Lezen

mama

Gisteravond wou Juliette buurtpolitie kijken, ok, 1 aflevering en dan gedaan. Ik was ondertussen begonnen in de keuken, met de afwas. De tv gaat uit. "mama, ben je nog niet begonnen aan het eten!" ze heeft honger, dat hoor ik , lichtjes kwaad is ze … neen, ik ga nu beginnen, .. kom je me helpen? Hier een wortel, die kan je schillen en in stukjes snijden. Nee, ik wil niet. Ik leg hem op de tafel in de living, met een snijplank en een mes. Uiteindelijk schilt ze hem, … Ik ga de vistaart maken, uit het receptenboek van Jamie Oliver, ‘’zo jong nog!’’ merkt Juliette op, staat hij op de foto op de cover van zijn kookboek. Uiteindelijk helpt Juliette me … Ze pelt de gekookte eieren, ze heeft een lifehack gezien hoe je dat moet doen, een tas met koud water erin om ze te laten afkoelen.. Ik doe verder. Wortel en ui bakken, … waar is de slagroom? Juliette snijdt de vis in reepjes, ze heeft nog niet zoveel kracht in haar pols, gaat moeilijk, dus ik help. Ze plet de aardappelen en dan zetten we de schaal in de oven. Nog een half uurtje… tot 20u25 dus, ze zet de timer. We zitten in de zetel, tafel is gedekt. De timer loopt af. Etenstijd. Jonas moest nog 10 min z’n game afwerken op tv, Fort nite .. Aan tafel. "Mama, het is niet lekker, het is heeel lekker" zegt hij… de sloeber. Een lach op z’n gezicht. Juliette vindt het ook lekker. We genieten. Ondertussen al bijna tijd. Afruimen. De rust van de avond kan beginnen. Om 21u moet Juliette naar boven, zodat ze om 21u30 in haar bed zit, dat is het plan telkens… Ik ga om 21u30 met Jack naar buiten. Richting het restaurant. Veel licht, hoge ramen, ik zie de mensen zitten aan tafel, ontspannen, praten, een groepje komt net naar buiten en neemt met weinig woorden afscheid. Salu. Ik wandel door tot voorbij de caravan die in de tuin staat van een huis verderop. Er brandt licht. De tv is aan. Gordijnen dicht, maar ik kan een glimp van het tv-scherm zien. Een man zit daarbinnen. Ik zie hem soms. Met een vrouw, z’n moeder?, aan tafel, zitten ze, .. Enkel een hek is de afsluiting van de tuin, geen beschutting, je kan binnenkijken, in de tuin, en in het bijgebouw, naast de caravan, waar hij in de winter zit. Ik keer terug. De maan schijnt met een sliert wolken eromheen. Ze is op weg naar vol. Jonas gaat om 22u naar boven. Een zoen. Slaaplekker. De ideale wereld is vanavond, maar eerst nog voetbal. Ik lig in de zetel, val bijna in slaap… Strompel naar boven, oef, eindelijk, zachtjes doe ik de badkamerdeur open en steek het licht aan.  

