Lezen

You Must Die

"Have you thought of Allāt and al-'Uzzā and Manāt the third, the other; These are the exalted Gharaniq, whose intercession is hoped for." En we vallen. Wrakstukken met heel veel verleden en nog luttele seconden op de teller. Ledematen, schoenen, stoelen, verpakkingen als asteroïden op koers naar de aarde. Een roze teddybeer maakt een frisse duik in een zwembad. Een motorkap verbrijzeld door een torso. We tuimelen, buitelen, duiken, storten neer. Onze maskers vallen mee (maar nog niet af). Celestiale verschoppelingen. Getalenteerde stumperds zonder vleugels. Hulpeloos herboren in bevroren zand. Een ironisch aureool. Een stigma stinkend naar zwavel. We kruipen, leren lopen, zijn ons geloof voorgoed verloren. Van God los in een ommezwaai,I tell you, I tell you, rise 'n' shine, tot in den draai,I tell you, you must die. Afgescheurd van vaderland, van subcontinent naar eiland, van veel god naar geen god. Nul dat is te weinig en drie zijn er te veel. Er is er één één één Stad van zand, doof voor de Profeet.   Visioenen van Hastings, griffioenen en manticores. Een klikspaan en agenten op het strand. Het geïsoleerde huis. Ze komen je halen. Een rat in de val, als een olifantman. Geschopt en beschimpt, de politie uw vriend. Gemuteerd in een geit, je eigen gevoeg als ontbijt. Een haan die drie keer kraait. De struisvogel rent de eenzaamheid voorbij. Argentijnse herinneringen als aangestampte sneeuw. Unfinished business, maar de jaren halen haar in. En ik verdwijn geruisloos in de nacht, als een minnaar. Jij ontsnapt met je lotgenoten, L.O.N.D.O.N. en samen zullen we je geliefde stad bestormen, L.O.N.D.O.N. maar Spoono, arme duivel, wie slaapt er met je vrouw? I tell you, I tell you, wie kwam en nam je leven en je huis?I tell you, you must die. To be born again... He is alive! No survivors. En toch sta je in hun woonkamer. En toch sta je in jouw woonkamer. Beëlzebub de hoorndrager staat in zijn eigen woonkamer. En ik naar mijn bergbeklimster. Gods gezicht op het dak van de wereld. Ik ben God niet, ik ben er vele. Er is er één één één En ik zijn zelfmoordsoldaat, met knikkende knieën in de strijd tegen Al-Lat. Zij smijt kometen in mijn kruis, ik bliksem vuur in haar gelaat. Water is liefde, wijn is haat, de tijd een godslasterlijk kwaad. The Imam vs. The Empress:FIGHT! The Imam wins! Fatality!I tell you, you must die. Er is er één één één Water wins! Untime wins! En wat voor religie hebben wij ons op de hals gehaald? En ja, ik praat in mijn slaap, maar maakt dat van mij een aartsengel? Wie stuurt mijn woorden? Wie souffleert ze, wie schrijft ze op? Wie praat van tijd en van haat, van kanker en bedevaart? Wie leidt de weg naar Mekka? "Is er een God?", vraagt de clown aan zijn os. Het dier blijft het antwoord schuldig.Pleased to meet you,hope you guess my name! Een gedroomde comeback. De nieuwe film. Over spijtige twijfels.  Er is er één één één  No survivors. I took another plane. Een gespleten universum. Een gespleten geheugen. Eén helft moet eeuwen dragen, tot aan het begin van de dagen.  Zevenslaper. Zeven dagen slapen in een kamer met de allures van de Himalaya. Want vergeten lukt haar niet. Everest in haar systeem. Visioenen van ijsbergen, Everest aan de Theems. Een ijsberg is water dat land probeert te worden. Everest is land in een groteske poging tot verdamping. Water. Land. Lucht. Gods gezicht. Geen tweede keer. Ik ben God niet, ik ben er vele. Ze vond me in de sneeuw, droeg me naar binnen. Onze liefde zo broos. Met overal barsten van het vallen, van het klimmen. Ik de engel die niet viel. Ik de aartsengel Djibriel. Tijd om wat Britten te bekeren,  een complete transformatie van L.O.N.D.O.N., stad van zonde-rlingen, en jij de droomduivel op zolder, baart een hype populairder dan Pokemon. Pleased to meet you,hope you guess my name! The Goat. The Bad. The Ugly. Geitman, de nieuwe zwarte superheld. De bange blanke man voert een nieuwe heksenjacht, gotta catch 'em all. Zwart is zonde. Jij bent geen engel, je behoorde tot de djinn, keerde je tegen het bevel van de Heer. Onze mutaties voeden de platte commerce, verruil je aureool voor hoorns, van een slechte ruil gesproken.   Maar er groeit iets op zolder. Wraak. En je wordt wakker in een nachtclub als je naakte menselijke zelf. Herboren.And all the sinners saints.   De Openbaring in een notendop: de engel die regels regent, de klerk die ze vervalst en de Profeet die het niet weet.  Stad van zand in verval, de stadspoorten wijd open voor de terugkeer van de Profeet. Onderwerping. Bekeer en heers.  Zuiver de stad van alle afgodinnen. Er is er één één één Een nieuwe godsdienst, een stortbui aan verboden, alle vrouwen achter slot, een zwarte markt van varkensvlees, dissidente spotprenten bij de vleet. Wat vervelend als niet iedereen je god graag heeft. Prostituees verkleed als de vrouwen van de Profeet: bijzonder winstgevend. De dichter zijn profane versie. Een heilig huishouden weerspiegeld in een bordeel. Spot en verzet in de kiem gesmoord door het zwaard. Hoeren en dichters. Dichters en hoeren. Wat is het verschil? En het licht dooft in de ogen van de Profeet, met een dankwoord aan Al-Lat op de lippen.   To be born again, first you have to die. Je haalt je oude leven uit de kast, past het als een oud knellend pak. L.O.N.D.O.N. And so we meet again. Een Dickensiaans drama. Winnaar en verliezer. Geen kans op vergiffenis, je ogen spuwen vuur. Wraak is een gerecht dat koud wordt opgediend.  De waanzin als de bliksem ingeslagen, pillen tegen schizofrenie, pillen tegen paranoia, een zelfdestructieve liefde verteert ons. Red ons of wacht geduldig af. Stemmen in mijn hoofd, stemmen aan de telefoon. Duivels die fluisteren, boodschappen voor Cone. Ze knagen en vreten en hakken en beuken. Wraak koud opgediend. Geen vezel nog heel. Niet van haar bergketen op zakformaat. Niet van ons. Black lives matter. Massaprotest. Oorlog in de straten. Een rechtszaak die de gemoederen verhit. Ik heb mijn gouden trompet. Ik blaas het einde van de mens. So we meet again. Confrontatie in een brandend huis. Een regen van vuur. Verkoolde geliefden. Hier komt alles samen. Hier brandt alles af. Hier splitst de vuurzee in twee en lopen wij samen naar buiten. Vergiffenis.   1 2 3 4 5 6 7 zo gaat het goed, zo gaat het beter, alweer een kilometer van spirituele waanzin. En we gaan nog niet naar huis, want niemand is daar thuis. Alle gelovigen te voet, enkel ketters nemen de Mercedes-Benz. Dodentocht naar Mekka. Wandelen op voeten die geen voeten meer zijn. Maanlandschappen van blaren en bloeduitstortingen. Maar wij gaan nog naar huis. Bijlange niet. Een kudde geïntimideerd door gieren en twijfels. Wie is de volgende die valt en niet meer opstaat? Toch brengen vlinders gevleugelde hoop. En ik droom onrustig voort. Een baby door steniging vermoord. Geloof heeft geen zwak voor diplomatie. Geloof is alles of niets. Geloof heeft geen bewijs nodig. En daar is de zee, de zee, de zee. Geloof verzet spreekwoordelijke bergen, maar de zee wil niet echt mee. Het water wordt hun graf. Hier is geen plaats voor mirakels. Schrap wat niet past:  De zee wordt geopend./De zee blijft gesloten. Einde van de bedevaart. Mekka wacht.   Een vader op sterven. Terug naar het geboorteland dat je wilde vergeten. Nu heb je een heden om te vergeten. Je toekomst zit geklemd in een wonderlamp, wrijf drie keer en ze verschijnt. De sporen die een overleden geliefde achterlaat doen nog het meeste pijn. Je neemt ze waar en je begrijpt.    En ik maak me klaar voor alweer een tragedie op de schaal van Shakespeare. Van hier gaat het enkel naar beneden. Gods gezicht op het dak van de wereld. Ik ben God niet, ik ben er vele. Gevallen engel. No survivors. To be born again, you must die.   Voor de typografie en afbeeldingen: http://gertvanlerberghe.blogspot.be/2016/08/you-must-die.html

