Lezen

Link naar webpagina + tekst bij expo (afstudeerproject academie).

(1) http://www.geel.be/sherborne/default.aspx?id=3576   (2)     Eerst leerden we over licht. Het licht in een gaatjescamera en het licht in de doka. We leerden ook dat een fotograaf moet bewegen. Geen voyeuristische strooptochten meer met een zoomlens. Dichter bij het onderwerp moesten we komen. Daar stond ik met mijn camera, midden in de gebeurtenissen. Ik merkte tot mijn grote opluchting dat een fotograaf na een tijd onzichtbaar wordt.   Dan kwamen de studiosessies. Met een lichtmeter en softboxen. Mijn eerste model was een teddybeer. Teddyberen wachten vriendelijk tot het technisch helemaal goed zit met de lichtmeter en de softboxen. Een echt model laten wachten, dat durfde ik niet. Mijn eerste portretten waren onderbelicht en niet echt scherp. Ik durfde het model niet de tijd vragen die ik nodig had om scherp te stellen en goed te belichten. Nu weet ik dat wachten goed is. Wachten levert die afwezige blik op die me zo intrigeert.   De studiosessies werden heel intiem, met thema's als sensualiteit en mannelijkheid. Ik schrok van de aantrekkingskracht van het model. Misschien was ik te dichtbij gekomen. Misschien moest ik maar weer middeleeuwse heiligenbeelden fotograferen. Ik ging op zoek naar literatuur over de relatie tussen een kunstenaar en zijn model. Ik vond antwoorden in de psychoanalyse, in een tekst van Slavoj Zizek over het sublieme bij David Lynch. Het model als subliem object. Ik was niet te dicht bij het model gekomen. Ik was heel dicht bij mijn eigen verlangens gekomen.   Ik leerde nog dichterbij komen, bijna zo dicht als de fotograaf in Blow-Up van Antonioni. Ik vond inspiratie bij Henri Cartier-Bresson en ging op zoek naar de “innerlijke stilte” van de man voor mijn camera. Mijn model was niet langer een model. Fotograferen was niet langer fotograferen. Fotograferen werd tijd nemen. En kijken. Ik keek naar de man en fotografeerde. In het halfduister van zijn appartement, in het nachtelijk licht van de Brusselse metro, in zijn auto onderweg in een tunnel, op de festivalweide van Leffingeleuren en in de luwte van een zestiende eeuwse overdekte binnenplaats, waar we helemaal alleen waren, op wat verloren Japanse toeristen na.   Ik kreeg genoeg van het gedoe met computers en printers en ging weer analoog werken. De oude Yashica van mijn vader werd mijn vaste camera. Middenformaat. De man voor mijn camera ging vaak duiken in de buurt van de haven. Ik ging mee en fotografeerde, tot ik goed met de Yashica overweg kon en weer helemaal onzichtbaar was geworden. Je wordt heel snel onzichtbaar met een oude Yashica.   Ik ontdekte dat ik een slechte kopie van een goede foto veel sterker vond dan het origineel. Ik wilde weer onscherpe en slecht belichte beelden maken. Als ik wilde tonen wat er echt was, dan moest ik ruimte laten voor het onzichtbare, het donkere. Ik vond steun bij fotografen en filmmakers. Robert Frank, Sarah Moon, Julien Coulommier, Sakiko Nomura, Masao Yamamaoto, Watabe Yukichi, Moï Wer, Peter Lindbergh, Cy Twombly, Daido Moriyama. Ik creëerde afstand, liet de man voor mijn camera een masker dragen en fotografeerde alleen nog zijn schaduw. Ik kopieerde het beeld tot er niet veel meer van overbleef. De afstand maakte de nabijheid alleen maar groter. Of het gebrek eraan. Mijn beelden gaan over nabijheid en de onmogelijkheid daartoe. Ze gaan over hunkeren. En gemis.                                                                                                                    

Elisabeth Leysen
0 0

Geen kat in een zak dankzij pleegzorg

GEEN KAT IN EEN ZAK DANKZIJ PLEEGZORG   Hallo LIBELLE-lezer(es) Helemaal vertederd door dit schatje van een katje? Verdienen dieren een waardig bestaan? Een leuk beestje in huis halen, hoort een bewuste keuze te zijn?    Ik zeg alvast volmondig “JA” Ik? hoor ik je denken... Ik ben Evy, bezielster van pleegzorgproject KATTENOPVANG WAASLAND vzw.   Gered uit de mesthoop=onderschrift foto   Mijn missie: kattenopvang tot het uiterste... Kitten met aids of kater met pensioen; kerngezond of van de hongerdood gered, met onze vzw gaan we voor elke kat voluit! In ons pleegzorgproject krijgen katten zonder (t)huis wat ze nodig hebben: voeding, (medische) verzorging, geborgenheid en onderdak in afwachting van een definitieve, passende stek.   “GOEDE ZORGEN VRAGEN LIEFDE, INZET EN GELD: AL VOOR 33 CENT PER DAG LAAT JIJ DE JA VOOR ONZE ORGANISATIE LUIDER KLINKEN” 6 manieren om JA te zeggen Ook voor kattenfans zonder mogelijkheid er (nog) eentje te houden: Steek je kleingeld in één van onze spaarpotjes. Of stort je vrije bijdrage op rekening BE87 0017 7463 4194 – Bic GEBABEBB. Zo help je de kosten te dragen die de verzorging van onze katten in pleegzorg met zich meebrengen. Voor slechts 10 EUR per maand ben je peter of meter van een pleeggezin. Dit gezin vangt de kat op en stimuleert hem of haar in de sociale omgang. Om in een latere fase een succesvolle adoptie te realiseren, is het van belang een goed zicht te krijgen op de sociale eigenschappen van het dier. Voeding, benodigdheden en medische kosten worden met jouw tussenkomst gefinancierd. In ruil voor je bijdrage ontvang je foto’s en een update over de ontwikkelingen en de belevenissen van de kat. Gezelschap en huiselijkheid zijn cruciaal=foto-onderschrift   GEEN KAT IN EEN ZAK DANKZIJ PLEEGZORG   3. Vanaf 10 EUR per diertje ben jij meter of –peter van een katje. Katje zonder naam? Aan jou de eer om de spinnende viervoeter in kwestie de mooiste naam cadeau te doen. Met foto’s en een berichtje word je op de hoogte gehouden over jouw favoriet tot aan zijn of haar adoptie. Stort je gift als peter of meter van een pleeggezin of katje op rekening BE06 0016 7337 8322 - Bic GEBABEBB. Heb je al een katje en voel je meer voor een win-win situatie? Doe je aankopen voor je lieveling via de link van ZOOPLUS op www.kattenopvangwaasland.com Voor elke aankoop bij ZOOPLUS ontvangt Kattenopvang Waasland een percentage dat integraal naar onze opvang gaat. Bruikbare kattenspullen in huis die niemand meer dienen? We nemen ze graag aan. Als het ietsje meer mag zijn 6. Heb je net dat streepje meer engagement? Word zélf pleeggezin. Van een Garfield? Een oude poes? Jong geweld? Dankzij jouw liefde en zorg zal het diertje zich tonen zoals het is in een huiselijke sfeer. Op deze informatie baseren we ons om de beste match te vinden tussen adoptiegezin & -kat. We hopen zo beiden te behoeden voor een kat in een zak.   Kinderen en katten: een leerzame combinatie=foto onderschrift   Doneer, word peter, meter of pleeggezin en alles komt op zijn pootjes terecht! De katten zullen je dankbaar zijn, 9 levens lang!   Vriendelijke groeten   Evy Waltens   Info & contact Evy gsm: 0475 36 75 16 (ma-za: 17-21u, zo & wo: 9-21u) Kate gsm: 0494 72 63 58 (ma-vr:17-21u , za-zo: 9-21u ) www.kattenopvangwaasland.com Dontaties op rekening BE87 0017 7463 4194 – Bic GEBABEBB Peter/meter - bijdrages op rekening BE06 0016 7337 8322 - Bic GEBABEBB   PS Een kat, wat kost dat? Met minder dan een brood per dag maak je zijn week.

