Lezen

De Blauwe Boeken

  Knus en gezellig, antieke, houten rekken die helemaal tot aan het plafond reiken met alfabetisch gerangschikte boeken, een plaats waar tijd noch ruimte vat op hebben, waar bij elke inhalering dat zo herkenbaar muffige aroma van oude verhalen je ene neusgat binnenhuppelt, terwijl de aangename geur van nieuwe boeken je andere neusvleugel zachtjes kietelt. De kleine boekenwinkel net buiten het centrum was dat alles helemaal niet. Aan de buitenzijde floreerden mos en onkruid weelderig tussen alle mogelijke kieren en spleten. Binnenin was het donker. De groezelige ramen en de tot op de draad versleten gordijnen hielden genoeg zonlicht buiten om het er vleermuizen naar hun zin te maken. Het rook er eigenaardig, wat zurig, alsof er al jaren geen grammetje verse zuurstof naar binnen was gesijpeld. Helemaal achterin brandde een staande schemerlamp die net na de uitvinding van de gloeilamp heel modern was. Daaronder zat een man, ineengedoken en met priemende oogjes die heen en weer flitsten over de pagina's van een dik boek, op een oude, krakkemikkige stoel aan een al even gammel bureautje. Daarop stond een vooroorlogs telefoontoestel als een magneet stof te vergaren en een prehistorische computer waar mammoeten nog hadden leren op typen en die jaren geleden al gedegradeerd was tot kapstok. De bel krijste. De deur ging moeizaam open en een vrouw wrong zich naar binnen. Ze struikelde net niet over een berg boeken, botste met haar knie tegen een rek en baande zich al vloekend een weg door de schemering. “Bob”, riep de vrouw. “Ik ben terug.” “Dat hoor ik, Bea”, zei de man onder de lamp zonder haar ook maar één blik te gunnen. “Vraag je niet hoe het geweest is?” vroeg ze. Bob rolde met z'n ogen. “Alsof ik een andere keuze heb”, verzuchtte hij. Met tegenzin klapte hij z'n boek toe en vroeg: “Hoe is het geweest?” “Fantastisch”, riep Bea uit. “Het was precies zoals in de boekskes. Parelwitte stranden, een helderblauwe zee, wuivende palmbomen en van 's morgens tot 's avonds scheen de zon. Het was in één woord zááálig.” Ze trok de dichtstbijzijnde stoffige stoel naar zich toe, gooide er de erbarmelijk gebouwde krantentoren af en plofte zich erop neer. “Dat ziet morgen bont en blauw”, klaagde ze en masseerde haar pijnlijke knie. “Heb je zo niets om te bekomen?” Bob trok de onderste bureaulade open, haalde er enkele trappisten uit, ontkurkte de flesjes en schonk als een volleerde zytholoog twee kelkvormige glazen vol. Bea nam gulzig enkele slokken. “Dat smaakt”, zei ze en veegde met de rug van haar hand het schuim van haar lippen. “Dat hadden ze daar waarschijnlijk niet?” vroeg Bob, dronk één vierde van z'n glas in één keer uit en liet een luide, krachtige boer. Bea schudde haar hoofd. “Ze hadden daar alleen van die mierzoete cocktails in kleuren die er niets eens drinkbaar uitzien en waarvan de suiker aan je tanden blijft plakken. En het eten was er ook al niet veel soeps. De eerste dagen heb ik meer de binnenkant van het toilet gezien dan iets anders.” Ze nam nog een grote slok om de gedachte eraan door te spoelen. “En dan al dat zand, dat plakte overal aan. Ik voel het nu nog overal zitten. En kijk,” ze stroopte haar mouwen op en toonde haar armen, “ik zie eruit als een gekookte kreeft die tussen een braillemachine heeft gezeten.” Bob grijnsde. "Dat is helemaal niet grappig", zei Bea en begon te krabben. “Als je nu 'Ik heb het je toch gezegd' zegt, dan ...” “Ik zeg toch niets?” “Ik hoor het je tot hier denken.” “Ik heb altijd al geweten dat mijn brein tot uitzonderlijke dingen in staat was.” “Ja, lach er maar mee.” “Wat moet ik anders doen, Bea? Jij wou per se op reis naar één of ander paradijselijk eiland.” “En nu kan ik mijn prachtige vakantiefoto's aan iedereen laten zien. Ze zullen nogal jaloers zijn.” Bob schudde meewarig het hoofd en nam nog een slok van de lauwe trappist. “Moet jij je winkel nog niet gaan opendoen?” vroeg hij. “Morgen pas”, zei Bea en zette haar glas neer. Ze stond op, stapte over de rommel, schopte hier en daar iets aan de kant, schoof de gordijnen opzij en zette de ramen wagenwijd open. Bob vloekte luid en hield zijn armen voor zijn ogen. “Wat doe je nu? Dat brandt”, riep hij. “Ik zorg voor je portie vitamine D.” “Ik ben allergisch aan vitaminen.” “Heb je hier al eens rondgekeken? Een stort is properder. En langs buiten is het al even erg. Je ziet meer mos en onkruid dan bakstenen.” “Dat is een natuurlijke vorm van isolatie.” “Aan je uitleg zal het ook niet liggen. En laat me raden. Die rommel hier is om de vloer te beschermen tegen vuiligheid?” Bea zuchtte. “Dit kan zo niet langer, Bob. Je laat me geen andere keus.” Ze nam de telefoon en draaide