Wout

Gebruikersnaam Wout

Teksten

De paraplu

'Mooie trui.' Hij gniffelt.  'Bedankt.' Na zovele jaren zouden ze meer moeten hebben om over te babbelen, maar vele jaren maakt ook veel anders. Ze blijven even in de deuropening staan. Haar rechterhand houdt de klink van de deur nog vast, haar andere legt ze tegen de deurstijl alsof ze onbewust de weg verspert. Aan haar hand is de gouden ring om haar ringvinger zichtbaar. Die is nieuw, denkt Johannes bij zichzelf, in mijn herinnering hield ze niet van juwelen.Haar nagels zijn kleurrijk gelakt, zalmroze. Een roze bril in een voor de rest duistere dag.  'Kom binnen.' Ze haalt haar hand van de deurlijst en wrijft in haar nek. 'Je kent de weg' Zovele jaren geleden woonden ze hier samen, met hun beste vriend Max. Tot Max besloot het lot een hand te helpen en stierf.Johannes wilde hier niet meer wonen - te veel herinneringen, te veel verdriet, maar zij voelde dat ze blijven moest, om zijn geest in leven te houden. Lariekoek natuurlijk, vond hij, weg is weg.  Het was één van de vele barsten die leidde tot hun breuk.  Terwijl hij zijn jas aan de kapstok hangt, draait hij zich verbaasd om.  'De paraplu! Die heb je nog?'  'Ja natuurlijk. Het maakt deel uit van mijn beste herinneringen.' De paraplu is lichtblauw, omzoomd met madeliefjes. Keltische folklore vertelt ons dat deze bloemen het groeiproces kunnen stilleggen, om nooit volwassen te worden. Toen vonden ze dat een mooie gedachte, nu weten ze wel zeker dat dat niet kan. Volwassenheid klopt op je hoofd, slaat je in het gezicht en stompt in je maag als je het niet verwacht. Je mag nog zo hard proberen, je ontloopt het nooit. Toen Max voorstelde een foto te nemen om de verloving op beeld vast te leggen, miezerde het zacht. De paraplu, gekocht van een oude Chinese man, bracht bescherming. Als aandenken zouden ze hun eerste dochter Daisy noemen, naar de paraplu.  'Wil je iets drinken?''Nee, ik denk dat we best gaan, toch?' Hij kijkt op zijn horloge. Hoe sneller deze dag gedaan is, hoe beter.  'Hoe bedoel je? Ik dacht om het hier te doen.' 'Niet naar de Droogkast?'  De Droogkast was ooit hun favoriete kroeg geweest. Uren en uren. Dagen en dagen, jaar na jaar hadden ze daar routineus hun dagelijkse kost gedronken met z’n drieën om dan steevast op tafel te eindigen in elkaars armen meezingend met Piano Man van Billy Joel.  'Nee, Droogkast is al jaren dicht? Ik dacht dat je dat wel wist.' 'Ik ben hier al jaren niet meer geweest, Eva. Ach, een koffie dan. Dankje.' 'Twee suiker? Melk?''Neen, zwart graag. Ik hou nu van de bitterheid.' 'Wie komt er nog allemaal?'  'Ach, oude klasgenoten, zijn zus,.. Ik heb wat rondgebeld, maar veel mensen heb ik niet meer te pakken gekregen.' Hij slurpt van zijn koffie, Eva speelt met het draadje aan haar mouw.  'En. Hoe gaat het nu met je?' 'Goed, ik..' De deurbel gaat. Eva staat snel recht en rent naar de deur.  'Ah dat moet Aster zijn.'  'Oh, leuk!'Fuck, denk hij bij zichzelf. Wat had ik gehoopt die gast nooit meer te hoeven zien.     

Wout
3 0

als vrienden (tekst 2)

Ik hou van je.  Onmiddellijk had ik spijt.De wereld stond enkele minuten stil.Je ogen stonden groot, wenkbrauwen hoog, je mond, lippen licht van elkaar.Ik keek weg. Schaamte.  We zaten in mijn favoriete kroeg. Weet je nog? Op het terras, ‘s avonds.Naast ons een tafel met vrienden. Met z’n allen onder de warmtelampen. Eén van de eerste koelere avonden na een zwoele zomer. Jij dronk een glas Ice Tea Green, geen bubbels voor je maag. Ik dronk routineus een pint en rookte een sigaret. Licht dronken.  Het gebeurde niet vaak dat wij met twee samen op café zaten, zonder andere kennissen of vrienden.Natuurlijk praatten we vaak. We noemden elkaar beste vrienden, maar dat was vooral via het scherm, de intimiteit van onze generatie; Nooit geleerd echt te praten. Enkele minuten ervoor was het gesprek stilgevallen. Ik was in gedachten verzonken. Dronk mezelf wat moed in en zei wat ik altijd al had willen zeggen.  Terwijl ik wist dat het nooit wederzijds zou zijn. Jij zou dat nooit zeggen. Net zoals je nu niet wist wat te zeggen.  In de verte briesde een auto voorbij.Ook de tafel naast ons was gestopt met praten, afwachtend hoe dit genant gedoe zou eindigen. Iets moest er gebeuren.  Ik denk dat we beiden wisten in dat moment dat de vriendschap voorbij zou zijn.Jij en ik, nooit meer op dezelfde golflengte.  Niets zou dit nog kunnen redden, maar iets moest wel nog gezegd worden.  Kom, iets, allez, iets, maar wat wat wat Allez bon, ik bedoel uh, als vrienden eh. Het lachen barstte uit.  

Wout
3 0

als vrienden (tekst 1)

Ik hou van u..  Godverdomme, ik flap er weer iets uit met mijn stomme kop, nooit kan ik gewoon eens mijn bek houden als ik gedronken heb en voila stilte, ja natuurlijk, ik weet niet wat te zeggen en gij kijkt verbaasd je ogen groot, irissen hemelsblauw in het avondlicht, welgevormde wenkbrauwen hoog als een boog rond je ogen, je mond halfopen, seconden tikken voorbij tik tik tik en al kennen we elkaar al jaren, dagelijks klappen we ge weet het dik en dun alles waren we we, praten over alles maar dit had ik beter niet gezegd nee, dit verandert alles zelfs naast ons hebben ze het door het tafeltje naast ons op ‘t terras in de Corbie waar we regelmatig zitten stamgasten eigenlijk eh, bon dat tafeltje naast ons is ook stil daarnet nog lachen en brullen nieuw pintje hier allez schol eh daar, maar dat hebben ze gehoord zenne ja nu willen ze wel weten wat er komt want zij voelen deze spanning ook net als ik die voel net als jij godverdomme waar is de Rob dat ik nog een pintje kan bestellen weer iets om te vergeten te verdringen verdrinken want ja wat zegt ge hier op doeme dees duurt te lang seconden seconden seconden tik tik tik weg met de klok weg met de tijd laat me nu maar vergaan weg ermee alles zo hopeloos naar de kloten godmiljaar eh en ooit moet ik toch iets zeggen ge kijkt weg, ik kijk naar mijn halflege pint alles is altijd halfleeg alles verdwijnt traag maar gestaag zijt daar maar zeker van, ik zoek in mijn jas naar mijn sigaretten altijd de oplossing het leven is makkelijker als ge u verdooft neem het van mij aan! ik pak mijn briquet sigaret aan mijn lippen net als de rest van het terras benieuwd hoe ik dees weer ga redden maar echt redden zit er niet in nee deze relatie wordt nooit meer hetzelfde dat ziet ge iets is gebroken da’s duidelijk stoemerik da’k zen bon kom zeg iets iets iets Ik steek mijn sigaret aan en blaas uit. Allez ja, ik bedoel, als vrienden eh. De tafel naast ons barst in lachen uit. Wij doen niets anders dan mee lachen.  

