Lezen

4

Ik drink niet omdat ik niet drink. 4 jaar al. Geen alcohol meer.  Om het even wat de omstandigheden zijn.  Om het even hoe ik me voel. Vrolijk, verdrietig, opgejaagd of net rustig. Ik doe het zonder. Al 4 jaar lang. Sommige mensen drinken ook niet. Uit principe, omdat ze het niet lekker vinden. Omdat ze te veel dronken en niet meer mogen van hun vrouw of dokter of omdat ze al dood zijn. Andere mensen drinken wel. Omdat het gezellig en lekker is. Of uit gewoonte, of om er bij te horen of omdat ze denken dat het erbij hoort om er bij te horen. Sommige drinken bij de juiste gelegenheid. Anderen hebben zoals ik vroeger geen gelegenheid nodig. En dat is allemaal ok. Maar ik doe het al eventjes op een andere manier, in mijn ogen een betere. Voor mij maakt het allemaal niet zo veel meer uit. Ik ben er niet meer zo mee bezig. Al is dat in het begin wel anders geweest. Soms floept dat kwelmannetje op een onbewaakt moment nog wel eens binnen. Hevig! Als een duivel uit een doosje maar dat duurt nooit lang. Ik weet al een tijdje dat hij snel opgeeft omdat ik slimmer geworden ben dan hem omdat ik het gevecht niet meer aanga.  Hij mag winnen zonder wedstrijd… Ik blijf uit de boksring. Er is veel veranderd. Ik ben veranderd. Bewuster, denk ik dat het woord is dat het meeste de lading dekt. Ik ben meer bezig met mezelf. Niet uit egoïsme maar uit zelfbehoud. Ik moet goed voor mezelf zorgen om gefocust te blijven. En dan doe ik dat maar omdat het met vooruit helpt. Alles is beter dan de donkere duisternis van afhankelijkheid toen drank de keuzes maakte. “Vrienden” van vroeger vinden me soms saai en denken dat ik een kluizenaar ben geworden omdat ik nu meer dan een armlengte verwijderd ben van de toog die ons indertijd dagelijks bij elkaar hield. En af en toe vind ik dat wel jammer maar dan besef ik dat in vele gevallen het enkel de pint was die we als gemeenschappelijke beste vriend hadden en die is al een tijdje dood en begraven.   Soms wordt het wel eens donkerder omdat de gemakkelijke vluchtweg er niet meer is.  Dan neem ik een pauze. Een bewuste time-out om overzicht te krijgen en te beslissen of ik de zaken aanpak of ze beter laat voor wat ze zijn. Die beslissing kunnen nemen zonder te vluchten in iemand die ik niet ben, is me zoveel waard dat ik het hier wil getuigen.  Een beetje fier maar vooral rustig en nederig en niet te overmoedig. Vandaag ben ik ok en morgen? Misschien komt die wel niet en dan is het tijdverlies om me daar vandaag al zorgen over te maken. Rustig verder doen dat is wat ik ga doen. Zeker en vastberaden …  

jan pultau
14 0

Emmerlijst

Is het door de grijze herfst en de dreigende wolken dat de mensen een beetje somberder kleuren en is het dat dan dat hen aan het plannen zet? Steekt die plotse allesoverheersende bewustwording ineens de kop op als iemand dierbaar ons ontvalt? Is het louter een modeverschijnsel of gewoon bon ton om ermee te kunnen illustreren hoe interessant druk we nu wel bezig zijn? Het blijkt in elk geval het uitgelezen instrument om essentiële beslissingen of zaken die we willen doen uit te stellen en voor ons uit te duwen. Tot straks, tot morgen of tot volgend jaar, als de kinderen uit het huis zijn. Als we met pensioen zijn en de lotto gewonnen hebben, dan? Dan beginnen we aan onze ultieme bucketlist en 69 dingen die we moeten gedaan hebben alvorens dit tranendal te verlaten. Misschien komt hij maar pas voor de pinnen nadat we onze eerste ouderdomsvlekjes opmerkten. Wanneer we beslisten dat het leven niet voor altijd zal duren en zo gedwongen worden na denken over zaken die we zeker nog willen gedaan hebben alvorens we de pijp aan Maarten geven. Taj-Mahal in het echt zien en naakt rondlopen op de Galapagoseilanden zijn kanshebbers, hoewel tango’s beluisteren in Cuzco of Machu Pitcchu bezoeken ook een toppertje is als je dat te voet doet, tenminste. Het leven lijkt soms niet de moeite waard geweest als je niet eens met een rekker aan je voeten van de hoogste brug gesprongen hebt. Als je ooit gepast hebt voor die duo-sprong die je een paar minuten deed bengelen onder een parachute of als je niet badend in het poolijs naar het noorderlicht getuurd hebt. Zelf houd ik niet zo van lijstjes. Zeker niet als daar zorgvuldig op geschreven staat wat ik moet doen. Doen en kopen wat op lijstjes staat betekent voor mij in lange rijen staan wachten.  Vergeten wat er op stond om dan thuis te komen en te zien dat ik het belangrijkste liet liggen om dan opnieuw in de rij te gaan staan om mijn lijstje helemaal af te vinken. Neen, ik hoef echt geen lijstjes.  Ik heb lijstjes genoeg afgewerkt. Lijstjes met boodschappen, met moetjes en magjes, met huiswerk en doelstellingen, lijstjes met genodigden… lijstjes met lijstjes. Toen die obligate bucketlijst een hype werd die me opzadelde met al die verplichte opdrachten die ik zeker nog moet doen voor ik de pijp uit ga, werd ik daar niet vrolijk van. Levenslijsten zijn overschat. Met het kattenbelletje dat gebonden is aan de to do list die me er aan herinnert dat er nog een knoop in mijn zakdoek ligt omdat ik niet mag vergeten een reisboek te kopen over de reis die we nog moeten inplannen na onze volgende reis. Neen dank u, voor mij geen zulke wachtlijsten meer. Voor mij mag het allemaal vandaag. De enige lijst die ik nauwgezet bijhoud is die van mijn dagelijks assortiment buitengewone en eenvoudige speciale momenten. Kleine, niet geplande gebeurtenissen aan elkaar geregen door speciale mensen die opeens onverwacht op mijn pad terecht kwamen en die me als ik daar zin voor heb er iets doen over opschrijven. Maar niet nadat ik eerst heel goed geluisterd heb naar wat ze me te vertellen hebben. Liefst rustig met een koffie en een chocolaatje. Als ik me bij het krieken van de dag, op de levensvragen, Kan ik uit bed? Heb ik grote Kak? Weet ik nog hoe ik heet en waar ik ben?, een positief antwoord kan geven, mag ik me gerust stellen dat ik mijn bucketlist voor ben geweest en hoop ik echt dat mijn persoonlijke emmerlijst er morgen ook nog zo mag uit zien.  

