Lezen

Pluim mijn ster, Wouter heeft vlinders in zijn hoofd, Luzeline en het duiveltje, Van de koe in de wei.

Pluim, mijn ster !               Prentenboek               Marianne Staels   Muis zit in haar roodgebloemde feestjurk op de houten vloer in de kamer. Overal inpakpapier op de grond en gekleurde linten. Het cadeau van Vlieg legt ze op de hoogste plank in de kast. Ze  had een vreemd gevoel toen Vlieg als laatste de deur uitvloog. Het was ineens zo stil geworden in de kamer. Vlieg zoemde nog:’ Vergeet je pak niet open te doen Muis !’ Tegen het paars behang hing een witte veer van Pluim, die net begraven was. Muis streelde ze en vroeg: ‘Pluim kom je met me mee we gaan samen bij Vlieg?’ Muis zette haar nieuwe hoed op en duwde de witte veer tussen het dikke roze lint. Vlieg woonde een beetje verderop bij koe. Ze zat meestal op de rug van koe in de wei, maar vandaag was ze nergens te bespeuren. ‘Vlieieieieieig  waar ben je?, zong Muis. Niemand  antwoordde. Na lang stappen kwam Vlieg  aangevlogen en vroeg: ‘Wat is er Muis, wil je nog eens feestvieren,  je ziet er zo knap uit met je nieuwe hoed? ‘Ik kan niet meer goed zien’,piepte Muis.‘ Was je bij koe vandaag? Ja, Muis,  je bent me zo voorbijgelopen,  en je hebt me niet gezien ?’Vond je mijn cadeau niet leuk ?, vroeg Vlieg. Muis antwoordde niet op zijn vraag en vertelde hoe leuk ze het feest vond. Dat ze Pluim miste vertelde ze aan niemand. Samen aten ze nog een stuk kaas en Muis keerde terug naar huis. Elke avond keek Muis naar de donkere sterrenhemel. Pluim had verteld dat planeten er precies uitzagen als sterren alleen als de zon erop scheen. Muis keek tot laat in de nacht naar de zwarte lucht en de mooie sterrenhemel. Ze liep de voordeur binnen en hing de witte veer terug op het behang. ’Slaap zacht’,  fluisterde ze doorheen het behang. De volgende ochtend ruimde Muis verder de kamer op, opende  het pakje van Vlieg, keek ernaar, en zette het snel terug. De deur stond op een kier, Vlieg kwam aangevlogen, ze vloog tot op de hoek van de voordeur en vroeg:’Muis vind je mijn cadeau echt niet leuk?’ Muis antwoordde weer niet en schrok. Ze keek omhoog,’Moet dat nu echt?, vroeg ze en beetje verlegen. Neen, antwoordde Vlieg. Ze aten wat kaas, en later in de avond, toen de sterren in de lucht  klommen, gingen ze samen op de stoep zitten en zongen tot laat in de nacht. Ze keken naar de sterren. Vlieg zei steeds:’Muis kijk omhoog, zie je Pluim, hij hoort nog altijd ons lied.’ Ik zie Pluim niet meer, antwoordde Muis verdrietig, alles is donker, ik zie geen sterren. Vlieg ging hoog in de kast het cadeau halen, opende het en zei: ‘Kom Muis we gaan liggen op het gras, doe je je ogen dicht?’ Muis deed wat Vlieg voorstelde en voelde dat Vlieg iets op haar neus zette. Vlieg had een roze bril op Muis haar neus gezet. Muis doe je ogen open, en……………………., zie je Pluim ?, vroeg Vlieg zachtjes. ‘Vlieg, ik hou mijn bril  voor altijd op’, schreeuwde  Muis . ‘Ik zie Pluim wel duizend keer, mijn vriend, mijn ster.’   Wouter heeft vlinders in zijn hoofd      prentenboek    Marianne Staels   Ik sta met  papa voor de school van Wouter. Mijn broer Wouter is net zes geworden. Boven  de schoolpoort hangt een schilderij, daaronder staat in  grote letters: ’Witte Wolk’ Mijn school heet ‘De vlindertuin’   ‘Papa mag Wouter mee met mij?’ ‘Neen Tim, Wouter heeft vlinders in zijn hoofd, en dat is moeilijk. Wouter zou toch beter passen in de vlindertuin, denkt Tim. Verdrietig stapt Tim verder .   Mama had ook vlinders in haar buik als ze verliefd werd op papa. Ik wil ook vlinders in mijn hoofd, dan mag ik naar de school van Wouter. Kunnen vlinders nu overal in je lichaam vliegen ? Als de vlinders feestvieren in het hoofd van Wouter zie ik dat hij lacht. Als ze elkaar kussen kijkt hij me aan, en als de vlinders roerloos blijven, laat Wouter zijn hoofd hangen. dan staren zijn ogen staren naar de grond. ‘Wouter, vraag jij eens aan die vlindertjes of ze samen met mij naar de Vlindertuin willen?’   Terwijl Wouter zijn armen spastisch in het rond slaat, kijkt hij me aan. ‘Mama, Wouter wil met me mee naar school, ik zie dat hij blij is, hij wilt mee! ‘Nee,Tim, neen, dat gaat echt niet. ‘Ik vraag het morgen aan de juf, zegt Tim’ En ja, juf zei ja, Wouter mag mee !   Wouter is zo geboren, ik ben zo geboren, papa is zo geboren, mama is zo geboren. En als Wouter geen vlinders meer had, dan zou hij noch lachen noch huilen. Mijn broer heeft vlinders in zijn buik en overal. Wouter moest ik een vlinder zijn, dan zou ik in je hoofd rondvliegen, dat je heel veel lachen kon. En als ze roerloos waren zou ik ze wegblazen met de wind dat alle vlinders  deden schaterlachen. Als de vlinders blij zijn zie ik het aan je ogen die draaien naar mij, en dan zwaaien je armen naar mij, jij Wouter mijn broer. Mijn broer is zo geboren , ik ben zo geboren, mama is zo geboren, papa is zo geboren.   'Luzeline en het duiveltje'              Sprookje                     Marianne Staels Luzeline woonde in een houten huisje op een hele hoge ijsberg. Beneden in het dorp strooiden  sommigen  boze praatjes over haar rond. Alle mensen die de ijsberg beklommen gleden de rivier in en veranderden in de gedaante van een vis. En toch was de arme Luzeline een lieverd. De enige rijkdom die ze had was een hoge kast met twaalf laden, die achter de voordeur stond in de gang. Ze was klein en had een ladder nodig om tot in de laden te komen. De twaalfde lade bleef dicht want haar hand reikte net niet zo hoog. Elke avond brandden kaarsen omheen haar huisje, vandaar dat haar ouders haar Luzeline heetten. Als het laatste kaarsje gedoofd was ging ze netjes onder de lakens liggen. Bij de eerste lichtstraal sprong Luzeline recht. Luzeline voelde zich zo licht als een strohalm en speelde steeds met haar hondje  Blaffie  rond het huisje. Ze hoorde het gezang dat uit het midden van de ijsberg kwam.  