pedl
0 0

De man en zijn sigaret

Maandagochtend en ik zit, gelukkig en voldaan, op de trein. In diepe gedachten verzonken mijmer ik over het fabuleuze weekend. De gedachte alleen al tovert een superieure glimlach op mijn gezicht en ik voel me gewoonweg fantastisch. Een beetje onuitgeslapen... maar ja... fabuleuze weekends en weinig slaap gaan nu eenmaal hand in hand. Half doezelend laat ik me door de trein heen en weer wiegen en ik maak het me zo makkelijk mogelijk. Niet zo moeilijk als je een hele bank kunt inpalmen zonder iemand tot last te zijn. Dat is nu het voordeel als je buiten de spits met de trein reist: het ding rijdt praktisch leeg. Of toch bijna leeg. In hetzelfde compartiment zit een oudere heer rustig het voorbij flitsende landschap te observeren. Vluchtig, door de spleetjes van mijn vermoeide slaapoogjes, kijk ik hem aan. Hij is verzorgd in maatpak gestoken en heeft een olijfkleurige huid die je alleen in mediterrane landen kunt vinden. Zijn keurig geknipt, zwart haar verbergt enkele grijze sprietjes waardoor de man er heel gedistingeerd voorkomt. In mijn fantasie zie ik al hoe deze man, met een wapen in de hand, een gepassioneerde tirade voert tegen George Clooney over het correcte gebruik van het theelepeltje in de hogere kringen. Een brandgeur wekt mij abrupt uit die droom. De man heeft een sigaret opgestoken! Allerlei voorschriften over brandveiligheid schieten door mijn half wakkere brein. De situatie begint uit de hand te lopen nu de sigarettenrook langzaam door het treincompartiment kringelt en hoestend in mijn ogen prikt. Mijn brein schiet nu helemaal wakker! En terwijl ik allerlei statistieken van de gezondheidsdienst in mijn hoofd opdreun, komt mijn grijze massa tot de conclusie dat er iemand iets moet doen. Er zit niemand op de trein, dus is het aan deze jonge snaak om de oude man te vragen zijn sigaret te doven. De regels op de trein moet je gehoorzamen!En dan speelt er zich dit af in mijn hoofd."Hoe moet ik dit aanpakken?Zal ik hem niet beledigen?Hopelijk wordt ie niet kwaad?Waarmee kan ik dit gesprek op gang trekken?Wat als ik te bot overkom?Moet ik niet eerst de treinbegeleider erbij halen?En als hij nu zijn sigaret gewoon uitdooft nog voordat ik de kans krijg hem te vragen om zijn sigaret te doven?"Ik sta onzeker op en ga heel ongemakkelijk op de man af."Excuseer... sorry dat ik stoor... maar U kunt op deze trein niet roken." Om mijn betoog extra kracht te geven, mompel ik een hele lijst op die bol staat met allerhande redenen. Het waren dingetjes aangaande de specifieke veiligheid tot en met algemene en elementaire beleefdheden.Tot mijn eigen grote verbazing wordt de man niet kwaad. Hij legt zijn rechterhand op zijn hart en verontschuldigt zich uitgebreid. Onwillekeurig volg ik zijn voorbeeld en leg, excuses stamelend, mijn eigen hand op mijn hart. Ik dank de man voor zijn begrip en ga licht beschaamd terug naar mijn plaats.Wat heb ik in naam der goden gedaan? Het voelt niet goed, alsof ik het mensenrecht op de sigaret heb geschonden. "Ja, ik weet hoe belachelijk dit klinkt in onze gezonde maatschappij... maar wie zijn wij om iemands rechten in te perken? Met alle accijnzen die bij iedere begroting worden verhoogd, beperken we de bevolking om vrij te kiezen voor een rokersdood!" Mompel ik.Waar komen deze rebellerende gedachten toch vandaan? Heb ik dat echt luidop gezegd? Vermoeid schud ik mijn verwarde hoofd en probeer mijn gedachten op orde te zetten. Ik denk niet dat ik iets verkeerds heb gedaan. In feite heb ik de man zelfs behoed van een zware boete! De trein wiegt me heen en weer totdat de slaap me weer overmant. Tijdens mijn laatste heldere moment bedenk ik me nog: ik heb een goeie daad verricht.En zo viel ik, gerust gesteld, in slaap.