jan pultau
0 0

Ego

Soms wil ik weerwoord bieden aan dat stemmetje in mijn hoofd om er kordaat tegen te zeggen: “Je stoort. Mag ik je alstublieft verzoeken om weg te gaan. Je snijdt me de pas af?” Heel af en toe is het gehoorzaam. Dan vervaagt het en gaat het even helemaal weg. Af en toe houdt het zich een paar ogenblikken stil en afzijdig en bemoeit het zich even niet met mijn gedachten. Dan stopt het met souffleren en geeft eventjes geen voorzetten meer op  antwoorden die ik zelf nog moet formuleren of bedenken. Dan kan ik mijn verlegenheid aan de kant schuiven en krijg zelf wat ademruimte voor een afwijkend standpunt of een excentriekere zienswijze. Even dikwijls valt het echter voor dat het niet stopt. Dat het, het gesprek helemaal overneemt of opeist. Om op die manier het hoge woord te kunnen voeren en te beslissen welke richting de conversatie uit mag gaan om er zeker geen grip op te verliezen.  Dan wil ik zeggen: “Maak dat je wegkomt. Ik was hier eerst. Je hebt hier niets verloren. Vlieg maar weg. Bedankt voor alles.” Op die momenten zou ik het willen plukken als een paardenbloem. Dan zou ik de pluizen ervan wegblazen. In een ander grasperk. Om daar te groeien en er te gaan storen in het perfecte groen. Maar ik doe het niet. Ik laat het toe. Ik tolereer het omdat het mij uitkomt. Omdat het bij moeilijke situaties mijn onwetendheid camoufleert. In gênante discussies mijn onzekerheid maskeert. En me bij gesprekken met interessantere of slimmere mensen de illusie geeft expert te zijn over onderwerpen waar ik maar weinig of helemaal niets van begrijp. Mijn ego. Wat een heimelijk venijnig ding is dat toch? Mijn dekmantel en mijn ultieme alibi die me steeds opnieuw influistert wat ik het liefste van al hoor en me uit de wind zet als ik de storm van voren krijg. Maar die bekentenis zou ik nooit doen tegenover jou. Daarvoor is mijn ego net iets te groot.  