Zingend stapte ze de voordeur binnen,  nam het laddertje en klom omhoog. Vandaag deed ze de twaalfde ladekast open en klom hoger en hoger. Zuchtend op de laatste tree  kreunde ze , ‘ Och wat ben ik eenzaam! ’ Nauwelijks had ze de woorden uitgesproken of er kroop een klein duiveltje uit de lade . Toen sprak het duiveltje tegen het meisje:‘ Luzeline, Luzeline, geef je schat, vrolijk en gezond, je rijkdom in de grond.’ Luzeline  gleed enkele treden naar beneden en hing nog met één arm vast. Ze zette een voet neer en verstopte haar ogen onder haar arm.‘Neen, ‘ antwoordde ze stil. Hij nam haar bij de mouw en trok haar mee. Hoe ze ook tegenstribbelde, ze moest mee, ze kon niet anders.‘ Neem me alsjeblief niet kwalijk,  maar waarom heb je zo ’n reusachtige oren?’ vroeg het duiveltje.‘Van het luisteren,’ zei Luzeline.  Het duiveltje schoof razendsnel een prachtige gouden ring rond de dunne vinger van Luzeline en fluisterde: ’Nu ben je het  meisje klein , ik zal je vriendje  zijn. Geschrokken trok het meisje de ring van haar vinger, en gooide die door het raam.‘Neen ,’riep Luzeline . ‘Ik wil mijn schatten niet geven en jou wil ik helemaal niet als vriend.’ En ze liep zo vlug ze kon bij Blaffie in de tuin.  Het duiveltje lachte spottend en  zei : ‘ Zo gauw zijn we niet van elkaar af, jij en ik.’ Daarop verdween  hij  terug in de kast. Luzeline sloeg haar handen voor haar gezicht en barstte in tranen uit. ‘Wat ben ik met al die rijkdom als een duivel me vraagt  mijn vriend te zijn,’snikte ze. Maar Luzeline was niet bang, ze klom een tweede keer de ladder op en toen ze op de tiende  trede stond ging de elfde  lade vanzelf open. Het duiveltje keek  spottende naar beneden. ‘Luzeline,Luzeline, vrolijk en gezond, geef je schat,  je rijkdom in de grond’, hoorde  ze nogmaals. Duiveltje had een gouden halssnoer in zijn behaarde handen en gooide die naar beneden rond de hals van Luzeline. Ze haastte zich zo snel mogelijk naar beneden, maar hij was haar voor. Haar voet raakte zijn hand en ze vloog  achterwaarts  in zijn armen. Hij hield ze zo stevig vast, hoe ze ook tegenstribbelde, ze moest mee ze kon niet anders. Het duiveltje fluisterde: ’Nu ben je het meisje mooi,  jou  vriendjes in een kooi.’ ‘Neem me alsjeblief niet kwalijk,  maar waarom ben je zo klein ?’  zei duiveltje. ‘Klein maar  fijn,’ antwoordde Luzeline. Nauwelijks had ze de woorden uitgesproken of ze lag languit op de sofa en van duiveltje was niets meer te bespeuren. Maar Luzeline was niet bang, ze hoorde nog altijd het gezang dat midden uit de ijsberg  kwam,en speelde met Blaffie rond het huisje.  Elke dag zag ze in de verte een kleine jongen die de rivier afvaarde. Het jongentje wist dat de ijsberg te glad was en dat het huisje onbereikbaar  was . Maar die dag keek hij omhoog en zwaaide.  Luzeline trok haar halsnoer  uit en gooide die zo ver ze kon. Hij gleed de ijsberg af en verdween in de rivier. Het laatste kaarsje gedoofd, kroop ze in haar bedje en opgelucht sliep ze in. Maar Luzeline was niet bang,  ze kroop alweer de ladder op.  Haar schoentje raakte de ladder nog niet eens en duiveltje verscheen.  Ze wist niet  waar hij vandaan kwam en die spottende stem was er weer. ‘Luzeline,  Luzeline, vrolijk en gezond, je rijkdom in de grond.’ Wat nu weer, dacht Luzeline. Het duiveltje nam het gouden sleuteltje van de kast liep naar buiten en verstopte hem onder een steen. Een beetje later vaarde de kleine jongen voorbij en gooide zijn vissersnet uit.  Het duurde niet lang of het vissertje had een grote vis gevangen.  Het was niet alleen een vis die hij vond, maar toen hij het net terug wou uitgooien zag hij een glinsterend licht tussen de mazen. Hij keek nog eens en zag dat het een ring was. En toen hij de ring rond zijn vinger schoof, verdween het  water rond de boot  en een lange trap bracht de jongen tot boven op de ijsberg.  Luzeline zag het jongentje naar haar toe komen. ‘Vissertje, vissertje, kom dichterbij, wil je voor altijd mijn vriendje zijn?’ zei Luzeline. Ze gingen samen de wijde wereld in en het duiveltje verdween voor altijd. Daarop verdween hij in de rivier en is nooit meer teruggekomen. Van de koe in de wei                Prentenboek       Marianne Staels Er was eens een koe, die wat rondneusde in de wei. Toen ze onder een boom doorliep, viel er iets op haar kop. Ze zette het op een lopen tot ze de eend tegenkwam, en ze liepen, en ze liepen tot ze de muis tegenkwamen. Die vroeg: ‘Waarom lopen jullie zo hard?’ ‘Wel”, zei muis ‘De lucht valt naar beneden.’ ‘Muis, wie heeft dat gezegd?’ ‘Niemand” Maar mijn kop doet pijn. ‘O, dan loop ik met jullie mee, zei muis. Ze liepen en liepen steeds maar door. Daar kwam het lieveheerbeestje aangelopen. ‘Waarom lopen jullie zo hard?’ ‘Wel’,zei  de heertje, de lucht valt naar beneden. ‘Muis, wie heeft dat gezegd?’ ‘Eend wie heeft dat tegen jou gezegd?’ ‘Niemand, maar mijn kop doet pijn.’ Toen kwamen ze het kleine jongentje tegen. Die vroeg: ‘dieren, waarom lopen jullie zo hard?’ ‘Wel ‘, riepen ze met zijn allen. ‘De lucht valt naar beneden.’ De koe heeft pijn aan haar kop. De kleine jongen lachte, liep met de dieren naar de wei en riep: ‘Iedereen onder de boom, anders valt de lucht naar beneden’. ‘Eend, muis, en heertje, kom en duw tegen de boom’, zei het jongentje. Ze duwden met zijn allen heel hard tegen de boom. Alle appelen van de boom vielen op de kop van de koe. ‘En jullie geloofden het allemaal ‘, lachte het jongentje. Toen liepen de dieren stilletjes naar huis. Daarmee wisten ze dat de lucht niet naar beneden valt.          

