Lezen

Een verjaardag gewonnen

Het is een grote tafel hier, in het klooster. Streng is men niet, de gasten praten en lachen bij het ontbijt. En er liggen echte kranten, die je even doorbladert voor je het eerste gesprek van de dag aangaat.   Toeval brengt ons hier samen. En een gelijklopende interesse voor het oneindige belang van de kleur en de vorm van woorden, hun plaats in een zin. Onze bezetenheid is quasi religieus. In den beginne was het woord, en daar graven en graaien we naar, naar de oorsprong van alle dingen.   Ik ben niet de meest sociale ochtendmens, in normale omstandigheden heb ik genoeg aan een ontegenspreekbare radiostem en beperk ik mijn bijdrage tot een onduidelijke grom naar wie min of meer toevallig in de buurt is.   Radio is hier niet, de stilteregel verbiedt muziek en klank als achtergrond. Voor wie, zoals ik, zijn dagen vult met een eindeloze stroom muziek op shuffle, is het aanpassen. Stilte, zo leer ik, leidt haast vanzelf tot traagheid, alsof we de beats per minute van popmuziek nodig hebben om op gang te blijven.   Na twee koffies ben ik het toch met mijn buurvrouw eens. Het is een bij voorbaat verloren zoektocht, zeg ik, naar het juiste toegangswoord. Zij heeft het over de gesloten dorpsgemeenschap waarin ze woont. Ze is er nooit welkom geweest, zegt ze. Zelfs op schoolfeesten is een plaats aan tafel een geboorterecht. De half lege tafels worden altijd bezet door schimmige voorvaderen en het nog niet geboren nageslacht.   Het is verbondenheid, opper ik. Ingegraven in het land en de tijd waar ze zijn geboren, kan er geen plaats zijn voor de vreemdeling. En al zeker niet voor iemand als jij, die peutert naar het juiste woord om hun benepenheid te beschrijven. Je bent een vluchteling. Inbreker in hun wereld vol rijkdom en geheimen. Kijk naar hun feestkalender, dat epos van herdenkingen. Eén en al ritueel en bezwering. Ze zullen eerder praten over de dorpsmoord, precies dertien jaar geleden, dan jou te vragen hoe het ermee gaat. Enfin, misschien was het toch doodslag.   Natuurlijk. De krantenkoppen zijn in mijn analyse geslopen. Net als het simpele feit dat het mijn verjaardag is. Niemand die dat weet hier, en dat voelt goed. En ook niet. Heeft het belang om te herdenken wanneer ik ben geboren? Er zijn andere eerste keren die diepere sporen hebben nagelaten. En laatste keren die we eigenlijk liever zouden vergeten, maar net daarom toch ook weer niet.   Zo is bijgekleurd exact twee jaar jong, weet Wordpress me te vertellen.   De gasten hier zijn wel opgevoed en beschaafd. Zij halen tussen de havermoutpap en het speltbrood geen smartphone boven. Een verslaving waar ik tegen vecht. Niet dat er ooit wat wezenlijks gebeurt, ik zou schrikken als dat wel het geval zou zijn. Maar de nood om de vingers aan de zwakke pols van het leven te houden dateert al uit mijn jeugd. Van voor smartphones, of sociale media. Misschien wil ik wel gewoon steeds elders zijn.   Ongetwijfeld stromen de digitale wensen nu binnen, van mensen die ik nauwelijks ken, politici, en andere eenzame zielen. En van echte vrienden, uiteraard.   Ik draai me discreet om, plaats mijn vinger op de ontgrendelingsknop.   Het valt tegen, mijn populariteit. Maar het is nog vroeg, en vakantie bovendien.   Ik zoek naar een blauw woord, om de teleurstelling die ik niet wil erkennen mee te lijf te gaan. Het betekent immers niks, dat weet ik wel. En ik zwijg zelf ook steeds meer, in mijn zoektocht naar kracht in woorden. Stilte is ook loslaten, blijkt. Tijd laten glippen door je vingers, en dat ok vinden. Om dan vast te stellen dat wanneer de tijd traag gaat, je eigenlijk meer kan doen in een uur, dan wanneer je holt.   Ik ben niet helemaal overtuigd, zegt mijn buurvrouw wanneer ik het toestel weer opberg. Volgens mij denken ze helemaal niet aan voorvaderen. Ze denken alleen aan zichzelf, en aan hoe vermoeiend het is een conversatie op gang te houden met iemand die je niet kent. Met wie je niks deelt, op een blik naar de zee na.   Haar verwijzing naar de zee snap ik eerst niet. Maar het is wel het blauwe woord dat ik zocht. Een woord als weg naar een andere wereld. Nee, mijn verjaardag betekent niets, ik ga de golven niet splijten. Mijn woorden zijn daarvoor niet krachtig genoeg.   Ik glimlach naar mijn buurvrouw. Ja, zeg ik. Ze zijn gewoon bang en willen dat niet toegeven. Zoals iedereen, eigenlijk.   Op dat moment trilt mijn broekzak. Ik laat het zo.   Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com  - de blog die net twee jaar bestaat        