jan pultau
0 0

Anders

Hoe gevulder ik mijn dag inplande des te minder ik gereed kreeg. Of hoe minder tevreden ik was met het resultaat van de dingen die ik half zijn gathad geaan. “Kiezen is verliezen”: hadden ze me gezegd. Daarom wou ik altijd alles doen. Desnoods alles tegelijk om niets te missen. En dan was ik dikwijls nog niet eens voor mezelf aan de slag. Ik was zo begaan met mijn drukdoenerij en met ingebeelde verwachtingen tegenover anderen dat ik gedubbeld werd in de race tegen mezelf. Kinderen, lief, werk, familie en vrienden. Alle dagen en uren zorgvuldig ingepland om de beschikbare aandacht netjes te verdelen. Ieder om beurt. Gelijke deeltjes, afgewogen met de apotheekbalans. Behalve voor mezelf. Ik werd uitgesteld naar de volgende planning. Naar een volgend rantsoen. Niet goed. Ik moest het omkeren. Het moest veranderen. Niet uit egoïsme of omdat het me opgelegd werd of omdat ik me tegenover iemand verplicht voelde. Neen, mijn instinct en zelfbehoud spelden me de les: “dit moet anders, dit moet beter kunnen of het loopt slecht af.” Maar mezelf op de eerste plaats? Hoe moet dat? Hoe pak ik dat vast? Ik kwam er snel achter dat sommige zaken gewoon niet tegelijk kunnen. Voor belangrijke dingen neem je beter de nodige tijd, met focus. En wat afstand, om het goed te doen en om goed te doen. Juist. Voor jezelf. Andes loopt het mis. Vroeg of laat. Voor anderen bedenken hoe ze kunnen veranderen is niet moeilijk. Daar heb je geen gedragstherapie voor van doen. Dat lukt zo wel.  Oordelen, is niet zo moeilijk. Preken ook niet. Dat kunnen we allemaal gelijk de besten. Gecompliceerder wordt het wel als je zelf eens goed in de spiegel naar jezelf kijkt.  En tracht uit te vissen hoe je jezelf kan corrigeren op dingen die minder goed lopen. Als je probeert te achterhalen hoe het anders of beter kan. Daar is net iets meer lef, durf en moed voor nodig maar het kan… als je het doet! Maar begin er niet aan als het je wordt opgedrongen. Begin niet aan als je denkt dat je het moet doen om er bij te horen. Doe het alleen puur en authentiek. Wanneer het veranderd is moet het beter zijn. Als je beter wil, moet het veranderen. Maar als het veranderd is en je werd er zelf niet beter van, doe het dan opnieuw. Je leven is van jou. Doe wat je wil en doe het goed en veel. En gedreven. Met een groot hart. En wil je het niet meer? Verander het dan. Van aanpak, van werk.  Van huis. Van lief of van land. Het leven is te kort om te wachten tot het vanzelf komt. Doe het gewoon! Voor jezelf. Vandaag. Alle anderen worden er vanzelf ook beter van. Dit delen:    

jan pultau
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (slot van deel 1)

Na die honderd taljoren vond ik wel dat Evangelina mij een uitleg verschuldigd was. “Senior Services? Zevenhonderd spruiten op borden van Senioritas. Ergens in een bunker bij Vloethem?” speelde ik haar toe.   “Het is de keuken van de blok hiernaast, mijn jongen.” legde ze uit. “Zeg maar Ricky”, zei ik. “Een rusthuis, vol bomma’s en bompa’s,” ging ze verder, “Senioritas verruurt* de kamers. De huurprijs is niet mis en met den overschot van hun pensioen betalen ze dan Senior Services, voor de verzorging en ‘t eten. Senior Services is een vzw en wij mogen met vrijwilligers werken.”   “Kom je morgen weer?” vroeg Evangelina. “Als ik alles alleen moet scheppen, moet de band veel trager en beginnen ze aan den andere kant van ‘t gat te ruttelen.”   Ik beloofde de volgende dag terug te komen : “Dan kom ik morgen met Barts Belbusje en moet ik niet met die rare 272 vol beulen en kontneukers.”   Evangelina lachte en zei : “En stap dan één halte verder af, aan de hoofdingang van Senioritas. Dan moet je niet door het slijk en vergeet niet om straks bij Nana te passeren. Een papiertje tekenen. Voor de verzekering.”   “Nana?”, vroeg ik   “Ja! Natascha. Van de personeelsafdeling. ‘t Is een beetje een zotte, maar voor de rest is er niets mis mee.”   Evangelina gaf me een schouderklopje. Ignace zag ik nergens meer.           * West-Vlaams : verruren/verruurde/verruurd ______ twaalfde en laatste pagina van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
26 0

Natascha en de pingpongspruiten (11)

