Lezen

Kaal

Personages Celina             Slachtoffer. Ze werd kaalgeschoren. Ze is een mooie jongedame, maar door het gebeuren is ze haar zelfzekerheid een beetje kwijt. Ze had het uitgemaakt met haar vriendje omdat hij haar verstikte maar haar jaloezie verraadt dat ze hem nog graag ziet. Zaki                  Beschuldigde. Hij is een knappe jongeman. Omdat hij teveel had gedronken heeft hij een complete black-out en weet hij niet meer wat er gebeurd is. Alles wijst in zijn richting dus hij probeert zich die avond te herinneren. Filou                Dader. Ze komt verlegen over. Vriendin van het slachtoffer en verliefd op de beschuldigde. Ze heeft gehandeld in een opwelling. Zowel bij het slachtoffer als bij de beschuldigde probeert ze te achterhalen wat ze weten over het gebeuren en hoe ze nu tegenover elkaar staan. Eens de kans bestaat dat alles uitkomt, beseft ze pas wat ze heeft aangericht. Papa                Vader van Zaki. Een agressieve man die drinkt. Hij is vooral kwaad omdat Zaki zijn vriendin op lichamelijk zichtbare plaatsen heeft toegetakeld. Wanneer Zaki hem geen antwoorden kan geven ranselt hij hem af.   Scenografie Illusie van een jeugdkamer met een bed, een stoel, een tafel en drie (draaibare) zuilen. Door te spelen met verlichting en decoratie kan je in volgorde van de scene suggereren dat het telkens een andere kamer is. Kamer van Celina: op een zuil hangen posters die de leefwereld en het karakter van Celina weergeven, de twee andere zuilen zijn roos belicht. Kamer van Zaki: op een zuil hangen posters die de leefwereld en het karakter van Zaki weergeven, de twee andere zuilen zijn blauw belicht. Kamer van Filou: op een zuil hangen posters die de leefwereld en het karakter van Filou weergeven, de twee andere zuilen zijn groen belicht.   KAAL Scène 1 Een meisje zit onder een laken. Een arm is zichtbaar en in die hand heeft ze een spiegel vast. Ze twijfelt. Zal ze in de spiegel kijken of niet? Er wordt op de deur geklopt en de bezoeker wil voorzichtig naar binnen komen. Celina raakt in paniek. Celina:            Ga weg! Ik wil niemand zien. Ga weg! Filou:               Mag ik binnen? Celina:            Nee! Filou aarzelt. Filou:               Celina? Celina heft een tipje van het laken op om te zien wie het is. Celina:            Filou? Filou:               Mag ik binnen? Celina:            Ja, jij wel. Filou:               Gaat het een beetje? Celina:            Nee! Celina verstopt zich terug onder het laken. Er volgt een gênante stilte. Filou zoekt met gezichtsgymnastiek naar woorden. Ze merkt de spiegel op. Filou:               Heb je al gekeken? Celina:            Ik durf niet kijken. Ik probeer de hele tijd maar ik durf niet. Hoe zie ik eruit? Iedereen gaat denken dat ik kanker heb of zo. Filou:               Zal ik eerst zien? Celina:            Waarom? Om mij uit te lachen? Het is niet omdat jij een lelijk eendje bent dat je met mij kan komen lachen! Filou:               Ik zou niet durven. Celina:            Wat? Filou:               Ik zou het niet durven, je uitlachen. Weer een gênante stilte. Celina:            Godverdomme, Zaki! Ze huilt en snuit haar neus. Celina:            Auw, auw, auw. Mijn neus doet zeer. Maar die elleboog was per ongeluk. Ze wrijft over haar hoofd. Celina:            Ik voel wat er gebeurd is. Godverdomme, Zaki! Waarom heb je dat nu toch gedaan? Filou:               Ik had zoiets nooit verwacht van Zaki. Celina:            Ik ook niet. Drie jaar waren we samen. En dan ineens dit. Mijn haar, mijn mooie lange haar. Hoe heeft hij dat kunnen doen? En waarom? Ik snap het niet. Filou:               Zijn jullie al drie jaar samen? Celina:            Waren. Ik had het net uitgemaakt! Filou:               Uitgemaakt? Celina:            Maar ja! Filou begrijpt het niet. Filou:               Waarom? Celina:            Zaki is bezitterig en jaloers. Ik was dat beu om elke vijf minuten een sms’je te krijgen, voortdurend gecontroleerd te worden. Ik kon niets meer doen zonder dat hij het moest weten. Ik voelde mij gevangen. En daarom heb ik het uitgemaakt. Ik had dat beter rustig thuis gedaan in plaats van op dat feestje. Filou:               Ik snap het niet. Jij bent toch met Zaki naar huis gegaan? Celina:            Ja, na dat gedoe met Robbe. Filou:               Ja, wat was dat eigenlijk met Robbe? Filou snapt er niets van. Celina raakt geïrriteerd door haar onwetendheid. Celina:            Zaki begon te drinken en toen ik bij Robbe stond te praten… Filou:               Is hij jaloers geworden. Celina:            Maar ja! Misschien is het daarom? Omdat ik dan lelijk zou zijn en er geen enkele andere jongen naar mij zou kijken. Filou:               Of durven. Want als Zaki in een colère schiet. Celina :           Of durven, ja.  Stilte Celina:            Ik zie hem daar nog staan met zijn scheermachine in zijn hand. Hij stond zo dwaas naar mij te staren. ‘Je haar is eraf.’ Ze gilt. Celina:            ‘Je haar is eraf’ En hoe dikwijls heb ik er niet voor gezorgd dat zijn haar netjes was? Voor het feestje nog. Daarom zat dat stom scheerapparaat in mijn handtas. ‘Maak me nog eens knap Minne,’ vroeg hij.  Minne. Ik vond het altijd een mooi koosnaampje. Maar nu weet ik het niet meer. ‘Minne komt van beminnen’ zei hij altijd. Godverdomme, Zaki! Wat een puinhoop. Onder het laken slaat ze met armen en benen wild om zich heen alsof ze zich verdedigt tegenover haar aanvaller. Celina:            Ik wil met die gast niets meer te maken hebben! Stilte. Filou probeert iets te zeggen maar aarzelt. Dan raapt ze al haar moed bijeen en waagt het erop. Filou:               Zou je het erg vinden als ik hem ga opzoeken? Celina maakt haar gezicht vrij om vol ongeloof naar Filou te kijken. Celina:            Jij? Hem bezoeken? Filou:               Ja. Celina:            Waarom? Filou:               Gewoon. Om zijn versie te horen. Celina :           Om zijn versie te horen. Ik dacht dat je mijn vriendin was, maar nee. Zaki is precies interessanter. Wat zit je hier nog te doen? Je heb mijn toelating niet nodig! Doe wat je niet laten kunt! Dan kan hij jouw haar ook afscheren! Celina verstopt zich terug in haar laken. Filou:               Denk je dat ik dat niet erg vind misschien? Celina:            Zwijg! Ga weg! Ik wil je niet meer zien! Maak dat je wegkomt! Filou maakt aanstalten om weg te gaan. Filou:               Celina? Ik… Celina:            Ga weg! Ik wil je niet meer horen! Ga weg, ga weg, ga weg! Celina zit te blazen en te zuchten onder haar laken. Filou verdwijnt. Dan bedaart Celina maar ze beseft niet dat ze haar vriendin heeft weggejaagd. Celina:            Sorry Filou. Ik ben gewoon in de war. Maar misschien is het geen slecht idee. Misschien kan je voor me uitzoeken waarom hij dat gedaan heeft. Ik durf hem nu niet onder ogen komen. Wil jij dat voor me doen? Stilte. Celina:            Filou? Celina heft een tipje van het laken op. Celina:            Ja lap! Ze is weg. Dat was niet vriendelijk Celina! Je behandelt je vriendin als een debiel. Zij heeft ook gevoelens. Nooit gedacht dat ik zo jaloers kon zijn. En ik ben jaloers! Stikjaloers omdat zij naar mijn Zaki wil gaan. Ik ben niet beter dan Zaki! Ik ben een slecht mens. Ze kijkt in de spiegel. Celina:            Ik ben lelijk. Van binnen en van buiten! Ik ben lelijk. Lelijk! Ze slaat de spiegel daarna kapot op haar hoofd. Celian:            Auw! En ze huilt. KAAL Scène 2 Een jongen zit op een stoel, duidelijk aangeslagen. Een man staat achter in de kamer en bestudeert de jongen. Hij heeft een flesje bier in de hand. Papa:               Heb jij het gedaan ? Zaki :                Ik weet het niet, pa. Stilte – de man drinkt van zijn flesje. Papa:               Je weet het niet. Stilte – De man komt naast Zaki staan, neemt brutaal zijn kin en draait zijn hoofd naar zich. Hij kijkt hem doordringend aan. Zaki is duidelijk bang van hem. Zaki:                Ik weet het niet! Ik weet het echt niet! De man laat zijn kin met een ruk los. Papa:               Je weet het niet. De man loopt naar achter en neemt een nieuw bierflesje. Hij neemt zijn tijd. Dan gaat hij vlak achter de jongen staan. Papa :              En wat weet je wel? De jongen schudt zijn hoofd. Hij weet niks. Papa:               Je weet toch nog wel dat jullie samen naar die schoolfuif gegaan zijn vrijdagavond? De jongen knikt instemmend. De man drinkt. Papa:               Hebben jullie ruzie gehad? De jongen knikt weer. De man drinkt. Papa:               Vertel! De jongen vertelt traag, alsof hij over alles moet nadenken. Zaki:                Celina had het uitgemaakt. Ik snap nog altijd niet waarom. Ik ben beginnen drinken. De jongen aarzelt. Papa:               Je bent beginnen drinken. De man gaat weer een nieuw flesje halen. Zaki:                Ja. Papa :              Heb je veel gedronken? Zaki antwoordt niet dadelijk. Papa:               Ik vroeg of je veel gedronken had! Zaki:                Ja, pa, ik was zat! En toen stond ze daar bij Robbe met haar vingers in haar haar te draaien. Ik ben er naartoe gesjeesd! Ik wou die gast een knal op zijn oog geven, maar Celina kwam er tussen. Ik werd pisnijdig. ‘Dat ze daar met haar gat stond te draaien’ zei ik ‘enkel en alleen om die gast op te geilen en mij jaloers te maken. En dat ze haar krullen in haar gat moest steken!’ Zei ik. Papa:               Je hebt dus een beetje staan brullen. Nog iets? Zaki twijfelt – denkt na Zaki :                Nee, niet echt. Alleen dat Celina mij kon kalmeren en dat ze vond dat we maar beter naar huis gingen. De man staat afwachtend met zijn armen over elkaar. Zaki:                Meer weet ik niet. Complete black-out. Ik was zat. De man blaft in zijn gezicht. Papa:               je hebt haar knock-out geslagen man! En haar kaal geschoren! Weet je het nu? Zaki:                Ik weet het niet. De man doet lacherig.(nabouwen) Papa:               ‘Ik weet het niet.’ Hij zwaait wat vlinderige handjes in de lucht. Papa:               ‘Ik had een black-out’ Dat is gemakkelijk. Wees toch eens een vent en zeg waar het op aan komt! ‘Ja, ik heb haar geslagen! Ja, ik heb haar geschoren.’ Zo moeilijk is dat toch niet om dat toe te geven? Hij staat nu dreigend bij Zaki. Papa:               Zeg het! Zeg het dan! ‘Ja, ik heb haar geslagen!’ Zaki stamelt voorzichtig. Zaki :                Ja, ik heb haar geslagen. Papa:               ‘Ja, ik heb haar geschoren!’ Zaki aarzelt. Papa:               Zeg het! Zaki:                Ja ik heb haar geschoren. Papa:               Lompe zak! Daar! Zie hem daar zitten! Zatte Zaki! Weet je het al? Hij heeft zijn lief in elkaar geslagen. En ook nog kaal geschoren. Stommerik! Geslagen in haar gezicht! Waar iedereen het kan zien! Hij stompt Zaki in zijn rug. Papa:               Je moet slaan waar de blauwe plekken niet opvallen, stommerik! Je moet altijd op de billen slaan, daar zien ze het niet. Hij stompt Zaki herhaaldelijk. Zaki verbijt de pijn. Papa:               Doet het pijn, jongetje? Hier! En hier! Onnozelaar! Hij trekt zijn zoon bij de haren naar achter en brult in zijn gezicht. Papa:               Ik zal je haar eens uittrekken! Dat is wat anders dan scheren! Zaki onderdrukt een “auw”. Papa:               Nee! Ik wil geen auw horen! De man laat hem los, neemt een flesje en drinkt. Zaki verbijt nog steeds de pijn en kan net geen snik onderdrukken. Papa:               Wablief? Zit jij nu te bleiten? De man vliegt op hem en ranselt hem zwaar af.  Wanneer zijn woede tempert laat hij zijn zoon ineengekrompen op de grond achter. Nu huilt Zaki zachtjes en prevelt. Zaki:                Het spijt me. Het spijt me. Celina, het spijt me.   KAAL Scène 3 Zaki ligt op zijn bed. Filou wordt binnen gelaten door de papa van Zaki. Hij blijft even staan kijken met gekruiste armen. Zaki springt recht. Zaki:                Hoi Filou. Hij houdt zijn papa in de gaten en verstopt vakkundig de sporen van het voorgaande geweld.(lange mouwen naar beneden trekken, kraag omhoog zetten) Filou:               Hallo Zaki. Ze komt dichterbij. De twee staan een beetje onwennig naast elkaar en kijken een paar keer naar de papa van Zaki die dan besluit om hen toch maar alleen te laten. Zaki:                Waarom ben je hier? Het is hier niet veilig. Filou wijst naar de plaats waar zonet nog de papa van Zaki stond. Filou:               Met zo’n waakhond voor de deur? Ongemakkelijke stilte. Filou:               Ik veronderstel dat je voorlopig niet buiten komt. Zaki:                Nee, ik denk het niet. Ik durf ook niet buiten te komen. Stilte. Zaki:                Heb je haar al gezien? Filou:               Ja. Zaki:                Hoe gaat het met haar? Wat een vraag! Niet goed natuurlijk. Heeft ze iets gezegd? Filou:               Niet zo veel. Zaki:                Over mij? Ze is natuurlijk kwaad. Filou:               Ze zegt dat je jaloers bent en bezitterig. Zaki:                Had ze het daarom uitgemaakt? Filou:               Ja, dat zei ze toch. Zaki:                Maar zij weet hoe ze mij moet aanpakken. Ze kan mij altijd tot rede brengen. Filou kijkt Zaki met een bedenkelijk gezicht aan. Zaki:                Ja behalve nu. Blijkbaar. Godverdomme Filou, ik wou dat ik mij iets kon herinneren. Mijn kop is een groot leeg zwart gat en ik zit gevangen in die duisternis. Ik kan geen kant uit. Het verstikt mij, net zoals ik Celina verstikte. Controlefreak die ik ben. Al dat ge-sms ‘Waar ben je?’ Wat doe je?’ als een constant geflikker van kapotte neonlampen. Ze kon geen kant uit. Ze zat gevangen in onze relatie. Filou legt een troostende hand op zijn schouder. Zaki:                Filou, ik wil mijn schuld bekennen, maar dan moet ik toch eerst alles precies weten. Ik kan toch zomaar niet fantaseren over hoe en wat ik gedaan heb? Ik wil eerlijk de waarheid kunnen zeggen. Maar ik weet het echt niet meer! Filou:               Sommigen zeggen dat ze het zelf deed. Zaki:                Wie zegt dat? Filou:               Haar klasgenoten. Zaki:                Nee, dat kan niet. Waarom zou ze dat doen? Filou:               Om aandacht te krijgen. Ze geloven niet dat ze het heeft uitgemaakt. Waarom zou ze? Je bent knap, lief, vriendelijk, grappig, eerlijk. En je geeft een meisje al je aandacht. Je kan iedereen krijgen. Daarom zou ze het zelf gedaan hebben. Om een monster van je te maken zodat iedereen bang van je is. Zaki:                En jij? Geloof jij dat ik een monster ben? Ben jij niet bang? Filou :              Maar nee, ik ben niet bang voor jou. Filou laat haar hand zachtjes over zijn hand glijden. Zaki kijkt op. Ze glimlacht naar hem. Filou:                 Jij zou geen vlieg kwaad doen. Zaki laat Filou een tijdje begaan. Wanneer ze op het punt staat hem te kussen, trekt hij zich plots met een ruk weg en neemt afstand van haar. Zaki:                Jawel! Ik ben wel een monster. Ik heb Celina kaal geschoren en ik herinner mij niets. Ik word er zot van. Zot! Hoe kan dat? Waarom kan ik mij dat niet herinneren? Ik probeer en ik probeer, maar nee. Ik duik in mijn hoofd en ik zie alleen dat scheerapparaat in mijn hand. En haar kale hoofd. En ik probeer nog… Plotseling schiet hem iets te binnen. Zaki :                Maar jij was daar ook. Filou schrikt. Zaki :                Ik heb je daar gezien. Jij moet iets gezien hebben. Vertel, wat heb je gezien? Heb ik Celina kaal geschoren? Of heeft ze het zelf gedaan? Zeg het! Filou maakt dat ze wegkomt. Zaki wil haar achterna lopen maar zijn pa houdt hem tegen. Zaki :                Filou! Filou! Wat heb je gezien? Zeg het mij! Filou!   KAAL Scène 4 In deze scene kan men gaan spelen met techniek. -          De drie zuilen kunnen bij de start de kleur van de kamer van Zaki zijn. Wanneer Celina aan het woord is kan een zuil  veranderen en tenslotte kan de derde zuil veranderen wanneer Filou begint te lezen. -          De berichten kunnen via projectie getoond worden. Op die manier moeten deze teksten niet uitgesproken worden. Zaki belt met zijn GSM Zaki:             Neem op, alsjeblief, neem op. De telefoon van Celina rinkelt, ze kijkt wie het is maar neemt niet op. Zaki :             Ze neemt niet op. Hij probeert nog eens. De telefoon van Celina rinkelt, ze kijkt wie het is maar neemt niet op. Celina:         Nee ik neem niet op. Laat mij gerust. Zaki:             Nee, ze neemt niet op. Een sms dan. Hij typt een bericht Zaki:             Celina, ik hoop dat je dit leest. Hij verzendt het bericht. Zaki :            Ik hoop dat ze het leest. Celina leest maar antwoordt niet. Celina:         Ik lees, maar je hebt me niets te vertellen. Zaki :            Geen antwoord. Wat moet ik nu doen? Ik heb haar nodig. Celina ik heb je hulp nodig. Celina leest. Celina:         Mijn hulp? Hij heeft mijn hulp nodig. Zelfs geen excuses, nee, meneer vraagt hulp. Dat moet ik op facebook zetten. Zaki heeft mijn hulp nodig! Nu leest Zaki. Zaki:             Via facebook? Waar iedereen kan meelezen? Ok, geeft niet. Het is een reactie. Ik ben nu blij met elke reactie. Ja, Celina, ik heb je hulp nodig. Ik weet niets meer van wat er gebeurd is. En ik heb je hulp nodig om het mij te herinneren. Ook Filou leest nu mee. Celina:         Natuurlijk weet je niets meer, je had teveel gedronken. Maar dat is geen excuus. Zaki:             Nee, dat is waar, dat is geen excuus. Maar ik wil weten wat er gebeurd is en hoe. Kan jij me dat zeggen? Celina:         Wat er gebeurd is? Je gaf me een elleboogstoot op mijn neus. Alles werd zwart voor mijn ogen en toen ik bijkwam stond je met dat scheerapparaat in je handen. Dat is er gebeurd! Filou leest nog steeds mee en praat tegen zichzelf. Filou:               Iedereen gelooft dat Zaki de dader is. Alles wijst in zijn richting. Alles is duidelijk. Zelfs Zaki denkt dat hij het deed. Denk ik dat? Hoop ik dat? Wou ik hem daarom zien? Wil ik mezelf bedriegen en geloven dat hij de dader is? Of zal zijn geheugen  terugkomen? Zaki:             Ik weet alleen nog dat je bij Robbe stond en dat vond ik niet leuk. Celina:         Dat is nog zacht uitgedrukt. Iedereen heeft je uitbarsting gezien. Zaki:             Ik wil je helemaal geen pijn doen. Celina:         Ik geloof dat die elleboogstoot niet expres was. Ik kon je bijna niet rechthouden en je bent met je zatte botten uit mijn handen geglipt. Zaki:             Zelfs die elleboogstoot weet ik niet meer. Het spijt me. Kleine pauze vooraleer Zaki verder typt. Zaki:             Heb jij Filou gezien? Celina:         Die is daarstraks hier geweest. Zaki:             Nee, ik bedoel toen het gebeurde. Celina:         Nee, waarom? Zaki:             Ze is hier ook geweest en ik herinnerde mij ineens dat zij naast jou stond. Filou leest nog altijd mee. Filou:            Alles gaat uitkomen. Als Zaki zich mij herinnert, komt alles uit. Ik heb Celina kaalgeschoren! Ik heb dat gedaan! Maar ik ben laf. Ik durf het niet luidop te zeggen.  Zo laf ben ik. Ik ben bang voor de waarheid. Celina:         Filou stond bij mij? Daar heeft ze niets van gezegd. Filou:            Ik wou je helpen. Je was bewusteloos en bleef liggen. Je bleef lang liggen. Bellen. Ik moest iemand bellen voor hulp. Dus ik zocht je GSM in je handtas en daar was het dan, het wapen! Ik greep het vast en begon als een waanzinnige te scheren. Dan zou hij je wel lelijk vinden. Kaal en lelijk. Kaal. Lelijk. Als een echo in mijn hoofd. Zaki:             Ik zie haar staan. Hoe meer ik erover nadenk, hoe duidelijker ik haar zie staan. Filou:            Nee Zaki, je ziet mij niet staan. Eerst moet je haar lelijk vinden. Dan moet je mij zien, maar je ziet alleen Celina. En je zegt ‘Celina, je haar is eraf!’ Je ziet mij niet. Nee. Ik laat het scheerapparaat vallen en ik loop weg. Zaki:             En ze liep weg. Celina:         Wil je het nu op Filou steken? Meen je dat nu? Zaki:             Nee, dat bedoel ik niet. Maar als zij daar was, kan zij ons misschien vertellen wat ze gezien heeft. Celina:         Nee Zaki. Filou was daar niet. Jij bent het monster dat mij heeft kaalgeschoren. Laat mij gewoon met rust. Nu reageren ook anderen op het facebookgesprek (we horen ze wel maar zien ze niet) Anderen:    Laat haar gerust!– Zatte aap! – Agressieveling! – Monster! Wanneer Filou de scheldwoorden leest die aan Zaki gericht zijn, schudt ze haar hoofd. Dan begint ze plots toch te typen. Filou:            Zaki heeft het niet gedaan. Zaki en Celina typen gelijktijdig. Zaki:             Niet? Celina:         Nee? Filou:            Ik heb het gedaan. Celina:         Jij? Waarom. Filou:            Ik wou dat je mij zag Zaki. Het was in een opwelling. Het was stom. Zo stom. Zaki zou nooit een haar op je hoofd krenken, Celina. Zie de ironie in dat spreekwoord. Ik dus wel. Mooie vriendin ben ik. Love you Zaki! Vaarwel XXX Filou neemt een mes en snijdt haar pols over. Ze valt op de grond. Celina gaat naar Zaki en neemt hem bij de hand. Samen gaan ze naar Filou en zien haar daar op de grond liggen. Donker. Enkel nog de zwaailampen van een ziekenwagen.

