijn als een duel volgt. Alert ook als de bal ineens in zijn richting wordt geschoten. Hij spreidt zijn benen, laat de bal passeren, het is alsof hij er niet stond, het spel gaat zonder onderbreking door. Eenmaal negeert hij een vlagsignaal van de grensrechter van de gasten. “Scheids,” hoort hij roepen. Hij laat het spel doorgaan, hij is benieuwd wat er gaat gebeuren als de aanval tot een doelpunt leidt. Maar de keeper vangt de zacht ingeschoten bal. Als ze in de rust het veld aflopen, komt de grensrechter naar hem toe. “Ik vlagde, scheids,” zegt hij. “Dat heb ik gezien,” zegt Johan,  “maar op het moment van spelen stond de aanvaller nog niet achter jullie achterste speelster. Geen buitenspel.” Hij ziet de man ademhalen, maar is hem voor. “Nou ja, wie weet, zag ik het verkeerd,” zegt hij, “of jij. Het werd in elk geval geen doelpunt.”   Na de wedstrijd brengt hij de spullen terug naar het wedstrijdsecretariaat. Dat is nu bijna leeg, op veld A speelt nu het selectieteam van jongens tot 19 jaar, daar staan de mannen ongetwijfeld langs de lijn. Alleen Piet zit nog aan tafel. Hij neemt de vlaggetjes van Johan aan, bergt de pen en het bloknootje op. De bal gaat in het ballennet. Samen vullen ze het wedstrijdformulier in: “1 – 1, geen bijzonderheden.” Piet geeft hem een consumptiebon. “Beloning voor goed gedrag,” zegt hij. “Daar doe ik het voor,” antwoordt Johan.   In de kantine wisselt hij de consumptiebon in voor een broodje bal. Eén hand aan het stuur fietst hij naar huis, het broodje in de andere hand, een snelle hap, de mosterd loopt langs zijn kin. In de vaart hebben de roeiers plaatsgemaakt voor kanovaarders. Geen vier in een boot, maar twee. Geen roeiers, maar peddelaars. Een andere aanpak maar ook deze boot scheert over het water. Misschien raken de peddelaars vermoeid, misschien raakt een van hen de slag kwijt, maar ze doen wat ze kunnen. Dat is genoeg.

Jan Loogman
0 0

Twee andere scènes (Adinda-opdracht 6)