Hemelszoet
0 0

Vakantiefoto / Center Parcs 1998

Ik ben het kleedhokje nog niet uit of de weeë geur van chloor en frieten draait mijn maag al in een knoop. Ik slik de koffiekoek van vanochtend weer door en wankel me een weg over de glibberige zwembadtegels. Het geroffel van de regen op het glazen dak zwelt aan in een  verwoede poging de kinderstemmen daaronder te smoren. Tevergeefs. De natuur delft wel vaker het onderspit in parken als deze. De bruine bladeren van de tropische planten zijn daar stil getuige van, hun wortels onder de tegelvloer gekneld als Chinese vrouwenvoetjes.   Naarstig nippen mama en papa al aan een moezelwijn bij de bar. Het afval op tafel verraadt de reeds verorberde kaaskroketten.  Voedsel is een mooie uitvlucht om geen woorden in de mond te moeten nemen. Moezelwijnen om wat niet gezegd wordt door te spoelen. Ik plof neer op een van de witte strandstoelen die ze bezet houden. Ilse zit naast me, mokkend ingeduffeld in twee strandlakens. Ze wou eigenlijk al niet mee gaan zwemmen. De buik was te groot en de bikini te klein. Mijn verwoede pogingen om haar van dat idee af te brengen bleven onbeantwoord. Ook de jongste was met haar kinderkleren het spreken ontgroeid.   Ik zak onderuit en maak oogcontact met de clown in het plonsbad. Er spuit water uit zijn oren en een troep kinderen hangt  huilerig aan de glijbaan die zijn buik met de bodem van het badje verbindt. Zijn belachelijk brede grijns trekt de knoop in mijn maag wat strakker. Ik wend mijn blik af. Ondertussen komt ook Daan aangelopen, enthousiast gesticulerend dat de golven in het grote bad weer begonnen zijn. Ik hoor nu pas de sirene galmen die hen aankondigt. “Eerst nog een familiefoto” oppert vader. Zuchtend komt Daan naast mama staan. Papa houdt de camera omgekeerd voor zich uit en telt af.  Op de achtergrond grijnst de clown meewarig mee.    

Fien
39 0

Bestaan is weerstand bieden

Bestaan is weerstand bieden in Bethlehem. Het staat er op de muur geschreven. To exist is to resist. Tegen die muur. Tegen de waardigheid die die muur tracht te ontnemen. Tegen de opkomende wanhoop, het opborrelende cynisme aan  de checkpoints die de lange grijze betonmassa splijten om ze in haar betekenis te bevestigen. Een van twee kanten, twee maten, twee gewichten. Van Wij en zij, van een eigen identiteit die ligt in de negatie van de ander. Bestaan is weerstand bieden. In de vorm van die graffiti die dat grijze vlak breekt, de vorm van woorden die de  ogenschijnlijk zelfverklaarde betekenis van de muur ondergraven. Bestaan is weerstand bieden, tegen de werkelijkheid van alledag, tegen het uitzicht op die muur. Het is het bestaan van de muur in vraag stellen, weigeren ze te zien zoals ze je wordt opgedrongen, mogelijkheden creëren, alternatieven. Bestaan is weerstand bieden tegen de idee dat muren bestaan uit koud beton en groepen scheiden eerder dan creëren.  Bestaan is weerstand bieden tegen de Palestijnen en de Israëli’s in ons denken, tegen de imagoverlagende en respectabele winkels in de binnenstad, tegen profiteurs en harde werkers, tegen monsters die onze waarden ondermijnen en ridders die ze hoog in het vaandel dragen, tegen economische groei en ondergang, tegen waanzin en rede. Bestaan is weerstand bieden tegen de aanname dat categorieën natuurgegevens zijn, tegen de veronderstelling dat muren bestaan uit stenen in plaats van de weerstand die hen bijeen houdt. Bestaan is weerstand bieden. 