Chantal VDE
0 0

Piere en Meneer Van Sand

Pierre en Meneer Van Sand, lakenfabrikant Pierre woont in de café’s. Is van niets bang en ongelovig Op ‘t kasteeltje aan ‘t rekhof woonde Meneer Van Sand, industrieel. Vooral voor wie het boekje over de Magdalenaput, te Poperinge, nog niet gelezen heeft P. C. Baes, L Schotsmans, Mutsaertstraat, Antwerpen, 1857. Het is de basis van dit gesprek. A: Verre nicht van Magdalena, spraakzaam en rad van tong, Siska. B: Cafébaas, nieuwsgierige katholiek van de 19de eeuw, Meneer Van Sand. Locatie: bankje bij het kasteeltje van Schabaillies, Poperinge.   B: Mademoiselle, je komt hier vaker naar ‘t kapelletje, mag ik u iets vragen? A: Meneer Van Sand, zou er iets zijn dat ik U kan vertellen? B: Hm. ‘t Zijn de dronkaards niet die me veel gaan vertellen over hetgene dat ik jou wil vragen. A: Ba. Als ‘t zo zit. We zullen toch een keer moeten luisteren. Misschien. Meneer Van Sand. Ik zag al lang dat je van mij iets wil. We zijn familie in het zoveelste knoopsgat, maar.. Misschien weet U wel iets te vertellen over de verzwegen details in de geschiedenis van Tante Madeleine. B: Siska, Je weet dat de gehele familie van benauwdheid, dat ‘t allemaal zou kunnen waar gebeurd zijn, liefst daar over zwijgt. A: Wat zeg je? Ik ben die hele trunterie beu. B: Ze vertellen er toch al jaren van? ‘k Wiste het wel.. dat je geen doetje bent, maar de laatste tijd. Als ‘t begint te donkeren wordt er af en toe een visje gesmeten aan ‘n toog… allemaal trunten? A: De meeste van uw klanten zijn te paaien met een zuupje. En als z’er genoeg hebben dan gaan ze geen vliege meer kwaad doen.   B: … Mademoiselle Siska, ‘k heb altijd gedacht wie zal ik van mijn leven tegenkomen waar dat ik zou kunnen zonder treuzelen door vragen. Zet je een momentje op die bank onder het kapelletje midden in den achternoene Onze Vrouwtje zorgt dat serieuse parlé zal zijn… B: … Een door en door serieuze vraag. De weerwolf bestaat dat?   A: ‘k zal me toch even op ‘t bankje zetten. …. A: Als dat geen seriuse vraag is. B: ‘k heb het toch gezegd dat ik met een serieus ei zit.. Vandaag hadden ze ‘t in ‘t café over die weerwolf. De wijsheid was al uit de kan. Het schoolmeestertje van hoogste klas smeet de voetzoeker in de bende. “Piere”... mijn vader heeft nog in klas gehad. Hij was van niets benauwd. Polydore gooide kolen op ‘t vuur en breide verder: Hij spotte met de doodkeersjes, die lichtjes boven de pitten, .. Hij durfde de kaarsjes doodblazen aan ‘t kapelletje…. A: Ja, Meneer Van Sand ‘k ben geen pilaaarbijter maar je moet ook Onzen Here niet uitdagen B: Siska. ‘k Had het willen vragen aan ‘n schoolmeester, maar ie was al driemaal getracteerd en boven zijn theewater. Zou dat wel waar zijn het verhaal van uw tante Madeleine? A: Om eerlijk te zijn Meneer Van Sand het enige wat ze mij als klein meisje toen verteld hebben is dat Tante Madeleine half en half familie was aan U en aan ons twee.. B: Daarmee is mijn vraag niet opgelost… A: .. ‘k Zou liefst eerst mijn kaarske aansteken, Meneer Van Sand. Eventjes…. B: Mademoiselle, comme vous voulez. A: Ave Maria.   A: ‘k heb wel gezegd dat ik de hele trunterie beu ben, Meneer Van Sand. Maar er is een verschil tussen geloven in de weerwolf en de fabeltjes van Hans en Grietje, Onze Vrouwtje en de duivel. B: Ik wist het Siska dat is een verstandig vrouwmens… Vegerine, de heks van Lene durfde laatst nog zeggen als ze om mout kwamen van ons brouwsel: “Siska dat vrouwtje is verstandig genoeg om in onze confrerie te komen mee orakelen.” Dat meestertje van de hoogste klas is ook bang van de nachtbijeenkomsten van aan de Leene. Ze hebben er opnieuw een cirkel van paddestoelen gevonden en de lichten waren opnieuw de helft van de nacht aan. ‘t Zijn slimme wijven. Als ze hier mout komen halen. Ze weten wel waarom. De meester zei: “ Als ‘t over brouwsels gaat.. daar weten ze ‘t fijne van. Ze kennen het kruidenboek van Dodoens van voor naar achter kennen. En de enige die het ook in huis hebben zijn de zuster van Fauquemberghe aan de Overdam. Het is even zeldzaam of het zesde boek van Mozes. A: Meneer Van Sand, niet mouw vegen … bij congreganisten van de Paulientjes binnen de muren hebben ze me dat volkje afgeraden. Die drie heksen van de Lene die gaan met de duivel om.. B: Stop, Siska! A: Je spreekt over de duivel, zo zonder te verpinken. B: Och, God A: Meneer Van Sand. Stop.!   B: Hewel, wat is ‘t. A: STOP! Bij ons in de familie.. en dat heeft zeker te maken met Tante Madeleine was het gebruikelijk “Stop” te roepen bij dit schietgebed. Hier hoorde een aanroeping bij dat we binnen monds moesten opzeggen. "Och, Here, behoud ons van de duivel en zijn pomperijen…” B: Pomperijen? A: Ja, pomperijen. Durf jij aan de schoolmeester eens vragen wat dat zijn die pomperijen? B: Siska, ik ga dat zeker doen, als hij eens nuchter binnenkomt en er niet veel volk is… A: Wat dat allemaal te maken heeft met Tante Madeleine dat weet ik totnogtoe niet. ‘k Ben bijna zeker dat in dat verhaaltje past, maar.. Ik weet dat Piere ook in dat verhaal past, maar dat was een vieze vent. En och, God dat heb ik altijd verstaan als Piere’s vloek. Ze hebben me ook verteld dat die gebakken kop van aan de pottebakkerij dat dat de kop van Piere is… B: De pestekop? Piere was de onvervaarde. Hij durfde iedereen aan en ontmaskerde de valse spoken, de verklede dieven die door mensen bang te maken een overval konden plegen. Allemaal bijgeloof zei hij. A: En hoe heeft Tante Madeleine met die vieze vent te maken? B: Siska dat weet ik ook niet.   Twee weken later B: Siska. ‘k Was al zes keren aan ‘t kapelletje en ‘k zie je nu pas. A: ‘k Ben dikwijls hier geweest maar ‘r moet passen. ‘k ben benieuwd als je de schoolmeester zijn tong hebt kunnen pellen? B: Neen. A: God uit de hoge hemel. De pomperijen van de duivel blijven in de doos van pandora. Ik vraag aan Onze Lieve Vrouwtje als het wel goed is dat we het weten… B: Dat is wat ik heb gedaan. Ik heb zijn rechtstreekse vertegenwoordiger geconsulteerd. A: En?.. B: een duidelijke uitleg. ‘s duivels pomperijen, dat zijn aantrekkelijkheden en smoesjes waarmee de duivel de zielen in de hel trekt. Kortweg: bekoringen. A: Daar hebben ze het bij de congreganisten ook altijd over. B: Ja en Polydore die heeft me op weg geholpen om nog iets meer te begrijpen. Hij heeft in zijn boekerij het boekje van de Magdalenaput. A: Op de Ieperse kassei? Als we klein waren mochten bij die put niet komen. Magdalena dat is toch Madeleine aan de schreve. ‘t Is niet waar zeker. Ik dacht gewoon. Onze ouders waren bang dat we in het water zouden sukkelen. B: Siska. De zoektocht is een beetje opgelost. Het verhaaltije kan ik je helemaal vertellen. Maar mijn vraag blijft. A: Mag ik eerst vragen? Wat heeft die Magdalenaput te maken met Tante Madeleine? B: Heb je een momentje? Piere had een pact met de duivel. A: Hij liet zich vangen door de pomperijen van de duivel. Stomme Piere. Hij verkocht zijn ziel aan de duivel. B: Ja, Siska. In het verhaal werd hij zo’n voorname Heer dat hij met Magdalena van fabrikant Van Sande kon huwen. Dat staat in het boekje over meerdere blz. verteld. Het speelt zich af in Poperinge, een toeristisch merkwaardige stad, met een ongehoord veel winstgevende economische bedrijvigheid. Laken onder andere.. . En daar is graaf Vande Zande de ondernemer met de beeldige dochter Magdalena. Maar Piere is daar de knecht voor alle smerige werkjes. Het is Magdalena’s keppe niet. A: Tante Madeleine? B: Meneer Vande Zande is bekukkeld door de jonge heren en ook bij ‘t werkvolk zou er wel eens eentje opvallend vriendelijk doen. A: Omwille van het smeer likt de kat de kandeleer… B: Siska, ‘k hou van een vrouw die mensenkennis heeft Zo gaat het in die verhaaltjes, zei Polydore. Als je je ziel aan de duivel verkoopt dan mag je een wens doen en de duivel stelt zijn voorwaarden. A: En Piere die wenste… B:.. te huwen met de dochter van de fabriek waar hij werkte. A: Wat was de voorwaarde? B: Piere mocht alles, maar de naam "God" mocht niet meer over zijn lippen komen. En.. in zijn blijdschap op zijn huwelijksreis zittend op de “carosse” op de weg van Poperinge naar Ieper, volop in trance zei hij kei-gelukkig “och, God..” A: Ons Heere, behoud mij van de duivel en zijn pomperijen.   B: Als de laatste blz. ontbreken of als de schrijver nooit beschreven heeft wat er van Magdalena geworden is heb ik in het verhaal van Polydores boekje niet kunnen achterhalen. De wijze les uit Polydore’s boekje is duidelijk het te goed hebben omdat je je ziel aan de duivel hebt verkocht is in de carosseput verzuipen. ... A: Meneer Van Sand. Jij wilde me iets vragen. En je geeft me een antwoord op een hele boel vragen die me allang bezig houden. Wat was nu jouw vraag? B: Nu we on ziele uitverteld hebben is het voor mij gemakkelijker om de vraag te stellen. Ik begon met de weerwolf. We eindigen met je ziel verkopen aan de duivel. Kan dat? Die duivel bestaat die? Aan de schoolmeester moet ik het niet vragen? Aan de pastoor ook niet? Aan die heksen moet ik het ook niet vragen, want daar zegt men van dat ze een zalfje krijgen van de duivel. Ze wrijven zich daarmee in om door de lucht te vliegen. Waarom wou ik dat nu aan jouw vragen? A: Voor mij is het niet gemakkelijker geworden om erop te antwoorden. Tante Madeleine en “och, God” doen me al lang bidden om me te behoeden van de duivel. Maar ik heb me er niet echt van aan getrokken. Nu stel je me een vraag waarop ik moet zeggen dat mijn voorouders wel geloofden dat de duivel bestaat. En ik durf niet meer zeggen dat hij niet bestaat. B: Als café baas Van Sand weet ik dat ik liever heb dat mijn bezoekers hun engel bewaarder laten spreken dan het duiveltje op de andere schouder. Is dat dan alleen een devoot fabeltje. Waar houdt die santeboetiek op. ‘t Is geloven. Dat is misschien wel de keuze tussen kiezen voor ieder eens geluk of kiezen om voor je eigen geluk alleen. A: ‘k Zal nog een kaarsje branden. B: Saskia. Eerlijk maar ik denk toch op Tante Madeleine. En vooral behoed u voor ‘s duivels pomperijen dat je in de “carossepit” niet beland. A: Meneer Van Sand. Sprookjes zijn toch soms wel leerzaam. B: Dat was genoeg voor vandaag. Wie weet komt er nog een vertelsel waar iets uit te halen valt.              

Henricus
9 0

AMERIKA, DAT IS VER

  Mathilde (A), een dame van vrij hoge leeftijd (80) zit op een bankje. Een jonge vrouw (Laura) (B) met kindje komt aangewandeld. De dame kijkt naar het kindje in de kinderwagen. A            Maar toch, wat een schoon kindje! Hoe oud is ze? B            Dank u! Ze is net 3 maand geworden! A            En hoe heet ze? B            Jeanne, naar mijn grootmoeder! A            Dat is schoon! Uw grootmoeder zal fier zijn op haar achterkleinkind! B            Dat zou ze zeker geweest zijn maar ze is een maand voor Jeanne haar geboorte overleden. A            Oh sorry…Toch niet aan… B            Ze zeggen dat het Corona was, het is heel snel gegaan… ik …snikt A            Maar kindje toch, Het zijn al zo’n moeilijke tijden en als je dan nog iemand verliest… B            Ik heb geen afscheid mogen nemen! Ik was zwanger, het risico was te groot zeiden ze…Voor Corona ging ik minstens één keer per week naar haar. Op woensdagmiddag, dan maakte ze altijd mijn lievelingsslaatje. We aten samen en we babbelden tot een eind in de namiddag. A            Daar zal ze zeker erg van genoten hebben! Dat zijn schoon herinneringen, die kunnen ze u niet afpakken! B            Neen, dat is waar. Is het goed dat ik me even bij u zet A            Dat is zeker dat! Ik babbel ook graag! B            Ge doet me op de één of andere manier aan haar denken! Hebt gij ook kinderen? A            Ik heb één zoon maar die is op zijn 45° gestorven aan een hersentumor… B            Dat is verschrikkelijk! A            Ja, ik kan niet zeggen dat dat niet waar is…Mijne zoon, dat was mijn alles, zo een schone vent en zo lief voor zijn moeder! B            Een kind zou niet mogen sterven voor de ouders! Dat is gewoon tegen de natuur! Ik vind het heel erg voor u! Hebt ge nog contact met uw schoondochter? A            In ’t begin was er nog een warm contact met mijn schoondochter, we konden bij elkaar terecht met ons verdriet. Maar gaande weg pakte zij de draad terug op, ze kreeg een nieuwe relatie en alhoewel dat ik haar dat van harte gunde, ik heb haar dat ook dikwijls gezegd: Ge zijt nog jong, ge moogt niet alleen blijven…Toch voelde ze zich precies schuldig tegenover mij en het contact is stilaan uitgedoofd. Dat was alsof mijne zoon voor den tweede keer doodging… B            En had ge dan niemand meer om dat verdriet mee te delen? Uwe man? A            Mijne man lijdt aan jong dementie, het was al bezig als onze Robert stierf en zijn dood heeft er geen goed aan gedaan. Ik heb lang zelf voor hem kunnen zorgen maar een paar jaar geleden werd de zorg zo zwaar dat ik hem heb moeten laten opnemen… met heel veel spijt in mijn hart, want, ook al kent hij mij al lang niet meer, ik voel nog altijd dat hij mij graag ziet en ik hem. Ik ga alle dagen op bezoek, ook al maakt het voor hem geen verschil, het doet mij goed om er op die manier toch nog voor hem te zijn… B            Amaai mevrouwtje, dat is heavy allemaal… A            Zeg maar Mathilde! Ach ’t lijkt nu precies of heel mijn leven is een tranendal geweest en dat is niet zo hoor! Ik heb een schoon jeugd gehad, buiten den oorlog dan maar daar weet ik niet veel meer van. Ik kom uit een kroostrijk gezin, we waren met 8 kinderen thuis. Ik was de jongste, een achterkomerke! B            Het kakkernestje zoals ze zeggen!  Verwend door al uw broers en zussen! A            Ja echt, ik had meer dan één moederke! En mijn broers verdedigden mij met hun leven! B            Ik heb maar één broer en dat was tot enkele jaren geleden een grote pestkop! Maar nu komen we goed overeen! Nu we elk ons eigen leven hebben…hij is peter van ons Jeanneke! A            Het nadeel van de jongste te zijn is wel dat ge ze één voor één ziet gaan…Ik was ook maar 30 als mijn moeder en vader al dood waren…Ze waren dan ook al tegen de 50 als ze mij kregen… B            Dat is spijtig natuurlijk…als ik zie wat mijn moeder nu nog allemaal voor mij doet en voor ons Jeanneke…Trouwens, had uw zoon geen kinderen? A            Jaja toch wel, ene zoon! Thomas heet hij, slimme gast, heeft voor advocaat gestudeerd! B            En ziet ge die vaak? A            Zag… B            Dat meent ge niet, die is toch ook niet… A            Neenneen! Gelukkig maar! Hij is getrouwd met een heel lief vrouwtje en ze hebben sinds kort een zoontje, ja ik doe in jongens, ons Jackske! B            Waarom zegt ge dan ‘zag’? A            Omdat ze, vlak voordat ze zwanger was, naar Amerika verhuisd zijn! B            Oei, da’s ver… A            Da’s heel ver! Toen hij het kwam zeggen heb ik hem proficiat gewenst…het was, hoe zei hij het: An offer you can’t defjoes, oma! B            Refuse! Een aanbod dat hij niet kon weigeren! A            Zoiets ja, hoe gaat dat, ge zijt jong en ge wilt wat hé… avontuur…ik begrijp dat wel… maar als hij weg was heb ik me een oog uitgebleit! Mijne kleinzoon, mijn enige lichtpuntje! Naar de andere kant van de wereld! B            Ocharme! Als het mocht, zou ik u eens goed vastpakken! A            Dat zou deugd doen! Het is al lang geleden dat iemand mij heeft vastgepakt! B            En hebt ge veel contact met uw kleinzoon? A            Hij heeft voor hij vertrok voor mij een smartphone gekocht! En een internet abonnement! B            En kunt ge er goed mee overweg? A            Belange niet! Ik moet altijd de hulp van een neefje of nichtje inroepen om mij te helpen als ik wil bellen naar Amerika. En als hij belt dan krijg ik dat spel niet opgepakt! Sleuren zijn het! B            Het is niet hetzelfde als in ’t echt maar toch leuk dat ge ze regelmatig kunt zien hé! A            Natuurlijk wel! En ze stellen het daar goed! B            Waar is het ergens in Amerika? A            In Los Angeles! Altijd goed weer, ze wonen ook vlak bij de oceaan! Ze sturen veel foto’s, dat vind ik heel plezant! B            Zullen we eens een selfie van ons 2 nemen, hier op dat bankje? A            Een wat? B            Gewoon, een  foto die ik zelf maak, van ons 2! Kom een beetje dichter! A            Lachen heeft niet veel zin met dat masker hé… B            Lach toch maar, ge ziet dat aan uw ogen!           Zo, we staan er op! Precies Oma en kleindochter! Geef me uw telefoonnummer, dan zal ik de foto doorsturen! A            Oei kindje, die weet ik niet van buiten hoor! Wacht, ik heb hem hier in mijn agenda staan. 0485269547 Bliep B            Voilà, hij staat op uwe What’s app! Ge kunt direct mijn nummer ook opslaan, ge weet nooit dat ge me eens nodig hebt… A            Een nummer opslaan…hoe moet ge dat doen? B            Mag ik? A            Ja, graag! Maar ik ga hem voor alle zekerheid ook opschrijven in mijn agenda! Zeg eens… B            0496235689 A            en uw naam? God ja, ik zit hier maar over mezelf te jengelen en ik heb uw naam niet eens gevraagd! B            Laura! A            Dat is een schone naam, voor een schoon meiske! B            Zijn dat fotootjes in uw agenda? A            Ja! Lisa, het vrouwtje van onze Thomas maakt elk jaar voor mij zo een foto agenda. Wilt ge eens kijken? B            Ja graag! A            Dat is Thomas en Lisa, schoon koppeltje hé! Die waren al samen als ze nog maar 16 waren! En dat is onze kleine Jack! B            Maar toch, zo een tof ventje! Wanneer is hij geboren? A            22 april! Toen ze me dat zeiden aan de telefoon, dat er een achterkleinkindje op komst was, heb ik gebleit, tegelijk van blijdschap maar ook van verdriet! B            Dat begrijp ik! Ge wilt daar graag bijzijn hé, dat buikje zien groeien, dat kindje vastpakken… A            Ach meiske, het had allemaal zo schoon kunnen zijn… B            Hebt ge er nog niet aan gedacht om eens naar daar te gaan? A            Hoe graag ik dat ook zou doen, dat is onmogelijk…ik kan George, mijne man, hier niet voor een maand of zelfs nog geen week, achterlaten! En zo alleen naar Amerika vliegen, dat durf ik precies toch niet. B            En wanneer komen zij terug? A            Normaal gesproken was ze hier komen bevallen! Maar met die Corona konden ze daar niet weg… B            Ja, Corona…het zet alles op zijn kop hé! Maar ik geloof dat het nu wel aan het beteren is! Binnenkort zullen ze wel eens op bezoek kunnen komen! A            Dat hoop ik… Zeg maar, hebt gij geen zin om eens bij mij te komen eten, op een woensdagmiddag? Ik heb feitelijk niemand in mijn bubbel. B            Eu, ja denk ik, dat zou wel fijn zijn! A            Ik kan heel goed slaatjes maken!           