1. Ik probeer me die smaak in te beelden. Heb jij wel eens het verlangen gevoeld om een braambes te proeven? Geen antwoord. Je kijkt me aan met een vernietigende blik en gaat ervan door zonder iets te zeggen. Ik had nog willen zeggen dat ik eigenlijk ook graag te weten zou komen hoe de liefde voelt.   Met de liefde is het net als met mooie kleedjes, denkt ze, het is iets voor de anderen. Hier en daar merkt ze wel een jongen op met zachte ogen. Maar het is te vroeg. De jongens dragen nog stoere harnassen en de mist om haar heen is nog te dicht. Ze wil trouwens helemaal geen ridder en ze verlangt er ook niet naar om een prinses te zijn. Wat dan? In vervlogen tijden zou ze in de keuken gewerkt hebben van een klooster, ze zou er brood hebben gebakken en voor de kruiden zorgen in de tuin, zij is het die de gerechten versiert met paarse viooltjes en zevenblad. En als ze even tijd heeft, glipt ze naar de bibliotheek en verdiept zich in de boeken en oude manuscripten, ze schrijft briefjes en verstopt die tussen de bladzijden voor de man in wiens ogen de hemel zichtbaar is. Het klooster heeft een grote oude tuin, de linde staat in bloei. Daar zouden ze afspreken. In de laatste jaren van de middelbare school zie je haar vaak vertoeven bij een groepje jongens. Een groot deel van de klas vindt de leraar Frans maar een gefrustreerde pessimist, maar zij laven zich aan zijn lessen. ‘Le défi’ is de titel van zo een les. Op het bord heeft hij twee bergen getekend, die staan voor twee werelden. Aan de ene kant de microkosmos, het rijk van het onzichtbaar kleine, aan de andere kant de macrokosmos, het oneindig grote universum. Er ligt een plank tussen de beide bergtoppen, daarop balanceert de mens: in geen van beide werelden is hij thuis. En als hij niet oppast valt hij in de afgrond ertussen. Ze ademt opgelucht, dit biedt tenminste enige houvast. ‘Houvast?!’, je hoongelach klinkt luider dan ooit, ‘het is pure inbeelding van dat kind!’ ‘Ja inderdaad, maar daar is ze wel goed in, ondanks al jouw lobbywerk’. Je ogen bliksemen. ‘En jij dan?’ grom je. Ik schud mijn hoofd. ‘Ik bescherm haar niet, hoe zou ik dat kunnen? Dat ik haar van zo nabij volg, is mijn zaak. En laat me nu met rust.’ Er is een oudleerlingenavond op school, ze ruimt de glazen af en luistert even mee naar het gesprek aan tafel bij de lerares geschiedenis. Een jongen met blauwe ogen kijkt haar aan en glimlacht. Kom je er even bijzitten? Ze gebaart naar de plateau vol glazen en keert terug naar de afwas. Er is veel afwas. Een tijdlang hoopt ze voortdurend hem tegen te komen, in de bibliotheek, aan het station, op straat. Het duurt maanden, dan stopt ze met hopen, maar blijft verlangen. Haar Franse lief verschijnt een jaar later op het toneel. Groene ogen, een brede glimlach, 10 jaar ouder, in elk oor een ring. Hij durft haar hand nemen, ze trekt niet terug. Zijn stem is altijd hees en opgewekt, maar hij kan ook prachtig zwijgen. Als ze wandelen zeggen ze niet veel. In het Frans kent ze de namen van de vogels niet, dus wijst ze en fluistert. Hij herhaalt ze één voor één, als een kind dat voor het eerst een woord