Dirk Van Boxem
1 0

Will Tura's gouden raad

Je had in die tijd veel mooie liedjes op de radio, niet zelden Vlaamse zangers en zangeressen. De meeste van hen zongen in de taal van het land waar ik was geboren. Van al die artiesten van eigen bodem was er één die beter, succesvoller en goddelijker was dan alle anderen. Zijn naam Will Tura. Een diepe vreugde vervulde mijn hart telkenmale wanneer de stem van deze zanger in de ether weerklonk. Hits als Twee verliefde ogen, Arme Joe of Als je vanavond niet kunt slapen, ik brulde ze foutloos mee, van de allereerste tot de allerlaatste noot. Ik had ook twee langspeelplaten van deze zanger. Ze heetten respectievelijk Tura 82 en Tura 83, een verwijzing naar hun jaar van uitgifte. Op de hoesfoto van Tura 82 poseerde de Keizer van het Vlaamse lied op een oplichtende troon. Zelfverzekerd keek hij in de lens. De plaat zelf bevatte uitsluitend topsongs, want mijn idool maakte volwaardige albums en vullertjes waren uit den boze. Op Tura 83, een zo mogelijk nog sterker album dan zijn voorganger, mocht Will dan een jaartje ouder zijn, toch was dat was niet aan hem te zien en nog minder aan hem te horen. Wel waren zijn teksten wat volwassener geworden. Anders dan voorheen zong Will nu over onderwerpen als hoop (in het nummer Esperanza) en de waarheid (in het nummer De waarheid).  Ik had in die jaren mijn eerste vriendinnetje, een knappe blondine die luisterde naar de naam Barbara. Ze was twee jaar jonger dan ik en bezat nog al haar melktanden, die ze elke dag poetste, teneinde mijn wereld te verblijden met haar stralende lach. Barbara was het eerste meisje dat me ooit op de mond had gekust, op een dinsdagavond in het steegje achter de kerk. Het werd een moment om nooit te vergeten. De warmte van haar lippen trok van mijn mond naar ergens diep onder in mijn buik. Het meisje maakte ongekende gevoelens in mij wakker, gevoelens die ik pas jaren later zou kunnen plaatsen. Maar de warmte in de onderbuik kwam niet alleen. Algauw merkte ik dat haar kus ook een barstje in mijn hart had geslagen, een dunne kier waardoor zich al snel een koude wind naar binnen wrong. Had Barbara nog meer jongens gekust? En wie dan wel? Misschien mijn beste vrienden, misschien de hele klas … Wat had die ene kus aan mij dan voor haar betekend? Betekende ik überhaupt wel iets voor haar? Was zij mijn liefde wel waard? Twijfel maakte zich meester van mijn gemoed. Alsof toeval bestond, bracht Will Tura net toen zijn nieuwe single uit: Vergeet Barbara. Voor het eerst in mijn leven hoorde ik een lied met een boodschap. Sta me toe als een vriend / Jou een gouden raad te geven / Maak je los van wat je bindt / En begin een ander leven / Denk niet meer aan Barbara (…). Het was een onmogelijke opgave. Hoe kon ik niet aan Barbara denken? Ik dacht dag en nacht aan haar, ik droomde van haar, ik schreef haar brieven, die ze beantwoordde op geparfumeerd papier, en ze woonde amper twee straten verderop. Maar het refrein liet geen ruimte voor vergissingen: Vergeet Barbara / Ze verdient jouw liefde niet / Denk aan je geluk / Vergeet! Het nummer steeg als een pijl naar de top van de Vlaamse hitlijsten en was om de haverklap te horen. Ik hoorde het in de keuken, ik hoorde het in de supermarkt, ik hoorde het op de achterbank als het weer eens op de autoradio kwam en moeder nietsvermoedend een extra draai aan de volumeknop gaf … Duidelijker kon een boodschap niet zijn! En toch had ik mijn twijfels, want hoe kon ik er zeker van zijn dat Will inderdaad ‘mijn’ Barbara bedoelde? Aan het einde van de zomer verhuisde ik naar een andere school. Een nieuwe wereld ging voor mij open. Stilaan kreeg ik de baard in de keel, ik maakte nieuwe vrienden, ik luisterde steeds minder naar Will Tura, en het mooie blonde meisje wier lippen ooit de mijne hadden beroerd, verdween langzaam maar zeker uit het oog.     Ik ontmoette Will Tura op een warme zondagnamiddag. We zaten samen aan de bar van een café in de Gentse binnenstad. Het terras was ingepalmd door nieuwe intellectuelen en hun libertair opgevoede kinderen, van wie er nu en dan een paar joelend naar binnen holden om halfnaakt en rollend verkoeling te zoeken op de stenen vloer of om te stoeien met de sanitaire voorzieningen achter in het etablissement. Maar geen van allen herkende de Vlaamse superster, die zich in een slimme hoek ten opzichte van het binnenvallende licht had geïnstalleerd. We dronken samen een magnumfles Veuve Clicquot, waarna Will me uitnodigde voor een ritje in zijn Porsche Carrera cabriolet. Hij startte de motor en liet hem een paar tellen stationair ronken als een ontwakende draak. ‘Waar wil je heen?’ vroeg hij. Weinig later zoefden we laag boven de snelweg richting kust. De zon viel door het open dak op de bruine, glanzende huid van de zanger. Zijn ene hand hing ontspannen door het raampje, met de andere stuurde hij de Porsche soepel over het asfalt en uit de cd-speler galmde het beste van Nat King Cole. Het monument van de Vlaamse muziek zag er ontspannen uit. ‘Mooi,’ lachte hij, ‘het leven is mooi.’ Ik kon dit slechts beamen. Bij de splitsing in Jabbeke kun je rechtdoor naar Oostende of linksaf richting Westhoek. Will koos resoluut voor het laatste. Wat later parkeerde hij de wagen op de Grote Markt van Veurne. ‘Ik heb een hongertje gekregen,’ zei hij. ‘Ga je mee?’ Mijn voormalige idool had zijn vaste tafel in brasserie Het Veulen. Bij het binnenkomen werd hij door zowat iedereen begroet en soms zelfs bij zijn echte, niet-artiestennaam genoemd, die ik hier om privacyredenen niet zal vermelden. ‘De mensen kennen me hier,’ lachte hij, ‘hier kan ik nog gewoon mezelf zijn.’ Ondertussen beantwoordde hij als een galante heer eenieders groet. Een vriendelijke ober vernam graag wat we wilden eten. Het aperitief werd ons aangeboden door het huis. Will bestelde een pan mosselen, ikzelf ging voor stoofvlees met frieten. ‘Kijk, dat is nou het verschil tussen jou en mij,’ zei Will, ‘jij komt uit het binnenland, jij bent een vleeseter. Maar ik blijf een jongen van de kust, ik hou nog het meest van de schatten van de zee.’ Terwijl we op de schatten wachtten, vertelde Will onder het genot van zijn apéritif maison over de geneugten van ‘zijn’ Veurne, over Jenny, de vrouw van zijn leven, maar ook over zijn rijk gevulde carrière, over de hoogtes en laagtes, over zijn liefde voor muziek … Ik, van mijn kant, zag mijn kans schoon om allerlei boeiende vragen te stellen. Was hij echt eens alleen naar Venetië geweest? Was 797204 echt zijn telefoonnummer? Doch ook over de antwoorden op die vragen kan ik om begrijpelijke redenen niets kwijt. Het eten werd gebracht. De frietjes zagen er knapperig uit, het stoofvlees helaas ook. Will tilde het deksel van de mosselpot en straalde terwijl hij de geurige dampen snoof. ‘Moa ven toh,’ grolde hij, ‘de geur van de zee!’ Op dat moment werd ergens een raam of een deur geopend. De tocht joeg de dampen in mijn richting, zodat ook ik nu de zee kon ruiken. Ze rook naar selder en witte wijn. ‘Zeg Will,’ vroeg ik, ‘hoe zat het nu eigenlijk met de meisjes in al die jaren? Voor een succesvolle zanger als jij moeten de Vlaamse meisjes zich toch in groten getale hebben aangediend? Hoe kon je al die jaren trouw blijven aan je vrouw?’ Will zoog een mossel naar binnen. Een druppel liep langs zijn kin. Hij depte zijn mond met een servet en lachte zoals alleen een charmezanger dat kan. ‘Ik hoef je ook niet àlles te vertellen hé,’ antwoordde hij raadselachtig. Zijn hand verdween weer in de mosselpot. Hier zat duidelijk een man die van het leven genoot. Met een gezonde gretigheid slurpte en lebberde hij aan elke mossel die hij in handen kreeg. De koffie werd geserveerd met een keure aan kleine gebakjes en mijn samenzijn met de held uit mijn kinderjaren naderde zijn einde. Eensklaps kreeg ik een ingeving. Het was als een kleine bom die in mijn hoofd ontplofte, de vraag van één miljoen, de vraag die ik verdorie al meteen in Gent had moeten stellen… dat ik daar niet eerder aan had gedacht! In versnelde vaart pompte mijn hart het bloed naar mijn hersenen, opdat ik de juiste formulering kon vinden, maar dan nog kwam het er belabberd uit: ‘Zeg Will, dat liedje van destijds, Vergeet Barbara, ging dat toevallig over Barbara [hier noemde ik haar achternaam]?’ Will keek op. Hij leek enigszins verbaasd. Een peinzende frons verscheen tussen zijn ogen. ‘Vergeet Barbara…,’ zei hij traag, ‘Vergeet Barbara…’. Hij bracht het kopje koffie met twee handen naar zijn mond en dronk bedachtzaam. ‘Vergeet Barbara….’ Zijn blik dreef af richting oneindig. Toen begon hij zachtjes te knikken.   Uit "Beachy Head en andere verhalen", Lode Demetter, 2015 (ISBN 978-90-82-43690-7)