die naar zich toe. “Wie ga je bellen?” vroeg Bob argwanend. “Wie denk je?” “Nee. Dat doe je niet. Dat durf je niet.” Een lichte paniek was hoorbaar in z'n stem. “Wil je het uittesten?” Bea nam de hoorn van de haak, niesde van het vrijgekomen stof dat op en neer danste alsof het gebeten was door een nest rode mieren, en draaide het eerste cijfer. “Bea, doe nu niet zo kinderachtig. Ik ben geen vijf meer.” Bea draaide het tweede cijfer en keek naar Bob. Die hield z'n kaken stijf op elkaar geklemd, maar zei niets. Bea draaide het derde cijfer, dan het vierde, maar nog voor ze het vijfde cijfer kon draaien, graaide Bob de hoorn uit haar handen. “'t Is al goed”, gaf hij uiteindelijk toe. “Ik laat het hier wel opruimen.” Een week later geurde het in het kleine boekenwinkeltje zoals vlak na een fikse plensbui in het voorjaar en zag het eruit alsof het eindelijk uit een lange en diepe winterslaap ontwaakt was. Alleen de eigenaar paste niet in dit nieuwe plaatje. Hij voelde zich als een varken in een veel te propere stal. Zijn gezicht stond op vijf voor onweer. Nergens was er nog een stofje te bespeuren, de vloer blonk als een spiegel, door de ramen kon je weer naar buiten kijken, er slingerde niets meer rond, en alle boeken waren netjes geclassificeerd. Hoe moest hij hier in hemelsnaam nog iets terugvinden nu zijn systeem volledig om zeep geholpen was? De bel kermde. Een man waggelde naar binnen. Hij zag eruit als een vleesgeworden kathedraal wiens funderingen het elk moment konden begeven. Bij iedere stap hopten zijn kwabben op en neer. Hijgend en puffend sleepte hij zichzelf voort tot helemaal achteraan de winkel. Vlak voor Bob zette hij een grote, kartonnen doos neer. Bob keek niet op. De man kuchte. “Ik ben bezig”, zei Bob, sloeg een pagina om en las verder. “Meneer De Blauwe?” vroeg de man aarzelend. “Ik heb hier iets heel interessants voor u.” Bob legde zuchtend zijn boek neer en keek de man aan. “Ja?” Met zijn kleine, dikke worstenvingertjes haalde de man een oud, in leer gebonden boek uit de doos. “Wat denk je?” vroeg hij. “Hoe kom je hieraan?” vroeg Bob. “Geërfd”, zei de man. “Van een tante van mij.” “En hoe ben je hier terechtgekomen?” “Bea heeft me deze plaats aangeraden.” “Ah”, zei Bob. Hij had het kunnen weten. Waarom wil ze zich toch altijd moeien? “Zijn ze iets waard?” vroeg de man. Bob bekeek de andere exemplaren uit de doos aandachtig en bladerde ze één voor één heel voorzichtig door. “Het is een volledige reeks, in leer gebonden, in ongeschonden staat, en een eerste druk”, zei Bob bewonderend. “Ze zijn meer dan iets waard.” “Hoeveel wil je er voor geven?” vroeg de man. “Niets”, zei Bob. “Niets?” “Niets.” “En daarnet zei je nog dat ze veel waarde hebben.” “Dat is ook zo. Maar ik heb geen interesse om ze te kopen.” “En waarom niet?” “Dat is teveel gedoe.” “Gedoe?” herhaalde de man niet-begrijpend. “Heb je enig idee hoeveel werk en tijd daarin kruipt?”, vroeg Bob. “Eerst gaan we onnodig lang discussiëren over de prijs, daarna moet ik ze hier in de winkel prijzen, ze uitstallen, en het ergste van al, dan komen er ook nog klanten. Nee nee, daar begin ik niet aan.” De man staarde hem stomverbaasd aan. “Weet je wat”, zei Bob en schoof de bovenste lade van zijn bureau open. Hij haalde er een koffertje uit, viste de sleutel uit zijn broekzak, opende het kistje en haalde er een briefje van vijftig uit. “Ik geef je dit als je me nu met rust laat”, zei hij en propte het tussen de dikke vingertjes van de man. “Is het niet genoeg?” vroeg Bob ongeduldig toen de man zich niet verroerde. “Wil je nog meer?” Hij grabbelde nog enkele briefjes uit het kistje en duwde ze bij het andere briefje in de hand van de man. “Wil je nu weggaan?” “Je bent gestoord”, was het enige dat de man kon uitbrengen. “Compleet gestoord.” Hij nam z'n doos, draaide zich om en maakte zich zo snel zijn vlezige aanhangsels hem toelieten uit de voeten. De rest van de namiddag had Bob alle tijd om rustig te lezen. Vlak voor sluitingstijd jammerde de bel. “Typisch”, mompelde Bob in zichzelf. Maar nog geen vijf stapjes en drie woorden (“Hebt u kookboeken?”) later werd de oude vrouw die tot het selectieve clubje behoorde van de met uitsterven bedreigde regenkapjesgeneratie hardhandig door de slechtgezinde eigenaar terug naar buiten geduwd. Hij sloot de deur en draaide het bordje open om zodat men aan de buitenkant GESLOTEN kon lezen. Bob slofte terug, gleed uit over een natte plek op de spekgladde houten vloer, stootte de achterkant van z'n hoofd tegen de scherpe hoek van z'n bureau, viel op de grond en bleef roerloos liggen. Twee dagen later hing er aan de deur een briefje: 'De Blauwe Boeken – Gesloten wegens sterfgeval'.