  De modderweg liet ons niet wegzakken als Franse paarden in een Vlaams moeras. De worstengeur werd sterker, het pad allicht groener. Nat was het gras. Dat werd je zo gewaar en na twintig stappen op loszittende tegels deed ze me stoppen. Natascha klopte op een deur. “Tel nu tot éénentwintig,” zei ze, "en neem dan je blinddoek af. Ik zet intussen binnen één en ander klaar.” Ik dacht aan worst bij kaarslicht en speelde het spel mee, telde netjes tot zelfs negenentwintig. Voor mij stond ze dan, Natascha.   “Ik ben Evangelina, welkom!” Evangelina zag er niet zo uit als ik me ‘Natascha’ voorgesteld had. Dat ze over haar echte naam gelogen had, nam ik er bij. Zelf gebruik ik nooit zo’n nickname want mijn echte naam vind ik niet slecht klinken.   “Toen ik op die paddenstoel zat, sprak je precies als een neushoorn!” zei ik. Ze lachte rondborstig, noemde me een grapjas en nam me bij de arm want er was veel werk te verrichten. Evangelina bracht me naar een ruimte waar het dampte van de kokende patatten en blancherende groenten. Wel honderd worsten spartelden in grote braadpannen. Ventilatoren zogen de aroma's de hemel in. Aan de muren hing er geen onzekere koningskop. Ik zag ook geen foto’s van leeuwenwelpen of gespierde knapen, nergens een kalender met de dagen van eenzaamheid en verwarring.   Er was slechts één klein raam. Nieuwsgierig nam ik een kijkje door het venstertje en keek uit over een veld met spruitkool. Tussen de blauwgroene planten zag ik hier en daar kleine bosjes zwarte krullen. “Wat is dat zwart?” vroeg ik en ze lachte. “Dat zijn negers, mijn jongen.” “Negers?” vroeg ik. “Ja, vorige week staken ze op een ander veld nog azalea’s in potjes voor ene Franky en nu zitten ze hier op hun knieën spruiten te trekken, voor ene Theo, een louche gast uit ‘t Brabantse.”   Ze knoopte haar keukenkiel dicht. Op het borstzakje stond een logo, maar ik kon enkel twee S’en herkennen. “Er staat SS op je schort”, lachte ik en ze zei dat ik een brilletje nodig had. “Lees ook de kleine lettertjes. Er staat Senior Services vzw”   Ik zweeg. Op mijn hoofd zette ze een wit petje van een stof dunner dan een versleten zakdoek. “Voor de hygiëne”, zei ze. Tien lege borden wachtten op een transportband en aan het begin van die band stonden nog eens drie stapels taljoren, die zich alvast opwarmden in roestvrijstalen toestellen. “Als ik op de groene knop druk, dan beginnen we.” zei Evangelina. “Ik doe de worst en de patatten en jij schept met je rechterhand op elk bord zeven spruiten. Met je linker hand doe je wat saus op de worst.”   In de muur was een gat. De transportband startte. In het begin wilde het niet altijd lukken. Soms kwamen er zes, soms acht spruiten op een bord terecht. Na een tijdje wist ik hoe ik best schepte en hoe ik een precies aantal spruiten van de grote lepel afgeschud kreeg om er zeven over te houden.   Ik weet niet of hij mij al die tijd had staan aanstaren, maar toen ik na een kwartier naar het raampje keek, zag ik de smoel van Ignace. Twintig jaar geleden heb ik hem voor het eerst gezien bij mijn tante Hannelore, achterin het veld met cosmos en herfstasters. Op een dag is hij zelfs stiekem mijn kamer ingeslopen en heeft hij op mijn to do-lijstje, gans bovenaan, geschreven : kill Ignace Somers Het is een klootzak, een beter woord vind ik er niet voor en vooral : hij is niet goed bij zijn hoofd!   Dat terzijde, maar hij stond daar toch maar weer en maakte een teken met zijn duim en zijn wijsvinger. Hij krulde beide vingers, vormde een rondje, een opening zo groot als een spruit. Dat alles onder controle was, zal hij schertsend bedoeld hebben.   En ik kreeg het ook snel onder de knie, kon het tempo van de band zonder problemen volgen. Evangelina keek goedkeurend en tegen twaalf uur waren er een honderdtal netjes gevulde borden met op rand het opschrift ‘Senioritas’ in de muuropening verdwenen.       pagina elf van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'RIcky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (10)

  Bij De Braambeier heb ik de ogen weer geopend en ben ik uitgestapt. De Kronestraat was niet lang en op het einde lag de Diksmuidse Heirweg, maar geen zebrapad voor blinden. Ik heb plaatsgenomen op het bankje bij de halte voor belbus nummer 76 die daar nooit meer zou voorbijrijden. Ik heb mezelf, zoals beloofd, een doek voor de ogen gebonden en zat daar als een koele, blinde kikker op een paddenstoel. Het zou niet lang meer duren, voor ze kwam, Natascha, om mij te kussen!   En na een tijdje wachten -het regende gelukkig al wat minder- voelde ik twee armen die zich rond mijn middel sloegen, een mond die mijn oor naderde, fluisterend vroeg waarom ik een mes bij met had en wat er in dat flesje zat. Haar stem klonk niet zoals ik verwacht had, veel nasaler, maar dat zegt weinig over iemands karakter.   “Ik draag altijd een mes bij me”, antwoordde ik, “toch als ik op een herfstdag naar een bos trek. Om kastanjes te schillen en het gif...” Ze onderbrak, gaf een kus op elke wang en vroeg mij : “Wat met dat gif?” Ik aarzelde en zei : "Ik dacht, misschien, gaan we samen, rododendrons verdelgen."  "Je liegt, gelijk een echte man, over je bedoelingen, straks ook over je dromen en de lengte van je penis", giechelde ze.    Ze nam het flesje uit mijn zak, liet het mes zitten. De blinddoek moest ik ophouden. Ik voelde haar hand in de mijne glijden. Ik moest eraf, het was geen paddenstoel voor zittenblijvers. Rond mijn as deed ze me draaien, wel een keer of drie. Daarna trok ze me voort, als een sleepbootje voor dronken schepen. Ik hoorde de modder, het stappen van mijn arendslaarzen en haar beige botjes. Het slijk was doenbaar en we stapten verder -ik nog altijd blind- over een landweg die mij niet deed struikelen. Geen enkele keer vroeg ik haar hoe ver het nog was. Misschien liepen we in een rondje, ik kon de herfst ruiken en vooral : het oerechte, natuurlijke parfum van Natascha.   Al had Franky slechter voorspelt, het was niet eens koud en het hield zelfs op met regenen, helemaal. Het werd stil. Ik hoorde enkel onze adem, laarzen lucht en modder zuigen. Er was geen ever die zich horen liet en toch, een geur dook op, onverwacht, onvoorzien, achter een bosje brem allicht, de reuk van zwijn, gebraden worst.         bladzijde tien van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (9)