Lode Demetter
4 0

Mijn burn out en ik.

Zo moe zijn, had nooit geweten dat ik zo moe kon zijn. Opstaan en half slapen, rijden naar het werk zonder dat je het eigenlijk beseft hebt…. Duizelig zijn, ’t gevoel hebben dat je bijna omvalt. Willen werken maar je op geen enkele wijze kunnen concentreren. En ik moet werken, ik moet bezig zijn, ik moet.. ik moet veel… Godvert, godvert, het is ondertussen 9 maanden geleden en nog altijd zoveel klachten. Iedereen verteld me: het is voor ons ook lastig om te werken, maar voor mij is het elke dag slepen naar het werk. Ik ben wel nog maar 3 weken terug 4 volle dagen aan het werken. Ik heb ervoor 4 maanden halve dagen gewerkt. 4 maanden ben ik thuis geweest. Ik doe heel graag mijn werk, maar het vlot niet zoals ik zou willen. Ik heb fantastische collega’s die mij opvangen wanneer het nodig is, ik bleit soms wat af!!! Dan vraag ik mij af, hoeveel geduld zal iedereen nog hebben? Hoeveel geduld zal mijn man nog hebben? Voor hem is het ook niet leuk als ik weer eens uitgeteld in de zetel lig, of als ik weer eens een potje aan het bleiten ben. Maar hij weet dat mijn liefde voor hem onvoorwaardelijk groot is.   Ik ondervind dat het schrijven een soort therapie voor mij is. En dat wil wel aan iedereen meegeven. Misschien kan ik er iemand mee helpen, of geruststellen. We zijn enkele dagen op vakantie geweest, het was heel stresserend, want alles wat in mijn “comfort zone ” ligt is goed. Alles wat daarbuiten is, dat moet ik overwinnen, ik ben bang, want wat als ik daar panikeer? Wat als … wat als is voor mij een dagelijkse zin. En ik weet dat ik deze moet weglaten.  En de teugels moet zegevieren. Maar dit is niet altijd gemakkelijk. Nu, we waren dus 4 dagen weggeweest, misschien is het daarmee dat ik zo moe ben. Moet ik het dan bekopen dat ik mij 4 dagen met mijn lief geamuseerd heb? (mijn lief!! we zijn al 16 jaar getrouwd). Had ik misschien beter 4 dagen thuis gebleven? Had, was… nog zoveel vragen???  Denk ik teveel? Natuurlijk!!!! Maar ik kan ook alweer veel meer dan 2 maanden geleden: Ik kan terug typen zonder te kijken naar mijn toetsenbord, kan soms al eens van “de hak op de tak” springen, ik heb plezier aan mijn planten en bloemekes. Ik kan mij ontspannen terwijl ik niks om handen heb. Ik geniet van kleine dingen, thee drinken uit mijn nieuw “viva Sara” kannetje,  kijken naar mijn pas geplante bloemetjes, …. !! Ik rook niet meer, drink geen alcohol meer, ik drink veel water en ik probeer toch ook iets te doen aan mijn voeding. Al deze factoren zullen mij waarschijnlijk meer energie geven.  Dus, het is alleszins de moeite waard. Eigenlijk ben ik goed bezig. Maar soms heb ik een zwak moment, dat kan enkele dagen duren en dan moet ik schrijven. Het van mij af schrijven, de frustraties, dat heb ik van mijn liefste moeder geleerd. En het werkt!!