Suzette
8 0

Hoe gaat het met Lucy

Hoe gaat het met Lucy?  Twee vrienden zitten samen voor een picknick.   Gert. Lang geleden dat we dit nog gedaan hebben, hé! Karl. Ja, maanden.  Gert. Kijk, ik zet de zelfgemaakte tonijnsla, boerenworst, rauwkost en stokbrood hier tussen                  ons.   Karl. Ziet er lekker uit. Een glaasje bubbels?  Gert. Hmmm, dat smaakt, zelfs in een plastiek bekertje. Bij je favoriete wijnhandel gaan halen? Karl. Ja ja, je kent me hé, kwaliteit voor kwantiteit. Gert en Karl. Hhahhaahahha (met een dubbelzinnige ondertoon, denk aan ‘hoe vettiger hoe prettiger.) Gert. Mag ik de fles even terug? Dan draai ik er wat aluminiumfolie rond, zo blijft die fris. Karl. Heerlijke tonijnsla. Hmmmm en dat stokbrood, kraakvers. Je hebt je uitgesloofd, hé! Gert. Hmmja. Karl. Dank je. (Korte stilte) Karl. Hmm, smak, hmmm (Korte stilte) Gert. Mogen we hier wel alcohol drinken? Karl. Pffff, tja. Gert. Laat ons drinken op kwaliteit en kwantiteit! Karl en Gert. Cheers!  Gert. Zeg eens Karl, heb jij nog wat gehoord van Lucy?  Karl. Lucy? Ik heb haar al een tijd niet meer gehoord. Jij? Gert. Dat is maanden geleden! Karl. Ik heb ook geen bericht meer zien passeren van haar op sociale media. Gert. Vreemd, normaal gezien post zij wel zeker elke dag iets. Karl. Ook in de WhatsApp groep is het even geleden. Niet? Gert. Karl! Kom met je hoofd iets dichter dan maak ik een selfie van ons en gooi ik die in de groep. Karl. Strak plan. Ligt mijn haar goed? Gert. Ik doe er een filtertje over, en nee Karl, je gaat ze nu niet eindeloos bestuderen.  Karl. Alsof ik zo ijdel ben. Gert. Ach, zolang je bij mij maar niet te veel met jezelf te koop loopt. Karl. Toch blijft het vreemd dat we haar niet meer gehoord hebben. Gert. Voor zo een babbelkous is dat inderdaad niet normaal! (Korte stilte) Gert. Gaan we wandelen? Karl. Goed. Zet je mondmasker op! Gert. Ja ja (beteuterd). Zag je die jogger?  Karl. Ja hoor, zag jouw kijken! Echt niet mijn type! Karl. Laat ons onze beentjes strekken.  

filip sebreghts
9 0

Merci duifje.

Bankje in het park.   Merci duifje.                nine van haute   Geluid: We horen een doffe klop. Stem 1:         Aaauuw!  (Gekreun en gekerm) Wat is me dat? Stem 2:         Wat is ’t  makker, pijn gedaan? Stem 1:         ‘ t Zal nog niet. ’ t Zat eraan te komen, maar zo erg had ik het niet verwacht. Stem 2:         Is me ook overkomen, maar ik kwam gelukkig van level 1. Ik lig hier al een tijdje. Stem 1:         Ik van level 5, en dat is een stuk hoger. Stem 2:         Dat scheelt in de vaart. En het neerkomen, hier op de bank, was voor mij ook milder, vier verdiepingen verschil. Stem 1:         De bladeren hadden ons ingefluisterd dat de landing zou meevallen, toch? Stem 2:         Ja, ge ziet wel. Stem 1:         Stom dat die van de gemeente deze bank juist onder onze boom hebben geplaatst. Stem 2:         (denigrerend) De mannekes van de gemeente hé. Stem 1:         En wat nu? Stem 2:         Weet ik veel, afwachten. Stem 1:         Ik hoop dat ik niet onder de billen van die dikke madam terecht kom. Stem 2:         Dikke madam? Welke dikke madam? Stem 1:         Wel die madam die hier op deze bank altijd haar ijsje komt opsmullen. Stem 2:         Ah, de die, die met dat klein hondje. Stem 1:         Ja, ik zou niet verbrijzeld willen worden. Stem 2:         Uw bolster zit er nog aan. Zet uw stekels uit. Die madam springt wel recht als ge in haar billen prikt. Stem 1:         Hopelijk. Stem 2:         Ik sta er slechter voor. Ik lig hier in mijne pure. Stem 1:         Kans dat ge op de grond rolt tijdens een windvlaag. Stem 2:         Ik denk niet dat ik dan zal wegrollen. Stem 1:         Waarom niet? Stem 2:         Eerlijk gezegd, ik had veel geluk toen ik landde. Het was super zacht. Stem 1:         Oh ja? Stem 2:         Ik ben terecht gekomen in een serieus duivenkakje. En ik plak vast. Stem 1:         Beikes, gelukkig dat ge geen neus hebt. Stem 2:         Voor vandaag moeten we ons geen zorgen maken, het gaat heel de dag miezeren, dus geen madam die een ijsje komt eten. Stem 1:         Over dat klein hondje gesproken, is me dat een nijdig ding. Stem 2:         Nijdig? Stem 1:         Ge moest eens horen hoe hij keft. En die tanden, ze zijn scherper dan mijn stekels. Ik mag er gewoon niet aan denken. Stem 2:         Keffers eten geen wilde kastanjes. Stem 1:         Nee? Stem 2:         Nee, natuurlijk niet, wij zijn niet eetbaar voor honden. Honden eten niets dat ongezond voor hen is. Stem 1:         Hoe weet gij dat allemaal? Stem 2:         Voordeel van level 1, al die gesprekken op deze bank…, ik kon ze allemaal horen. Stem 1:         Gij hebt een boeiend leven gehad. Veel wijsheid vergaard. Stem 2:         Gij niet? Stem 1:         Bwa, ik wist niet beter. Ik had een heel mooi uitzicht daar boven in de kruin. Ik genoot van het gezang van de vogels en zag hoe de eekhoorns van boom tot boom vlogen. Ik amuseerde me wel. Stem 2:         Had inderdaad ook zijn charmes. Stem 1:         Ik was toch liever op Pachamama terecht gekomen. Stem 2:         Op moeder aarde bedoelt ge? Stem 1:         Ja, dan had ik mijn werk kunnen afmaken. Stem 2:         U voortplanten? Stem 1:         Ja, dat is toch het uiteindelijke doel van elke vrucht.(dromend) Ik wil een kolossale mooie wilde kastanjeboom worden. Een boom waar iedereen naar opkijkt, een die wel honderd jaar oud wordt. Stel je voor. Stem 2:         De kans is klein. Stem 1:         We mogen toch dromen, toch? Stem 2:         Natuurlijk, maar we moeten eerlijk zijn. Ons lot wordt bepaald door zoveel andere dingen. Stem 1:         Welke andere dingen? Stem 2:         We worden misschien opgekeerd, samen  met de bladeren en belanden dan in het karretje van de groendienst.     Stem 1:         Ik wil er niet aan denken. Stem 2:         Ik ook niet, maar ik ben realist. Gij zijt een dromer. Stem 1:         Ge maakt me nerveus. (stilte) Zwijg eens even, wat hoor ik daar? (geluid: we horen in de verte schoolkinderen aankomen) Stem 2:         Kinderen, het zijn kinderen. Kijk ze komen naar hier. Stem 1:         Schoolkinderen, ze hebben allemaal een plastiekzakje bij. Dat ziet er niet goed uit. Stem 2:         Inderdaad, dat belooft. Ze rapen van alles op… bladeren, eikels, beukennootjes. Stem 1:         De juf geeft commentaar. Stem 2:         (bang)  Denkt  gij dat…wij…??? Stem 1:         Ik weet niet. Ik ben bang. Ik wil niet in zo’ n zak verdwijnen. Stem 2:         Ik ook niet. Stem 1:         Ze komen op ons af.(geluid: kinderen komen dichter) (bang) Oei, dat meisje daar, ze komt naar mij. Ik denk dat het ermee gedaan is. Stem 2:         Houd u taai makker. ’ t Was fijn u hier, op deze bank, te ontmoeten. Stem 1:         Oei, Oeijejoei. (geluid: We horen een plastiekzakje ritselen) (schreeuwt bang) Nee, niet doen, ik wil niet. (stem sterft uit, de kastanje valt in de zak) Ik…nee, nee!!!…  Stem 2:        (berustend) Vaarwel makker. En nu is ’ t aan mij zeker. (lange stilte) (geluid: kinderen stappen weer verder) Oef, ik ben er aan ontsnapt. Merci duifje, goed gedaan…, kinderen hebben gelukkig wel een neusje.   Einde   PS: (geluid schoolkinderen kan je o.a. vinden op YouTube)  

nine van haute
2 0

Die ene

Hoi! ik ben… Ach, ik ga je niet eens vertellen hoe ik heet. Want we weten allemaal wat er gaat gebeuren zodra ik dat heb gedaan. Jullie glimlachen vriendelijk en knikken een keer jullie hoofd. Vervolgens doe ik mijn zegje, jullie geven mij een applaus. Daarna glimlach ik, op mijn beurt, vriendelijk en knik een keer mijn hoofd. Tot slot loop ik hier weg en zijn jullie allemaal vergeten wie ik ben. Dan praten jullie straks na en hebben jullie het over die ene vrouw. Hoe heette ze nou toch, het ligt op het puntje van mijn tong. Maar dat ligt het niet, Truus, en je weet het. Je probeert gewoon net te doen alsof je kortetermijngeheugen nog net zo goed is als 10 jaar geleden, ondanks wat de dokters zeggen. Dus ik ga het jullie makkelijk maken. Ik ben die vrouw met dat korte haar. Ik ben die vrouw met de rode lippen, omdat haar lippen anders blauw zijn van de kou. Ik ben die vrouw die dikke klodders mascara op haar wimpers heeft gesodemieterd, omdat ze de mascara van haar moeder moest lenen. Omdat haar eigen make-up al 3 jaar op is en ze al 3 jaar lang te lui is om naar de winkel te gaan. Ik ben die vrouw, die vanmorgen dacht; wat zou ik eens gaan aantrekken? En het enige wat er in haar briljantje, modebewuste hoofd opkwam was een witte blouse met bretels. Want blijkbaar heeft die vrouw niet de innerlijke prinses in haarzelf gevonden maar de werkende man uit 1950. Ik ben… Ik ben… Ik ben…. Niemand... En iemand. Een van de miljarden. Dus ik ga jullie de moeite besparen. Klap in je handen, glimlach vriendelijk en knik een keer met je hoofd. Dan doe ik dat ook.    

Anne Bouma
18 0

Grijs

Wat moet ik hem zeggen?Lachen? Huilen?, ik hoor het u denken.Eerlijk gezegd… Ik heb geen flauw idee. Het is in elke geval niet zwart- wit. Dat is het nooit.  Wie overwint, de dood op het leven? Of is het net omgekeerd?Over dat laatste heb ik de afgelopen tijd meer gefilosofeerd dan me lief is.Dood. Leven. Leven. Dood.In het ziekenhuis wist niemand het antwoord. De verpleegsters ontweken mij. En wanneer ze dan toch oogcontact maakten, kreeg ik enkel die blik. Die blik, die blik die ik nu ook in uw ogen kan gewaarworden. Medelijden.Bezorgdheid.Die blik wanneer je een aangereden kat ziet creperen op straat.Je zet je wagen aan de kant, je stapt uit en loopt naar het dier toe.Het kijkt je aan vanuit de donkere plas bloed waarin het zijn doodstrijd voert.De laatste aanblik die het dier zal krijgen. Ocharme, arm beestje, kon ik maar iets doen om te helpen….Terwijl jij de reden bent waarom het dier zijn doodstrijd voert.(stilte)Eigenlijk, als ik heel eerlijk mag zijn, eh.Wat u denkt. Of zegt. Het kan me geen zak schelen.Trouwens, ik heb momenteel wel andere dingen aan mijn hoofd dan me bezig te houden met wat u denkt.Ik heb nu iemand om voor te zorgen.Volledig afhankelijk van mijn zorgen.Ten dode opgeschreven zonder mijn toedoen..Een kleine jongen.Boris.Die naam hadden we enkele maanden geleden gezien, op de omslag van één of andere roman.We hadden in elkanders richting gekeken en uit haar glimlach had ik kunnen afleiden dat we hetzelfde dachten.We waren dan ook zo gelukkig toen de dokter ons het geslacht vertelde. Een klein jongetje.Diezelfde dag nog was ik naar de winkel gehold om enkele potten blauwe verf te kopen.De volgende dag was de babykamer al volledig geschilderd.Met een dikke verfborstel had ik kleine witte wolkjes geschilderd.Vier maanden voor de geboorte stond alles al klaar.Het wiegje, de babytafel, het nachtlichtje, enkele knuffels…Het klinkt stom, maar toen zij die avond mijn hand vast nam en haar hoofd op mijn schouder vleide…In die kamer. Met witte wolkjes om ons heen…Ik kan me niet herinneren dat ik ooit gelukkiger was.Daar in die kamer, met haar, met hem. Geluk.(stilte)In de volgende maanden hadden we alles gedaan om ons voor te bereiden.We leerden hoe je de ademhaling kon gebruiken om de bevalling aangenamer te maken.Hoe je in en uit diende te ademen op het ritme van de weeën.Op welke manieren je de pijn kon verzachten.Als dat al mogelijk was.We hadden ons op alles voorbereid. Of toch op bijna alles.(stilte)Elke dag weerklonk Mozart, Beethoven, Wagner of een andere componist, door ons kleine appartementje.We hadden ons laten wijsmaken dat het de ongeboren baby ten goede zou komen.Het zou bevorderlijk zijn voor zijn ontwikkeling, om te luisteren naar klassieke muziek.Eigenlijk waren we niet zeker of het wel zou werken.Maar aan de andere kant waren we te bang om het risico te lopen ongelijk te hebben.Je weet maar nooit.Kunt u zich nog iets herinneren van die periode?Uw prenatale periode?Ik ook niet.Haar buik werd elke dag boller en boller.Wanneer we in de zetel zaten en televisie keken, nam ze plots mijn hand en legde hem op haar buik.Ik voelde hem.Het is moeilijk om te beschrijven wat er dan allemaal door je heen gaat.Dit was de eerste ontmoeting met mijn toekomstige zoon.De eerste aanraking.Ons eerste moment samen.(stilte)Ik kan me nog perfect herinneren waar ik was toen ze mij belde.Ik zat op mijn werk, had net de knop ingedrukt op de koffiemachine, toen mijn gsm ging.Schat, het is het zover.Het duurde even voor deze woorden volledig tot me doordrongen.Ik nam mijn jas van mijn stoel en liep naar buiten.Van de weg naar het ziekenhuis kan ik me niets meer herinneren.Alles ging zo snel.Toen ik aankwam lag ze reeds met haar benen in de beugels, badend in het zweet.Het was duidelijk dat ze pijn had maar ze kon alsnog een glimlach tevoorschijn toen toen ze mij zag.(stilte)Ik kuste haar voorhoofd en nam haar hand in de mijne.Ze kneep hard.Zweetdruppels rolden van haar voorhoofd naar het topje van haar neus.De dokter en de vroedvrouw waren druk in de weer aan de andere kant van het groene doek.Ik hield mijn voorhoofd tegen het hare en probeerde haar te ondersteunen.Zonder succes.Van de lessen ademhaling kon ik me plots niets meer herinneren. Een black-out.Ze schreeuwde en kneep steeds harder in mijn hand.Meneer, zou u even buiten op de gang willen wachten?Natuurlijk niet. Ik wou hier blijven, we zouden samen bevallen. Zo hadden we het afgesproken.Meneer, u moet ons even ruimte geven.Haar hand kneep steeds harder.Ik voelde hoe een verpleegster mijn hand losmaakte en subtiel mijn schouder vast nam.Meneer, ga alstublieft naar de gang. Voor de gezondheid van uw vrouw. Van uw zoon.(stilte)Had ik nog iets kunnen doen?Ja.Ik had haar kunnen vertellen dat alles goed zou komen.Dat ik haar graag zag.Dat ik er voor haar zou zijn.Ik had zoveel kunnen zeggen.Maar ik zweeg en verliet de operatieruimte.(stilte)De daarop volgende uren waren de langste van mijn leven.Het was een komen en gaan van verpleegsters, dokters. Niemand kon mij iets vertellen over mijn vrouw, over mijn kind.Ik was alleen. In een witte gang, met mijn ogen gericht op de dubbele deur.Enkele ogenblikken geleden had ik haar nog horen schreeuwen.Nu was het stil.Ik dacht dat ze haar hadden verdoofd. Dat ze zou slapen en dat even later onze zoon aan haar zijde zou liggen.Dat ze weer wakker zou worden. (stilte)Ik bleef wachten.Meneer, ik weet niet hou ik u dit moet vertellen.Er waren complicaties, uw vrouw heeft het niet gered. We hebben alles gedaan dat we…Het werd zwart voor mijn ogen. Ik voelde mij steeds zwaarder worden.(stilte)Even later werd ik wakker.Ik openden mijn ogen en staarde naar het witte plafond.Was dit echt?Was ik wakker?Ik hoorde zachtjes gehuil en draaide mijn hoofd opzij.Daar lag hij.Boris.Mijn kersverse zoon.Ik durfde bijna niet te kijken.Ik voelde mij schuldig, omdat ik hem kon aankijken zonder te denken dat hij mijn vrouw had vermoord.Maar ik moest wel, ik was immers papa geworden.Boris hing vast aan mij en ik aan hem.Een onzichtbare navelstreng.Dezelfde navelstreng die mijn vrouw had gewurgd.(stilte)Gecondoleerd.Proficiat.Niemand in mijn omgeving wist hoe ze mij best konden aanspreken.Enkel die blik, die hadden ze allemaal. Die blik waarover ik u eerder al vertelde.Het kraambed van mijn vrouw was haar sterfbed geworden.De dood had leven gebracht.Of had het leven de dood meegebracht?Heb ik het recht om blij te zijn?Heb ik het recht om te rouwen met een pasgeborene in mijn armen?Waarschijnlijk ligt de waarheid ergens in het midden.Niet gelukkig. Niet ongelukkig.Eerder gevoelloos.Het leven is nooit zwart-wit.De vraag is hoe ga je om met de grijswaarden?

Jensvd
2 1

Hedde tal gehoord?

Patje zit aan den toog van café ‘De Pelikaan’ en is in gesprek met Debby de cafébazin. P.:  ‘Hedde tal gehoord?’ D.:  ‘Wa?’ P.: ‘Verleden dinsdag zat ik bij Simonneke op café. Ineens stormt daar een grote rat de frituur van dikke Guy langs achter buiten recht het café binnen. Da was daar een gekweek en een gedoe. Een geroep en een getier. Simmoneke die wier zot. De Laenen zat er me nen borstel achteraan.’ D.: ‘En? Speelde dieje het kleer?’ P.: ‘Neen, tuurlijk nie. Ge meugt gerust zen. Aloïs begon al lelijk te doen. Die zijn keers was bijna uit. Tripel van Westmalle die kunnen daar nie tegen.’ D.: ‘Zuiver voor de commerce. Ik weet ikke  ook wel da’s in café ‘De Volksvriend” worden opgedaan. Zuiver voor de commerce.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Da’s iet aarig ze, een rat. Goe zat allemaal. De Laenen is van z’n kruk gevallen. Da was t’een en t’ander. Gusje zat Simonneke te plagen. Die zei “Aa gezaag zal sebiet wel gedaan zijn zeker?” D.: ‘Groot gelijk. Simonneke hee meestal groot gelijk.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Goei bazin!’ D.: ‘Vleeje week hee die nog gebeld. Het vat was af. Ze vroeg of we konnen ruilen. Nen de Koninck veur nen Golding Campina. Ik zei nog: “Rolt er nie mee of ge ga wa voorhebben, hé.” Dieje loempe van de vakbond van z’n kloten maken. Veul te zwaar. P.: ‘Allez! Op ne werkdag lopen ze al met een vat van teen café naar tander, oep ne werkdag. Den dag van heden mag da dallemaal zeker?’ P.: ‘Hedde tal gehoord?’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘De Léon is bekan me visbak enal de vort ingeduikelt. Voorover, recht erin, bekan.’ D.: ‘Da maakte mij nie wijs.’ P.: ‘Dieje kan nie vissen met den haak. Nen dikke meerval, genne snoek. Verkeerd aas. Hoe loemp kunde na zen?’ D.: ‘Tja, dieje kan nie vissen.’ P.: ‘De miserie van een ander, daar zen we nie mee gediend.’ P.: ‘Iet anders.’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘Café ‘Arizona’ was gisteren om drei uur nog open. Dikke corona-boet.’ D.: ‘Echt?’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Hedde tal gehoord?’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘Karel hee nen nieve caravan. As Linda het kraantje in da keukentje openzette begon toilet te loepen. Da darmpke zat verkeerd. Iet later stond de schuif onder de poempbak, met bestek, ge wet wel, helemaal vol water. Linda vloeken. Vloeken da die dee zei Karel. Hij heet er al veel zever meegehad. Karel moet na wel naar de keuring want dieje nieve weegt meer dan zeuven honderd kilogram. Karel en Linda hemme chance gehad da ze in Hühnerscheid genne regen hemme gehad. Da’s Luxemburg nie ver van Bastogne. Ullie Kelly had greppeltjes gegraven. Hoe loemp kunde na zen? Veurige keer hadden ze regenweer. Niks dan modder. Klote weer en problemen met gasvuur. Een steekvlam van zeker drei meter.’ D.: ‘Allez.’ P.: ‘Da darmpke zat verkeerd. Bekan heel de voortent weg. Da’s nylon hé, da zeil. Karel had nog nooit zoveul sigaretten meegebracht. Die camions konnen allemaal aan de kant. Met ne caravan konde gewoon door. Karel zei wel dat de Opel Zafira wa aant verslijten is. Linda zei dat geld op is.’ D.: ‘Allez.’ P.: ‘ Ge meugt gerust zen.’ D.: ‘Ik hem horen zeggen dat die van de Flor tegen haar kippen prat?’ P.: ‘Och, serieus.’ D.: ‘Die is zo zot as een mus.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen.’  

