Lezen

The birds

De nacht had haar illustere gewaad van mij afgetrokken en een zekere onrust sloeg toe in mijn maag. De ochtenden zouden wel eens schrikwekkender kunnen zijn dan de vanzelfsprekende nachten. Ieder creatuur; lelijker dan elk baarlijk bedenksel dan ook, kon wel eens wegvluchten voor het meest onheilspellende wezen dat de rand van het ochtendgloren afschuimt. Het besef van een vermoedelijke mogelijkheid doet mijn maag krampen en mijn geest op het lemma spitsen. Ik sta op noodgedwongen. De dreiging sluimert in mijn verhakkelde denken. Tussen dromen en wakker zijn, tussen de dood en het ondode zijn. Ik moet deze gedachten van me afwerpen en stap de keuken uit en de dageraad van de tuin in. Een verfrissende sigaret onder het nieuwgeboren blauwe uitspansel. Ik inhaleer snel, te snel en de overdaad aan keelschrapende walm dempt de moordput van mijn twijfel. 'Ik heb vast een nachtmerrie gehad!' overtuig ik mezelf. En alsof de ruiter van mijn hersenen weer eens kruistochtzuchtig wordt, slaat de aanblik van de woelende wolken me van onder mijn eigen voeten. In een mum van tijd wordt het luchtruim gevuld met snel van vorm veranderende donderwolken. De hele ruimte wordt opgezweept door een nooit geziene energie, terwijl er geen enkel geluid te horen is. 'Dit is het eind van de wereld!' en de basten van het halfdode berkenbos, aan de rand van het grasperk, stralen met een witheid die ik nooit eerder gezien heb. Het ongeloof boort zich een weg door mijn slapen, terwijl de uiterlijke werkelijkheid zich nog nooit zo helder aan mijn visuele cortex gemanifesteerd heeft. 'Het komt eraan!' Ik wankel achterwaarts tot tegen de keukendeur en blijf verstijfd van angst tegen het glas leunen. De wind stoot enorme zwarte kraaien uit de wolken en algauw is het panorama vervuld van dreigende zwarte stippen. Dan het moment dat aanvoelt alsof de aarde haar eigen binnenste verloochent als een monster; 'BROEMMM' , een knal buiten elke proportie van het kenbare en de hoogste van de dode berken zet het op een krijsen, met een muil die zich uit zijn eigen stam scheurt. Het gillen is oorverdovend en misselijkmakend tegelijkertijd. Ik moet mijn buik omspannen met al de kracht die mijn handen in zich hebben; mijn eigen ingewanden willen aan me ontsnappen, recht de weerzinwekkende gil van de berk in. Plots de ijzingwekkende stilte, die al wat voorafging in het niets doet zinken. De stilte heeft het ontzagwekkende van God en de duivel en al wat is in zich. Alle beweging in de lucht valt stil en elke vogel valt pijlsnel naar beneden met absurde slingerbewegingen. De berk splijt zijn stam in nog lelijker openingen en zuigt elke vogel recht zijn droge takken in. De boom slikt gulzig en de spastische trillingen trekken door iedere vezel van zijn gruwelijke zijn. De lucht vervult zich met dermate afschuwelijke slurp- en smakgeluiden, dat mijn gehoorhangen zich vullen met trommelvlies etende spiraalwormen. De pijn blaast me van mijn sokken en ik val in zwijm. Enkele ogenblikken later kom ik weer bij en alles lijkt weer normaal te zijn. Ik vergewis me van het helse schrikbeeld van voorheen; geen pijn in de oren, geen pijn in mijn buik en ik krabbel weer recht. Wankel maar ongelooflijk opgelucht dat de wormen weg zijn, maar het tafereel voor mij uit, baart nog meer gedrochten...   ...wordt vervolgd...    

Manuel Van den Fonteyne
5 0

OPDRACHT 4: TAMARA LENAERTS - grote mensen spelletje

Haar hoofdje leunt tegen de muur. Haar voeten schuifelen nu eens over de stenen vloer, kruipen dan weer naar de onderste trede, bedekt met beige tapis-plein. De ruw geworden boord van haar vaal geel dekentje laat zich haar frunniken wel gevallen. Van onder de deur maakt een streep licht de gang nog donkerder. Enkel haar nachtjapon breekt de duisternis, als was ze een van de trap gevallen spookje.   Ze staat recht, zet drie stappen en grijpt de klink. Gesprekken komen haar gedempt tegemoet. Net op het moment dat haar kleine hand kracht zet, klinken er gilletjes gevolgd door gefluit en dan gelach. Ze weifelt, draait zich om, stapt terug naar de trap. Het dekentje sleept achter haar aan. Ze gaat zitten en wacht. Ze maakt zich sloffen van geel. Haar vinger volgt het patroon van het behangpapier. Opnieuw en opnieuw. En dan gaat ze toch terug naar de deur.   Ze buigt zich voorover en kijkt door het sleutelgat. Ze kan de fruitmand zien die op de eettafel staat en een stukje van de leuning van de stoel met iets grijs bedekt. Ze tuit haar lippen rond het slot. ‘Mama’ fluistert ze. ‘Mama’ zegt ze wat luider. ‘Mama’ galmt het nu door de gang. De gezelligheid valt stil. Ze hoort gestommel. Vijf seconden later gaat de deur open: een walm van rook en volle licht komen haar tegemoet. Ze knippert met haar ogen en deinst wat achteruit, haar dekentje verwordt tot voorschoot in haar handen.   Langs de vrouw heen ziet ze een uit de hand gelopen hinkelspel van kledingstukken op de vloer. De pijpen van een jeans met riem raken slordig en binnenstebuiten de mouwen van een stoer hemd. Een lichtblauw bloesje vormt een hoopje met wat rokken lijken te zijn. Her en der liggen sokken geschikt te wezen als stapstenen. Van over de leuning van de stoel doen een grijze vest en dito broek hard hun best het lonken van een fleurig topje te negeren en keurigheid uit te stralen. Tevergeefs. De salontafel bezwijkt onder flessen rode wijn en Johny Walker, halfvolle, beduimelde glazen van het schoon servies en overvolle asbakken. Servietten met sporen van lipstick en lege zakken chips vangen druppend kaarsvet op. Pakjes groene Michel en Dunhill houden koeken heren, harten dames en klaveren boeren recht.   Ze stapt naar voor, wandelt de living in. De vrouw aan de deur achterlatend. Haar entrée doet de lichamen in het salon verstarren. Drie paar ogen kijken haar en haar vale voorschoot wijd aan. Twee mannen en nog een vrouw herschikken zich verschrikt. Benen zetten zich naast elkaar, kruisen zich netjes. Handen vouwen zich in de eigen schoot. Zwarte kanten lingerie frommelt zich gejaagd bijeen op de zetels. En grote witte onderbroeken proberen zich snel voor haar te verbergen achter hakken en onder glanzende mannenschoenen. Alsof de schoolbel is gegaan, beginnen de blote lijven theekransje te spelen. Ze maken de glazen tot porseleinen kopjes, het kaartspel tot zondagmiddag-vertier, de gilletjes gevolgd door gefluit tot koetjes en kalfjes. Het meisje verstart. Bekijkt het tafereel met wijd open ogen. Klemt zich vast aan haar stukje stof.   Met zachte dwang duwt de naakte vrouw haar terug, door deur, naar de donkere trap. Ze neemt het vodje met afgesleten lint uit haar handjes en drapeert het als een jasje over haar nachtjapon. ‘Wat doen jullie, mama? Wat zijn papa en jij aan het doen?’ ‘Een spelletje voor grote mensen. Ga maar snel terug slapen.’   Intussen is ze al vele jaren grote mens. Het gele deken met zachte boord ligt in frennen op de bodem van een kast. Het spelletje heeft ze nog nooit gespeeld.

tamaralenaerts
0 0

De woorden (Opdracht 4 -Adinda)