Wibboo Jozefs
2 0

Laurent

Moeizaam schuifelde hij de krantenwinkel binnen met zijn onafscheidelijke vriend, zijn wollige hondje. Hij diepte zijn portefeuille op en gaf de krantenman een verfrommeld lottobriefje. Twee vrouwen stopten hun zinloos gesprek en bekeken heel het tafereel met een laatdunkende blik. “Goedemorgen, Laurent, ik zal het formuliertje eerst eens wat gladstrijken,” grapte de krantenman. “Zijn kledij kan ook wat strijk en zeker een wasbeurt gebruiken,” mompelde de ene vrouw tegen de andere. “Dank u vriendelijk, Thomas,” zei Laurent. In zijn ooghoek zag Laurent hoe de vrouwen hun neus dichtknepen. De hond gromde naar de vrouwen. “Pluisje, stil, de dames willen je geen kwaad doen. Geef de dames eens een pootje,” reageerde Laurent. Maar zij doken in de vrouwenbladen en hadden plots heel veel interesse in de laatste escapades van het koningshuis. “Weer niets gewonnen, Laurent,” meldde Thomas. “Ik speel al heel lang en nog nooit heb ik wat gewonnen,” probeerde Laurent een gesprek te voeren tegen de vrouwen. Zij negeerden hem compleet en keken ostentatief de andere kant op. Laurent was wat bedroefd omdat hij ook hier geen gehoor kreeg. Alleen zijn trouwe viervoeter gunde hem een blik en kwispelde verlangend. Laurent aaide zijn Pluisje.  “Ik probeer nog maar eens.” Hij legde wat muntstukken op de toog. Thomas valideerde het formulier en gaf het aan Laurent. Het geld stopte hij in zijn kassa. Laurent slenterde naar buiten. Het leek of de hond zijn baasje leidde. “Tot ziens,” riep Thomas. “Tot ziens,” antwoordde Laurent en sloot onhandig de deur. “Hij zoekt vriendschap!” zei Thomas tegen de vrouwen. “Hij is al even vuil als zijn hond. Zo’n armoezaaier wil ik niet in mijn vriendenkring. De dames van de kunstkring zouden nogal ogen opzetten,” reageerde de ene vrouw. De andere vrouw knikte schaapachtig en onderdrukte een grimlach. “Mevrouw Robijns, u bent wel voorzitster van de kunstkring ‘Ars Universalis’, maar dat geeft u niet het recht om op die manier te praten over mensen die uw geluk niet gevonden hebben,” strufte Thomas. “Meneer Thomas Elst, je ziet mij hier niet meer. Ik spreek over… dat gepeupel zoals ik dat wil. In mijn vriendenkring zitten meer notabelen dan dat jij hier boektitels hebt. Eén woord en je kan dit winkeltje sluiten. Kom, mevrouw Esmarald, we zijn weg,” riep mevrouw Robijns vuurrood. Met de neus in de wind verlieten zij de winkel en sloegen de deur zo hard dicht dat de bel eraf donderde. Beduusd keek Thomas naar de deur. “Ben ik te ver gegaan?” sprak hij tegen zichzelf. Een zware stem vanachter het tijdschriftenrek doorbrak de stilte. “Goed gezegd en vrees niets. Veel geblaat en weinig wol, deze wolven in schapenvacht.” Thomas herkende de stem en was dankbaar dat deze bezoeker het hele verhaal gehoord had.   In de vroege morgen zongen vogeltjes een vrolijk liedje. De zon gaf al warmte. Het zou een mooie dag worden. Een straalblauwe hemel met enkele wolkjes lachte Laurent tegemoet toen hij de gordijnen van zijn sjofele slaapkamer opende. “We gaan een flinke wandeling maken,” zei hij tegen zijn hond terwijl hij zich aankleedde. Pluisje kwispelde ongeduldig en streek met zijn hoofd tegen het been van Laurent. Een lieftallige aai was het antwoord. Als een onafscheidelijk duo gingen zij naar de keuken. Laurent trok de kast open en strooide wat hondenbrokken in Pluisjes bakje. Hij vulde tevens het drinkbakje met wat fris water. Pluisje begon gretig te eten en lonkte dankbaar naar zijn baasje. “Flinke jongen!” glimlachte de eenzaat. Plots kreeg Laurent een pijnscheut in zijn hoofd. Hij hield de tafel vast en strompelde naar de zetel. Hij plofte zich neer en greep met beide handen naar zijn hoofd. “Ai, wat een pijn. Ik heb anders nooit hoofdpijn,” jammerde Laurent. Pluisje wist niet wat er gebeurde en kwam tot bij zijn baasje. Vertederd legde hij het hoofd op het been van Laurent, die roerloos in de zetel lag. De hond begon zachtjes te huilen. Laurent reageerde niet. Pluisje blafte en ijsbeerde van de zetel naar de deur. “Het is niets, jongen. De pijn is voorbij,” zei Laurent na een tijdje. Hij stond op, wankelde nog wat, maar ging dan naar de keuken. Pluisje volgde hem. Laurent zette wat water op en haalde een paar sneetjes brood uit de trommel. Rechtstaand smeerde hij wat confituur op de boterhammen. Krakend gleed het mes over het oude brood. Het water was warm en Laurent schonk thee op. Suiker en een wolkje melk vervolledigde het ochtendritueel.  Als hij klaar was met zijn ontbijt, tuurde hij vanaf de tafel naar buiten.  “Zo’n mooie dag laat ik niet verpesten door wat hoofdpijn,” zei hij vastberaden. Hij voegde meteen de daad bij het woord, stond recht en ging naar buiten. Pluisje liep in zijn voetsporen het huis uit. Het dorp lag er nog wat verlaten bij. De kerkklokken luidden negen uur. “Oh ja, het is zondag vandaag,” zei Laurent tegen Pluisje. Voor de bakker stond een lange rij wachtenden. Klanten verlieten haastig de winkel volgeladen met broodzakken en gebakdoosjes. Lachende kinderen verwelkomden hun vader of moeder in de auto’s, kriskras geparkeerd in de straat. De wagens vertrokken snel en Laurent kon nog net Pluisje opzij trekken.  Drie lummeljongens wezen zittend vanop een tuinhek naar het tweetal. Eén gooide een steentje naar Pluisje, die kermde. De anderen lachten om deze heldendaad. Laurent gebaarde boos naar hen, maar een opgestoken middelvinger was het antwoord. Ze sprongen van het hek, passeerden Laurent en keken hem minachtend in de ogen. Eén trapte nog naar Pluisje, de andere spuwde een fluim voor de voeten van Laurent. Voor het kerkportaal wenkte hun vader en devoot gingen zij het gebouw binnen. Klanken van het orgel vloeiden de straat in. Laurent luisterde naar de muziek. “Johan Sebastian Bach,” zei hij tegen Pluisje terwijl hij naar de kerk wandelde.  Even leek het of de hond zijn oren spitste voor deze muziek, maar het was voor de poort die scheurend gesloten werd door de koster.  “Geen honden in de kerk,” riep deze tegen Laurent. Laurent vlijde zich neer op de trappen voor de kerk. Hij luisterde naar de muziek die uit de ramen ontsnapte. Hij droomde weg en dacht aan de tijd dat hij het symfonisch orkest dirigeerde, met het jaarlijks paasconcert in deze kerk.   Na enige tijd kondigde klokkengelui het einde van de kerkdienst aan. De poort vloog open en de koster verscheen. “Ga weg, geen bedelaars aan de kerk!” brieste de koster. Pluisje gromde, maar Laurent stelde hem gerust. “Het is niets, Pluisje.” Laurent stond recht en verliet het portaal. De kerkgangers kwamen buiten en de pastoor aan de zware deur staand, wenste hen een gezellige zondag. Familieleden en vrienden hielden nog een praatje voor de kerk alvorens naar hun wagens te hollen en zich over te geven aan een leuke familiale namiddag. “Wij hebben toch elkaar, hé Pluisje,” zei Laurent. Hij veegde een traan uit zijn ogen. “Lastig die wind.”   Het was woensdag. Laurent en Pluisje wandelden over de markt. Laurent hield halt aan het groentekraam. Hij keurde vooral het fruit. De sinaasappelen leken hem heerlijk. “We brengen de Spaanse zon in huis,” zei hij tegen Pluisje. De hond keek verlekkerd naar de kraam aan de overkant. Smakelijke worstjes lokten naar hem. Laurent volgde de blik van zijn vriend. “Ik zal wat worstjes voor je kopen. We zullen ze straks samen opeten.” De groenteboer kwam tot bij hem en Laurent bestelde het fruit. Hij nam zijn geldbeugel. Net voor hij het briefje wilde overhandigen, werd het zwart voor zijn ogen. Hij hoorde flarden van gesprekken, gegil en dan niets meer.   “Hij komt bij,” hoorde Laurent in de verte. Hij opende zijn ogen. Hij vroeg zich af waar hij was. Naast hem stonden een man en een vrouw. Zijn rechterarm werd opgetild. Hij voelde iets raars rond zijn bovenarm dat aanspande. In zijn linkerarm stak een infuus. Stilaan besefte hij dat hij in een ziekenhuis lag. “Twaalf over negen.  Dat is goed,” zei de verpleegster tegen de arts. “Meneer Dhosse, goedendag, ik ben dokter Verburgt. U bent vorige week opgenomen hier in het UZA. We hebben u onderzocht en hebben helaas geen goed nieuws.” “Waar is Pluisje?” vroeg Laurent aan de arts. “Meneer Dhosse, wie is Pluisje?” “Dat is mijn hond. Waar is hij?” “Toen we bij u aankwamen op de markt, hebben we geen hond gezien. Er stond heel wat volk rond u. Ik zal de sociale dienst eens navraag laten doen.” “Dank u wel, dokter,” zei Laurent. “Meneer Dhosse, we hebben een kwaadaardige tumor bij u gevonden. We kunnen u niet meer opereren, maar met de nodige medicatie kunnen wij het leed verzachten.” Laurent slikte en tuurde opzij door het raam. Het was een stralende lucht. Hij dacht aan de dag dat hij ging wandelen met Pluisje. “Hoe lang heb ik nog? Geen gedoe, gewoon de waarheid,” gebood Laurent. De arts kuchte en zuchtte: “Hooguit twee maanden.” “En wat moet er Pluisje gebeuren?” jammerde Laurent, “Hij is al heel zijn leven bij mij. Waar is hij nu? Ik moet hem zoeken. Wanneer mag ik naar huis?” “Meneer Dhosse, ik hou je nog een paar dagen hier voor observatie. Daarna mag je naar huis, maar je moet je medicatie nemen.” “Oké, maar zorg alsjeblieft snel voor Pluisje. Wie weet wat er met hem is gebeurd?” “Yanthi, schakel zo snel mogelijk de sociale dienst in!’ zei Verburgt tegen de verpleegkundige. Zij begroetten Laurent en verlieten de kamer. Laurent sloot de ogen en weende.   Na enkele dagen vroeg Yanthi aan Laurent of hij geen familie of kennissen had. Zij verwonderde zich dat hij nooit bezoek kreeg. Hij heeft zelfs het aanbod van de aalmoezenier afgewimpeld.  “Ik wil alleen maar naar huis om mijn Pluisje te zoeken,” was zijn antwoord. Verburgt kwam de kamer binnen. “Meneer Dhosse, ik zie geen reden om je hier langer te houden. Je mag naar huis, maar ik heb de sociale dienst verwittigd. Zij zullen u opvolgen.” “Ik heb geen babysit nodig,” antwoordde hij bitsig. Yanthi wilde hem helpen, maar Laurent was haar te vlug af. Vlug kleedde hij zich aan en scharrelde zijn weinige bezittingen bij elkaar.  Hij kreeg zijn ontslagpapieren van de verpleegkundige, toen iemand van de sociale dienst binnenkwam. “Meneer Dhosse, ik ben Arne. Ik zal u naar huis brengen en daar het een en ander in orde brengen. Ik kom je bezoeken wanneer het nodig is.” “Dankjewel, maar dat hoeft niet. Ik kan perfect voor mezelf zorgen.” “Maar je naar huis brengen, dat doe ik zeker,” was het kordate antwoord van Arne.   De ogen van Laurent begonnen te glinsteren toe de wagen zijn straat inreed. Voor het woonhuis wachtte geduldig zijn trouwe viervoeter. De auto stopte en Laurent stapte uit.  Pluisje stormde tegen hem aan en sprong op zijn achterste pootjes. Arne was ook uitgestapt en bleef op de achtergrond om deze hartelijke begroeting niet te storen. Na een tijdje kuchte Arne: “Kom, meneer Dhosse, laat ons naar binnengaan.” Laurent nam de sleutel en samen met Arne traden zij de woning binnen. Pluisje bleef maar  springen en kwispelen. Hij was wel vermagerd. Arne hielp mee met uitpakken, schikte wat in de keuken en keek de kasten na. “Ik zal wat aankopen doen,” zei hij. Laurent gaf wat geld en Arne verliet het huis. “Eindelijk terug samen!” zuchtte Laurent, maar dacht aan de uitslag van zijn onderzoek. Bedroefd ging hij in de zetel zitten en onmiddellijk legde Pluisje zijn hoofd in de schoot van Laurent. Het hondje snapte het plotse verdriet niet.    De deurbel schrikte Laurent op die ingedut was. Pluisje gromde en liep naar de deur. Laurent volgde en opende. Arne bracht de boodschappen. “Ik heb een krant meegebracht,” zei hij. “Dankjewel, Arne.” Laurent nam alles over. Arne begroette hem, aaide Pluisje en ging weg. Pluisje keek wantrouwig. “Ik zal wel telefoneren als ik je nodig heb,” riep Laurent hem na. “Ik kom morgen terug!” was het antwoord. “Morgen, morgen, wat een gedoe!” morde Laurent. Hij zette alles op tafel, nam de krant en vleide zich neer in de zetel. Zijn oog viel op een artikel: “Enige winnaar Euromillions maakte zich nog niet bekend.” Hij grabbelde in zijn portefeuille en diepte het lottoformulier op. “Verdorie, ik heb de juiste combinatie! Ik ben die winnaar!” jubelde hij. Pluisje kwispelde omdat zijn baasje zo vrolijk was.  “We zijn rijk!” Maar dan sloeg zijn vreugde om toen hij zich de uitslag van het ziekenhuis herinnerde. “Geld genoeg, maar leven dat is wat anders.” Pluisje sloeg alles gade, maar begreep de plotse stemmingswissel niet. Laurent staarde voor zich. “Wat moet ik nu doen?” vroeg hij zich af, “Ik heb geen familie of vrienden. Ik heb alleen Pluisje. Bovendien heb ik niet lang meer te leven. Wat moet ik met die miljoenen?” De hond week geen ogenblik van de zijde van zijn baasje.  De hand van Laurent streelde over het hoofd van Pluisje. Hij voelde aan de halsband en sprong dan recht. “Dat is het! Ik heb een idee.” Laurent greep een pen en papier en begon naarstig te schrijven. Als hij met het briefje klaar was, voegde hij het lottoformulier eraan toe, rolde beiden op en stak het in de halsband van Pluisje. Zijn hond liet alles gewillig toe. “Kom Pluisje, we gaan wat wandelen.” Pluisje kwispelde en sprong op. Ze gingen naar buiten. Laurent voelde de pijn in zijn hoofd en wist dat het niet lang meer zou duren. Hij was de laatste week erg verzwakt. Zijn hond was zijn enig doel, maar nu had hij voor hem ook een oplossing. Ze kwamen aan een bushalte. Hier stopte Laurent en zette zich neer. Hij knuffelde zijn hond hartstochtig. Hij keek op het uurrooster en zag dat de bus snel ging komen. Hij pakte de leiband van Pluisje en bond hem vast naast het bushokje. Pluisje werd onrustig. De bus kwam eraan en Laurent stapte snel op. De chauffeur sloot de deuren en vertrok. Pluisje huilde en trok aan de leiband. De knoop loste en Pluisje rende achter de bus. Hij zag zijn baasje zitten en blafte. Laurent hoorde zijn hond, maar keek niet om. Over zijn wangen rolden de tranen.  De afstand tussen Pluisje en de bus vergrootte en uiteindelijk bleef de hond hijgend staan. Bedroefd zag hij hoe de bus uit het zicht verdween. Het papiertje van zijn baasje jeukte aan zijn halsband.

