Lezen

Naaktmodel

Toen ik student was, verkeerde ik eeuwig in geldnood. Ik was altijd op zoek  naar een manier  om snel geld te verdienen.   Op een dag viel mijn oog op een bijzondere advertentie op het prikbord van de universiteit.   Tussen de ijskasten, de stoelen,  de tafels, de boeken, de computers die als aangespoelde spullen  wachtten om meegenomen te worden door strandjuttende studenten, op een vervuild strand van zachtboard, leek de advertentie op een kwal die kon bijten en gevaarlijk was.   Men zocht naar naaktmodellen leeftijd, kleur, lichaamsvorm  deden er niet toe. Als enige vereiste gold: naakt.   Ik slikte. Ik was niet het type dat het naaktstrand bezoekt om zich lekker in zijn vel te voelen. Ik was meer het type dat los komt in een verscholen hoekje van een donker café, helemaal achterin, uit het zicht van iedereen. Om me uit mijn kleren  te krijgen moest je me stomdronken voeren.   Ik stelde me Eva voor die naakt is. Zonder Adam, vijgenblad en slang. Het was winter.  Ik had nog nooit afbeeldingen gezien van het paradijs in de sneeuw. In het paradijs zoals ik die kende, scheen altijd de zon en was  alles groen.   Het was winter.  Buiten, op de takken van de bomen  lag een dun laagje sneeuw.  Alsof een kleuter met witte stift bezig was geweest.  Hij was niet binnen de lijntjes gebleven.   Eva in de winter. Ik stelde me koude tenen voor. Hete lucht blazen in de schelp van  mijn handen als enige verwarming.  Een handdoek om mijn schouders, in de pauze.  Een kop koffie met melk, suiker en geile blikken. Wilde ik wel zo’n Eva zijn?     Toen ik zag hoeveel Eva’s  vandaag de dag verdienen, 50 gulden voor drie uur poseren, belde ik snel het tien cijferig nummer van het paradijs op aarde.   Ik was te slotte geen moderne Odysseus die zich aan een bibliotheek stoel  laat vastbinden of zijn oren dicht  laat stoppen met kneedbare oordopjes. Voor het royale bedrag van 50 gulden, in bier heel veel glazen en meters schuim, kon ik de lokroep van een groepje amateurkunstenaars niet weerstaan.   (wordt vervolgd)                                        

Margaretha Juta
76 0

32

Ik ben nog steeds bang. Ik ben altijd bang. Mijn leven is nu al een tijdje een beetje te mooi om waar te zijn. Ik ben bang dat dat zal stoppen, dat ik terug die helse pijn ga voelen als Nick van me weggaat.    De ene dag gaat het al wat beter dan de andere. Nu voel ik me al 3 dagen ongemakkelijk. Ik heb het gevoel dat er iets mis is. Nick laat niets zien dus waarschijnlijk maak ik mezelf gewoon zot, maar wat als er echt iets is? Ik kan het niet aan om hem te verliezen. Echt niet.    Ik ben bang dat ik zelfmoord ga willen plegen. Nu al, terwijl alles eigenlijk nog perfect is. Het is die perfectie die me doet beseffen hoe anders imperfectie is, hoeveel pijnlijker. Het is zoals ze zeggen, als je nooit ongeluk hebt gehad, dan kan je nooit echt weten wat het is om gelukkig te zijn. Want je weet niet hoe het anders kan. Ik weet dat wel. Ik weet hoeveel pijn het doet om iemand te verliezen die je zielsgraag ziet. Laat me dat niet nog eens voelen. Alsjeblieft.    Ik ben graag rechtuit als ik schrijf. Ik denk dat ik dat kan omdat ik niet weet wie mijn teksten leest en of ze zelfs gelezen worden. Dat hoeft ook niet van mij, ik ben al lang blij met een leeg document en een toetsenbord. Niemand hoeft te horen hoe moeilijk ik het mezelf soms maak. Hoe zot ik word van mijn eigen gedachten. Hoe ik ernaar verlang eens 1 dag zonder die storende gedachten in mijn hoofd te leven.    Geef me even de ruimte om neer te schrijven waar ik van genoten heb de laatste tijd.  Ik geniet van elke keer dat Nick naar me lacht, me een kusje geeft, me knuffelt. Ik geniet van het warme weer en hoe bruin mijn vel ondertussen al is geworden. Ik geniet van het besef dat ik het veel beter heb dan sommige anderen. Ik geniet van voelen dat ik graag gezien word. Ik geniet van een weekendje aan zee, waarop het leven even stil lijkt te staan. Ik geniet van gezellige avonden voor tv, onder een dekentje, in zijn armen. Ik geniet van wakker worden zonder een wekker te moeten zetten. Ik geniet van voelen dat ik leef.   Alles doet pijn. 

Layla Clarke
0 0

MIJN HERSENS KRAKEN VAN ONGELOOF EN VERWARRING!