Ze wil niet. ‘Laat haar nog even’, zeg ik, ‘geef haar nog wat tijd om zich voor te bereiden’. ‘Nee’ , antwoord je, ‘je moet haar een duwtje geven, het zal haar anders niet lukken en we hebben niet eindeloos de tijd, er zijn er nog die klaar staan om geboren te worden’. Ik zucht, het doet pijn aan m’n hart haar te laten gaan. Geruisloos leg ik m’n hand op haar schouder. Ze sputtert niet tegen, haar gezicht ontspant in een glimlach, alsof ze erop aan het wachten was. Ik weet nu al dat ze me nodig zal hebben daar beneden, ze zal zich pijn doen, zo gaat dat met dit soort. En ik zal machteloos toekijken, dat is nu eenmaal het lot van ons engelen. ‘Zo meteen ga je, meisje’, ik zucht diep en bereid me voor op het duwtje, ze glimlacht nog steeds, ‘insj’allah’, prevel ik en jij knipoogt naar me. Ik geef haar een duw, zij volgt, gewillig, het hoofd opgeheven. Jij houdt haar nog even tegen, kijkt haar zacht maar doordringend aan en drukt je vinger op haar lippen. Ze begrijpt het. Net voor een mens geboren wordt, leggen we hem het zwijgen op, hij moet alles vergeten voor hij op de aarde komt, hoe kan hij anders ooit geloven.   Ze is een tikje roekeloos in de keuze van haar ouders, lang denkt ze niet na, alsof ze al haar getalm van daarnet wil goedmaken. Het is een jong koppel, nog niet zolang geleden getrouwd in ribfluweel, niet eens een kleedje, niet eens een ruiker, de vader van de vrouw die haar moeder zou worden had die dag voor het eten gezorgd, ze kwam uit een arm beenhouwersgezin. Haar moeder was zelf vegetariër, niet omdat ze daar veel over had nagedacht, ze was als klein meisje gedegouteerd van het vlees dat ze te zien en te eten kreeg. Er was daar nooit veel over gesproken bij haar thuis, de dingen werden in stilte en tussen de regels gezegd, met af en toe een extra bord karnemelkpap. Dat was anders bij haar vader thuis, daar waren woorden het middel bij uitstek om de wereld te veranderen. Men sprak er algemeen beschaafd Nederlands, haar oma emancipeerde de vrouwen van het dorp en de omliggende dorpen, haar grootvader inspireerde velen, maar terroriseerde zijn kinderen met zijn fanatieke denkbeelden. En dat deed hij niet alleen met woorden.   Op een koude en grijze winterdag worden deze twee mensen de ouders van een klein zwartharig meisje. ‘We zeggen JA tegen het leven’ stempelen ze met de letters van een stempeldoos, alsof ze haar er nog van willen overtuigen dat ze de wereld in moet. Vergeefse moeite. Op de voorkant van het geboortekaartje komt een bloem. Van bloemen zal ze haar hele leven lang blij worden. Wanneer haar moeder stopt met borstvoeding organiseert ze haar eerste protestactie: ze staat vol met rode vlekken, het is geen zicht. ‘Eczema’ is de naam van één van haar verzetsvormen tegen de vele indrukken van de wereld. Maar ze koos een lieve moeke, met een mooie stem. In het begin hebben woorden geen betekenis, het zijn louter klanken. Haar moeke omringt haar met zachte klanken, zij zuigt die allemaal gretig in zich op. Haar moeke houdt van voorlezen. Ik luister vaak als ik in de buurt ben en kijk soms zelfs over hun schouders mee. Ze lezen ‘Kleine Koen in de tuin’, even vergeet ik dat ik aan het werk ben. Het kleine meisje vindt het prachtig, alsmaar opnieuw wil ze het horen. In de tuin van kleine Koen dragen de erwtenmeisjes hun kindertjes in een peul op hun rug, vrouw Appel speelt op haar luit zittend op een tak in de appelboom, op een heuvel woont de wilde aardbeifamilie, September zingt er zijn lied voor vrouw Aster en vrouw Dahlia en alle andere bloemen.   Het kleine meisje maakt ook vrienden in de tuin, ze verzint ze en geeft ze namen, ze heten Ilda en Olda, samen krijgen ze een kind Odrata, later zal ook nog Ekstra geboren worden. Ik moet lachen als ik haar vol overtuiging de naam van de verzonnen boorling hoor uitspreken, jij schudt je hoofd, een meisje dat bezoekjes brengt aan haar zelf verzonnen vrienden in de tuin, wat moet daarvan worden? Maar ik ben het niet met je eens, die verzonnen vrienden helpen haar evenveel, ja zelfs meer dan wij kunnen doen. Wij kijken maar toe, zij delen met haar hun leven, leiden haar de tuin in. Zoals het dreumesje in een van de gedichten die haar moeke zo vaak las. ‘Dreumesje dribbelt door het tuintje, tot ver aan het hek in de heg. Daar staat hij te reiken te reiken, om over de spijltjes te kijken’. Het meisje kijkt met grote ogen naar de wereld, op de foto’s van die tijd zie je haar vaak met de blik in de verte, of naar de wolken. ‘Want achter het hek ligt een weitje en achter het weitje een rij van bloeiende bloeiende bomen’. In de tuin bij het baksteenrode huurhuis aan de steenweg is een bloemperkje met bloeiende stuikheide en daarachter een sparrenbos. ‘En wat daarachter nog zal komen? De hemel denkt dreumesje blij’. Ook zij is er dan nog gerust in.   Meer en meer woorden sijpelen haar wereld binnen, ze drinkt ze op. Woorden kan je proeven, ontdekt ze, er zijn van die zinnen die je een lekkere smaak in je mond bezorgen terwijl je ze leest. Haar moeke werkt in de bibliotheek, ze houdt van boeken zonder ze te lezen. Het meisje leert lezen als vanzelf, daar in de bibliotheek staan zoveel boeken te popelen. Ze plukt bosbessen met de kinderen van Bolderburen tot haar vingers er paars van zijn, bakt pannenkoeken in Villa Kakelbont, laat haar lentekreet door de bossen klinken samen met Ronja de Roversdochter. Ze wordt stapelverliefd op Ridder Tiuri en nog meer op zijn maatje Piak. Ze ontpopt zich tot Gods Vlindertje en trekt met een huifkar door Frankrijk om muziek en troost te brengen in dorpen en kastelen. Met een papieren kleedje wordt ze door een boze stiefmoeder de sneeuw in gestuurd met een stuk oud brood en een mandje, want ze moet aardbeien gaan plukken. Maar ze deelt haar brood met een dwerg en die weet aardbeien voor haar te vinden. Ze past een nieuwe groene jurk net als Laura uit het kleine huis op de prairie, maar heeft jammer genoeg niet het koperkleurig haar dat daar zo mooi bij is.   Jij zou ongeduldig van haar worden, ‘wat een dromertje’ zou je zeggen, ‘daar heeft de wereld niet veel aan’, maar ik kan het niet laten haar van nabij te volgen. Toegegeven, je moet er je tijd voor nemen, op het eerste zicht is het gewoon een meisje dat wat tekent en knutselt en in fantasiespel is verwikkeld, als ze tenminste niet met haar neus in de boeken zit.  Op school zegt ze niet veel, ze draagt de ribfluwelen broeken uit de fabriek waar haar grootvader werkt, of een schots rokje dat nog van haar nichtje was. Mooi zijn is iets voor in de boeken, of voor andere kinderen.   De banken in de klas van het meisje staan in een U, vooraan in de bank is een gleuf, daarin ligt haar vulpen, naast die gleuf is een gat, dat is van toen de inkt nog uit een inktpot kwam, toen schreven ze vast met een ganzenveer. Nu moet je je pen niet in de inkt doppen, maar af en toe de vulling vervangen. Sommige andere meisjes van de klas, bewaren in één vulling de ‘bolletjes’ van de gebruikte vullingen, dat zijn de dekseltjes die je naar binnen prikt als je een nieuwe vulling begint, zij doet dat niet, ze schenkt haar bolletjes aan anderen. Ik zie haar zitten in de klas, ze hoort de juf een vraag stellen, de vingers van de kinderen gaan omhoog, ‘juf, juf, juf’ hoort ze hen smeken, zij bijt op haar lip, kijkt naar haar pen in de gleuf en denkt: ik wou dat ik niet hoefde te spreken, dan schreef ik alleen nog maar briefjes. Dan hoefde ik niet de aandacht te trekken. Als je schrijft, heb je tijd om na te denken en als de mensen lezen, nemen ze tenminste de tijd om te luisteren.   ‘Ach wat, wie zou haar nu willen lezen?’ je stem klinkt vol ongeduld, ‘stop nu toch eens met haar zo te blijven volgen, dat kind moet leren wat belangrijk is in de wereld, anders haalt ze het niet, hoe kan ze ooit enige vechtlust ontwikkelen, en geloof me, die is nodig daar beneden, al weet ik dat jij daartegen bent’. Je hebt gelijk, ik blijf maar vasthouden aan de gedachte dat de mensen beter wat meer zonnebloemen zouden zaaien en gedichten lezen, in plaats van elkaar en zichzelf altijd maar voorbij te hollen, die druktemakers. Moet ik dan ophouden mijn hoop in haar te stellen?    Er is alleen nog maar grijs, de dagen klitten aan elkaar. Diep vanbinnen klinkt nog wat muziek, er is nauwelijks iemand die het hoort. Ze staat in een kring met meisjes van haar klas, ze praten over kleren en jongens. De speelplaats is een vlakte van vierkante stoeptegels, daarop zijn met witte verf twee voetbalvelden geschilderd, daarbinnen spelen de jongens. Er zijn een drietal banken, die zijn altijd bezet. Lezen mag niet op speelplaats. Ze is al blij dat ze bij dat groepje mag staan, ze heeft nooit iets te zeggen. Stomverbaasd is ze als ze op haar verjaardag kaartjes voor haar schrijven en samenleggen voor een cadeautje, het is een ring met een blauw steen en een zeemonster zoals die rondzwommen in de verre zeeën toen de cartografen nog maar net begonnen waren de wereld te tekenen. Ze begrijpt er niets van.   