Gert Vanlerberghe
0 0

Afscheid op de Moll’ d’ Espanya

Barcelona, 1928. Maria Alvarez de Camacho legde haar handen op haar buik. Zoals altijd was ze uitwendig kalm. Haar ongeboren kind voelde echter de onrust door haar bloed kolken en schopte als een waanzinnige. Maria onderdrukte een kreun.    ‘Moeder…’ aarzelde ze.    ‘De politie kan hier elk moment binnenvallen en Fernando meenemen. Dat wil je je broer toch niet aandoen?’ viel Maria’s moeder haar in de rede. Fernando Alvarez-Sanchez, de jonge adonis, over wie de twee vrouwen spraken, bladerde in de krant alsof het hele gesprek hem niet aanging. Maar de schichtige blik waarmee hij zo nu en dan opkeek, verraadde het belang dat hij stelde in de uitkomst van de discussie. Hij verwenste voor de honderdduizend éénentachtigste keer het moment waarop hij ongevraagd de auto van zijn baas had ‘geleend’ om diens dochter Lorena mee te nemen opdat ze op een afgelegen plaats ongestoord van elkaar konden genieten. Als zijn baas op dat moment niet de garage was binnengestapt, dan lag Lorena nu in zijn armen. Een kleine rilling trok door Fernando’s lichaam toen voor zijn geestesoog het beeld verscheen van zijn baas, die in volle colère op de auto afrende, zijn eigen been dat van de schrik de gaspedaal in plaats van de rempedaal indrukte, het bloedende lichaam van zijn baas, Lorena’s verschrikte gezicht. Hij had Lorena aangespoord haar moeder te verwittigen en was zelf zo snel hij kon naar huis gelopen. En nu lag zijn lot in de handen van zijn voorbeeldige zus. Maria verafschuwde de lafheid van haar tweelingbroer. Met zijn knappe uiterlijk had hij steeds alle vrouwen uit de buurt, jong en oud,  om zijn vinger kunnen winden. Ze had gehoopt dat met het ouder worden de verantwoordelijkheid zou komen. Maar op zijn vierentwintigste was hij nog steeds een klaploper.  Ze beet op haar onderlip, een tic die verraadde dat ze diep nadacht.    Haar moeder keek haar smekend aan: ‘ Denk aan de schande, Maria. Voor hem, voor mij.’    ‘Goed. Ik neem Fernando mee naar het huis van Don Manuel. Die is net een week naar zijn landgoed vertrokken.’ Ze wendde zich tot haar broer ‘ Zie dat je het daar ordelijk houdt. Ik heb geen zin om jouw rommel op te ruimen.’ Het kind in haar buik gaf een krachtige trap.     De schemering viel toen Maria de volgende dag de treden van Don Manuels herenhuis beklom. Hoewel niemand het vreemd zou vinden als zijn huishoudster ook tijdens zijn afwezigheid zijn vertrekken op orde hield, wilde ze niet te veel aandacht te trekken. Het tempo waarmee ze de trappen besteeg was traag. Ze weet het aan haar dikke buik, maar in werkelijkheid stelde ze de ontmoeting met haar broer zo lang mogelijk uit.  Ze had Fernando’s streken jarenlang  veroordeeld. En nu sloeg de schrik haar om het hart bij de gedachte dat haar broer later misschien een slechte  invloed zou hebben op haar kind. Ze zou nooit kunnen voorkomen dat Fernando…      ‘Maria!’ Hangend over de leuning van het witte balkon wuifde Fernando haar enthousiaster toe dan hij ooit had gedaan. ‘Heb je wat te eten voor me bij? Er is niets meer in huis.’ Maria keek achterom, de straat leek gelukkig verlaten.     ‘Ga binnen, Fernando’, fluisterde ze woedend. ‘Jij mag dan je baan kwijt zijn, ik wil de mijne houden.’    ‘Wind je niet zo op, zusje. Iedereen is toch binnen om te eten. Wat heb jij trouwens voor me bij?’ Hij griste de loodzware tassen uit haar handen en floot tussen zijn tanden.    ‘Ik zie dat mama mijn lievelingskostjes heeft klaargemaakt. Ze weet beslist hoe ik afzie. Opgesloten en in angst. ‘ Maria keek de kamer rond. De grammofoonplaten van haar baas slingerden rond op de tafel. Een halflege fles rode wijn.  Die onbeschaafde vlegel had zelfs de broek en het hemd aan van…   ‘Doe die kleren uit Fernando.’    ‘De mijne waren vuil.’    ‘Doe ze uit, verdomme!’ Ze verraste zowel haar broer als zichzelf met deze krachtterm. In haar buik volgde een aanmoedigende beweging.    ‘ De auto van jouw baas, de kleren van de mijne. Wanneer groei je eens op?’ Fernando kromp ineen, keek naar de grond en sloeg toen zijn diepbruine ogen weer op.  Vierentwintig jaren ervaring, die ze nochtans met haar moeder deelde, volstonden ruimschoots voor Maria Alvarez de Camacho, geboren Maria Alvarez- Sanchez, om vanaf de eerste seconde dit gebaar te herkennen als vals berouw.  ‘ Je baas ligt in coma. Ik kan je hier niet blijven verbergen. Over vijf dagen komt mijn baas terug. Wat ga je doen?’ Ze draaide zich om en vertrok, haar rechterhand op haar buik.   Wat ga ik doen? Die vraag stelde Maria Alvarez de Camacho zichzelf  toen ze drie dagen later over de Mercat de la Boquieria liep.  Het geroep van de marktkramers die hun waar aanprezen - verse vis, de lekkerste tomaten, de geurigste sinaasappelen, de goedkoopste speklappen en de witste broden – ging aan haar voorbij. Ze had gehandeld tegen haar rechtvaardigheidsgevoel in, alleen om haar moeder terwille te zijn. De plicht van een oudste dochter. Die des te zwaarder woog omdat Fernando zijn plichten als oudste zoon niet vervulde.  En nu zat hij in het huis van haar baas. Over twee dagen moest hij er weg. Waar naartoe? Moeder zou weer op haar rekenen om Fernando in veiligheid te brengen terwijl zij zelf vond dat Fernando eindelijk eens de gevolgen van zijn daden onder ogen moest zien. De enige manier om aan haar moeders appel te ontsnappen was om te verhuizen. Miguel, haar man, speelde wel eens met de gedachte om, net zoals zovele landgenoten, hun geluk te gaan beproeven in Chili of Peru of welk Zuid-Amerikaans land dan ook. Maria wist dat zowel zij als Miguel te weinig avontuurlijk waren om hun geboortestad, laat staan hun geboorteland, te verlaten. Toch trokken ze op zondag regelmatig naar de haven om naar de schepen te kijken die van de Moll d’ Espanya naar Chili vertrokken.  Plots trok er iemand aan Maria’s mouw. Naast haar stond Fernando’s geliefde.    ‘Lorena, hoe is het met je vader? Ik moet zo vaak aan hem denken. ‘    ‘Hij is buiten levensgevaar. Hij wordt verpleegd in la Santa Creu. Volgens de dokter zal hij  uit zijn  coma ontwaken. ‘    ‘Hoelang kan dat duren?’    ‘Daar hebben ze geen idee van. Bij sommige patiënten gaat het snel . Vooral als er iets gebeurt dat hen prikkelt.’ Lorena zuchtte. ‘Ik mis Fernando zo. Weet jij waar hij is?’ Maria bekeek de jonge vrouw met een mengeling van medelijden en misprijzen. Hoe kon een verstandig iemand als Lorena naar haar broer verlangen? En dat nog wel nadat Fernando Lorena’s vader had aangereden.    ‘Jammer genoeg kan ik je niet helpen. Ik weet niet waar hij zich ophoudt. Wens je moeder veel sterkte van me, Lorena. En jij ook. ’   Het plan rijpte op weg naar Fernando. En het verbaasde zowel Fernando Alvarez – Sanchez als Maria Alvarez de Camacho toen hij er uiteindelijk mee instemde.   ‘Naar la Santa Creu? De familie vermoordt me.’ Hij keek haar bedenkelijk aan.  ‘De dokters zeggen dat een schok hem uit zijn coma kan brengen. Jij moet de ergste schok zijn die er voor hem mogelijk is.’    ‘ Ik durf niet, Maria.’ Deze keer wendde hij zijn blik niet af. Vierentwintig jaren  ervaring volstonden ruimschoots voor Maria om zijn angst als oprecht in te schatten.    ‘Ik ga met je mee. Maak je fout weer goed, Fernando. Hier kan je niet blijven.’   Rafael Zamora-Gento, Fernando’s baas, lag al zes dagen onbeweeglijk in het ijzeren ziekenhuisbed.  Hij kon alles horen, voelen en ruiken. Daar bleef het bij. Hij kreeg zijn ogen niet open, kon geen enkele van zijn ledematen bewegen en kreeg geen woord over zijn lippen. Zijn mond opende zich enkel als iemand hem water liet drinken. Hij voelde zich vernederd als hij voelde hoe de urine  zijn broek bevochtigde of als hij de stank van zijn eigen ontlasting rook. Hij was tot tranen toe bewogen als zijn vrouw en dochters aan zijn bed zaten, maar de tranen kwamen niet. Hij had honger, maar kreeg geen eten. Zijn gigantische buik was op die zes dagen serieus geslonken.   De verminderde omvang van zijn baas’ buik was het eerste dat Fernando Alvarez- Sanchez opmerkte. Staand in de deuropening vergeleek hij Rafaels buik met de immer groeiende berg die zijn zus meetorste. Hij stelde zich voor hoe haar buik één van deze dagen zou openbarsten omdat het hem onmogelijk leek dat haar huid nog verder zou oprekken.  Inwendig moest hij grinniken. Maar hij lette er wel voor op dat Maria hier iets van zou merken. Hij had haar nodig.    Met schuchtere schreden naderde Maria het bed.  Gisteren had haar idee zo logisch geleken. Nu ze voor don Rafael stond, twijfelde ze. Hoe zou Fernando don Rafael uit zijn coma kunnen brengen?  Een schop in haar buik zette haar aan tot actie.    ‘Fernando, kom dichter.’  Haar anders zo haantjesachtige broer kwam nu aarzelend,  als een veulen dat zijn eerste stappen zet, naar haar toe. Ze  fluisterde hem iets in het oor.   ‘Maar dat is niet waar, Maria.’ Ze keek hem streng aan.    ‘Don Rafael…’ fluisterde Fernando. Het bleef stil. Maria pakte Fernando’s hand en kneep erin. ‘Harder.’    ‘Don Rafael’,  iets luider nu , ‘ik kom de hand van uw dochter vragen.’ De man in het bed reageerde niet. Maria kneep opnieuw in Fernando’s hand. ’ Harder.’    ‘Don Rafael,’ en daar was hij terug; de vertrouwde stem van Fernando, die mengeling van honing en vers gekapt hout, die stem die vrouwen deed smachten en mannen wantrouwend deed opkijken, ‘ uw dochter verwacht mijn kind.’ De man in het bed lag nog steeds onbeweeglijk stil. Maar in zijn hersenen knetterde het. Er woedde onweer, donder en bliksem op hetzelfde moment, storm op zee, draaikolken en orkanen. Toen openden zijn ogen zich en al zijn woede uitte zich in één woord: ‘Jij’. Maria Alvarez de Camacho boog zich voorover naar don Rafael en stelde hem zo vlug ze kon gerust. ‘Het is niet waar, don Rafael, ik ben degene die een kind draagt. Fernando is hier gekomen om u bij bewustzijn te brengen.’ Trots keek ze naar haar broer. ‘Fernando, haal een verpleegster. En laat de familie verwittigen.’   Een klein uur later zaten don Rafaels twee dochters en zijn vrouw aan zijn bed. Maria was opgelucht. Fernando was het afgelopen uur erg stil geweest, had zich verontschuldigd bij zijn baas en berouwvol aangeboden extra te komen werken om de schade te vergoeden. Een kleine prikkeling in haar buik deed Maria opkijken. Ze zag haar broer, pratend met een verpleegster. Voor ieder ander zou er niets zichtbaar zijn, maar vierentwintig jaren ervaring volstonden ruimschoots voor Maria Alvarez de Camacho om te zien dat hij weer op de versiertoer was. Terwijl zijn geliefde op nog geen vijf meter van hem vandaan stond, aan het ziekenhuisbed van haar vader. Nu woedde de storm in Maria’s hersenen. En zo werd een nieuw plan geboren. Ze overtuigde haar broer om afscheid te nemen van don Rafael en zijn familie: het was immers tijd om hun moeder de gelukkige afloop te vertellen.   Fernando Alvarez-Sanchez was aangenaam verrast toen zijn zus bij het verlaten van het hospitaal voorstelde om in de haven iets te gaan drinken vooraleer huiswaarts te trekken.    ‘Je hebt zolang in de rats gezeten, Fernando, je kan zeker wel een opkikkertje gebruiken.’    Een opkikkertje werden er vele. En toen bleek dat er net die avond in de Moll d’ Espanya een schip vertrok naar Chili, en zijn zus  hem waarschuwde voor de verschrikkelijke wraak van Don Rafael, leek het Fernando alsof dat het beste was dat hij kon doen: vertrekken. In Chili hielden alle meisjes van Spaanse mannen, dat was algemeen bekend. Ze waren niet zo preuts als in Spanje, ook dat was algemeen bekend. En er viel veel geld te verdienen. Dat wist hij zeker. Maria betaalde voor de overtocht en Fernando stapte aan boord. Zijn zus wuifde hem uit vanop de kade. Het schip was nog maar net de haven uit, toen Maria Alvarez de Camacho’s water brak en over haar schoenen gutste. Ze legde haar handen op haar buik. ‘Kom maar, kindje.’  