Kan het, dat je hersens kraken van ongeloof? Dat je ze voelt knarsen en piepen van verwarring? Waardoor,  zullen jullie vragen. Door heel veel, door bijna alles wat er vandaag de dag gebeurt. Zie ik het verkeerd? Of word ik zo’n chagrijnige oude zeur die niet meer mee is? Heel der steden en natuurparken kreunen onder het massatoerisme. De vakantiegangers die vroeger met open armen ontvangen werden, die geld in het laatje brachten, worden nu overal geweerd. Een nieuw soort klootjesvolktoerist is opgestaan en loopt zonder enig respect over de wandeldijken en de ramblas. Normen en waarden worden lallend en comazuipend weggewuifd. Dronken en neukende ettertjes vernietigen de horeca op Mallorca. Reusachtig grote cruiseschepen spuwen hun duizenden opvarenden, als een plaag spreeuwen, door de kanaaltjes van Venetië. Toeristen gaan met elkaar op de vuist omdat ze geen selfie kunnen maken voor de Trevifontein in Rome. Wandelpaden worden afgesloten omdat we massaal op hetzelfde ogenblik een selfie op een uitstekende rots op een Noorse fjord willen maken. Meer dan 20 kinderen verdronken in Duitsland omdat hun ouders meer oog hadden voor  hun smartphone dan voor hun  kopje onder gaande kroost. Idioten maken video’s terwijl ze uit hun rijdende auto’s springen en zingend naast hun wagen lopen, die als een ongecontroleerd projectiel recht op een tegenligger of een boom afdendert. Een hype circuleert op het internet, dat je er bij hoort, als je een emmer kokend water over je kop uitgiet. En het ergste van al is, dat er halfgaren zijn, met een herseninhoud van een mierentepel die dit blindelings volgen. Waarom beginnen sommige onverdraagzame haantjes terug homo’s in elkaar te slaan? Wie volgt die vloggers, die dagelijks vertellen, waar en wat ze gegeten en gedronken hebben, welke rommel ze aan hun gezicht smeren? Wie interesseert dit? Waarvoor, voor wie? Wie houdt er zich allemaal bezig met zulke waanzin.  Iedereen lijkt wel krankzinnig geworden. Zit er misschien teveel cocaïne in ons drinkwater? Hangt er iets meer in de lucht dan de CO2 die de lage emissiezone er probeert uit te filteren? Glijden we terug af naar onderontwikkeling?Wat is er aan de hand met iedereen op deze overbevolkte planeet? Meer dan 1000 kinderen misbruikt door honderden priesters in de VS? Pennsylvania, sprake van “systematische doofpot”. Denken wij nu echt dat dit pedofiele misbruik stopt aan de buitengrens van Pennsylvania?  Als jullie de baby over het doopvont houden, bekijken jullie dan mijnheer pastoor al niet een beetje argwanend. Misschien heeft die, op het moment dat hij het water over het kind uitgiet, al hitsige gedachten. Brengen jullie de toekomstige eerste communie kandidaatjes nog met een gerust hart naar de catechesepastoor?  Ze zijn dan juist van leeftijd! Misschien heeft mijnheer pastoor zich al wat opgewarmd met naar een blote Venus van Botticelli of naar wat sappige engeltjes te loeren. Of geraakt die geestelijke dagelijks al wat opgewonden als hij die blote Jezus, met alleen zijn schaamlapje aan, op zo’n beetje sado masochistische manier aan het kruis ziet hangen.  En al die grijze en kale kerkgangers, die op zondagochtend nog naar de katholieke misviering gaan, luisteren jullie nog naar die pastoor, die jokkebrokkend vertelt dat hij een directe lijn met God heeft? Aanhoren jullie nog allemaal dat pastoorsgeleuter en dat kazuivel- modefats- gezwets, die met een vermanend vingertje naar de gelovigen, over de zondaars vertellen die hun goddelijke overtredingen bij hen zouden moeten komen opbiechten? Gaat er dan misschien niet ergens tijdens zo’n misviering een flits door jullie geïndoctrineerde hoofden, dat die predikant misschien met zijn katholieke fikken aan jullie klein- of achterkleinkinderen gezeten heeft? En dan, door de jaren heen, pausen die de voeten van de zondaars gingen wassen maar met de christelijke arm der liefde de pedofilie verhalen in de grote kerkelijke doofpot lieten verdwijnen! In plaats dat Sinterklaas in zijn grote boek alle namen van stoute kindjes zou bijhouden, zouden wij beter de namen van de pedofiele geestelijken neerpennen. In de naam van de vader, liefst de zo jong mogelijke zoon, en de heilige geest, amen. Ik blijf erbij, mannen met denkbeeldige vriendjes zijn een gevaar voor de ganse planeet. Als een Turkse regeringsleider een uitspraak durft doen als: “Jullie hebben Trump en de dollar, wij hebben Allah!”dan schort er duidelijk iets aan die man zijn bovenkamer. Moet zo’n gestoorde man niet in de gaten gehouden worden? Voor we het weten denkt hij dat hij Napoleon, Osman I of Mohammed zelf is. Dan prefereer ik toch een Trump, die als een olifant in een porseleinkast rond baggert en al zijn stommiteiten op zijn medewerkers afreageert, dan zo’n klojo die zijn bevolking wijsmaakt dat ze hun goud, euro’s en dollars tegen lira’s moeten inwisselen. En bovenal dat zijn imaginaire kompaan de boel wel gaat oplossen. Mijn hersens kraken nog steeds van ongeloof en verontwaardiging. Met religies niets dan last en zever. Ik word oud… Sim, Edegem 16/8/2018

Sim
499 0

WE ARE BELGIUM!