Ze vergeet op het blaadje van een overhoring haar naam te schrijven, in vele gevallen verschijnt er dan een groot rood vraagteken en als je pech hebt wordt er ook nog een punt afgetrokken. Maar de leerkracht Grieks, een vriendelijke man met een bril, schrijft met inkt in zijn regelmatige handschrift op het daartoe voorziene lijntje: ‘First female member of the Dead Poets Society’. Haar vader ziet niets, hij zit achter zijn bureau verdiept in een van zijn grote engagementen, haar moeder is bang, maar zegt niets. Daar in dat huis langs de steenweg is alles vanzelfsprekend. Goede punten hebben, helpen in het huishouden, elke maand op familiebezoek gaan, de wereld proberen redden. Vanbuiten is ze gewoon een verlegen meisje, vanbinnen groeit een zwart en bodemloos gat. Ze luistert liever naar Bach dan naar Studio Brussel, gaat liever op haar eentje wandelen dan naar een fuif. Ze doet allerlei verwoede pogingen: op zondagochtend naar de Afrekening luisteren, zich inschrijven in een groep meisjesscouts, maar ze hoort er niet echt bij. De dagen in haar schoolagenda staan vol lessen en huiswerk, tussendoor komt ze naar beneden, ze kijkt naar het nieuws, vlucht naar boven zodat niemand haar tranen kan zien. Ze wil graag iets zeggen, vindt geen woorden, en er is toch niemand die luistert. Als er dan al eens even iets mag, krijgt ze als commentaar ‘te poëtisch en te vaag, niet 100% wat ik vraag’. Want het moest een verhandeling zijn, geen verhaal.   Jij grinnikt. Ik durf niet meer te kijken.   De brug bestaat uit lange lijnen die reiken tot boven, naarmate je boven komt, zie je dat ze verder reiken, ze krommen zich tot de andere kant, waar de straat in een straatdorp verandert. Dat weet ik, want je ziet het niet, daarvoor is er teveel mist. Naast het fietspad is een pechstrook, daarnaast twee brede rijstroken. Aan de andere kant een smal verhoogd voetpad en de reling. Daar beneden ligt de vaart. Er vaart geen boot op de vaart en er dobberen ook geen eenden. De ochtend dempt alle geluid, je ziet niet waar de lucht eindigt, niet waar het water begint. Alles gaat in alles over. Een meisjessilhouet op een donkergrijze damesfiets beweegt de brug op, ze gebruikt de versnellingen niet want die trappen door. Boven staat ze stil. Haar wimpers zijn nat van de vochtige lucht, ze spert haar ogen wijd open en kijkt naar beneden. Nu beweegt niets meer. Ze houdt haar adem in. De lucht zal bewegen, er zal een rimpeling zijn en die zal uitdeinen tot ook haar silhouet zal zijn opgelost, en zij zal zijn veranderd in zachte stilte.   Maar het zonlicht breekt door de mist, de mist wordt van goud, het goud raakt haar huid. Ze ademt diep in, schudt haar hoofd en stapt terug op de fiets. Als ze even later terug de brug op rijdt, is de mist verdwenen.   Er zijn nog van die scènes in haar leven. Zoals die zomer toen ze afstudeerde en zuidwaarts vertrok om met haar Franse lief een leven te beginnen. Ze staan er op de markt in een badplaatsje aan de oceaan. Hun kraampje is opgesteld, de spullen zijn uitgestald, die ochtend hebben ze een goede plaats kunnen krijgen in een van de centrale gangen. Ze verkopen handgeschilderde doosjes, haar vriendje heeft die gekocht in India en naar Frankrijk verstuurd. Door een staking van de post waren ze te laat aangekomen voor de eindejaarsperiode, het zouden mooie kerstcadeautjes geweest zijn. Maar als ze die nu verkopen hebben ze een klein beetje startkapitaal, kunnen ze misschien daarna ergens een huisje huren. Wat zijn ze naïef. ‘Ik ben even weg’, zegt ze. Hij is opgelucht, nu kan hij rustig met de vrienden een sigaretje rollen. Het strand is groot en leeg, het is te vroeg voor de mensen. De lucht is nog puur, alleen de marktkramers zijn al wakker, ze drinken koffie, gaan in elkaars kraam rondhangen, roken en wachten. Het zal nog enkele uren duren voor de toeristen komen. Een straat leidt naar het strand, aan weerskanten van de straat zijn bars, restaurants en winkels waar je vliegers, hoeden en postkaartjes kan kopen. Hier en daar ruikt het naar bier en urine. Alles is nog toe. Waar de straat stopt dalen enkele brede betonnen treden af naar het strand, de eerste honderd meters is het zand mul, warm en omgewoeld. Er liggen sigarettenpeuken. Verderop wordt het zand langzaam vochtiger en koeler. De oceaan heeft de sporen van gisteren weggewist, het strand is met een schone lei begonnen. Een voetspoor tekent zich af en leidt naar het silhouet van een vrouw in de verte. Ze draagt haar sandalen in een hand en loopt recht de oceaan in. De oceaan is rustig voor haar doen, de surfers slapen nog. Ze loopt een heel eind het water in, de golven spelen met de zoom van haar kleedje, ze staat stil. Lichtblauw is de lucht, grijsblauw het water, de zon is overal, later op de dag zal die opdringerig warm worden, nu werpt ze haar licht nog helder en vriendelijk op het water. Alles lijkt doorschijnend. De jonge vrouw houdt haar adem in, sluit haar ogen. Haar tranen kunnen nog net door de ooghoeken naar buiten. Ze wil niet. Ze wil niet meer terug daarheen, het is zo moeilijk allemaal. Ze zal verdwijnen, zich overgeven aan de armen van een vriendelijke golf die haar meeneemt, opgaan in de oceaan van licht.   Deze keer is het een spelletje dat haar aan deze kant houdt, geleerd op de animatorcursus die ze volgde toen ze 16 was.  Ik zal het je uitleggen. Je richt je blik zo dat je de zee ziet -of een wei vol pinksterbloemen, of een heuvellandschap, een wolkenveld- Dan doe je je ogen toe, je beeldt je in dat je heel lang slaapt en je vergeet alles wat je ooit zag. Als je zover bent, doe je je ogen terug open alsof het de allereerste keer is. Je kan het ook met twee spelen, dan druk je op de knop door te tikken op de schouder van de persoon die zijn ogen heeft gesloten. Die is de camera en maakt met zijn blik een foto.   Ze moet het gevoeld hebben. Heel even raak ik haar schouder aan. Ze opent haar ogen. Het licht schittert, in de verte hoort ze een kind iets roepen. Heel diep ademt ze in, daarna keert ze zich om. De eerste toeristen zullen zo meteen langzaam beginnen rondslenteren op de markt.   Elke dag is het markt in Montalivet, je kan er proeven en slenteren, een hangmat testen, een kleedje uitproberen van een stof die met indigo werd geverfd door een Chinese minderheid. Je kan er mooie handgemaakte spullen kopen van over de hele wereld. Je ruikt er paëlla, verse focaccia, Baskische worst, wierook, leder, olijven, lavendelzeep, zweet en zonnecrème. Je ziet er kleurrijke figuren, reizigers, artiesten, alternatievelingen.  Maar een vreedzame gemeenschap is dit niet. Er zijn clans van mensen die elkaar elke ochtend groeten, maar evengoed mensen waartegen niets gezegd wordt, omdat ze concurrenten zijn, omdat er veten zijn die al vele zomers meegaan. Er zijn er die een goede plaats hebben gekregen in een van de brede middengangen. Het gerucht gaat de ronde dat ze daartoe de ‘placier’ omkochten, er zijn de vele kleintjes die bang zijn betrapt te worden omdat ze niet ingeschreven staan. Het opzetten en afbreken van zo’n markt is een dagelijks huzarenstukje: eerst moeten de kramen aan de binnenkant zich installeren, pas daarna daarbuiten. Bij het inpakken is de volgorde omgekeerd. Op een ochtend hoort ze de man van de hangmatten vloeken en tieren, hij slaat woest de deur van zijn bestelwagen toe, hij kijkt altijd stuurs, zijn vrouw draagt altijd rood, ze staan bekend als licht ontvlambaar en ze hebben de beste plaats van heel de markt. Tegenover hen staat Madame Tabouleh in haar blauwe kraampje, als mama van de markt ziet zij alles, levert onophoudelijk commentaar terwijl ze zoete muntthee schenkt in kleine glaasjes met een gouden rand. Haar man heeft mooie droeve ogen. En dan heb je Hartmut, die maakt en verkoopt Romeinse sandalen uit één stuk en beurzen uit leer. Als er geen klanten zijn, snijdt hij het leer en naait hij, hij vloekt in het Duits, drinkt niet, dwaalt niet rond bij de andere kramen. Hij spaart om naar Canada te kunnen emigreren. Patrick en Alice verkopen juwelen en panfluiten, daarna keren ze terug naar de sloppenwijken in Brazilië, het zijn clowns, ze maken straattheater, maar ze worden door iedereen als zeer serieus beschouwd, ze feesten niet en staan op een rustige camping in het binnenland. Verderop zijn er Titi en Roland en de hele kliek. Niet zo’n goede verkopers, eigenlijk zijn ze nogal verlegen, maar na de eerste joint lukt het wel. Ze verkopen kledij, sieraden en artisanaat uit India, Nepal, Guatemala. Ze hebben het leven naar hun hand gezet: in de zomer staan ze elke dag op de markt, de rest van het jaar brengen ze door in verre landen waar het warm is en het leven niet veel kost. In afwachting van de toeristen spelen ze schaak. Rond 10 uur beginnen ze te aperitieven. In de Médoc mag op de markten wel alcohol geschonken worden, bij wijze van degustatie.   Van alle smaken zal ze zich vooral de braambessen herinneren in de duinen toen de zomer ten einde liep, de toeristen naar huis waren en de bramen op hun eentje in de volle zon rijpten. Zoeter dan toen waren ze nooit meer. Ik probeer me die smaak in te beelden. Heb jij wel eens het verlangen gevoeld om een braambes te proeven? Geen antwoord, je kijkt me aan met een vernietigende blik en vertrekt zonder iets te zeggen. Ik had nog willen zeggen dat ik eigenlijk ook graag te weten zou komen hoe de liefde voelt.        

