Lezen

Vier vissen (verhaaltje voor het slapengaan)

Vier vissen zwommen ze waren op weg naar de Noordzee goede zwemmers waren het niet met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit   Bovendien had de Pladijs honger was de Kabeljauw moe verveelde de Pieterman zich en had de Zeebaars het koud   'Waarom zwemmen we niet achter elkaar' vroeg de Pieterman 'Zo naast elkaar vind ik maar saai'   'Goed idee' antwoordde de Kabeljauw 'Als we in elkaars staart happen kan ik wat rusten'   'Ik wil wel vooraan' zei de Zeebaars 'Dan krijg ik het warmer'   Vier vissen zwommen achter elkaar met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit   Maar de Zeebaars had het nu wel warmer de Pieterman meer plezier en de Kabeljauw kon wat uitrusten   Behalve de Pladijs die nog steeds honger had vond achter elkaar zwemmen maar niks 'Kon ik maar iets eten' zuchtte hij en keek omhoog   Aan het wateroppervlak vloog een vlieg voorbij hij had ze gezien en dacht 'die lust ik wel'   Met zijn bek open zwom hij ernaartoe en hapte in de lucht      hapte in het water            hij hapte          hapte          hapte             maar de vlieg was te snel ze vloog telkens weer        op            en                neer          op            en               neer   Al dat happen deed het water bewegen door de golven raakten de andere vissen achterop Ze moesten elkaars staarten lossen want goede zwemmers waren het niet   Vier vissen zwommen terug naast elkaar met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit en dankzij de vlieg waren ze nog steeds op weg naar de Noordzee

Sascha Beernaert
12 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (1)

  Aanvankelijk werd er niet eens gevloekt. Ik stond onder een onschuldige tuindouche. Op een andere foto drink ik cola met een rietje, aai ik een geit of zit een kuiken op het blad van een kinderstoel.   Jaren gingen voorbij, wezens kwamen langs, gisteren nog mensen om een aaibeest te bestellen, “liefst een reutje met een mooie kop” en tante zwom vorige zondag met Liesje, Loesje en drie kinderen in de vijver waarrond er brem en wilgen groeiden.   Ze graasden intussen, pikten wormen, zochten zaden, sliepen in hoekjes, tegen kantjes in een hok dat opgetrokken was uit hardhouten paletten, platen en asbestgolven op het dak waaronder een bok aan een ketting lag die zichzelf op de kop piste.   “Zolang hij vastligt, ben ik niet bang,” zegde moeder en vader had niet liever dat alles zich probeerde voort te planten. Voor de pony had hij nog geen oplossing gevonden.   Altijd leuk. Een veulentje op de kleine prairie. Heuveltjes lagen rond de vijver. Donkere aarde had men ooit afgegraven in een zoektocht naar rein zand en dat was er zowaar ook.   Een rustig wateroppervlak dreef daar, met eronder ondiep water, ontelbare kikkers, nog meer kikkervisjes in de late lente en een blauwe sproeimachine kwam wel eens haar tank reinigen.   Op die plaats, waar het ding zijn slang in de vijver legde, was alles dood. Geen kruid groeide er. Op die kale plek verried geen bloem de dader en ik was aan het graven.   In de aarde was het fris. In een heuvel zou een gang naar een ondergrondse verbergplaats leiden. “Zorg dat het niet instort,” zegde moeder terwijl ze de soep inschepte met volledige vingers.       Fingerspitzengefühl deel 1 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
23 0