Ludo Herwijn
23 0

IJSPRET

Ondanks het gebonk in zijn hoofd stond Dieter bij het bord: ‘Vereniging “IJspret”, vrij schaatsen voor leden’ en raspte met zijn vlezige hand over de zwierige letters waaraan geschilderde ijspegels hingen. Eronder schoten gestileerde figuurtjes over spiegelglad ijs.Gisteren had Versluis – what’s in a name - het sluisje naar de beek opengezet; een feestelijke handeling die al zeventien keer eerder tevergeefs was uitgevoerd. Vroeger kwam de carnavalskapel spelen, valse klanken uit instrumenten vol butsen, maar ook zij hadden geen animo meer.Dieter was ervan overtuigd dat er ook dit jaar geen ijs zou komen. Ja, het was koud, maar alleen vanwege de venijnige oostenwind die een gevoelstemperatuur van tien graden onder nul veroorzaakte, terwijl het in werkelijkheid niet onder het vriespunt kwam. Dieter keek naar de waterrimpels op het ondergelopen land waar kokmeeuwen in groepen bij elkaar dreven. Hun habitat was plotseling vergroot, maar ze leken daarvan niet onder de indruk.Na afloop van de ceremonie was het bestuur van vereniging “IJspret” bij elkaar gekomen in café “De Egelantier”. Versluis had het kort gehouden. Een terugblik op het afgelopen jaar - geen ijs - en melding van het ledenbestand - helaas met achttien afgenomen. Daarna waren de taken verdeeld. Oud-onderwijzer en secretaris Van Halderen zou de leden een digitale nieuwsbrief sturen, doorspekt met kreten als ‘schaatskoorts’, ‘ijzers uit het vet’ en ‘zwart ijs’, maar waarin bovenal werd aangedrongen op tijdige betaling van de contributie. Dieter, slager en penningmeester, moest de lichtmasten rond de baan inspecteren en controleren of het bord nog in goede staat verkeerde. Einde vergadering. Daarna werd traditiegetrouw een houten kist op tafel getild met kristallen glaasjes en een fles zeer oude jenever gevat in sleets fluweel. Er waren vijf glaasjes, voor vijf bestuursleden, maar dat aantal werd al lang niet meer gehaald. Dus maakten zij noodgedwongen gedrieën de fles soldaat, want tradities moeten worden hooggehouden.Dieter keek naar het bord en zijn mond verstrakte. Achttien jaar wachten op iets wat waarschijnlijk nooit meer gaat komen. Een volwassen leven vergooid aan een illusie, een farce. Ondanks de gure wind kreeg hij het warm en een vuurrood hoofd. En met een woeste schreeuw die de gierende oostenwind overstemde, wierp hij zijn brede schouder naar voren. De poten kraakten en het bord klapte op het kille water. De meeuwen dobberden onverstoorbaar verder, maar op de komende vergadering was er in ieder geval iets te melden.