Fien
40 1

Ontspoord

Nacht. Een treinstation. Stilte. Enkel het geluid van een kapotte tl-lamp die aan en uit flikkert als een leven dat niet vooruit kan gaan. Vier personen wachten op een trein. Onbekend voor elkaar. Een student markeert in zijn cursus. Hij probeert de nota’s rond Ecce homo van Friedrich Nietzsche te vatten. Geeuwend draait hij de pagina’s om. Sluiks kijkt hij naar een jonge vrouw, overdreven geschminkt, zeer kort gekleed. Haar borsten nauwelijks bedekt. Haar benen overeen geslagen wiebelt zij constant met haar rechtervoet op de maat van haar kauwende mond. Een hoertje, amper negentien, ontvangt de blik van de student, die onmiddellijk terug in zijn cursus duikt. Op haar gezicht verschijnt een glimlach. Een man met de gebroken neus mijmert voor zich uit, denkend aan vroegere overwinningen in de boksring. Nu verlaten door vriend en vijand, ouder geworden, maar nog krachtig, hopend op een comeback. Hij tuurt in de verte zonder echt iets te zien, alleen met zijn gedachten. Wat afgezonderd zit een ontslagen directeur, met zijn handen om zijn hoofd, voorovergebogen. Hij haalt de ontslagbrief uit zijn aktentas en leest nogmaals tekst alsof hij het niet wil geloven. Na een geslaagde carrière van vijfentwintig jaar heeft een drankprobleem hem de das omgedaan. Aan de basis hiervan ligt zijn vrouw, die eruit getrokken is met een jonge minnaar. De student, het hoertje, de ex-bokser en de directeur wachten elk in hun eigen wereldje op de trein. Geen van hen heeft zin om een gesprek aan te knopen. Plots buldert een stem in de verte. “Eindelijk heb ik je gevonden!” Het hoertje krimpt ineen. De stem komt dichterbij. “Wat dacht je? Ik kan in stilte vertrekken. Verdomme, ik heb nog geld van jou te goed.” Het hoertje, starend naar de grond, beschermt zich tegen haar pooier met de armen gekruist. Deze is echter zo kwaad dat hij haar bij de haren vastgrijpt en haar hoofd naar zich toe draait. Hij heft zijn andere hand op en wil haar in het gezicht slaan. De toegesnelde student probeert dit te verhinderen. De pooier keert zich nu tegen de student. Een rake vuistslag legt de jongen tegen de grond. “Sukkel,” tiert de pooier. Nu is het de beurt aan de directeur die met zijn aktentas het hoofd probeert te raken. Een zijdelingse trap van de pooier op de borst is het antwoord. De directeur valt achterover op de grond. De pooier heeft het hoertje bij de keel. “Vuile hoer! Niemand ontsnapt bij mij! Je blijft je lichaam verkopen. Ik ga je plaatsen in een keet waar de klanten iets extremer willen.” Hij sleurt haar recht en sleept haar mee. De ex-bokser verspert hem de weg. “Wat is er, ouwe? Stoer doen?”, tiert de pooier. De ex-bokser haalt uit met zijn linkse, recht op de kin. De pooier laat het meisje los en wankelt. Na een nieuwe vuistslag op zijn rechterwang valt hij met zijn hoofd tegen de betonnen bank. Nog een stuiptrekking en de pooier is dood. De student, de directeur, de ex-bokser en het hoertje kijken elkaar aan. De directeur neemt als eerste het woord: “We moeten het lichaam laten verdwijnen.” “We kunnen hem daar leggen,” roept de student en wijst naar het spoor. Met zijn vieren nemen zij het lijk op en gooien het op de rails, in de nacht onzichtbaar voor de machinisten. In stilte gaan ze terug op hun plaatsen zitten. De tijd verstrijkt en ze horen in de verte de trein naderen. Als de trein stilstaat, stappen de vier personen op, elk naar hun bestemming. Onbekend voor elkaar, maar met een gezamenlijk verleden.

Ludo Herwijn
60 0

Geest, bent u daar?