Adinda
0 0

opdracht 4 Elisabeth Leysen

Het huwelijksfeest moest een feest met kerstbomen worden. Ze droeg een donkerbruin kleed en donkerbruine schoenen, bekleed met zijde. Ze was in de jurkenwinkel eerst plichtsbewust naar wit gaan kijken, maar wit was niets voor haar, dat vond de verkoopster ook. Ze wilde een kleed dat haar deed denken aan Russische verhalen van winters en paleizen in de sneeuw.   Ze was een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar enkele maanden oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Het was stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Op zondag gingen ze met z’n allen naar het nieuwe huis met de grote tuin. Het nieuwe huis was nog niet af en de tuin ook nog niet. Haar vader gaf les en in het weekend bouwde hij aan het nieuwe huis. Zo duurt het wel een tijdje. In de grote tuin waren hoge bergen zand. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de bergen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden.   In de zomer was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Achter de grote tuin lag een pad en velden en een grote weide. In de weide woonde een ezel. Als je het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, onder de eiken naast de Weymouthden. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er elk jaar een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.   En dan kwam Alfie. Alfie von Heikenstein, zo heette ze. Alfie had een boekje met haar naam in. Alfie was een rashond. Het moest een rashond zijn met een boekje erbij, zei haar vader, want anders was je niet zeker dat de hond niet meteen ziek zou worden en doodgaan. Ze hadden al eens een hond gekocht op de dierenmarkt in Mol, maar dat dier was heel erg ziek geworden en doodgegaan. Op een dag zijn ze Alfie gaan kopen, met de auto, bij een meneer in Nederland. De meneer woonde in een straat met allemaal dezelfde huizen en in de tuin had hij een groot hok met honden. Ze mochten kiezen uit twee honden, Alfie en Daisy. Ze kozen voor Alfie. Ze mochten Alfie nu wel meenemen, zei de meneer, maar op zekere dag zou hij komen kijken of ze wel goed voor Alfie zorgden. Als bleek dat ze niet goed voor Alfie hadden gezorgd, dan zou de meneer haar gewoon weer meenemen. Ze zorgden heel goed voor Alfie en toch heeft ze gehuild, elke nacht, drie weken aan een stuk. Alfie was wel groot, maar toch was ze nog heel klein, zei haar vader. Ze waren bang dat de buren boos zouden worden en zeggen dat het zo echt niet meer verder kon, maar dat hebben ze niet gedaan. Alfie woonde in een groot hok in de tuin. Dat hok was te klein voor mensen, maar als ze heel verdrietig was, dan kroop ze toch mee in het hok. Dat mocht van Alfie. Als ze op avontuur gingen, naar het water met het eilandje achter de Zandstraat, dan ging Alfie mee. Op zekere dag is Alfie heel erg ziek geworden en moest haar vader met Alfie naar de dierenarts. De dierenarts kon Alfie niet meer genezen. Toen haar vader terug was van de dierenarts, zonder Alfie, heeft hij heel lang bij het hok gezeten, tot het donker was. Na Alfie hebben ze nooit nog een hond gekocht, ook niet een hond met een boekje.   Ze kon heel lang naar het donker kijken. Als ze maar lang genoeg keek, dan kwamen ze misschien, tante Martha en nonkel Marcel en nichtjes Conny en Maggy. Tante Martha was de jongste zus van haar moeder. Als tante Martha er was, werd alles anders. Je kon haar in het hele huis horen lachen. Als tante Martha er was, hoefde ze niet vroeg te gaan slapen en mocht ze opblijven en mee televisie kijken. Tante Martha woonde in de Nieuwstraat, boven een supermarkt. Nonkel Marcel schilderde reclamepanelen. Hij schilderde dingen die je in de supermarkt kon kopen en schreef er dan in sierlijke cijfers de prijs bij. Toen ze haar eerste communie deed, had nonkel Marcel panelen geschilderd voor het feest, met de letters uit een liedje. Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag. Op een zondagavond in maart kwam een auto de oprit opgereden, maar het was niet die  van tante Martha. Het was de auto nonkel Roger, een van de broers van haar moeder en van tante Martha. Nonkel Roger maakte altijd grapjes. Nu maakte hij geen grapjes. Ze hoorde de grote mensen praten over gas in de badkamer en het roostertje in de deur dat was afgeplakt omdat het anders tochtte en hoe Conny was gaan kloppen op de badkamerdeur omdat nonkel Marcel zo lang in bad bleef en het was tijd om naar de mis te vertrekken. Op vrijdag werd nonkel Marcel begraven. Ze zag voor het eerst de andere oma van Conny en Maggy en de broer van nonkel Marcel. De broer van nonkel Marcel leek heel erg op nonkel Marcel. In de zomer huurde nonkel Roger een huis in Luxemburg, helemaal speciaal voor tante Martha en voor Conny en Maggy. Het was een groot huis, met genoeg plaats voor de hele familie. Vlakbij was een groot woud en als je daar ging wandelen als het donker was, dan kon je de everzwijnen horen. Je kon de everzwijnen niet zien, maar je kon ze wel horen ritselen.   Haar man groeide op in een huis zonder kerstbomen. Er moeten ooit wel kerstbomen zijn geweest, maar dan lang geleden. Voor een kerstboom moet je genoeg plaats hebben. Je moet opruimen en plaats maken. Er werd nauwelijks opgeruimd in het huis waar haar man opgroeide. Het was er dof en het rook er naar schimmel. Er was een kachel, maar die kon maar één kamer verwarmen. In de andere kamers was het koud. Weinig plaats voor een mooi gedekte tafel en weinig plaats voor blije gesprekken. Ze hoorde vooral verwijten. En toch heeft haar man mooie verhalen verteld bij de uitvaart van zijn ouders. Hij vertelde over de tijd dat het huis nog glansde en over de tafel die zijn grootvader had gemaakt en waaraan de grote Camille Huysmans ooit had gezeten. Het was koud en het regende, de ochtend van het huwelijk, maar het werd een dag vol lichtjes. Na de plechtigheden trakteerde haar man het hele gezelschap in het café vlakbij het stadhuis en dan moesten ze weg, voor de foto’s. De fotograaf stelde voor om naar een oude spoorweg te gaan, dichtbij de Schelde. Ze wilden niet naar de Schelde. Ze hadden zo lang gehunkerd naar een eigen plek, een eigen huis. Nu ze dat huis gevonden hadden, gingen ze niet naar ergens anders voor foto’s. Vlakbij hun huis was een spoorweg met watertorens. Daar zijn de foto’s gemaakt, onder de spoorwegbrug en bij de watertorens.   Toen de ouders van haar man nog leefden, kocht ze elk jaar twee kerstbomen. Een hele grote voor haar huis met haar man en een kleine voor het huis van de ouders van haar man. Voor een kleine kerstboom was nog nét plaats. Ze moest even aandringen, want de ouders vonden het toch wel veel gedoe voor niets, maar als de lichtjes werden aangestoken, gingen hun ogen heel even glinsteren. Het grauwe huis ging er heel even van glimmen. En de verwijten gingen er heel even van verstommen. In de plaats van de verwijten kwamen de verhalen, de wonderlijke verhalen over een voorvader die met duizenden schapen helemaal van Friesland naar zijn bruid in de Rupelstreek was gekomen. En over de treinrit van zijn vader die krijgsgevangen was genomen en een brood had gekregen van Duitse soldaten. En over hoe haar man nog een kind was en aan de hand van zijn grootvader naar het winkeltje mocht.   Het huwelijksfeest was in een oranjerie, midden in een groot park. Binnen stonden de kerstbomen. Haar man had voorgelezen uit een tekst die hij voor haar had geschreven. Hoe zij had gewacht tot hij weg had durven gaan uit het grauwe huis zonder lichtjes en weg van de verwijten.   Wat hield ze van het verhaal van Assepoester. Assepoes kon niet mee naar het bal van de prins, maar dan kwam de toverfee en die toverde een mooie jurk en een gouden koets en glazen muiltjes. Ze hadden thuis het verhaal op een plaatje. Het plaatje zat in een boekje. Ze keek graag naar de tekeningen in het boekje. Als je een blad moest omdraaien, dan klonk er een belletje.