Marijn
0 0

Keukens De Keuteleire

  De keuken is besteld bij De Keuteleire, de buxus verneukt, in een lul gesnoeid. Balloos. De biljarttafel ligt er verlaten bij en aan de muur hangen driebandkampioenen te vergelen, ik aan de toog, te mijmeren over oude balorigheden, het verdriet van kamerplanten.   Thuis in een pot rusten restjes. Broccoli. Rijst. Kip in brokken. Onder de glasplaat van het salontafeltje prijkt Bobby. Gefotografeerd. Zit. Stil. Want het doet er toe! Was de voordeur niet open blijven staan (een huis is geen gevangenis), dan was hij niet platgereden en er zijn te veel kattenjongen, sprak moeder onrustig, ongelukkig.   Katten, jongen! Een jachtgeweer, netjes mikken, op een stokje pitten kippen, de ballen liggen gewoon te zijn, achter de toog. Scheel was ik, kon niet goed meisjesblikken vangen, huiselijk gejank verdragen, treurwilgen tekenen, tranen verbergen. Oefenen deden ze de krokodillen. Bij nacht, dan hoorde ik alles.   Vleermuizen, een uil, veldmuizen, het weglopen van paarden, asfalthoeven, een laatste adem. Oefenen! en moeder duwde hem van zich af, legde zich op haar zij, richtte haar blik op de muur, op een wolfspin terwijl ik cirkeltjes telde, oneindigheid mij bekroop, angst ook, omdat aliens zich verscholen, een verleden, vele bruingeestige bloemen tussen de nerven, van hout was het plafond.   Nog steeds. Morgen, zullen ze terugbellen van De Keuteleire. Hallo. Goeiedag. Een kookeiland. Inderdaad. Dat de pompbak gratis is, de dampkap van het merk Atag, zuigt alles geruisloos weg, luchtjes gelul buxusblaadjes spinnen herinneringen en dat, als hij groot van gestalte is, de hoogte aangepast kan worden, van de kapblok, Australische eucalyptus, rechts, naast vier meedogenloze gasbranders.       uit de reeks  'Roeland De Roover'  

Bernd Vanderbilt
1 0

Tot ziens, Marianne (deel 16)