uitspreekt. Fuut. Zwaan. Blauwe reiger. Ze wandelen veel, vaak ’s avonds als de zon aan het ondergaan is. Of ’s nachts als de maan er is. Zoals nu, tijdens deze heldere winternacht. De vogels zwijgen. Zelfs de meerkoeten die meestal piepend op het water dobberen, blijven vannacht liever anoniem, het water is bevroren. In de verzonken wereld knerpt de sneeuw onder hun voetstappen. Hun silhouetten bewegen hand in hand door de stilte. De aarde wordt verlicht door het maanlicht dat de sneeuw weerkaatst. De vijver, de plassen en de poelen zijn daarentegen transparant. Gewoonlijk verbergen zij hun diepten onder hun waterspiegel, nu schijnt het maanlicht er dwars doorheen. Soms is het een sprookje, soms een zootje. Enkele jaren nadien maakt ze op een blad twee kolommen: één voor Frankrijk en één voor België. Ze kiest voor het tweede. Dromen gaat beter in het Frans, maar eerst moet ze zelf nog wat meer werkelijkheid worden.     2. Het was niet de bedoeling. Tot het moment dat de dokter hen zegt dat ze zwanger is, dringt het niet tot haar door. Toch zijn ze samen naar de consultatie gegaan, zij en haar vriend. Daar staan ze nu op het plein vlakbij de groepspraktijk. Ze voelt een duizeling in haar hoofd van zoveel verandering op til. Het suist en tolt in haar hele lijf, maar een ding weet ze heel zeker: ik wil dit kind en ik ben bereid hiertoe m’n leven compleet op z’n kop te laten zetten. Haar vriend is zacht en lief op dat moment. Hij wil geen kinderen, heeft hij altijd gezegd, dat is niets voor hem. Dat zegt hij nu niet. Hij blijft even bij haar op het plein staan en gaat dan naar z’n werk. Ze is graag zwanger. Ze voelt zich vereerd dat het leven haar uitgekozen heeft om een kind in te laten groeien. Bang om te bevallen is ze niet. Nooit is ze het leven meer nabij dan tijdens zo’n bevalling. Ze zet twee kinderen op de wereld. De oudste zoon komt een maand vroeger dan verwacht, hij weent veel, en ook later zijn vele overgangen voor hem erg moeilijk. Met zachte hand en humor lukt het. De jongste zoon is altijd al gretiger, passioneler. Het duurt bij beide jongens jaren vooraleer ze de hele nacht slapen. Als ze wakker worden, voedt ze en slapen ze samen verder. Als ze moe zijn, bindt ze hen op haar rug en wandelt. Haar jongens groeien dicht bij haar op, ze hebben het goed samen. ‘Ziezo’. Ik schrik, ik had je niet horen komen aanvliegen. ‘Nu kan je eindelijk stoppen met haar te volgen’. Maar dat kan ik niet. Want ze heeft af en toe een vlaag van onbestemde heimwee, vleugelpijn noemt ze het. Had jij daar al van gehoord? Bij sommigen -meestal vrouwen, soms ook mannen-  beginnen op een bepaald moment vleugels te groeien. Of het nu om een misgroeiing gaat bij hen die te weinig resultaten boeken, of het gevolg is van teveel dagdromen, dat hebben de onderzoeken nog niet uitgemaakt. Wel staat vast dat na verwijdering de patiënten in staat zijn tot een normaal leven, zij het met soms nog enige neiging tot melancholie. Het verwijderen van vleugels in een beginfase doet geen pijn, hebben ze haar gezegd. Ze heeft haar koffer gemaakt. Een lange busrit brengt haar tot de eindhalte in