  Ik hield een zwijgvinger voor de lippen, wilde dat hij me de uitleg bespaarde, hoe een hondje fluogeel kan zijn, waarom het achteraan geen staart heeft maar wel een schroefdop, over de geest van Noor-un-Nisa Inayat Khan die op een driearmige fietsersbrug boven de Albert I-laan stond.   Als het echt een schim van haar was, dan wachtte zij allicht op Barts Belbusje, ging zij op zijn voorruit spuwen, maar het regende alsof de hemel een badkuip was doorzeefd met menselijke geweld, onwezenlijk veel kogels en had de Chauffeur mij niet verteld dat Bartjes Belbus een andere route nam, via de Diksmuidse Heirweg. Had Noortje door dat Bart een omweg zou nemen? Was Bartjes geweten dan toch bang voor haar schaduw?   Allemaal gedachten die op dat moment gelukkig niet bij me opkwamen en de man met de pingpongogen had gezwegen toen hij mijn vinger, mijn dreigende wenkbrauwen te zien kreeg. Hij klikte wellicht met één oogwenk weg en keek nu op één netvlies naar wat horrorbeelden, op het andere naar een pornofilmpje. Er kwam kwijl uit zijn toot. Van oogwit was geen sprake meer. Het was zo rood geworden als de bloemen van Bengaalse bergamot.   Een busrit kan vermoeiend zijn. Ik sloot opnieuw de ogen, vouwde de handen. Niet om te bidden. Noem het een omhelzing van twee spinnen die elke drie poten verloren en ik verzon helderheid. Ik verlangde niet naar het licht van alle vrouwen. Stralen verschenen door een barst in een slakkenhuis en in de verte klonken de kronkels van een veena. Onder een schrandere zon dansten Natascha’s heupen, buik, armen, vingers en ogen. Ze droeg beige botjes, hield tussen rechterduim en wijsvinger een sleutel vast. Ze stond op het punt de cassettespeller af te zetten, met de elegantie van een pasgeboren wervelwind de deur te sluiten en te vertrekken in de richting van de Kroonhoek.       bladzijde negem van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
1 1

Oorlog

‘Het protoplasma is maar een schijn van de waarheid,’ beieren de klokken van de oude kerktoren.                Geconstipeerde obussen gieren door de ether, bekladden de leugen met scharlaken stroop. Op de zomerse zoden waart de stank van ontbinding, vaderlandse liefde ritselt naargeestig door ’t omringend lover en ondermaanse vezels luist’ren als lammetjes naar ‘t snerpend gekrijs van de huilende dood. –                Vlaamse nachten rillen in ’t slijk. Dampen, grauw en grijs, stelen de lijkengeur, vlieden langs de geulen, over de velden vol met prikkeldraad en rottend vlees – een buffet van gelatine en bietensap geserveerd op de brakke grond: de maden hebben goed te doen. ‘Mijn hemel, elke dag ga ik honderdmaal dood! Knal na knal word ik versplinterd, als ’t eenmaal gedaan is, deze connerie, lig ik verspreid als de scherven van een granaat!’                Eindeloze paukendrum schellend door de voren; rekruten trillend in hun sleuf. De mortieren braken schroothagel, malen de ijzerrijke humus. Mosterdnevels roetsjen over ‘t land van eenzame klaprozen. Al dat jong vlees, vol met dromen, door geelzucht geslachtofferd in ’t krijgsvergiet. – Als de klompen terug aan ’t boeren gaan, staan hun letsels te lezen als braille. Een treurlied voor de schijn, voor de gore, stinkende schijn!                De rozenkrans ontvlamt tussen de gloeiende kolen: pardon voor de willekeur.

Niels De Vos
36 0

Natascha en de pingpongspruiten (8)

  De donkere figuur op de fietsersbrug leek geen gezicht te hebben en het gele hondje geen staart. Ze waren braaf op de brug blijven staan en aan de halte ‘Kinepolis’ was er niemand uitgestapt, geen kuisvrouw en geen specialist in dodelijk hoogspanning. De Kontneuker van Sint-Michiels zat vandaag niet op deze bus.   Eenmaal het ronde punt voorbij was de weg richting Loppem recht. Voor de Chauffeur lag het bochtenwerk achter de rug en ik dierf hem eindelijk vragen of lijn 72 ook aan de halte Kroonhoek stopte. “Dit is lijn 272”, antwoordde hij, “de 27 en de 72 zijn al enkele maanden samengevoegd. Vroeger was er een belbus die van het Het Zand, via de Diksmuidse Hierweg, halte Kroonhoek en zo verder naar kinderboerderij De Pierlapont reed, maar sinds de privatisering van de belbussen is dat traject geschrapt. Enkel Barts Belbusje volgt die route nog voor een deel. Het vertrekt op de Markt, bij de frituur, naast Breydel en de Coninck. Dan rijdt het via de Diksmuidse Heirweg naar de IJzertoren en van daar naar het geboortehuis van Joris Van Severen te Wakken. Daarna volgt een lange rit naar café De Kroon te Mortsel. De laatste halte is een wietveldje te Bokrijk. Onderweg kan je met geluidsoortjes naar liedjes in Vlaemsche dialecten luisteren, maar dat heeft weinig succes omdat de verschillen tussen onze taaltjes van Babelse aard zijn. Het merendeel van de passagiers bladert liever door de stapels decadente reisverhalen van Theodore Dalrymple, door Bartje himself geïllustreerd met gore tekeningen.”   Het klonk alsof hij de informatie die hij via zijn implantaat gekregen had, doorspekt had met enkele grappen. Ik had er weinig aan. Erger was dat ik misschien te laat zou komen op de plaats van afspraak. Ik vroeg de Chauffeur waar ik dan het best afstapte. “Bij de Braambeier, volg dan de Kronestraat. Steek op het einde de Diksmuidse Hierweg over. Er is daar een zebrapad voor blinden. De strepen hebben er bobbels zo groot als de eieren van een gander."   Ik zweeg en zette enkel stappen achteruit. Gelukkig zaten mijn arendslaarzen nog steeds zoals vroeger, als gegoten. Ik nam plaats naast de man met de pingpongogen. Ook hij bleek een google-implantaat te hebben, een oude versie met kinderziekten, vatbaar voor virussen. Zijn ogen en hersenen leden eronder. Ze hadden zich nooit kunnen aanpassen aan de projecties op het netvlies. Zijn blik bleef maar van links naar rechts schieten alsof hij de tekst niet kon volgen. Hij vroeg mij of ik ze ook had gezien. Ik trok ogen als een domme dodo en hij zei, nogal luid waardoor ik schrok : “Op de brug! Noor! Met dat gele beest.”       bladzijde 8 van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Ik wou dat je hier was (dromen zonder perspectief)