Vandenbulcke Amélie
63 0

Maanziek, de eerste schooldag

Uit: Maanziek   [...] 'Mathis! Opstaan!' Ik kijk naar de wekker en kreun luid. Zeven uur, tijd om op te staan. Hoe weinig zin kan iemand hebben om weer naar school te gaan? Naast het feit dat de heerlijk warme zomer voorbij is gevlógen en we vanaf nu weer hele dagen in muffe klaslokalen moeten doorbrengen, is er vandaag nog een extra hindernis voor mij en mijn zusje Iluna. Tijdens de zomervakantie zijn we namelijk verhuisd naar het platteland en daarom beginnen we vandaag op een gloednieuwe school. Ik zucht nog een keer en strek mijn armen en benen. Buiten klinkt het gezang van vogeltjes en als ik mijn oren spits, kan ik zelfs het geluid van het kabbelende riviertje onderscheiden. Al bij al is het niet slecht hier. Alleen jammer dat we ons leven in de stad moesten achterlaten. Mijn vrienden, de school waar ik naartoe ging, mijn lief Ellen... Ik wikkel de dekens van me af en ga rechtop zitten. Langs de andere kant... Niemand kent me hier, geen mens weet wat ik gedaan heb. Dit is mijn grote kans om met een schone lei te beginnen. Bij die gedachte fleur ik op en spring uit bed.   Twee maanden geleden ontdekte mijn mama dit prachtige kleine boerderijtje tijdens een weekendje weg. Ze was er meteen verliefd op en wist papa al gauw te overtuigen van de kansen die een frisse start ons boden. Hoewel het huis in perfecte staat is, valt er nog veel aan te doen. Opnieuw schilderen, nieuwe ramen plaatsen, het meubilair vervangen. Ondanks het vele werk dat er nog was, aarzelden we geen moment en waagden de sprong. Impulsief en chaotisch, zo zijn mijn ouders nu eenmaal. Hoewel ik zelf eerder een denker ben, die alles eerst van alle kanten bekijkt, hou ik wel van onvoorziene dingen. 'Mathis, als je nu niet opstaat kom je te laat op school! Wil je al meteen vanaf de eerste dag zo'n slechte indruk maken?' Het is mijn mama die me roept. Nadat ik mijn versleten korte broek en een t-shirt van mijn favoriete muziekband heb aangetrokken, ga ik naar de keuken. Ik plof neer op één van de niet bij elkaar passende stoelen en krijg meteen een bord vol roereieren voorgeschoteld. 'Eet dat maar gauw op, dan kan je daarna... Wat heb jij gedáán?!' Mijn zusje slaakt een gil en valt bijna van haar stoel. Ik kijk niet-begrijpend naar mama en ze wijst naar mijn neus en mond. Voorzichtig tast ik met mijn vingertoppen en voel een glibberig goedje. Bloed. 'Het geeft niet, je hebt gewoon een bloedneus', zegt mama sussend. Ik loop naar de gootsteen en probeer mijn gezicht zo goed mogelijk schoon te maken.   Wanneer ik weer aan tafel zit, zijn mijn eieren koud geworden. De geur ervan kriebelt in mijn neus en roept een herinnering bij me op. Waarover droomde ik ook alweer? vraag ik mezelf af. Ik prik met een vork in de blubberige massa en plots weet ik het weer. 'Ik heb over eieren gedroomd vannacht!' Mijn zusje proest het uit en verslikt zich bijna in haar warme chocolademelk. 'Gek broertje, met je rare dromen altijd!'Iluna noemt me altijd 'broertje', alsof zij de oudste en slimste is. Mijn zus en ik, wij zijn twee handen op één buik. We begrijpen elkaar en hebben aan een half woord genoeg om te weten wat de ander wil zeggen. We voelen elkaar haarscherp aan, ook al zijn we heel verschillend. Iluna is heel sociaal en heeft altijd een hoop vrienden om zich heen, terwijl ik 'de stille' ben. Ik heb moeite om me aan te passen aan wat mensen verwachten, omdat ik vaak absoluut niet begrijp waarom sommigen zich op een bepaalde manier gedragen. Iluna daarentegen kan met iedereen overweg en is het zonnetje in huis. Toch weerhouden die verschillende karakters ons er niet van om elkaars beste vriend te zijn.   Terwijl ik de gigantische berg eieren op mijn bord probeer weg te werken, knabbelt Iluna op een chocoladekoekje. Haar eigen versie van een gezond ontbijt. Ik slaak een diepe zucht en eet rustig verder. Of tenminste, het is rustig totdat onze hond Sam de keuken komt binnengestormd. Kwispelend met zijn staart loopt hij rond de tafel en komt naast me zitten. Erg subtiel, Sam. Stiekem voer ik hem onder de tafel stukjes ei. Mijn zus zit te draaien op haar stoel en is ontzettend zenuwachtig. Ze gaat vandaag voor het eerst naar de 'grote school' en ik herinner me dat ik zelf ook opgewonden was toen ik naar het middelbaar ging. Ik had het geluk dat ik samen met mijn beste vriend Axel in de klas zat. De overgang van kind naar jongere was daarom niet zo moeilijk voor ons. 'Het is hoog tijd om te vertrekken', haalt mama me uit mijn mijmeringen. Ik aai Sam over zijn kop, zwaai mijn rugzak over mijn schouder en loop naar de auto.   * * *   Onderweg naar school wordt er weinig gepraat. Het is rustig op de weg en ik geniet met gesloten ogen van de ochtendzon die mijn gezicht verwarmd. Het dorpje waar we wonen heet Pancake Rocks en is bijna onzichtbaar op de kaart, zo klein is het. Weilanden vol bloemen, heldergroene bossen en riviertjes vol vis bepalen het grootste deel van het landschap. In de dorpskern zijn een bakker en een klein winkeltje waar je groenten, fruit en vleeswaren kan kopen. En natuurlijk ook een prachtig gebouwd kerkje met daarnaast een café. Een stukje verder ligt het stadspark, waar een vijver en een speeltuin voor de kleinsten zijn, en daar weer achter staat de school van Pancake Rocks. Kort gezegd, het is er heel anders dan in de grote stad waar ik tot nu toe leefde. Hier is het ideaal voor iemand als ik, die van rust en stilte houdt.   * * * Een kwartiertje later stopt onze auto voor de hekken van het schoolgebouw. Een klein gebouwtje met een lege speelplaats ervoor lachen me toe. Is dit mijn nieuwe school? Ze is even groot als mijn vorige kláslokaal. Iluna steekt haar hoofd tussen de autozetels door en geeft mama een dikke zoen. 'Tot straks!' Zij is wél enthousiast, maar dat komt waarschijnlijk omdat ze ongeveer honderd keer socialer is dan ik ben. Ik slaak een diepe zucht en terwijl ik uit de auto stap zwaai ik mijn rugzak over mijn schouder. Rustig blijven, maan ik mezelf aan. Alles komt goed. Ik zet een paar stappen vooruit en besef dat ik geen flauw idee heb waar ik naartoe moet. Shit. Ik probeer me te herinneren wat er alweer op het inschrijvingsformulier stond. Alle leerlingen worden verwacht in lokaal...E? Hoewel ik niet honderd procent zeker ben, besluit ik op zoek te gaan naar dat lokaal. Op dat moment krijg ik een harde duw tegen mijn rug en val bijna op de grond. Ik voel de woede als een steekvlam in me oplaaien. 'Hé kerel, kijk eens uit!' zeg ik met een bozige stem. Ik kijk omhoog en pas dan zie ik dat het een meisje was die me zo brutaal opzij schoof.   Mijn woede zakt meteen en maakt plaats voor verlegenheid. 'Eh... Hallo!' stoot ik uit. Stomkop! Ik probeer het opnieuw. 'Studeer jij ook Talen?' Proficiat, je hebt net de slechtste eerste indruk ooit gemaakt. Ze kijkt me nieuwsgierig aan en knippert met haar wimpers. 'Ja, dat klopt', antwoordt ze. Haar stem klinkt als belletjes in de wind. 'En wie ben jij? Ik ken jou niet.' Haar haren zijn nogal rommelig opgestoken in een dot. Boven haar linkeroog heeft ze een pleister. Het maakt haar alleen maar leuker. 'Ik...ik ben nieuw hier', stamel ik. Zo nieuw als maar zijn kan. 'Kan jij me misschien de weg wijzen?' Ik lach zenuwachtig en werp een blik op mijn horloge. 'Ik werd tien minuten geleden verwacht in lokaal E.' Ze lacht, een vrolijke lach die de haartjes op mijn armen recht overeind doet staan. 