Hubert Grimmelt
7 1

Project Me

Project Me Een toneelstuk over een rotpuber, Facebook en Sponge Bob   Korte inhoud   2 Decor  2 Overzicht scènes  3 Acteurs  4 Personages  4 Vooraf 5 Mama, mag ik 6 Wel wat mensen 13 Kwestie van dat interview 24 Dag meneer de burgemeester 33 Inbunkering en desoriëntatie 42 Frank  44 Waar is dat feestje 49 Waar is Sylke? 52       Korte inhoud Een toneelstuk over een rotpuber, Facebook en Sponge Bob in zeven scènes en een half. In september 2012 maakt een vijftienjarig meisje uit Haren een Facebookevenement aan voor haar verjaardagsfeest. In mum van tijd zeilt het verder op Facebook onder de vlag Project X, een film die verhaalt hoe de ouderlijke woning wordt getrasht door een massa tieners die uit zijn op een stevig feestje. Deze fictieve nachtmerrie werd bitter reëel voor het jarige meisje en haar omgeving. Haar Facebookevenement werd gehackt om er de utopie van het feest der feesten te beleven: Project X. Dit toneelstuk heeft de feitelijke gebeurtenissen in Haren 2012 als uitgangspunt, maar integreert ook de drijfveer van de personages in de film: verlangen naar populariteit. Zet daartegenover ouders die hopeloos trappelen om de snel veranderende tijden bij te benen en je krijgt Project Me: het relaas van een opgroeiende tiener en zoekende ouders in een tijd waarin niets nog zeker lijkt. Decor Het fictieve dorpje Zelegem Het stuk speelt zich nagenoeg volledig af in de woonkamer van de familie Van Pael. Sommige gesprekken vinden plaats aan de voordeur, of in de hal die grenst aan de woonkamer. Door de ramen zien we de omgeving van het huis.  In de woonkamer kan een breedbeeldscherm aanwezig zijn waarop zichtbaar kan worden gecomputerd. Aan de andere kant staat eventueel een open keuken. Scène 6 is een monoloog van Sylke die zich afspeelt in een soortement voetbalkantine.       Overzicht scènes                                                     1.     Mama, mag ik Sylke en haar beste vriendin Meredith fantaseren over jongens. Meredith gaat naar een feestje, Sylke moet daarvoor wachten tot ze zestien is. Na een conflict over hoe weinig ze mag, besluiten haar ouders haar een sweet-16-feestje te gunnen. 2.     Wel wat mensen Het aantals genodigden voor Sylkes verjaardagsfeestje is uit de hand gelopen. Sylke wil de organisatie van het feest uitdenken, maar haar ouders willen het feest afblazen wegens de risico’s die een grote massa jongeren met zich meebrengt. 3.     Kwestie van dat interview Sylkes moeder wil de media gebruiken om de jongeren te ontraden naar het feest te komen. Hierdoor wakkert ze de belangstelling enkel aan. De media-aandacht groeit. 4.     Dag meneer de burgemeester De burgemeester bezoekt het gezin Van Pael om zijn beleid in deze materie te staven. Een social-media-expert levert de ware toedracht van het Facebookfeest. 5.     Inbunkering en desoriëntatie Op de avond van het feest zelf maakt iedereen zich klaar. Sylke en haar moeder, Celien, zouden familie bezoeken. Vader Paul is van dienst als brandweerman. Frank Buurman Frank komt vragen waar het feestje is. Wanneer Celien wil vertrekken, blijkt Sylke spoorloos. 6.     Waar is dat feestje Sylke staat te midden van mensen die ze niet goed kent in een voetbalkantine. Het is haar verjaardag, maar ze is in de steek gelaten door haar vrienden. Ze voelt zich niet op haar gemak. 7.     Waar is Sylke In het ouderlijk huis wachten Paul en Celien op hun dochter die uiteindelijk vermoeid binnenwandelt. Na een fikse uitbrander en een geslaagde verzoening, belt Mathijs aan. Sylke mag met hem gaan bowlen.     Acteurs Er zijn minimum 5 acteurs nodig: 3 actrices en 2 acteurs. Er zijn in totaal 11 rollen. De vijftienjarige Sylke en haar ouders zijn persistent aanwezig. Daarnaast kan een man, bij voorkeur een iets oudere, de rollen van de burgemeester, Frank, Mathijs (een jonge gast die niet noodzakelijk zichtbaar hoeft te zijn) en reporter 2 opnemen. Een vrouw, bij voorkeur iets jonger, kan de rollen van Meredith, Esmé, Reporter 1 en cameraman opnemen. Personages Sylke, vijftienjarige puber         Vijftien, net geen zestien, verliefd op Mathijs. Haar ouders zijn voor haar obstructies in de weg naar volwassenheid. Ze hebben nooit hoog gemikt, hebben nooit voluit geleefd, zijn niet bepaald mee met de snelveranderende tijd en hebben daarom afgedaan als voorbeeld in Sylkes leven. Terwijl de hormonen door haar lijf gieren, wil ze niets anders dan de wereld tonen dat ze klaar is voor volwassenheid. Paul, vader van Sylke: brandweerman, gelooft in een strenge opvoeding, maar de boog moet ook niet altijd gespannen staan, er mag al eens gelachen worden Celien, moeder van Sylke: secretariaatsmedewerkster, wisselvallig in haar betrokkenheid, dat ligt mogelijk aan haar wereldvreemdheid die haar onhandig maakt. Meredith, vriendin van Sylke : zelfbewuste, coole tiener die door haar puberteit lijkt te walsen, charmant en aanwezig Ronald Van Dingenen, burgemeester: burgemeester van de oude stempel vol goede bedoelingen: hij wil dicht bij de mensen staan, maar dit lukt hem niet zo goed, onderschat de complexiteit van de moderne tijd Esmé Tallouis, social media expert: onbetrouwbare hipster, wiens hart ligt bij het ding, niet bij de mens Frank, de buurman: vereenzaamde, oude rocker die mogelijk wat hersenschade heeft opgelopen in zijn wilde jaren Mathijs, alias Sponge Bob: toffe, jonge gast, geliefd om zijn mopjes Reporter 1: overijverige reporter voor de regionale tv Reporter 2: lyrische reporter voor de meerwaardezoeker Cameraman: extra     0.    Vooraf Gelieve uw gsm-toestellen voor deze voorstelling niet uit te schakelen. Blijf gerust en de gehele voorstelling lang verbonden met het globale netwerk van interconnectiviteit. Gelieve eenvoudigweg recht te staan wanneer u een telefoontje krijgt zodat wij onze aandacht gemakkelijker kunnen verdelen tussen u en de acteurs. U hoeft zich niet te schamen. In deze ruimte bestaat geen privacy.     1.    Mama, mag ik Sylke en Meredith hangen uitgezakt in de sofa te konkelfoezen terwijl moeder Celien het eten bereidt. Meredith:           Ik denk… Sponge Bob! Sylke:                    Wat? Da’s gemeen! Meredith:           Echt. Daar lijkt hij op. Hij heeft ook zo van die vierkantige beenderen vanonder aan zijn kin. (wanneer ze Sylkes teleurstelling ziet) Definitely Sponge Bob. Sylke:                    Oké, dan is die van u… Meredith:           Ja? Sylke:                    Gargamel. Meredith:           Nee! Sponge Bob is nog lief! Sylke:                    Gargamel ook. Meredith:           (om te lachen) Niet tegen smurfen en ik ben dol op smurfen. Je breekt mijn hart! Sylke:                    Nee! Gargamel is schattig! Meredith:           Niet zo schattig als Sponge Bob! Sylke:                    Da’s waar, maar Gargamel is sexy! Meredith:           You think? You crazy! Sylke:                    (serieus) Hij heeft echt wel iets. Meredith:           Ja, hé? Geef mij maar Gargamel! Sylke:                    Amai! Ik liever Sponge Bob, hoor! Meredith:           Ga je straks echt niet mee naar Fien? Please? Sylke:                    Mere, het is nu niet bepaald dat ik niet wil. Meredith:           Komaan, Sylke. Je kan het toch nog eens proberen vragen? Sylke:                   Nog ‘ns? Meredith:           Ik denk dat Sponge Bob komt. Sylke:                    Mama? Mama, mag ik straks mee naar een feestje bij Fien? Celien:                 Nee. Sylke:                    Zie je wel? Meredith:           Da’s zo zielig! Ik zou doodgaan! Celien:                 Van hoe laat tot hoe laat? Sylke:                   (controleert bij Meredith) Van acht uur tot … tien uur? Het hoeft niet lang te zijn, hoor! Celien:                 Nee, Sylke. Sorry. Sylke:                    Waarom niet? lien:                       Feestjes mogen vanaf je zestien. Sylke:                    Maar ik verjaar volgende maand!                                                           Celien:                 Dan mag je volgende maand naar een feestje! Sylke:                    Maar iedereen gaat! Celien:                 Niet zagen! Niet iedereen heeft het genoegen onze dochter te zijn. Sylke:                    Hopeloos. Meredith:           Maar mevrouw Van Pael, Sylke is echt de enige van de klas die niet mag van thuis. Mensen denken dat zij een probleem heeft. Sylke straft deze poging af met een tik op Merediths billen. Celien:                 Hoe lang ga jij al naar feestjes? Meredith:           Al twee jaar of zo. Van mijn dertien en een half, denk ik. Celien:                  En rook jij? Sylke en Meredith giechelen omwille van de absurde logica. Meredith:           Echt niet zeggen aan mijn ouders, mevrouw Van Pael! Celien:                  Als je belooft om in het vervolg Celien te zeggen. Meredith:           Oké, Celien. Sylke:                    Ei, da’s raar!   De deur gaat open. Paul, de vader van Sylke, komt binnen.   Paul:                      Hallo, hallo! Dag Meredith, wat een plezier om jou nog eens te zien. Meredith:           Dag Paul! Ze krijgt nog een billenklets van Sylke omwille van de vreemde familiariteit. Paul:                     Waaraan danken wij de eer? Meredith:           Het is straks feestje bij Fien en van hieruit is dat maar om de hoek. Paul:                     Blijf je hier dan ook slapen? Meredith:           Nee. Ik blijf daar. Of ik ga naar huis met de fiets. Ik weet het nog niet. Meneer Van… Paul! Paul, mag Sylke nu niet eens mee naar een feestje van Fien? Paul:                     Waarom zou ik ja zeggen als je het al aan Celien gevraagd hebt? Meredith:           Goede vraag, meneer van Pael! Daar had ik nog niet over nagedacht. Celien:                 Aan tafel! Meredith:           Dank jullie wel dat ik met jullie mag mee-eten. Celien:                                 Geen probleem, Meredith. We hebben nog zo graag dat je komt. En voor Sylke is dat ook plezant. Meredith:           Tijdens de paasvakantie zouden wij een week naar Zuid-Frankrijk kunnen gaan. Paul:                     Leuk. Welke streek? Meredith.           Dat weet ik niet. Mijn neef heeft er een boerderij. Celien:                 Heb jij een neef in Zuid-Frankrijk? Meredith:           Ja. Philippe. Hij is getrouwd met Tess. Ze hebben een boerderij en ik ga helpen. Paul:                     Dat is knap. Ik had zo meteen nog geen boerin in jou gezien. Meredith:           Ik kan zelfs boter maken. Helemaal op mijn eentje. Celien:                                 Da’s mooi. Dat moet je maar eens tonen aan ons. Wat heb je daarvoor nodig? Meredith:           Melk. Celien:                  Oh, dat koop ik zo in de supermarkt, als je wil! Sylke:                    Mama, Meredith wil iets zeggen. Celien:                  Ah, ja? Ik luister. Meredith:           Dus… Philippe en Tess hebben ons uitgenodigd om een week helemaal alleen de boerderij te runnen. Dan kunnen zij ook eens op vakantie.  Paul:                      Klinkt leuk. Sylke:                    Papa! Mag het? Paul:                      Wat? Sylke:                    Met Meredith naar Zuid-Frankrijk? Paul:                      Waar heb jij het over? Sylke:                    Dat heeft Meredith toch gezegd?           Paul:                      Wat dan? Sylke:                    Philippe en Tess hebben ons uitgenodigd op de boerderij. Paul:                      Celien, ken jij een Philippe of een Tess? Celien:                  Nee. Paul:                                     Zeg dan maar tegen Philippe en Tess dat het heel vriendelijk is van hen, maar dat wij al andere vakantieplannen hebben. We gaan deze zomer naar Noorwegen. Sylke:                    Ze hebben míj gevraagd. Niet jou of mama. Meredith en mij. Paul:                      Jullie twee? Sylke:                    En Kylie en Annick. Annick is er 21 en Kylie kan koeien melken. Celien:                  Het zal wel hard werken zijn, zo’n boerderij gerund door vier kiekens! Sylke:                    Mama! Mag het? Celien:                  We zullen erover nadenken. Sylke:                   Dan ben ik al een maand zestien. In de paasvakantie. Paul:                      Wie gaat er mee van begeleiding, Meredith? Jouw ouders? Meredith:           Die blijven thuis. Paul:                      Dan is er geen sprake van. Sylke:                    Zelfs Kylie mag van haar ouders! Paul:                                     Je mag nog niet naar feestjes, Sylke. Waarom zouden we jou dan alleen op reis laten gaan?  Sylke:                   Wij gaan niet op reis. Wij gaan daar werken! Anders kunnen Tess en Philippe niet met vakantie. Celien:                  Arme schapen! (lacht om haar eigen mop)                                 Hebben ze schapen? Sylke:                    Willen jullie er minstens over nadenken? Celien:                  Natuurlijk denken we erover na, liefje. Paul:                      Tuurlijk! (stilte) Merediths gsm gaat af. Ze heeft een opvallende gsm in een vouwtasje met vrolijk bengelende prullaria eraan. Meredith:           Sorry. Deze moet ik gewoon eventjes nemen. Het is Kylie! Ze loopt naar de hal, van waaruit we het gesprek kunnen volgen. Hallo Kylie? Mag je mee? Ja? Aaah! Jouw ouders zijn de max! Het wordt zoooo graaf! Stel je voor: een week zonder ouders! Ik zit bij Sylke. Wat dacht je nu? Tuurlijk niet! Ik vind het echt zo erg voor haar. Ik snap het ook niet. Dat zou wat anders zijn! Maar onder ons drieën wordt het evengoed de max!                                 (enthousiast gekrijs, dan stilte) Sylke:                    Ik mag nooit niks! Paul:                      Nooit íets, Sylke. Je mag nooit íets.                                 Je klinkt als een peuter als je zo spreekt. Sylke:                    En dan? Meredith:           (nog steeds in de hal) Kom je straks naar Fien?                                 Jeej! Dan kunnen we plannen maken! Celien:                  Sylke, meisje… Sylke:                   Ik word zestien en ik mag niks! Ik vraag toch niet om twee weken te gaan feesten op Sunny Beach? Ik wil mensen helpen op een boerderij.                                                Ik mag nooit iets. Celien:                 Nee, dat is ook niet waar. Meredith:           (op de achtergrond) Partyyy! (lachsalvo) Celien:                  Hoe ouder je wordt, hoe meer kansen je krijgt, maar je zal… Sylke:                    Nog eventjes moeten wachten? Ik wacht al heel mijn leven! Paul:                      Dan wacht je nog maar wat langer. Meredith:           (komt weer binnen) Stoor ik? Paul:                                     Kom gerust binnen, Meredith. Ik hoop dat we dan rustig kunnen verder eten. (stilte) Sylke:                   Jullie zijn mijn ouders. Jullie zouden mij beetje bij beetje moeten vertrouwd maken met vrijheid en verantwoordelijkheid, maar jullie zijn verkrampt omdat jullie zelf de wereld niet kennen! Paul:                     Sylke, ik wil niet dat je zo tegen mij spreekt waar andere mensen bij zijn. Meredith:           Het is oké. Wij delen echt alles. (tegen Sylke) Kylie mag mee. Sylke:                    Ik weet het!                                 En ík mag nooit íets! Sylke staat op en loopt huilend en boos weg.   Celien:                  Zal ik erachter gaan? Meredith:           Ik zal wel gaan. Meredith loopt achter Sylke aan. Celien:                  Zou ze echt zo weinig mogen? Paul:                      Een strenge opvoeding kan maar deugd doen. Celien:                                 Het is natuurlijk niet gemakkelijk als haar vriendinnen al die dingen al wel mogen. Paul:                                     Och, binnenkort veranderen de spelregels weer.  Celien:                 Da’s waar. De tijd vliegt!   Meredith komt de woonkamer weer binnen. Meredith:           Ze komt zo meteen wel naar beneden, maar ik moet ervandoor. Celien:                  Is ze al wat kalmer? Meredith:           Ja, hoor. Geen stress. Paul:                      Het spijt me dat je hier getuige van moest zijn, Meredith. Meredith:           Geen probleem. Da’s toch al langer een gevoelig puntje? Celien:                  Jullie zijn goede vriendinnen, hé? Meredith:           De allerbeste in de ganse wereld! Als jullie maar goed voor haar zorgen als ik er niet ben! Paul en Celien lachen. Meredith kust hen vaarwel. Celien:                  Dag Meredith. Meredith:           Dag Celien! Paul:                                     Amuseer je bij Fien! De volgende keer zal ze wel mee mogen, denk ik, als ze… Meredith:           Zestien is. Ik weet het! Celien:                  En blijf van die sigaretten af! Meredith:           Ik doe mijn best, mevrouw Van … Celien:                  Éh, Éh? Meredith:           Celien! Da-ag! Meredith gaat af.   Celien:                  Het is toch een toffe, hé, die Meredith. Paul:                      Ja. Ik vind haar matuur voor haar leeftijd. Celien:                  Dat vind ik ook. Matuurder dan Sylke. Sylke komt binnen.   Sylke:                    Mama, papa, sorry van daarstraks. Paul:                      Het is oké, Sylke. Sylke:                    Dus, het klopt toch nog dat ik naar feestjes mag als ik zestien ben? Paul:                      Natuurlijk, Sylke. Dat weet je. Sylke:                    Ik heb uitgerekend dat ik over drie weken en drie dagen zestien word. Paul:                      Op twaalf maart. Ja, dat kan kloppen. Sylke:                    Ik wil een feestje voor mijn verjaardag. Paul:                      Oké. Celien:                  Oké, Sylke. Dat lijkt ons wel haalbaar. Sylke:                    Ik bedoel niet gaan bowlen, of zo. Niet zoals elk jaar. Celien:                  Vond je die feestjes dan niet leuk? Sylke:                   Jawel, maar als ik zestien ben, is een feestje niet meer met de bomma naar het dolfinarium. Celien:                  Oké, dat snap ik. Sylke:                    Ik wil een echte fuif. Celien:                  Een fuif? Sylke:                    Met muziek en jongens en dansen. En bier. Paul:                      Sylke! Sylke:                    Niet veel. Voor iedereen een pint of zo. Celien:                  Oké, Sylke. Paul:                      Celien?! Celien:                  Dat moet ze ook leren, Paul! Met mate drinken. Paul:                      Alcohol remt de groei ontzettend af! Ook die van de hersencellen! Celien:                                 Over die pintjes hebben we het nog, Sylke. Mag de bomma komen naar je fuif? Sylke:                    We zien wel.           2.    Wel wat mensen Celien telefoneert met een feestartikelenverhuurbureau.  Sylke komt binnen en vangt het gesprek op. Celien:                                 Een partytent.  Van vier meter bij vier. Het zou wel leuk zijn mochten we er spots in kunnen hangen. Ah, die verhuurt u ook? Led- lampen, zegt u? Nee, we willen geen tent die smelt! Sylke:                    Is dat voor mijn feestje? Celien:                  (gebaart: “Ah ja, natuurlijk.”)                                 Wat zegt u? Vijf meter bij zes?                                 Dan moet ik onze tuin eens even nameten. Is dat met piketten? Sylke:                    (halfzacht, gemimeerd) Wacht! Nog niets bestellen! Celien:                  Wablieft? Ja?                                 (waait Sylke weg omdat ze zich niet kan concentreren) De luxe-uitvoering met vensters? Ah ja, ik zie het in de brochure. Mooi. Vensters zijn wel praktisch. Dan kunnen we af en toe naar binnen loeren. Naar binnen, ja. (lacht) Mijn dochter geeft een feestje. Sylke:                    (gebaart hevig van neen) Celien:                                 (mimeert dat Sylke geen aanstoot moet nemen aan haar opmerking) Het is voor volgende week: twaalf maart. Dat is zaterdag. We komen alles zelf halen, spots en alles, ja. Wacht, welke spots? Hadden wij daar al iets over…? Sylke:                   (neemt de brochure en duidt ostentatief een andere tent aan en dat het om háár feestje gaat) Celien:                                 Een ogenblik, alstublieft. Mijn dochter doet heel lastig en het is voor háár feestje.                                 Ja, Sylke? Sylke:                   We hebben iets veel groters nodig, mama. Zoiets misschien. (wijst op de brochure) Hoeveel mensen kunnen daarin? Celien:                                 Sylke, zoiets kunnen wij toch niet zetten? (gebaart dat het ook veel geld kost)                                 (in de telefoon) Een momentje hoor, we zijn er nog niet uit. Sylke:                   Laat die tent zo, mama. Ik geraak wel aan een mammoettent bij de mensen van de scouts. Celien:                 Een mammoettent!                                Ik heb die mensen nu aan de lijn, Sylke. Wat doe ik met die tent?                                Heb je spots nodig? En ballonnen? Sylke:                    Niet nu, mama. Celien:                 (kort) Mevrouw, ik ga moeten afhaken. Ik contacteer u van zodra we duidelijkheid hebben over wat mijn dochter wil. Het is per slot van rekening haar feest.                                Ze wordt zestien.                                