Er was een pubermeisje zonder hond. Ze was voorbestemd om later niet kinderloos te worden en droeg haar borstjes op de hand alsof het poppen waren. Soms bad ze tot de heer haar Vader om groter speelgoed maar kreeg ze een wagentje om haar zusjes in rond te rijden. Ze werd echter zo gekoesterd. Door kroegen verduisterde oudere mannen staarden haar aan en dichters zoals mij. Ze was nooit der weeskinderen geweest. Tot vandaag had ze zelfs nog nooit van een moeder gehoord.   Ze had vooral haar eigen dromen, van de naarste soort. Op een dagje ouder stond er een woordenaar aan haar bed. Hij droeg haar stomdronken naar Dromenland en een bloemlezing uit balkonpoëzie voor. Ze weigerde het aanbod niet maar toen hij over verloren liefdes sprak weerklonk dit als een moeder die een vrijpartij verstoorde. De moeder was echter even verbaasd als henzelf. Maar goed, gezien vooral moeders de macht hebben de wereld te veranderen door deuren te openen.   Dan kwam een vader op het podium. Hij speelde zijn stomdronken zelf. Hun wereld stortte in als een overschrijving met een doktershandschrift maar zelfs dokters kunnen enkel aanraden alvorens ze psychiater worden. “Wat studeer jij?” vroeg hij, schijnbaar niet vanuit de hoogte. Ik probeerde vanonder de indruk weg te kruipen. Het kinderwagentje rolde schijnbaar ongewild van het podium. “Ik werk aan mezelf.”   Er was ook een jongetje zonder dromen. Het hield zijn vader bij de hand als een speelgoedmensje dat vergeefs achter zijn speelgoedtreintje aanrent. Desondanks verwachtte het wijsgeer te worden. Soms sloeg het met zijn vuistje op een tafel in zijn bovenkamertje. Er gebeurde echter niets.   Verder waren er nog de ouderen op de bus. Je hoorde er vanzelfsprekend niets meer van. Ze waren voortdurend aan het wachten, zelfs als ze op tijd op hun werk waren. Tot uiteindelijk Niemand sprak. Het waren zijn zo goed als laatste woorden, maar zoals het hoorde weerklonken ze voor de eerste keer. Ze waren zo goed dat hij ze wel moest uitstellen tot ze uiteindelijk te laat waren. Hij staarde zo beschuldigend naar zijn publiek tot ze wel moesten vaststellen dat zij het waren die te lang hadden gewacht.   Uiteindelijk strompelde hij stomdronken van het podium zoals zijn vader hem destijds verhaaltjes voorlas. Zo was er het verhaaltje van een stomdronken vader die destijds verhaaltjes voorlas. Hij kreeg het van een pubermeisje dat zo onzeker was dat ze zelfs haar driften had verzekerd. Ik geloofde haar zolang het duurde en het duurde even lang als de zo goed als laatste woorden van een man die nog niet op sterven lag.   Maar goed dat er evenzeer geluisterd werd. Er waren wel mannen zonder woorden achteraf of dichters met honden. Er was wel een goedgelovige die niet in iedereen heer de Vader of moeder de Genadige zag. Er was wel een weeskind dat het beter kon vertellen, zo goed dat je zo goed als geloofde dat het een weeskind was.   Wat betreft de dichter, er zou zich wel iemand voor zijn verhaaltje in de handen wrijven als verkleumde handen voor een gierige spaarlamp. Zoals ook eender welke verkleumde hand hem na zijn optreden zou verzoeken tot het benadrukken van elkanders zelfbeeld, groot uitgevallen als zijn mantel, maar minder ongewild.   Er zou wel iemand zijn die wou dat ik hier was en niet ginder, was het nu een moeder die ’s avonds vergeefs uit haar venster staarde of een overjaars pubermeisje dat haar werk niet alleen kreeg geklaard.   Uiteindelijk moest ik aanbellen. In de deuropening ontwaarde ik een moederfiguur. Het was echter mijn moeder. Ik was een jongetje met een kater. Ik kroop naar mijn bovenkamer als een ratje door de muur. Ginder sloeg ik met mijn hoofdje op een tafel als een jongensvuistje.