Jenna
3 0

sep en saar, de trein doet raar

... Als Sep thuis komt, staat poes Miep aan de deur van zijn slaapkamer klagend te miauwen. Miep duwt met haar pootjes tegen de deur, alsof ze duidelijk wil maken dat ze naar binnen moet. Zodra Sep de deur opent, glipt Miep erdoor en schiet onder zijn bed. Verbijsterd staart Sep naar de trein die langzaam voorbij spoort.   dat is raar. wat is hier mis? de trein rijdt door. maar wie deed dat? de trein was uit en nu is de trein aan. waar zit poes miep? bij het bed. poes miep ligt op de loer. op de loer voor een muis? dat is gek! een muis die een trein aan zet? neen, dat kan toch niet! is het geen muis? maar wat dan wel? miep kijkt naar een gat in de muur. waar loer je naar, poes miep?   Sep kruipt ook onder het bed en gaat naast de poes liggen. ‘Jij weet wie of wat mijn trein gisteren kapot gemaakt heeft, lieve Miep. Sorry dat ik zo boos op je was. Het was niet jouw schuld,’ zegt Sep. Miep kijkt alsof ze hem begrepen heeft en laat Sep eventjes tussen haar oortjes kriebelen. Dan kijkt ze weer strak naar het gat in de muur. Ze ligt op de loer, klaar om toe te slaan als daar iets beweegt. Dat gat in de muur moet nader onderzocht worden. Detective Sep pakt zijn zaklamp en schijnt erin. Voorzichtig voelt hij met zijn vingers in het hol. Spannend.   ik zie niet veel. het is een gat met een buis. ik voel hier wat. het gat in de muur is niet diep. de buis gaat wel nog hoog, en ook nog laag.   Het gat in de muur lijkt niet de ingang van een echt hol, eerder een tunnel die naar boven en naar onder leidt. Maar een tunnel voor wie of wat en naar waar? Sep pijnigt zijn hersenen. Hoe diep hij ook nadenkt, het is en blijft een raadsel. Een muis kan het al zeker niet zijn. Een muis kan de knopjes van de trein toch niet bedienen. Maar wie of wat dan wel? Het moet iets heel kleins zijn want anders past het niet door het gat in de muur. Een kabouter? Kabouters bestaan toch niet. Zou ik het aan Saar durven vertellen? Of zou ze me uitlachen? Toch zou ik er het liefst met Saar over praten. Dan kunnen we samen een plan smeden. Maar Saar heeft vandaag zwemles dus kan ik niet meer naar haar toe. Eigenlijk zou ik me moeten verstoppen in mijn kamer en me heel stil houden, bedenkt Sep. Vanuit een hoekje bespieden wat er gebeurt. Maar morgen moet ik naar school. Ik kan niet de hele dag op wacht staan als een echte spion. Ik zou een camera moeten hebben, net zoals in de winkel. Dan kan ik camerabewaking in mijn kamer installeren en na school controleren wat er allemaal gebeurd is. Sep denkt lang na over het probleem maar een oplossing vindt hij niet. ’s Avonds in bed ligt hij nog te piekeren. Ineens schiet het hem te binnen: Natuurlijk, dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Saar heeft voor haar verjaardag een nieuw fototoestel gekregen. Daar kan je ook filmpjes mee maken. Bijna geruisloos kruipt Sep uit bed want mama en papa mogen niet merken dat hij opstaat. Sep gaat onmiddellijk aan het werk. Met de tong tussen de tanden schrijft hij in zijn mooiste schrijfletters een brief voor Saar.   dag saar kom je na school? de trein doet raar. neem dit mee: (tekening camera) dag sep   Nu nog dat briefje tot bij Saar krijgen. Maar hoe moet hij dat doen? De touwtjespost werkt alleen als Saar ermee begint, want die woont boven hem. Misschien moet hij haar