TOEVAL

Wat was de lente ongewoon mild dit voorjaar. Dave neuriede zachtjes terwijl hij zorgvuldig een plekje avondzon op de stadsbank uitzocht. Van hieruit kon hij de bushalte in de gaten houden. Mooi meegnomen, dacht hij.   Zijn werkdag bij het Departement zat er op en nu volgde de uitdaging om de avonduren die zich voor hem uitstrekten zinvol in te vullen. Dave woonde op kamers in de studentenstad, hoewel hij al ver in de dertig was. Zijn huisgenoten, die hij ’s avonds slechts vluchtig in de gangen voorbij liep, vonden hem wellicht een wereldvreemde, enge man. Het liet hem onverschillig. Tenslotte zagen zij in hun bestaan slechts een fractie van het leven, hij daarentegen overzag het geheel.   Op de bank hield Dave zijn bruine tas strak tussen zijn knieën geklemd, hij haalde de restanten van zijn lunch uit zijn jaszak en begon langzaam de twee broodjes met kaas uit hun folie te wikkelen. De lauwe kaas rook muf, maar Dave at met smaak. Zijn metalen montuur bewoog opvallend mee met zijn kaken, terwijl hij bewust elke hap naar binnen kauwde. De straten en pleinen vulden zich intussen met flanerende mensen, vaak met een zalige glimlach om de lippen. Er hingen beloftes in de lucht. Hier en daar pikte Dave een flard van een gesprek op. ‘Dat meen je niet, echt?’ ‘Zullen we op het terras afspreken?’ ‘Een gin –tonic? Ja, dat zie ik wel zitten....’   Voor hem op de brede trappen zaten vier tienermeisjes, strak in jeans en met korte topjes aan. Ze droegen hun haar in een wrong in de nek. Ze leken wel inwisselbaar, zo sterk kopieerden ze elkaars gedrag en uiterlijk. In gedachten schepte hij ze alle vier met een reuzenhand op, schudde ze door elkaar als dobbelstenen en strooide ze dan opnieuw over het plein uit. Ze zouden dan elk een stukje van de ander hebben. De blonde op de benen van de zwarte, de zwarte met de borsten en het topje van de bruine krullenbol…Hij zou ook hun levens en liefdes kunnen inwisselen, omgooien, omruilen. Zorgen voor een tragische noot.   De laatste stukjes kaas en brood bleven aan zijn gehemelte plakken. Hij probeerde ze verwoed met zijn tong weg te halen, frommelde de folie in elkaar en kruiste de armen. Ja, het was ook voor hem een mooie dag geweest. Een vruchtbare ook voor het Departement. Zeven levens had hij vandaag met zijn momenten overhoop gehaald. Er zaten zelfs een vijftal geluksmomenten bij, de bazen waren kwistig geweest.   Op zijn twintigste was Dave begonnen op de sectie ‘Angstaanvallen’ en nu was hij na jaren inzet opgeklommen tot de afdeling ‘Cruciale, levensbepalende momenten’. Hij koos ze met zorg die momenten, hij had zich een reputatie opgebouwd.   Zijn collega’s maakten er zich snel vanaf met slordige verkeersongelukken, mailtjes of gsmgesprekken. Zo niet Dave. Hij orchestreerde zorgvuldig de cruciale dagen. Hij bestudeerde de profielen van de levens die hem door zijn werkgever werden bezorgd en zorgde voor een creatieve invulling, voor afwisseling. Voor verwarring ook. Profielen en momenten paste hij naadloos in elkaar.   Barensweeën liet hij bijvoorbeeld beginnen op het moment dat de toekomstige vader, met een passie voor vliegen, op zakenreis onbereikbaar boven in de lucht hing. Of hij orchestreerde een spontane treinstaking op het moment dat zijn profiel op weg was naar een doorslaggevend sollicitatie-interview bij de spoorwegmaatschappij. Of hij liet een anesthesist 1 minuutje het operatiekwartier verlaten om op zijn smartphone wedstrijdresultaten te raadplegen. 1 fatale minuut voor de professionele voetballer die binnen op de operatietafel lag.   Coherentie én variatie in de dramatiek dat was de sleutel tot zijn succes. Op het Departement herkenden ze intussen ‘de hand van de meester’. Dave grinnikte en wiebelde met zijn benen, een kleine frivoliteit die hij zichzelf die avond toe stond. Bijzonder tevreden was hij met de enscenering van zijn afsluiter voor vandaag: een 17-jarige overmoedige jongen uit het derde jaar Elektriciteit was een stilstaande treinwagon beklommen. Bij het rechtstaan had hij een geladen kabel geraakt. Zijn vrienden hadden de stunt met hun mobieltje vast gelegd. Ja, je kon wel zeggen dat hij zin voor detail had.   Dave stond op, mikte de plastic folie in de overvolle vuilnisbak en liep wijdbeens weg in de richting van de bushalte. De zon ging onder. De overstap naar de afdeling ‘Rampen en genociden’ lag voor hem open. Zijn moment.