Ja. Bedankt!. Celien:                 (geërgerd) Allez, vertel. Sylke:                    (ongelovig, blij) Mama, er komen echt keiveel mensen! Celien:                 Ah ja? Dat doet me plezier. Sylke:                    Nee, nee. Echt veel! Celien:                 Ja liefje, dat is héél fijn, maar een mammoettent kunnen wij niet zetten, hoor. Sylke:                    Dat weet ik. We moeten iets anders bedenken. Celien:                 Sylke, je weet toch hoe dat gaat? De mensen zeggen wel dat ze zullen komen, maar als het zover is dan liggen ze in hun zetel of ze vergeten je feest gewoon. Sylke:                    Mama! Celien:                 Ik heb het genoeg meegemaakt! Pas op, ze zullen allemaal zeggen dat ze zich niet goed voelen. Ze willen je niet kwetsen, hé. Sylke:                    Mama! Celien:                 Je beste vrienden eerst. Dat zal je zien. Ik wil je niet graag teleurgesteld zien, Sylke. Sylke:                    Mama, duizend achthonderdvierentwintig mensen! Dat is niet weinig, hé? Celien:                 Wablief? Dat kan niet! Sylke:                    Duizend vierhonderddrieëntwintig mensen, mama en het staat nog maar drie dagen op Facebook. Celien:                 Op Facebook? Sylke:                    Mama! Ik heb er zoveel vrienden bijgekregen de laatste dagen. In het begin dacht ik: ‘Ik word gek’, dus heb ik er niks van gezegd, maar nu is het duidelijk: echt iedereen wil naar mijn feestje komen. Kan je dat geloven? Zelfs Fien is jaloers! Denk ik. Celien:                 Ik wist niet dat jij zo populair was, Sylke. Zijn het je looks? Ik wist dat ik er voor iets tussen zat. Sylke:                    Mama-a! Celien:                  Hoeveel mensen komen er, zei je? Sylke:                   Duizend achthonderdvierentwintig mensen. Ik zal het je laten zien op Facebook. Sylke zet zich achter de computer. Celien:                  Maar Sylke, dat kan toch niet? Duizendachthonderd? Sylke:                    En vierentwintig. Celien:                  Maar allez! Je overdrijft! Is dat via die Facebook? Sylke:                    Het wordt de vetste party ooit! Celien:                  Maar allez, Sylke! Dit kan je niet menen. Dat kan toch niet? Sylke:                   Ja, echt zot! Als ik dit had geweten, had ik op privé geklikt. Er zullen natuurlijk wel veel mensen zijn, die niet komen. Dat weet ik ook wel. Meer dan de helft waarschijnlijk, maar dat is niet erg. Celien:                  Hoeveel mensen gaan er komen? Sylke:                   Geen duizend achthonderd, natuurlijk. Kijk, er hebben zelfs mensen uit Westerlo gezegd dat ze zouden komen. Where the fuck is Westerlo? Die mensen komen sowieso niet. Die klikken gewoon op alles wat ze op Facebook zien. Celien:                  Hoeveel komen er dan wel? Sylke:                   Ik denk, als er al meer dan honderd mensen écht komen. Tweehonderd misschien, dat het veel is.                                 Oh my God, I can’t believe it. Dit is zo spannend! Celien:                                 Maar waarom staat er hier dan dat er duizend achthonderd mensen komen? Sylke:                   Dat leg ik je nog wel eens uit, maar mama, je moet mij helpen want als papa dit ziet, schiet hij waarschijnlijk meteen in paniek. Dat zou zo spijtig zijn! We hebben een plan nodig. Misschien vindt hij het wel oké natuurlijk, maar het is beter als we een plan hebben. Wat denk jij, als we vragen aan de mensen van de scouts om… Paul wandelt bijna onhoorbaar binnen. Hij oefent zijn behendigheid in het swipen op zijn nieuwe  smartphone. Sylke heeft ondanks haar spraakwaterval toch op tijd de deur gehoord. In de volgende dialoog is Paul volledig geabsorbeerd door de mogelijkheden van zijn nieuwe smartphone. Hij kijkt nauwelijks op. Paul:                     Dag dames… Sylke:                    Dag papa!           Heb je hem gekocht? Paul:                      Ja. Tachtig euro, Celien. Dat is geen geld! Sylke:                    Wat is het geworden? Nokia? Sony? Blackberry? Paul:                                     Ongelooflijk wat dit ding allemaal kan! Ik kan mijn locatie bepalen en online de weg opzoeken. Ik heb dus geen gps meer nodig. En kijk eens naar de kwaliteit foto’s? Ik vind dat ongelooflijk. Ik heb zelfs een agenda om alles in op te slaan wat ik nog moet doen! Goed hé? Sylke:                    Dat kon je met je vorige ook. Paul:                      Echt? Wanneer gaan we aan tafel? Celien:                  Ik weet het niet. Wanneer denk jij aan het eten te beginnen?                                 Sylke en ik zijn bezig met de planning van haar Sweet-16-fuif. Sylke:                    Mama…   In het verdere verloop van de dialoog toont Paul een knap staaltje evenwichtskunst tussen controleren of er nog iets te bikken valt in de keuken en de verdere exploratie van zijn smartphone. Paul:                      Ah! Hoe vlot het? Sylke:                    Goed! Celien:                  Het gaat goed rond op Facebook, blijkbaar. Sylke:                    Mama? Paul:                     Dat is leuk! Staat het op Facebook?  (in de keuken) Eens kijken. Applicaties? Celien:                 (kan het nog steeds niet geloven) Ik wilde advocadocrème met perzikencoulis maken. Sylke:                    Mmh… Lekker. Maar is dat niet duur? Paul:                     (voor de ijskastdeur) Zijn er al rekeningen van het feest? Zeg, Sylke, waar vind ik het terug? Sylke:                    Op Facebook! Paul:                      Ja, daar zit ik nu.                                 (doet de ijskastdeur open) Ik ben nu op jouw prikbord, denk ik. Sylke:                    Oké. In die blauwe balk kan je teruggaan naar je eigen pagina. Paul:                      (verrast) Je hebt een evenement aangemaakt! Sylke:                    Ja, papa. Niet schrikken. Paul:                      Zeg, en komen er al een beetje mensen? Celien:                  Een kleine duizend achthonderd zegt Sylke. Paul, wat denk jij daarvan? Sylke:                    Dat zegt Facebook, hé. In het echt is dat nog wat anders. Paul:                      Hoeveel zeg je? Sylke:                    Duizend achthonderdvierentwintig. Celien:                  Sylke… Duizend achthonderd? Dat zijn er veel meer dan duizend! Daar begin ik zelfs niet aan. Dan trek je maar wat zakken chips open. Paul:                                     Ah, ja. Hier staat het… Duizend achthonderdvierentwintig. Oh, zo klein allemaal. Of zie ik nu zo slecht? Celien:                 Ze heeft het mij op de computer getoond. Paul:                     De computer, da’s gemakkelijk. Paul zet zich aan de computer en scrolt wat op en neer in de gastenlijst. En waarom ben ik niet uitgenodigd? Sylke:    (denkt dat hij een mopje maakt) Papa… Paul:                      Eventjes serieus… Wou je mij er niet bijhebben, of zo? Sylke:                    Het is mijn feestje. Jij bent er dan toch? Paul:                                     “Iedereen welkom op mijn feestje. Ik heb de hele wereld uitgenodigd via Facebook, maar mijn vader… die slaan we over.” Sylke:                    Wow! Ik  heb het niet zo bedoeld, hoor. Wacht, ik zal je toevoegen. Mijn vrienden zullen ook denken… Celien:                  Laat maar, Sylke! Er komen zo al genoeg gasten. Denk ik.                                Paul, alsjeblieft! Paul:                      Celien, het gaat mij toch niet om die uitnodiging! Ik moet weten wat mijn dochter uitspookt. Waarom zit ik anders op Facebook? Celien:                                 Zeg maar, Paul. Duizend achthonderd gasten, vind jij dat normaal? Ze zegt dat er maar honderd of tweehonderd zullen komen? Paul:                     Goh, Celien. Ik ben niet uitgenodigd. Jij wel? Celien:                 Ik zit niet op Facebook, Paul. Paul:                      Sylke, vertel eens… Sylke:                    Ja… Paul:                                     Waarom weet ik nu pas dat er over twee weken misschien duizend man op onze gazon komt dansen? Sylke:                    Ik weet niet. Sorry? Het is allemaal nogal hard gegaan. Het was ook echt niet mijn bedoeling om… Paul:                      Ik herhaal even mijn vraag: hoe komt het dat ik dat nu pas weet? Sylke:                    Omdat… Sorry, papa. Ik had je van in het  begin moeten uitnodigen. Paul:                      Zo is het! Dan had ik dit nooit laten gebeuren! Duizend achthonderd mensen… Hoeveel mocht je er uitnodigen? Celien:                 Vijftig! Dan had advocadocrème wel gekund! Paul:                     En hoeveel denkt ze dat er zullen komen? Sylke:                    Honderd, tweehonderd? Paul:                      10% dus. Sylke:                    Dat kan. Ik ben niet goed in wiskunde.   Sylkes gsm gaat. Ze neemt op. Sylke:    (zenuwachtige zucht)   Hallo? Met Sylke. (alsof ze dat niet wist) Ah Mathijs! Wacht eventjes. Ik ga naar mijn kamer. (onderschept door Mathijs’ snelle vraag) Wat zeg je? Ah, of jij mag komen naar mijn  feestje? (flirterig) Goh… dat weet ik niet, hoor. Paul en Celien kijken berispend. Paul blokkeert Sylkes pad                                 Wel… We zijn al met heel veel. Wablief? Of ik zelf naar mijn feestje kom? Euh, ja zeker? Nee… Dus ja… Er komen op dit moment dus zo’n duizend mensen, maar waarschijnlijk komt daarvan maar – laten we zeggen – tien procent, maar ja… Tweehonderd mensen? Zoiets ongeveer, denk ik, ja. Heel veel, ik weet het. (geniet) Tuurlijk mag jij komen. (wissel van blik met ouders)       Ja, van mijn ouders moet ik zeggen dat het niet kan omdat tweehonderd echt veel is, maar ik zou zeggen: ‘Kom gerust af. Dan wordt het eens zo leuk!’ (wil zichzelf slaan) (zelfbewust) Mijn ouders? Ik weet niet. Ja, of via Facebook, hé. Ja. Dat komt op hetzelfde neer. (lacht) Ik zou het in elk geval súper vinden als je kwam. (wil zichzelf nogmaals slaan) Tussen die duizend achthonderd – tweehonderd mensen, ken jij niemand? Nee, het is nooit leuk als je niemand kent. Nee. Dat is goed. Breng maar mee!                                Dag Mathijs. Daaa-aaag. Paul:                      Sylke Van Pael! Sylke:                    Laat mij gerust. Paul:                      Waar haal jij het lef vandaan, Sylke? Sylke:                    Een iemand meer of minder gaat het verschil ook niet maken, wel? Paul:                      Celien, dit loopt verkeerd af. Onze dochter is ontspoord! Celien:                  (vergoeilijkend) Paul! Paul:                                     Jij belt die Mathijs nu op en hem zegt hem dat hij niet komt. En dat hij zijn vrienden ook thuis laat. Sylke:                    Nee. Paul:                      Toch wel, Sylke. Zeg maar dat je vader het zo heeft gezegd. Sylke:                    Yeah, right! Papa, dat kan ik niet maken! Paul:                                     Jij belt Matthijs nu op. Jij moet leren verantwoordelijkheid opnemen voor de acties die je stelt, Sylke. Sylke:                    Ik zal hem een berichtje sturen. Paul:                      Je belt hem op. Ik wil het je horen zeggen aan de telefoon. Sylke:                    Papa! Paul:                     Sylke… Sylke:                   Stuur hem dan een bericht via Facebook! Als jij daar toch op zit om mij te bespioneren. Hij heet Mathijs Verdonck. Celien:                 Mathijs komt! Paul:                      Celien! Wat is … Waarom? Celien, ik zou liever hebben dat je je hier nu even niet mee moeit. Sylke:                    Ik zal iemand anders afbellen in zijn plaats. Paul:                     Wie dan? Sylke:                    Ik weet niet. Ik vind wel iemand. (neemt haar gsm) Paul:                                     Iemand die je niet kent, zeker? Je zal wel iemand vinden tussen die duizend achthonderd man. Sylke, ik wil gewoon dat je beseft… Pauls gsm rinkelt. Misschien heeft hij een aangepast tune voor zijn dochter. Misschien neemt hij inderhaast op en beseft hij het dan pas.                                 Sylke Van Pael! Adderkop! Houd je dit nog voor mogelijk, Celien? Jouw dochter slaagt erin … Celien:                 Ze is verliefd,  Paul! Sylke:                    Mama! Celien:                                 Het is toch waar, liefje? Je bent verliefd op Mathijs en daarom betekent het heel veel voor jou dat hij naar jouw feestje komt. Dat is normaal, Sylke. Paul, onze kleine meid wordt groot. Paul:                     Perfect. Dit is gewoon perfect. Celien:                  Ik denk dat ze met plezier tien andere mensen afbelt, maar niet Mathijs. Hé, is dat geen idee? Zo drukken we direct het bezoekersaantal een beetje naar beneden. Paul:                     Dat zal veel schelen op duizend achthonderd gasten. Celien:                 Duizend achthonderd of honderdtachtig? Wat is het nu eigenlijk? Paul:                      Het zal mij benieuwen. Ik weet het niet. Weet jij het? Ik zie het al gebeuren: duizend puistenkoppen voor de deur – misschien het dubbel, wie zal het zeggen? ‘Zijn er pintjes? Mag ik er nog twee voor mijn maten?’ Sylke:                    Er zullen er echt wel veel hun eigen drank bijhebben, hoor. Paul:                      Ah, nog beter… Dan kunnen ze zichzelf lamzuipen! Celien:                  Overdrijf je nu niet? Paul:                                     Ik weet het niet. Wat denk jij dat ze bedoelen met: (leest af van het scherm) “Sylkes b-day d-day :* scheefgaaaaan!!! Epic partaaaaaaa.” Sylke:                   We kunnen vragen aan de mensen van de scouts of we hun tenten mogen gebruiken. Misschien kunnen we het zelfs op hun terrein doen. Of op het voetbalveld? Celien:                  Zie je het allemaal niet een beetje te groots, Sylke? Sylke:                    We hebben geen keuze, mama! Paul:                                     En, als het er nu bijna tweeduizend zijn. Wie zegt dat het er dan morgen geen drieduizend zijn? Sylke:                    Dat kan toch niet. Zoveel mensen ken ik toch niet. Paul:                                     Ken je niemand met een voetbalstadion? Dan lopen die nozems hier over straat. Ze nemen de winkelkarretjes van de supermarkt om een beetje mee door de straat te racen. Oei, ze rammen ‘per ongeluk’ de auto van een brave, hardwerkende mens hier uit de buurt. De buurman heeft het gezien. Hij wordt boos, rent de straat op, rukt zijn haren uit van ellende, want zijn verzekering is zojuist verlopen. Ah, dat vinden ze wel grappig, die hooligans. Kom, dat doen we nog eens. Oh, een lantaarnpaal! Kan je die losvijzen en als nachtlampje gebruiken? Kom, we steken hem binnen bij Sylke Van Pael. Die is jarig! Sylke:                    Papa! Jij hebt echt veel fantasie. Paul:                      Ik ben toch ook jong geweest! Sylke:                    Toch niet als we vragen aan de mensen van … Paul:                     Geloof, mij, ik weet waartoe de jeugd in staat is. Sylke:                   Geef hen dan iets om zich mee te amuseren. Een optreden, muziek, … beachvolley. Celien:                 (in zichzelf) Het is maart, hé. Paul:                     We bellen de politie! Sylke:                    Wablief? Celien:                 Denk je? Paul:                      Ik schrijf een brief aan de burgemeester. Sylke:                    Da’s al beter. Paul:                      En, we bellen de politie. Sylke:                    Papa, nee! Paul:                      Jawel. Celien:                                 Papa heeft gelijk, Sylkeke. We doen niks mis met de politie te waarschuwen. Eigenlijk is het zelfs een beetje onze plicht. Sylke:                    En dan? Paul:                      Ja, dan…  Sylke:                    Het gaat nog rond, hé. Wie weet hoeveel mensen sluiten zich nog aan? Paul:                      Jij gaat dat evenement nu annuleren op Facebook! Sylke:                    Nee! Celien:                 Doe wat je papa zegt. Sylke neemt plaats achter de computer. Paul:                     En ik bel morgenvroeg de politie! Of, neen! Ik ga er langs. Celien:                 Zal ik meegaan? Sylke:                    Wat doe ik dan met de vijftig mensen die ik mocht uitnodigen? Celien:                                 Maak maar gewone, papieren uitnodigingen met glitters en stickers van Hello Kitty. Op zolder ligt nog een hele doos vol! (zet zich aan de computer om het event te annuleren.) Sylke:                    Zo cool, mama! Weet je nog iets?                                Trouwens… Wie zegt dat dit gaat helpen? Paul:                     Hoezo? Sylke:                    Iemand heeft het op Youtube gezet. Die video kan ik natuurlijk wel rapporteren… Paul:                     Wablieft?   Sylke speelt het Youtube-filmpje af. We horen hoe een stel jongens in de film Sylke aanroept als was ze een natuurgodin met magische krachten:  Sylkeee, Sylkeee!  Sylke vindt het een hilarisch filmpje.   Celien:                 Charmant! Heel charmant! Paul:                     En wanneer ging je ons hierover vertellen? Sylke:                    Ik dacht niet dat het zo belangrijk was.   De telefoon gaat. Celien neemt op. Celien:                 Goedenavond. Celien Van Pael. Welk productiehuis zegt u? Neen, dat ken ik niet. Hoe komt u aan mijn nummer? Mmh… Mmh… (met haar hand op de hoorn) Ze vragen of ze Sylkes verjaardag live mogen uitzenden van bij ons thuis. Ze zeggen dat dit het eerste Project-X-feest is in ons land en dat het in Duitsland grondig is misgegaan. Vandaar… (luistert opnieuw) Ze zeggen dat we het moeten zien als een soort van verzekering. Ze betalen alle gebeurlijke schade terug. Sylke trekt ogen als golfballen. Paul gebaart dat dit soort ideeën niet spoort. (in de telefoon) Daar zullen we nog eens flink over moeten nadenken, mevrouw.                                Oh, ja. Een heel interessant aanbod. Inderdaad. Bedankt! Ik ga opleggen nu, hoor. Ik leg op… Oh, kijk. De patatjes koken. Dag mevrouw. Da-ag. Celien drukt af. Paul:                     Dit is geen goed teken. Dit is niet goed! Sylke:                   Mama, papa… Ik snap het niet. Het is zo raar. Mijn feestje blijft erop staan. Ik krijg het er niet vanaf.     3.    Kwestie van dat interview Celien staat te repeteren voor de komst van een reporter van de regionale televisie. Ze probeert verschillende gradaties van overtuigingskracht uit voor haar oproep om vooral niet naar het feest te komen. Daarbij probeert ze nu eens het ouderlijk dreigement, dan weer regelrecht pathos. Occasioneel werpt ze een blik in de spiegel of het raam om zichzelf te fatsoeneren. Dan, schrikt ze van de bel. Wanneer ze de deur opent, staat er een reporter voor de deur en een cameraman wiens camera loopt.  Reporter 1:        Goedemiddag mevrouw Van Pael. Mevrouw Van Pael, u zit met zware zorgen, is het niet? U zit met een ei – om het zo te zeggen en u hoopt dat wij u daarvan kunnen verlossen, nietwaar? Vertel, mevrouw Van Pael, moeder van Sylke Van Pael, organisatrice van het Project-X-feest, hoe kunnen wij u daarbij van dienst zijn? Celien:                 Goedemiddag. Koffie? Reporter 1:        Nee, bedankt. De camera loopt.                                (tegen cameraman) Jij? Cameraman schudt van nee met camera. Celien:                 Eh… Reporter 1:        Laat mij u helpen de zaken op een rijtje te zetten. Uw dochter wordt zaterdag zestien. Celien:                 Over vier dagen, ja. Reporter 1:        En ze geeft een feestje. Celien:                 Ja. Dat mocht ze. Reporter 1:        Ze mocht een feestje geven voor haar zestiende verjaardag, een sweet-16-party. Celien:                 Ja, dat leek ons wel leuk. Ze wordt groot, hé. Reporter 1:        Vertelt u eens meer over dat feestje, mevrouw Van Pael. Celien:                 Ja, er komen veel mensen. Reporter 1:        De teller staat op vierduizend zevenhonderdtweeënzestig en telt door. Celien:                 Ja, dat was dus helemaal niet de bedoeling, hé. Reporter 1:        Niet? Celien:                 Nee, op deze manier is het niet meer plezant. Reporter 1:        Niet? Celien:                 Nee, het is gevaarlijk. Reporter 1:        Ah, ja? Celien:                                 Beeldt u zichzelf in: vierduizend mensen hier in huis. Waar moeten die blijven?  Onze tuin meet zes bij zeven. U kan het zich wel voorstellen, denk ik: straten vol jongeren. Die drinken misschien al eens graag een pintje. Wie gaat dat controleren? Ik begin daar niet aan. Reporter 1:        Goed, mevrouw Van Pael. Gaat u vooral door. Celien:                                 Het ergst van al is: mijn dochter kent de helft van die mensen niet. Ze hebben gewoon zichzelf uitgenodigd via Facebook. Reporter 1:        Het was een open invitatie, in feite heeft Sylke de hele wereld uitgenodigd. Celien:                                 Dat is misschien waar, maar ik denk niet dat zij bijvoorbeeld cadeautjes zouden meebrengen. Of wel? Ik bedoel: kennen zij mijn dochter? Weten zij wat ons Sylke leuk vindt? Nee! Wel, dan hebben ze hier ook niks te zoeken. Reporter 1:        Wat zou Sylke leuk vinden, mevrouw Van Pael? Celien:                                 Van alles! Daar gaat het niet om! Wij moeten die cadeaus niet. Kijk, ik zeg tegen iedereen die van plan is om te komen: blijf thuis. Reporter 1:        U trekt de uitnodiging van uw dochter in? Celien:                  Ja… Neen! De mensen die ons Sylke goed kennen mogen komen wat mij betreft. Ik heb gezegd dat ik de hapjes doe en ik wil mij nog altijd wel engageren. Maar alstublieft… vijftig mensen is de limiet. We wonen niet in een paleis, maar ik zou de mensen toch graag in ons huisje ontvangen. Reporter:            U stelt voor dat de eerste vijftig mensen mogen komen meevieren met Sylkes verjaardag? Celien:                                 Nee, dat zeg ik niet. Ik doe een oproep aan alle ouders zoals mezelf: Ouders, laat uw kinderen thuis. Reporters:          Mogen de ouders wel komen? Celien:                                 Nee!  