Wout
6 0

De reunie

De foto waar J. nu al enkele minuten onafgebroken naar staart, is genomen in de herfst van 2015, ondertussen tien lange jaren geleden.   De foto beslaat twee pagina’s. Aan de rechterzijde staat een boom met kersenbloesems, Sakura in het Japans, het symbool van een nieuw begin en de vergankelijkheid van het leven. Het symbool dat de laatste tien jaar omvat. De kersenbloesems zijn klaar om het werk en hun leven neer te leggen. Hun tijd is gekomen. Aan de andere zijde, links op de foto, zit een koppel innig verstrengeld op een bank. Ze kijken uit op het grootste en mooiste meer van China, gelegen in Hangzhou, vlakbij Shanghai. Het meer is, zoals gewoonlijk deze tijd van het jaar, verzwolgen in de mist. Op de achtergrond zijn nog net de zwartgeblakerde rotsen, verduurd door erosie, te zien aan de overzijde van het meer.  Mijmerend en vol melancholie denkt hij terug aan deze tijd en aan zijn beste vriend, die deze foto nam. Enkele minuten voor J. zijn toenmalige vriendin E. ten huwelijk zou vragen, moest deze foto dienen als een aandenken, een herinnering van de start van de rest van hun leven samen, als drie musketiers. Een eindpunt en een nieuw begin, een overgangsritueel naar de rest van hun leven. Ze zijn altijd samen geweest en zouden altijd samen blijven. Het leven is makkelijker te dragen met drie.  J. ontwaakt uit zijn dagdroom door zijn ringtone en merkt de eerste zonnestralen op die zijn kamer binnendringen. Tijd om in actie te schieten. Hij zucht. Het wordt nog een lange dag.       - E. geniet van haar ochtendkoffie terwijl ze in de verte staart. Terugdenken aan dat mooie jaar in China, nu reeds tien jaar geleden. Ze zit in haar knusse hoek, zoals ze dit noemt; enkele kussens in haar binnenshuis balkon van haar appartement op de tweede verdieping in hartje Brussel. Ze staart naar de hemel, verdronken in gedachten. Het begin van de dag zo lang mogelijk proberen uit te stellen.  Vandaag is het zeven jaar geleden dat M., de beste vriend van J. en haar, overleed. Het is ook exact tien jaar geleden dat J. haar ten huwelijk vroeg. Toeval bestaat niet. Eens het ongeluk binnensluipt, kom je er nooit meer vanaf. De kat sluipt nonchalant voorbij, op zoek naar een aaibeurt. De hond ligt te snoezen aan haar voeten.  Ik wist dat vandaag een moeilijke dag ging zijn, denkt ze bij zichzelf. Tien jaar geleden. Ach, wat vliegt de tijd.   Ze kijkt op haar horloge, nipt nog eens van haar koffie, zet haar tas neer, geeft de hond nog een aai over haar bol (de kat heeft haar poging opgegeven en lijkt niet meer geïnteresseerd). Gelukkig heb ik jou nog, zegt ze zacht. Ze kijkt nog eens op haar horloge en staat dan recht. Tijd om zich klaar te maken. Tijd om de dag te beginnen. De herdenkingsdienst is binnen een uur. Binnen een uur staat J. hier. - Tien minuten voor negen staat J. een sigaret te roken net om de hoek van de straat waar het appartement van E. is gelegen. Hij kijkt op zijn telefoon. Zijn vriendin wenst hem veel sterkte en stuurt een liefdevolle emoji mee. Hij glimlacht en stuurt terug dat hij van haar houdt. Hij steekt zijn telefoon terug in zijn broekzak, sluit even zijn ogen en probeert te genieten van de eerste zonnestralen in een verder grauw, grijze en winderige herfstdag.  Waarom had hij in godsnaam ja gezegd? Soms moet men het verleden toch laten rusten. Nog even alle moed verzamelen. Hij trekt nog eens van zijn sigaret, blaast de rook uit, gooit de sigaret op het asfalt en duwt hem uit met de teen van zijn schoen. Hij steekt een kauwgom in zijn mond.  Ach, nu plots elkaar weer terug zien, denk hij bij zichzelf. Na al die jaren. Had ze toen maar ja gezegd.  Hij kucht en zucht nog eens. Laat deze dag maar snel voorbij zijn.       - E. staat voor de spiegel . De jaren zijn te lezen op haar gezicht, maar zullen snel verborgen worden onder een laag zorgvuldig aangebrachte make-up. Een traan rolt over haar wang. Wat bezielde me toen toch?   Had ik maar ja gezegd.   De bel gaat. Verdorie, zegt ze tegen zichzelf, waarom moet hij altijd zo vroeg zijn? Altijd zo punctueel. Ze checkt nog eens haar mascara, doet wat parfum op en wandelt naar de deur. Met de klink al in haar hand blijft ze enkele tellen roerloos staan. Even op adem komen. Of toch proberen. 3.2.1. Ze opent de deur.  ‘Hey! Welkom!’  Ze zet haar beste glimlach op, hoewel haar hart weer in duizend stukken breekt bij de eerste aanblik. ‘Hey E., lang geleden.’  Hij heeft onmiddellijk spijt.  Hij twijfelt tussen een kus of een knuffel, schuifelt even heen en weer en besluit dan maar voor een handdruk. Het kan niet meer intiem zijn.   E. schudt zijn hand en zegt:  ‘Kom binnen, kom binnen.’ Ze opent de deur volledig, zet een stap opzij en strekt haar hand uit om J. naar binnen te begeleiden.  ‘Goed hier geraakt?’  