Hilde Devoghel
0 0

Verrassend Brussel

Het is waar, je was de stad wat moe.Ze bruist nog hier en daar, maar de slechte smaak overheerst. Kijk maar naar de wansmakelijke kerstversiering van de laatste jaren en de vreselijke disco-light-show op de Grote Markt. Je hebt jezelf gedwongen om met een schrijfkans mee te doen waardoor je op een voordrachtnamiddag belandt in het hart van de stad. Je nodigt iemand uit die al te graag een stukje van Brussel wil zien. Het weer valt tegen en maakt de stad nog troostelozer. Maar dan volgt een eerste surprise. Je ontdekt een winkel op het Vossenplein. Het blijkt een schatkamer aan kledij uit vroegere tijden. Hier zou je nog uren kunnen rondsnuffelen. Van hoeden met veren en jurken waarin diva’s ooit op de Brusselse podia schitterden tot zware kazuifels waarin kerkoversten pronkten in Brusselse kathedralen. Bij het verlaten horen geestdriftige klanten het slechte nieuws:  de zaak sluit weldra de deuren.  Moet dit niet beschermd worden en tot werelderfgoed uitgeroepen? Na balletjes met stoemp en kriek in ’t Goudblommeke,  één van de pareltjes uit het Brussels verleden volgt de voorleessessie  en een gastbabbel over haar Tutti Fratelli project van de iets ruwer ogende maar niet mindere diva Rheinhilde Decleir.  Met haar obligate bloem in heur haar zingt ze een liedje uit haar Nieuwe Sceneperiode. In het Aantwaarps, of wadachte?  Zij zou nog staan in één van de ruimere  jurken van daarstraks, de kazuifels niet te na gesproken. Iets later glijd je over het eerder genoemde mooiste marktplein van Europa.  De kinderkopjes zijn glad van het vocht. Een troost:  gelukkig is de kerstboom echt. Onbewust stap je nu in de goede richting. In de Koninginnegalerij is de kerstversiering iets smaakvoller, dat mag ook wel in dit peperdure winkelcomplex. Eindelijk dan toch een stukje authentieke kerstsfeer:  in de prinsengalerij verrast  een heus mannenkoor je met kerstliederen. Je vervolgt je tocht en dan krijgt het onbestemde ronddwalen plots een doel:  ‘A la Mort Subite’, een tweede parel aan de Brusselse kroon. Beroemdheden zijn en waren er kind aan huis, waaronder Maurice Béjart, Franse choreograaf, die de danswereld in België tot ongekende hoogten tilde. Hier is geen muziek, dit is een praatcafé, een ontmoetingsplek bij uitstek waar men hoofzakelijk komt  om: gezien te worden, te discussiëren, te zwansen met het toffe personeel, te genieten van de beste bieren die België te bieden heeft. Je zet je snel aan het eerste vrije tafeltje bij de ingang naast het koppel waarvan de vrouwelijke helft perfect beantwoordt aan het eerste criterium: opvallen! Een sympathieke pinguïn-ober ruimt het tafeltje.  Er is teveel tocht en je verzet je naar de tafelrij in het midden van de zaak. Ondertussen is het koppel vertrokken.  Nu zit er een oudere dame in haar eentje  naast een foto van de jonge Jacques Brel. Ze praat aldoor in zichzelf,  neen ze heeft géén gsm,  maar weet zo dat ze het tenminste tegen een intelligent persoon heeft en bevestigt op die manier het tweede criterium: discuteren! Je bent van plaats veranderd waardoor de eerste ober je zoekt en met een kwinkslag overdraagt aan zijn collega van de middenbeuk.  Het derde criterium is een feit: zwansen! Straks is het Kerstmis, dus kies je een Barbe de Noël van de Brouwerij Verhaeghe.  Goede keuze, zo blijkt en meteen is het vierde criterium beslecht: genieten! Drie tafeltjes verder krijg je plots een groepje jonge mannen in het vizier.  Eén ervan kijkt je kant op en dan merk je het.  Voor alle zekerheid kijk je nog eens richting de oude dame aan de ingang, die nu, nog steeds pratend, aanstalten maakt om te vertrekken.  Er is de foto van Brel en nu weet je het zeker.  De jongeman lijkt, althans van ver, sprekend op  Brel.  Als hij dan ook nog een onaangestoken sigaret in de mond neemt en je hem zijdelings bekijkt, lijdt het geen twijfel.  Dit is de ‘sosie’ van de jonge Jacques. Als Kerstekind kan dit tellen. En dan besef je:  hoe je het ook draait of keert,  Brussel verrast telkens weer.      