Marianne Staels
22 0

Two to tango

Two to tango   Dat kinderfietsje! Eva grijpt het beet en tilt het boven haar hoofd. Met alle kracht die ze in zich heeft, slaat ze er twee, drie keer mee op de ruit van het grote raam achteraan de woning. De derde keer springt het glas aan diggelen. Eva gaat naar binnen. ‘Is er iemand thuis?’ Alle lichten zijn gedoofd. Van beneden uit begint de woning zich te vullen met rook. In de open leefruimte, die wat onder het niveau van de tuin komt, ziet Eva de vlammen al hoog opslaan. De gordijnen hebben vuur gevat en zijn deels op de sofa gevallen. Die is aan het smeulen. Eva stormt de trap op. Via haar noodknop roept ze de centrale op. ‘Fred? Eva hier. Brand aan de Fransenlaan 17. Ik ruik gas.’ Eva gaat een grote slaapkamer in. Niemand. ‘Er kunnen kinderen in huis zijn, in de tuin ligt een kinderfiets. Haast je, Fred!’ Op één van de kamerdeuren kan Eva Anna’s naam onderscheiden, Jordi’s kamer ligt daar vlak naast. Aan het kapstokje naast de deur hangt een kartonnen kroon. ‘Eén jaar’, leest Eva. Vanuit de centrale activeert Fred rechtstreeks het alarm in de brandweerpost. Die ligt op minder dan twee kilometer van de Fransenlaan. In geen volle vier minuten zal de snelle interventiewagen ter plaatse zijn. ‘De noodploeg is onderweg, Eva. Niet alleen naar binnen gaan!’ Dat laatste valt in dovemansoren. Agent Akermans wacht geen vier minuten als zij denkt dat er geen tijd te verliezen valt. Ze tilt de kleine Jordi uit zijn bedje en schudt Anna wakker. Geen minuut later haast ze zich het huis uit, de slapende Jordi op de arm en de slaapdronken Anna aan de hand. Kort na middernacht belt Eva aan bij nummer 19. Geen gehoor. De onwerkelijke stilte rond het brandende huis wordt doorbroken door de naderende sirene. Terwijl de interventiewagen stopt, floept er aan de overkant een licht aan. Het is koud en de kinderen hebben alleen hun pyjamaatje aan. Eva steekt de straat over. Die overburen moeten hen maar even opvangen. ‘Ik weet niet of er nog iemand in huis is!’, roept Eva de brandweerlui nog toe. ‘Er hing …’ Voor ze haar zin kan afmaken, weerklinkt een oorverdovende knal. Een steekvlam spat langs de voorkant van de woning naar buiten. Jordi schrikt wakker en begint hysterisch te krijsen. Anna kijkt met haar grote kleuterogen naar het schouwspel. Dikke tranen wellen uit haar overdonderde ogen. ‘Waar is mama?’, stamelt ze. Haar knuistje wijst verslagen in de richting van het huis.   Naarmate de nacht vordert, ontrolt zich het standaard scenario van een uitslaande brand. Veel meer dan de naburige woningen vrijwaren, kan de brandweer het eerste uur niet doen. De politie zet de straat af, de kinderen worden voor controle naar een ziekenhuis gebracht, een tweede ziekenwagen blijft doelloos wachten. Links en rechts krijgt Eva een schouderklopje. Haar bewustzijn gaat in overlevingsmodus. Zelf handelt ze niet meer, ze kijkt toe. Wat kan ze doen? Als een paar journalisten haar aanklampen, gaat er een huivering door haar heen. Deze hel is nog nieuws ook. Nog voor hij Eva een vraag heeft gesteld, noemt één van de mannen haar al een heldin. ‘Wat ik nu liefst wil’, antwoordt Eva wat later op alweer dezelfde vraag van een andere vroege journalist, ‘is naar huis gaan en languit in bad gaan liggen. Achter dit koele optreden dat jullie zo fantastisch vinden, zit ook maar een mens die dit allemaal moet verwerken. En deze vreselijke brandgeur komt daarbij bepaald ongelegen.’ Eva voegt de daad bij het woord, keert de journalisten de rug toe en gaat zich afmelden bij de chef aan de commandowagen. ‘Ik ga naar huis, Stan. Te voet. Nee, doe geen moeite. Ik was toch onderweg toen …’ Eva’s stem valt even weg. ‘Iedereen vindt het geweldig van die kinderen,’ aarzelt ze, ‘maar mama of papa moet in de brand gebleven zijn. Misschien zelfs allebei. Dat weten we allemaal. Het lijkt verdorie bijna een scenario voor een goedkope jankfilm.’ Eva slikt. ‘Is het cru te hopen dat de ouders hun avondje uit hadden en dat er een babysitter in huis was?’ Stan sust haar kordaat. ‘Kijk, Eva, een furie zoals jij denkt in een reflex dat het nooit goed genoeg is. Daarom zeg ik je alleen dit. Bedankt. Je hebt alles gedaan wat je kon doen. Dat was veel meer dan je moest doen. Beyond the call of duty zouden ze zeggen, in het land van de goedkope jankfilms. Ga gewoon met dit ene woord naar huis. Bedankt.’   Het is half twee als Eva de deur van haar loft openmaakt. Het licht laat ze uit, de volle maan geeft genoeg. In huis is het warm, te warm. Carlo heeft vast de thermostaat hoger ingesteld voor hij vertrok. Eva trekt haar hele plunje uit, dat gaat de wasmachine in. Kookwas, dan blijft er niks van die verduivelde avond hangen. Naakt schenkt ze zich een glas in en neemt een grote slok rode wijn. Beeldt ze het zich in of kleuren haar lippen echt dieprood in de spiegel? Bij het schuifraam achteraan wordt Eva’s blik door de lange, spaarzaam verlichte Canadezenlaan naar de T-splitsing getrokken die uitgeeft op de Fransenlaan. Pal op het kruispunt licht de gloed van de brand duidelijk op. Wat een inferno. Eva neemt nog een glas. Ze geniet ervan. Het is wijn uit Ulignano, bijna tien jaar geleden nu. 7 juli 2007, wat een iconische datum. Eva had nooit geloofd dat je op je dertigste nog smoorverliefd kon worden. Tot haar weekje Toscane werd gekaapt door zes weken zaligheid. Op zoek naar haar hotelletje, lag hij plots daar, languit op de Toscaanse bodem na een stevige slipper met zijn fiets. Zijn truitje hing aan flarden, zijn stevig gespierde en ferm geschaafde bips kleurde snel rood, uit een jaap in zijn linkerarm sijpelde bloed. Als bij ingeving had Eva zijn gehavende toestand genegeerd en hem koudweg gevraagd of ‘dit de kortste weg naar Ulignano was’. Na een ogenblik van totale verbijstering – wat keek hij ongelooflijk schaapachtig toen – was hij in lachen uitgebarsten en overeind gekrabbeld. ‘Je bent waar je moet zijn!’ was het enige wat hij zei. Profetische woorden! Nog voor hij helemaal rechtop stond, had ze hem aan zijn nek naar haar toegetrokken en hadden ze elkaar gekust, steeds weer gekust. Nog diezelfde avond gingen ze tot het einde. Zes weken lang verkenden en aanbaden ze elkaars lichaam. Ze genoten van de zon, de wijn, de zee, de steden en dorpjes en van het onderweg zijn tussen de ansichtkaarten. Ze lieten toe dat hun gevoelens en gedachten in een mum van tijd steeds meer vervlochten raakten. Onmiddellijk na de vakantie gingen ze samenwonen op Eva’s loft. Ze waren elkaars thuis geworden. Ulignano had hen onafscheidelijk verbonden.   Eva heeft al uren niets meer gegeten. De wijn krijgt zo vrij spel in haar afgetrainde lichaam, en wekt een glimlach op haar lippen. Had Stan gelijk? Heeft ze gedaan wat ze kon? Haar mondhoeken krullen verder omhoog. Een euforische stemming sluipt Eva’s malende hersenen binnen. Beheersing, controle, bijna macht, is dat wat ze voelt? Ja! Eva wil het uitschreeuwen. Ja, ja, ja! Steeds luider wil ze het roepen. De nacht en de rede weten wel beter. Een hete douche brengt Eva tot rust. Een half uur later blaast ze haar haren droog en kruipt in bed. Door vermoeidheid overmand slaapt ze in. Alleen, voor het eerst in bijna tien jaar.   07:43. De zoemer aan de voordeur haalt Eva uit haar slaap. Even zoekt ze naast zich, maar ze is nog steeds alleen. Terwijl ze haar badjas omslaat, ziet ze op het scherm van de videofoon Stan staan praten met een man die ze niet kent. ‘Stan? Wat brengt jou hier?’ Wat later zit Eva met Stan en rechercheur Vrancken aan tafel. ‘Zal ik koffie zetten?’ vraagt die laatste tactvol. Alleen met Stan kan Eva zich moeilijk bedwingen. ‘Wat is er aan de hand, Stan? Mijn verklaring kan toch wachten tot ik op het bureau ben?’ Stan kijkt haar in de ogen, schraapt zijn keel. ‘Is je dienstwapen in huis, Eva? Ik wil het graag zien.’ Eva is verrast. Stan onderbreekt haar kordaat. ‘Toon me gewoon waar je je dienstwapen bewaart.’ Eva neemt Stan mee naar de slaapkamer en wijst op de kleine safe daar. Stan trekt handschoenen aan. 7707. De safe is leeg. Niet begrijpend kijkt Eva haar chef aan. ‘Hoe kan dat nu? Maandagavond laat heb ik de Glock hierin gelegd!’ Met het dienblad nog in de hand neemt Vrancken de leiding over. ‘Denk goed na. Wanneer heb je voor het laatst je wapen gezien?’ Eva aarzelt niet. ‘Zoals ik al zei. Dat was zonder enige twijfel eergisteren, ’s avonds laat. Na mijn avonddienst heb ik het in de safe gelegd. Gisterenavond had ik het niet bij me omdat we toen die opleiding Verkeersrecht hadden. Kunnen jullie mij niet gewoon vertellen wat er aan de hand is?’ De mannen wisselen een blik van verstandhouding. ‘Kijk Eva. Zoals we al vreesden zijn in het uitgebrande huis twee volledig verkoolde lichamen gevonden, een man en een vrouw. De vrouw is zo goed als zeker de moeder van de kinderen.’ Stan neemt er zijn notitieboekje bij. ‘Rosa Vazquez, 32 jaar, dubbele nationaliteit, Argentijns-Belgisch, vijf jaar getrouwd met Henricus Debaeck. Een buurvrouw herkende het mobieltje en de sleutelbos die in de keuken lagen, de bril van de vrouw was nogal opvallend, de lichaamslengte klopt, de gezinswagen stond op de oprit. Alles moet nog worden nagetrokken, maar veel twijfel is er niet.’ Rechercheur Vrancken kucht. ‘Het verkoolde mannenlichaam is moeilijker te identificeren. We hebben geen tweede mobieltje gevonden, geen sleutels, geen bril of zo. Er is geen tweede auto. Voor een positieve identificatie is het dus wachten op pakweg tandheelkundige gegevens. Toch staat het als een paal boven water dat het lichaam niet dat van Henricus Debaeck is. Dat is een kleine, eerder gezette man. Het stoffelijk overschot is dat van een man van haast twee meter.’ Eva verstijft. Mannen van twee meter zijn dun gezaaid. ‘Is Carlo thuis?’ Het lijkt of Eva de vraag niet heeft gehoord, maar dat is natuurlijk niet zo. Haar stem verandert in een laag, hees keelgeluid, ingehaald door het onvermijdelijke. ‘Zeg nu alsjeblieft niet dat je mijn pistool op de plaats delict hebt gevonden. Zeg dat alsjeblieft niet.’ Eva houdt het hoofd in beide handen, de vingers gespreid over haar mond. ‘Carlo is niet thuis?’ Eva schudt het hoofd. Tranen komen er niet. ‘Heb je hem vandaag nog gezien?’ Eva slikt opvallend. Tweemaal, driemaal. ‘Maandagnacht kwam ik rond een uur of twaalf thuis. Gedoucht. Nog wat gegeten. Samen een glas wijn gedronken. Rond een uur of twee naar bed gegaan. Ik heb een gat in de dag geslapen. Ik weet niet hoe laat Carlo gisteren naar kantoor is vertrokken. Het ging zeker laat worden, er was iets met een beursintroductie.’ Korte stilte. ‘We weten natuurlijk niet of hij het is. Maar jouw pistool lag inderdaad tussen beide lichamen in. Het serienummer stemt overeen met het register.’ Stan kijkt Eva ernstig aan. ‘Het mannenlichaam vertoont één schotwond. In de linkerslaap. Denken we. Dat kan wijzen op een wanhoopsdaad. De lijkschouwing vanmiddag zal uitsluitsel brengen. Kan Carlo de Glock uit de safe hebben gehaald met de bedoeling Rosa Vazquez om te brengen en daarna de hand aan zichzelf te slaan?’ Eva aarzelt. 7707. Zou de klootzak dat vergeten zijn? Nee … ! ‘Tja, ik heb hem wel eens … .’ Vrancken trekt de wenkbrauwen op. ‘Kom nu! Stan weet vast wel hoe dat gaat. Je komt laat thuis, moe, bezweet. Je duikt recht de douche in en leeft net lang genoeg op om voor TV in slaap te sukkelen. Wat later sleep je jezelf naar bed en denkt dan aan je Glock die nog op tafel ligt. Dan helpt je boomlange kabouter je toch graag een handje? Natuurlijk heeft hij hem wel eens in de safe gelegd. De lader ligt er niet bij, hoor. Die gaat met de rest van mijn gordel linea recta de bureaulade in als ik thuiskom. Netjes afgesloten.’ De toon van de rechercheur wordt formeler. ‘Kijk Eva, het forensisch team moet hier in huis een grondig kijkje komen nemen. Jij gaat best met ons mee naar het bureau, daar blijf je beschikbaar. Na de lijkschouwing zullen we zeker nog met je moeten praten. Het spijt me.’ Stan knikt. ‘Saskia van slachtofferhulp blijft de hele dag bij je. Het … heeft er helaas alle schijn van dat je een slachtoffer bent. En een heldin, natuurlijk. Laten we dat vooral niet vergeten.’   Op het bureau zit Eva urenlang door het raam voor zich uit te staren. Saskia houdt bewust afstand, Eva heeft geen behoefte aan praten. Wat gebeurd is, herhaalt zich in haar hoofd. Elke minuut. Eva heeft moeite om haar ademhaling onder controle te houden. Op een vreemde manier krijgt ze ook de brandgeur niet uit haar neus. Langgerekte wolken glijden voorbij. Over een uurtje is de lijkschouwing afgelopen. De technische recherche zal het plaatje netjes afwerken. Carlo’s vingerafdrukken staan op haar glas van maandagavond, naast de spoelbak. De forensische jongens vinden vast de sporen van benzodiazepine. Dus, zal Vrancken besluiten, heeft Carlo haar één of ander slaapmiddel gegeven zodanig dat hij zelf ongehinderd bij de Glock kon. Op de safe staan natuurlijk ook zijn sporen. En op de bureaulade. En op het sleuteltje. Carlo was een schatje. Rosa zal dat ook gedacht hebben. Teef! Ze kon de schaduw van hun gewriemel door het gordijn maar al te goed thuisbrengen. Lekker dicht tegen elkaar aan. Zeven keer de voorbije maand. Haar stank hing in zijn haar als hij thuiskwam. Maar oh nee, Eva, er is niets van aan! Ik ben van jou, Eva, alleen van jou. Tien jaar bijna, had hij gezegd, hij leek het er keer op keer te willen indrammen. Rosa’s nek was droog geknapt. Clean. Jammer, ze had haar de nagels willen uitrukken, de ogen uitsteken, haar oren en haar tieten afsnijden. Maar daar was geen tijd voor, en het paste niet in het plan. Met de Glock in de hand achter haar rug had ze Carlo binnen aangetroffen. ‘Carlo? Jij hier?’ Vanuit de sofa keek hij op. Betrapt. ‘Wat, wat brengt jou hier?’ ‘Ik werk bij de politie, schatje. Het raampje van de wagen op de oprit is ingeslagen.’ Eva ging naar hem toe. ‘Oh.’ Terwijl Carlo voorover boog om op te staan, hoorde Eva een spitsvondige uitleg door zijn hoofd ratelen. De kogel doorboorde eerst zijn linkerslaap en dan zijn leugens. De gasfles ging makkelijk. Carlo had die opgepikt die middag. En netjes in de wagen gelaten. Achter Rosa’s huis. Zijn vlam. Eva onderdrukt een glimlach. Die is uitgedoofd nu.   Stan en Vrancken komen met twee agenten het platform op. Eva huivert. ‘Eva Akermans, ik arresteer je wegens moord op Rosa Vazquez en Carlo Strackx.’ Stans stem klinkt schor. ‘Rosa’s man heeft verklaard dat Carlo tangoles nam bij haar. Als verrassingsact voor jullie tiende verjaardag samen.’ Eva steekt beide armen naar voren, de polsen naar boven. ‘Goedkope politiefilm,’ zucht ze Stan toe.         bart e. g. vinck