Wout
4 0

De kans

Het raam staat op een kier. Buiten schuren trams over de sporen, met bellen en kabaal. Auto’s stoppen en trekken weer op voor de verkeerslichten. De airco draait overuren en galmt in mijn oren. Een vrouw schreeuwt tegen een man. Het is de heetste dag van het jaar. Binnen praat een vrouw tegen haar psychiater. ‘K bedoel, het is zeg maar den eerste keer dat ik echt het gevoel heb dat ik voor iets leef, een doel heb ofzo, snapt ge? Hiervoor was m’n leven echt naar de kleurpotloden.U zegt? Elke dinsdagmiddag om 14u heeft ze een sessie bij me. Altijd net na mijn lunchpauze - een broodje tonijn pikant. Al weken komt ze langs en toch staan we nog nergens. Dit is de eerste keer dat ze echt zichzelf openstelt.  Awel ja, kleurpotloden. Ze lacht om mijn verbaasde blik. Ons ma dierf nogal weleens vloeken in huis, da was eigenlijk echt een gemeen mens, maar wilde da nooit doen voor onze neus, dus zei ze opt laatste moment altijd just iets anders. Ik vond da wel grappig, dus ben ik het ook gaan doen.Aha, kleurpotloden dus. Maar, wat is er nu dan anders?  Awel ja, het kindeke in mijne buik eh.  * Er staat een stoel langs elke kant van de tafel. Het is mijn eerste gesprek met mijn advocaat nadat ik de brief in de bus kreeg dat ik was opgeroepen als getuige in deze zaak. Twee koppen koffie en een thermos staan aan de zijkant van de eiken tafel. Zijn gsm ligt klaar om het hele gesprek op te nemen, standaardprocedure. Dit kan weleens een lange dag worden. Ik weet zelfs niet of ik het me allemaal nog herinner. Ik heb moeite om me te concentreren, mijn hoofd bonkt nog na van de muziek van gister, te hard gegaan in de Carré. Goed Jef. We weten allebei waarom je hier zit. Het enige dat ik van je vraag is om eerlijk te zijn tegen mij. Enkel dan kan ik je juist vertegenwoordigen. Niets achterhouden. Je weet dat ik zwijgplicht heb. Meester Pauwels is een oude familievriend, opgegroeid met mijn vader. Hij bereidt me voor, zodat ik de waarheid en niets dan de waarheid zeg. Ach, misschien een klein beetje verbloemd, maar dat deert allemaal niet. Dit komt allemaal in orde. Begin maar bij het begin, Jef. Ik had net mijn eigen prestigieuze praktijk geopend op de hoek van de Kerklaan en de Lippensdreef. Na een jarenlange stage bij mijn mentor - tevens mijn dooppeter Karel Verschueren, je kent hem wel - was het tijd om mijn vleugels uit te slaan. In alle eerlijkheid was zij mijn eerste cliënte. Haar naam was Vanessa.  Ze zat in de bruine leren fauteuil van Chesterfield die ik speciaal gekocht had om mijn werkruimte te bekleden - comfortabel doch elitair en een beetje waardigheid uitstralen. Mensen kwamen uiteindelijk toch naar hier om hun zwartgalligheid uit te spuwen op het nieuw gelegde parket, dan maar beter in een uitstekende zetel. Als ik dan toch moest luisteren naar de mensen hun miserie, dan maar beter met wat comfort. Sorry, maar waarom ben je eigenlijk psychiater geworden? Je praat erover alsof het je allemaal niet interesseert. Goh, het betaalt goed. En het enige dat ik moet doen is luisteren en pillen voorschrijven. Het was de makkelijke oplossing, in de voetstappen van onze pa treden. Ik voel mijn handen tintelen, de hoofdpijn gaat niet over. Ik hunker naar mijn bed. Pauwels blijft me stoïcijns aanstaren. Oké, ga maar verder. Ik had de muren geel laten schilderen. Ergens had ik gelezen dat de kleur van de zon liefde en verdraagzaamheid uitstraalt. Aan de muur hing een schilderij van een niet nader genoemde kust waar ik opgroeide. Ik zie zijn wenkbrauw omhoog gaan. Hij duwt zijn bril rechter op zijn neus. Oké, vertel me nu maar over jullie sessie.Ik zucht en ga verder. Ze droeg een zwarte jurk boven een wit T-shirt. In haar rechteroor hingen enkele opzichtige piercings, haar haar viel constant in haar gezicht, alsof ze het wilde verbergen. Ze had een ring in haar neus. Dat haar was trouwens zwart geverfd. Dat viel me direct op, haar natuurlijke kleur begon er alweer door te schijnen. Ik vond dat ze er beter zou uitzien met blond haar, maar bon. Ze droeg ook zwarte nagellak en van die geile bordeaux laarzen tot haar knieën.   Ze was niet ongewoon dik of dun, lang of kort. Een doodgewoon meisje uit de straat, al had ze wel een spin getatoeëerd op haar rechterarm.. Vast een gevolg van een turbulente puberteit en afzetting tegen de ouders, klassiek. In ieder geval, geen mens zou naar haar omkijken, dat was al snel duidelijk. Wat ik maar wil zeggen, Pauwels, geen mens keek naar haar om. Ze voelde zich alleen op deze wereld.   * Je bent zwanger? Mijn gedachten dwalen al af naar de afspraak van vanavond. Wat zal ik aantrekken? Misschien die ene polo die ik kocht in Londen, lekker strak, mijn spieren accentueren. Nee, ik kan beter met mijn hoofd hier nog even blijven. Nog even geld verdienen voor ik kan ontspannen.  Ja, ik zen zwanger. En ik wil het houwen ook.Al doen ik het alleen. Dees kind wordt het beste wat ik ooit heb meegemaakt in mijn leven. Ik zen zo enthousiast hierover, snapt ge? Wat is er schoonder dan een kind? Dees schatje gaat alles oplossen. Ze wrijft met haar hand over haar buik terwijl ze het vertelt en glimlacht alsof ze gelukkig is. Ik maak een notitie in mijn schrift en kruis mijn rechterbeen over mijn linker, adem uit door mijn neus.  Proficiat. Ze verwacht dat ik dit zeg, zelfs als ik het niet meen. En is de vader even gelukkig?  Ja merci merci. Goh ja, mijne vriend nie echt eigenlijk. Als ik eerlijk moet zen, de meeste mensen reageren nie zo positief. Maar dat kan me allemaal nie schelen, ik hou het en daarmee basta. Ik kan dees en ik wil dees.  * Een paar weken later sla ik de krant open en nip van mijn tas koffie, een latte macchiato uit mijn peperduur koffiemachine. De date van gisteren zit nog vers in mijn hoofd, de persoon in kwestie nog rustend in mijn bed. Ik glimlach. Op pagina drie van de krant staat een krantenkop die mijn aandacht trekt. Ik heb haar al weken niet meer gezien, maar weet meteen dat het om haar gaat. En ik begrijp meteen waarom ze niet kwam opdagen op onze laatste sessie.  Niet iedereen heeft het talent om te leven, terwijl iedereen het talent heeft om te sterven, denk ik bij mezelf. Ik sip nog eens van mijn koffie, verslik me niet, sta recht en keer terug naar het bed waar zij nog ligt te snoezen. Het zal een heerlijke zondag worden. De krant ligt nog opengeslagen op pagina 3. De krantenkop luidt:  Vrouw (26) springt van brug met pasgeboren kind in haar armen.       —  