Door omstandigheden, zijn wij in juni, op een camping aan de Belgische kust beland. Het was zo’n twintig jaar geleden dat wij nog op een camping aan zee gekampeerd hadden. De campings waren uitgegroeid tot abnormaal grote bungalowparken. Als je optrekje helemaal achteraan op zo’n camping stond, kon je al snel niet meer spreken van ‘mijn adresje aan zee’, maar van mijn vierkante meter grond ergens in de polders. Als je op de brug over de kustweg stond en je keek in de verte naar de verkavelingen dan zag je, zo ver het oog reikte, witte caravans-  stacaravans-  bungalows- chalets- en namaak vissershuisjes- daken die op een meter van elkaar bij elkaar gepropt stonden Vanaf die hoogte leek zo’n bungalowpark op een illegalen-, asielzoekerskamp. Naargelang het soort verkaveling kan je de financiële draagkracht van de chaleteigenaars bepalen en zie je dat ook gewoon zeezoekers hun stukje paradijs aan de kust verworven hebben. Maar op zo’n doorsnee door de jaren uitgegroeide camping, als waar wij nu staan, wil je in de maanden juli en augustus toch geen vakantie vieren!  Na de Belgische zomermeimaand leek de herfst vroegtijdig ingetreden. Het was jeansbroeken- dikke truien- en windjackenweer. Het was tijdens de week abnormaal rustig aan zee. Alle bungalowtjes en staancaravans stonden er wat verlaten bij. Het toercampingveldje lag gelukkig wat afgezonderd van de weekendhuisjes. We hoorden gisteren op de televisie dat de doorsnee intelligentie bij de meeste mensen geboren na de jaren 1975 er duidelijk op achteruit gegaan is. Maar als je eens goed rond je kijkt, werden er volgens ons een bepaalde groep mensen van voor ‘75  duidelijk ook niet met een ruim stel hersens bedeeld. We verkenden de camping en stonden versteld hoe een volkje het simpele kinderniveau blijkbaar nog steeds niet overstegen was. Op de twee vierkante meter gras voor hun chalet stonden Sneeuwwitje en de 50 dwergen. De stacaravan ernaast wou niet onderdoen en had drie plaasteren eenden en een stenen hond in het voorhofje gezet. De volgende buur had twee grote stenen leeuwen aan de deur geplaatst die voor het wereldkampioenschap voetbal versierd waren met rode duivelhorentjes en een chalet verder zwiepten driekleurige molentjes hun wieken in de westenwind.  Maar op vrijdagavond en zaterdagmorgen ging de slagboom van de camping continu op en neer, want dan kwamen de vaste jaarcampinggasten massaal naar hun ‘huis’ aan zee. Toeterend kwamen ze, met zwart-geel-rode condooms over hun zijspiegels en flapperende driekleurwimpels de camping opgedraaid. Je verwachtte dan dat er zo’n stoer haantje in de auto zat, maar achter het stuur zat een oude rokende sassa. Terwijl de voetbalfreakman aan de stacaravan de Belgische vlag omhoog hees en voor de ramen en aan de afsluiting de Jupiler- reclame- Rode Duivels vlaggen drapeerde, sleurde een vrouw, met schouderlange uitgerafelde zwarte Lola haren, nijlpaardformaatbillen en gekleed in een veelkleurige terlenca jurk, een zeppelinworsthondje uit de auto. De kleine keffende, kwijlende en veel te dikke gedrochtjes werden in een hondenkinderwagen gedropt, duidelijk een nieuwe hype aan de Belgische kust. De campingvrouwen dweilden met hun hondenbuggy over de camping. De viervoeters werden als kinderen toegesproken en vertroeteld. Een hond had zelfs een bain de soleil aan en een andere had een mini rode duivelspet op. Nog nooit zagen wij honden zieliger en ongelukkiger kijken. Zowel honden als vrouwtjes klaar voor de psychiater. Manlief kon het niet laten en vroeg aan een duidelijk beschaamde man, die naast zijn vrouw zo’n kinderwagen voortduwde, of het niet spijtig was dat hun hondjes geen pootjes hadden en vroeg of dat dit misschien een nieuw soort ras was. Zaterdagochtend begonnen de jaarkampeerders één na één, hun vierkante meter gras te maaien. Overal hoorde je de machientjes en de hondjes kabaal maken. Voor een passerende buitenlandse toerist is er momenteel geen twijfel mogelijk. De Belgische driekleur wappert je vanaf de autostrade, langs de dorpsstraten, vanaf de torenhoge zeedijkappartementen, in de etalages, hotels en cafés overal tegemoet. WE ARE BELGIUM! De Belg had eventjes geen aandacht meer voor de op de Middellandse Zee verdronken en ronddobberende hooggekwalificeerde zwarte toekomstige leefloners. De Belg werd niet meer warm of koud van de klimaatopwarming. Het zou de Belg deze weken worst wezen dat zo’n vier miljoen Turken in Europa voor hun grote Turkse leider gingen stemmen. De Belg was een maand niet meer verontwaardigd over de onterechte geldstromen van Vlaanderen naar de Walen want Koning voetbal is weer in het land. Soms gewoon leuk, maar meestal compleet krankzinnig.  Het is tenslotte een spelletje met een bal, miljardentransfers en met heel veel geluk. Waarom is een WK voetbal voor de meeste mensen elke keer toch zo leuk? Omdat zelfs simpele  marginalen, jonge hitsige pubers, suffe opaatjes, fanatieke huisvrouwtjes en  hooggekwalificeerde voetbalfans eendrachtig zij aan zij supporteren. Langs de zijlijn geven ze elk hun eigen commentaar. Als de Rode Duivels maandag verliezen, dan kunnen ze allemaal één voor één uitleggen waar het mis ging. Waarom die spits die bal juist op de paal pleurde, of dat het volgens hen geen buitenspel was want dat de scheidsrechter een pel op zijn oog had of duidelijk omgekocht was. Dat het niet een gele maar een rode kaart moest zijn. We are Belgium, we are red! En allemaal hebben deze voetbalsupporters het grootste gelijk. In de aanloop van zo’n wereldkampioenschap wordt de massa al maandenlang op voorhand opgehitst. De voetbalgekte slaat toe en er worden met bakken bier, wimpels, mutsen, pruiken, sjaals en vlaggen uitgedeeld. Jupiler bier heet ineens geen Jupiler meer, maar noemt zich nu Belgium…We are Belgium.  Kinderen krijgen in de supermarkten plakboeken en wisselen Panini-voetbalstickers uit. Wekenlange op voorhand wordt er gediscussieerd over het Rode Duivels voetballied, het wel of niet meenemen van Naigolan of over de blessures van Kompany. Samen juichen, samen goal roepen, samen zingen, samen drinken en samen de boel afbreken. Gek hoe dubbel het kan zijn, dat mensen die vorige weken stakend achter de rode linkse vlag aanhuppelden en riepen dat de rijken moesten betalen, zich nu zonder problemen vergapen aan miljonairtjes die achter een bal aanlopen? Voetballertjes die gezwind zo’n Euro 400.000 per week verdienen! Geld dat jan modaal zijn hele leven niet bij elkaar gespaard krijgt. De nieuwe generatie brood en spelen gladiatoren, die als het even kan, met hun centen in Monaco of Panama zitten om de fiscus te ontlopen. In plaats dat ze mee het begrotingsgat vullen, zitten ze eigenlijk in de zakken van de belastingbetaler, dus in onze geldbeugel.  Ook manlief zal maandagnamiddag, als de Rode Duivels hun eerste match moeten spelen, niet voor het tv scherm in de caravan weg te branden zijn. En dan heb je nog na elke match het oeverloze panelgeleuter en het uitmelken in allerlei napraat- en ontleedtelevisieprogramma’s van de beste voetbalstuurlui aan wal. Het is slecht weer aan de kust en de kampeerders exodus komt al vroeg in de namiddag op gang. Terug richting huis, naar de grootbeeld televisie, naar de eigen sofa, het Belgium-Jupiler bier binnen handbereik of naar de kroeg waar zij weer met zijn allen uit hun dak kunnen gaan. De vlaggen en wimpels laten ze hangen tot volgende week, of totdat de duivels eruit geflikkerd worden of misschien tot de finale op 15 juli! Gelukkig moet ik maandag, als de camping weer leeggelopen is, het dronken geschreeuw van die zwart, geel, rood carnavaleske verklede dikbuiken met horentjes op hun kletskop, madammen met driekleur sjaals en mutsen op en de bijbehorende toeters en bellen op de camping niet aanhoren. Neem het van mij aan : Als je, in de weekend, de doorsnee ‘Belgische vaste staander kampeerder’ over deze camping ziet dwalen, dan lijkt het voor ons klontjesklaar: Het is duidelijk het voorspel van het einde van een beschaving.   Sim, 17 juni 2018, Belgische kust, Wenduinen