Hier is toch niks te beleven? Kijk rond u: dit is het bescheiden stulpje van een eenvoudig gezin. Wat zouden al die snotneuzen hier komen doen? Dat ze thuisblijven en zelf een feestje organiseren. Dat ze hun ouders naar de cinema sturen! Reporters:          Goed, mevrouw Van Pael. Ga door. Celien:                  Ik doe dit voor ons Sylke. Het is zo’n goed en lief kind. Reporter 1:        Hoe voelt Sylke zich, mevrouw Van Pael? Celien:                                 Ze is bang, heel bang. Bang voor hooligans, bang voor schade aan ons huis en aan de buren. Bang dat haarzelf misschien iets overkomt. Ze heeft iets goeds en leuks willen doen en dan nu dit. Ik denk dat ze zich verantwoordelijk voelt. Ze weet niet dat ik dit doe, maar ik doe het voor haar. Dit heeft ze echt niet verdiend. Ze heeft recht op een gewoon, gezellig feestje. Reporter 1:        U vraagt met klem aan de mensen om thuis te blijven. Celien:                  Met klem, inderdaad! Reporter 1:        Wanneer is dat feestje? Celien:                  Volgende week zaterdag; twaalf maart. Reporter 1:        Om hoe laat? Celien:                 Vanaf zeven uur.   De deur gaat open. Sylke komt binnen.   Reporter 1:        Bedankt mevrouw Van Pael. (richt zich weer tot de camera) U hoort de boodschap duidelijk. Uit angst voor een massale toeloop van feestende jongeren roept mevrouw Van Pael, moeder des huizes, op om niet te komen volgende week. Zaterdag, twaalf maart, vanaf zeven uur. Waar zei u dat het was? Celien:                 Zeg, check Facebook, hé!   Reporter 1:         (tegen de cameraman)                                Kim! Kim! Sylke op negen uur. De cameraman doet een driekwartdraai om vervolgens Sylke in het vizier te nemen. Sylke:    Oh my God! Dit meen je niet. Reporter 1:        Sylke Van Pael, het feestvarken. Sylke:    Wat doen jullie hier? Reporter 1:        Sylke, je mama heeft een oproep gedaan aan iedereen om niet naar je feestje te komen volgende zaterdag. Wist je daarvan? Is dat geen teleurstelling voor jou? Sylke:    (ontzet) Mama! Celien:                                 Sylke, vierduizend mensen is een onverantwoord getal. Ik moest iets doen. Reporter 1:        Ben je teleurgesteld in je moeder, Sylke? Sylke:                    Nee. Reporter 1:        Ben je bang? Sylke:                    Voor zaterdag? Waarom? Van welke zender zijn jullie? 2B, VTM, Vier TV, … ? Reporter 1:        RTV Zelegem voor het nieuws van zeven uur. Sylke:                    (tikkeltje teleurgesteld) Oh… Reporter 1:        Wil je de mensen thuis iets zeggen, Sylke? Is het waar dat je een soort tranceparty wil houden op de terreinen van de voetbal? Heb je al bedacht wat dat met het veld zou kunnen doen? Sylke:                   Euh… nee! Ik speel geen voetbal. Zeg… Is dit wel nodig? Ik wil eigenlijk liever niet op tv. Kunnen jullie mij er niet gewoon uitknippen? Reporter 1:        Ben je serieus? Sylke:                    Ja. Reporter:            Oké dan.                                (doet teken aan de cameraman om te stoppen met filmen) Celien:                                 Kom… Jullie hebben alles wat jullie nodig hebben. Ik mag er toch op rekenen  erop dat jullie de boodschap klaar en duidelijk uitzenden? Reporter 1:        In het nieuws van zeven uur al! Celien:                 Maak er iets moois van, hé! Reporter 1:        Doen we!   De reporters gaan buiten. De cameraman neemt nog snel een panshot van de woonkamer alvorens de reporter de deur dicht trekt.   Sylke:                    Mama! Wat heb je gedaan? Celien:                                 Ik moest iets doen, Sylke. De brief van je vader is uitgelekt in de pers en je kan toch niet laten gebeuren dat de media er hun eigen verhaal van gaan brouwen? Hoe is het met jou? Sylke:                    Maar, nu komen er nog meer mensen! Celien:                                 Kom nu, Sylke! Wie krijgt er nu zin in een feestje door een jengelende moeder in een keuken van de jaren negentig? Ik heb zelfs mijn schort nog aan! Sylke:                    Mama… Celien:                                 Het is niet erg, Sylke. Ik heb mijn kansen gehad toen ik jong was. Dit is het beste wat ik kon doen. Sylke:                    Weet papa ervan? Celien:                                 Papa hoeft niet alles te weten, dus hoef jij het hem ook niet te zeggen. Hij zit er al zo hard mee. Hij slaapt amper. Sylke:                   Het probleem is, mama, dat als jij op tv geweest bent, niet alleen iedereen op school of van ik-weet-niet-welke andere club ervan afweet. Het probleem is dat nu iedereen van Zelegem tot Zulder ervan afweet. Wedden dat er binnenkort van jou ook een filmpje op YouTube staat? Celien:                  Kip! Kip die ik ben! Kip! Kip! Kip! Natuurlijk: ik zit niet op Facebook en ik wist er ook van! Sylke… Ik heb het toch niet nog erger gemaakt, hé? Zeg dat het niet waar is. Ik heb het erger gemaakt! Domme gans die ik ben! Niks zeggen tegen papa, hoor. Hoe was het op school? Sylke:                   Crazy! Die van Frans zegt dat ze zaterdag komt linedancen met haar club als ik mijn buis voor vocabulaire niet ophaal. Celien:                 Heb je een buis voor Frans? Sylke:                    Toch altijd? Celien:                 Daar moet je dan toch beter je best voor doen. Sylke:                    Ik heb momenteel wel wat anders aan mijn hoofd. Celien:                 Mathijs zeker! Sylke:                   Mama! Binnenkort staat er hier misschien een bende van vierduizend man en jullie doen alsof alles opgelost is door te zeggen dat het feestje niet doorgaat. Celien:                 Je hebt je Facebookevenement toch gecanceld? Sylke:                    Ja! Celien:                 Dat is dan al een goed begin. Sylke:                    Je snapt het niet. Wat heb je gezegd? Celien:                  Op tv? Ik heb iedereen gezegd om thuis te blijven omdat er geen feestje is. Sylke:                    Ik krijg toch nog een feestje, hé? Celien:                  Natuurlijk, Sylke! Sylke:                    Je hebt toch niks over mij gezegd!? Celien:                  Ik heb gezegd dat je bang was. Sylke:                    Bang? Celien:                  Ik heb gezegd dat je héél bang was. Sylke:                    Waarom? Celien:                                 Zodat de mensen zouden beseffen dat er een grote verantwoordelijkheid rust op jouw kleine schoudertjes en ze wel twee keer zouden nadenken vooraleer ze de boel hier kort en klein zouden beginnen slaan. Sylke:                    Wat!? Celien:                                 Als ik zoiets zou zeggen over mezelf, heeft dat helemaal geen effect. Ik ben anders bang genoeg! Sylke:                    Top! Echt top! Nu denkt iedereen op school dat ik ga weglopen op mijn eigen feestje. Je bent bedankt! Celien:                 Voor jou kan niemand ooit iets goeds doen. Sylke:                    Ik ga naar boven! Celien:                  Hou je kalm op Facebook, ja!?   Paul komt binnen met een masker op van Sylke. Hij zingt een feestelijk liedje.   Paul:                     La-la-la-la-laa... Sylke:                    What the ...!? Celien:                 Och, kijk nu! Waar heb je dat vandaan? Paul:                     Van het internet. Sylke:                    Dat meen je niet! Van welke site? Paul:                     www.project-x-Zelegem.com Wat vind je van mijn mooie haren? Sylke:                    Papa, dit is echt niet grappig! Paul:                     En mijn lange wimpers? Sylke:                   OMG! Ik sta keislecht op die foto! Wie heeft die van mijn Facebookpagina gehaald? Celien:                                 Was dat niet aan het zwembad in Griekenland? Ze hadden wel iets recents kunnen nemen, niet? Paul:                                     Sylke, kind, als jij tien procent kreeg van alles wat er op die website verkocht werd, dan was je nu al binnen! T-shirts, bierbekers, zelfs een gettoblaster! Celien:                                 Dan moet ze deze zomer niet gaan werken. Ah nee, wij trekken auteursrechten! Paul en Celien lachen. Sylke:                    OMG! Dit is zo gênant! Paul:                                     Dan zijn we er in één moeite vanaf, en we kunnen een beetje gaan rentenieren! De boxershorts vond ik erover. Op het pedofiele af, in feite. Sylke:                    Wat? Paul:                      Rustig, liefje. Ik denk dat ik de gegevens heb van de vlegel die erachter zit. Die hoort nog van ons.                                 Vertel. Hoe gaat het tegenwoordig op school? Celien:                  Ze heeft een buis voor Frans. Sylke:                   Kurt noemt mij Lady Gogo. En echt iedereen kijkt naar mij, constant! Iedereen praat erover, non-stop. Tijdens de middag kwam er zo’n pummeltje van het eerste naar mij om te vragen of hij ook mocht komen. ‘Ik dacht het niet,’ zeg ik. ‘Om acht uur moeten snotneuzen als jij al lang in hun bed liggen.’ ‘Da’s niet waar,’ zei hij. ‘Ik kom lekker toch en ik pak al mijn vrienden mee.’ ‘Wat, die twee daar?’ zeg ik. ‘Nee, die’ en hij wijst naar echt alle eerstejaars die een beetje verder stonden te apegapen naar ons. En dan…                              ‘Komt Dirk? Komt Steffi? Komt Bilal? Komt Tooki?’ De hele dag! Euh… er komt vierduizend man naar mijn feestje. Ik weet echt niet wie allemaal. Sorry! Zoek het zelf op. Ik krijg er stress van! Paul:                     Zou het niet beter zijn als we het hele feestje gewoon afblazen? Sylke:                    Zot! Paul:                                     Er is geen feestje. Niemand heeft hier iets te zoeken. Ga naar huis. Amuseer je daar! Wat denk je daarvan, Celien? Celien:                 Niet slecht. Alsof het mijn eigen woorden zijn, feitelijk. Sylke:                    Nee! Nu gebeurt er eens iets cool in mijn leven! Paul:                                     Sylke, denk na. Je wordt er zestien. Je hebt nog tijd genoeg voor feestjes. Dit gedoe is zo ontzettend aan het ontsporen. Het is ronduit gevaarlijk. Ik heb vanmiddag vierduizend mensen geteld op Facebook. En jij? Sylke:                    (trotserig) Vierduizend achthonderdentwaalf ondertussen. Paul:                     Hoe is dat mogelijk? In één dag? Dit gaat mijn petje ver te boven. Sylke:                    Maar, het duurt nog zeven jaar eer ik terug jarig ben op een zaterdag! Paul:                                     Trouwens, morgen zien we de burgemeester. Hij heeft mijn brief ernstig genomen. We hebben alle redenen om aan te nemen dat de overheid aan onze kant staat. Sylke:                   Papa, als je mijn feest opblaast dan pleeg ik zelfmoord en verander ik van school, echt waar! Paul:                     That’s it! We blazen het af. Sylke:                    Mama heeft het mij beloofd! Celien:                                 ‘We verzinnen wel iets’ heb ik gezegd. Tante Madeleine heeft al laten weten dat ze ons wilt opvangen en ze wilt cake bakken. Da’s lief, toch? Trouwens, waar Madeleine woont, komt geen kat. Daar zitten we ver genoeg van de drukte en we kunnen er nog altijd gaan bowlen, of zo. Sylke:                   OMG. Ik sterf. Echt. Bowlen!? Bij tante Madeleine? Het stinkt daar naar geiten! Celien:                 Sylke, hou je kalm! Paul:                     Wat een opluchting! Vind jij het geen opluchting, Celien?                                Het is de beste beslissing die we kunnen nemen, liefje. Celien:                 Paul, ik heb iets gedaan dat misschien… Paul:                     In tussentijd is het belangrijk dat niemand van ons praat met de pers. Sylke:                    Voor mij is dat goed! Paul:                                     Ieder van ons houdt de lippen stijf op mekaar: geen contact met de radio, de tv of de krant en al zeker geen roddelblad. Helemaal niks! Begrepen? Dan zeg je maar: ‘Geen commentaar’ of zo. Begrepen, Sylke? Sylke:                    Mama ook dan, hé? Paul:                     Ah natuurlijk. Mama ook. Celien? Celien:                 Uiteraard. Paul:                     Wat zei je dat je had gedaan dat misschien… Celien:                 Ik heb heel misschien de tv kapot gemaakt! Ik weet het niet… Paul:                     Hoezo? Celien:                 Ja vanmiddag! Voor Sylke thuiskwam. Paul zet de tv aan. Paul:                     Die werkt prima. Celien:                 Dan heb ik op een verkeerde knop gedrukt. Paul:                     Hier is niks mis mee. Paul zapt door alle posten en komt bij RTV. Paul:                                     Als jullie het goed vinden, laat ik hem staan voor het nieuws van zeven uur. Sylke:                    Da’s goed! Paul:                     Het is goed mogelijk dat het al op RTV komt. Celien:                 Da’s best mogelijk, ja.   Een MTV-achtige clip van Celiens paniekscheuten?     4.    Dag meneer de burgemeester Ronald Van Dingenen, de burgemeester, belt aan. Hij is in gezelschap van social media expert, Esma Tallouis. Paul:                     Dag meneer de burgemeester.                                (Paul drukt hem de hand.) Ronald:                Goedenavond meneer Van Pael.                                (knikt in de richting van Celien) Mevrouw. Celien:                 Celien! Ronald:                Heel overtuigend, gisteren op RTV. Knap! Celien:                 (gegeneerd) Dank u. Ronald:                (knikt in de richting van Sylke) En de dochter… Dag Sylke. Sylke:                    Hoi. Paul:                     Wees welkom. Zet u. Ronald:                Dank je Paul. Ik had u natuurlijk kunnen uitnodigen op het gemeentehuis, maar dat is zo onpersoonlijk. Nee, ik kom liever zelf tot bij de mensen, zeker wanneer het een zaak betreft die wel degelijk alle inwoners van Zelegem aanbelangt. Ik leg mijn oor graag zelf te luisteren bij het volk, voor het volk uiteraard. (stilte) Dus! Laat mij beginnen met te zeggen dat ik uw schrijven enorm waardeer. Daaruit blijkt uw bezorgdheid en betrokkenheid bij het welvaren van onze gemeente, want ik geloof wel degelijk dat het hier een zaak betreft die de veiligheid van onze inwoners mogelijk flink in het gedrang brengt, is het niet? Paul:                                     Laten we hopen dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen, maar ik vrees dat we ons grondig moeten voorbereiden… Ronald:                                Op het ergste. Dat denk ik ook. Voor de veiligheid van onze burgers rest er ons geen andere keuze.                                 En Sylke, had jij dit verwacht? Sylke:                    Totaal niet. Ronald:                                Dat dacht ik al. Als burgemeester en hoofd van de politie kan ik vertellen dat onze mensen – dat wij allen – ons  best zullen doen om zaterdag vreedzaam te laten verlopen zodat er geen brokken vallen. Is dat een geruststelling? Paul:                      Toch wel. Sylke:                    Ik weet het niet. Ik denk gewoon niet dat het een oplossing is om … Celien:                  Ze heeft het er heel moeilijk mee, meneer de burgemeester. Ronald:                 Dat begrijp ik. Celien:                                 Ze droomt nog altijd van een groot feest en dat iedereen zich dan zou amuseren. Sylke:                    Ik wil gewoon… Ronald:                 Jullie hebben toch alles afgeblazen, mag ik hopen? Laat daar toch minstens klaarheid over bestaan. We moeten onze aanpak op mekaar afstemmen. Ik kan zomaar geen politietroepen mobiliseren en een beroep doen op de eenheden van collega’s als iedereen zomaar zijn zin gaat doen. Dat begrijp je wel, hé Sylke? Het gaat hier niet om jou, maar om de veiligheid van alle inwoners van Zelegem en de jongeren zelf natuurlijk! Paul:                      Sylke? Sylke:                    Ja. Paul:                                     Sylke, ik begrijp dat je nog heel jong bent voor dit soort zaken, maar ben jij bereid om je burgerplicht op te nemen? Sylke:                    Dat zal wel zeker. Paul:                                     Heb je weet van iemand die van plan is om heibel te komen schoppen zaterdag? Sylke:                    Maar nee! Dat zou ik toch wel zeggen zeker! Ronald:                                Nu begrijp ik natuurlijk wel dat het hier om een heel complexe aangelegenheid gaat en daarom vond ik het raadzaam – bij gebrek aan expertise van mijn kant uit over deze toch wel heel specifieke materie – om een social media expert in te schakelen. Ik ben jullie vergeten voorstellen! Mijn excuus!                                 (gebaart naar Esmé om zich voor te stellen) Esmé:                   Esmé Tallouis. Aangenaam. Ronald:                 De familie Van Pael. Ze schudden handen. Esmé klapt een hyperinnovatief scherm open; of sluit haar device aan op het gigantische scherm van het gezin Van Pael; of projecteert gewoon het hele ding op een muur. Vervolgens laadt ze haar presentatie zodat die klaar is wanneer ze moet spreken. Ronald:                                Dat is dus ongelooflijk, hé… Die social media experts worden tegenwoordig door bedrijven ingehuurd om een hele dag lang te twitteren en op Facebook te zitten. Celien:                  (tegen Sylke die aan het sms’en is) Da’s wel iets voor jou, niet? Ronald:                                Om maar te zeggen. Je mag het belang van die dingen niet onderschatten. Sylke:                    Ik heb nog een vraag voor de burgemeester. Ronald:                 Ah, ja? Sylke:                    Ja. Ronald:                 Zeg maar. Sylke:                    Gaat de nachtwinkel open zijn? Ronald:                                Dat is een goede vraag. En… ja, ik denk dat de nachtwinkel open zal zijn. Wanneer sluit die gewoonlijk? Op maandag zeker? Esmés gezicht verschrompelt van onwetendheid. Ja, dan is de nachtwinkel open. Celien:                  Is dat wel een goed idee? Ronald:                 Interessante kwestie! Het is een goede vraag, Sylke. Bedankt. Paul:                      Waarom moet jij dat weten? Sylke:                    Gewoon. Dat is toch een normale vraag? Ronald:                                Nu, ik kan jullie garanderen dat er in de hele politiezone een strafbaarstelling zal gelden van alcoholbezit vanaf – ik geloof – één pint per persoon als je natuurlijk gerechtigd bent om alcohol te drinken. Wij tolereren geen kleuters met bier. Dat zou de overlast toch al aanzienlijk moeten beperken. Paul:                      U licht morgen alle buren in van alle maatregelen? Ronald:                                Op de buurtvergadering morgen licht ik iedereen in. Maar ik kan jullie nu al garanderen dat we alle fouten van onze voorgangers gaan vermijden. We bewaken niet alleen jullie huis; neen, we stellen een perimeter in die geldt voor de hele straat. Zo kan het volk meteen lateraal omgeleid worden. Paul:                      Schitterend! Celien:                  Dat is fantastisch nieuws! Wat een opluchting! Sylke:                    Stopt de bus hier dan nog in de straat? Ronald:                Ah, nee! De bus zal dan niet meer stoppen in jullie straat. Dat zou niet logisch zijn. Had je nog iets anders? Sylke:                    Nee. Ronald:                 Goed, dan geef ik nu graag het woord aan Esmé. Esmé:                   Bedankt, Ronald. Paul:                      Ik ben benieuwd! Esmé:                   Eigenlijk kunnen we stellen dat Sylkes feestje is uitgekozen. Sylke:                    (glundert) You’re kidding! Esmé:                   Ik onderzoek hoe dat komt. Celien:                  Dat komt door die Facebook, zeker? Esmé:                                   Daar is op zich niks mis mee. Mensen maken zo vaak evenementen bedoeld om nog anderen op uit te nodigen. Sylke:                    Zie je wel? Ik snap gewoon zelf niet hoe het komt dat iedereen nu juist naar mijn feestje wil komen. Ik heb zelfs nog nooit een feestje gedaan! Dit is mijn eerste! Stel je voor! Fien heeft nu ook een feestje aangemaakt op Facebook, maar dat gaat lang niet zo hard. Ik snap het gewoon niet. Ik bedoel… Jullie kennen Fien niet. Iedereen praat altijd over Fiens feestjes. Esmé:                   Nu, populariteit heeft er eigenlijk niks mee te maken.  Sylke:                    Wat dan wel? Esmé:                                   Op het evenement dat jij hebt aangemaakt, hebben aanvankelijk nog geen twaalf mensen gezegd dat ze wilden komen. Sylke:                    Twaalf? Esmé:                   De feiten zijn de feiten, ook al zijn ze virtueel.                                