'Natuurlijk, ik breng je er wel heen. Vandaag kom ik toch enkel mijn boeken ophalen.' Opnieuw die hartverwarmende lach. Ze is niet zoals de meisjes uit de stad, met hun valse wimpers en gemene lach. Bij dit meisje voel ik me meteen op mijn gemak. Mathis, vergeet niet dat je al een vriendin hebt, waarschuwt het stemmetje in mijn hoofd. Denk aan Ellen! Ik voel me betrapt, ook al heeft Het Meisje geen idee wie ik ben. Zwijgend stappen we door de gangen. We gaan trappen op en af, slagen linksaf en dan weer rechts, tot ik geen enkel richtingsgevoel meer heb. Vanuit mijn ooghoek kijk ik naar Haar, hoe ze haar schouders beweegt tijdens het lopen. Even let ik niet goed op, en ik val van een trapje naar beneden. Mijn knieën vangen de klap op en worden meteen rood. 'Oeps, dat was niet zo slim', zegt Het Meisje. 'Let de volgende keer gewoon een beetje beter op, oké?' Ze lacht en ik krijg sterk het gevoel dat ik een déjà-vu heb, ook al kan ik het niet helemaal plaatsen. 'Goed, hier is het', zegt ze. Ze wijst naar een hoge, dubbele deur. 'Veel succes, Mathis!' En ze verdwijnt weer in het doolhof van gangen.   * * *   Omdat ik al te laat ben, heb ik geen tijd om over dit alles na te denken. Ik duw één van de deuren open en stap de aula binnen. In het stoffige lokaal staan een stuk of vijftig mensen te wachten. Hoewel ik langs één kant absoluut geen zin heb om nieuwe vrienden te maken, wil ik toch graag dat ze me aardig vinden. 'Hey allemaal', zeg ik stilletjes. Ze kijken me aan alsof ik een taal spreek die ze niet begrijpen. 'Hoe gaat het?' probeer ik nog eens. 'Yo', zegt één van hen, en de anderen barsten in lachen uit. Met vuurrode wangen schuif ik van hen weg en ga een beetje apart staan. God, ik mis Axel en de jongens. Dan klapt er iemand in zijn handen. 'Welkom allemaal voor een nieuw jaar op de Pancake Rocks Highschool.' Het is de directeur, een vlotte jonge kerel. 'Jullie kennen het klassensysteem ondertussen wel, hoop ik. Of wacht eens... Wie van jullie is Mathis?' Het bloed stijgt opnieuw naar mijn wangen en ik voel de starende blikken van de anderen. Een vreemde eend in de bijt. Langzaam steek ik mijn hand in de lucht. 'Man, wat een gigantische blauwe plek heb je daar', lacht dezelfde jongen van daarnet, degene die 'yo' zei. 'Heeft je liefje je geslagen?' Hij proest het uit en alle anderen lachen met hem mee. Vlug haal ik mijn hand naar beneden en werp een blik op mijn blauwe elleboog. Hoe komt die daar? 'Kom op jongens, wees aardig. En jullie daar, stilte graag', eist de directeur. Iedereen houdt zijn mond, maar het is slechts de stilte voor de storm.   De rest van de dag gaat in een waas aan me voorbij. We worden snel en efficiënt in groepen verdeeld en even later zit ik in de klas te luisteren naar wat we het komende jaar gaan leren. Alle andere leerlingen zijn stiekem met elkaar aan het praten en lachen, maar ik zit helemaal alleen naast een lege bank. Voor mijn neus ligt een blad papier met daarop de doelstellingen voor wiskunde. Ik sla mijn ogen op en zie nog net hoe de jongens vóór mij zich pijlsnel omdraaien. Hun schouders schokken van het ingehouden lachen. Waar ben ik toch mee bezig? Ik hoor hier niet thuis. In mijn broekzak trilt mijn gsm. Stiekem haal ik hem eruit en lees het berichtje onder mijn bank. 'Het is hier maar niks zonder jou', staat er. 'Gelukkig zijn er weer een hele hoop nieuwe leuke meisjes. Hoe is het daar?' Ik denk even na en begin te typen. Niet leuk, stomme kindere... 'Mathis!' Ik schrik op van de stem van de leraar. 'Wat is dat daar onder je bank?' Vliegensvlug stop ik mijn mobieltje weer weg. Even later wiegt de monotone stem van de wiskundeleerkracht me bijna in slaap. Bijna, want ik merk nog steeds hoe de anderen stiekeme blikken op me werpen. Ik slaak een diepe zucht en begin met een balpen vormen te tekenen op mijn blad. Hopelijk is het snel avond.   Die avond zit ik op mijn kamer en staar door het open raam naar buiten. Een zacht briesje kietelt mijn gezicht. In de avondzon zie ik niks anders dan weilanden en bomen, en aan de horizon de kustlijn die de aarde van de lucht scheidt. Dat is heel wat anders dan het uitzicht vanuit mijn vorig huis. Daar waren enkel hoge gebouwen en winkels te zien. Dit is veel leuker. Jammer dat ik mijn leven niet kon meenemen. Alhoewel... Gelukkig heeft Axel me vandaag een paar smsjes gestuurd, waardoor ik me toch niet helemáál alleen voelde. De wind wordt heviger en de koude lucht bezorgt me kippenvel. Het gevoel van mijn haren die overeind gaan staan, geven me opnieuw een stukje van mijn droom prijs. Een woeste stormwind blaast mijn haren in de war. Onder me zie ik een schip, en ik hoor hoe het als een luciferhoutje in twee stukken breekt. Dan stopt de herinnering. Hoewel ik stukje bij beetje meer te weten kom, heb ik het gevoel dat er iets mist. Het belangrijkste deel van de droom blijft onbekend. Zo vreemd. Ik sta recht en doe het raam dicht.   * * * Even later schudt mama me wakker. 'Opstaan Mathis, we moeten vertrekken', fluistert ze zachtjes in mijn oor. Slaapdronken ga ik overeind zitten en voor ik het goed en wel besef zit ik op de passagiersstoel en zoeven we door de straten. Linksaf, rechtdoor tot aan een kruispunt, tweede straat naar rechts. Waar zijn we in godsnaam? 'Mama, waar rijden we eigenlijk naartoe?' klinkt het vanop de achterbank. Ik was vergeten dat Iluna ook meereed en schrik me een ongeluk. Mama denkt er even over na terwijl we over een hoge brug rijden. Biep-biep, biep-biep, klinkt het vanuit mijn broekzak. Ik grabbel naar mijn mobieltje. 'We moeten hier weg', zegt mama beslist. 'Dit was een vergissing. Ik breng jullie allebei ergens naartoe, en daar moeten jullie blijven tot ik jullie weer kom ophalen. Begrepen?' Ze kijkt ons allebei aan. Met open mond staar ik terug. 'Maar mama', protesteert Iluna. 'Dat kan toch...' Ik draai mijn hoofd naar haar toe, en op dat moment maakt de auto een sprongetje. Een vogel vloog over de weg en mama probeerde die te ontwijken. De zijkant van mijn hoofd botst met een klap tegen het raam en alles wordt eventjes zwart.   Wanneer ik terug helder kan zien, zijn mama en Iluna verdwenen. Naast me zit Ellen, mijn lief. Met een ijskoude blik rijdt ze door de donkere straten, ze zegt geen woord. Ik stel geen vragen, maar vertel haar hoe blij ik ben dat ik haar zie. Geen antwoord. 'Ellen?' probeer ik nog een keer. 'Ik breng je weg', zegt ze dan. 'Je hoort hier niet thuis. Daarom kan je hier niet blijven, en moet je ergens anders naartoe.' Helemaal overstuur laat ik haar woorden tot me doordringen. Wat is dit nu weer?! 'Maak je geen zorgen, de mensen daar zullen heel aardig voor je zijn.' Ze duwt harder op het gaspedaal. Onbewust controleer ik haar snelheidsmeter en schrik me rot. We rijden meer dan honderdvijftig kilometer per uur. Honderdvijftig. 'Ellen, waarom rijd je zo snel?' roep ik boven het gieren van de motor uit. Ze antwoord niet en drukt nog harder op het gaspedaal. Met beide handen klamp ik me vast aan de passagiersstoel en knijp mijn ogen stijf dicht.   Dan voel ik hoe de auto vaart mindert. Voorzichtig doe ik mijn ogen een heel klein stukje open en zie de huizen in mijn straat. 'Alles komt wel goed. Geloof me.' De stem die ik hoor is niet die van mijn vriendin. Toch klinkt ze vertrouwd, alsof ik ze al jarenlang ken. Vooraan in de auto hangt een luchtverfrisser, zo'n kerstboompje dat een lekkere geur verspreidt. Ik snuif diep en ruik lavendel. Mmm, mijn favoriete geur. Dan werp ik een blik op degene van wie de stem afkomstig is. Een meisje met lichtbruine krullen die bij elkaar worden gehouden in een dot. Hoewel ik geen flauw idee heb wie ze is, komt ze me toch bekend voor. Waar heb ik haar eerder gezien? Ik pijnig mijn hersenen terwijl we langzaam de oprit van mijn huis opdraaien. Ik maak mijn gordel los en wil uit de auto stappen, maar ze blijft doorrijden. Terwijl ze langzaam verderglijdt door het duister, draait ze haar hoofd en kijkt me aan met haar lichtblauwe ogen. Boven haar linkeroog hangt een pleister. 'Vertrouw me', zegt ze. En ze rijdt recht door de garagepoort heen.