Robijn Bodijn
23 0

Natascha en de pingpongspruiten (7)

  Iets verderop, daar stond zij, nog steeds, de fabriekshal van Kinepolis, ooit wit nu grijs, een tanend walhalla van de film. Ik keek achterom, in de richting van de achterruit. De vrouw met de mond van marsepein had de aldizak naast zich gezet, als een dam tussen haar rechterbil en de monteur. De Beul van Zedelgem zat nog steeds gans achterin, op het middelste van die vijf zitjes waar schoolreiskinderen het liefst zitten, op hun knieën, achterstevoren, om naar de achtervolgende mensheid te wuiven. Zijn zak was wit gebleven, net als zijn brood in die acht sneetjes met daartussen vier lagen kop en mosterd.   “Hier worden nog maar weinig films vertoond,” zei de Buschauffeur van wie ik niet verwacht had dat hij me plots zou aanspreken. “In de namiddag brengen private belbusjes oudjes naar deze parking. Ze pikken ze op bij hun woonblokken en ze zette hier af, voor een grappige klassieker, Louis de Funez, The Naked Gun en van die dingen. Oude herinneringen blijven het best bij en dan lachen ze net iets meer. In een andere zaal speelt om twee uur ook ‘De Schat van de Zeerover’, een kinderfilm met droevig eind, maar ook met gratis drankjes of koekjes, naargelang de sponsor en ‘s avonds enkel nog ‘Pirates of Innocence’, een erotische parodie.”   Vrij veel gepraat voor een doorsnee buschauffeur. Misschien was zijn google-implantaat niet zorgvuldig afgesteld. Ik was naar zijn informatie beginnen luisteren en we naderden het ronde punt aan de expresweg. Daaronder denderden door een tunnel vrachtwagens met containers, allicht vol richting binnenland, leeg richting zee en boven het ronde punt hing een fietsersbrug met drie armen, die elkaar vasthielden in het midden. Op de arm richting Kinepolis stond een zwarte gestalte met een fluogeel hondje. Ik wees naar de donkere figuur met het reflecterende dier en wachtte op de woorden van de Buschauffeur.   “Ja, het is al gebeurd, meerdere keren zelfs, dat iemand hier van deze fietsersbrug sprong, maar de smalle brug hangt nog net boven het bloemenperkje naast het ronde punt en net niet boven de tunnel. Meestal komen ze er met wat rozenschrammen en een botbreuk van af. Blijkbaar is het nodig om je met volle kracht af te zetten en een duik vooruit te nemen om onder één van die vrachtwagens terecht te komen?”   Ik knikte en bespaarde hem mijn opmerking dat ik de hoogte kon reduceren en het ronde punt in de breedte kon uitrekken, zodat die sombere gestalte veilig van de brug kon springen. Het hondje zou volgen als een bizarre ballon aan een touwtje. Ik zweeg. De Chauffeur zou allicht geantwoord hebben dat de brug hem dan de weg zou versperren. Ik vroeg hem wel waarom die wanhopelingen niet gewoon vanop het ronde punt de tunnel insprongen.   Hij kon niet antwoorden. Zijn implantaat haperde even en hij sprak : “De balustrade is inderdaad niet echt hoog.”   De fietsersbrug was nu vlakbij en ik sloeg mijn blik nog snel even omhoog in de hoop een gezicht op de duistere gedaante te kunnen plakken. Regendruppels hinderden het zicht. Ruitenwissers wissen nooit alles en ik dacht aan Natascha, die zich thuis klaarmaakte. Voor haar was de bushalte Kroonhoek vlakbij. Zij woonde immers in het centrum van Zedelgem, boven een kruidenboetiek. Ik zag het zo voor me, hoe ze zich opfriste voor een spiegel, getooid in enkel een slipje begroeid met doornloze rozen en een beha met de maten en de letters van een barracuda (met uitzondering van de r en de u).   Natascha heeft -moet je weten want zo is het- een zuivere huid, vrij van grote moedervlekken en puisten. Er zijn geen doorboringen voor ringels of pinnen en ze heeft geen wratten. Nergens draagt ze een tattoo, niet van een koppige slang of de nummerplaat van een vrachtwagen, noch de beeltenis van een piratenschip en zeker geen naam van een overleden minnaar. Dat velletje van haar is nergens geschonden of op onnatuurlijke wijze uitgerokken door de aanwezigheid van botox of siliconen, noch in de breedte, noch in de diepte. Zij is geen hemellichaam met kunststofbergen op een ribbelige glooiing. In de verte gaapt geen mergelgrot! Neen, haar lijnen zijn zowel te midden pareltjes van ochtenddauw als bij een dronken avondschemer om te strelen en haar kontje mag dan wel iets dikker zijn dan normaal, voor mij is het helemaal goed zo. Wat is trouwens nog normaal de dag van vandaag?   De Chauffeur leek te knikken, alsof hij mijn gedachten had kunnen lezen. Verder stelde ik me geen vragen bij een fluogele hond.       pagina zeven van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (6)