de heuvels, ze is even gaan zitten op de bank, wandelt dan de laan in, tot het huis. Ze zeggen niet veel, geven je een kamer en een glas wijn. Ze doen het terwijl je slaapt. Iemand moet het venster opengezet hebben, de ochtendlucht stroomt binnen, ze hoort duizend vogels zingen en voelt tranen nog voor ze haar ogen opendoet. De kamer hult zich in een waas van wit, boomkruinen fluisteren door het raam. Ze gaat rechtop zitten, voelt aan haar rug en weent de hele ochtend. Iemand brengt haar een kop thee en een boterham. ‘je mag nog enkele weken blijven’, zegt ze, ‘de meesten draaien nog even in de werkplaats mee vooraleer ze terugkeren’. Haar stem is warm en zacht. Ze blijft zolang het mag. De ruimte lijkt in niets op wat meestal een werkplaats is: hoge ramen waardoor licht overvloedig binnenvalt, houten vloer, gordijnen van wit  linnen. Elke vrouw zit op een stoel met voor zich een grote mand waarin het dons valt dat ze plukt uit een vleugel. Overal door de kamer warrelt dons en speelt het licht. De deuren aan de ene kant gaan open, een jongen brengt een nieuwe lading vleugels binnen.   Even later doet het geluid van een vrachtwagen op de oprit iedereen opkijken. Manden met dons worden ingeladen. De chauffeur heeft de radio laten aanstaan, reclame en nieuws denderen de werkplaats in. Van het dons worden hoofdkussens gemaakt die zeer prijzig en zeer in trek zijn bij de hogere middenklasse. 15 dagen en 15 vrachtwagens gaan voorbij, ze is bijna terug thuis. Ze voelt zich misselijk van de lange busrit, nog 2 straten te gaan. Hoe dichter ze haar huis nadert, hoe trager ze loopt. De sleutel past, de deur gaat open, de afwas staat op het aanrecht, er is nog niemand thuis. Intussen gaat het leven door. Kijk daar is weer zo’n scène, het lijken wel variaties op een thema. Ditmaal zijn ze op reis in Californië. De afdaling lijkt uren te duren, het woud is uitgestrekt, de weg vol bochten, de beren houden zich schuil, de reeën wachten tot het avond is. Ze rijden tot het einde van de grintweg, daar beneden laten ze de auto staan. Ze bindt de kleinste jongen op haar rug, neemt de grootste bij de hand. Ze wandelen langs hoge ceders, voorbij een kudde elanden die hen heel even aankijken en daarna onverstoorbaar verder grazen. De lucht is vochtig en ruist mee met de oceaan. Ze lopen het pad ten einde, daar is een rots, achter de rots is het kiezelstrand. Dit is de ‘Lost Coast’, hier eindigt de wereld. Metershoge golven spatten op de rotsen, roeren de kiezels om en keren dan terug naar de woeste zee. Zo moet de wereld hebben geklonken voor ze werd opgedeeld in aarde, lucht, water en vuur, in man en vrouw, goed en kwaad. Ze heeft tranen in haar ogen. Haar man kijkt naar haar, neemt een foto. Kom, we zijn weg. Ze kijkt nog één keer. Hier kom ik ooit terug, dan blijven we kamperen. Hij antwoordt niet. Waarom nam hij niet even haar hand ? Nee, hij stond erbij, vond het mooi, maar was er niet bij. Hij was bezorgd om de lange klim naar boven, bang door het donker overvallen te worden. Jij gniffelt. Ze beelden zich in dat het liefde is, maar het is angst. Soms heb je gelijk.          