bart e. g. vinck
0 0

De boomgrens

De boomgrens   Ignace Pollet   Het pad is te smal, de grond te drassig. Niet voorzien op de wielen van een rolstoel. Ik kan niet meer terug, ben al te ver. Je hoofd schudt en slingert. Je laat je gewillig naar boven duwen, alsof het jouw beslissing is om te eindigen op deze hoge graslanden. We hebben ze samen ontdekt, lang geleden, tijdens de jaren van belofte en schuld. En herontdekt tijdens onze kinderloze tweede jeugd, de vrijheid van het lege nest, de inhaalmanoeuvers, de bucket list. Het was voor je benen het begaven, voor je binnenkant verbrokkelde, voor het licht uitging. Mijn handpalm zocht je niet meer, je vezels herinnerden zich niets. We komen boven de struiken uit. Op een heldere dag zouden we de vallei zien, het afgeleefde dorp, de rotonde met richtingaanwijzers naar de oorden van bezigheid. Ik duw de rolstoel op goed geluk verder. Het pad houdt op, alsof het niet echt een pad is maar de doorsteek van een kudde geiten. Waar de hellingsgraad vermindert, verspreiden de sporen van hun hoeven zich. Je knikt bij elke put waarin de wielen kantelen. De regen deert ons niet. Dit is onze laatste gezamenlijke inspanning. Je kijkt naar me op als ik de rem opzet. Om uit te hijgen. Omdat deze plek zo goed is als een andere. Je kijkt naar me. Je ziet me niet. Je ziet niets. Je had gewild dat het gehotsebots zou blijven duren. Dat ene straaltje zon tussen dat pak wolken, ik weet niet waar het vandaan komt. Het verlicht je lange grijze haar, nooit meer bijgekleurd sinds de dag dat je de weg naar ons huis niet terugvond. Irene trof je met je voorhoofd tegen haar achterdeur. Sakkerend bracht ze je terug. Sakkerend op mij. Alsof ik je niet al die tijd heb gevoed, verschoond, gekleed, bestudeerd, getest, dooreengeschud. Toegebruld. Wie ben ik, Friede, zeg me wie ik ben. Je rook aan het voedsel dat ik je voorzette. Je vingers in mijn hand bewogen als die van een kind. Je zat tussen de planten die ik dagelijks begoot en even zo vaak een dag oversloeg, tot jullie allemaal doorbogen, Ficus, Aloe Vera en jij. Je neeg naar de bodem, steeds dieper, tot de bodem bereikt was. Ik trek je regenjasje over je fleeze en zet je mijn muts op. Ofschoon je nooit een muts hebt willen dragen, komt er geen protest. Ik heb een blad vol handgeschreven woorden klaar maar door de regen lopen ze in elkaar over en de betekenis zou je ontgaan. Wanneer ik mijn gezicht tegen je wang druk, geeft je mee. Het hangt helemaal achterover hangen. Ik laat je los. De rolstoel wankelt. Vanop het geitenpad kijk ik nog eenmaal achterom . Je blik volgt me niet. Beneden ril ik van de uitgekoelde transpiratie. Mijn broekspijpen hebben de kleur van de modder. Wandelaars monsteren me argwanend, alsof ze weten dat ik een rolstoel heb achtergelaten. Een rolstoel met iemand in. Ik ga opzij om ze door te laten. De gids van de groep gromt iets tegen me maar ik schud het hoofd. Ik weet dat ik er niet vanaf kom, van het beeld van haar, alleen op een hoog plateau, de mond vol speeksel, de ogen vol nevel, de wangen nog zacht. Lange haren, lange vingers, lange nek, zelfs in haar rolstoel behoudt ze haar elegantie. Ze heeft me altijd vertrouwd. Toen ik te laat thuiskwam. Toen de kamer vol rook hing omdat ze het vuur was vergeten. Toen helderte haar verliet. Het beeld van haar zal me blijven volgen, ook al vervaagt het tot gestalte, silhouet. Ik stap in mijn wagn en wacht. Heb ik haar genoeg slaapmiddel toegediend? Zal het werken voor de vrieskou intreedt? Ik reken op een harde, droge winter, zodat niemand op het plateau iets te zoeken heeft. De koude nachten moeten Friede tot poreus gesteente maken, verpoederd, uitgehold van binnen, alleen nog bijeengehouden door de rode algen. Drie uur in de ochtend, een hond huilt in het dorp. De temperatuur blijft boven nul. Zit zij nu te rillen, te vechten tegen de slaap? Is ze met rolstoel en al omgevallen? Wordt ze opnieuw wakker van de ijzige wind?  Ik stap uit mijn wagen. Het geitenpad is niet meer te vinden. Mijn vingers verliezen elk gevoel, mijn tenen vinden geen grip. In laffe voren verzwik ik mijn beide voeten. Overal heeft de wind vrij spel. Ik strompel rond op wat ik vermoed het plateau is. ‘s Nachts is alles anders. Ik kam alle begaanbare plekken uit. Ze is er niet meer. Niet zij, niet de rolstoel. Ik speur de randen af, kijk in het niets. Het is te donker. Ik geef het op. Ik probeer de wagen geluidloos te starten. De motor loeit zo hard dat ik er meteen de sleutel uittrek. Ik open het portier en luister. Achter geen enkel raam wordt een licht aangestoken. Dit dorp is ontvolkt. Nogmaals in het contact. Met gevoelloze onderbenen ontkoppel ik en geef gas. Geduldig kruipt de auto de weg op. De lichten houd ik gedoofd tot ik tussen de bomen zit. Ik concentreer me op de gebroken strepen in het midden, hopend dat deze mij volledig kunnen inpalmen. Maar de strepen zijn te dun voor wat binnendrijft. Door de mistbanken heen meng ik hete thee met honing, koester ons oude hoofdkussen en laat haar laatst gedragen nachthemd door mijn handen glijden. In het ochtendwit stop ik voor een huis. Ik heb geen idee hoe ik hier geraakt ben. Ik ga achterom en stoot de achterdeur open. Irene zit er met koffie en een krant. Ze kijkt niet op. ‘Irene,’ zeg ik. ‘Ik zag dat je gebeld had. Ik ben de hele nacht opgebleven, Alex, de hele nacht.’ ‘Friede is verdwenen,’ zeg ik. ‘Ik vind haar niet meer.’ Hoe kan ik haar vertellen wat er gebeurd is. ‘Friede is al drie jaar dood, Alex.’