Vic de Bourg
38 2

Wat een geluk

Kerstmis. Kerstdag. Dag waarop men bij uitstek niet alleen mag zitten. Nodig een eenzame uit Zij slaat alle uitnodigingen af. Ze is alleen. Niet zielig. Binnen handbereik – niet verder dan een telefoontje, een korte rit – weet ze geliefden, met koffie, wijn en warmte. Indien gewenst. Niet nu. Hier is zij. Zelf. In haar eigengemaakte comfortabele warme zelfje. Nest. Huis. Thuis. Ze past erin, het is net goed. Dit vinden in zichzelf is het grootste kerstgeschenk. Samen met het nieuwe apparaat dat mooie liedjes speelt . ‘Forget me not’, in het Japans (Utaka Ozaki) die man was keigoed *. Ze verstaat niets van zijn taal, maar ze begrijpt het hele lied. Ze luistert, huilt tranen zonder dat ze ze weg moet vegen. Niemand vraagt wat er is. Er is niets. Ze wordt graag ontroerd. Wat is het fijn dat dit kan, zo zitten in haar eentje en huilen gewoon omdat ze er zin in heeft. Vijf minuten later begint ze haar eigen zumbagroep. Ze geeft zich. Heupwiegen en kontdraaien en headbangen. Loeihard meezingen : ‘I believe’ van Yolanda Adams. Ojee. Ze is een ster, schittert voluit. Dan een trage op haar eentje. (Lara Fabian.) ‘Je t’aime’. Niemand die kijkt. Ogen dicht, smachtend, flirtend. Slik. Omhelst zichzelf. Kijkt even in de spiegel. Vindt zich mooi. Je t’aime. Danst verder. Draait om en om en om. Rozige wangen, blik naar binnen. Geluk hoeft niet ver gezocht, niet groot te zijn om groots te wezen. Ze steekt alle kaarsjes aan en telt ze. Tweeëntwintig. Twinkellichtjes. Kleine gelukjes in een potje. Voor het raam onderdrukt ze de zin in een sigaret, veroorzaakt door de lucifer, toch nog. ‘Can’t you see that it’s just raining, ain ’t no need to go outside’ (Jack Johnson). Buiten is het mistroostig. Mis-troost-ig, prachtig woord: mis en mist en troost en roos (ook nog stro maar wat moet je daar nu mee, behalve in een kribbe). Binnen is geluk. Binnen is het Kerstmis. ‘Ik zal mijn vrienden niet vergeten, want wie me lief is, blijft me lief’ (Shaffy) , ‘Liefde is alles’ (Bart) , ‘Je hebt een vriend’ (K3, de enige echte). Nog even die tranen laten stromen. Straks komen de kinderen thuis. Wat een geluk. ‘Old town’ van the Corrs en ze krijgt zin om te rennen. Gek mens. Gek gelukkig mens.

Goedele Billen
20 0

De minuten van de kapper

In de winter van 2014 brachten we een recordoogst aan olijven naar de molen. Dat gebeurde volgens een Provençaalse planning.   De openingsuren van de olijfoliemolens zijn strikt en bij enkele moet je zelfs voorafgaandelijk een afspraak maken. Dat is begrijpelijk want vanaf begin november worden er tonnen olijven over zuiderse wegen vervoerd. In de laadruimte van witte Citroëns en Renaults staan dan allerhande plastic bakken, jutten zakken, emmers en biezen mandjes.   Zo gebeurde het dat ik met mijn kisten voor de gesloten poort van de molen stond naast een stokoud heertje. Ik schatte hem 92 jaar en 1m50 hoog. Zijn olijfboompjes kunnen niet bijster groot zijn, dacht ik nog. Zijn baretje stond op tien over zeven. In realiteit was het half drie. Het bord aan de gevel gaf nochtans aan dat de ontvangst van olijven vanaf 14u plaatsvond. Daarop kregen we samen een ander bordje in de gaten. Hierop stond in stift geschreven dat ze vijf minuten koffie drinken waren.   “Vijf minuten vanaf wanneer?”, vroeg ik aan het boertje langs mij die bij zijn schattig mandje olijven bleef staan. Hij snufte en lachtte zijn drie tanden bloot: “Sais pas, mais pas grave. Ce sont les minutes du coiffeur!” Even later ging de schuifpoort open en het heertje liet me voor hem passeren. Zichtbaar genietend van de hoeveelheid zwarte bolletjes die ik op de weegschaal uitstortte, hoorde ik een diep “hoho!” toen hij nieuwsgierig het hoofd in de koffer van onze jeep stak. 450kg konden we leveren!   Zijn woorden bleven hangen en gezien ik die dag geen Fransman van een recenter bouwjaar kon vinden om mij uit te leggen, zonder dat onverstaanbare Provençaalse accent, wat hij precies bedoelde, hoopte ik dat Google het mij kon verklaren. Blijkt dat kappers, vroeger dan, de neiging hadden om steeds maar te beloven dat ze je dadelijk gingen helpen. Maar de minuut werd gemakkelijk een kwartier, zelfs een half uur.   Wie van jullie mijn haardracht kent weet dat indien mij zoiets overkwam, ik zou lachen als een boer met kiespijn.

Ivan Seymus
0 0