Grand Foulard
0 0

Mensen van alsof

Alsof alles altijd alsof is en je dus de ene dag een paard van goud hebt, of twee. Ze staan in de wei te grazen. Ze kijken en zien jou mislukken. Je blaast ballonnen op die ontploffen. En daarna ben je tweeëntachtig en weet je niets meer, alleen dat er oorlog was en jij plat op je buik lag in het zand. De bommen sloegen geen ramen in, maar levens en ze vielen. Je hebt er vijf van opgevangen. Dat van je moeder in de eerste plaats, opdat ze eindelijk eens gelukkig zou zijn. Dat werd ze niet.   Dan was de dag een bos op zondag en je liep hand in hand met jezelf van horen zeggen. Het meisje dat ballet deed en van lenigheid haar hart vergroot had en er mensen in stopte die er niet hoorden. Anderen die opeens verdwenen en dingen achterlieten, als een blad waarop geschreven stond: ik moest je nog zoveel zeggen, maar ben het nu vergeten. En je de ‘nu’ uit die zin hebt uitgegomd omdat in die witruimte dan de woorden zouden kunnen vallen die ze niet gezegd kregen.   Soms ben je vijfentwintig en heb je almaar het verkeerde hoofd gedragen als een plastic tasje dat je steeds weer ergens vergeet en de kamers ruiken naar appels, alsof daar bomen groeiden waarin je klom om sterren te tellen toen je dat eigenlijk nog niet kon. Maar je hebt ze op je huid gezet en ze blonken.   Mensen van alsof vertellen geen verhalen, ze weten  al van alles. Dat hoe je staat, bepaald wordt door hoe je handig je met liefde bent. Dat kijken ook een manier is van vergeten. Dat koffie drinken de stilte kleiner maken is. Je zegt nog dat je het liefst een trein zou zijn waarop iedereen vloekend moet wachten. Of die minuut voor het wakker worden en de droom nog een boek is dat gelezen kan worden. Of twee handen die elkaar al langer kennen en tien vingers waarmee je het beste kunt herinneren. 

LiesGallez
0 1

De Gouden Draak

Deze zomer (van Antwerpen) ging ik naar een toneelstuk kijken. De Gouden Draak, gebracht door De Roovers. Theaterzaal: Een braakliggend stuk grond, vlak aan het Centraal Station. Een onverwachte plek voor een onwerkelijk mooi stuk. Ik was een beetje vroeger en genoot met enkele vriendinnen van een glaasje cava onder het late avondlicht en Chinese lampions.   Het decor was niet meer dan een metalen kubus zonder bovenkant, te midden van een stuk stedelijke woestenij. Naarmate de schemering dieper werd, werd het licht dat uit de kubus scheen feller. Rook steeg op uit de schoorsteen van het Aziatische restaurant “De Gouden Draak”.   Vijf acteurs. Ruimschoots achttien personages. Vijf Aziaten die zich uit de naad werken in het keukentje van het restaurant. Eén van hen, de kleine Chinees, vergaat van de tandpijn. Kan niet naar de tandarts. Geen geld, geen papieren. Bestellingen vlammen rond hun oren, het tempo is hoog. Dan weer een oude man en zijn kleindochter. De mier en de krekel. De kleindochter en haar vriend. De dronken man en zijn ex. De donken man en de mier/handelaar. De handelaar en de Aziatische schone. De twee stewardessen. De kleine Chinees en de hallucinatie van zijn achtergebleven familie. Allemaal wonen ze in het appartementsgebouw met op het gelijkvloers, jawel, het Aziatische restaurant “De Gouden Draak”.   De acteurs waren tegelijkertijd verteller en personage. De scenes gingen naadloos in elkaar over. De vrouwelijke acteurs speelden doorgaans de mannelijke personages en omgekeerd. Het was echt een prestatie dat ze dit stuk zo gemaakt hebben dat het gemakkelijk te volgen was. Het dwong de kijker om flexibel te kijken. Buiten de lijntjes te denken.   Het stuk was vaak hilarisch. Vaker beklijvend. Origineel, luchtig en toch… Het kroop in mijn kleren. Tranen stroomden toen de oude man de krekel heel erg pijn deed. Toen de Chinees stierf. Toen…   Een besef. Waar maak ik me in godsnaam druk om? Heb ik niet àlles om gelukkig te zijn? Het werd stil in mijn hoofd terwijl mijn hart stilletjes weende. Schreide om zoveel verdriet in de wereld, zo veel pijn. Ik was de enige die deel uitmaakte van de staande ovatie. Vreemd.   Na afloop ging ik naar de acteurs, die gewoon aan de bar een biertje of cola dronken. Ik vertelde hen hoe mooi ik het stuk had gevonden. Hoe erg ik had genoten. Hoe hard het was binnengekomen ook. De man met de warme, gevoelige blik (Robby Cleiren, zo ontdekte ik achteraf) vond het duidelijk fijn dat ik dat even kwam delen.   Toen mijn vriendinnen hun laatste trein gingen halen, genoot ik nog even verder van mijn wit wijntje en de frisser geworden zomeravond. Het geluid van krekels zal nooit meer hetzelfde zijn.   Dit is wat ik wil gaan doen. Ik voel het in elk vezeltje. Een boodschap de wereld insturen. Hapklaar, verpakt met hier en daar een strikje humor. Ik wil inspireren. Mensen betoveren met woorden. De wereld een nog mooiere plaats maken. Iets betekenen.   Ik wil langere tijd op reis. Mijn blik verruimen. Schrijvend de wereld verkennen. Momenten vastleggen op papier. Het geheel van mijn leven aaneenrijgen tot een prachtig boek. Als de hondjes er niet meer zijn.   Ik neem alvast een voorproefje. Australië eind januari. Een maand. De liefde en mezelf achterna.   Maar ik wil langer. Ik wil meer.   Met schrijven begin ik alvast.   En met liefhebben, stop ik nooit.