Ignace Pollet
0 0

Zoek je plafond en duw

Een creatief denkend kind doet er goed aan de frustratie van leren niet uit de weg te gaan, maar zijn plafond te onderzoeken. Je kent het wel, de stem die zegt dat iets niet goed genoeg is, dat je het toch niet kunt? Die stem maakt dat je een plafond ervaart. Als een clubbewaker, dubbelgespierd, duwt hij je naar beneden. Je blijft onder je plafond hangen en groeit niet verder. Vallen en opstaan Ook schrijvers van korte verhalen kunnen tegengehouden worden door het gevoel dat je nu eenmaal niet beter kunt dan wat je al doet. Dat gevoel kan lijken op een intimiderende hindernis vol verhalen ter bevestiging; vanaf hoe je stuntelig leerde kruipen, een slecht cijfer voor een schrijfwerkje kreeg, tot aan het oneens zijn met een professor hoe je je scriptie schreef. Bij leren schrijven is het niet anders, eerst komt het kruipwerk, pas veel later komt iets in beeld dat publicabel is, een weg vol krenkingen. De stem van een leraar kan je tegenhouden hebben, misschien werd je zelfs uitgelachen. Achter ieder succes ligt een berg verhalen van vallen en opstaan, ook als het gemakkelijk lijkt te gaan. J. K. Rowling kreeg zo’n tiental afwijzingen voor ze werd gepubliceerd door een uitgever. King kreeg er honderden en prikte ze aan een balk boven zijn bed. Breek door We ervaren een plafond, omdat psychologen eerst uitgingen van een vaststaand IQ en niet van een variabele die je door oefenen, leren en ontwikkelen kunt bouwen. Feuerstein toonde aan in onderzoek dat dit te herzien is. Je verbale IQ, die je gebruikt voor verwoorden, en je performale IQ, die je gebruikt voor plotten, kun je trainen. Je blijft niet ‘dat slechte cijfer voor schrijven’.  Je bent niet de afwijzing van jouw verhaal in een tijdschrift. We kunnen ons steeds verder ontwikkelen. Eerste vereiste is willen. Show-don’t-tell Manieren om je niet neer te leggen bij jouw plafond – zelfs als je al gevorderd bent – is het volgen van cursussen, zoeken van schrijfbegeleiding, leren van een redacteur, masterclasses, schrijfboeken en literaire tijdschriften lezen. Vergeet daarbij niet jouw denken en levenservaring mee te laten groeien. Zelf weet ik het een en ’t ander van show-don’t-tell, heb ermee geworsteld, er veel over gelezen. Toch ga ik de masterclass van Naakte Lunch volgen daaromtrent omdat ik nog niet helemaal tevreden ben over hoe ik mijn verhalen dit principe toepas. Ik zal, eigenwijs als ik ben als vrije autodidact, mijn eigen show-don’t-tell invulling proberen te ontwikkelen. Natuurlijk zal ik daarbij mijn plafond trotseren. Ik wil bij Naakte Lunch bloggen over hoe ik dat aanpak. Tot slot: een opdracht Probeer eens waardering te geven aan een schrijver van een kort verhaal. Ik heb zelf via haar uitgever aan Marga Minco een bespreking van een kortverhaal opgestuurd, aangemoedigd door een schrijfdocente. Ik kreeg geen antwoord van de oude dame, maar het voelde goed dit te doen en het helpt het schrijven van korte verhalen serieus te nemen als volwaardig onderdeel van de literatuur. Het gaf me ook het gevoel dat ik mijzelf mag overtreffen en niet op een bepaald punt hoef te blijven hangen. Ervaar zelf eens wat het met je doet. Kies een (favoriet) kortverhaal en schrijf een e-mail naar de uitgever of redactie voor de schrijver. Verwacht geen antwoord maar onderzoek wat voor gevoel het bij je oproept.

Odile
0 0

VLIEG

  Een keer per jaar stofzuigen we de zolder. Ons huis is groot, te groot om eerlijk te zijn. We hebben voldoende plaats om al de spullen die we niet meer nodig hebben maar waar we geen afstand van kunnen doen te stockeren zodat we de zolder niet hoeven te gebruiken. Dat vergemakkelijkt het stofzuigen in hoge mate. Niets dat verplaatst moet worden. De hele oppervlakte in een vloeiende zigzagbeweging beroeren met de zuigmond die al het stof en vuil met een verrassende kracht katapulteert doorheen die schokkerig dansende stofzuigerslang.Vandaag was het zover, en ik had er zin in.Halverwege verving ik de stofzak. Het laatste deed ik de spinnenwebben in de hoeken en rond de ramen. Spinnen zoeken naar de meest winstgevende locaties om hun constructies te monteren, en waar vang je een prooi op een donkere zolder gemakkelijker dan aan een van die ramen, allebei met die typische barst in het glas? Spinnen sloven zich uit om zo'n vangnet onzichtbaar te maken en toch, ook al veranderen die webben na verloop van tijd in vormeloze stofnetten ontdaan van al hun finesse en subtiliteit en kun je ze van meters ver waarnemen, dan nog raken er vliegen in verstrikt.Je zou denken dat, wanneer een vlieg zich vast gevlogen heeft in zo'n web, dit voor de anderen qua waarschuwing kan tellen. Toch hebben hier op enkele vierkante centimeter tientallen vliegen een doodstrijd geleverd. Misschien zie ik het verkeerd, komen vliegen hier – aan het eind van hun Latijn – gewoon om te sterven, een laatste blik op die onbereikbare wereld achter glas. Ofwel wilden enkele stoutmoedige vliegen die ene bevrijden, zoals een naar de bakkerij fietsende liefhebber van een mooie zonsopgang achter een, het kanaal in duikelende wagen springt om nooit meer boven te komen.Wie weet wat er in de bovenkamer van een vlieg omgaat?Sinds ik, toen ik klein was, de vleugels uittrok van een vlieg, loop ik gebukt onder een last. Eerst negeerde ik het schuldgevoel en sloeg ’s zomers met een mepper honderden vliegen plat die de kat dan oppeuzelde. Tot ze er op een dag genoeg van had en daarna bleven de vliegen liggen wat mij de jacht deed staken. Het gebeurde, zoals ik al zei, lang geleden, toen ik de smaak van het stofzuigen nog niet te pakken had. Die kat heeft massa’s vliegen het leven gered. Kort daarna kantelde er iets in mijn hoofd, en kon ik geen vlieg meer kwaad doen.Ik moet bekennen dat vliegen me met het verstrijken der jaren steeds meer fascineren. Dat kleine wonder der natuur. Die verbluffende hoogstandjes in luchtacrobatiek gekoppeld aan ongekunstelde nederigheid, alsof het vanzelfsprekend is. Maar zelfs als ze gewoon stil zitten: het stretchen en roteren van die delicate vleugeltjes, het enthousiaste wrijven in die pootjes. Alsof ze grote plannen hebben. Want ook al leeft een vlieg slechts dertig tot veertig dagen, waarom zouden ze er niet van dromen om binnen die tijdspanne iets fundamenteels te veranderen? Iets te betekenen waardoor iedere vlieg hen nadien bedenkt in hun gebeden? Dat steentje te verleggen in die rivier op aarde?Want wat weten wij eigenlijk? Alles is mogelijk.In de jaren dat ik op deze wereld ben heb ik vooral geleerd dat veel van wat gezegd of beweerd wordt, uiteindelijk wordt weerlegd.Lang geleden stuitte ik in de bib op een boekje over de vlieg. Het stond vol merkwaardige feiten die ik om de een of andere reden nog steeds ken. Zoals dat vliegen over twee facetogen beschikken die elk uit een vierduizendtal kleine, zeshoekige ogen bestaan waarmee zij bewegingen detecteren waarvan de bron soms nog niet weet dat hij ze maakt. Of dat een vlieg per seconde tweehonderd keer met de vleugels fladdert en ondertussen alweer twee meter verder is. Of dat larven van vliegen gebruikt kunnen worden om wonden schoon te maken. Of dat ze 's nachts op je lippen komen zitten om te proeven van je speeksel.Ik las ergens dat spinnen daarentegen eerder toevallig in je mond belanden terwijl je slaapt. Mensen eten gemiddeld per jaar zo'n veertien spinnen op. Stel je voor dat zo'n spin helemaal niet toevallig in je mond terecht komt, maar dat zij daar gewoon zit te wachten in de hoop dat er een vlieg komt drinken. En dat ze toeslaat, even krachtig en verrassend als een krokodil die een jong hert vanuit het niets overvalt en het water in sleurt, en die kansloze vlieg – dronken van genot – met nijdige prikken verdooft en inpakt. En dat allemaal in de beschutte holte van je mond terwijl jij vredig verder slaapt. Je mag er niet aan denken.Ik had een verdund hulpstuk op de stofzuigerbuis gemonteerd waarin de achter elkaar aan wapperende, dikke slierten spinnenweb vol kadavers verdwenen. Sommigen vielen op de grond en ik haastte me ze op te zuigen. Een paar keer had ik de indruk dat er nog beweging in zat maar de zuigkracht was zo groot dat ik het nauwelijks kon zien. Het leek me ook onwaarschijnlijk, want het was hier zo koud en vliegen zoeken toch de warmte op? Ik was even uit het oog verloren dat hun vrijheid momenteel aan banden lag.Al stofzuigend herinnerde ik me dat sommige vliegen tot een maand als larve leefden voor ze ontpopten. Stel je voor dat je dan op je eerste dag als vlieg in zo’n web terecht kwam… En er was geen spin te bekennen om je uit je lijden te verlossen. Enkel afwachten tot je maandje erop zat, of tot je door ontbering omkwam.Op dat moment zag ik een vlieg houterig over de houten vloer kruipen. De spieren stram door de koude of te weinig beweging of verlamd van angst voor die stofzuigerslang. Ik kreeg medelijden met het schepsel. De toekomst zag er bar uit. Geboren in de ijstijd. Je leeft maar je zult nooit optimaal van dat leven genieten en geen god die met je bezig is. Of zou er een hemel voor vliegen bestaan?Toen ik ’s avonds naar tv zat te kijken dacht ik plots weer aan die vlieg die daar kroop over de oude houten plankenvloer van die eindeloze zolder. Het was dus meer dan waarschijnlijk dat ik dan toch levende vliegen opgezogen had. De ongelukkigen met de kracht van een orkaan mee geslingerd tot diep in die benauwde ruimte waar de storm nog een hele tijd woedde en waar je – hoe goed voorzien je ook was - geen vleugel voor je ogen zag. Om wakker te worden in die ondefinieerbare massa van vuil waar je nooit meer uit zou komen.Zouden er overlevenden zijn? Wat ging er in hen om? Zouden ze zich als het slachtoffer van een natuurramp beschouwen? Zouden ze er enig begrip voor kunnen opbrengen dat ik, de god van dit huis, het nodig vond te stofzuigen die dag?    