Elisabeth Leysen
0 0

Paasmaandag. Opdracht vier. Hendrik Van Moorter

Opdracht vier. Hendrik Van Moorter Paasmaandag De Bureaulamp gaat uit. September 1970 Als je wil, blijf ik de hele nacht samen met jou wakker, liefste,” had ze in het begin van de avond gezegd. Ze had zijn hoofd in haar handen genomen en had hem diep in de ogen gekeken terwijl ze het zei. “Neen, liefke dat wil ik niet. Je hebt je rust ook nodig. Ik haal het wel,” had hij zijn Marleentje gerust gesteld. Een fles water, een thermos koffie, een tas, zijn sigaretten en een asbak staan tussen de vele samenvattingen en nota’s van de cursus die hij moet blokken. Een eenvoudige bureaulamp met een groene blikken kap op een plooibare stang maakt het stilleven compleet. Op een schema heeft hij de uren en de bladzijden genoteerd die hij per uur moet doen. Een trainingsschema voor een atleet. Een klein jaar voordien. Het moet een klein jaar voordien geweest zijn dat hij een brief van zijn moeder ontving. “Je moet er met je vader over praten, jongen, ik hou dit niet meer vol. Ik krijg altijd de schuld.” “Zij kan ook niet tegen hem op,” fluisterde hij, terwijl hij verder las. Op zaterdagavond is het zo ver. “Va, ik heb verkering met Marleen. Je kent haar vader. Hij zat ook in Lokeren.” Er hing altijd een sfeer van verbondenheid tussen zij die zich slachtoffer van de repressie voelden na de oorlog. Hij dacht dat dit een goede introductie was, een captatio benevolentiae, zoals hij dat in de lessen Latijn had geleerd. “Ja, natuurlijk ken ik hem,” veel meer woorden wilde zijn vader er deze keer niet aan wijden. In andere omstandigheden zou hij met veel enthousiasme vertellen over wat hij de Vlaamse idealisten noemde. “Maar ik ben daar niet mee akkoord,” gaat het kort afgemeten verder. Er is weinig plaats voor voorspel in zijn theater. “Gij moet nog veel te lang studeren en het is mijn plicht ervoor te zorgen dat ge daar in slaagt.” Zijn hart bonsde in zijn borst. Zijn benen werden slap, zo slap als toen vader hem sloeg. Slap als een marionet waarvan zijn vader aan de draden trok. Deze marionet probeerde nu uit zichzelf tot leven te komen. “Er zijn toch veel studenten die een lief hebben en goede punten behalen. Guy heeft ook een lief.” Aai. Terwijl hij het uitsprak, besefte hij al dat dit een slechte zet was. En zijn vader was een goede schaker. “Uw vriend is het beste bewijs. Hij was vroeger altijd de eerste in uw klas en was twee jaar geleden gebuisd. Neem het van uw vader aan jongen, ik heb veel meer levenswijsheid dan uw vrienden. Er zijn drie grote gevaren voor een jongeman: de sigaretten, de drank en de vrouwen. En als ge een goed diploma hebt, hangt er aan elke vinger een vrouw die u wil.” De vader besefte niet dat de tijd voorbij was dat er slechts een paar draden waren om aan te trekken. De tijd dat hij enkel met het speelkruis moest bewegen om zijn zoon te doen bewegen of te doen knikken, was voorbij. Er zijn meer draden en latten gekomen die de marionet tot leven brengen. “Ik geef u twee keuzes: of ge maakt het uit of ge trouwt zo snel mogelijk.” Een krachtige ruk aan het kruis. “Want dan ben ik van mijn verantwoordelijkheid over u ontheven.” Zijn tanden klemden en knarsten. De gespannen spieren rolden op zijn kaken. Zelfs een marionet moest van zo een slag bekomen. Ze krabbelde recht. “Dat begrijp ik niet goed dat we mogen trouwen, va.” “Ge hebt gehoord wat ik heb gezegd en als ge daar niet mee akkoord gaat, onttrekt ge u aan mijn gezag en sta ik niet langer voor u in. Dan kunt ge uw studies zelf betalen.” Op dat moment verandert er iets in de marionet. De opstand van de zonen tegen hun vader wordt weer opgevoerd. Kronos, een titaan castreert zijn vader Uranus en wordt zelf door zijn zoon Zeus vermoord. Maar hij wilde zijn vader geen kwaad doen. Hij was geen reus en geen oppergod. September 2017 Hij loopt door de straten van zijn studententijd. Waar is hij naar op zoek? Het was vijftig jaar geleden een tijd van breken, uitbreken, gebroken worden en weer samenrapen. De charme van oeroude, gelijmde vazen. Ze winnen aan waarde omdat men iets oud heeft gered. Maar oeroude breuken in een familie worden gelijmd herontdekt en moeten soms weer worden gebroken voor een betere restauratie. There is a crack in everything, that’s how the light gets in, zingt Leonard Cohen. Is date en variante van God die spreekt als licht in de duisternis. Hij wil ontdekken hoe God tot hem heeft gesproken door de breuken in zijn leven. Hij loopt langs zijn kot aan de vismarkt. Daar ontving hij voor het eerst zijn liefste op zijn kamer. In die bewuste confrontatie met zijn vader repliceerde hij met een duidelijke stem: “Ik kan daar niet mee akkoord gaan va, ik hoop dat er nog iets anders mogelijk is.” Hij nam het speelkruis van de marionet in eigen handen, ze viel niet langer slap in een rechtstreekse confrontatie. Het was niet langer zijn vader die aan de touwtjes trok en het bracht tot zijn verrassing enige rust van binnen. Was hier een spreken van God te horen? Iets van binnen dat hem een eigen weg beloofde? Via bemiddeling van een priester kwam er een derde oplossing: hij mocht zijn lief één keer per maand zien op zondagmorgen na de hoogmis van de Bond van het Heilig Hart. Alle bemiddelaars waren tevreden met iets dat voor hem onaanvaardbaar was. Eens de mens het vuur had ontdekt, bewaakte hij het met de meeste zorg, zodat het nooit nog doofde. Sprak God nu via die priester of via zijn gevoel? Die priester zal beslist wel hebben gedacht van iets goed te doen. Maar is dat denken een garantie dat het goed is? Het was in elk geval het begin van het einde van de relatie met die man. Een maand na de bemiddeling. Vader riep hem bij zich. Hij kon vermoeden waarover het zou gaan. ”Ge hebt u niet aan onze afspraken gehouden. Ge zijt ongehoorzaam en zondigt tegen het vierde gebod. Als oudste zoudt gij het voorbeeld moeten zijn voor uw broers en zusters. Daarom is het mijn plicht om op te treden. Ik wil u hier niet meer zien in mijn huis als ik morgen na de mis thuis kom.” Hij stond op en ging naar bed. In zijn dagboek schreef hij: “Mijn God, ik wil niet dat mijn vader ongelukkig is door mij, maar ik kan daar niets aan doen.” En wat verder ”Heeft Uw Zoon niet gezegd dat wie zijn vader en moeder niet haat en niet met hen breekt, zijn volgeling niet kan zijn? Ik weet niet hoe letterlijk hij dit heeft bedoeld, maar ik begrijp dat een jonge mens de plicht heeft om naar Uw stem te luisteren, om zijn eigen levensweg te vinden. Mijn God, help ook mijn vader en moeder in deze moeilijke tijd.” Een beetje later schreef hij een brief aan zijn vader waarin hij naar deze evangelietekst verwijst. Een week later reeds, kreeg hij een brief terug. “Als ge uw plaats in het gezin weer inneemt onder mijn vaderlijk gezag, zal ik u met open armen ontvangen, als een zoon die verloren was en is teruggekeerd, zoals in de parabel van de Verloren Zoon.” Hij las de brief aan Marleen voor en hij concludeerde:“met die brief bewijst mijn vader dat hij er niets van heeft begrepen.” “Misschien heeft uw vader het ervaren dat ge hem de les wou lezen en pikt hij dat niet,” nuanceerde ze. Hij perste zijn lippen op elkaar en knikt. “Ik heb hem met de bijbel om de oren geslagen. Stom van mij.” Het begin van dit alles lag twee jaar eerder, in oktober 1967. Onder invloed van een tante in het klooster was zijn vader akkoord gegaan dat zijn oudste drie kinderen een danscursus volgden. Er ging een nieuwe wereld voor hem open. Hij vergelijkt het nu met Prins Siddartha die lang was opgesloten in het paleis van zijn ouders. Ze wilden hem weghouden van de ellende buiten, die als een bedreiging voor zijn toekomst werd gezien. Op de danscursus ging de tot dan toe verboden wereld open. De meisjes, die bloeiende bloemen, die dansende libellen, die zingende sirenen… Hij glimlacht bij de woorden die deze