Sim
0 0

WAT RIJMT ER OP STENT EN EEN FLUITJE VAN EEN CENT

Als op zaterdagochtend om 10 uur de telefoon rinkelt en ik manlief vanaf het Universitair Ziekenhuis hoor zeggen, dat onze auto gestolen is, nijpen mijn darmen bij elkaar en moet ik de voorstuwende stressdiarree terug naar boven duwen. Er is hoegenaamd geen tijd om eerst die zenuwbagger te lozen. Ik sommeer manlief dat hij moet blijven staan waar hij staat en dat ik onmiddellijk zijn richting uit kom gelopen. Gelukkig is het hospitaal maar een viertal straten bij ons verwijderd, dus hinkel ik de trappen af, schiet in mijn sandalen, negeer mijn opborrelende darmen en ren mij nog half aankledend de straat uit…. Wat vooraf ging! Nadat we in de helft van maart van Tenerife terug thuis kwamen, sloeg de vakantiestemming onmiddellijk om. Niet alleen was er hier nog geen spriet zon te bespeuren, was het nog winterskoud en klaagde manlief van een knijpende druk in de borstkas als hij in dit Vlaamse winterklimaat een wandelingetje wou maken. Het zou wel verdwijnen als de temperaturen wat omhoog gingen … Zoals alle vrouwen stilaan weten, komt een man met een handleiding. Alles gaat volgens hen vanzelf wel over, als je maar lang genoeg wacht! Niet dus.. Ik stuurde manlief dus zonder pardon richting kliniek en na controle bleek dat hij angina pectoris had, een toe geslipte ader.  ‘Dus, mijnheer Vercauteren, het is nu woensdag,  komt U vrijdagochtend zo vroeg mogelijk eventjes binnen. Voor ons dokters is dit ondertussen een routineklusje. Wij dotterden of steken een stent langs de lies of via de pols. U blijft een nachtje over en zaterdagochtend bent U weer een nieuwe, piesofkeek.’ Zal wel.. Alle hulp van vrienden of buren om hem naar het ziekenhuis en terug naar huis te brengen werden door manlief koppig geweigerd. Hij ging zelf met de eigen wagen naar de UZA en zou zelf die vier straten terug naar huis rijden. Ook mocht ik van hem, omdat ik al jaren niet meer gereden had de auto niet terug thuis zetten. Dus die ene nacht kon onze wagen gerust langs de baan blijven staan. Donderdag hoorde ik rare geluiden in de badkamer. Toen ik de deur opende, viel ik midden in een SM scène. Manlief die met een been op het bad stond en met een tondeuze kreunend in zijn lies zijn schaamhaar uitroeide. ‘Maar schatteke toch, dat doen ze toch in de kliniek!’ ‘Nee, de boel moet er op voorhand af, aan mijn lijf geen polonaise!’. ‘Maar schat, er bestaat zoiets als ontharingscrème, op 3 tot 6 minuutjes kan je alle haar wegschrapen. Kom ga op het bed liggen’. Terwijl ik de crème overvloedig aanbracht, zei manlief dat het net slagroom leek. ‘Schatteke, nu moet je je niet teveel in een seksscène inleven, je stent zit er nog niet in hoor!’ Manlief bleef met een brede glimlach op het bed liggen en na een 6 tal minuten werd zo’n grijze Fellaini krullenbol zonder teveel problemen in een blinkende kale knikker Kojakcoupe herschapen. (Voor de generatie die Kojak niet meer kent: Kojak was een kale Mister Proper look -alike politieagent in een jaren 70 feuilleton.) Fluitje van een cent. En inderdaad wat er na de grote ‘schaamhaarverwijderaarstruuk’ overschoot..fluitje van een…. Dus manlief vrijdagochtend heel vroeg met de eigen wagen richting ziekenhuis. In de voormiddag al een telefoontje: ‘De operatie was al gedaan, de stent steekt er in en moet je nu eens iets weten, ze hebben het verdorie langs de pols gedaan, lig ik hier nu met mijn blote kl…!’ Tijdens het namiddag bezoekuur opperde ik nog om alsnog onze vrienden te contacteren om hem af te halen, maar steenezelig hield manlief vol, dat hij niets meer wist van de verdoving en dat hij zelf naar huis ging komen. Ik moest hem op zaterdag zelfs niet tegemoet komen…hij voelde zich als herboren! Dus eventjes opnieuw: Op zaterdagochtend rinkelde om 10 uur de telefoon en hoorde ik manlief vanaf het Universitair Ziekenhuis zeggen, dat onze auto gestolen was. Mijn darmen borrelden en ik  moest de voorstuwende stressdiarree terug naar boven duwen. Er was hoegenaamd geen tijd om eerst die zenuwbagger te lozen. Ik sommeerde manlief dat hij moet blijven staan waar hij stond, dat ik ofwel een taxi zou bellen of onze vrienden waarschuwen en dat ik onmiddellijk zijn richting zou komen gelopen. Gelukkig is het hospitaal maar een viertal straten bij ons verwijderd, dus hinkelde ik de trappen af, schoot in mijn sandalen en rende, mij nog half aankledend, de straat uit…Onze vrienden jammerden samen met mij, dat het de dag van vandaag toch wel schandalig is! Het moest toch weer eens lukken, nu die auto voor één nachtje onbemand op straat stond, wat gingen we nu doen, want we hadden onze wagen nodig om de caravan te trekken. Pech, pech, ze zouden onmiddellijk in hun auto springen en richting UZA komen. Ik was nog geen halve straat uitgesprint of de smartphone ging opnieuw. ‘Schatteke, heumm, heu, sorry, ik was verkeerd, onze auto staat er nog wel hoor, ik zag hem eerst niet staan, hij stond in de schaduw onder een boom en ik vond dat dit niet op de kleur van onze wagen leek …bel de hulpvrienden maar af.’  Ik had waarschijnlijk toen manlief naar het hospitaal verdween de mannenhandleiding niet goed genoeg bestudeerd en terwijl ik op de pot de zenuwen uit mijn lijf scheet dacht ik nog: ‘Dus wat rijmt er godverdomme op stent of op een fluitje van een cent…juist een chaotische, geopereerde, koppige vent! ‘   Sim, 14 juni 2018, Belgische kust, slecht weer Wenduine