Rino Feys
0 0

Merel

Het was nog vroeg toen Merel op haar groene mountainbike de oprit afreed. De gekleurde bolletjes die ze de week voordien samen met Kaat aan de spaken van haar wielen had bevestigd, maakten een hels kabaal. De hele wijk kon haar vast horen. De hele wijk, behalve haar moeder. Die sliep overal doorheen.     Merel reed de straat uit, voorbij het grasveldje met de drie lindebomen, over het fietspad tussen de maïs en de schapenweide, de Dorpsstraat over, en zo over een zandweggetje de velden in. Ze hobbelde over stenen, slalomde tussen diepe putten die zich met regenwater hadden gevuld en neuriede een zelfverzonnen liedje. De lucht had die typisch blauwe kleur die hij altijd had vlak voor de zon opkwam. De maan hing als een witte sikkel aan de lucht. Merel wilde hem plukken, de halve maan in haar armen wiegen als een baby. Haar vader had haar eens verteld dat de maan zelf geen licht geeft. Hij weerkaatst gewoon het licht van de zon.   Ze remde toen ze iets hoorde ritselen in de struiken. Het was een mannetjesfazant, die zich met veel kabaal uit de voeten maakte. Soms zocht Merel bewust naar fazanten, omdat ze zo grappig waren, met hun rooie kop en lange staart. Maar ze lieten zich nooit zien wanneer zij dat wilde. Wanneer ze het niet verwachtte, schoten ze echter maar al te graag voor haar door.   ‘Gekke vogel!’ lachte Merel en stapte weer op haar fiets. Een paar honderd meter verder hield ze halt aan een grote, witte villa. Het was het laatste huis voor de Wildernis. Merel legde haar fiets in de berm, wandelde stilletjes de oprit op en gooide een steentje tegen Kaats slaapkamerraam. Ze wachtte ongeduldig. Ze wilde Kaats ouders niet wakker maken. Vooral haar papa niet. Die keek altijd zo streng. Kaat had haar eens verteld dat hij niet wilde dat zijn dochter met haar omging. Eén keer had hij gezegd dat Merel tot een andere klasse behoorde. Merel en Kaat wisten niet wat hij daarmee bedoelde, maar toen Merel het aan haar papa vertelde, werd die heel boos. Hij noemde Kaats ouders snobs. Dat had ze Kaat nooit verteld.   Ze was een keer bij Kaat binnen geweest. Hun huis was zo anders dan dat van haar. Veel groter en witter. Witte muren, witte kasten. Nergens lag rommel. Er stond geen wasmand met een berg strijk in de hoek, er lagen geen boeken, geen speelgoed, geen jassen en petten en handschoenen, geen vuile borden of koppen. Het was bijna alsof er niet geleefd werd in het huis. Merel durfde nauwelijks bewegen, bang dat ze iets stuk zou doen of vuil maken. Toen Kaats moeder vroeg of ze een glas limonade wilde, had ze enkel maar geknikt en toen ze haar het glas aanreikte, had ze zo stil ‘dank u’ gezegd dat ze het onmogelijk gehoord kon hebben. De hele namiddag had ze op fluistertoon tegen Kaat gesproken en toen haar vader thuis kwam, durfde ze zelfs niet meer zeggen. Sindsdien had Kaat haar nooit meer bij haar thuis uitgenodigd. Dat gaf niet: Merel ging liever naar het bos.   Het duurde een hele poos voor Kaat naar buiten kwam. Ze droeg een jeansbroek, een blauwe jas en stoffen schoentjes. Haar blonde haren had ze in twee perfecte vlechten gebonden, die onder haar muts uitstaken als dikke rupsen. Soms was Merel een beetje jaloers op het perfecte haar van haar vriendin. Zelf had ze donkerblond, dun haar waar altijd heel veel knopen inzaten.   ‘Dat duurde lang.’ Merel nam een aanloopje en sprong met beide voeten tegelijkertijd over een grote plas. Kaat lachte luid toen Merel deed alsof ze haar evenwicht verloor. Met wilde gebaren balanceerde ze op één been aan de rand van de plas.   ‘Ik vond mijn handschoenen niet.’   ‘Het is niet zo koud.’   ‘Het vriest toch wel zeker tien graden!’ Kaat bukte zich om een veertje op te rapen. Ze had al een hele verzameling. Ze versierde er alles mee: haar agenda, kistjes die ze op haar kamer had staan met allerlei spullen in, het scrapboek dat ze om beurten een paar dagen mee naar huis namen en waar ze van alles in schreven en kleefden. Soms stopte ze zelfs veren in haar vlechten, maar dat deed ze alleen als haar moeder het niet zag, want die vond dat vies.   ‘De plassen zijn niet eens bevroren.’ Merel had geen muts, sjaal of handschoenen aan. Ze had het niet zo snel koud. En als ze het toch koud had, rende ze gewoon tot ze het vanzelf weer warm kreeg.   Ze liepen verder over de modderige veldweg. Af en toe bleven ze staan om te kijken naar konijnen die door het veld huppelden. Toen ze zich omdraaiden, zagen ze de zon al opkomen aan de horizon, die nu geel en roze was, met grijsblauwe wolken. Tegen die lucht staken de kerktoren en een grote kraan af. Toen draaiden ze zich om en liepen het bos in. Dit noemden ze de Wildernis. Het was hun terrein. Hier hadden ze vorige herfst massa’s kastanjes geraapt. Tamme om op te eten en blinkende, wilde kastanjes om mee te knutselen en spelletjes te spelen. Er liepen verschillende smalle paden door het bos, maar die lieten ze links liggen. Ze wandelden liever kriskras tussen de bomen door. Ze stampten door de bladeren, streelden met hun handen over de ruwe schors van oude bomen en sprongen op één been over dikke boomwortels. Aan een dikke eik deelden ze een banaan en een paar chocoladekoeken. De eerste zonnestralen zochten zich een weg door de kruinen en vormden prachtige patronen. Een ree bleef verstijfd staan toen hij hen opmerkte, en verdween toen in het struikgewas.   ‘Ik heb gisteren een grote, zwarte hond gezien aan de bunker.’   