Eva Linden
3 0

Met vallen en opstaan

Ik ging bijna op mijn bek in een volle wagon. Onopvallend opstapje gemist. Op de voet gevolgd door de nodige arm- en kniezwengels om mijn evenwicht en gezicht niet te verliezen. En dan maar hopen dat niemand kijkt – wishfull thinking dus. Ik buig mijn red head in een schaamteloze hoek van 65°, net onder oogcontactniveau, en stap door alsof ik juist de meest normale kraanvogelmove uit Karate Kid maakte.   Het doet zeer, zo’n uitschuiver. Vaak meer aan je ego dan aan je arm of knie. Hoe hard mijn bloed ook uit die schaafwonde parelt of mijn hart in die pijnlijke plek bonkt, rechtstaan doe ik. En zonder verpinken ‘Jaja’ antwoorden op de vraag of alles oke is. Je kan moeilijk roepen: ‘Nee het gaat niet, zie je niet dat het bloed uit mijn knie stroomt trut. Ik heb je medelijden niet nodig.’             "Het doet zeer, zo’n uitschuiver. Vaak meer aan je ego dan aan je arm of knie."   Laat je vooral niet afschrikken om te helpen als je mij halfdood op straat ziet liggen. Ik bewonder en bedank alle moedigen der aarde die koelbloedig eerste hulp kunnen verlenen. Ik zou ook helpen, als ik niet met een appelflauwte of paniekaanval op de grond lig te spartelen.   Ik bid altijd dat er plots iemand pijnloos uit de hemel valt en roept ‘ik ben verpleger.’ Dan is een dankbaar (rood) kruisje wel op zijn plaats. Hoeraaa voor verplegers! Zouden die zien dat ik soms fake dat alles oke is? Dat ik op mijn tanden bijt tot ik uit het zicht van alle ooggetuigen de schuif- en schaafschade opmeet. Waarom schaam ik mij daar eigenlijk voor? Iedereen valt toch eens. Nee, ik moet zo nodig ook struikelen over mijn kwetsbare karakter.   Liefst wil ik dan even verdwijnen, in een schaamteloze hoek van 90° met een pruilende onderlip. Tot vake of moeke met een kalmerend kusje komt. Zonder drama, zonder leedvermaak, met veel liefde. En extra helend familiespuk. Is dat oke?

Rien Mertens
5 0

One does not simply…

Peter Jackson, my precious,   Een juweeltje, jouw Lord of the Rings-trilogie. Drie keer goud. Drie kanonnen van kijkcijfers. Bomvol fantasie. En popcorn. Zo wit als het lege scherm waar ik naar staar. Gevuld met verwachting – en na de reclames ook met popcorn. Oh lord, wat ben je geniaal. Die verfilming. Die figuren. Die setting – goeie dingen komen altijd in drie.   Jouw visie, talent en wilskracht. Onuitputtelijk. In tegenstelling tot mijn king size popcorn. Ik raak sneller de bodem dan jouw rekening ooit zal doen. Oke, je hebt ze verdiend. Dweilde filmstudio’s af op zoek naar een sponsor. Schreef een scenario voor twee films. Raakte je financierder kwijt. Vond een nieuwe. Schreef een scenario voor drie films. Velen hadden opgegeven. Jij dacht: One does not simply walk into a film studio. We wants it, we needs it. Must have the precious.   Oh lord, die eerste drie. Mijn hart poft van opschudding. Howard Shore streelt mijn oor. Aragorn – spijtig genoeg alleen – mijn oog. Mount Doom prikt mijn neus, wat de warme traan verklaart die eenzaam naar beneden glipt. Al kan de dood van dappere Boromir daar voor iets tussen zitten – ah ja, euh: spoiler alert. Ik spoel de wrange nasmaak weg met wat overblijft van mijn popcorn en een échte cola – die breng ik mee van thuis: ik weiger de uitbuitboulimie van Kinepolis te slikken, behalve de popcorn dan. One does not simply ask 12 euro for a coke. Sneaky little Kinepolises. Wicked, tricksy, false!   Goeie dingen komen in drie. Drie keer goud. De kleur van maïspitten. De restjes in de doos popcorn. Onderaan. Een teleurstelling vergeleken met hun voorgangers. Niet ontpopt. Hard om te kraken. Smaakloos. Je krijgt ze enkel binnen omdat je Pavlov-mond al kwijlt bij de herinnering aan iets goeds. Waar mijn metafoor naartoe gaat?   De nummers na de drie: jouw Hobbit-trilogie. De geur van nostalgie lokt me binnen. Ik kom bedrogen buiten. Wat een flauw afkooksel. Mijn buikgevoel blijft op zijn honger zitten. Na lang sabbelen, hou ik alleen een kleffe smaak over. En een droge mond van te veel stomverbaasd openvallen. En toch. Toch schuifel ik naar nummer twee. Zelfs naar die draak van een nummer drie. Geconditioneerd. Getriggerd door het succes van de vorige trilogie.   My precious Peter Jackson. Self-made man. Je lijkt een toffe kerel. Getalenteerd. Maar je verloor jezelf in je verhaal. De kracht van de ring werd te groot. De kracht van meer. Steeds meer. En tegelijk minder. Oh lord, the irony. Ik wil geen olie op het vuur gooien, maar wij willen terug popcorn! We wants it, we needs it. Must have the precious.