De weg naar de haven lijkt langer dan op andere dagen. Mijn schoenen zwaarder. Twee dagen nadat we als bronstige stieren tegenover elkaar stonden, zullen Xavier en ik elkaar weerzien. Ik zie er tegenop, maar kan hem niet uit de weg blijven gaan. Ik heb me voorgenomen te doen alsof er niets aan de hand is. Windstilte is het beste middel om woelig water tot bedaren te brengen. Op die manier leg ik de bal tevens in zijn kamp. Als ik ‘normaal’ doe, is het aan hem om adequaat te reageren. Beantwoordt hij mijn inschikkelijkheid met evenredige edelmoedigheid, dan kunnen we verder. In het andere geval hebben we een probleem.   Het is nog vroeg op de dag, maar de hitte is al drukkend. De lucht boven het wegdek zindert als stoom boven een kookpot. Ik zoek doelbewust de schaduwzijde van de straten op omdat de temperatuur in de zon niet te harden is. Desondanks loopt het zweet in beken over mijn rug. Maar misschien is mijn nervositeit daar ook wel voor een deel verantwoordelijk voor.   Xavier staat op de kade, naast de loopbrug van de Soren Larsen. Ik neem aan dat hij het is, want hij staat met zijn rug naar me toegekeerd en heeft de kap van zijn sweater over zijn hoofd getrokken, wellicht om zich te beschermen tegen de brandende zon. Ik nader hem langs achter en schraap mijn keel om zijn aandacht te trekken. Hij reageert niet, maar beweegt zijn hoofd ritmisch op en neer, als een religieuze Jood bij de Klaagmuur.   “Xavier?” zeg ik. Ook nu reageert hij niet en blijft met zijn hoofd staan wiegen als een autist met een ritmische bewegingsstoornis. Ik hef mijn hand en tik hem zachtjes op de schouder. Hij draait zich met een ruk om en kijkt me aan alsof hij de dood in de ogen blikt. Hij lijkt geschrokken te zijn. Even meen ik dat hij me gaat aanvliegen, want zijn blik is donker en onheilspellend. Maar een seconde later verdwijnt de duistere gloed uit zijn ogen en verschijnt een minzame lach op zijn gelaat.   “Didn’t you hear me?” vraag ik. Hij bestudeert mijn lippen als een dove en maakt met een diepe frons duidelijk dat hij me niet begrijpt. Wanneer hij zijn kap afgooit en een minuscuul oortje uit zijn oorschelp prutst, klinkt een snerpend geluid op.   “Sorry,” zegt hij. “I was listening to my favorite music. Daft Punk. The best French group ever! What did you say?”   “Nothing.”   “O! Well, I’m glad to see you. How are you today?” Ik bekijk hem argwanend. Ik vertrouw het niet dat hij me begroet alsof we nooit onenigheid hebben gehad. Het lijkt me onaannemelijk dat hij zomaar de spons veegt over een dispuut als het onze. Zijn ego is een stuk groter dan het mijne. Ik kan me niet inbeelden dat hij zich hetzelfde voornemen heeft gemaakt als ik. Ik tracht mijn argwaan te bedwingen, maar wanneer hij ook nog eens kameraadschappelijk zijn arm over mijn schouders legt terwijl we aan boord gaan, wordt mijn wantrouwen nog aangescherpt. Bovendien is zijn lach iets te gul. Het klinkt me vals in de oren. Ik voel me als het jongetje uit Hans en Grietje dat met lekkers in het peperkoekenhuisje wordt gelokt om even later in een betraliede kooi te belanden. Ik ben op mijn hoede.   Tijdens het weekend vaart de Soren Larsen tot zes keer per dag uit. Telkens met een overvloed aan toeristen aan boord. We hebben het erg druk, waardoor het me geen moeite kost om afstand te houden van Xavier. Loop ik hem toch tegen het lijf, dan verschijnt telkens een brede lach op zijn gelaat, waarvan ik huiver omdat hij me herinnert aan de valse grijns van the Joker in de Batmanfilms.   Nadat we een laatste keer zijn aangemeerd, krijgen Xavier en ik als vanouds de weinig benijdenswaardige taak toebedeeld het dek te schrobben. Ik kwijt me van mijn taak als een plichtbewuste soldaat. Dikke druppels zweet, die onophoudelijk van mijn voorhoofd lekken, vermengen zich met het zwarte sop. Tegen het eind van het karwei komt Xavier plots op me toegestapt. Zijn lach is breder dan ooit, maar in zijn ogen schuilt de blik van een roofdier. Hij vraagt me of ik ooit van de ‘World Bar’ heb gehoord. Ik graaf voor de vorm in mijn geheugen, maar de naam zegt me niets.   “It’s a fantastic bar!” zegt hij eufoor. “The best place in town to party all night.” Ik begrijp waar hij naartoe wil en hul me in stilzwijgen. Het lijkt me verstandig de brand in de kiem te smoren door me van de domme te houden. Maar eens Xavier zijn gedachten op iets heeft gezet, is zijn voortvarendheid met geen middel te stoppen. Met een toon in zijn stem, die het midden houdt tussen vleierig en gebiedend, vraagt hij me hem te vergezellen naar de bewuste bar. Ik kijk hem lusteloos aan. Al was die bar het equivalent voor de hemel op aarde, dan nog liet ik me er met geen paarden naartoe slepen. Niet door hem.   “Please?” doet hij kinderlijk.   “Sorry, but I have other plans,” zeg ik.   “What plans? Fucking with that girl again?” vraagt hij met een metersbrede grijns op zijn gelaat. In gedachten zie ik hem een mes tussen zijn tanden geklemd houden. Ik wil wat opwerpen, maar kom niet verder dan wat gestamel. Ik weet niet hoe ik hem moet afschepen zonder een nieuwe aanvaring te riskeren.   “What plans?” vraagt hij opnieuw. Ik haal mijn schouders op. Het is de enige reactie die ik kan bedenken.   “You know… why don’t you invite her to come with us,” werpt hij op. Ik voel mijn adem stokken. Dit is het moment waarvoor ik altijd al heb gevreesd. Onder geen beding kan ik toestaan dat Marianne en hij elkaar treffen. Marianne zou woedend zijn. En mijn gezichtsverlies desastreus! Ik dreig verstrikt te raken in het web van mijn eigen leugens.   “Well?” dringt hij aan.   “I don’t think that’s a good idea,” zeg ik.   “Why not? Why don’t you want me to meet her?” Meteen na die woorden tekent zich opnieuw een boosaardige grijns af om zijn lippen. Met tot spleetjes gevormde ogen zegt hij: “Wait a minute. I know why you don’t want me to meet her! You’re afraid to lose her to me!” Ik denk dat hij een grapje maakt, maar de eigendunk druipt uit zijn ogen. Hoe bestáát het dat iemand zo’n verwaandheid aan de dag legt?! Wat een schaamteloze eigenliefde! Ik slaak een honend lachje. Niet met opzet. Het gebeurt onbewust. Ongecontroleerd, als een hik of een hoestje. Maar het heeft een effect op hem als een godslastering op de paus. De blik, die hij me toewerpt, is vernietigender dan een bad zoutzuur. Hij reageert woest en vraagt me of ik mezelf al eens in de spiegel heb bekeken, lelijkaard die ik ben met die ontsierende ader op mijn voorhoofd. Ik voel mijn blik verstarren. In een impuls gooi ik hem mijn zwabber tegen de schenen, keer hem mijn rug toe, en storm de loopbrug af alsof ik door een zwerm bijen op de hielen word gezeten. Terwijl ik het grote plein over hol, voel ik zijn ogen op mijn achterhoofd branden. Als het kogels waren, zat ik zo meteen verpakt in een bodypack.   Marianne en ik komen op precies hetzelfde moment toe bij het appartement.   “Hi, sweety,” begroet ze me. Haar gezicht blinkt als een spiegel en haar oksels verspreiden een weinig aangename geur. Ik krijg een kleddernatte zoen, waar ik - vanwege mijn ergernis - nu even geen zin in heb. Ik veeg haar speeksel van mijn lippen.   “Wat is er?” vraagt ze.   “Niks,” antwoord ik kort.   “Did you have a bad day?” Ik haal onverschillig mijn schouders op, maar het gebaar spreekt boekdelen.   “Wil je erover praten?” Ik schud beslist het hoofd.   “Poor boy. Misschien is het de hitte,” zegt ze. “Die kan een mens wel eens tot ergernis drijven. Ik denk dat je wat innerlijke verkoeling kunt gebruiken. Ik alleszins. Maar weet je wat nou het geval is? Ik ben domweg vergeten mijn voorraad drank aan te vullen. Ik heb geen druppel meer in huis. Misschien is het een uitgelezen gelegenheid om een stapje in de wereld te zetten. Het is zaterdagavond en we zitten al zo vaak op onze flat. We lijken wel een bejaard stel!” Haar eigen stomme opmerking volstaat om haar die vreselijke lach te ontlokken die het voegsel van tussen de bakstenen doet korrelen en mijn tenen doet krullen.   “Wat denk je?” vraagt ze. “Ik weet een bar waar het heerlijk toeven is op zaterdagavond.”   “Toch niet de World Bar?” reageer ik nors. Ze kijkt me verbaasd aan. Argwanend, lijkt het wel.   “Ken jij de World Bar?” vraagt ze.   “Nee. Maar sommige crewleden van het schip gaan op zaterdag daar wel eens wat drinken en ik voel geen enkele behoefte om hen vandaag nog een keer tegen het lijf te lopen,” zeg ik.   “O, ja. Dat begrijp ik,” knikt ze. “Nee, we gaan niet naar de World Bar. Daar is het overigens veel te druk. Ik wil ongestoord met je kunnen praten.” Ik kijk haar onderzoekend aan. Ik vraag me af waarover ze met me wil praten. Het lijkt een ernstige aangelegenheid.   “Kom,” wenkt ze me. Ze zet zich in beweging.   “Hé, wacht! Kunnen we niet eerst even naar boven gaan?” roep ik haar na. Ze keert zich naar me om. “Waarom?”   “Om een douche te nemen.”   “Ach, dat kan straks nog. Dat heeft nu geen enkele zin. Je zweet je binnen de twee minuten opnieuw te pletter.”   “Ja, maar ik stink.”  Ze buigt zich naar me toe en snuffelt aan mijn hemd.   “Je stinkt niet,” zegt ze stellig. Ik hef mijn arm en ruik aan mijn oksel.   “Jawel, ik stink als de pest!” zeg ik. Ze duwt haar neus in mijn armholte en neemt een diepe teug. Wanneer ze zich weer opricht, draaien haar ogen weg alsof ze net een lijntje coke heeft gesnoven.   “Mmmm… heerlijk!” doet ze. “Je hebt geen idee hoe opgewonden ik word van jouw zweetgeur!” Ik sta haar perplex aan te kijken. Ik vind het walgelijk wat ze doet. Zweetgeur vind ik één der wansmakelijkste geuren op aarde. Niets om opgewonden van te raken. Maar Marianne denkt er duidelijk anders over. Ze kijkt me aan met een zwoele blik in haar ogen, neemt onverhoeds mijn hoofd tussen haar handen en wurmt haar tong in mijn mond. Het volgende ogenblik maalt ze haar tong zo driftig rond, dat het lijkt alsof ze mijn tanden op een hoopje wil keren. Ik onderga de aanval, tot ik achter mijn rug plots een uitzinnig gekrijs hoor opklinken, als van een chimpansee die onder de voetzool wordt gekieteld. Ik ruk me los en sla bleek uit wanneer ik zie dat Xavier zich enkele meters van ons vandaan staat te bescheuren. De klootzak is me gevolgd en beleeft nu het plezier van zijn leven. Marianne kijkt de Fransman vernietigend aan en snauwt hem toe: “What’s your problem? Is there something funny about us?”.   “Something funny?!?” krijst de Fransman, hinnikend als een paard. “Boris told me his girlfriend was seventeen and very skinny. But look at you! You’re an old lady and a fat cow!” Na die woorden, die raak treffen als gigantische hagelstenen, is het alsof Marianne’s borstomvang in de breedte verdubbelt.   “Bugger off, bastard,” snauwt ze. Met haar borsten als een stootblok voor zich uit, stoomt ze op Xavier toe, die meteen het hazenpad kiest. Lijfsbehoud voor alles. Marianne kijkt de onverlaat na met haar handen in haar zij, maar zodra hij de hoek om is, keert ze zich naar mij en kijkt me vernietigend aan. Als een soldaat, met zwiepende armen en hakkende hielen, komt ze op me toegestapt.   “Boris? Who was this bloke?” vraagt ze, terwijl ze pal voor me komt staan. Haar blik dringt zo diep in mij door dat mijn hersenen vuur lijken te vatten. Ik durf haast niet te ademen.   “Boris?” dringt ze aan.   “Dat… dat was Xavier,” beken ik mompelend. Bij het horen van die naam, gooit Marianne haar hoofd in haar nek en slaakt een kreet van woede.   “You… you…” Ze zoekt naar woorden die me zouden treffen als messen, maar vindt er geen. Ik sla beschaamd mijn blik neer.   “Okay! If that’s the way you want it…” zegt ze. Ze keert zich woedend van me af en loopt de straat uit. Ik weet niet wat te doen en ga in paniek achter haar aan.   “Marianne! Wacht!” roep ik. Ze luistert niet en blijft als een stoomtrein voortrazen. Aangedreven door een flinke dosis adrenaline houdt ze er ontzagwekkende snelheid op na. Ik slaag er niet in haar bij te benen.   Wanneer we even later een park betreden, laat Marianne zich onverwacht op een bank ploffen. De adrenaline, die als brandstof diende, is opgebruikt. Ze slaakt zo’n diepe zucht dat ze lijkt leeg te lopen als een ballon. Ik loop behoedzaam op haar toe en neem aarzelend plaats op het uiterste einde van de bank, op een veilige afstand van haar. Zonder een woord te wisselen, zitten we de volgende minuten elk voor ons uit te staren, als twee volslagen vreemden die toevallig dezelfde bank hebben uitgekozen om op adem te komen.   Na wat een eeuwigheid lijkt, draait ze haar hoofd plots in mijn richting en kijkt me langdurig aan. Hoewel ik haar blik op de flank van mijn hoofd voel branden, blijf ik star voor me uit kijken, wat haar een diepe zucht ontlokt waarmee ze haar toenemende ergernis kenbaar wil maken.   “Doe nou niet alsof je ’t niet merkt,” zegt ze bijtend. Ik draai mijn hoofd en kijk haar aan.   “Wat?” tracht ik verbaasdheid voor te wenden.   “Dat ik al een halfuur naar je zit te kijken,” sneert ze. Ik speel de vermoorde onschuld, maar het is te doorzichtig. Nog even blijft de spanning aanhouden, maar dan werpt ze me de vraag voor de voeten waarvoor ik bevreesd was als een peuter voor een grommende hond. Ze vraagt waarom ik met Xavier ben blijven optrekken ondanks haar uitdrukkelijke vraag dat niét te doen. Ik voer aan dat hij mijn enige vriend is in Australië, dat ik niet te kiezen heb. Mijn eerlijke antwoord lijkt haar wat te bedaren.   “Kijk eens, het kan best zijn dat je behoefte hebt aan een goede vriend,” zegt ze op mildere toon, “maar dat neemt niet weg dat jij geen partij bent voor zulke etterbakken. Jij hoort uit de buurt te blijven van dat soort kloothommels! Wanneer ga je dat nou eens van me aannemen?” Ik heb geen verweer en staar zwijgzaam naar mijn tenen.   “Heb je overigens gehoord hoe die eikel me durfde te noemen?” vraagt ze. “Nou?”   “Een vette koe,” antwoord ik naar waarheid. Ze kijkt me vernietigend aan. Ze had niet op een eerlijk antwoord gespeculeerd en lijkt boos te gaan worden. Maar dan dringt het idiote karakter van de hele scène plots tot haar door en ontsnapt uit haar mond een ingehouden gesis dat even later uitgroeit tot een klaterende lach.   “Weet je, Boris, eigenlijk ben jij een vermakelijke kerel!” hikt ze. “Godsamme! Hoe oud had je overigens gezegd dat ik was?”   “Zeventien,” fluister ik.   “Nou, dat is flatteus. En hoe zag ik er precies uit in jouw fantasie?”   “Tenger met rood haar en sproetjes…”  Haar lach rijt andermaal het bladerdek boven ons hoofd aan flarden.   “Hoe kom je daar nou bij?” giert ze het uit.   “Ik weet niet. Het kwam ineens in me op toen hij naar je vroeg. Ik had ergens een meisje gezien dat aan die beschrijving voldeed…”   “En dan mat je mij je natte droom maar aan.”   “Sorry,” zeg ik.   “Ach… kan mij wat schelen,” doet ze schouderophalend. “Ik weet hoe jullie adolescenten in elkaar zitten. Jullie pochen er wat op los. Indruk maken… het typische haantjesgedrag. Prestige staat voorop. Dat maakt mijn zaak toch niet. Ik weet best dat ik een kilootje teveel heb, maar wat telt, is dat jij daar geen probleem van maakt!” Ze droogt haar tranen met haar zakdoek en snuit haar neus.   “Kom! Kom nou wat dichter tegen me aanzitten,” zegt ze. “Straks val je nog van de bank!” Ik schuif naar haar op, waarna ze haar bezwete hoofd meteen op mijn schouder legt.   “Weet je, Boris, ik vind het erg lief van je dat je me neemt zoals ik ben,” zegt ze. “Weet je wat ik denk? Ik denk dat jij oprecht van me houdt. Is dat zo? Hou jij van me?” Ze overvalt me met die vraag. Ik heb geen idee hoe ‘houden van’ precies aanvoelt, want ik heb nooit eerder van iemand gehouden. Maar als ‘houden van’ hetzelfde is als ‘gevoelens hebben voor iemand’, dan denk ik wel dat ik in zekere zin van haar houd.   “Ik denk het wel,” zeg ik aarzelend. Ze richt haar hoofd op en kijkt me aan.   “Zou je met me willen trouwen dan?” vraagt ze. Hoewel de omgevingstemperatuur nog makkelijk 35 graden bedraagt, voel ik me koud worden tot in het diepst van mijn lichaam. Ze kijkt me met haar priemende ogen aan, met die blik waarmee ze in staat moet zijn mensen te hypnotiseren.   “Wat? Waarom niet?” vraagt ze. “Wat heb je in België nog te zoeken? Je broers en zussen hebben geen greintje interesse in je. Je ouders lopen je in de weg. Vrienden heb je er niet. Ik vraag me af of je nog een reden kunt bedenken om terug naar België te gaan.”   “Ik…”     “Wat? Vind je me te oud misschien?” valt ze me in de rede. “Nou, dat is fraai! Om lekker van bil te gaan, vind je me niet te oud, maar als het er op aankomt je te binden, zing je plots een ander lied!” Ik voel me verstijven tot in mijn tenen. Hoe moet ik me uit deze benarde situatie redden? Maar dan verschijnt plots een relativerend glimlachje om haar mond.   “Hé, sufferd,” zegt ze. “Ik ben je maar een beetje aan het jennen, hoor. Ik begrijp best dat een jonge kerel als jij zich niet wil binden aan een oude doos als ik. Maar je moet het breder zien. De beweegredenen voor een huwelijk zijn divers. Met de verblijfsvergunning die je nu hebt, kun je niet langer dan een paar maanden in dit prachtige land blijven. Maar door met me te trouwen, zou je jezelf legaliseren. Je kunt zo de dubbele nationaliteit verwerven en gaan en komen wanneer je wilt. Een uitgelezen kans toch? En wees niet bang. Ik maak me echt geen illusies. Ik weet dat je vroeg of laat nood zult hebben aan ‘een groen blaadje’. En ik zeg niet dat ik dat niet jammer zal vinden - ik vind jou immers oprecht een leuke knul - maar zolang dat niet het geval is, kunnen we lekker genieten van elkaar … for the time being.” Hoewel het allemaal meteen een stuk aannemelijker klinkt, blijf ik beven als een riet.   “Ach, arme jongen,” zegt ze. “Ik weet best dat ik je hiermee overval, hoor, maar je hoeft ook niet meteen te beslissen. Laat het rustig bezinken. Je weet nu dat ik bereid ben om jou deze vriendendienst te bewijzen, verder doe je ermee wat je wilt. En nou heb ik hoogdringend nood aan alcohol. Ik verga van de dorst. Weet je, daarginds is een winkel!” Ze wijst. Ik volg haar vinger met mijn blik. Doorheen de bomen ontwaar ik een etalage.   “Ik stel voor dat één van ons wat bier gaat inslaan, terwijl ik hier op de bank blijf zitten,” zegt ze. Ik kijk haar verward aan. Ze schiet in de lach.   “Lag het er wat te duidelijk op?” vraagt ze. “Nou, je mag wel eens iets voor me terugdoen, niet? Ik heb al zoveel kastanjes voor je uit het vuur gehaald.” Daar heeft ze een punt. Met slepende voeten begeef ik me op pad.   De buurtwinkel houdt het midden tussen een kruidenierszaak, een dagbladhandel, een toeristenshop en een vuilnisbelt. Overal ligt of staat wat. Ik dien goed op te letten waar ik mijn voeten zet om mijn nek niet te breken. Het lijkt wel of er een bom is ontploft in de zaak. Ik loop doorheen de rekken en tref in de verste hoek, vlak naast het grote uitstalraam, een manshoge koelkast aan. Ik open de glazen deur, waarna een deel van de etalage meteen beslaat. Ik buig me voorover en neem twee blikken pils uit de kast, die ik tussen mijn voorarm en mijn borst klem. Net wanneer ik de deur van de koelkast weer wil sluiten, wordt mijn aandacht getrokken door een opvallende schim die voorbij het raam schrijdt. Ik wrijf met mijn vlakke hand de aanslag van de ruit en laat de blikken bier haast uit hun omklemming glippen wanneer ik Jan Byttebier herken. Ik druk de flank van mijn hoofd tegen het uitstalraam aan en zie hem de straat oversteken. Hij lijkt recht op Marianne af te stevenen. Wanneer hij op haar hoogte is, houdt hij halt en spreekt haar aan. Marianne reageert geagiteerd en maakt een hoop armgebaren. Ze lijkt niet opgezet te zijn met zijn aanwezigheid. Ze kijkt enkele keren schuw om zich heen. Zelf blijf ik als versteend staan toekijken tot Jan zich in beweging zet en verder gaat.   Wanneer ik even later de winkel verlaat, zit Marianne weer moederziel alleen op de bank en lijkt het alsof er niets is gebeurd. Ik loop met afgemeten passen op haar toe en houd haar een biertje voor.   “Thanks,” zegt ze. Ze wil het pilsje van me overnemen, maar ik laat het niet los. Ze kijkt me verbaasd aan en bemerkt mijn wantrouwige blik.   “Wat is er?” vraagt ze   “Wie was dat?” zeg ik.   “Wie?” Ze doet haar best om verbaasd te ogen.   “Die man.”   “Welke man?”   “Die hier net bij jou stond.” Er tekent zich een diepe frons af op haar voorhoofd. “Wat heb je het over?” zegt ze. “Er heeft helemaal geen man bij me gestaan.”   “Lieg niet. Ik heb hem zelf gezien. Hij stond hier!” Ik wijs de plek aan, vlak naast me. Ze kijkt me aan met een klaar zittend lachje.   “Zit je me nou voor de gek te houden?” vraagt ze. Ik voel mijn bloed beginnen te kolken. Ik kan niet begrijpen hoe ze zo staalhard kan zitten liegen en er dan nog lacherig over wil doen. Trouwens, de waarheid moet nu maar eens aan het licht komen. Als zij en Jan elkaar kennen, waarom mag ik dat dan niet weten? Wat hebben ze te verbergen?   “Het was Jan, hé?” zeg ik.   “Welke Jan? Toch niet die… Boris, asjeblieft… begin nou niet weer over die man! Ik kén hem niet. Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen?!” Haar halsstarrigheid doet mijn stoppen doorslaan.   “Godverdomme! Als je me nu niet onmiddellijk de waarheid vertelt, ga ik weg en kom nooit meer terug,” schreeuw ik. Mijn stem slaat door als deze van een twaalfjarige jongen die de baard in de keel begint te krijgen. Marianne kijkt me overdonderd aan. Even lijkt ze niet te weten hoe te reageren, maar uiteindelijk slaakt ze een honende lach.   “Stel je toch niet zo aan!” zegt ze.   “Ik stel me niet aan! Ik wil de waarheid horen, nu!” schreeuw ik.   “Maar er stond niemand bij me.”   “De waarheid, Marianne!”   “Boris…”   “De waarheid!” Ik schreeuw mijn stem schor. Ze heeft er nu duidelijk genoeg van. Als in slow motion komt ze overeind en komt vlak voor me staan, met haar neus haast tegen de mijne. Ze klemt haar hand om mijn arm. Haar vingers persen zich in mijn vel.   “Wil jij de waarheid horen, Boris?” gooit ze me in het gezicht? “Wel ik zal het je zeggen. Weet je wat de waarheid is? Dat jij niet goed bij je hoofd bent! Jij ziet dingen die er niet zijn en daar maak ik me ernstig zorgen over. Misschien moet je maar eens een psychiater raadplegen!” Haar woorden kerven in mijn ziel als scheermessen. In een impuls diep ik een kwak spuug op uit mijn keel en mik deze recht in haar gezicht. In een reactie geeft ze me zo’n gemene klap op mijn wang dat ik mijn hersenen voel schudden. Een secondelang sta ik haar perplex aan te kijken. Dan keil ik mijn biertje naast haar in de struiken, draai me om en loop met grote passen van haar weg.