Wout
0 0

Het besluit

Gebaseerd op feiten Toen Iris tien jaar geleden de telefoon kreeg dat haar vader was gestorven, wist ze nog niet dat haar leven schijnbaar voorgoed tot stilstand zou komen. Ze zei tegen haar huisgenoten dat ze onverwachts terug naar huis moest, stopte het hoogstnoodzakelijke in een tas en ging op weg. Ze zou nooit meer terugkeren. Ze liet dit leven achter om voor haar moeder te zorgen. Ze besloot om bij haar moeder in te gaan wonen en vond een job als nachtzuster op de dienst oncologie in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Op die manier, zo redeneerde ze, had ze overdag ruimte genoeg voor haar moeder. Tijd voor buitenwerkse activiteiten was er amper; tussen zorgen voor haar ouder wordende moeder en de emotioneel zwaar beladen job in het ziekenhuis was er enkel tijd voor slaap - en zelfs dat kwam ze te kort. Nu is ze 38 jaar, ongehuwd en zonder enig noemenswaardig sociaal leven wanneer ze Thomas elke nacht aan het ziektebed van zijn vrouw ziet zitten.  * Verdriet is eenzaam. Iedereen ervaart het op zijn eigen manier, terwijl geluk samen wordt beleefd. Het is verdriet dat bepaalt wie je echt bent, wie je maakt tot wie je bent.  Blijven is opgeven; mijn dromen, mijn idealen, mijn wil irrelevant.  Hier heb ik niet voor getekend, dit wil ik niet. Een mens moet zichzelf op de eerste plaats zetten om te overleven. Ten koste van alles.  De zachte tik op de deur ontwaakt me uit mijn gedachtenstroom. Ik kijk op en zie ze treuzelend voor de deur staan. Ze houdt lege ampullen vast, straks zullen ze gevuld zijn met bloed. ‘Hey Iris.’ ‘Hey, sorry, het is tijd voor een nieuwe bloedafname. Heb ik je wakker gemaakt?’ ‘Nee hoor, slapen hoort al even niet meer tot de mogelijkheden.’ Ik probeer een glimlach te forceren om mijn lippen. Het mislukt.  * Een blik kan je hart breken.  Het is al laat in de avond die donderdag  wanneer het telefoontje komt. Enkele uren voordien waren ze nog maar op consultatie geweest, om te kijken wat er mis was. Slecht nieuws komt altijd laat op de avond. Steeds een regenachtige dag, in de koude en de kilte. De zon heeft geen rol in zo'n verhaal, ook hier niet. De vooruitziendheid van het lot.   Hij ziet het onmiddellijk in haar ogen: dit is geen goed nieuws.   De dokter belt namelijk terug. Ooit, nog niet zo lang geleden, was zij een spring-in-het-veld. Een prachtige vrouw, vol met passie en vuur. Dat vuur lijkt nu te zijn gedoofd.Een verklaring is er nog niet, maar die zou er snel zijn. Haar ogen staan dof, haar gelaat grauwgrijs, de vermoeidheid spreekt uit alle gelederen van haar lijf. De dokter zegt dat ze de volgende dag naar het UZ Leuven moeten, er is iets ernstigs mis.  Gasthuisberg dus. De fabriek zoals zij het nu noemen.  Zo groots, vol met machines en werkers om de mens weer gezond te maken. Het wordt hun nieuwe thuis voor het komende jaar. De plek waar ze meer tijd spenderen dan in het huis waar ze al hun hebben en houden hadden ingestoken. En ook geluk. Wat waren ze gelukkig geweest. Dat geluk leek te smelten voor hun ogen: aan het ziekenhuisbed van de vrouw waarvan hij ooit dacht zijn hele leven mee te delen. In goede en kwade dagen. De kwaadheid krijgt een naam. Het monster huist in haar. Het verdriet is kanker.   Kanker stinkt. Het rot het lichaam van binnen uit. De chemo verbrandt alles tot in het diepste van de ziel. Zoals de mens op een bepaald moment doorhad dat brandlandbouw later de grond opnieuw kan cultiveren, zo brandt chemo alles weg in het lijf, zodat de mens later weer gecultiveerd wordt, zonder het beest in haar.   Hij beseft dat hij van haar moet houden, zelfs als ze daar ligt, amper overlevend, maar hij kan het niet. Niet meer. Dit is niet meer de persoon waarvan hij ooit gehouden had. Wie is er om hem te helpen? Hij zoekt naar troost in de donkerte. Weet met zichzelf geen blijf. Soms loopt het leven zo. Het is niet eerlijk. Niemand kiest voor kanker, niemand kiest voor lijden. Iedereen wil  kiezen voor geluk, voor liefde. Daar wil hij naar rennen. Die gedachte sust hem. Hij valt in slaap en droomt over lang vervlogen tijden.  * Hij was bloednerveus voor hun eerste date. Hij rookte vijf sigaretten na elkaar, mondspray en parfum telkens bij de hand zodat ze het niet merken zou. Hij was - zoals gewoonlijk - veel te vroeg. Een uur van tevoren stond hij al ijsberend  aan de ingang van het museum. Beter te vroeg dan te laat, dacht hij bij zichzelf. Het was haar idee om de nieuwe tentoonstelling in Bozar te bezoeken. Hij had hier nog nooit een voet binnen gezet, maar durfde geen nee te zeggen; alles voor een goede eerste indruk. Ze kwam aanlopen in al haar kleurenpracht. Een wollen sjaal van paars en rood, een gele lange winterjas en blauwe sneakers met oranje veters. Haar haren waren in een messy bun, haar stem krachtig en zinderend. ‘Hey, Thomas? Hoihoi, sorry dat ik wat te laat ben, ik moest nog naar de markt mijn nieuwe kindjes ophalen en dan Sarah thuis water geven, de tijd uit het oog verloren!’De blik in Thomas zijn ogen zou Line nog jaren later doen huilen van het lachen als ze eraan terugdacht.