Mandy
0 0

Bezoekersgids Expo Faces Now

FACES NOW ZAAL 1 - Privé en publiek Dankzij sociale media en alomtegenwoordige camera’s is de scheidingslijn tussen privé en publiek in onze tijd flinterdun geworden. Fotografen gebruiken het portret om juist die grens tussen privé en publiek af te tasten. Een portret geeft namelijk iets intiems aan de kijker prijs. Daarom voel je je een beetje een voyeur als je naar een portret kijkt. Een fotograaf kan werken in typologische reeksen waarbinnen een foto betekenis krijgt door deel te zijn van een reeks. Andere fotografen kiezen voor een vrijere aanpak. Zij laten de compositie, lichtval, pose en omgeving afhangen van de interactie tussen kunstenaar en model.   Deze tentoonstelling richt zich op de kunstzinnige portretfotografie en is niet chronologisch geordend. De portretten zijn vervaardigd door professionele fotografen en beeldend kunstenaars. Afhankelijk van wie zij portretteren of van het grotere verhaal dat zij met hun werk willen vertellen hanteren ze zeer uiteenlopende benaderingen en technieken. De diversiteit in benaderingen is enorm: fotografen maken portretten in de publieke ruimte, stellen met fotoreeksen onze uniciteit in vraag, bouwen een relatie op met het model of zoeken de confrontatie met de toeschouwer. Boris Michailov: Untitled, uit de serie "Case History" 1997–1998 Dit is wat geschiedenis met mensen doet, zegt de titel Case History je indirect. De reeks verslaat de schrijnende armoede in Oekraïne na de val van het communisme. Twee daklozen in Charkov zijn door de crisis gedwongen tot een armoedig leven op straat. Onder hun schamele kleding zie je hun bleke lijven. Door de mensen op groot formaat te portretteren, plaatst Boris Mikhailov hen op een voetstuk. In de reeks speelt hij met verschillende poses en symbolen uit de traditie van de portretschilderkunst of uit het collectieve geheugen. Zo roepen de vis en de wijn hier het bekende Bijbelverhaal op. Met zijn schrijnende humor maakt Mikhailov de modellen tot helden van de postcommunistische tijd.   Anton Corbijn: Luc Tuymans, 2004 De Vlaamse schilder Luc Tuymans (1958) zit met de benen over elkaar geslagen op een oude stoel, waarschijnlijk in zijn atelier. Zijn houding is zo alledaags, dat je het nauwelijks een pose kunt noemen. Het perspectief werkt bevreemdend: de fotograaf zit zo laag en zo dichtbij met zijn camera dat de schoen en het been van Tuymans naar voren in het beeld steken en onscherp blijven. Fotograaf Anton Corbijn portretteert de geaccepteerde helden van onze tijd: filmsterren, popmuzikanten of kunstenaars. Hij is een portretfotograaf pur sang die zijn veelal beroemde modellen juist niet met glamour afbeeldt, maar in ongepolijst zwart-wit. In zijn portretten zoekt Corbijn de balans tussen publiek imago en privéleven.           ZAAL 2 - De typologische reeks en de menselijke blik Omstreeks 1990 begonnen fotografen en beeldend kunstenaars onbekende en anonieme personen centraal te plaatsen in hun portretten. Het ging hun niet meer alleen om bijzondere persoonlijkheden, maar ook om de gewone mens en zijn individualiteit, de menselijke waardigheid en kwetsbaarheid. De focus op individualiteit ging samen met het gebruik van een groot-formaat camera. Dankzij die techniek was een grotere scherpte en detaillering mogelijk en werd het maken van grote afdrukken aantrekkelijk. Aan het begin van de jaren 1990 ontstonden portretten in zogenaamde typologische reeksen: series van min of meer gelijkvormige beelden op hetzelfde formaat. De herhaling nodigt je uit tot het maken van onderlinge vergelijkingen. De omgeving of het interieur op de foto, is soms met opzet gekozen door de fotograaf. Die extra visuele informatie breng je als kijker bewust of onbewust in verband met het karakter van de persoon.   Beeld 1: Rineke Dijkstra: Kolobrzeg, Polen, 26 juli 1992 Het tienermeisje in een badpak staat er een beetje alleen. Ze laat haar lange armen ongemakkelijk hangen. Haar benen staan onbewust in een klassieke contraposto en haar blote voeten zijn bedekt met zand. De aandacht voor de individualiteit en de kwetsbaarheid van het jonge meisje trekt je aandacht. Het zal geen alledaags gezicht geweest zijn, die grote camera met statief in het zand vlak bij de branding. Rineke Dijkstra nam de tijd om haar camera heel precies in te stellen, met haar hoofd onder een zwarte doek zoals fotografen dat heel vroeger ook deden. Doet de voorstelling van een jonge vrouw in de branding je ergens aan denken? Misschien wel aan het schilderij De geboorte van Venus van de Italiaan Sandro Botticelli uit 1628.   Sergey Bratkov: Sasha, uit de serie “KIDS”, 2000 Courtesy Regina Gallery Als je denkt aan een kinderportret, dan is dit niet wat je verwacht. Er is weinig aandoenlijk of kwetsbaar aan dit modieus geklede meisje. Ze staart onverschillig voor zich uit en rookt een sigaretje. De smoezelige badkamer is ook geen voor de hand liggende locatie voor een fraai kinderportret. Hoe oud zou ze zijn? Haar leeftijd stemt in ieder geval niet overeen met de volwassen uitstraling van haar pose. Dat is precies wat Oekraïense fotograaf Sergey Bratkov met zijn reeks wou bereiken. Hij portretteerde kinderen van Russische ouders die hun kroost naar een modellenbureau hadden gebracht. De mannelijke en vrouwelijke Lolita-figuren moeten voldoen aan de verwachtingen van de volwassenen en hun dromen van een beter leven.   ZAAL 3 - Cultuur en plaats In de jaren 1990 namen fotografen afstand van het idee dat een fotoportret iets wezenlijks weergeeft van de afgebeelde persoon. Een portret was voortaan eerst en vooral een afbeelding die wordt bekeken, begrepen en gewaardeerd volgens bepaalde picturale tradities en conventies. Het besef dat een foto geen absolute waarheid verkondigde, leverde een nieuwe artistieke vrijheid op. Fotografen gingen op zoek naar nieuwe vormen in de portretfotografie. Het begrip ‘portret’ werd opgerekt en vermengd met andere vormen en praktijken zoals de documentaire en de reportage. Voor het eerst werd ook een duidelijk verband gelegd met het landschap. Fotografen stelden zich de vraag hoe de plek waar iemand leeft de identiteit van het individu of de gemeenschap bepaalt.   Manfred Willmann: Untitled, 1988, uit de serie "Das Land, 1981–1993" De man zit met een wereldbol op schoot in een keuken. Hij heeft zijn hoed nog op. Het lijkt een spontaan genomen portret. De foto komt uit de serie Das Land (‘Het land’) die de Oostenrijkse fotograaf Manfred Willmann maakte tussen 1981 en 1993. De reeks verbeeldt het dagelijkse leven in een rurale gemeenschap in de provincie Steiermark waar Willmann zelf al jarenlang leeft. Door de informele composities en het gebruik van flitslicht doen zijn foto’s op het eerste gezicht denken aan willekeurige snapshots. Maar niet is minder waar. Willmann gebruikt zijn beeldtaal heel bewust om het gefotografeerde leven dichterbij te brengen.   Adam Pańczuk, uit de serie “Karczeby” Hoe kan een foto uitdrukking geven aan de complexe historische relatie van de bewoners met de grond waarop ze leven en die hun identiteit bepaalt? Die uitdaging ging de Poolse Adam Pańczuk aan in deze reeks. Hij bezocht het land van zijn grootvader en voerde de dorpsbewoners op als acteurs. Zij poseren met objecten die symbool staan voor lokale tradities en gebruiken. De titel van de reeks refereert aan Karczeb, een oud dialect uit het oosten van Polen. Het woord verwijst naar wat achterblijft na het kappen van een boom: een stronk met wortels die zich niet laat verwijderen. De bewoners van de streek worden ‘Karczebs’ genoemd omdat zij zo sterk geworteld zijn in hun geboortegrond. De taferelen zijn soms komisch en suggereren een rijkdom aan verhalen. Maar Pańczuk reikt de kijker geen concrete clues aan: je mag ze zelf invullen. Het zwart-wit versterkt de suggestie van eenheid tussen mens en landschap. ZAAL 4 - Maskers De fotograaf en het model proberen allebei zoveel mogelijk richting te geven aan de manier waarop de kijker een portret kan lezen. Ze zijn zich bewust van de (gewenste) effecten die het portret in wording bij de beschouwer zal hebben. Pose, lichtval, gezichtsuitdrukking, camerahoek, achtergrond, kleding en eventuele betekenisvolle objecten en attributen vormen hun gereedschap. De pose linkt het portretgenre aan het theater, waar je ook ‘doet alsof’, waar met het lichaam en een gezichtsuitdrukking emoties kunnen worden overgebracht. Het zelfportret neemt een bijzondere plaats in binnen het