Sim
56 1

Boodschap

Meneer de Bruin meldt zich. Ik kijk op de wekker.  Het is nog vroeg. Ik schuif het gordijn wat opzij.  Buiten is het donker. De zon ligt nog met haar hoofd onder haar dekbed van dons. De kapotte straatlantaarn  knippert met zijn ogen. Hij slaapt ook nog. Ik doe het gordijn weer dicht. En sla het dekbed van me af.   Beneden vind ik mijn pantoffels. Ze slaapwandelen in de gang. De poes is aan het ontbijten. Onder de kapstok en de jassen. Ze breekt met haar tanden de brokjes zalm tot gruis.   De geur maakt me misselijk. Als ze klaar is, neemt ze nog een paar slokken Van het water van gisteren. Alsof de ochtendmis begint. Dan verdwijnt ze in de kattenbak met haar staart op ‘bezet’.   Ik stap in mijn eigen poepbak. ‘Hoi bleke jongen met de bril die steeds van je neus schuift.’ Mijn ochtendhumeur krijgt  geen respons.  Ik ga zitten. ‘Wat zal het vandaag zijn?’ ‘Twee ons worst.’ Ik kom op dreef. ‘Ik heb zelfgemaakte bloedworst.’ ‘Doe maar gewone worst.’  ‘Komt voor elkaar.’ Ik legt een grote worst  op een dun velletje papier. De bril leest het gewicht af. Tweehonderd dertig gram.  ‘Mag het ook iets meer zijn?’ Meer?  Ik vreet toch geen papier? Ik trek door. Mijn worst wordt ingepakt.   Ik doe de deur open. Poes komt aan me ruiken. ‘Je stinkt uit je bek.’ Ze laat zich niet wegjagen. ’Je eet teveel brokjes.’ Ik pak haar staart. Ze rent bang weg.   Mijn maag knort. Ik heb honger. Ik wil wat eten voor ik weer naar bed ga. Ik slof naar de keuken. Ik trek de deur van de koelkast open. Het lampje springt aan. Ik stel me voor dat de zon ook zo aanspringt als ik  de voordeur opendoe. Dat zou koel zijn.   Ik pak een plak kaas. Ik rol hem op. Als een sigaret. Ik steek hem in mijn mond. Op tafel ligt een leeg, verfrommeld pakje. Roken is dodelijk. Ik draai het pakje de nek om. Pakjes horen niet te praten.   Ik zucht. Ik sluit de deur. De ijskast bromt als een kind dat niet wil slapen. Ik ga weer naar boven. Ik parkeer mijn sloffen in de sloffengarage onder bed. Ik ga op bed liggen. Poes gaat op mij liggen. Ik zet haar staart op ‘vrij’ en sluit mijn ogen.                      

Margaretha Juta
1 0

De dag dat mensen boeken schreven

Er was koffie in de perculator. Verzuchting walmde boven de pot. Ik herinnerde mij een schoorsteen boven een winteravond.   We bogen ons over iedere tas. Kinderen over de rand van een put kennen geen gevaar. Onze ogen kruistten de tafel. Vroeger keilden we een steentje over de poel.   Melk droop uit het brik. “Een fontein boven stilstaand water.” Ik heb de prostaat van een oude man.   Het was zomer. Ons voorhoofd druppelde. Ik herinnerde mij hoe hartstocht zichtbaar werd aan een winterraam. Liefde werd breed uitgesmeerd.   Mijn boterham was doorlegen en het bed onbeslapen. Er vormde zich een zoete korst rond mijn levensvragen. Toch had ik nooit een ontbijt gehad.   Het bestek op de kar was uitgeput. Mes en vork pootje baadden in de vaat. Er was koffie in de perculator.   Suiker bood een klontje troost. Ik herinnerde mij je parelmoeren krans over een zwart deken.   Vliegen waren bevlogen. Er was de belofte van confituur. Ik volgde het spoor van de mieren naar een betere wereld.   De zon werd een ongenodigde gast. De bovenlucht weerstond de tranen, ondersteunde de schouders van een dronkelap.   Je had het schuim boven je lippen, de etenresten tussen je tanden. Je had werkelijk alles mee. “Daaronder het begin van een lach.” Lag het aan mijn melksnor of mezelf?   Ik zag je graag bezig in de keuken of onder de mensen, terwijl je worstelde met de krant. Je verknipte graag de werkelijkheid tot ze weer verbeelding werd.   Ook toen al zat er meer in dan gewoon dat. Er was nog niets verkeerds aan de gedachte. Het was nog niet dat alles beter kon, dat ik je wel beter kon omschrijven.   Niemand dacht aan morgen, niemand liet zijn slaap voor een ander, voor wat het was. Een mens had wel grotere zorgen. “Overmorgen en ik ga naar huis.” Niemand die wist of je eigenlijk al moeder was.   Je droeg je haren als een pruik en al wat er nog meer in dat hoofd verborgen zat. Toch lachtte je vriendelijk terug. Er was nog geen verzet, nog geen krimp onder de ogen.   Op een goeiemorgen was het nog wachten tot de zomer, dan sneed je je haren en verwelkomde de zonnestralen. Toen werden de dagen korter.   Ik zag de tijd op het grasveld verstrijken, niemand die er paal of perk aan stelde. Te veel werd hier op zijn beloop gelaten. Verdriet krijst als een kind wanneer men het niet te eten geeft.   Toch waren we hier goed ontvangen, soldaten terug van een verloren strijd. Niemand liet iets merken. Een ogenblik was genoeg.   Sommigen verkochtten zich als antagonisten van het eigen verhaal. Hier werden wonderen verricht. Er waren aan het bed gekluisterde mannen die terug konden staan. Niemand die een wetenschappelijke verklaring voor jouw hypnose had. “Laat het begaan, laat de kleuren in de wereld verder bestaan.”   Toen de zon verduisterde, viel de nacht in herhaling.   Er verdwenen veel dingen op de dag dat mensen boeken schreven. Iedereen begon wel eens graag met een schone lei. Er was koffie in de perculator.