Lou Van Lier
0 0

Ode aan Utopia

Leuven 1516, Dirk Martens publiceert een waarlijk gulden boekje, niet minder heilzaam als geestig, over de beste staatsinrichting en het nieuwe eiland Utopia. De grote bedenker is Thomas More, een ervaren diplomaat, rechtsgeleerde. Zijn god maakt de ziel onsterfelijk. Het geluk verkrijgen we op aarde. De goeden worden beloond, de slechten gestraft. Ons verstand houdt onze gedachten positief. Iedereen draagt zijn steentje bij tot het algemeen welzijn. Zijn vriend Erasmus schrijft een jaar later De lof der zotheid, een ode en satire aan More.   Leuven 2016, herdenkingen allerhande. Kan je nog iets terugvinden of herkennen van More’s gedachtengoed? Of zijn het alleen maar relikwieën ?   Mijn opa gaat elke zondag naar de mis. Hij gelooft stellig in het hiernamaals. Mijn tante zingt in het zangkoor en mijn oom speelt trompet. Ikzelf ben minder gelovig. Of beter gezegd: andersgelovig. Hoe kan ik je dat het beste uitleggen? Mijn ouders zijn gescheiden tien jaar geleden. Op dat moment was ik achttien. Mijn wereld stortte in elkaar of toch zeker een deel ervan. Ik vond troost bij mijn zus, mijn vrienden en vriendinnen. Ahim, mijn Marokkaanse buurjongen, nodigde me bij zijn thuis uit op de thee. Hij leeft in een warme familiale omgeving. Dat gevoel heeft niet onmiddellijk te maken met geloven. Toch kunnen godsdiensten bijdragen tot het welzijn van de gelovigen en niet-gelovigen. Ahim is niet fanatiek en ik ben het ook niet. We hebben respect voor elkaar. Mijn ouders hadden het respect voor elkaar verloren.   Ik ging op reis naar Schotland met twee kotgenoten: Dirk en Piet. Het was een avontuurlijke, wondermooie trektocht. De natuur, onze vriendschap waren versterkend. Het eten en de whisky waren hartverwarmend. Piet voelt zich alleen maar aangetrokken tot jongens. Pech voor mij: het is een toffe, grappige gast. En ik voel me zeker niet aangetrokken tot Dirk. Hij is mijn type niet.   Geneeskunde ga ik studeren. Op die manier vind ik altijd werk en word ik goed betaald. Onze economie is in een sukkelstraat beland. Vele multinationals verhuizen naar lage loonlanden. De arbeidskosten zijn té hoog in België. De sociale bijdragen swingen de pan uit. En toch… blijven we niet één van de beste sociale vangnetten hebben ? Zieke en oude mensen worden verzorgd, gehandicapten worden opgevangen, gevangenen hebben een statuut, werklozen ontvangen een uitkering. Is het voor ons, jonge mensen,  niet een uitdaging om een helpende hand te reiken in de vorm van werken, wijsheid en vastberadenheid ? te tonen dat terrorisme, ongelijkheid, vluchtelingenproblematiek kunnen omgekeerd worden in verdraagzaamheid, gelijkheid en opvang ?   Zijn deze gedachten utopisch ? Is ons land een utopie ? Willen we té veel en doen we té weinig ? Mensen zijn per definitie onvolmaakt. Hierin schuilt een zekere berusting. Het kan nooit goed gaan of toch ? Zouden we niet met zijn allen, wij Belgen, wat verdraagzamer kunnen worden?  Begin met de taal van je gebuur te spreken: Nederlands, Frans, Duits, de filosofische, universele taal van de wijsheid en de liefde. Misschien komt dit jezelf eerst en vooral ten goede en bij uitbreiding, je omgeving en ons dierbaar vaderland.          

Amira
0 0

Meneer Blauwe Kat

Elk onbenullig dorpje dat onder ons is uitgestrooid, kan ik bedekken met één klauw. Zo klein ogen ze vanuit mijn ronde raam. Kronkelige wegen verbinden ze als een zenuwstelsel met elkaar. Die grote weg is de slagader, dat dorpje het hart. Terwijl ik dit bedenk, passeren we een grote rivier. God weet welke rivier, het interesseert me ook niet echt. Ik walg van de rivier, hoe het zijn weg vreet door de aarde zoals een gigantische, hongerige worm. Misschien heb ik deze gedachten gewoon omdat ik water haat. Katten kunnen zo zijn.   Mijn mager lijf is vol verdriet. Eerst vulde het mijn hart, dan mijn hoofd en nu is het overal. Ik ben moe. Misschien is het zo omdat ik een blinde en eenzame kat ben. Ik heb niets beter te doen dan mijn bebloede poten te likken. Of misschien is het zo, omdat ik goed ben in verdrietig zijn. Dat is het enige waar ik echt goed in ben, naast dromen. Ooit was ik wit, sneeuwwit. Ik dronk mijn melk, toen bevroor en stierf ik.   Ik denk aan haar donkere, krullende vacht en haar bruine ogen. En die kleine vlek onder haar linker oog. Haar glimlach was warm en mysterieus tegelijk, zoals de maan oogt voor ons maanwezens. Zelfs als ze me vertelde hoe koud ze eigenlijk was, had ik haar lief op mijn manier. Katten hebben de gewoonte om te liegen. En daar hoopte ik op, dat ze loog. (Als je katten wil verstaan, móét je dit weten.)   Mijn enige vrienden zijn de schapen dat niet echt schapen zijn. Ze bestaan uit dezelfde wollige materie dat zweeft tussen ons en de velden beneden. Het creëert zulke massieve schaduwen, groot genoeg om een heel bos te hullen in duisternis. Is het niet vreemd dat die heldere lichamen, bestaande uit wol en water zo'n schaduwen kunnen maken? Ik ben bang van zulke dingen, ze maken me stil. Daarom tuur ik over mijn schouder, om te zien of hier ook honden zijn. Teveel naar buiten staren kan een kat blind maken (ook een belangrijke les over katten).   Terwijl ik rondkijk, tel ik vele andere wezens. Geen idee of het echt honden zijn, dat is moeilijk te zeggen. (Misschien omdat geen van hen blaft.) Het kunnen evenwel schapen zijn. Schapen in wolfskleren, hondenkleren of zelfs schapenkleren. Ik ben bang van honden, want ze maken veel lawaai en hebben lange tanden. Ik verstop me voor hen, tenzij het niet anders kan. Als ik ze toch ontmoet, blaf ik zo hard, tot de honden denken dat ik wel hele lange tanden moet hebben. En als ik moe ben, blijf ik als een stambeeld staan totdat ze hun aandacht verliezen en verdergaan.   Ik denk aan wat nu eigenlijk verkeerd ging. Je vraagt je misschien af of katten dat wel horen te doen. Katten dat denken, denken en denken, is dat niet vreemd? Ik ken een kat dat beter weet.Ze noemt Kat. Een kat genaamd Kat, komt dat niet gelegen? Van Kat tot kat, dag dag kitty kat, het spijt me.Misschien komt het omdat ik helemaal geen kat ben. Weet je nog dat katten altijd liegen? Nooit ben ik een kat geweest. Of was ik er wel één maar enkel als kind. Het is zeker dat ik nu geen kat meer ben.En dat is wat er scheelt aan me, dat is exact wat verkeerd ging. Verkeerd als een kat zoals ik kan zijn.   "Arme kat. Och arme, arme kat." Dat is wat ze tegen mij zegt."Arme kat, waarom doe je niet wat meer je best? Waarom lijk je niet wat meer op een kat?" "Omdat ik eigenlijk een schaap ben. Een schaap in kattenkleren."

Stelselmatig
0 0

Als ik later groot ben...