portretgenre. Ons gezicht is het lichaamsdeel dat we het meest associëren met wie we zijn. Daarom kijken we met regelmaat in de spiegel. Zoals het gezicht bepaalde gevoelens prijsgeeft, kan het die ook verbergen. Net als in het theater kun je een masker opzetten of het juist laten vallen. Het kunstenaarsportret is een oud genre in zowel de schilderkunst als de fotografie. Voor de kunstenaar betekent het zelfportret veel meer dan alleen een blik in de spiegel. Het zelfportret van de fotograaf is een reflectie op zijn eigen persoonlijkheid en op zichzelf als kunstenaar. Koos Breukel: Gerard Fieret, Den Haag, 2005 De Nederlandse fotograaf Koos Breukel is bijzonder geïnteresseerd in mensen van alle leeftijden die zichtbaar zijn getekend door het leven. In zijn portretten legt hij de sporen vast die het leven heeft achtergelaten. Breukel weet in korte tijd zo’n band met zijn modellen op te bouwen dat zij hun al te bewuste gelaatsuitdrukking vergeten en loslaten. Op dat moment wordt er iets anders van hen zichtbaar; een masker achter een masker. De Nederlandse fotograaf en dichter Gerard Fieret (1924–2009) op deze foto was even bekend om zijn erotische naakten als om zijn kluizenaarsbestaan. Toen Breukel zijn portret wilde maken, trok Fieret snel en plagerig zijn pet voor zijn gezicht. Toch is de foto niet mislukt. Integendeel, de foto typeert Fierets neiging zich uit de maatschappij terug te trekken. Konstantinos Ignatiadis: Zelfportret in Nikopolis, augustus 1999 De Griekse fotograaf Konstantinos Ignatiadis maakte dit beeld in een klein dorpje aan de westkust van Griekenland. Het ruïneuze landschap van deze foto roept associaties op met de Griekse oudheid. De schaduw van de camera op een statief wordt geprojecteerd op een stenen ruïne. De schaduw van de fotograaf staat er in drie verschillende houdingen naast. Ignatiadis’ portret valt samen met de plek waar het is gemaakt. Door zijn schaduw aan de hand van zonlicht te projecteren op een stukje Griekse geschiedenis, zegt hij iets over zijn eigen achtergrond en het proces van fotograferen. Fotograferen is immers schrijven met licht en dat beeldt Ignatiadis hier letterlijk uit.     ZAAL 5 De getoonde werken in deze tentoonstelling staan in een lange, Europese traditie van het uitbeelden of verbeelden van een individu of groep. Tot die traditie horen bepaalde stilistische en maatschappelijke conventies die in de portretschilderkunst van de renaissance zijn ontstaan. Inherent aan het genre is onder andere dat (foto)portretten ‘stom’ zijn. Al sinds de renaissance proberen kunstenaars dit gebrek op te vangen door in hun beelden belangrijke contextuele informatie over de modellen op te nemen. Portretfotografen leggen hun model bijvoorbeeld vast in een veelzeggende omgeving, met strategisch gekozen attributen en objecten of ze zoeken naar andere manieren om de geportretteerde te laten spreken.   Nikos Markou: Life Narratives, 2013   De Griekse fotograaf Nikos Markou liet zijn modellen letterlijk spreken – voor de videocamera. Zijn modellen zijn echte mensen die vertellen over hun leven tijdens de economische crisis in Griekenland. Samen geven zij een persoonlijk en intiem gezicht aan de harde realiteit van de nog immer voortdurende crisis in het land.   Stratos Kalafatis: Athos/ Colors of Faith, 2008   Stratos Kalafatis portretteerde de monniken van de berg Athos. Zij leven in een kleine gemeenschap van enkele duizenden mannen op een schiereiland in het oosten van Griekenland. waar de religieuze en historische tradities van de Oosters-Orthodoxe Kerk in ere worden gehouden. De monniken hebben gekozen voor een nieuwe identiteit en zonderen zich af in een religieus ministaatje met zijn eigen regels. Kalafatis fotografeert de mannen frontaal, met slechts enkele details en de omgeving als minimale toevoeging.     ZAAL 6 Formeel en informeel Wie poseert er meestal voor een portret? Traditiegetrouw zijn dat personen met een hoge status of een belangrijke maatschappelijk functie zoals vorsten, staatshoofden en politici. Tot op de dag van vandaag vertegenwoordigen die officiële portretten niet alleen de afgebeelde persoon maar ook zijn of haar functie. Hoe kan een portret status en gezag uitstralen? Daarvoor gebruiken portrettisten picturale tradities: manieren en ‘trucs’ om iemand in beeld te brengen die al eeuwenlang bestaan en die door iedereen worden begrepen. De hier geselecteerde fotografen en beeldend kunstenaars zijn zich goed bewust van die rijke en eeuwenoude schilderkunstige portrettradities.   Lucia Nimcová: Unoffical, 2007   De Slowaakse beeldend kunstenaar Lucia Nimcová speelt met het officiële portretgenre vanuit een politiek-historisch perspectief. Ze dook in de fotografische archieven van haar geboorteplaats Humenné en verdiepte zich in de beeldtaal van de communistische propaganda. Vervolgens vroeg Nimcová een aantal mensen om opnieuw voor de camera te poseren, zoals zij in de communistische tijd poseerden of hun officiële functies vervulden. Feit en fictie, herinnering en fantasie, heden en verleden beginnen in deze reeks op een hilarische manier door elkaar te lopen.     Christian Courrèges: Capitale Europe, sinds 1990   Hoe kan een portret macht en leiderschap uitstralen? Daarvoor hoef je maar naar de foto’s van de Franse fotograaf Christian Courrèges te kijken. Hij portretteerde in opdracht talloze politici en hoge ambtenaren die aan de wieg stonden van de Europese eenwording. Zijn klassieke zwart-wit portretten zonder achtergrond en attributen tonen het zelfverzekerde gezicht van de politieke macht.   ZAAL 7 Introtitel De grote diversiteit in de Europese portretfotografie van de afgelopen 25 jaar vertaalt zich in zeer verschillende composities en formaten, in de keuze voor zwart-wit of kleur en de mate van abstractie, maar toont zich vooral in de uiteenlopende verhoudingen tussen de fotograaf en de gefotografeerde. In de portretfotografie is de relatie tussen de fotograaf en het model bepalend voor het resultaat. Dat kan een machtsverhouding zijn of een vriendschapsband. De fotograaf kan de totale controle houden, of hij kan het model de vrijheid geven om te doen wat hij of zij wil, met een onvoorspelbare afloop tot gevolg. De meeste portretten komen tot stand in een wisselwerking, waarbij de persoonlijkheid van de maker minstens zo belangrijk is als die van degene voor de camera. De maker moet zijn model immers op zijn of haar gemak stellen, het vertrouwen winnen of juist uitdagen. Thomas Ruff, Porträt (A, Kachold), 1987 De vrouw in dit enorme portret kijkt je recht aan. Haar blik is neutraal en verraadt geen emoties. De maker, Thomas Ruff, begon al vroeg in de jaren 1980 met het maken van de typologische portretreeks Porträts. Hij portretteerde een aantal medestudenten zoals de politie dat deed volgens de methode van de Fransman Alphonse Bertillon (1853–1914): frontaal, zonder gezichtsuitdrukking en met een egale, ondramatische belichting tegen een neutrale achtergrond. Ruff presenteerde de foto’s als strakke, gelijkvormige reeksen. Die presentatievorm had hij overgenomen van zijn leermeesters Bernd en Hilla Becher en hun fotoproject van industriële monumenten. Door alle mogelijke betekenissen en connotaties zoveel mogelijk uit het beeld te halen, benadrukte Ruff dat zijn portretten allereerst foto’s waren en geen uitdrukkingen van gemoedstoestanden of persoonlijkheden. Ruff gaf met Porträts een nieuwe impuls aan de portretfotografie door een tabula rasa van het portret te creëren: een geheel ‘lege’ afbeelding. Om dat te benadrukken maakte hij ze extra groot.   Denis Darzacq, Group 01, Act 50, 2010 Voor de serie warme en menselijke portretten van Act werkte Denis Darzacq samen met mensen die een geestelijke beperking hebben. De fotograaf koos voor een breuk tussen hem en de geportretteerde door de personen zelf te laten kiezen hoe en waar zij in beeld werden gebracht. Er komen in Act ook acteurs, dansers en atleten voor, maar Darzacq maakte bij het vervaardigen geen onderscheid tussen hen. Ieder individu kreeg de gelegenheid om zich voor de foto spontaan of slechts na korte aanwijzingen te uiten aan de hand van eigen ingevingen en lichaamstaal. Ook de locatie van de foto in een openbare of semi-openbare ruimte was hun keuze. Darzacq gaf zijn modellen alle vrijheid om zich vrij te verhouden tot zichzelf en de ruimte om hen heen. Daardoor is het resultaat soms heel expressief zoals in dit groepsportret of in andere gevallen juist ingetogen.          