aandacht proberen te trekken. Hij weet het al. Hij vouwt een papieren vliegtuigje, gaat voorzichtig een beetje uit zijn raam hangen, en mikt het in de richting van Saars raam. Er gebeurt niets, maar Sep geeft niet op. Hij vouwt een hele lading vliegtuigjes en mikt ze omhoog naar haar raam. De meeste vliegtuigjes gaan niet hoog genoeg, maar enkele hebben toch al tegen haar raam getikt. In het gras ligt al een berg vliegtuigjes. De onderbuurvrouw zal wel mopperen als ze dat ziet. Maar misschien kan hij de papieren vliegtuigjes morgenvroeg nog stiekem opruimen voor ze iets merkt.   Zijn voorraad vliegtuigjes is op, Sep zoekt nog papier en begint opnieuw te vouwen. Maar dan ziet hij een touw met een brief voor zijn open raam bengelen.   dag sep, er was een tik aan mijn raam. was jij dat? wat wil je? ik ben heel moe. ik lag al in bed. dag saar   Snel bindt Sep zijn brief aan het touw vast en trekt er drie keer zachtjes aan. Saar hijst het omhoog. Even later komt het antwoord van Saar al met de touwtjespost naar beneden.   goed ik kom. ik neem het mee. tot dan! dag saar   Tevreden kruipt Sep in bed en valt als een blok in slaap. ...   (fragment uit samenleesboek voor een beginnende lezer samen met een voorlezer)   www.isabellegielen.com

Isabelle Gielen
2 1

Oorbellen van de vrouwen

Wat ze daar liggen te doen in de lade van de antieke mahonie bureau in Carolines woonkamer, weten de oorbellen zelf niet en Caroline nog minder. Ze zijn niet van haar, ze liggen er sinds kerst 2013. Ze hebben zich genesteld tussen andere oorbellen en bijhorende opsmuk. Daar voelen ze zich goed en Caroline laat het daar ook bij. Toch hebben de oorbellen vanalles te vertellen. En dat zouden ze doen als ze konden praten. Want er is zoveel te vermelden over hun vorm, hun ouderdom en vooral over Nicole. Nicole? Ja Nicole, de “vorige” eigenaresse van de oorbellen. Of ze nog altijd van Nicole zijn, laten de oorbellen in het midden. Ze zijn in bruikleen bij Caroline. Of ze ooit terug gaan naar Nicole, weten ze niet. Of ze dit willen, weten ze nog minder. De oorbellen zijn oorspronkelijk aangeschaft door Maurice. Een verlaat huwelijkscadeau of eerder een vervroegd kerstcadeau, dat weten de oorbellen niet meer. Nicole ook niet, ze heeft ze ook al zo lang. Al veertig jaar of langer, dat weet ze niet. Maurice is ook al zo lang dood. Hun samenzijn en hun niet samenzijn lijkt te zijn samengesmolten tot één groot vlak. Een groot vlak dat eerst grijs, dan blauw en dan zwart werd. Een zwart dat al jaren toeneemt, tint na tint donkerder en dikker. Het neemt zo hard toe dat Nicole zich eerst verwonderde over de hoeveelheid tinten dat zwart kan aannemen en nadien deze niet meer zag. Ergens rees daar het idee bij Nicole om zich de oorbellen te ontdoen. Want hoe zwarter de tinten werden, hoe zwarter werden haar herinneringen aan Maurice ook. De oorbellen leken eveneens zwarter te worden, ook al poetste Nicole ze elke week met steeds grotere fanatieke stress. Daar ergens wist Nicole dat ze de oorbellen terug moest brengen naar het huis. Het huis waar ze met Maurice getrouwd is. Want dat weet Caroline niet, haar huis was van Nicole en Maurice. Verkocht na zijn dood aan Carolines ouders, die het op hun beurt aan Caroline schonken. Maar zonder het verhaal te vertellen van Nicole Deschacht en de de verdwenen tweede huissleutel.