Rien Mertens
59 0

De vier van Vloethem (slot)

  Sano was het beste van het beste, dankzij ’t genie van Johnny Van Huele. Later zou Norbert Van der Cruyssen, de leperik, het recept uit Johnny’s kop peuteren, quasi ‘tzelfde bier in d’ Ardennen gaan brouwen, met zijn kloteloze patertjes en het Orval noemen. Orval begot, was het forellepis misschien?   Jeroen had dien dag eindelijk zijn vliegmachien volledig af. De Enola Gay, vier moteurs, moest enkel nog zilver geschilderd worden. Uit een grote papat had ie een bom gesneden. Toen Little Boy klaar was, startte Ignace de Piccola. Van de witloofboer geen spoor en ze hadden al rap zijn driewielkar aan de kleine tracteur gekoppeld, waren weggereden richting Bekegem.   ’t Was zondag, kalm en stil. Ze stopten achter de Brouwerij van Gistel, braken met een koevoet het slot van ‘t achterhekken en moesten enkel nog de poort van het depot open krijgen om daar een karrevracht Sano buit te maken. Bernard, met zijn lompe poten, liep wat lege flessen omver, maar de schaper verroerde niet.   Binnen in de brouwerij konden ze hun ogen niet geloven, rijen vol met kratten. Drieëndertigers, driekwartliters, Bavière, Sterk, Stout en daar gans van achter naast het koperen brouwvat: pasgebottelde Sano!   Toen plots alle lichten aanschoten, hadden ze zich snel kunnen wegsteken, behalve Jeroen. Die was verstard bij het brouwvat blijven staan, met de rug er tegen en Edgard Van Hencxthoven kwam op hem toegestapt, zijn tweeloop op Jeroen gericht.   Ignace dacht dat ie wel niet ging schieten, zo zijn eigen biervat naar de kloten helpen maar Jeroen stak al rap de handen in de hoogte en ging op zijn buik liggen zoals Van Hencxthoven dat commandeerde.   ’t Was Bernard die met een paar grote stappen en van langs achter op Edgard toegestormd kwam en hem met een driekwartliter op de kop sloeg. Edgard in zwijm en ze waren gauw weggevlucht met de Piccola, via Westkerke, zo verder richting Bredene.   In Oudenburg werden ze al gauw achtervolgd door drie champetters. Op hun tweewielers. Ja, van die gasten met te veel brillantine in het haar en die allicht enkel tafelbier gezopen hadden want ze bleven maar terten, als jonge veulens op een pedalo.   Tot aan ‘t kanaal de Piccola de borduur raakte, de voorwielen scheef sloegen, ze de Sluis van Plassendale inreden en die gendarmes gingen zich -ge ziet dat van 'ier- niet nat maken om ze te redden; ze stonden toe te zien hoe ze verzopen. Behalve Ignace, die nog redelijk zwemmen kon en langs de sluisdeur omhoog geklommen was.   Jeroen, Bernard en Aloïs, alle drie even dood. En Godelieve..., Godelieve wreef zich traag in de nek, toen ze het ’s anderendaags las in de gazet. Ze nam nog een slok van haar Costenoble Dubbel Bruin en prevelde dat "er niet veel ging gebeden worden voor dat crapuul".         'Allesbehalve forellepis', laatste deel van het kortverhaal 'De vier van Vloethem'   uit de reeks 'Ignace Somers' _______________________________________________________________________________________   bron betreffende het bier 'Sano' :  "De brouwerij van Huele te Bredene-Sas", Eeckhout Raul, 1989, pag. 64-70

Bernd Vanderbilt
101 1

De vier van Vloethem (4)

  Schoenen met paardekak, meer preutse wijven dan zotte en vooral te veel flieken. Veel langer konden ze niet blijven in ‘t stad. Aloïs nog het minst met zijn zevenduizend getjoepte marken. Ze besloten weg te trekken, naar het Vloethembos. Daar waren evers, noten, bessen, patattenvelden in de streek en gingen ze zekers niet ommekommen van den honger.   Eerst door ’t Valkenbos, dan naar Zedelgem om te zien of er bij Lievens-Pyck niets te rapen viel, of men alginds niet over de omheining konde kruipen om wat van het brouwsel in die groene flessen mee te graaien.   ’t Was bij café De Swarten Hoop dat ze hem voor het eerst zagen. Staand, naast een witte koersvelo. Of die velo van hem was, vroeg Ignace.  De struise beer zweeg eerst en begon dan te lachen, “neen, van dé Koereur van Gistel, die met zijn blèterige giètestemmetje. Van 'em afgepakt, omdat ie lèlijk tegen me begost te doen, Bernard-den-dommen-oend noa me ríep”.   Nu lag ie daar in de gracht, knock out, die cyclist, die krullenleeuw met zijn gedopeerde billen. Een touw rond zijn nek en meesleuren naar Zerkegem om hem, die anabole schijnheiligaard met zijn geschoren poten, daar te offeren aan Sint-Vedastus.   Quatsch!  Neen, ze lieten hem liggen, want hij stonk, naar babycrème, naar muffe talk en zadelschurft.   Bernard is toen met hen meegestapt, die witte fiets aan de rechterhand. Toen ze bij Claeys kwamen, konden ze ’t weer niet laten en hebben ze daar een nieuwe Fiat Picolla 18 gestolen waarmee ze verderreden tot bij Lievens. Met zijn vieren zijn ze daar over den draad gekropen.   Met vier bakken groene drieëndertigers zijn ze naar Vloethem getrokken waar ze nu, vele inbraken later, nog altijd zaten, waar ze toen hoog in de ratelpopulieren ieder voor zich een hut gebouwd hadden en waar later ook Pietje Vandamme, de rauwe spruitenfretter, een kot in mekaar was komen flansen met in zijn hoofd de gedachte dat zoiets zomaar kon en mocht hier in hun kampement.   Jeroen veegde de vier-kazen-kots van Bernards kin, die weer begon te bewegen, te spreken, te zeggen dat ze ’t morgen gingen doen, dien inbraak bij Van Hencxthoven. “Van Huele en Van Hencxthoven, die weten pas hoe dat men brouwen moet. Sano, da's verdomme machtig spul”, zegde Ignace.   Met de Picolla zouden ze naar Gistel trekken en onderweg een karre scheefslaan op het erf van dien geschiften boer, die dacht dat ie met zwanekak langere witloof kweken kon.         ‘Sano, quatsch en zadelschurft’, deel 4 van het kortverhaal 'De vier van Vloethem' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
49 0