Marthy
0 0

Veilig gedrag: bestraffen of belonen? Enkele praktische handvaten

Het is een vaak voorkomende vraag: moet een werkgever opteren voor het belonen of het bestraffen van gedragingen om tot veilig gedrag te komen? Volgens de laatste psychologische inzichten is het beter om te kiezen voor beloningen. In dit artikel worden enkele praktische voorbeeldtoepassingen meegegeven voor werkgevers, preventieadviseurs, etc. om veilig gedrag te stimuleren.   Straffen is een optie, belonen werkt beter Om een beeld te kunnen schetsen van de impact van straffen en belonen, moet worden teruggegrepen naar de theorie van operante/instrumentele conditionering. Het uitgangspunt van deze theorie is dat gedragingen veranderen op basis van de gevolgen die ze hebben. Gedragingen die een voldoening als gevolg teweeg brengen, zullen vaker, sneller en efficiënter uitgevoerd worden dan deze die onbevredigende gevolgen teweeg brengen. Een straf kan ervoor zorgen dat een werknemer op de vingers getikt wordt, waardoor hij of zij het gedrag in de toekomst vermoedelijk niet meer zal vertonen. Dat is positief, maar een straf heeft ook een onverwachts neveneffect, niet op de werknemer maar op de leidinggevende. Deze zal namelijk leren dat straffen effectief is en dus treedt bij de leidinggevende ook conditionering op. Het gevaar is dat de leidinggevende de straffen ook zal toepassen in andere situaties die misschien minder ernstig zijn. Daarnaast dwing je met negatieve sancties de mensen om op te houden met een bepaald gedrag, maar je reikt hen geen nieuw, veilig gedrag aan. Dit is wel het geval bij beloningen.   Een effectieve straf Een straf moet tevens aan verschillende voorwaarden voldoen om effectief te werken. Ten eerste moet de straf intensief genoeg zijn. Toch mag de straf ook niet te zwaar zijn om te voorkomen dat het leermechanisme door emotionele inferenties wordt geblokkeerd. Daarnaast is het belangrijk om de straf snel te geven, zodat de link tussen het ongewenste gedrag en de straf wordt gelegd. Ten derde is de consistentie van belang. De straf moet elke keer toegepast worden wanneer het ongewenste gedrag zich voordoet. Tot slot moet de straf gepaard gaan met het tonen van het gewenste gedrag.   Praktische voorbeeldtoepassingen Om toekomstig veilig gedrag aan te moedigen binnen uw onderneming wordt in de eerste plaats aangeraden om te focussen op positieve bekrachtiging. Indien een werknemer goed werk heeft geleverd, is het de taak van de leidinggevende om zijn waardering te uiten, zodat de werknemer in de toekomst zijn best zal blijven doen. Allereerst kan het al effectief zijn om een veiligheidssuggestie – box te plaatsen in de onderneming. In deze doos kunnen werknemers zelf suggesties doen om de veiligheid in het bedrijf te verhogen. Het uitdelen van financiële bonussen voor veilig gedrag blijken niet altijd effectief te zijn. Uit onderzoek blijkt namelijk dat dit kan leiden tot een daling van de intrinsieke motivatie van de werknemer. Daarnaast zit er vaak ook een langere periode tussen het gedrag en de financiële beloning. Er wordt daarom best gekozen voor immateriële beloningen. Een compliment geven voor het dragen van een helm kan dus effectiever werken dan aan het eind van het jaar een bonus te geven. Een andere mogelijke methode om veilig gedrag te motiveren, is een beloningsprogramma met de naam ‘veilige werkdagen – programma’. Dit houdt in dat een groep werknemers een beloning krijgt wanneer ze bijvoorbeeld 100 veilige werkdagen bereiken. Toch is het belangrijk om in het programma ook aandacht te besteden aan een belangrijke valkuil. Zo zal een werknemer op die manier minder gemotiveerd worden om blessures of arbeidsongevallen te melden. Als één werknemer gewond is, verliest iedereen de beloning. Sensibilisering is hier dus een belangrijke factor. Een derde mogelijkheid is werken met de benoeming van ‘(veiligste) werknemer van de maand’, gepaard gaande met een eventuele beloning. Dit zal resulteren in het feit dat de werknemers verder gaan dan hun aanvankelijke werktaken om te streven tot deze benoeming. Een vierde concrete praktische toepassing is een ‘safety creditcard’. Elke werknemer krijgt zo’n kaart aan het begin van het jaar. De werknemers kunnen punten verdienen voor de creditcard, uitgereikt door de werkgever of de preventieadviseurs, indien hij/zij veilig gedrag vertoont, een maandelijkse veiligheidsvergadering bijwoont, periodieke veiligheidscontroles uitvoert van de omgeving, werkapparatuur en bepaalde werkmethoden, etc. Aan het einde van het werkjaar mag iedere werknemer een prijs kiezen, naargelang het aantal punten er werden verdiend op de creditcard. De prijzen kunnen bijvoorbeeld ook allemaal voorzien zijn van een veiligheidslogo (bv. een brooddoos met een tekening van een helm). Tot slot kan men ‘veiligheid – bedankingskaartjes’ uitreiken. In de onderneming kan een bedankingskaartje ontworpen worden dat beschikbaar is voor alle medewerkers. Dit kaartje kunnen ze uitdelen aan collega’s die op een veilige manier omgaan met anderen of werkmaterialen. Op de kaart kan aangeduid worden om welk soort veilig of zorgzaam gedrag het gaat.   

Sara Bossers
0 0