Robijn Bodijn
25 0

De bekende onbekende

Soms denk ik dat ik jou zie lopen. In een drukke winkelstraat of op een treinperron. Met je terugdeinzende haarlijn en je linkerbeen dat soms wat mankte. Je was eigenlijk niet eens zo perfect.Ik herinner me mijn afscheid nog levendig. Mijn afscheid, want jij was nergens te bespeuren. Je was die dag boos om iets stoms. Zo stom dat ik er nooit van zei dat het me speet, omdat spijt de situatie een complexiteit zou hebben gegeven die ze niet verdiende. En omdat ik ook wel eens recht had op een slechte dag. Dat was niet alleen jouw voorrecht. Hoe moet ik nu reageren als ik jou onverwacht tegen het lijf zou lopen?Loop ik dan gewoon voorbij, als een leven dat het jouwe toevallig kruist? Alsof we nooit samen plannen hebben gesmeed, waarvan we beiden wisten dat ze in een ander leven thuishoorden. Alsof we nooit hebben gelachen om de dingen die niemand anders begreep? Alsof we nooit langs het water struinden, luisterend naar elkaars verhalen. Ik met de tranen, jij met de zakdoeken.Die herinneringen zijn nochtans gemaakt. Daar kan je nu toch niet meer om heen? Ze ontkennen, zou willen zeggen dat onze ‘wij’ nooit heeft bestaan.Veel liever zou ik me ook herinneren hoe we ‘Tot ziens’ zouden hebben gezegd. Letterlijk: tot op het moment dat we elkaar weer zouden zien. Al wisten we beiden dat dat moment er waarschijnlijk nooit zou komen.Moet ik dan de tijd vergeten die we als ‘wij’ spendeerden?Dat is eigenlijk wat ik jou nog het liefst als laatste wil zeggen: dat je nu de herinnering bent die ik misschien liever niet had willen hebben, terwijl je ooit de herinnering was die ik zo graag wilde behouden.