Kaat keek haar met grote ogen aan. Er hing een stukje banaan op haar kin. Haar moeder zou vast kwaad worden als ze dat zag. Soms stond haar moeder op de oprit als ze uit het bos kwamen en dan gilde ze dat Kaats broek groen was en haar schoenen vol modder zaten. ‘Zonder baasje?’     ‘Ja. Hij stond daar gewoon een paar meter bij me vandaan. En toen liep hij weg. Hij was zeker zo groot.’ Merel hield haar hand ter hoogte van haar borst. Ze wist ook wel dat de hond niet zo groot was, maar ze maakte graag indruk op Kaat. ‘Laten we hem gaan zoeken.’   Ze liep verder, maar Kaat bleef staan. ‘Misschien is hij gevaarlijk.’  Merel liep gewoon door. Al snel kwam Kaat haar achterna gelopen. Het viel Merel op dat ze voortdurend over haar schouder keek.   Er was geen hond aan de bunker. ‘Jammer,’ zei Kaat. Ze zag er opgelucht uit.   Ze gingen naar hun kamp. Dat was een constructie van grote takken met dunnere takken tussen geweven. De dikste takken hadden ze aan elkaar gebonden met stukjes touw die ze in hun garages hadden gevonden. Een tijdje geleden had het hevig gestormd. Daarbij waren er heel wat takken van bomen gebroken en er waren zelfs een paar bomen omgewaaid. Maar hun hut was ongedeerd. Daar waren ze heel trots op.   Hun kamp was groot genoeg om in recht te staan. Een boomstam deed dienst als zitbank. Soms fantaseerden ze dat ze voor altijd in hun hut zouden blijven wonen. Ze zouden noten roosteren boven een vuur en slapen op een bed van mos. Ze zouden nooit naar huis gaan, of naar school. En er zouden andere kinderen komen. Kinderen wiens papa was weggegaan de dag na hun negende verjaardag. Kinderen wiens mama de hele dag op de zetel lag omdat ze te verdrietig was om op te staan. Kinderen die geen broertje of zusje kregen. Ze zouden een dorp bouwen. Hun eigen kindermaatschappij, midden in het bos, ver weg van de volwassenenwereld.   Maar er kwamen geen andere kinderen en Kaat moest op tijd thuis zijn voor het eten. Net toen ze uit hun hut klauterden, hoorden ze een tak kraken. Het was de zwarte hond. Hij stond op tien meter bij hen vandaan. Hij keek hen recht aan, zijn staart hoog in de lucht. Ze bleven stokstijf staan.   ‘Wat is hij groot,’ zei Kaat met schorre stem.   Merel zette een paar stappen in de richting van het dier. Haar hart klopte wild in haar keel, maar dat zou ze Kaat niet laten merken. ‘Het is een wilde hond.’   ‘Hoe weet je dat?’   ‘Dat zie je aan zijn ogen.’ Merel stond nu vlakbij de hond. Ze kon hem zelfs ruiken. Hij rook zoals het vuile meertje aan de andere kant van het bos, waar altijd bruin water in stond en waar ze weleens kikkers en padden ving. Ze stak haar hand uit. Die trilde een beetje. Even leek de hond te verstijven, toen liet hij een diepe grom horen.   Kaat gilde en zette het op een lopen.   ‘Wacht!’ Merel struikelde haar achterna. Takken zwiepten in haar gezicht toen ze zich een weg door de struiken baande. ‘Niet weglopen! Dan ziet hij je als een prooi!’ Toen ze over haar schouder keek, was de hond verdwenen. ‘Hij komt ons niet achterna!’ riep ze twee keer.   Maar Kaat was niet meer te houden. Merel had haar nog nooit zo zien rennen. Pas aan de rand van het bos bleef ze staan. Hijgend wandelden ze naar Kaats huis. Kaats vader stond op de oprit met nog twee mannen. Hij zette zijn handen in zijn zij toen hij hen zag. ‘Waarom zweten jullie zo?’   Kaat gooide haar vlechten naar achteren. Haar broek hing vol bruine spatten en haar witte schoenen hadden zich vol modder gezogen. Ze hijgde nog steeds. ‘We hebben een wilde hond gezien.’   Ook Merel hing vol modder. Ze ademde een paar keer diep in door haar neus om haar ademhaling tot rust te brengen.   De twee mannen die bij Kaats vader stonden, lachten, maar hij lachte niet met hen mee. ‘Waar?’   ‘Voorbij de bunker.’   Kaats vader wierp een kwade blik naar Merel, die aan het begin van de oprit was blijven staan. ‘Ik wil niet dat je zo ver het bos in gaat.’   Merel nam haar fiets uit de berm waar ze hem die ochtend gelegd had.   ‘Is dat jouw fiets?’ vroeg een van de mannen. Hij had bijna geen haar en droeg een kostuum. Zijn buik was zo dik dat hij niet alle knoopjes van zijn vest toe kreeg.   Merel knikte.   ‘Die lag daar gevaarlijk. Ik was er bijna overheen gereden.’   Iedereen keek nu naar haar. Merel keek snel naar Kaat, die achter haar vaders rug haar tong uitstak. Daarop moest Merel grinniken, waardoor de mannen nog kwader keken. Merel sprong op haar mountainbike en reed weg.   ‘Wat een onbeschoft kind,’ hoorde ze een van de mannen nog zeggen. Kaat antwoordde daar iets op, maar Merel was al te ver weg om het te horen. De bolletjes om haar spaken ratelden. Kraaien vlogen met verongelijkte kreten op. De lucht was donker geworden. Bij de populieren aan het einde van het veldweggetje bleef ze staan. De wind joeg door de boomkruinen, alsof hij haar wilde waarschuwen voor de naderende regen. Merel hield van het geluid van de wind tussen de kruinen van populieren. Het deed haar denken aan de zee. Merel had het altijd vreemd gevonden dat je op zee kon verdwalen. Zelf had ze al heel vaak geprobeerd om te verdwalen. Het lukte niet. Ze vond altijd de weg terug.   Ze keek toe hoe een grote roofvogel laag over het veld scheerde op zijn krachtige, bruine vleugels. Hij bleef even op een paaltje zitten, keek haar aan en vloog weer verder.   Merel reed net haar wijk binnen toen het begon te regenen. Als een speelse pup hapte ze naar de druppels.     (c) Leen Raats, uit het verhaal 'Kinderen van het bos' uit de bundel 'Vloedlijn' www.leenraats.be

Leen Raats
31 0