  Voor alle zekerheid zette ik vier rechter en vier linker stappen in de richting van de Buschauffeur. Ik kwam naast hem te staan, hij slurpte aan zijn koffiebekertje en ik sloot de ogen, echter niet als een vermoeide struisvogel die uit schrik zijn kop in een zwart gat probeert te steken. Voor de duisternis kende ik geen angst, in geen geval. Als kind was ik er al door gefascineerd, ook door begrippen als oneindigheid en het niets. Het werd zelfs een soort ritueel, een vorm van ontspanning, om na zonsondergang, als ik in bed lag, me te oefenen in de geestelijke voorstelling van deze begrippen.   Op stille avonden, wanneer de krekels zich eens niet als dolgedraaide scheidsrechters oefenden in het fluiten van een spelerloze voetbalwedstrijd en de kikkers sprakeloos de sterren telden, sloot ik mij de ogen. Ik stelde mij een vierkante opening voor, in een zwart vlak. Achter die opening scheen een fel wit licht. Door de opening uit te rekken tot een rechthoek, werd het licht minder fel en de diepte zichtbaar. Ik rok* de breedte nog verder uit tot er geen zijkanten van een rechthoek meer zichtbaar waren. Er ontstond een ruimte met een bepaalde hoogte, een onbegrensde breedte en een onzekere diepte.   Door de hoogte te verkleinen werd die ruimte samengedrukt, verspreidde het licht in de diepte, waarvan de onmetelijkheid zichtbaar werd. Na enkele seconden was de hoogte gereduceerd tot nog slechts een dunne spleet. Het licht vond haast geen uitweg meer, werd weer feller en op het laatste moment, net voor de spleet zich volledig sloot, was er die ene pîjnlijke flits van wit licht. Daarna niets meer, enkel nog een volmaakte duisternis.   Wat mij restte was eerst de boel nog negentig graden te draaien, mij een voorstelling te maken van vierkante gaten die uitgerokken* tot verticale in plaats van horizontale spleten, waarbij de hoogte oneindig werd en de breedte uiteindelijk nihil.   Daarna oefende ik mijn geest nog in de combinatie, twee dimensies, hoogte en breedte liet ik tegelijk variëren, en ik speelde met het in- en uitzoomen, had al gauw een soort geestelijk platform waarop ik objecten in een oneindige diepte kon doen verdwijnen en dat tegelijk ook diende als de tafel van een tweedimensionale microscoop waarbij ik kon inzoomen op de details van zelfverzonnen insecten.   Al bij al geen ideale geestesoefening voor iemand met agora- of claustrofobie, maar ik leed aan geen van bijna. Integendeel. Het werd voor mij een thuis zonder zorgen of verveling. De in mijn hoofd ontwikkelde microscoop mocht was dan wel slechts tweedimensioniaal zijn, toch belette mij dat niet om een complete kever te creëren. Ik schiep hem laagje voor laagje, koos de uitwendige vorm, die van de kop, de thorax, het achterlijf, een stelsel van organen, koos het aantal poten en vleugels, alles, soms in de zotste kleuren. Je kan stellen dat ik de 3D-printer decennia voor was geweest en daarbij niet beperkt was in kleuren, noch in precisie of de finesse van de vezels.   Niet dat ik de Buschauffeur nu ging lastigvallen met dergelijke prietpraat. Ik wilde hem maar één vraag stellen en ik oefende alvast in mijn gedachten, woord na woord : “Stopt deze bus ook aan de halte Kroonhoek?”       *West=Vlaams : uitrekken/rok uit/uitgerokken  __________ bladzijde zes van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

liefdesgedichten later geïllustreerd met tekeningen

Creatief schrijven   Waar ben je mijn lief Ooit kruisen we elkaars pad Blik nooit afgewend   Heerlijk mannenlijf Als je het overal streelt In zwijgen verhuld   Twee paar lippen en Je kust ze beiden teder Hoogste hemel in   Je wast mijn haren Zachter dan ik, en föhnt ze Jeffrey noem ik je Je lacht ermee en spreekt me toe Dat ik zachter voor mezelf Moet zijn en rustig     Ooit komt droeve dag Dat je me niet begeert Wat doe k dan met lust Waar berg ik dat op Treurt mijn hart of ziel zoek k jou of een ander Nee ik zoek jou mijn liefste Mijn alles mijn toeverlaat Maar wat moet ik dan Met dat sterk gemis Als je me wegduwt   Hoort het bij elkaar liefhebben en jaloers zijn was nog nooit zo jaloers zou jaloezie slijten als de liefde slijt laat me dan immer jaloers blijven   Als jij ooit wegvalt Dan zeg ik niets en verdwijn voor altijd Onvindbaar voor de wind noch de schaduw Onvindbaar klein wordt ik dan     Denken aan jouw huid Lieflijk zacht en warm fluweel Doet me op lip bijten Van pure wellust Liefste alleen jij Krijgt me zo warm van binnen     We zochten elkaar Tevergeefs een leven lang Toch gevonden verfrommeld Perfect in elkaar passend Alle lego posities Overlappend deugnieten Partners in crime Bovenal minnaars Dromend van elkaar Lachend om elkaar Dankbaar voor zoveel geluk   Als je ooit weg bent Misschien  een zandkorrel  groot Dan steek ik mijn hoofd in ‘ t zand En zoek ik jou mijn liefste Tot we versmelten Een zandkorrel groot Weerspiegelend in het glas

Charlie
0 0