Ans DB
0 0

Aangename kennismaking

Ze herinnerde zich nog goed de avond waarop zij en Thijs elkaar voor het eerst zagen.   Een amusante glimlach was op haar gelaat verschenen toen ze hem binnen had zien komen in haar geliefde café waar toen nog naar hartenlust binnen gerookt mocht worden.   Zijn pruik stond scheef en zijn lange vrouwenkleed was vurig rood. Hij zette zijn bril wat rechter en trok zijn kleed goed voor hij zich neerplofte op de barkruk en een frisse pint bestelde. Het gezelschap waarin ze vertoefde leek aan kleur en helderheid in te boeten nu deze verschijning aan de toog had plaats genomen. Ze dronk snel het laatste bodempje van haar glas rode wijn leeg om in de buurt van de verklede man een nieuw glas te kunnen bestellen. Hoewel hij verre van mooi was, intrigeerde hij haar. Zijn nonchalance en grappige manier van doen wekten haar nieuwsgierigheid en deden een bruisend verlangen in haar opwellen. Ze verontschuldigde zich bij haar vrienden en liep langzaam in de richting van de mysterieuze onbekende.   Ze ging naast hem aan de toog staan tussen twee barkrukken in. Voor ze de aandacht van de barman probeerde te trekken om haar bestelling door te geven, wendde ze zich naar de jongeman naast haar. ‘Uw pruik staat scheef. Zal ik ze terug wat rechter zetten?’ Geprikkeld en geamuseerd keek hij haar aan. ‘Graag.’ zei hij en hij genoot van de manier waarop deze jongedame ongegeneerd en met opperste concentratie de asblonde pruik die hij uit de verkleedkoffer van zijn oma had opgedist, weer op haar plaats schoof.   ‘Vandaag is mijn naam Georgette by the way. Wie ben jij?’ voegde hij eraan toe. Even aarzelde Emma. Zou ze hem naar zijn echte naam vragen of zou ze het spelletje een tijdje meespelen? Ze koos de tweede optie. ‘Mijn naam is Emma. Dat kleedje staat u beeldig, Georgette. Het accentueert uw bierbuik en platte boezem zo mooi.’ Ze probeerde het zo oprecht mogelijk te laten klinken en haar lachspieren onder controle te houden. ‘Ja, ik weet het’, zei Georgette die zijn stem voor de gelegenheid wat hoger deed uitvallen, ‘ik heb dat compliment vandaag al een paar keer gekregen.’ En hij knipperde op zeer verleidelijke wijze met zijn donkere ogen die achter twee brilglazen verscholen zaten. Op beider gezichten verscheen een glimlach van verstandhouding, een glimlach van speelsheid en ondeugendheid, een glimlach van herkenning.   ‘Wat drink je?’ vroeg de verklede jongeman. ‘Rode wijn graag. Zijt gij hier trouwens helemaal alleen, bevallige dame?’ antwoordde Emma. ‘Ja, ik ben weggevlucht op een scoutsfuif’, zei Georgette. ‘Mijn mannelijke vrienden konden het plots niet laten om me af en toe in mijn achterwerk te knijpen,’ zei hij, gespeeld verbouwereerd. ‘Tja, ik voel die drang ook, Georgette, als ik u in uw sexy rode jurkje zie.’ Emma liet deze woorden gepaard gaan met een op- en neergaande beweging van haar wenkbrauwen en een overdreven smachtende blik. Haar nieuwe vriend deed op vrouwelijke wijze alsof hij lichtjes geshockeerd was door haar opmerking.   In het lange smalle café waar in de late uurtjes vooraan soms gedanst werd, werd de stemming ondertussen wat meer uitgelaten en het gepraat luidruchtiger. De vrienden van Emma probeerden tevergeefs Emma’s blik te vangen om haar terug in hun richting te lokken. Vanuit haar ooghoeken zag Emma hen soms zwaaien en wenkende gebaren maken, maar ze deed net alsof ze het niet zag.   ‘Maar nu serieus’, zei Emma. ‘Wat is eigenlijk jouw echte naam?’ Thijs nam de pruik van zijn hoofd waardoor zijn kort warrig donker kapsel tevoorschijn kwam. ‘Mijn echte naam is Thijs.’ zei hij en hij keek haar doordringend aan wat haar tegelijkertijd een oncomfortabel en een opgewonden gevoel gaf. Even staarde ze zwijgend terug. Thijs zei: ‘Aangezien ik de zin van het bestaan nog steeds niet ontdekt heb, maar er wel naar op zoek ben, dood ik mijn tijd dan maar met mij te verkleden. Misschien draait het leven wel gewoon daarom: u amuseren.’ ‘Ja, misschien wel’, zei Emma en ze hield haar glas in de lucht om op deze conclusie te proosten. Het oogcontact gaf haar een warm gevoel. ‘Ik heb ooit eens ergens gelezen dat de zin van het leven de zin óm te leven is. Maar vraag me niet wie het geschreven heeft want dat weet ik niet.’ ‘Ja, daar zit iets in’, antwoordde Thijs. ‘En bij mij is die zin om te leven op sommige dagen wel aanwezig en op andere dagen totaal niet. Ik ben stiekem wel jaloers op mensen die elke dag vol levenslust zijn.’    In zijn ogen had ze toen voor het eerst een diepte weerspiegeld gezien die ze maar zelden tegenkwam. In zijn ogen had ze een gelijkgestemde ontmoet die de dingen niet zomaar voor waar aannam maar in vraag stelde, iemand met wie ze samen de mysteries van het leven wilde verkennen. Het was een diepte geweest die ze niet had gekend in haar gezin van afkomst, maar waarnaar ze al haar hele leven had verlangd. Het was een diepte die ze tot dan toe enkel tegengekomen was in de boeken die ze las maar té zelden in het echte leven. Bij haar thuis waren de gesprekken enkel gegaan over de keuze van gerechten, de combineerbaarheid van kleren, over televisieprogramma’s, over de onhebbelijkheden van anderen maar nooit over de dingen die er voor haar echt toe deden.    Hoewel ze het verlangen voelde om in de toekomst uren aan een stuk te filosoferen met deze jongeman, wou ze het op dit moment toch liever luchtig houden.    ‘Is het een hobby van u om verkleed als vrouw door het leven te gaan?’ vroeg Emma. ‘Wel, ik moet zeggen dat het wel prettig voelt om deze rode stof rond mijn lichaam te voelen. Maar ik verkies toch een vrouwenlichaam tegen het mijne.’ Even sloeg Emma’s fantasie op hol en zag ze zichzelf naakt naast hem liggen, onder een donkere sterrenhemel, op een dekentje in het gras, na een wild avontuur van zuchten, kreunen en genot. Maar al snel herpakte ze zich. Ze kende deze jongeman niet, wist niet eens of hij al dan niet vrijgezel was. Die vraag zou ze hem vanavond onder geen beding stellen want ze wilde de betovering niet verbreken. Om de beladen stilte een halt toe te roepen, ging Thijs verder: ‘Ik ben eigenlijk heel moe en kwam hier gewoon nog een pintje drinken voor ik mijn bed in zou kruipen.’ Hij kon de teleurstelling van haar gezicht aflezen en stiekem hoopte hij dat ze hem zou smeken om te blijven. Het was kinderachtig van hem, dat wist hij, maar hij kon het niet laten.   ‘Ik ga onder de wol kruipen. Het was zeer aangenaam om u te leren kennen, Emma. Misschien treffen we elkaar hier nog wel eens een keer.’ Emma stond met haar mond vol tanden. ‘Oh wat jammer’, stamelde ze. ‘Ik vond het net zo gezellig. Maar als jouw bed je roept, dan moet je maar gaan hé. Al had ik het wel fijn gevonden om nog wat te praten en dan misschien nog wat te dansen.’    Thijs die al lang overtuigd was en voor wie op tijd gaan slapen al lang geen optie meer was, wou het onderste uit de kan halen door nu nog niet toe te geven, door nog even de plichtsbewuste te spelen die prat ging op een goede nachtrust. ‘Het spijt me, Emma. Mijn ogen vallen bijna dicht van de vaak. Mag ik uw hand kussen, lieve dame?’ en hij nam haar hand in de zijne en bracht die naar zijn lippen. Ze trok haar hand weg en sprak hem heel kordaat aan.   ‘Blijf’, zei ze op bijna gebiedende toon. ‘Drink nog één pint met mij. En ga dan slapen. Oké?’ smeekte Emma toen. Thijs deed net of hij aarzelde, of hij met één voet binnen en met de andere reeds buiten stond. Hij keek naar de klok die boven de deur prijkte, liet zijn hoofd en schouders heen en weer gaan om zijn geveinsde twijfel wat extra gewicht te geven, keek Emma onderzoekend aan. En pas toen haar blik steeds smekender werd, ze haar hoofd lichtjes schuin hield en één vinger omhoog hield (nog eentje , please…), ging hij duidelijk merkbaar door de knieën. ‘Oké, nog één pintje dan.’ ‘Goed, ik trakteer’, zei Emma die haar enthousiasme niet onder stoelen of banken kon steken.

Aline
0 0