herinnering wakker schudden. Maar hij bond zich niet vast aan de mast van zijn schip zoals Odysseus maar maakte zich los van de mast waaraan zijn vader hem had gebonden. Hij stopte zijn oren niet dicht en luisterde naar wat zijn vader had verboden. Zijn ogen en zijn hart gingen open en hij ontdekte iets mooiers dan de mythe, die zijn vader scheen gelijk te geven: als je toegeeft aan het verlokkende lied van de sirenen, is dat je ondergang. Hij ontdekte de liefde. Hij danste en zong ze uit. “Ik zal het hem bewijzen,” klonk het stoer. Hij keek naar zijn liefste en glimlachte. Ze stuurde hem van in bed nog een kusje en sloot haar ogen, de lieve schat. “En nu, vooruit!” Hij drukte op de knop van zijn bureaulamp en deed de verlichting van de kamer uit, zodat ze haar niet stoorde. Met zijn vinger gleed hij over de regels op zijn blad. Als een rups verslond hij de woorden en zinnen. Hij beet zich een weg tot op de nerven. Een uurlang onderstreepte hij en krabbelde neer wat hij begrepen had. Zijn lippen bewogen terwijl hij zacht de inzichten verwoordde. Twee uur later. “Zo kom ik er nooit,” dreigde een stem die hem moet aanvuren. Wanhoop stak als een sluipwesp in de rups. Er moest nog zoveel gebeuren. Hij trok zich aan de haren en sloeg zich in het gezicht. Hij trok nu zelf aan de touwen van de marionet: “Vooruit. Doe voort.” Hij speelde hetzelfde marionettenspel als zijn vader. Komt hij hier niet op één van de gelijmde familiebreuken? Zijn ambitieuze vader was tweemaal in zijn studies mislukt en de derde had hij omwille van de oorlog niet kunnen afwerken. Hij laat de film verder rollen. De marionet vloog heen en weer en geraakte helemaal verstrikt. Het werkte niet meer. De touwen en draden werden een knoop, niet te ontwarren. Helemaal verward, ging hij languit op de grond liggen, op zijn buik, de armen wijd uitgespreid. “Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten,” zuchtte hij. Hoopte hij dat God het speelkruis in handen zou nemen en de marionet weer in beweging zou brengen? Hij krabbelde recht en zette zich met de rug tegen het bed en omarmde zijn opgetrokken knieën en legde er zijn hoofd op. Het is genoeg geweest. De rups had haar plek gevonden en begon te spinnen. “Mijn God, Mijn God, sta me bij.” De rups spon zich helemaal in een cocon. Er kwam enige rust. Nam God het nu echt over? Zelf wist hij niet hoe het nu verder moest? Op dat moment werd zijn liefste wakker en streelde hem. Een kleine lichtstraal door de crack. Hij deed de bureaulamp uit.   Naar de pastoor Het is een zonnige zaterdag. Een jongen in zijn korte ribfluwelen broek. Zijn vader heeft een hele rol van zwart ribfluweel in stock. “Onverslijtbaar” noemt hij ze. Hij laat er alle broeken voor zijn zonen van maken, door een kleermaker die een klant is. Hij kocht de stof tijdens de Suez crisis, de schaarste van de wereldoorlog nog vers in het geheugen. Zo staan er in de kelder nog een hele voorraad cornedbeef in blik en dozen van grote blokken Sunlight zeep. Hij springt op zijn fiets. Het is zijn eerste herenfiets met een baar die hij voor zijn twaalfde verjaardag heeft gekregen. Hij rijdt in de richting van de kerk. Hij doet dit geregeld want zijn grootouders wonen vlakbij de kerk. Elke eerste vrijdag van de maand gaat hij naar de mis van 6u30. Hij zet dan zijn velo in de poort van zijn metje en gaat samen met haar naar de kerk. De eerste vier jaar woonde hij samen met zijn ouders in een twee kamer huisje, een vroegere stal aangebouwd aan het woonhuis van zijn grootouders. Er lagen nog geen tegels op de vloer. Elk jaar kwam er een broer of zus bij. En toen zijn moeder zwanger was van het vierde, zei ze geregeld: “Ga jij maar bij metj spelen.” Dat deed hij met plezier want hij kreeg er altijd wel een snoepje en zijn jongste tante knuffelde hem. Hij bleef er vaak ook slapen. Metj leerde hem zijn eerste schietgebedje: Heer Jezus, kom in mijn hart, doe erin al wat u behaagt en doe eruit al wat u mishaagt.” Het leek alsof ze hem een geheim verklapte, een gebed voor ingewijden. Er ontsnapte geen enkele beweging van haar lippen. En na twee keer kon hij het zelf opzeggen. Hij glunderde. “Ik ben blij dat ik drie dochters in het klooster heb,” vertrouwde ze hem toe, “maar ik vind het spijtig ik geen priester heb. Uw vader als oudste moest het normaal worden, maar hij was daar niet voor geschikt.” Als een honingbij wordt hij opgenomen in het hart van een bloem. Aangezogen door de zoete nectar van haar liefde, kijkt hij haar met grote, open ogen aan. “Metj, als ik groot ben, wil ik wel priester worden.” Vandaag is het om een heel andere reden dat hij die richting uitrijdt. Schichtig kijkt hij op zij naar het huis van Godfried, om zich dan snel weer over zijn stuur te buigen. Hij hoopt dat niemand hem ziet. Er komt iemand uit het postkantoor, maar hij kijkt strak voor zich uit. Hij wil niet zien of iemand hem opmerkt en hem herkent. Hij komt voorbij het klooster met daar tegenover de jongensschool waar hij tot voor een paar jaar naar de school ging. Hier begint de dorpstraat met haar kasseien. Zijn fiets rammelt. “Wat een lawaai,” dreunt het van binnen. Met de blik op de weg gefixeerd, probeert hij de meest hobbelige stenen te vermijden. Op een trektocht met KSA bleven Godfried en hij in een pas gemaaid korenveld achter. Het is een warme, zonnige dag. Het ruikt naar het verse stro. Ze liggen naast elkaar en met hun blote benen stoten ze elkaar aan. Ze spelen met het stro en met een strootje zoeken ze een weg in elkaars broek. Later ook met hun handen. Hij rijdt net voorbij één van de dorpscafés. Hij hoort het liedje “Brigitte Bardot, Bardot”. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en bijt op zijn tanden in een grimas om zijn oren en ogen af te sluiten. Zijn lichaam reageert zo gevoelig op dit soort zaken. Op school zinspeelt de leraar geregeld op dit soort dingen. Ze lachen dan allemaal. “Zouden andere kinderen van de klas ook vuile manieren doen?” vraagt hij zich dan af. Er wordt altijd wat lacherig over gedaan. In de godsdienstles heeft hij geleerd dat het de zonde van onkuisheid is, een doodzonde. En wie in doodzonde sterft, gaat naar de hel. Hij leerde ook dat in doodzonde te communie gaan heiligschennis is en op zijn beurt een doodzonde. Te biechten gaan zonder uw doodzonden te biechten ook. Het wordt een karrenvracht die niet meer te overzien is. In het begin voelde hij zich onnozel dat hij nog niet wist wie Sint Maarten was, toen vader het hem vertelde. Nadien glunderde hij omdat hij het niet aan de kleinere kinderen mocht verklappen. Een geheim onder grote mensen. Maar zijn nieuwe kennis is een vat vol gevaar. Beschaamd houdt hij het verborgen en hij sprak er nog met niemand over. In bed ligt hij al een tijd te woelen. Het beeld van het hellevuur verontrust hem. Het sublieme idee is gekomen toen hij tijdens de communie Gods hulp vroeg. Het was in een mis die de pastoor opdroeg en waarin hij preekte over Jezus die samen met zondaars ging eten. “Jezus is gekomen om de zondaars te redden.” Bij die woorden besluit hij ineens om naar de pastoor te gaan en alles gewoon op te biechten. Alles ineens. Daar is de pastorij. Hij zet zijn velo tegen de hoge bakstenen muur die het domein omgeeft. Hij kijkt niet meer rond en stapt naar het hoge wit geschilderde metalen hek. De spijlen eindigen bovenaan in puntige uitsteeksels. Voorzichtig duwt hij de klink naar beneden. Hij ademt diep in, werpt een vluchtige blik op de straat en sluit voorzichtig het hek om geen lawaai te maken. Hij struikelt bijna over zijn voeten. Met trillende benen begeeft hij zich op het geplaveide pad naar de imposante pastorij. Hij trekt aan de hendel van de bel. Een klokje klingelt. Het is een vrouw die opendoet. Hij deinst achteruit. De woorden in zijn hoofd waren naar de pastoor gericht. “Het is wel voor meneer pastoor, mevrouw.” Ze knikt