Pas toen het evenement is gedeeld door een aantal sleutelfiguren, is de bal aan het rollen gegaan. Sylke:                    Welke sleutelfiguren? Esmé:                                   We zien hier… Kenny Verdrocht, Meredith Broeckx, Daoud El Filali, Chloë Dujardin, Elke Scheremans, … Dat zijn mensen die telkens meer dan vijftig mensen hebben aangetrokken. Sylke:                    Chloë? Esmé:                   En dan is je feestje gekaapt. Celien:                  Wablieft? Esmé:                                   Ene Davy Verdrong heeft het gekopieerd onder de vlag van Project X. Daarom kan je het niet meer verwijderen op Facebook. Sylke:                    Zie je wel?! Esmé                                    Maar van zodra de brief van Paul Van Pael is gelekt in het nieuws en de media erop zaten, is het event razend hard beginnen gaan. We zien hier een duidelijke toename van het aantal gasten bij elke vermelding in de mainstream media. Opvallend is ook dat een kleine zender als RTV hier behoorlijk goed scoort, wellicht heeft dat te maken met het aantal heruitzendingen binnen hun zendtijd. Nu goed, het werd Davy Verdrong daardoor wellicht te heet onder de voeten. Toen heeft hij de pagina doorgeschoven naar Mike Spencer. Ken je die? Sylke:                    Nee. Esmé:                   Hij woont in Nieuw-Zeeland. Paul:                      Slim! Verdomd slim. Hem zullen ze niet gauw vinden. Esmé:                   En de neonazi’s blijven ook buiten schot. Celien:                  Neonazi’s? Esmé:                                   Davy Verdrong is lid van een neonazistische groep. Verder weten we dat hij Sponge Bob en Nutella ook leuk vindt.                                                Door de content van de posts te scannen, krijgen we zicht op welke mensen komen met gewelddadige intenties. Ronald:                Heel handig! Paul:                      Ongelooflijk! Esmé:                   Het is een beetje de Arabische revolutie. Maar dan met bier.                                 Heb je de gastenlijst onlangs nog gecheckt? Sylke:                    Achtduizend tweehonderdnegenendertig. Esmé:                                   Elk bericht in de krant of op de televisie zorgt voor een buitenproportionele toename. Vandaar dat een event in een paar dagen zoveel mensen kan bereiken. Celien:                 Dan zouden ze dat gewoon moeten censureren! Paul:                      Ja, Celien! Esmé:                                   Als we hierop klikken, zie je telkens welke aanwezigen en posts het grootste effect hebben gesorteerd. Op mij moet je niet letten. Op het scherm verschijnt een lijst met profielfoto’s en namen: [Kraantje Pappie, Esmé Tallouis, Kriek Lindemans, Davy Verdrong, Politiezone BATS, Taxibedrijf Fonacab, Sloten Dierckx en zoon, Chloë Dujardin, Ronald Van Dingenen, Matthijs Deckers, De Zoo van Antwerpen, Red Bull, Deuren en ramen Fortex, Sandra Lemoulin, …] Paul:                      Ah. De politie komt. Dat stemt mij gerust. Ronald:                                Kijk, ik sta er ook tussen. Mijn zoon heeft mij toegevoegd. Paul:                      Is het waar? Ons Sylke niet, hoor. Nee, ik mocht zogezegd niet komen. Sylke:                    Oh nee, de mossel van Frans! Celien:                  Sylke! Is dat nu Mathijs?                                 Komt er eigenlijk iemand die geen Facebookaccount heeft? Sylke:                    Ja, jij. Esmé:                                   Van hieruit kunnen we de content scannen van elke post gedaan op social media. Zo kunnen we bijvoorbeeld zien wat Kraantje Pappie te zeggen heeft.   Op het scherm: [Hey ya’ll! Whazzup mettat feesje?! Kraantje Pappie zwéért het. Als er 10.000 mensen komen naar Sylkes b-day, is het voor ons d-day: Gratis conceeert. Komen, man! Happy B-day, Sylke!]   Ronald:                 Dit is belangrijke informatie! Esmé:                   (klikt Fonacab aan) [TAXI FONACAB – Project X Zelegem -  SPECIAL: heen- en terug van het station naar het Project-x feest voor maar 5 EUR per persoon. Bestel nu je pizza en je pintje bier voor maar 2 EUR extra.]                                  Hier kan je ook Sylkes posts lezen. [WTF!? Mijn vader wil dat ik mijn FB-account opzeg; Errrr…. Ik dácht het niet!] [Jeej! Kraantje Pappie komt naar mijn verjaardagsfeestje! Hoe cool is dat?]   Paul:                      Geloof jij nu nog altijd dat die gasten komen? Sylke:                    Ze zeggen het zelf! Paul:                     Als er 10.000 mensen komen! Sylke:                    Dat halen we op onze sokken! Paul:                     ‘Dat halen we?’ Waar ben jij mee bezig, Sylke Van Pael? Sylke:                   Het gaat allemaal behoorlijk vanzelf, vind ik. Ik heb er weinig mee te maken. Esmé:                   Ik kan jullie wel aan enkele goede partyplanners helpen, als jullie willen. Paul:                     En waar stel je voor dat Kraantje Pappie zou optreden? In het bushokje? Sylke:                    Zet dan een podium! Paul:                     ‘Zet dan een podium’, zegt ze.                 Jij denkt dat je zoiets in één-twee-drie regelt. Sylke:                   Zo wordt het tenminste leuk! Anders gaat iedereen maar gewoon hangen. Ronald:                                Het is heel belangrijk, Sylke, dat we de jongeren niets geven om zichzelf op te verlekkeren. Dat ze geen reden hebben om te komen. Begrijp je dat? Merte:                 Maar het is mijn verjaardag! Ronald:                (tegen Paul) Ik neem contact op met Kraantje Pappie. Paul:                     Bedankt, Ronald! Ik vraag het je voor een laatste keer, Sylke Van Pael . Ben jij achter onze rug iets aan het bekokstoven? Is er iets wat we moeten weten? Dan is dit je laatste kans om te spreken! Sylke:                   Maar nee! Iedereen doet van alles, ik ga dat echt niet allemaal bijhouden, hoor.   Paul:                      Vooruit, vertel! Wat weet je? Denk goed na, Sylke Van Pael. Sylke:                   De scouts wou een bar doen om hun zomerkamp mee te sponsoren. Kurt wil DJ-en. Dat heb ik al gezegd. Ik vond beachvolley wel een leuk idee. De zandbak in het park is toch groot genoeg. En Elke wilde vragen of de sporthal van hun turnclub wilde opendoen voor als het regent. Ronald:                Mijn oproep zal duidelijk zijn! Dat feestje zal hier niet zijn. Celien:                 Goed zo! Paul:                      En op de voetbal? Sylke:                   Ken ik iemand van de voetbal? Ik dacht het niet! Vraag het hen zelf als je het echt wil weten. Paul:                      Is dat alles? Ben je zeker? Sylke:                    Is het niet genoeg misschien?                                Pfft! Ik ben hier weg! Paul:                                     Anders sluit ik een aparte verzekering af voor jou, hé!? En ik leg mijn aansprakelijkheid af bij de notaris! Dan kan jij zelf voor de rest van je leven betalen als die neonazi’s hier gepasseerd zijn!                                 En nu, naar je kamer. Dat ik je niet meer zie. Sylke:    (roept) Daar ben ik al! Paul:                                     Mijn verontschuldigingen dat jullie hiervan getuige moesten zijn. Deze hele toestand heeft dit gezin onder grote druk gezet, zoals u ziet. Bedankt Esmé voor de verhelderende uitleg. Ik denk dat je meer voor onze dochter gedaan hebt, dan dat je je nu kan voorstellen. Ronald:                                Soms denk ik, Paul, dat het gemakkelijker is een gemeente te besturen dan een puberende dochter. Paul:                                     Dan zou ik evenveel moeten verdienen, is het niet? Ronald en Paul lachen.   Esmé:                                   Als jullie nog vragen hebben, mag je mij altijd bellen. Ik werk niet gratis natuurlijk, maar op mijn website kan je het allemaal nog eens rustig nalezen. Ik heb er een casestudy van gemaakt: www.hoegajeviraal.com. Celien:                 Viraal? Esmé:                                   Uiteindelijk wil ik mijn kennis in een gesystematiseerd model kunnen aanbieden aan marketeers als hulp bij nieuwe strategieën om de markt te bespelen. Celien:                 Ik ben onder de indruk. Esmé:                   Bedankt! Ik ben ervandoor. Ik heb een trein.                                Tot zaterdag misschien? Het wordt alleszins een vet feestje!                                Succes ermee! Iedereen zegt vaarwel op zijn manier. Ronald:                                Ik ben er ook vandoor. Het geeft me wel wat om handen, moet ik zeggen. Paul:                                     Bedankt voor uw komst, meneer de burgemeester. Ik ben er zeker van dat Sylke het ook apprecieert. Ronald:                 Verstand komt met de jaren, hé.                                Maar zeg eens: wat zijn jullie nu zelf van plan te doen zaterdagavond? Celien:                                 We gaan naar mijn zus. Wij blijven hier niet. Wat zouden wij hier binnen zitten doen? Dan zijn er leukere dingen. Ronald:                 Een verstandige beslissing! Paul:                     Ik niet. Ik ga werken. Ronald:                 Het is niet waar! Paul:                     Ik ben brandweerman; ik wil dat de mensen op mij kunnen rekenen. Ronald:                 Een beste man! Paul:                     Bedankt! Ronald:                 En een verstandige vrouw! Celien:                 Soms! Ronald:                                Zorg maar goed voor jullie Sylke! Dat ze haar gedachten een beetje kan verzetten op zaterdag. Celien:                 We hebben al wel een aantal ideetjes. Ronald:                 Prima! Tot morgen! Sylkes ouders zien de burgemeester buiten. Door de opening van de voordeur zien we flitsende camera’s. Ronald:                 (tegen de reporters, terwijl Paul en Celien luistvinken) Er is een noodverordening afgekondigd voor zaterdag. Er geldt een strafbaarheidsstelling op alcohol en risicozones worden afgezet en bewaakt. Er is dus geen reden om te komen naar dat feest en er is geen reden tot paniek. Bedankt! Celien:                 (tegen Paul) Doe dicht, die deur!   Paul zet de tv aan. Hij ziet hun huis, met een reporter ervoor. Hij volgt de reporter en wordt bozer en bozer. Reporter 2:        […] Heeft u misschien geen Facebookaccount? Dit geval is een wel erg groteske illustratie van de gevaren die de sociale media met zich meebrengen en hoe een onschuldige misstap online niet zonder repercussies blijft in het echte leven. We kunnen niet anders dan besluiten dat deze wereld een wereld is geworden waarop ouders hun kinderen niet meer kunnen voorbereiden. Sommigen spreken van een tragedie van Orwelliaanse proporties, anderen van een doodsteek voor het ouderlijk gezag. Kent u iemand die van plan is te komen naar het Project x-feest van Sylke van Pael? Zeg het hem. Zeg het haar: Ga niet! Alsjeblieft. Ga niet! Denk er niet aan om te gaan. Niet doen! Ik zie het je denken: zou ik gaan? Maar niet doen, hoor! Niet gaan Alsjeblieft! Het is zo al erg genoeg. Paul controleert door het raam of hij het misbaksel ziet. Paul loopt het huis uit en het tv-beeld in. We horen hem live en via de tv. Paul:                                     Jullie mogen dit niet uitzenden. Daar geef ik jullie geen toestemming voor. Reporter 2:        Maar… Dit is live. Paul haalt uit met de afstandsbediening. 5.    Inbunkering en desoriëntatie De woonkamer van het gezin Van Pael is veranderd. Waardevolle spullen zijn verstopt. Er hangen spiksplinternieuwe, beveiligde rolluiken. De meubels zijn voor de lichtschakelaars geschoven. De glazen luster is ingepakt. … Sylke en haar moeder zijn in de woonkamer. Sylke heeft een sexy feestjurk aangetrokken, waar tante Madeleine nog iets van zou kunnen leren. De deurbel gaat twee keer kort na mekaar. [Celien wil kijken wie er buiten staat, maar de rolluik is te ver afgelaten. Ze neemt de afstandsbediening van de spikplinternieuwe rolluiken, waar ze niet wijs uit raakt. Ze drukt op een aantal knoppen. De verkeerde rolluik gaat omhoog. Celien wil dit snel ongedaan maken om niet de illusie te wekken dat er iemand thuis is. Ze drukt op een aantal andere knoppen. De juiste rolluik gaat omhoog, maar te ver naar Celien’s zin. Ze is doodsbenauwd voor mogelijke indringers. Ze drukt op de knop die de rolluik weer naar beneden laat, waardoor ze weer niet kan zien wie er voor de deur staat. Ze  probeert de rolluik net zo hoog te krijgen dat ze heimelijk, maar comfortabel kan zien wie er voor de deur staat. Uit haar manier van bewegen  moet blijken dat ze vooral niets verdachts wil laten uitschijnen.] De deurbel gaat opnieuw, twee keer kort, één keer lang. Sylke wil doodgraag openmaken, maar haar moeder houdt haar met een ‘ksst’ staande. De deurbel zeurt een derde maal, kermend bijna. Paul:                     OPENDOEN! We horen een massa metalen plaatjes tegen de tegels kletteren. Sylke loopt naar de deur en doet open. Paul zit op zijn knieën de straatnaambordjes op te rapen die hij heeft laten vallen. Het zijn er zeer veel, zo veel als er straten zijn in Zelegem. Paul:                     Bedankt, dames! Bedankt! Celien:                 Paul, je hebt toch een sleutel? Paul:                     En maar twee handen, Celien! Ik heb er maar twee! Celien:                                 Je hebt zelf gezegd dat we uiterst voorzichtig moesten zijn. Dat zijn je eigen instructies. Paul:                      Dus laat je onze rolluiken de French Cancan dansen? Hoogst subtiel! Celien:                 Twee keer kort, een keer lang hadden we afgesproken. Sylke:                    Laat mij helpen. Celien:                 Wat is dat allemaal? Paul:                                     Geen kat die onze straat zal weten te vinden vanavond! En hetzelfde geldt voor de Kerkstraat, de Priorijstraat, de Statiestraat, het Jarrebesplein, de Van Hooidonckstraat, … Celien:                  Jezus, Paul. Dat zijn precies álle straatnamen van Zelegem. Paul:                                     Dat zíjn alle straatnamen van Zelegem, Celien. Allemaal! We desoriënteren de vijand en brengen hem helemaal van de wijs. Ik laat niet toe dat die hooligans zomaar op ons huis kunnen aflopen. Celien:                                 Ga je ze nog wel kunnen terughangen? Ken jij alle straatnamen uit je hoofd? Paul:                                     Celien… Dat is toch niet nodig. Dan neem ik er toch gewoon een plattegrond bij. Celien:                  Ah, natuurlijk. Paul:                      Ik heb eigenlijk zelfs geen plattegrond nodig. Ik heb een smartphone. (Beseft plots welke nodeloze uitputtingsslag hij gevoerd heeft.)                                SHIT!!! Celien:                 Wat scheelt er, schat? Celien:                 Ben je er één vergeten? Paul:                     … Sylke:                    Niet iedereen heeft een smartphone, papa. Paul:                     Bedankt, Sylke. Celien:                                 Ik vind het heel knap wat je gedaan hebt, Paul. Heel Zelegem mag blij zijn met wat jij doet voor de inwoners. Overal de straatnamen gaan uitvijzen. Je bent een held, lieve schat. Paul:                     Ja. Ja.   Sylkes telefoon gaat. Het is Mere’s beltoon. Sylke:                    Mag ik mijn telefoon? Het is Meredith. Celien:                 Hoe weet jij dat? Sylke:                    De beltoon. Dat is Meredith. Celien:                 Ah zo? Sylke:                    Geef mij mijn telefoon. Celien:                 Afspraak is afspraak. Sylke:                    Geef mij mijn telefoon. Het is Meredith. Celien:                                 (tegen Paul terwijl ze Sylkes gsm geeft.) We hadden hem gewoon moeten wegsteken in de kluis. Sylke:                    (veelbetekenend) Hé Mere. Ça va? Het is mijn blauw topje geworden en … Nee. Dat meent ge niet. Als je mij dit aandoet, spreek ik nooit meer tegen je. Ik luister. Ik luister en het is shit! Nee, dat snap ik niet! Je laat mij gewoon stikken! Ja, doe maar. Doe maar! Trut! Celien:                 Wat was dat allemaal? Sylke:                    Ze komt niet. Celien:                 Ze komt niet? Sylke:                    Ik had haar gevraagd om mee te gaan naar tante Madeleine. Celien:                                 Oh, liefje! Daar heb je ons niks van verteld. Dat had Maddy wel willen weten voor het eten. Sylke:                    Ik dacht dat het wel oké was. Celien:                                 Hoe komt het dat ze niet komt? Ze wil vanavond toch niet op straat gaan rondhangen? Sylke:                    Weet ik veel. Ze komt niet. Ze laat mij gewoon keihard stikken! Sylke rent huilend weg met haar gsm. Celien:                 Sylke Van Pael! Hier met die gsm! Sylke brengt sobbend haar gsm terug en rent dan alsnog weg. Sylke:                    Ik mag nooit niks! Frank De deurbel gaat. Paul:                     Sst! Niet opendoen! Frank, de buurman komt binnen. Paul:                     Frank? Frank:                   Dag Paul. Paul:                     Hoe kom jij hierbinnen? Frank:                   De deur stond open. Paul:                     Wablief? Frank:                   Houden jullie geen feestje? Paul:                                     Het is te zeggen... We hebben wat malaise ondervonden met de gastenlijst. Frank:                   Daar heb ik het een en het ander over vernomen.                                 Nu zat ik toch een beetje met een vraag. Paul:                      Dat begrijp ik. Dat is je recht, Frank. De zaak is hopeloos uit de hand gelopen. Het lag niet in onze bedoeling onze buren op te zadelen met overlast. Ik wil mij  bij deze graag nog een keer persoonlijk bij jou verontschuldigen in naam van m’n hele gezin. Frank:                   Ja, dat staat ook in je brief. Paul:                      Je hebt hem goed ontvangen, zie ik. Frank:                   Ja. Je zult hem wel gewoon bij mij in de bus gedaan hebben, zeker? Paul:                      Celien heeft dat gedaan. Frank:                   Of Celien. Paul:                      Celien, ja. Frank:                   Sylke zie ik zo meteen nog geen brieven bussen. (lacht) Paul:                      Waar kan ik je mee helpen, Frank? Ik moet zeggen… Je bent wel aan de late kant. Frank:                   Is het al begonnen? Paul:                                     Nee. Ik heb alleszins nog niet veel mensen gezien. Maar ik zou zo meteen niet weten wat je nu nog kan doen om je voor te bereiden. Laten we hopen dat het allemaal meevalt. Frank:                   Oh… Het zal wel meevallen, zeker? Paul:                      Frank. Ik moet over vijf minuten vertrekken naar het werk. Het spijt me.                          Wou je nog iets vragen?   Frank:                   Ben je van dienst? Paul:                     Toch wel. Frank:                   Op de verjaardag van je meisje. Dat is sneu! Paul:                                     Ik denk dat dat het beste is wat ik kan doen gezien de omstandigheden. Mijn verantwoordelijkheid opnemen en paraat staan om waar het nodig is. Frank:                   Dat moet je in je hebben, hé.                                 Voor Sylke is het misschien wel leuker dat haar vader gaat werken. Paul:                      (onderbreekt hem) Zelfs de brandweer van Zierzaai is zelfs volledig op stand-by gezet. Dus ik kan – en wil – er echt niet onderuit. Frank:                   Ja. Dat begrijp ik.                                 Nu goed… Ik vroeg me af… Paul:                      Ja. Frank:                   … of het nu de bedoeling is dat wij komen. Paul:                      Wij? Frank:                   De mensen uit de buurt. Je buren…                                 Ik spreek in naam van mezelf hoor.                                 Ik dacht... Ik heb geen plannen vanavond. Paul:                      Je wil komen Frank:                   Ja. Paul:                      Komen helpen? Frank:                   Helpen? Nee! Paul:                      Dan begrijp ik niet wat je bedoelt, vrees ik. Frank:                                   Ik zal mij anders uitdrukken. Voor hoeveel mensen hebben jullie drank voorzien?        Ik wil jullie niet ontgerieven. Ik drink alleen maar bier. Paul:                      Frank! Frank! Frank:                   Kijk Paul, ik raak er niet aan uit. In je brief staat:                                 “Onze vijftienjarige dochter, Sylke, heeft voor haar verjaardag…”                                 Oké, oké. Dat snap ik. Maar dan schrijf je onderaan: “Laat ons de spreekwoordelijke handen in mekaar slaan en een figuurlijk schild vormen tegen de toeloop van zoveel hormonaal geweld.”                                 En dan:                                 “Zaterdag twaalf maart is het zover. U bent gewaarschuwd.”                                 En vervolgens: “Nogmaals: altijd welkom! Onze deur staat open.” Paul:                                     Frank! Dat slaat terug op die alinea meer bovenaan. Hier zo. Waarin ik schrijf dat ik alle vragen wil beantwoorden en steun en zorg wil bieden, niet alleen  als vader van een puberdochter, maar ook als brandweerman van Zelegem en … Frank:                   bezorgde burger. Paul:                     Ja. Frank:                   Dus het is geen uitnodiging. Paul:                     Nee. Frank:                   Oké. Geen probleem. Paul:                     Ik hoop dat je het niet erg vindt. Frank:                   Nee, nee! Ik was natuurlijk wel benieuwd. Hoe dan ook, TV2 zendt het live uit. Paul:                     Ah. Dan hoef je het niet te missen. Frank:                   Voilà. En thuis heb ik ook bier. Paul:                     Zo is dat. Frank:                   Allez vooruit, want jij moet vertrekken zeker? Paul:                     Dat wordt tamelijk dringend, ja. Frank:                                   Gusta en Staf gingen misschien ook een kijkje komen nemen. Misschien ook niet. Paul:                      We zien wel. Frank:                   Is goed. Saluut! Goed vieren vanavond. Paul:                     Bedankt, buurman!       