‘Sorry, ik kan soms chaotisch zijn, uhm, ik noem mijn planten mijn kindjes. Ik kan namelijk zelf geen kinderen krijgen en dan is dit the next best thing. Oei, sorry, ik kan ook een flapuit zijn, misschien geen eerste date-materiaal. Bon dat weet je dan, hoi, ik ben Ella! Hoe gaat het met jou, sta je hier al lang?’Thomas stond perplex, verwonderd, bewonderend naar haar te kijken. Lines wervelende zijn had hem helemaal omgewaaid. Hij was reeds verloren. Wanneer hij dit verhaal later aan zijn vrienden vertelt, zal hij soms beweren dat hij op dat moment verliefd op haar wordt. Op andere dagen, andere momenten, in andere verhalen, zal dat moment later vallen. * Het leven van een nachtzuster kan saai zijn. Eenzaam. De meeste mensen blijven namelijk niet ‘s nachts bij de zieke. Het leven gaat verder, de wereld daarbuiten draait door. Werk, de kinderen, de hond die nog moet worden uitgelaten, de planten moeten nog water krijgen. Thomas niet.Elke avond blijft hij bij het bed van Line. Elke nacht ziet Iris hem staan bij het koffieapparaat. Het bakje troost tegen het onmenselijke verdriet. Iets om de nacht door te komen. Ze ziet de wallen onder zijn ogen elke nacht een beetje groeien, de ogen roder, de baard langer, het haar vettiger en het gelaat grijzer. Toch merkt ze  steeds een krul in zijn lippen als hij haar ziet.   ‘Hoe gaat het met je moeder?’ Hij drukt de knop in van het espressomachine, neemt routineus al twee tassen uit de kast. ‘Ach, ze wordt vergeetachtig, begint achter mijn vader te vragen.’ De regen klettert tegen de ruit. Ritme van de eenzaamheid. De wind waait hard. Op de achtergrond draait de radio de nieuwste van Bazart, Denk maar niet aan Morgen. ‘Sorry om te horen.’ Hij neemt twee suikers en een melk uit de lade en geeft ze aan haar. ‘Wanneer is de laatste keer dat je nog eens iets voor jezelf hebt gedaan? Uit geweest, voor het plezier?’Een grijns verschijnt om haar lippen, twee rimpels op haar voorhoofd. Ze ontwijkt niet subtiel de vraag. ‘Heb je de match gezien gisteren?’ Haar ogen staren door het raam. De grijze blokken kijken terug. Hierbinnen is het al volop tristesse, denkt ze bij zichzelf, waarom maken we het buiten dan niet wat gezelliger? ‘Neen, niet gezien.’ Haast achteloos ademt hij diep in. ‘Line had een onderzoek. Hier je koffie, ik moet terug.’ Hij zegt het alsof hij zich betrapt voelt. Wat sta ik hier bij een andere vrouw te kletsen? Ik moet bij Line zijn. Altijd bij Line zijn. * Soms staat egoïsme duurzaamheid in de weg. Hij denkt dat verdriet alleen wordt gedragen, vecht lang tegen het idee dat wat hij doet - bij zijn vrouw blijven - het juiste is. Tot hij Iris tegenkomt, die elke nacht de kamer binnenwandelt om het infuus te laten bijstellen en bloed te nemen uit de katheter die uit Lines borstkas steekt. Dit in de hoop dat deze medicatie eindelijk haar weer de persoon zou maken waar hij smoorverliefd op is geworden, die novemberavond na een nacht doorzakken. Zijn gedachten dwalen weer af. Na het museum, een overzichtstentoonstelling van een Catalaans kunstenaar ten tijde van Franco, besluiten ze nog iets te gaan drinken, in de vaste kroeg van Line net om de hoek. Snel zou het ook zijn stamkroeg worden. Line babbelt maar door alsof ze elkaar al jaren kennen. Thomas blijft vol bewondering naar haar kijken. Het is al laat in de avond wanneer ze uiteindelijk de tram naar huis nemen. Ze moeten dezelfde richting uit. Thomas herinnert zich later, na het incident op de tram, dat hij Line vanaf dat moment nooit meer wilde laten gaan. Twee jongeren staan amok te maken in het midden van het gangpad. Iedereen kijkt de andere kant uit, uit vrees dat zij de volgende zijn die de scheldtirades te horen krijgen. Maar zij is niet bang. Zij staat recht en gaat op ze af, geeft ze een klap voor hun kop. De blik in hun ogen zal hij nooit vergeten. Het gevoel van oeverloze trots blijft hem altijd bij.De kracht waarmee ze de wereld een betere plaats wil maken. Daar is hij verliefd op geworden. Op dat moment wist hij dat ze een prachtige vrouw was die niet met zich liet sollen. Op dat moment wist hij dat de rest van zijn leven met haar wilde samenblijven. Alsof het altijd had moeten zijn. En lang zal het ook zijn, maar niet altijd.

