Lezen

Deugnietengrijns

In vergelijking met mijn vrienden die moeiteloos anekdotes, nieuwsfeiten en tekenfilms uit hun kindertijd oprakelen, herinner ik mij weinig van vroeger. Ik weet waarover ze spreken, maar ik zou er zelf nooit in detail over kunnen praten. Alsof ik die herinneringen in de kelder van mijn geheugen heb gelegd en wacht tot iemand anders er het stof van afblaast. Is het luiheid of denk ik te weinig terug aan wat is geweest? Een dagboek heb ik alleszins nooit bijgehouden.   De dag dat ik met u naar de Zoo ging, heb ik wél goed onthouden. We gingen te voet via de Voetgangerstunnel van Linkeroever naar ‘t Stad. In mijn herinnering duurde dat een eeuwigheid. Alsof we onder het Kanaal naar Engeland liepen en niet onder de Schelde. Ik voel ook nog de angst van toen voor de oneindig lange houten roltrap die een perfecte timing of acrobatie vereiste. In de Zoo zie ik ons bij uw geliefde apen en aan de ingang van het reptielenhuis staan. Ik zie enkele beelden, maar ik hoor geen woorden. Dat frustreert me soms.   Ik vraag me af wat er écht is gebeurd die dag. Misschien vertaalde mijn angst voor de roltrap zich in hysterie, en hebt ge zelfs een moment gedacht om terug te draaien. Ge hebt ongetwijfeld uitgebreid verteld over de apen en over de Gust: de bekendste gorilla van het land die alleen u in vertrouwen nam. Misschien leefde Gust toen nog en hadden jullie een moment van herkenning, gescheiden door een kil venster in het apengebouw. Dat moet een emotioneel moment geweest zijn. Tenslotte was hij als een tweede kind voor u. Ik vraag me ook af of ge toen oud-collega’s bent tegengekomen. U kennende hebt ge in dat geval gestoeft over mij, dat braaf manneke. En mogelijk hebt ge achteraf, met gedempte stem, tegen mij uw beklag gedaan over die collega’s. Ik zie zo uw beminnelijke deugnietengrijns voor mij.   Kon ik onze dag maar openslaan als een fotoboek, bompa.   Ik probeer 1 keer per jaar met de kinderen naar de Zoo te gaan. Ik vertel dan over u als we voorbij uw foto met de Gust wandelen. Ge zoudt trots zijn op die poster, want ge waart een fiere man. Ge waart dan ook de enige die, zonder uitzondering, een stropdas droeg onder zijn werktenue. Die genen heb ik niet van u geërfd, maar ik ben wel een braaf manneke gebleven. Ook daar zoudt ge fier op zijn.  