Adinda
6 0

Brieven aan Manon

 31 maart 2018   Lieve Manon,   Weet je nog toen je me zei dat je "met geld wel een hond kunt kopen maar dat je hem er niet mee kunt laten kwispelstaarten"? Ik denk dat dat ook voor katten geldt.   Toen ik gisteren Athos en Porthos vanachter het keukenraam de tuin in zag lopen, gelokt door een deugddoend voorjaarszonnetje, moest ik aan die woorden van jou terugdenken. Hun staarten schoten als de periscoop van een onderzeeër richting hemel, ze rekten en strekten zich zoals enkel katten dat kunnen om dan languit op de warme arduinen terrastegels te vallen en van puur kontentement de meest onmogelijke bochten te maken met hun elastieken lijf. Na dit ontwakingsritueel lonkte het avontuur. Een berg aarde is bedekt met ontluikende krokussen en narcissen, met tulpen en paasbloemen, enkel de meiklokjes laten nog op zich wachten. Langsheen de houten scheidingsmuur met de buren heb ik voor de winter appel- en perenboompjes neergepoot en er staat nu een tweede dakplataan op hangmatafstand van de andere die er al twintig jaar groeit en zonder veel zuchten een volwassen mannenlijf kan dragen. Aan een steunpaal heb ik tijdens de voorbije vriesperiode een voederkastje opgehangen. Het is nu een komen en gaan van mussen en merels, van meesjes, kwikstaartjes en heel af en toe zelfs een roodborstje. Het is alsof ze tegen mekaar gezegd hebben : "Daar moeten we zijn, daar is een feestje vandaag!". Sociale media in het dierenrijk. Net zoals bij mensen duiken ook hier profiteurs op die een graantje willen meepikken van deze nieuwe ontwikkelingen en met de noorderzon verdwijnen als het feest voorbij is. Ik geniet van al dit leven in mijn tuin. Athos en Porthos kijken er steeds weer met verwondering en, even maar, met argwaan op neer. Ze werden opgeschrikt door het gekir van Jinthe en Jolien, de buurmeisjes die nog even op de trampoline sprongen voor ze weer  naar school moesten. Ze zwaaien altijd vrolijk naar mij, gevolgd door een verlegen "hallo", meer niet. De klasjes van de lagere school zijn nog niets veranderd. Ik zie ons nog steeds tikkertje spelen en stickers van de smurfen omruilen op de speelplaats. De schoolbel klinkt nog net als toen, een uitgerokken ringtoon van een bakelieten telefoontoestel, in decibel enkel overstemd door het gebimbam van de kerktoren een beetje verderop. Het snoepwinkeltje van Joseeke van de bakker schuin tegenover de kerk is niet meer, Joseeke is nu met pensioen, en ook de kruidenierszaak van Geert en Els is inmiddels voltooid verleden tijd. Hun winkel werd na hun echtscheiding overgelaten aan de Turkse familie. Kun je je de reactie in het dorp voorstellen? "Ziede wel, die vreemdelingen nemen hier alles over, binnenkort is niets hier nog van ons!" Een kat besnuffelt en omarmt de angst voor vernieuwing, een dorpsmens denkt meteen dat hij ALLES zal kwijtspelen. De winkel is niet lang daarna opgeslokt door de pakjesdiensten van HelloFresh, Bpost en Post.NL. Vooruitgang noemen ze dat naar het schijnt, de oudjes van het dorp zitten met de gebakken peren. Athos en Porthos hadden na een halfuurtje genoeg nieuwe indrukken opgedaan en vonden van zichzelf dat ze hiermee weer minstens een halve dag slaap verdiend hadden. Ik heb nog een praatje gemaakt met Luc, je weet wel, de buurman met de twee naakthonden waarvan eentje in de zomer een roze pyjama droeg omdat hij een zonneallergie heeft. Je piste haast in je broek van het lachen toen je dat zag. Had ik al verteld dat Luc vrachtwagenchauffeur is? Ik vind het altijd een beetje lastig praten met hem. Het lijkt alsof we nooit echt verbinding maken, alsof er een muurtje tussen ons staat. In elk gesprek sluipt wel een distributieriem, een oliefilter, een bougie of een waterpomp binnen. Ik heb geen flauw idee waarvoor die dingen dienen. Als ik hem mag geloven, heeft hij al meermaals het leven van zijn camion verlengd enkel en alleen maar door goed te luisteren naar het geluid dat hij maakt (mensen zouden beter naar elkaar moeten luisteren). Zouden alle vrachtwagenchauffeurs zo zijn? Ik kan mij niet voorstellen om ganse dagen 'op de baan' te zijn. Zo zegt hij dat : "Ik ben op de baan geweest vandaag." En dan vertelt hij over zijn baas die achter zijn veren zit om zijn vracht zeker op tijd af te leveren, dag na dag, over de stress van het verkeer ("D'er rijdt wat op de baan tegenwoordig, zenne!") om dan een apart hoofdstukje te wijden aan het geluid dat zijn vrachtwagen maakte ("Hij klonk maar raar vandaag. Ik weet niet wat er scheelt."). Na die 'geluidsboodschap' ben ik altijd weer gelukkig dat ik gewoon met de fiets en de trein naar het werk kan, en op dat moment herinner ik mij doorgaans ook dat ik dringend naar binnen moet omdat er iets op het vuur staat te pruttelen.