Wout
0 0

Het verlies van mezelf

Faith frightens me, Lydia. Nothing is certain. At any given moment something could happen to change all that we are. - Fernando Pessoa Een herinnering In dit leven, waarin ik dit verhaal neerschrijf en waarin u als lezer dit nu leest en/of beoordeelt, besta ik.  De munt is op het juiste moment de juiste kant opgevallen. Het had anders kunnen zijn. Voor hetzelfde geld was ik dood. Ik kreeg echter een nieuw harnas, dat mijn ziel tot op heden huisvest. Ik kreeg een nieuw leven aangeboden. Al voelde ik me er lange tijd niet thuis.  Het begin Het is 25 februari 2005. Ik zit in het zesde leerjaar. Gisteren stond ik nog op de speelplaats, keuvelend met mijn vrienden over de toekomst, vol nieuwsgierigheid, levenslust en pertinente vragen. Naar welke school ga jij volgend jaar? Welke richting ga je volgen?  Vandaag zie ik in het flikkerende artificiële licht van de lichtblauwe gang witte hemden op crocs voorbij wandelen. Aan de andere kant van die gang zit een kind met roze muts in een rolstoel. Verschillende draden hangen uit zijn linkerarm, rode, witte en oranje, verbonden met baxters aan een infuusstandaard. Twee volwassenen, vermoedelijk de ouders, praten met een dokter. Alle drie kijken ze somber met een frons op hun gezicht. De vrouw huilt. De man nipt van zijn koffie uit het plastieken bekertje. Het kind staart doelloos voor zich uit, zijn ogen lusteloos verborgen in zijn grauwgrijze gelaat.  Ik zit samen met mijn ouders in een rommelig wachthoekje. Er staan een witte tafel en blauwe zetels. Op de tafel ligt wat speelgoed, een Nintendo 64 is aangesloten, maar er zit geen spel in de console. Op de zetels naast ons liggen wat magazines, Story, Dag Allemaal en Libelle. We wachten op de verpleegster die inderhaast onze kamer moet klaarmaken, het is allemaal heel snel gegaan.  Het is 25 februari 2005, ik zit in een donkerblauwe zetel op de tiende verdieping in de gang van de dienst kinderoncologie van het UZ Gasthuisberg. Ik weet het nog niet maar dit wordt voor de komende tijd mijn thuis.  Ik ben ziek. Mijn eigen lijf mishandelt me.  En sindsdien mishandel ik mijn lijf.  Het heden Ik zit in de keuken starend naar mijn computer aan de houten tafel die is meegekomen met mijn vriendin uit haar vorige appartement. Een stomende tas koffie - zonder melk noch suiker - staat naast de laptop. De ochtendzon verwarmt de kamer. Door het raam hoor ik kinderen spelen, mensen praten. Het leven gaat voort.  Ik zit hier om grip te krijgen op mijn verleden. Volgens mijn therapeute helpt schrijven; het op papier zien staan, helpt om het los te laten, om er structuur in te zien en om het te verwerken. Dus begin ik het op te schrijven.  Tijdens de eerste periode na de diagnose, waarbij ik meer in een troosteloze ziekenhuiskamer verblijf dan in mijn warm nest thuis, proberen ze verschillende methoden om me beter te maken. Destijds noemden ze het een paardenmiddel; een makkelijke manier om het aan een kind uit te leggen. Nu weet ik dat het EPO was.  Algemeen is EPO bekend als een dopingmiddel bij topsporters, om betere resultaten te krijgen. In mijn geval werd het gebruikt om de aanmaak van bloedcellen te stimuleren.  Het probleem dat zich stelt, is namelijk dat mijn beenmerg opgehouden is met werken.  Het beenmerg is een plasma dat in de gewrichten zit en zorgt voor de aanmaak van bloedplaatjes, rode bloedcellen en witte bloedcellen. Het monster kreeg een medische benaming: aplastische anemie, een zeldzame bloedziekte.  In een ander universum zou ik, als EPO-gebruiker, dus zomaar de Ronde van Frankrijk kunnen winnen. U, als lezer, weet ondertussen dat het verhaal niet zo zal verlopen.  Deze middelen werken namelijk niet. Het eindverdict: een beenmergtransplantatie. Op 2 augustus 2005 krijg ik het beenmerg geïnjecteerd van een anonieme donor.  De eerste stap naar de transplantatie is de afbraak van mijn lichaam: chemo en 6 weken quarantaine. Quarantaine betekent wat het betekent: complete isolatie. De laatste twee weken mogen mijn vader of moeder enkel de kamer betreden als ze volledig beschermd zijn - handschoenen, schort, muts. Niemand raakt me aan zonder bescherming. Ik ben volledig fragiel en mentaal reeds gebroken.   De chemo verbrandt alles tot in het diepste van de ziel. Zoals de mens op een bepaald moment doorhad dat brandlandbouw later de grond opnieuw kan cultiveren, zo brandt chemo alles weg in het lijf, zodat de mens later weer gecultiveerd wordt, zonder het beest. Enkele dagen voor de volledige isolatie, lig ik al in het ziekenhuis voor de eerste voorbereidingen. Op mijn normale gang, met de verpleging die ondertussen kennissen zijn. Patrick houdt net als mij van voetbal, Rita wordt mijn toeverlaat. Het is een hittegolf en bloedheet in de kamer. Bovenop krijg ik ook nog eens 40 graden koorts. Zo erg dat de dokters even overwegen om de transplantatie uit te stellen. Het zou geen goed idee zijn om mijn immuunsysteem af te sluiten. De verpleging helpt zoveel als ze kunnen en de ventilator wordt verplaatst naar mijn kamer. Mijn moeder houdt constant een nat kompres op mijn voorhoofd. Alles om mijn temperatuur naar beneden te krijgen.  Achteraf denk ik soms dat dit een teken van verzet was van mijn lichaam; we willen hier niemand nieuw. Dit is geen goed idee. Laat het afgelopen zijn.  Soms denk ik dat ik had moeten luisteren naar mijn lichaam.  De revalidatie verloopt in eerste instantie vlot. Enkele weken later - ik ben in totaal zes weken in quarantaine - mag ik naar huis. Maar niet voordat heel mijn lichaam zich aanpast aan de nieuwe inwoner. Ik vervel volledig. Ik krijg nieuwe nagels - op mijn tenen zie je nog steeds kleine scheurtjes van niet zorgvuldig ingegroeide nagels. Op mijn rug heb ik nog steeds zwarte stipjes uit die periode. Een van de vele aandenkens.  Wekelijks ga ik, samen met mijn moeder,  naar het daghospitaal voor medicatie die acht uur lang langzaam via een katheter in mijn lijf drupt. Ik ga mondjesmaat terug naar school - het eerste middelbaar deed ik grotendeels in thuisonderwijs. Ik groei op, maar blijf fysiek en mentaal een kind. Van de wereld verdwenen om er dan weer ingegooid te worden, zonder voorbereiding. Ik huil veel. Waarom lijkt niemand te beseffen.  Mentaal ben ik onafgebroken een wrak. Het kostte me tijd en het kost me nog steeds tijd gewend te worden aan mijn nieuw lijf. Ze gaven me een nieuw leven, maar ze leerden me niet hoe ermee om te gaan, hoe er vrede mee te nemen. Ik voelde me alleen. Het was een strijd om het juist te krijgen - de revalidatie duurde lang en niet zonder obstakels - en soms denk ik dat het nooit helemaal zal wennen.  Ik was namelijk blij met mijn oorspronkelijk lichaam. Dat was blijkbaar niet blij met mij en stopte met zijn voornaamste taak: mij in leven houden. Ik voelde me verraden en zocht naar wraak tegen iets dat ik niet meer had: een normaal leven.  Tot op heden is niet duidelijk waarom mijn oorspronkelijk beenmerg heeft gefaald.  Het vervolg In 2015 is mijn leven weer normaal. Ik ben genezen verklaard door de kinderoncoloog die me van bij het begin heeft opgevolgd en ik ga voltijds naar school. Ik studeer ondertussen in het derde middelbaar, Latijn-Talen, en probeer mijn leven weer op te pikken. Ik ga naar het voetbal en ik neem opnieuw lessen, muziek en slagwerk. Ik heb echter een schijnbaar onoverbrugbare achterstand. De jaren die mij zijn afgenomen zijn moeilijk om terug te eisen. Mentaal en fysiek ben ik nog steeds twaalf jaar. De ziekte heeft ervoor gezorgd dat ik moeite heb om in de puberteit te komen. Spuitjes testosteron moeten me wederom helpen om vooruit te komen.  