vriendelijk. “Ja, die woont hier ook. Ik zal hem eens roepen,” zegt ze lachend. Hij wordt rood. Hij staart naar beneden. “Kom toch binnen,” maant de vrouw hem aan. In de hoge gang, met grote witte en zwarte tegels staat hij te wachten, vlakbij een groot kruisbeeld. Er hangt een geur die hij niet kent. “Dag beste vriend.” Een zware mannenstem. De oude pastoor lijkt van dichtbij nog ouder dan in de kerk. Hij loopt gekromd, met wit grijs haar en een klein brilletje op zijn gerimpeld gezicht. Dat lange zwarte kleed en die witte boord. Het maakt de jongen heel klein. De pastoor schuift een stoel wat van de tafel. “Ga maar zitten en vertel het eens.” Hij duwt dadelijk op de pijnlijke plek, een rood gezwollen puist. “Meneer pastoor, ik ben…” De woorden blijven steken in zijn droge keel en hij slikt. “Ik ben in doodzonde.” Het floept er ineens uit, als de etter die er wordt uitgeduwd. De zweer was rijp. Nu nog de zalf om te genezen. “En ik wil alles biechten.” Het grijze hoofd kijkt ernstig. “Dan gaan we naar de biechtstoel.” De jongen heeft nog geen biechtstoel gezien. Een beeld met de pastoor, met hun twee te voet op weg naar de kerk, dringt zich op. Mensen die naar hun kijken. Hij verkrampt en zijn hoofd trilt “neen, dat niet.” “Kom maar naar hier,” de pastoor wijst hem een speciale stoel. Een diepe zucht. De pastoor zet zich op een stoel voor de bidstoel. “Ik luister.” “Eerwaarde vader, zegen mij, want ik heb gezondigd.” Het rolt er zo uit als het refrein van een lied, een somber lied. Nu begint het moeilijkste deel. Hij weet bij benadering niet hoe vaak hij al die doodzonden heeft bedreven, en dat moet je er normaal bij zeggen. Hij had zijn kar vol zonden tot hier getrokken en hij zou ze leeg maken. Hij haalt diep adem, de ogen gefixeerd op het plankje waar zijn handen op rusten. “Ik heb de zonde van onkuisheid bedreven, ik weet niet meer hoeveel keer,” hij gaat nu door, het moet er allemaal uit, “en ik heb dat nooit gebiecht als ik te biechten ging en ging zonder te biechten te communie en ik weet niet hoeveel keer dat allemaal is gebeurd.” In één ruk braakt hij alles uit. Een zieke die overgeeft en zijn zieke maag ontlast. “Heb je die zonde tegen het zesde gebod alleen of met anderen gedaan?” Daar was hij niet op voorbereid, om details te moeten vertellen. “Allebei, meneer pastoor. Soms doe ik het alleen, soms met een kameraad.” Hij aarzelt. Kan hij de naam van Godfried wel verklappen? De pastoor kent Godfried goed, want hij is misdienaar. “En wie is die kameraad? Die moet ook geholpen worden, nietwaar.” Zo had hij het nog niet bekeken. Dat is waar. Godfried moest ook worden geholpen. Daar had hij nu de kans voor. Misschien kan de pastoor een steun zijn om Godfried van het lijf te houden. Die dringt altijd aan en hij kan zijn handen niet afweren. Nog niet. “Het is Godfried, meneer pastoor.” “Het is goed dat ge alles hebt gebiecht. Ik ga u nu een goede raad geven. Als de drang om te zondigen opkomt, dan moet ge u geselen. Dan zal dat overgaan. Op het einde maakt de pastoor het verlossende gebaar en zegent hem ”in naam van God vergeef ik u uw zonden. Ego te absolvo….”. De priester staat op en wenst hem proficiat. Hij glundert. “Bedankt, meneer pastoor.” Hij springt op zijn fiets. Hij vliegt vooruit, zoveel lichter. Recht naar het huis van zijn grootouders. Ze wist zijn zweet April 1968 “Ik voel me rot vandaag, Hendrik, heel rot,” het komt er uit met veel nadruk op rot. Haar gezicht is gespannen. In haar ogen hangen donkere wolken die elk moment kunnen breken. Ze draait zich om en wast enkele glazen uit.   Hij kijkt op haar rug, zijn gezicht in een frons vol vraagtekens. Wat is het dat haar zo belast? Hij had er zo naar uit gekeken om haar terug te zien, sinds hij haar enkele weken geleden zijn liefde bekende. De voorbije weken komen als een sneltrein voorbij. “4 april. De moord op Maarten Luther King? Allebei, schreven ze elkaar onmiddellijk hun woede uit. . “Dat iemand die zo opkomt tegen onrecht, wordt vermoord, godverdomme!” Hij had Kings verhaal over de Rijke Dwaas nog gebruikt in een misviering voor zijn jonghernieuwers van KSA. Een oproep om het materiële niet tot levensdoel te maken Gerolf of Gerard? Mijn liefdesverklaring? Ligt het aan mij?” Zijn maag knijpt samen. “Wilt ge erover spreken, Marleen?” De toon verraadt niets van de laatste gedachte. “Met wie anders kan ik daarover spreken, Hendrik?” “Oef!” Nu staat zijn hart helemaal open. Hier mag ze haar ellende in woorden uitstorten. “Gerolf, heeft me gedwongen om het weer aan te maken. Ik heb volgens hem het recht niet om hem te dumpen. Ik ben bang van hem.” Het raakt hem. Hij ziet gelijkenis tussen Gerolf en zijn vader. De vrouw moet haar man volgen. Er is zo weinig genegenheid. Enkele weken geleden liep hij Gerolf onverwachts tegen het lijf. “Ge kunt van geluk spreken dat gij haar niet van mij probeert af te pakken,” had hij nors gezegd, langs zijn neus weg. “Ik begrijp dat ge bang zijt van hem, maar liefde kan toch niet gedwongen worden, Marleen. God heeft de mens vrij geschapen en het is de liefde die een mens vrijmaakt.” Ze hebben vaak over God gesproken. Voor hem is het leven een leven in dienst van God om bij te dragen tot een betere wereld. Ieder met zijn talenten. “Gij hebt mij geholpen om God opnieuw te ontdekken,” zei ze eens. “Een liefdesrelatie is geen boksmatch waar de sterkste de andere dwingt tot overgave door de nodige klappen.” Ze knikt en het moedigt hem aan om nog even in dat beeld te blijven. “Ge klinkt alsof ge in de touwen hangt.” “Liefde moet gedragen zijn door wederzijds respect, Marleen.” Een tijd geleden beklaagde hij zich nog dat hij in zijn ontwikkeling achterop liep omdat hij nog nooit een lief had gehad. Misschien helpt het hem nu om vol liefdesvuur woorden uit boeken tot de zijne te maken. “Gerard, is nog een groter probleem. Hij heeft me een brief geschreven dat hij zelfmoord pleegt als ik hem afwijs.” Ze trekt haar schouders omhoog en steekt haar open en lege handen voor zich uit. “Maar ik ben niet verliefd op hem.” Ze laat de handen zakken en krijgt vochtige ogen. “Ik kan er niet tegen dat iemand door mij ongelukkig is. Wat moet ik doen?” “Het is uw goed hart dat spreekt, Marleen, maar in de liefde moet een mens in een zekere zin...hoe moet ik het zeggen…wat egoïstisch zijn. Het is misschien raar om dat te zeggen. Enfin, ge hebt medelijden met hem maar dat is geen liefde. En wat hij doet dat is volgens mij, sorry hé, emotionele chantage, en ook geen liefde.” Emoties, woorden en beelden schieten als bliksems in de oersoep van zijn diepste zijn. “Hij plakt op haar. Een parasiet die haar leegzuigt. Ze moet hem van zich aftrekken. Of iemand anders moet het doen.” “Kent ge niemand die hem zou kunnen helpen?” Ineens komt het eruit. “Dat is het. Ik ga Miel en Marie-Rose inschakelen. Dat is een pracht koppel, Hendrik. Ge zoudt ze moeten leren kennen. En zij kennen Gerard goed.” Het is de sleutel voor de deur die volledig op slot leek. Er daalt een rust over de wereld. De bliksems hebben hun werk gedaan. De zon schittert weer in haar ogen. Het land vruchtbaarder dan voordien. In zijn dagboek. Mijn lieve God, ik weet niet hoe het met Marleen zal verder gaan. Misschien moet ze zich eerst van Gerolf en Gerard bevrijden. Heb ik ook niet een omweg gemaakt voor ik ontdekte dat ik in het diepst van mezelf op haar verliefd ben. Kan het zijn dat zij ontdekt dat ze op mij verliefd is, nadat ik haar hielp met die twee? Worden we niet vaak van ons diepste zijn afgesneden door oppervlakkige zaken. Waren die snelle verliefdheden niet heel oppervlakkig als ik ze vergelijk met de diepe vriendschap die er tussen Marleen en mij bestaat? Een week later. Het is dansavond. Er wordt wat afgedanst. Hij staat helemaal in het zweet. Zijn hemd is doordrenkt. “Mijn winterroosje, verlaat me niet meer.” De wals die hij met Marleen draait, mag