't Achterlicht
0 0

Profielschets lezer: collega’s

De dienst communicatie schrijft de collega’s aan met het oog op 1 of meerdere van deze doelen:   Doel                                                                                           soort tekst Informeren                                                                             interne mail, verslag, infobrief Leren                                                                                         handleiding en gebruiksaanwijzing Uitnodigen, activeren, overtuigen                                aankondiging, uitnodiging     Weten: De dienst communicatie informeert de collega’s hoofdzakelijk over nieuwigheden of uitnodigingen. Meestal zijn de collega’s al op de hoogte maar intern nieuws altijd gaat altijd via officiële communicatie (meestal mail). Het belang voor de collega’s is op de hoogte zijn van veranderingen en van het algemeen reilen en zeilen van het agentschap.   Willen: Enkel de hoofdlijnen en niet te lange tekst. De informatie moet lichtvoetig geschreven zijn en to-the-point. Collega’s zijn betrokken en durven voor hun mening uitkomen. We volgen kritische reacties van de collega’s in hoge mate op.   Vinden: De informatie belangt de collega’s aan en de interesses varieert van persoon tot persoon. De leeftijdsgroep is 20 tot 65, ongeveer evenveel vrouwen als mannen. Over het algemeen zijn de collega’s goed opgeleid.   Kunnen: De collega’s zijn ervaren lezer. De dienst communicatie streeft naar zo helder mogelijk taalgebruik met gemakkelijke en verstaanbare woorden voor iedereen. Vakjargon is niet van toepassing.

Griet
0 0

Schrijf een suggestieve tekst over een winkel

Zaterdagmorgen, de klokt loopt tegen 9u aan. Tijd om de beentjes te strekken voor een korte wandeling naar een plaatselijke winkel. Onderweg kom ik tot de constatatie dat ik duidelijk niet de enige ben die hetzelfde idee genegen is. Immers niets zo leuk dan ’s morgens aan te schuiven, kwestie van een beetje af te kicken van de gemiddelde werkweek. Vooruit kruipend in de mensenrij, dwalen mijn ogen af naar de grote raampartij die een zicht gunt op de topproducten van deze plaatselijke handelaar. Groot, klein, dik, dun, groen, geel, … alle vormen en kleuren zijn vertegenwoordigd. Om de zoveel tellen passeert een medemens met zijn afgehandelde bestelling. Door de steeds openzwaaiende deur, beukt de overheerlijke geur van verse producten in op de reukorganen van de wachtenden.  Even in gedachten verzonken door deze geursensatie, hoor ik een vrouwenstem vragen: ‘Wie is de volgende?’. De andere rijschuivers gebaren mijn richting uit en ik ontwaak uit mijn gedachten. Wat moest ik nu meer hebben, het ziet er immers allemaal zo goed uit. Ga ik voor het klassieke, ga ik voor de caloriebom of doe ik eens gek en neem ik iets onbekend en hopelijk verrassend lekker? Na het korte gevecht met mezelf, besluit ik toch maar te gaan voor de bestelling die mij thuis werd ingefluisterd: een Mayake, iets voor ‘s middags en 2 eitjes voor de klein mannen. Na een ‘dat zal het zijn’, deponeer ik mijn kleingeld op de toonbank. De dame aan de overkant wenst me nog een prettige zaterdag en vraagt: ‘Wie is de volgende?’

Wiet De Boodt
0 0