Even later komt mijn lichaam in verzet. Het beenmerg komt in opstand.  Ik ben me aan het klaarmaken voor school. Ik voel me stijf in mijn ledematen, alsof ik de dag ervoor zwaar heb gesport - wat niet kan, ik mag nog niet meedoen met de lessen L.O.. Ik eet mijn boterham met choco aan de witte keukentafel, poets mijn tanden en probeer dan mijn kousen aan te trekken. Dit gaat moeilijker dan verwacht. Mijn mama staat aan het aanrecht te kijken. Ik wil haar niet ongerust maken en doe alsof alles in orde is. Ik verplaats me naar de woonkamer en zet me op de zwartleren zetel. Zij blijft in de keuken staan wachten tot ik klaar ben. Ik krijg mijn sokken amper aan, mijn rug doet pijn als ik me strek, mijn knieën en armen krijg ik amper geplooid. Er is iets mis. Ik overtuig mezelf dat het niets is. Ik wil niet meer ziek zijn, ik wil mijn ouders niet meer ongerust maken.  Maar ongerust zullen ze weer worden en zullen ze altijd blijven. Ik zal altijd degene zijn die ooit ziek was. Ik zal altijd moeten opletten wat ik doe en zorg dragen voor mezelf. Ik wil dit niet en probeer het dus verborgen te houden. Een moeder weet en ziet echter altijd alles en maakt opnieuw een afspraak in het UZ Gasthuisberg. Ik heb reuma in mijn gewrichten.  Omdat men niet weet waarom mijn beenmerg gestopt is met werken, weet men ook niet waarom ik nu reuma heb. Is het een gevolg van de stamceltransplantatie? Is het hetzelfde monster dat ervoor gezorgd heeft dat mijn beenmerg faalde? Men weet het niet. Het enige dat gedaan kan worden, is me beter maken zodat ik weer kan doorgaan. Dit betekent opnieuw regelmatige controles bij de dokter, nieuwe (misselijkmakende) medicatie en sessies bij een kinesist. Het lijkt alsof alles opnieuw begint. De onwetendheid dat het elk moment weer mis kan lopen, maakt me gek.  De medicatie en therapie werken en ik kan weer verder. Mijn leven opnemen en doen alsof er niets aan de hand is. Ik wil zo snel mogelijk weer normaal zijn. Daarom doe ik wat elke 17-jarige hoort te doen: Uitgaan en proberen plezier te maken. Mijn lijf, leden en mentale toestand smijt ik aan de kant, ik ga doen wat elke andere jongere doet: drinken tot ik erbij neerval. Ik wil de coole kid zijn en begin te roken. Zes jaar nadat beenmergfalen bij mij wordt vastgesteld en ik een nieuwe thuis krijg op de gang kinderoncologie van Gasthuisberg, tussen andere kinderen met zware ziektes, doe ik het ergste wat ik mijn lichaam kan aandoen: ik moord mezelf uit van binnenuit. Ik doe het omdat het cool is, omdat ik zoals de ander wil zijn. Ik doe het omdat ik te laf ben om er zelf een einde aan te maken. Ik wil mijn ouders en mijn broer, die hun eigen leven opzij hebben gezet om voor mij te zorgen, niet teleurstellen, niet nog meer verdriet aandoen. En dus blijf ik leven, niet voor mij, voor hen.   De vlucht Ik ben niet geboren in dit lichaam. Al mijn kwalen, alles wat ik nu meemaak, de droge, snel geïnfecteerde ogen, de verwrongen gewrichten, de smalle spieren, de littekens op mijn lijf, mijn scheefgegroeide tanden; alles is een overblijfsel van mijn ziekte. Ik ben een ander mens geworden. Iemand die ik nooit had willen zijn. Het beenmerg dat nu in de kern van mijn gewrichten zit, is niet het mijne. Het bloed dat het aanmaakt, wordt niet door mij gemaakt. Ik voel me niet veilig in mezelf.  Biologisch ben ik genezen. Men verwacht van mij er het beste van te maken, de tweede kans te grijpen.  De beslissing is voor mij genomen. Ik heb het gevoel dat ik beter moet zijn dan de rest omdat ik een tweede kans heb gekregen. De zelfopgelegde druk is enorm.  Maar ik heb hier niet om gevraagd. Ik wilde mijn eerste kans grijpen en dat is mij ontnomen. Ik kreeg geen tijd om me te ontplooien in mijn eerste leven en ik had het te druk met overleven om te genieten van mijn tweede leven.  Het voelt als verraad van de hoogste orde. Het is ergens in 2018, op een doordeweekse woensdag, waar ik elke week zit op mijn vaste kruk aan de vaste toog van mijn vaste stamkroeg. Naast mij zitten Erik en Arnd, twee andere vaste klanten waar ik bevriend mee ben geworden en die, net als ik, niets anders te doen hebben dan hier te komen zitten en dronken te worden. Een half jaar geleden ben ik afgestudeerd, met onderscheiding in de politieke wetenschappen, maar toch werkloos. Ik weet niet waar ik naartoe wil met mijn leven. En die doelloosheid, die ik meestal kan verbergen wanneer ik nuchter ben, komt uitgestroomd in woede en frustratie als de zoveelste pils probeert mij op te warmen. Zijt is kalm, jong?! Neje, ik zen nie kalm, verdoeme, ik weet nie meer wat te doen.  Ik overleef op alcohol. Reeds in de laatste jaren van mijn universitaire carrière heb ik alcohol nodig om de avond door te komen en in slaap te vallen. Ik wandel veel. Van nachtwinkel naar nachtwinkel. Amid van de winkel aan het Ladeuzeplein in Leuven herkent me wanneer ik binnenkom.  Dag meneer, alles oké vanavond? Ja merci, ge moogt me ook een pakje Marlboro Gold geven alstublieft. Ik zet een blikje halve liter Cara Pils op de toog en neem cash uit mijn portefeuille.  Voila, 8 euro 50 alstublieft. Ziezo, tot later. Tot morgen meneer. Ik loop rond in het centrum van Leuven, alleen en zonder doel. Cara pils in mijn ene hand, een sigaret in de andere. Ik wandel van nachtwinkel tot nachtwinkel tot ik dronken genoeg ben om in slaap te vallen en de dag weer te beginnen, op dezelfde manier. Overal zie ik gelukkige studenten plezier maken met hun vrienden. Er wordt gelachen, gediscussieerd en sociaal gedronken.  Ik drink niet sociaal, ik drink alleen met mijn gedachten. Nadat ik ben afgestudeerd keer ik terug naar mijn ouderlijk huis, nergens anders om te zijn.  Nadat ik afgestudeerd ben, zit ik elke woensdag, vrijdag en zaterdag in mijn stamkroeg en doe ik wat ik mezelf heb aangeleerd: drinken om iets te voelen. Of misschien om niets te voelen. Dit is niet het lijf waarin ik geboren ben en dus moet ik er alles aan doen om het te vernietigen. Dit denkpatroon zal mijn leven sturen voor de komende 13 jaar. Tot mijn energiebron volledig leeg is en ik in de zomer van 2023 in burn-out ga. Ik zit (letterlijk) volledig aan de grond met angst- en paniekaanvallen en besef dat ik wel wil leven. Ik weet alleen nog niet hoe.  De toekomst Het is tijd om mijn verleden te claimen. Twintig jaar lang heb ik gevochten tegen mezelf. Niet begrijpend waarom iemand mij zou willen liefhebben. Ik zat gevangen in een lichaam dat niet voelde als het mijne, levend volgens de wetten  waar ik geen zeggenschap in had. Sindsdien loop ik verloren. Het enige dat ik wist te doen was vluchten. Welkom alcohol. Nu woon en werk ik in Brussel samen met mijn partner. Ik ga al enkele jaren onafgebroken naar een therapeut en neem antidepressiva. Paroxetine, 30 mg. Ik leef en ik ben blij dat ik leef. Een pagina is geschreven, ik leer leven met mezelf en ben tot het besef gekomen dat dit mijn leven is. Ik heb dit beenmerg geclaimd, het bloed dat door mijn aderen stroomt is mijn bloed en het doet er alles aan om mij gezond te houden.  Ik ben gezond, content en klaar om de wereld te veroveren.   Geschreven door Wout Bols voor het magazine Hard/hoofd, september 2025    