In de zomermaanden mochten Rob en Jozefien kamperen in een tent die de ouders van het meisje met de sproetjes in hun tuin voor hen opstelden. Met het geluid van de krekels op de achtergrond wrongen ze zich in hun kleine slaapzakjes. Ze maakten er een spelletje van het tentzeil met een zaklantaarn te beschijnen en op die manier figuren te vormen. De ene moest dan raden wat de andere al lichtend had getekend. Soms probeerden ze om samen in één slaapzak te kruipen, maar al snel gaven ze er toch weer de voorkeur aan voldoende ruimte rond hun lichaam te hebben.   Jozefien klom graag in bomen. Ze had het voorrecht dat er een paar grote exemplaren in haar tuin stonden. De takken van de bomen wenkten haar meermaals in hun richting. Vooral de grote wilg riep regelmatig haar naam op het ritme van de wind. Hij vroeg haar zich te nestelen hoog in zijn kruin zodat hij haar kon wiegen en haar lieve woordjes toe kon fluisteren. Lenig als een kat beklom ze zijn takken. Lieflijk als een elfje praatte ze met haar grote vriend en ze fluisterde hem al haar geheimen toe.   Ze waren twee handen op één buik, Jozefien en Rob. Zij met haar vrolijke oogjes en rustige uitstraling, hij met zijn rond brilletje en spierwitte krulletjes. Wanneer ze elkaar een paar dagen niet zagen, voelden ze zich rusteloos, opgelaten, en hadden ze een enorme behoefte om elkaar weer te zien.   Wanneer er andere kinderen uit de buurt meespeelden, hielden ze ervan geesten op te roepen. Een groot blad papier met daarop in een cirkel alle letters van het alfabet werd op een tafel gelegd. In het midden werd een omgekeerd glas geplaatst en twee papiertjes met daarop ‘ja’ en ‘nee’. Iedereen legde de wijsvinger op het glas. Vervolgens werden de geesten aangeroepen door iemand: ‘Geest, bent u daar? Als u daar bent, ga dan naar ja.’ Soms moest deze vraag een aantal keren herhaald worden vooraleer er enige reactie kwam. Iedereen moest zich erg hard concentreren en lachen was uit den boze. Met geesten diende immers niet gesold te worden. Na enige tijd bewoog het glas zich langzaam richting ‘ja’. ‘Bent u een goede geest?’ Indien het glas zich dan naar ‘nee’ bewoog, werd de verbinding abrupt verbroken. Indien het glas zich naar ‘ja’ bewoog en het een goede geest betrof, kon elk kind een vraag stellen aan de geest waarop de geest kon antwoorden door het glas van letter naar letter te bewegen. Om te verhinderen dat één van de kinderen stiekem voor geest speelde en het glas moedwillig in een bepaalde richting stuurde, moest iedereen om de beurt zijn vinger even van het glas halen. Als de geest dan nog steeds antwoord gaf op de vragen, hadden de kinderen te maken met een echte geest. Indien het glas plots stopte met bewegen nadat één kind zijn vinger ervan had gehaald, werd dat kind ontmaskerd als valse geest en saboteur en werd het door Jozefien, die dit alles erg serieus nam, de les gespeld.   Toen ze op een keer Rob ontmaskerde als valsspeler, was Jozefien erg ontgoocheld en sprak ze gedurende een week niet meer tegen hem. Het duurde tot Rob zijn welgemeende excuses aanbood en haar beloofde vanaf dan nooit meer zo’n ongehoord gedrag te stellen. Toen één van de geesten op een keer ‘ja’ had geantwoord op de vraag ‘Kan je door onze kleren heen kijken?’, ze vervolgens een nieuwe beter gemanierde geest hadden opgeroepen en deze telkens opnieuw het woord ‘dood’ vormde, hadden een aantal kinderen de schrik zo hevig te pakken gekregen dat de pogingen van Jozefien om na dat incident nog opnieuw geesten op te roepen allemaal tevergeefs waren. De kinderen uit de buurt kozen voortaan voor andere spelletjes, zoals ‘één twee drie piano’ of ‘schipper mag ik overvaren’, omdat deze veiliger en minder griezelig waren. Ook de twee oudere buurmeisjes die vaak de spelletjes leidden op het grasveld op de hoek van de straat waren gekant tegen het oproepen van geesten. Niet omdat het griezelig en onveilig was, maar omdat het heidens was. De twee oudere buurmeisjes waren immers erg gelovig. Ze geloofden in de leer van Jezus Christus en geloofden dat er maar één Heilige Geest bestond. Die Heilige Geest kon niet opgeroepen worden. Je kon Hem enkel indachtig zijn in je gebeden.

Aline
27 0