De vier van Vloethem (3)

  Aloïs zat op Sint-Franciscus, bij de Frères. Zijn vader, Arsène de Bourgogne was notaris te Brugge met kantoor aan de Spinolarei. Na schooltijd kwam Aloïs naar vaders notariaat en ’s avonds reden ze immer samen terug naar hun doening te Varsenare, waar dat onnozele gedoe zich bleef repeteren: ceci cela chichi chacha, dit mes voor de gigot en dat is voor de sole meunière.   Hij herinnerde het zich nog goed. ’t Was op een donderdag rond zessen dat een Duitsche commerçant het bureau binnentrad met een carnassière stevig vast onder de arm. Om een Belgische sociéteit op te richten met zetel hier te Brugge! Vast een voormalig SS’er dacht Aloïs. Hij zag het aan zijn broek en in die carnassière zaten vast een berg Belgische franken voor de nieuwe commerce, zekers genoeg om een ganse living te tapisseren.   Toen de mof naar de koer moest omdat ie allicht te veel bière de l'Aigle gezopen had, heeft Aloïs niet lang gewacht. Dit was dé dag want hij was het beu, dat gedoe thuis, zijn vader dien droge zak, moeder 't grootste zagemens, dat gedoe bij de Frères, dat onnozele uniform, al het bidden en die ganse komedie. Hij greep de carnassière en zette het op een lopen, het kantoor de straat uit, tot hij buiten adem was en zich verstoppen ging in het Minnewaterpark.   Waar hij Ignace en Jeroen trof. Zij hadden die dag geen schoenen gepoetst, geen gewillige meidenkuiten billen kunnen masseren hoog tot bij de kleine vleestong aan de deernenkloof. Bij de 3 Monikken waren ze met drie flessen brune en drie flessen blanche gaan lopen en zaten nu te bikkelen, wat aan die blanche te lebberen op de boordstenen van het meer dat vol lag met wilgenkatjes, duttende zwanen en groenkoppige woerden.   Ze trokken de tas uit Aloïs' propere pollen en keken wat er in zat: een berg vlascontracten en zevenduizend mark. "Waarom geen franken maar marken gedomme! " Om naar Duitsland te trekken, daar een Mercedes te kopen? Om langs de Moesel te sjezen, chichiwijn ce vinaigre des riches te zuipen of van die fletse Duitsche pils?   't Geld gingen ze vaneigens houden. Het was tenslotte van een mof en die had hier niets te zoeken, zeker niet met die geslepen blik en zo'n blitse Nazi-Tasche.         'De carnassière van den Duits', deel 3 van het kortverhaal 'De vier van Vloethem' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
35 0

De vier van Vloethem (2)

  Hawaii ware beter geweest. Bernard voelde zich des ochtends bereslecht. Den Italiaan was het gelukkig rap weer afgetrapt zonder ene rosten frank gekregen te hebben. Ignace had de sleutels van zijn brommer gepakt en hem met weinig woorden duidelijk gemaakt dat ie oprotten moest.   Aloïs gewoon mottig, Ignace dacht het door te kunnen spoelen, met het laatste van de flesjes Sprint die ze bij De Breyne hadden scheefgeslagen en Jeroen, die was zo fit als een pasgeboren vis, had enkel wat aan de korsten van de pizza geknaagd. Hij zat nu zat een staartvleugel te zagen. Uit het deksel van een sigarenkistje. Voor zijn nieuwe vliegmachien.   Een Superfortress 29, de Enola Gay, om zijn collectie aan te vullen: een Messerschmitt Bf109, een Jakovlev JAK-1, een Spitfire, Focke Wulf FW190 en zelfs de Hindeburg had ie nagemaakt, uit varkensblaas.   Volgens Aloïs ging het in de verste verte niet op het origineel gelijken maar Jeroen knutselde rustig verder, keek wel omhoog toen er ganzen overvlogen in een asymmetrische V, en naar het magere exemplaar dat achterop geraakte. Ooit had hie ze gerepareerd, kapotte beesten, stal daarvoor gerief in de gipskamer van de Zwarte Nonnen, waar ie Ignace had leren kennen, die in 't hospitaal binnengebracht was door zijn moeder.   Omdat mijn spel danig wee deed als ik met een stijven zat. Mijn voorhuid wilde niet loskomen van den eikel en een paar nonnen hadden eraan zitten peuteren maar dat hielp niettenduvel, evenmin de uiercrème die ze er met al hun handen aanwreven. Moeder liet me daar achter en toen ik ’s nachts van de dolste der dolle nonnen lag te dromen, kwam ze binnen, Zuster Désirée uit Kigani, die met haar scherpe snijtandjes me van 't zeer verloste.   Hij ademde als herrezen en was weggelopen, zijn zwelorgaan groter dan ooit. Geen haar op zijn kop die eraan dacht om naar huis terug te keren, naar die Safirzuipende hoerenloper, naar het geruzie, ’t geschreem en al die miserie.   Hij liep Jeroen tegen het lijf, die er als een wit plaasterspook door de gangen waarde, renden samen naar het Minnewaterpark, naar Jeroens plekje onder de treurwilgen en het was weer prijs.   Een ooievaar met vleugels die enkel met nog wat vel vasthingen. Ignace pakte zijn knipmes. “Kinders genoeg”, zegde hij en de vleugels waren er gauw afgesneden. Jeroen naaide alles dicht en ze gingen slapen, ’s anderendaags schoenen poetsen van de Franse bourgeoisie.   “Skone skoenen, wreed bedankt, mon ami” en bij de mokken uit Zeeland die ’s avonds laat nog op de banken bleven zitten, gingen we de kuiten wa masseren. Als niemand keek ook onder de rok de billen, tot het sop hen in de kloefen stond en.... -heil de lezer- de deugd weer vleugels kreeg.         'Vel en vleugels', deel 2 van het kortverhaal 'De vier van Vloethem' uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
5 0