Frank:                   Laat ik de deur open? Celien:                 Doe maar toe Frank, bedankt! Frank verdwijnt. Paul snelt naar zijn boterhammendoos. Paul:                     Godverdegodver… Sommige mensen! Celien:                  Frank is eenzaam, Paul. Je moet dat verstaan. Paul:                                     Eenzaam? Waarom was hij eergisteren dan niet op de bewonersvergadering? Celien:                  Vooruit, vertrek nu. Dan blijf je rustig op de baan. Paul:                      Wie weet zit het verkeer al vast. Celien:                  Veel succes, schat! Paul:                      Dag Celien.                                 (roept in de hal) Dag Sylke! Het is misschien niet wat je in gedachten had, maar probeer er iets leuks van te maken, hé!                                De groetjes aan tante Maddy! Paul wandelt de deur uit. Celien:                 Kom, Sylke, we zijn weg.                                Sylke!                                Sylke? Het is niet het moment om te dralen, Sylke. Wie weet, hoe is het verkeer? Celien loopt naar boven. We horen gebons op de deur. Ze komt terug de woonkamer in.                                Zeg dat het niet waar is, hé. Ze belt haar dochter. Sylkes gsm gaat af. Hij ligt op de salontafel. Celien:                 Shit!     6.    Waar is dat feestje Sylke staat alleen in een voetbalkantine. De andere aanwezigen zijn gesuggereerd. Het zijn vrienden van vrienden van Mathijs en Meredith. Er kan lawaai zijn of een dreigende stilte. Het is er alleszins niet gezellig. Sylke:                    Ik ben hier nog nooit geweest. Ik wil drank. (neemt drank) Bedankt! Depressief zul je bedoelen! Waar is Mathijs? Kan je hem niet bellen? Ik heb geen gsm. Mere heeft mij ook al laten zitten. Tof! Meredith. Mijn beste vriendin. Vroeger. Héhé, grappig! Met een bende halve debielen in dit kot is niet bepaald wat ik in gedachten had. Sorry, hoor. Ik bedoel: het is wel mijn verjaardag. Ik word er zestien. Sorry! Ik bedoel daar niks mee. Ik zeg gewoon: debielen. Dat is toch een woord? Ik ben depressie-ief! Och, het is al goed! Wat? Ja, in je dromen. Grapjas. Word dan maar al snel wakker. Allez, doe niet onnozel. Hier joh! Dit kun je krijgen. (draait zich om een toont haar kont terwijl ze minachtend over haar schouder kijkt.) Zeg! (oprecht geflatteerd) Allez, merci! Wie zijn jullie eigenlijk? Het zal wel. Ja, ik ben Kate Moss! Kan er niks anders op? Beyoncé of zo. Ja, jij mag iets anders goed vinden, hé. Wat? (wantrouwig) Okéééééé. Geen rare dingen doen, hé. Oké, maar ik meen het, hé. Ja, ik ook! (draait zich om met haar vingers in haar oren) Mag ik? Mag ik nu? (draait zich terug om) Oh, dat is kei lief! Is dat voor mij? Oh, dat is lief! Dat hadden jullie niet moeten doen. (buigt zich voorover en blaast kaarsjes uit) Wat? Ja, het zal wel! Wat? Dat zie je van hier. Ha. Ha. Ha. Zoveel heb ik nog niet gedronken, hoor! Nee. Dat doe ik nooit. Waarom zou ik? Nee. Zoveel drink ik niet. Waarom wél? Grappig, hoor! Allez, oké. Het is goed. (neemt een pint en drinkt die ad fundum) Amai, dat kriebelt. Nee, subiet misschien… Nee, toch niet. Goed geprobeerd! Ik weet niet, een gezelschapspelletje?                                Lach maar. Ja, ik vind dansen wel leuk. Alleen? Grappig! Och, bol af! (drinkt nog een pint) Bedankt. Nóg niet zat. Niet zat en niet zot. Saai, hé. Nee! Waarom zou ik? Ik heb dat nog nooit gedaan. En dan? Oké, nu doe je echt debiel. Hé, stop daarmee! Doe gewoon. Blijf ’s van mijn lijf. Echt! Bol af! Pak die pint maar mee! En dan? En dan?                                Amai. Als het zo zit, ben ik weg. Echt! Hey makker. Ik denk niet dat jij hier woont, wel? Laat dat dan toch gewoon!                                Liever saai dan crimineel. Wat? En jouw moeder viel flauw toen ze zag hoe lelijk jij was. Kruip daar dan op, hé. Oké, ik ben hier nu weg. Echt! Dit is echt niet meer leuk.                                Laat mij door!                                Laat mij door, zeg ik. 7.    Waar is Sylke? Het is zes uur ’s ochtends. Celien zit in de woonkamer te wachten op een teken van Sylke. Ze heeft in elk hand een gsm vast. Door de ramen zien we mogelijk de ravage van de vorige nacht. De deur gaat open en Sylkes vader komt binnen. Celien:                 En? Paul:                                     In die kantine was ze niet. Er was niemand. In de vuilbak stak een taart.             Heb je nog iets gehoord van Meredith? Celien:                 Nee. Misschien bel ik over een uurtje nog eens. Dan is het acht uur Waarom doet ze ons dit aan? Hebben wij haar nu iets misdaan? Paul:                     Ze had duidelijk geen zin in een feestje bij tante Maddy. Celien:                                 Paul! Konden wij weten dat ze van plan waren hun eigen feestje te brouwen op de voetbal? Wij kunnen dat niet rieken, of wel? We hebben haar gevraagd of ze iets te verbergen had, meer dan één keer en ze zei: neen. Ze heeft tegen ons gelogen! Paul:                      Heb je al gedacht aan…? Celien:                                 Aan het ergste? Natuurlijk heb ik daar al aan gedacht. Ik heb al aan alles gedacht! Paul:                     Ik kan hier niet blijven. Ik ga verder zoeken. Celien:                                 O wee, wanneer ik haar onder mijn ogen krijg. Ze zal er niet goed van zijn! Ze had minstens kunnen bellen, of een poging doen. Allez, ja…  Een flink pak rammel en leven lang huisarrest, dat is wat ze verdient. De deur gaat voorzichtig open, een slaapdronken Sylke waait binnen. Sylke:                    Zijn jullie nog wakker? Celien:                  Sylke? Kindje, mijn kindje, mijn kindje toch! Waar heb jij gezeten? Hoe zie je eruit? Wat is er gebeurd, Sylke? Wat hebben ze met je gedaan? Oh, Sylke! (begint te huilen als een klein kind terwijl ze Sylke plat tegen zich aaandrukt) Sylke:                    Mama, je overdrijft! Celien:                  Overdrijven? (geeft Sylke een muilpeer) Merhte:              Auw! Mama! Celien:                 Voila!                                 Je stinkt!                                En nu: vertel! Wat heb jij in godsnaam uitgestoken? Het is bijna acht uur.                                 Of weet je wat? Neem maar eerst een bad! Sylke:                    Wat is het nu? Celien:                  Paul! Zeg iets! Paul:                                     Je beseft dat je een leven lang huisarrest hebt? Dat over een uurtje de begrafenisondernemer komt en we je levend zullen moeten begraven tenzij jij zelf opdraait voor de  kosten. Sylke:                    Je maakt een mop. Paul:                      Het is nochtans niet grappig. Sylke:                    Dat vond ik ook al niet. Paul:                      Het was wel om te lachen. Sylke:                    Ha. Celien:                  Sylke. Wij eisen een verklaring. Sylke:                    Ik heb mij geamuseerd. Het was mijn verjaardagsfeest. Celien:                  Sylke. Dat kan niet. Sylke:                    Waarom niet? Celien:                                 Kijk naar buiten, Sylke Van Pael. Het is daar een ravage! Hoe kan jij je nu geamuseerd hebben, tenzij je zelf de hooligan hebt uitgehangen? Wat heb jij vannacht gedaan? Sylke:                   Ik heb niet de hooligan uitgehangen. Jij kent mij echt niet, hé? Denk jij dat iedereen gisterennacht de hooligan heeft uitgehangen? De meesten stonden gewoon saai op straat te staan. En het was koud! Paul:                      En jij, Sylke? Wat heb jij gedaan? Sylke:                   Ik heb mij gewoon goed geamuseerd op mijn verjaardagsfeestje. Dat was toch de bedoeling? Paul:                      Sylke, dat mocht niet en dat wist je! Sylke:                   Jullie hadden mij een feest beloofd en sturen mij dan naar tante Madeleine. Dat noem ik geen feest! Celien:                                 Dat was alles wat onder de huidige omstandigheden konden doen, Sylke. Een beetje medewerking van jou was welkom geweest! Sylke:                   Nee, dat was niet alles wat jullie hadden kunnen doen. We hadden een ander feest kunnen organiseren. Of we hadden er gewoon echt iets leuks van kunnen maken. In plaats van overal politie neer te zetten. Paul:                      Ik geloof mijn oren niet. Sylke:                    Dat komt omdat jullie geen oren hebben! Celien:                  Dimmen! Brutaal nest. Paul:                                     Wij zijn je ouders en je wist wat er van jou verwacht werd. Wij vertrouwden jou, Sylke. Vertrouwen!? Celien:                                 Dat vertrouwen heb je op één dag helemaal kapotgemaakt. En dat zal maar heel traag moeten teruggroeien. Sylke:                    Jullie vertrouwen is niks waard! Het is gemakkelijk als je niks mag. Er waren duizend mensen, maar ik, ik mag niet mee doen. Op mijn eigen feestje!                                 Wel, ik heb het gedaan en ik heb er geen spijt van, oké? Ik heb mij goed geamuseerd. Celien:                  Waarom geloof ik je niet? Sylke:                    Dat weet ik toch niet? Celien:                  Wat is er gebeurd, Sylke?                                 Er is iets gebeurd, Paul. Een moeder voelt zoiets.                                 Wat is er gebeurd?  Sylke barst in tranen uit. Sylke:                    Ik zeg toch dat ik mij goed heb geamuseerd!? Celien:                  Sylke, lief kind. Heeft iemand je pijn gedaan? Ben je geslagen?                                 Kom hier zitten, Sylke.                                 Ze hebben je toch niet… Hebben ze je verkracht? Sylke!                                 Heb je drugs gebruikt?                                 Hebben ze gênante foto’s van jou op het internet gezwierd?                                 Vertel dan toch, Sylke! Sylke:                    Het was gewoon niet wat ik ervan verwacht had. Meredith en ik gingen gewoon met wat vrienden in de kantine van de voetbal een feestje doen. Celien:                 Maar Meredith heeft afgebeld. Sylke:                    Ik dacht dat het wel oké zou zijn. Paul:                     Maar het was niet oké. Sylke:                    Ik kende die mensen niet zo goed. Paul:                     Hoe kwam jij er dan terecht? Sylke:                   Gewoon, Mere vond het echt zielig dat ik nu geen feestje meer had en zij en Gabby wilden daarom nog iets organiseren, dus vroegen ze wat mensen. Paul:                     Dus jij kende die mensen wel? Sylke:                    Niet goed; eigenlijk helemaal niet zo goed; nee. Paul:                      Hoe komt dat? Sylke:                   Mere heeft afgebeld, Gabby is ook niet gekomen en daarom zijn er veel anderen ook niet geweest, denk ik. Iedereen loopt heel de tijd te zeggen dat ik flauw zou zijn als ik niet naar mijn eigen feestje kwam en dan komen ze zelf niet. Celien:                  Wie was er dan wel? Sylke:                   David. Het is zijn voetbalclub. En zijn vrienden, denk ik. En vrienden van vrienden van Mere denk ik. Er waren ook een paar gasten van het zesde. Paul:                      Wie is David? Sylke:                    Een vriend van Mathijs. Paul:                      Was Mathijs er ook? Celien geeft een teken dat ze dat toch al weten. Paul wil Sylke testen. Sylke:                    Mathijs is zelfs niet gekomen! (stort weer diep in het tranendal) Celien:                  Hebben ze iets met je gedaan, Sylke?                                Er heeft toch niemand… Sylke:                    Nee, mama. Celien:                 Weet je het zeker? Sylke:                                   Natuurlijk weet ik dat zeker. Ik was er toch bij, zeker? Ze wouden misschien wel, een paar van die gasten, maar ik ben geen sletje. Ik bedoel… Ik ben nog maar pas zestien! Celien:                  Had je gedronken? Sylke:                    Misschien een paar pintjes. Ik was wel een beetje zat. Celien:                                 Moeten we een zwangerschapstest gaan halen, Sylke? Sylke:                    Mama, alsjeblieft. Ik wil dat het de eerste keer met iemand speciaal is. Celien:                 (tegen Paul) We hebben chance dat die Mathijs niet is gekomen! Paul:                                     (ongemakkelijk) Daar hebben we het later nog wel eens over. Of, liever niet eigenlijk… Of weet je wat? Praten jullie daar onder mekaar maar verder over. Ik denk niet dat ik mij daarin wil moeien. Celien:                  Dus er is ook geen aidstest nodig? Sylke:                   Toen die gasten lastig begonnen te doen, ben ik weggegaan. Ik kan echt wel voor mezelf opkomen, hoor. Tss, wat denken die wel? Paul:                      Vooruit. Je hebt je goed geamuseerd. Daar ben ik blij om. Celien:                  Mathijs heeft een berichtje gestuurd. Sylke:                    Nee! Celien:                                 Hij zei sorry dat hij niet kon komen. Hij was ziek van een visschotel en heeft liggen overgeven. Sylke:                    Heb je mijn berichtjes gelezen? Celien:                  Stond er nu een kusje achter, Paul? Dat weet ik niet meer. Sylke:                    Mag ik mijn gsm terug? Celien:                  Als we klaar zijn met spreken. Sylke:                   OMG Jullie hebben mijn berichten gelezen! Ik kan niet geloven dat jullie al mijn berichten hebben gelezen. Paul:                      Dat was wel het minste om onze vermiste dochter op te sporen. Celien:                                 In elk geval… Hij voelt zich wel beter nu. Ik vond dat hij ook redelijk bezorgd klonk, maar goed, ik ken hem natuurlijk niet. Sylke:                    Oh my God. Jullie hebben toch niet gebeld, hé? Zeg niet dat jullie… Celien:                                 Natuurlijk hebben we wel gebeld. We hebben naar iedereen gebeld. We waren doodongerust. Snap je dat dan niet?                                 Paul, begrijp jij dat nu? Paul:                      Dat kind is in staat om ons opnieuw zoiets te flikken, hé. Sylke, begrijp je dat je nooit ofte nimmer nog zoiets mag doen? Wij zien je graag. Misschien hadden we iets beter moeten luisteren naar jou, maar dit mag je nooit ofte nimmer nog doen. Begrepen? Sylke:                    Ja. Sorry. Echt waar. Ik wist niet dat jullie zo bezorgd zouden zijn. Ik had ook echt wel gewoon kunnen luisteren naar jullie. Sorry. Ik zal… Ik zal echt nooit nog zoiets doen. Paul:                                     Ik ben nog niet klaar met jou, jongedame. Het is acht uur ’s morgens. Waar heb jij in al die tussentijd gezeten? Sylke:    Het was echt niet leuk. Er stond overal politie. Ik mocht er niet langs. Toen zei ik dat ik Sylke Van Pael was en ze zeiden: ‘Ja. Ja. Dat zal wel’. Ik zei: ‘Kijk dan naar die maskers’ en toen zei er een dat ik daar totaal niet op lijk. Toen zei ik: ‘Kijk dan naar die t-shirt’ en ze zeiden: ‘Da’s al beter’. Toen zeiden ze dat ik al de twaalfde of zo was die zei dat ze Sylke Van Pael was en dat de echte Sylke nooit zo stom zou zijn om zomaar over de straat te gaan lopen. Ik zeg: ‘Oké, laat me dan door. Mijn ouders zullen mij wel herkennen.’ Toen zeiden ze: ‘Nee, jij mag er niet langs.’ Toen zei ik: ‘Ja, wat nu? Dat zei je in het begin ook al.’ Toen moest ik mijn identiteitskaart laten zien, maar die had ik niet bij. Toen begonnen ze met van alles te gooien. Celien:                 De politie? Sylke:                    Nee, in de straat. Mensen.        Toen moest ik in de combi. Ze zeiden dat ze contact gingen maken met de agenten die onze straat aan het bewaken waren, maar er was iets mis met de walkietalkies en toen ben ik in slaap gevallen. Celien:                 In de combi? Sylke:                    Ja. Toen is de combi beginnen rijden. Paul:                     Naar waar? Sylke:                   Er was ergens tumult. Ze moesten versterking geven. Ik vloog van links naar rechts. Zelfs toen we stilstonden. Paul:                     En toen? Sylke:                   Ging de deur van de combi open en wilden ze drie jongens binnen gooien, maar toen zei één van die agenten – een vrouw: ‘Nee, niet doen. Sylke Van Pael zit erin.’ Celien:                 En toen? Sylke:                    Toen zei die andere: ‘Is ze terecht? Dat is dan al goed nieuws.’ Paul:                     Dan hebben ze die schavuiten gewoon moeten laten gaan? Sylke:                   Een agent heeft één van die jongens nog een stamp gegeven. Dat was niet die vrouw. Celien:                 En… Sylke:                    Toen ben ik in slaap gevallen. Paul:                     Jij slaapt overal. Sylke:                   Toen ik wakker werd zeiden ze dat ik mocht vertrekken. Ik denk eigenlijk dat ze mij wakker gemaakt hebben. Ik lag daar wel goed. Paul:                     En toen? Sylke:                    Vroegen ze of ik nu echt Sylke Van Pael was. Celien:                 En wat zei je? Sylke:                    Ja. Toen zeiden ze sorry. De deurbel gaat. Celien staat op. Merte:                 Is het op het nieuws geweest? Paul:                     Je moeder heeft je geseind. Celien komt terug in de woonkamer. Celien:                 Sylke, er is iemand voor jou. Sylke:                    Wie? Ik wil niemand zien. Celien:                 Ho, maar deze persoon wel. Sylke:                    Meredith mag voor mijn part kanker krijgen. Paul:                     Sylke! Celien:                 Ben je zeker? Sylke:                    Ja! Celien:                                 Sorry, Mathijs. Sylke wil nu even niemand zien. Ze heeft er een zwaar nachtje op zitten, denk ik. Sylke springt recht en gaat haar moeder voorbij, de hal in. Sylke:                    Hé, Mathijs! Mathijs:               Sylke. Hoe is het met je? Sorry voor gisteren. Heb je mijn berichtje gekregen? Sylke:                    Nu net, ja. Mathijs:               Oh, hoe vervelend. Sylke:                    Het is oké. Mathijs:               Hoe was het gisteren? Sylke:                    Bah… Mathijs:               David heeft me gestuurd dat het niet goed was. Die gasten hadden zich echt scheef gezopen zei hij en hij zei dat ze echt schraal hebben gedaan tegen jou. Sylke:                    Waren dat jouw vrienden? Mathijs:               Ik weet het niet. Het waren vooral mannen van de voetbal, denk ik. Sylke:                    Ik was het enige meisje. Daar hadden ze wel lol in. Mathijs:               Oh nee… Sylke:                    Tof was het niet. Eigenlijk was het ellendig. Mathijs:               Er is toch niks ergs gebeurd? Sylke:                    Oh! Nee hoor. Mathijs:               Ik wil het goedmaken. Sylke:                    Echt? Mathijs:               Ik wil je vanavond  ergens mee naartoe nemen. Dan doen we iets leuks. Sylke:                    Echt? Wat dan? Mathijs:               Ik weet niet… Zeg maar. Sylke:                    Euh… Ik heb nu eventjes geen inspiratie. Mathijs:               Dat snap ik. Sylke:                   Maar wacht … Ik weet helemaal niet of ik wel mag van mijn ouders. Ik moet het echt wel vragen. Ik heb het behoorlijk uitgehangen de laatste tijd. Mathijs:               Dat snap ik. Sylke:                   (met ogen zo groot als eieren omdat Mathijs haar meevraagt) Mama, papa … Mathijs vraagt mij of ik vanavond met hem iets leuks mag gaan doen. Paul:                      Iets leuks? Sylke:                    Mag dat? Tegelijk: Celien:                  Ja. Paul:                      Nee. Paul:                      Wablief? Celien:                                 Thuis om acht uur en geen seconde later of ik speel chaperonne tot je zestig bent. Sylke:                    Oké. (lipt in drukletters ‘dank je’ zodat Mathijs het niet hoort en keert vervolgens terug naar de hal) Sylke:                    Ik moet thuis zijn om acht uur. Mathijs:               Dat is niet erg. Ik pik je op om half acht. Grapje! Om half zeven. Heb je dan al gegeten? Sylke:                    Da’s goed! Mathijs:               We kunnen gaan bowlen. Sylke:                    Bowlen? Mathijs:               Niet goed? Je moet toch iets doen, niet? Sylke:                    Oké. Bowlen is leuk, maar ik kan dat niet goed. Mathijs:               Da’s niet erg. Dan zal ik wel winnen. Tot vanavond. Sylke:                    Tot vanavond. Da-ag. Sylke komt terug in de woonkamer. Sylke:                    Oh my god oh my god oh my god oh my god oh my god.                                 Ik ga bowlen voor mijn verjaardag! Met Mathijs!                                 Mere moet dit weten!                                 Mag ik mijn gsm terug?                                  Please, please, please? Celien geeft Sylkes gsm. Dank je wel, mama. Zoooo hard bedankt, mama. Dank je. Dank je. Dank je weeeeeel! Jij bent de beste mama in de wereld. En jij ook, papa! Paul:                      Ben ik ook de beste mama in de wereld? Sylke:                    Dank je wel, papa. Echt waar! Ik zie je graag! Jij bent mijn held.                                 En nu ga ik Mere bellen!                                Hebben jullie mij nog nodig?                                 Ik ben op mijn kamer! Sylke stormt de trap op. Celien:                  Ik ben blij dat we onze dochter terug hebben. Paul:                      Ah, jij bent daar blij mee?   Een  Google-streetview-auto passeert voorbij de raam en rijdt met moeite over de brokstukken.

Evi Rosiers
0 0