Het was koud en miezerig voor de tijd van het jaar. De donkere, grijze wolken die overwaaiden verraden duidelijk dat er sneeuw in de lucht zat.Kwart over tien in de ochtend, speelkwartier. De kinderen uit groep drie van basisschool „De Christoffel“ werden losgelaten op het plein. Jongens renden joelend achter de meiden aan.'Kom, Elfie, we gaan zandtaartjes maken.' Nienke pakte haar vriendinnetje bij de mouw en sleepte haar mee naar de zandbak. Gelaten liep ze achter het meisje aan. 'We doen wie de grootste cake kan bakken.' Ze oogde wat verlegen, Elfie. Haar lange roodbruine haren zaten verstopt onder de capuchon van haar jas. Enthousiast begon Nienke hele handen vol koud, modderig zand op de rand te scheppen. 'Nu ga ik deeg maken,' zei ze. 'Mijn taartje wordt extra lekker, want ik doe er spuug in.' Ze tufte een paar kleine belletjes in haar zandbeslag. ‚Wil jij ook?'Elfie knikte.'We kunnen later banketbakkers worden, net als mijn vader,' stelde Nienke voor. Dan maken we samen mooie, lekkere verjaardagstaarten en verkopen ze in onze eigen winkel.' 'Ja, dat zou kunnen,' zei Elfie.‚Later is nog zo ver weg. Wanneer is het eigenlijk later?’ vroeg ze zich af. ‚Wanneer hoor je nu precies bij de grote mensen? Over tien jaar? Ben je een groot mens als je je rijbewijs haalt en zelf in een auto mag rijden? Als je werkt en niet meer naar school gaat? Als je zelf kinderen hebt? Ze wist het niet. Ze had andere plannen dan haar vriendin, maar omdat Nienke zo vrolijk aan het fantaseren was had ze geen zin om haar uit haar droom te helpen. Ach, later. Tegen die tijd was ze natuurlijk al lang vergeten dat dit gesprek ooit was gevoerd. Elfie wilde schrijfster worden. Vaak dagdroomde ze over wereldreizen en grappige, bijzondere, of juist hele verdrietige verhalen schrijven.Mik, het onzichtbare jongetje. Door zijn kleine, dunne gestalte leek het alsof zijn hoofd te groot was voor zijn lijf. Zijn bleke huid was dun, bijna doorzichtig. Onhandig hinkte hij op zijn nieuwe prothese richting de zandbak. Hij moest nog aan het ding wennen.Er stond een gure wind en hij trok de wollen muts die zijn moeder voor hem had gebreid wat verder over zijn kale schedel. Meisjes speelden kringspelletjes en jongens voetbalden. Hij zou graag mee hebben gedaan, maar gezien zijn lichamelijke toestand was dat onmogelijk. Vandaag waren geen chemokuren gepland, vandaag voelde hij zich naar omstandigheden goed, daarom was hij vandaag op school. De keren dat hij present was werden steeds minder, maar toch stonden zijn ouders erop dat hij bleef gaan. ‚Als je later werkt moet je kunnen rekenen en lezen, dus het is goed dat je gewoon alle lessen volgt,’ had zijn moeder hem gezegd. Wat moest er later van hem worden? Bestond er voor hem wel een later? Als hij groot zou zijn, dat wil zeggen, als dat ooit zou gebeuren, dan wilde hij kinderarts worden. Dat leek hem mooi, kinderarts, zieke kinderen genezen. Verdrietig staarde hij voor zich uit, want Mik was het jongetje dat misschien nooit groot wordt. Elfie keek op van haar modderpapje. Op de zandbakrand tegenover haar zat de jongen die haar al die tijd amper op was gevallen. Natuurlijk wist ze wel dat Mik bij haar in de klas zat, maar omdat hij zich altijd zo stilletjes en teruggetrokken gedroeg had ze eigenlijk nooit door of zijn stoel wel of niet bezet was. Nienke was nog steeds bezig met het uitstippelen van hun gezamenlijke vriendinnentoekomst. 'Als we dan onze eigen bakkerij hebben moeten we natuurlijk ook samen tegelijk kinderen krijgen. Dat is het leukste, want dan worden die ook vrienden. Jij kunt met Teun trouwen, dan trouw ik met Lars.' Elfie probeerde te luisteren, maar haar gedachten bleven afdwalen naar van alles en nog wat.Mik wilde gaan staan om weg te kunnen lopen, maar zijn been gaf niet mee. Elfie zag het. Ze twijfelde even, maar stond toen op en liep naar hem toe. 'Kom maar, ik help je wel.' Voorzichtig ondersteunde ze de kleine, magere jongen.''Doet dat eigenlijk pijn? Een nepbeen?' wilde ze weten. Mik schudde zijn hoofd. 'In het begin, toen mijn echte been er pas af was wel, maar nu niet meer, nu is het alleen maar onhandig. Weet je wat ik erger vind? Dat ik niet gewoon met andere kinderen kan spelen. Het lijkt net of ik nu niet meer meetel. Ik wil zo graag een keer voetballen.''Dan gaan we toch voetballen.' Elfie rende over het speelplein en kwam even later terug met een oranje bal. 'We doen heel rustig aan. Jij mag schieten en ik ben de keeper. De muur is het doel. Ik ben een hele slechte keeper, dus het is niet moeilijk om te scoren.'Ze legde de bal voor zijn voeten. Hij schatte de afstand in en schopte. Het was een waardeloos schot. Zachtjes rolde de bal vooruit en Elfie wachtte tot hij de muur had geraakt. 'Goal! Je hebt gescoord!' schreeuwde ze uit alle macht, terwijl ze hem een high five gaf. 'Nog een keer.'Voorzichtig schopte ze de bal naar hem toe. Hij probeerde er achteraan te rennen, maar met zijn kunstbeen was dat lastig. Toen hij hem eindelijk te pakken had schoot hij weer. Deze keer ging het beter. Daarna volgde nog een keer en nog een keer en nog een keer.Op zijn bleke gezicht verscheen een glimlach, terwijl hij achter de bal aan hinkte.Even later kon hij niet meer. Uitgeput liet Mik zich op de grond zakken. Hij ademde zwaar en bij elke uitademing blies hij kleine rookwolkjes de koude lucht in.‚Gaat het goed met je?’ bezorgd keek ze hem aan.‚Ja hoor, hier heb ik vaker last van.’Langzaam werd zijn ademhaling rustiger. Intussen was het stil geworden op het speelterrein. De andere kinderen waren al binnen, ze hadden de bel gemist. Het sneeuwde, eerst een beetje, maar daarna steeds meer. Grotere vlokken zochten dwarrelend hun weg naar beneden uit de donkere, koude hemel.'Je hebt het goed gedaan. Voortaan gaan we elke dag een beetje trainen,' stelde Elfie voor, terwijl ze naast hem kwam zitten. 'Jij wordt een goede voetballer.'Verdrietig schudde Mik zijn hoofd. 'De dokter zegt dat er voor mij misschien geen toekomst is.'Elfie dacht na. 'De dokter zegt misschien, dat wil niet zeggen dat het zo is. Draai het om, misschien wordt je wel gewoon beter.''Ik hoop het, ik hoop het echt.''Jij wordt beter, beloof het me.''Hoe kan ik zoiets beloven?''Daar moet je niet over nadenken, je moet het gewoon doen.' Elfie stak haar hand uit. Een beetje twijfelend deed Mik hetzelfde en legde zijn koude, dunne, broze hand in de hare. Een berg kleren, twee lege chipszakken, een half opgegeten reep chocolade, en een aanrecht vol afwas welke bijna pootjes krijgt. Het is een puinhoop in de werkkamer. 'Tik, tik, tik.' Ratelend gaan haar vingers over de oude schrijfmachine. Al meerdere keren hadden mensen gevraagd waarom ze niet gewoon op een laptop of computer werkte. 'Omdat ik op deze manier de meeste inspiratie opdoe,' was haar steevaste antwoord. 'Mijn oude schrijfmachine heeft stijl, uitstraling en karakter, een laptop niet.' Steeds harder gaan haar handen over de toetsen. Ze houdt van het vertrouwde ratelende, tikkende geluid. Als ze nog een paar uurtjes doorwerkt heeft ze haar manuscript klaar en natuurlijk is ze mega benieuwd naar de mening van haar uitgever. Haar vorige boek is een groot succes geworden en wordt wereldwijd verkocht. Over een maand heeft ze een presentatie in New-York. Een klik in de gang verraadt dat de postbode is geweest. Nieuwsgierig loopt ze naar de brievenbus. Reclamefolders, rekeningen en een brief. Fanmail. De laatste tijd krijgt ze vaak fanmail. Nieuwsgierig bekijkt ze de enveloppe. “Elfira Smith”  staat er met koeienletters op. Voorzichtig maakt ze het papier los. Een handgeschreven brief op A4 formaat en een foto met het gezicht van een lachende, gebruinde kerel komen tevoorschijn. Waar kende ze die man van? Vaag komen zijn blauwe ogen haar bekend voor. Ze kan het gezicht niet plaatsen. Langzaam leest ze de brief. 'Hallo Elfie,Deze brief stuur ik je via je fanmail, omdat ik je adres niet weet.Hoe gaat het met je? Wat ontzettend cool dat je nu een beroemde schrijfster bent.Ik heb je boek gelezen. Heel bijzonder dat je schrijft over een ziek jongetje dat goed kan voetballen en de ambitie heeft om prof te worden. Wel jammer dat hij aan het einde verdwijnt en dat niemand weet waar hij is gebleven.Welnu, ik ken dat ventje heel goed en ik zal je bij deze vertellen hoe het verhaal verder gaat. Dat jongetje is intussen een volwassen man geworden. Ik ben dat jongetje, ik ben Mik.Je zult je vast nog wel herinneren dat ik van de ene op de andere dag weg was van school. Het ging heel slecht met me en ik kon niks meer. Mijn ouders verhuisden naar de stad, zodat we dichter bij het ziekenhuis waren, in geval van nood. Mijn leven heeft veel ups en downs gekend, maar weet je, wanneer ik het echt niet meer zag zitten dacht ik terug aan vroeger, aan jou en je eeuwige positiviteit en hoe ik aan je heb beloofd om gezond en volwassen te worden. Dat heeft me ontzettend geholpen om de kracht te vinden die akelige rotziekte te overwinnen.Intussen gaat het goed. Ja, ik durf wel te zeggen dat ik gelukkig ben. Ik heb in Australië een baan in een academisch ziekenhuis gevonden. Samen met een paar andere collega's ben ik bezig met het zoeken naar een nieuw medicijn tegen botkanker bij kinderen. Er is nog veel werk te doen, maar het begin is gemaakt.Je raadt het nooit, om te sporten ben ik bij een voetbalclub gegaan. Ondanks mijn prothese, of misschien zelfs wel dankzij mijn prothese ben ik nu aanvoerder van het team.Lieve Elfira, ik hoop dat je contact wil houden.Liefs, Michael (Mik)

Hanneke Frenken
1 0