Wout
0 0

Dialoog: Typiek

Tram 14 staat stil in een metrotunnel om een nog onbekende reden. Er heerst een gespannen, geïrriteerde sfeer. Het is namelijk het einde van de werkdag.Mensen zitten op elkaar gepakt en een man probeert nog wat brood te verdienen door ongevraagd zijn accordeon te spelen. Telkens weer hetzelfde liedje. Seppe kijkt van zijn telefoon, fronst de wenkbrauwen en kijkt om zich heen.'Staat de tram hier nu weer stil?' zegt hij tegen iedereen en niemand in het bijzonder. 'Dat is toch niet meer normaal, altijd hetzelfde hier.'Hij kijkt of iemand hem gehoord heeft en maakt oogcontact met Loe, die te laat zijn ogen weer laat neerdalen richting de vloer. Zijn rechterbeen trilt en hij voelt de blik van Seppe op zich. 'Het...het lijkt er op ja...' antwoordt hij.De opening is gemaakt. Seppe negeert de lichaamstaal van Loe, werpt zijn handen in de lucht en gaat verder met zijn betoog: 'Typisch het openbaar vervoer, je kan er nooit op rekenen.' Loe blijft zijn handen bestuderen,  zegt mompelend doch beleefd: 'Moet je dan zo dringend ergens zijn?' Er verschijnt een grimas om zijn lippen.'Nee, niet per se, maar ja, dit kan toch ook niet. Hier zitten we nu weer!', zegt hij opnieuw.'Stoort je dat dan niet?'Loe kijkt Seppe voor het eerst in de ogen: 'Ik ben blij om hier te zijn, heb niet echt ergens anders om naar toe te gaan dus, euh, neen.'Seppe kijkt op zijn horloge - 10 na 5 -, kruist de armen en leunt achterover tegen de stoel terwijl hij zijn linkerbeen over het rechter slaat. Zijn voet begint te trillen. 'Allez zeg, op deze manier gaan we ook niet voortgeraken.''En waar moet je dan zo dringend naartoe? Sorry, dat heb ik misschien al gevraagd.' Seppe slaat zijn handen in de lucht, buigt dan naar voren en legt de armen over zijn knieën. Wrijft daarna met zijn vingers in zijn ogen. 'Nee, ik moet nergens zijn.' zegt hij geïritteerd, 'maar als mensen zich met niks meer bezighouden, er niks meer mee inzitten, zie ons hier nu allemaal staan lummelen, de wereld gaat toch niet vanzelf!'Loe voelt zweet opkomen in zijn nek en over zijn rug. Zijn haren staan recht, terwijl Seppe helemaal opgaat in zijn betoog. Hij ziet andere mensen meeluisteren, begint luider te praten, waant zich op zijn podium. Ik moet hem proberen intomen, denkt Loe. Hij raapt zijn moed bij elkaar, maar die verdwijnt weer evensnel in de schoenen. Hij fronst en stottert: 'Misschien, misschien moet je ook even de wereld laten voor wat ze is? En tot tot tot rust komen? Toch? Hij zucht diep, probeert zijn hartslag weer onder controle te krijgen. Seppe kijkt hem aan met een blik die niet veel goeds doet uitschijnen. Op dat moment komt er een mededeling.

Wout
0 1

Dialoog: Stap 1

- Maar jongen toch.Een termos troost, twee tassen en enkele koffiekoeken van de bakker om de hoek op het doorzichtige, doorleefde tafellaken. Ze heeft haar keukenschort nog aan, de aardappelen zijn reeds geschild, de boontjes gedopt. Ze brengt haar hand naar haar hals en staart hem aan. De tranen staan in haar ogen. - Het is niet anders, antwoordt hij. Hij kijkt naar zijn voeten, zijn armen gevouwen voor zijn borst. Nooit goed geweest in dit soort gesprek, denkt hij bij zichzelf, maar het moet nu maar. De bezorgdheid wordt zichtbaar op haar voorhoofd. Twee verticale lijnen verschijnen tussen haar wenkbrauwen. Een frons. De vragende blik. Ze neemt haar stoffen zakdoek uit haar mouw, snuit haar neus en zegt: - Ik dacht dat dit achter de rug was.- Niet dus. Niet voor mij. Het gaat hier om mijn leven, mijn verleden.Zijn handen liggen nu op zijn schoot, gebald in een vuist, zijn rechterbeen trilt. Even doorbijten nu, dan heb ik mijn plicht gedaan.- Heb je al met Va gesproken? Ze reikt haar hand uit naar de zijne. en vervolgt: Je zal hem hier pijn mee  doen.- Ja, weet ik. Zijn kaken klemmen even op elkaar.   Ik wilde het eerst aan jou zeggen.Hij kijkt haar aan nu. Snot druipt uit haar neus. Wat zijn mensen lelijk als ze wenen, maar wat hou ik van haar. Hij kijkt weer weg, de vlek op het tafellaken, een souvenir van afgelopen Kerstmis, is een welgekomen afleiding. - Heb je hier goed over nagedacht?Voor het eerst zoekt hij oogcontact. - Ja, zegt hij vastberaden. Een diepe zucht, de last valt af.- Dan moet het maar.  Berustend leunt ze achterover in haar stoel. Het is voorbij. Al begint het pas.

Wout
8 0