blijven duren. Van waar het komt weet hij niet, maar hij heeft er zelf plezier in als hij zingt “mijn wilde roosje, verlaat me niet meer.” Het zingt en swingt doorheen zijn hele lijf. De hele wereld draait rond hun. Er is geen plaats voor andere gedachten of gevoelens dan euforie. Een kwartier geleden fluisterde ze in zijn oor “het is definitief gedaan met Gerolf en Miel zal Gerard aanspreken. Bedankt voor uw hulp, Hendrik.” Ze rusten niet. De ene dans volgt op de andere. Ze laten elkaar niet meer los. Een korte pauze om iets te drinken. Tijd om met een zakdoek zijn zweet weg te nemen. Een rustige slow lokt hen weer op de dansvloer. “Ik droom voor jou in groen en blauw een eiland in de zon.” Tot nu toe dansten ze met een zijwaarts gestrekte arm en met de nodige afstand. Maar nu legt ze dadelijk haar handen rond zijn nek. Het voelt even onwennig. Een heel kort moment. Hij legt zijn handen om haar middel en beseft dat er iets is veranderd. Ze neemt een zakdoekje en wist zijn zweet. Hun lichamen vleien zich tegen elkaar aan en ze legt haar hoofd tegen zijn borst. Ze zingen zacht mee:“ waar iedereen nog weet waarom de liefde liefde heet. En waar ik jou in groen en blauw steeds in mijn armen hou.” En de fluite gaat 4 april 1971 “Klein soldaatje, groot soldaatje, laat ons flink marcheren en de trommel slaat en de fluite gaat…”Als een onvoltooid lied verspreidt zich de melodie door de hemelsferen. Hun gebaren verstijven. Marleen en Hendrik zijn op huwelijksreis vertrokken met haar broer en zijn vrouw en hun kleine Pietje. Het gaat richting Spanje, waar Hendriks vader een appartement heeft. Ze zingen heel hun Vlaamse liederen repertorium. Pietje zingt mee. ” In een bosje staat een huisje, keek eens door het vensterraam.” Het kind zet zijn handen als een verrekijker voor zijn ogen en kijkt door het raam naar buiten. En als het gedaan, stelt hij zich recht achter de zetel van zijn mama en zegt ferm:” nog een liedje.” Het wordt klein soldaatje, groot soldaatje. Wat er toen gebeurd is, weet hij niet. Als hij de ogen opent, komt hij uit een rondtuimelende droom en herkent niets van de omgeving waarin hij ontwaakt. Hij is opgesloten in een kooi en zoekt hoe hij er kan uit klauteren. Iemand van buiten helpt om de kooi te openen. En als een dier kruipt hij op handen en voeten naar buiten. “Waar ben ik?” stamelt hij. De mensen verstaan hem niet. Ze spreken Frans. Iemand brengt hem een stoel. Steeds meer wijkt de droom en herkent hij hun auto die op zijn dak ligt. “Ma femme,” fluistert hij en smeekt dat ze haar uit het wrak halen. “We zijn pas getrouwd.” In de ambulance zit hij naast de chauffeur en achterin ligt nog iemand. Hij draait zich om en herkent zijn Marleen aan haar groene pull. “Dag liefke.” Ze kreunt iets terug. “We mogen van geluk spreken, liefste dat we nog leven. Het had veel erger kunnen zijn. We hebben elkaar nog.” Toen ze haar in het ziekenhuis onderzochten, herkende hij haar aan het litteken op haar buik. 3 april Ze slapen bij haar ouders gaan slapen, in haar vroegere kinderkamer. De eerste keer sinds ze getrouwd zijn. Er wordt nog nagekaart over de vreugde waarmee die hele dag is verlopen. “Uw vader was ook in een goeie bui, Hendrik,” zegt vake, zijn schoonvader. “Vanaf nu mag je ons vake en moeke noemen net als onze dochter,” zegden ze hem de dag na de bruiloft. “De hele familie is gelukkig dat alles is bijgelegd tussen ons. Mijn twee tante nonnen zijn er mij voor komen bedanken.” Er is gezongen en gedanst. De openingsdans hebben ze gewalst op hun eerste lijflied “oh winterroosje verlaat me niet meer.” Ze zwierden over de dansvloer. Ze genoten van de vele blikken. Ze wilden iedereen laten genieten van hun liefde. “O wilde roosje…” Iedereen kon hen bewonderen. In haar witte bruidsjurk was ze de mooiste van alle Griekse nimfen. Het begin van een sprookjeshuwelijk. De verloren gewaande zoon die terugkomt in het land van zijn vader. Als een prins in een gouden koets, getrokken door vier witte paarden en naast hem de mooiste prinses. Het bed waarin ze haar hele jeugd heeft geslapen, is nu hun bed. Morgen is het Palmzondag en begint hun huwelijksreis naar Spanje. In de sterkst mogelijke woorden spreken ze hun liefde en hun geluk uit. Hij neemt haar hand in de zijne. “Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit nog een andere vrouw kan lief hebben. Als ik alleen val, moet ik nooit nog een andere vrouw hebben. Ik zou ze altijd met u vergelijken en dat zou haar te veel pijn doen.” “Ik bid God dat ik voor jou mag sterven, lieveke. Ik zou niet verder kunnen leven zonder jou. Willen we samen God danken dat Hij ons aan elkaar heeft gegeven?” “Lieve God en lieve Marleentje, ik dank jullie allebei voor het geluk dat ik mag ervaren. God, ik vraag u om ons te helpen dat we onze liefde, die ook Uw liefde is, kunnen uitdragen naar alle mensen waarmee we in contact zullen komen.” “Lieve God en lieve Hendrik, mijn man. Ik heb er geen woorden voor om jullie te danken voor wat jullie voor mij betekenen. Ook ik wil mij levenslang inspannen om andere mensen de liefde te leren kennen die mij te beurt valt.” 4 april 1971. Pamlzondag. Ze zijn al heel vroeg op. Ze maken hun picknick klaar. Ze gaat hem voor door de donkere gang naar de winkel en doet het licht aan. Zij snijdt als volleerde winkeljuf de plakken kaas. Hoe vaak heeft ze haar Hendrik hier kaas en salami meegegeven in de periode van de problemen met zijn vader. Buiten lopen enkele mensen naar de kerk. Twee aan twee. In hun beste pak, een hoedje op, met in hun handen palmtakjes. “Hé, liefke, ’t Is Palmzondag. Groot feest voor Jezus.” En op zijn typisch kritische toon:” maar over enkele dagen zal hij sterven.” “Laten we het vandaag bij het feest houden, Hendrik.” Eurydice, de schoonste van de waternimfen was verliefd op het mooie gezang van Orpheus. Kort na hun huwelijk sterft ze. De zanger die nog maar pas de bruiloft had opgeluisterd door zijn muziek, zingt nu zijn onnoemelijk verdriet uit. De hele wereld wordt er door geroerd. Alle andere kwellingen en obsessies vallen weg en ruimen plaats voor het oeverloze verdriet. De bomen komen in een kring rond hem staan en buigen zich naar hem toe. Zelfs de onderwereld opent zich. Hij vangt een glimp van zijn geliefde op en hij smeekt de goden “geef me mijn geliefde terug.” Hij is overtuigd dat ze dit niet kunnen weigeren als ze zien en horen hoe groot hun liefde is. Hij zingt en roept de god van de onderwereld toe: “heeft niet de god van de liefde ook macht over het dodenrijk?” 12 april 1071. Paasmaandag. Hij ziet haar liggen op een draagbaar. In een wit kleed, haar bruidskleed. Ze ligt op een bed van bloemen. Vier engelen dragen haar naar het midden van de hemel. Er wordt gezongen en muziek gemaakt. De hemel is in feest. Ze komen vlakbij God. Hij reikt haar de hand en ze staat recht. “ God, Gij hebt mij deze vrouw geschonken als een geschenk van uw liefde. Ik geef ze U nu terug. Er zal veel vreugde in de hemel zijn, want ze is een fantastische mens. Bedankt dat ik haar drie jaar heb mogen hebben.” Hij straalt terwijl de film zich ontrolt. Naast hem zit zijn oudste tante non. Volkomen stil. Orpheus zingt zo mooi dat hij zijn geliefde te zien krijgt en haar mag meenemen naar de aarde. De god verwittigt hem dat hij haar moet voorgaan doorheen de donkere weg en pas naar haar mag omkijken als zij volledig in het daglicht is aangekomen. Dan volgt een lange weg, door stille duisternis. Eurydice volgt geruisloos haar geliefde. Hij vraagt zich geregeld af of ze er nog is. Als hijzelf het zonlicht bereikt, kan hij het niet langer houden en kijkt om. Hij ziet ze nog even, om haar dan onherroepelijk te zien wegzweven, met een onherkenbaar geruis. De eeuwige duisternis in. Als het uitstervend geluid van het lied van een fluit verliest hij zijn geliefde een tweede keer.      

Hendrik Van Moorter
41 0