Dirk Jacobs
0 0

Speciaal voor jou, wie je ook mag zijn.

Eerste brief , vrijdag 6 april 2018Lieve lezer van deze brief, ik schrijf "lieve" want ik wil er graag vanuit gaan dat je dat bent. Ik ben dat ook. Voor anderen heel gemakkelijk, voor mezelf niet altijd. Ik ben dan ook vierentwintig op zeven bij mij. Tja... dan vind je wel eens wat om over te sakkeren. Maar terug naar jou; als er een lieve ontvanger aan de andere zijde wacht, dan schrijven mijn brieven zich wat vlotter. Dus ga ik ervan uit dat je lief bent. Tot je mij het tegendeel kan bewijzen.  Ik vind het jammer dat ik jou deze brief niet per post kan laten bezorgen. Dan had ik hem sowieso versierd met kleuren en stickertjes. En van zodra ik jou een beetje leerde kennen, zou ik de decoratie helemaal verpersoonlijken. Mocht je bijvoorbeeld van dieren houden, kleefde ik er één in elke hoek. Zou paars je lievelingskleur zijn, dan zocht ik een violetkleurige briefomslag voor je uit. Fan van gouden lettertjes? Verwacht je naam en adres alvast in die stijl. Oh, oh, oh wat ben ik benieuwd naar jou! Op dit moment zit ik in de lievelingskamer van mijn nestje; mijn atelier. Ook wel eens in gedachten "mijn hemel" genoemd. Behalve de strijkplank -die voorlopig nog dienst doet als rommeltafel- staan hier alleen maar leuke dingen: mijn bureau-eiland om creatief te zijn alsook mijn portfolio in elkaar te pennen, een heerlijk comfortabel zeteltje in zonnekleur met een gerieflijk bankje voor de voeten, een manduka yoga mat in het midden van de kamer en een hokjeskast vol dozen met leuke spulletjes in. Een warme leeslamp, een paar eye-catchers aan de muur en verse bloemen iedere week. Ik ben hier graag - liever - liefst. Speciaal voor jou heb ik zonet alle trappen van mijn huurhuisje geteld. Het zijn er in totaal zevenenvijftig. Zevenenvijftig trappen die leiden naar zeven kamer(tje)s. Met een bescheiden dakterras als kers op de taart. Deze laatste is sinds vandaag mijn nieuwe lievelingsplek. Hoe dichter ik bij de zon kan zijn, hoe liever ik het heb. De zomer is ook híer dit jaar op een vrijdag begonnen. Zon, tevens veel wind, maar zon zon zon. Halleluia, éindelijk!! Mijn leukste ontdekking van de afgelopen paar weken is een man van 46 die een A330 bestuurt. Een piloot dus. Boeiende kerel. Tevens een taalvirtuoos die zinnen kan laten smaken naar aardbeien met chocolade. Een deugd voor iemand die zelf graag in het puntje van haar pen kruipt. Ik kwam Kristof tegen tijdens een online spelletje scrabble en sindsdien zijn we niet meer gestopt met woordjes leggen. En zinnen, die ook. Veel daarvan. Het fascineert me immers dat iemand zo'n grote stalen vogel door de lucht kan laten klieven, schijnbaar moeiteloos. Hij ontwaakt 's morgens in eigen bed en pakt 's avonds zijn koffer 6000 km verder uit. En tussendoor heeft hij de levens van zo'n slordige 350 mensen in handen gehad. Soms wel 400. Dat fascineert me. Mocht dit een brief zijn van de heer Pfeijffer (met dubbele f in het midden volgens mijn vriend Wikipedia), dan had hij er beslist op gewezen dat er wel meerdere beroepen zijn die mensenharten in handen houden. Denk bijvoorbeeld maar aan chirurgen, ambulanciers en lijkenwassers. De stiefmoeder die Assepoester met haar vergiftigde appel bijna de dood in joeg. De winkelier die euromillions verkoopt. De agent die slecht nieuws aan huis moet brengen. Don Juan en al zijn geschiedkundige kompanen.  Ilja had er vast nog een dozijn bij gevonden. Nu de zon begint te zakken, wil ik graag mijn huis nog stofzuigen. Ageeth is immers het hele weekend in Nederland voor haar cursus Kum Nyé, dus kan ik zorgeloos lawaai maken. Ik stoor haar niet graag, de lieverd. En ze hoort elke stap die ik zet op de eerste verdieping. Godzijdank komen we goed overeen. Het klopt wat het cliché zegt; beter een goeie buur dan een verre vriend. Ik ben gezegend met zowel een goede buur als dichtbij zijnde vrienden. En toch... ben ik vaak en graag op mezelf. Alleen voel ik dat het vanavond een beetje pikt. Na 17 jaar roken en 1 jaar gestopt te zijn, heb ik plots zin in een sigaret. Dan weet ik dat de leegte vanbinnen knaagt. Dus schrijf ik jou een eerste brief. Met een gin tonic erbij. Dat helpt een beetje. Tot gauw, vreemde-die-weldra-niet-meer-zo-vreemd-voor-me-zal-zijn. Ik groet je vanuit de stad waar ooit - per vergissing!! - de maan werd geblust. Kristien PS: Was jij ook zo dol op die eerste brief aan Gelya? Ik heb prompt het boek in de bibliotheek gereserveerd! Ik laat je nog weten of het vervolg net zo hemels is.

Kristien
21 0

Eerste tipje van de sluier

Brieven aan een onbekende Eerste brief                                                                  Singles-Auvergne Frankrijk, 4 april 2018   Lieve onbekende,   Ik bevind me vandaag in het buitenland. Ik ben enkele dagen op vakantie, een yoga – en schrijfvakantie. Aangezien ik me momenteel niet in de positie bevind om thuis de ramen open te gooien en te kijken wat er allemaal gebeurt, begeef ik me hier naar buiten om alles in me op te nemen. Het weer is momenteel erg wisselvallig. De zon heeft al geschenen, maar het heeft ook al wat geregend en de wind maakt het best koud. Ik ben daarnet gaan wandelen langs de prachtige rivier, die vandaag net wat onstuimiger stroomt dan gisteren, omwille van de regenval vannacht. Onderweg kwam ik een waterval tegen. De natuur blijft me verbazen en raken. Ik lijk weer volledig samen te vallen met mezelf. Het glooiende landschap, de ontelbare bomen, de roofvogels die de omgeving verkennen, het is hier paradijslijk.   Ik denk dat ik je al wel een goed beeld heb gegeven van ‘la douce France’. Ik zal je ook even inkijk geven in mijn leefomgeving. Ik woon op een verdieping van een oud herenhuis aan de rand van de stad Antwerpen, samen met mijn levensgezel, Cosmo de kat. Die ligt nu vast op zijn dekentje te spinnen, te dromen van mijn terugkomst. Aan de achterkant – vanuit de keuken en de slaapkamer – kijk ik uit op wat tuintjes. Aan de voorkant – vanuit de woonkamer – heb ik inkijk in de rustige straat, als ook in het appartement van tante Tilly. Af en toe zwaaien we naar elkaar, dat hebben we zo afgesproken toen we elkaar ontmoet hebben. Op donderdag wordt in onze straat het vuilnis opgehaald en nadien ligt alles bezaaid met papiertjes, plastic zakjes en dergelijke. Tante Tilly vindt dat absoluut niet kunnen en heeft dus een afvalgrijper bij de gemeente opgehaald. Ze vindt dat onze buurtbewoners hun vuilniszakken en kartonnen dozen beter zouden moeten afsluiten, maar hoe maak je ze dat wijs? Tot die dag ooit komt, zal je haar elke vrijdag gestaag zien rondlopen met haar afvalgrijper, dat is beter voor haar rug. Ik ontmoette haar toen ze een plastic zakje uit een boom probeerde te wrikken. Ik ben toen de ladder gaan halen en sindsdien mag ik haar tante Tilly noemen, wat een voorrecht! Je zou haar de titel kunnen geven van ‘assistent – vuilnisman’.    Vuilnismannen doen zo’n goed werk. Wij mensen blijven maar afval produceren en de vuilnisman in de straat blijft dat telkens afdragen. Hij belast er zijn rug mee, dus is het niet enkel in het belang van het milieu om minder afval te produceren, het is ook in het belang van de vuilnisman. Het lijkt zo’n ondankbaar beroep, op een vuilniswagen staan met een oranje fluohesje om dan kilo’s vuilnis in te laden. Daarna ’s avonds thuiskomen om dan te kreunen en te steunen omwille van een geblokkeerde rug. Daarenboven in bed wakker liggen en balen, omdat je weer zo vroeg op moet staan. En dat doet de vuilnisman elke dag opnieuw, omdat de mens een gewoontedier is, geen wereldverbeteraar. Wat we kennen schept een gevoel van veiligheid en daarom doen we er alles aan om de dingen krampachtig bij het oude te laten, ongeacht de gevolgen. Ondankbaar beroep of niet, ik ben deze kanjers geweldig dankbaar! Misschien doen alle vuilnismannen wel yoga, dat is erg weldadig voor de rug, als ook voor de rest van het lichaam. Ik kan het me al helemaal voorstellen: In de stad Antwerpen wordt speciaal een yogacursus georganiseerd voor vuilnismannen. Zij komen dan na hun werk – in een oranje fluohesje en een stretchbroek – naar de les en planten zich op hun matje neer in mooie rijtjes achter elkaar. Er vormt zich een mooie mix van mannen van verscheiden origine, al dan niet met bouwvakkersreet. Ze laten hun lichaamsgassen gretig vloeien en laten alle spanning los om dan na de les samen een pintje te gaan drinken. Dat lijkt me een fijne tegenhanger voor al dat zware werk.   Mijn interpretatie staat bol van de clichés, maar deze stereotypering uitmelken zorgt voor een humoristische toets en ik vind humor erg belangrijk. Ik ben van mening dat we humor nodig hebben om het leven wat luchtiger te maken, om wat extra ruimte te scheppen en van op een afstand te kijken naar onze beslommeringen. Het leven en onszelf niet te serieus nemen kan de druk wat van de ketel halen en zet de deur op een kier voor dankbaarheid. Dankbaar kunnen zijn voor wat we hebben en kunnen accepteren wie we zijn en wat er op onze weg komt is voor mij de sleutel tot tevredenheid, en misschien zelfs (af en toe) tot uitzinnig geluk. Veel dank dus voor de komieken, grapjassen, narren en onnozelaars binnen onze samenleving!              Het stemt me zeer gelukkig, beste onbekende, dat we de kans krijgen om elkaar op deze manier te leren kennen. Erg gemoedelijk, waarbij telkens een tipje van de sluier wordt opgelicht. Ik vind het erg fijn om mijn gedachten en hersenspinsels met jou te delen en kijk erg uit naar onze volgende briefwisseling. Ik wens je een sprankelende week toe, vol van inspiratie.   Tot genoegen!

Eva
0 0