Antony Samson
2 0

EAU DE PROVENCE

Dit jaar gaan we met de voorjaarsvakantie niet met onze krent in het warme Zuid Franse zand zitten, maar opteren we voor een “slankmakende”(hmm hmm) wandelvariatie in de Vercors, de Drôme-Provençal en de Alpen. Overal in Europa viert men het einde van de tweede wereldoorlog en de bevrijdingdagen. Hier in Frankrijk viert men dit op 8 mei en dit levert samen met de feestdag van 1 mei, de Fransmannen nu voor de tweede keer een verlengd weekeinde. Bij zoveel vrije tijd krijgen de Fransmannen onmiddellijk een opstoot van groepsactiviteiten, teambuilding en het daarbij horende kuddegevoel. Terwijl wij van de Vercors richting de Provence rijden, bromt ons een groep van een 25tigtal ouderlingen op zware moto’s voorbij.  Op een bepaalde mijlpaal in hun leven moesten zij een indringende keuze maken: een minnares of een moto. Vermits de meeste van deze grijze koppen het seksuele geile hoogtepunt al ruim voorbij zijn, hijsen ze zich liever in een lederen pakje,  met doodshoofden op de rug en steken ze een Harley Davidson of een zware BMW tussen de benen. Alvorens het enige vervoer op hun oude dag, een rollator of een volautomatische scootmobiel wordt en ze de rest van hun dagen gepamperd tussen bejaardengezeur moeten slijten, willen ze nog eenmaal in groep de macho uithangen en van een zweempje voorbije jeugd genieten. Vanuit de tegenovergestelde richting komt er een kudde hoogrode fietsers met veelkleurige helmen de berg opgezwoegd. Een vijftiental mannen dragen blauwe, gele, rode, roze en bolletjestruien met op de rug  de naam van de sponsors, ‘Le Bonbon,  Le meilleur nougat de Montelimar en Carrefour’. Hoe ouder de fietsers, hoe meer de pedaaltrappers over de weg zwijmelen en hoe groter de afstand tot het vooruit sprintende peloton wordt. Dit is nog maar een oefenwedstrijdje, morgen gaan ze met zijn allen de Mont Ventoux op. We stallen onze caravan in Buis-le-Baronnies, een toeristisch Provençaals stadje in de schaduw van de Mont Ventoux en het Mekka van de bergbeklimmers. Overal zie je ze tegen de steile berghellingen aan de touwen hangen. Voor de lila- blauwe lavendelvelden is het nog te vroeg op het seizoen, maar de Provence zorgt voor een explosie van allerlei andere geuren. Het aroma komt je tegemoet..als je het deurtje van de caravan opendoet..het is de lente! We wandelen in een Van Gogh schilderij tussen eeuwenoude knoestige olijfbomen tussen grote velden blauwe irissen, bloedrode papavers en purperrode valeriaan. Heel het wandeldecor, met zicht op de Mont Ventoux geurt naar moerbeibloemen en naar bloesems van acacia- en seringenbomen. De blaadjes aan de lindebomen komen frisgroen kijken en de fruitbomen vormen na hun roze bloesemknoppen hun eerste kleine groen- rode vruchtjes. Bloeiende tijm, rozemarijn en grote struiken gele brem trillen van de zoemende bijtjes die op de honinggeur afkomen. Geen enkele grote ‘neus’ van de parfumstad Grasse kan zo’n prachtig delicaat geurenpallet samenstellen. Als we van de wandeling terugkomen, zijn er op de camping een aantal weekeindtoeristen in de bungalows getrokken en staan er overal minitentjes van de jonge klimmers.  Schuin over ons is een familie grootouders, ouders en kleinkinderen gearriveerd. De opa, pappie, is een schriele vent die met een fotocamera en een ADHD- ritme non stop van de ene naar de andere kant van de camping spurt. Hij draagt een veel te ruime geruite short met daarboven een kleurrijke t- shirt met bloemen en dolfijnen. In zijn open sandalen draagt hij witte sokken. De oma is van een gans ander kaliber. Eerst zie je twee tepels en vijf minuten later komt daar de rest van mammie, gekleed in een zilverglanzende jurk, achteraan. Hoe kunnen zo’n kleine voetjes, magere beentjes en dunne billen, een tegengewicht bieden voor zo’n bombastische voorkant. Hoe komt het dat mammie, met zo’n bos hout voor de deur, niet alle twee passen frontaal tegen de vlakte gaat? Dit is wat wij in Antwerpen “veel volk in de statie’ noemen. Veel volk? Een gans Centraal station van Antwerpen of Amsterdam volgepakt met een massa drammende reizigers, roltrappen vol, hun neuzen gedrukt tegen de glazen inkomdeuren. Er kan geen passagier meer bij. Ik veronderstel dat zij een Lola Ferrari beha- model met ingebouwde katrollen draagt. Manlief spiedt vol ongeloof en angst naar dit natuurfenomeen. Hij vergelijkt mijn, sinds de overgang al flink toegenomen beha- maat met de voorbij deinende tietenmassa.  “Hoe kan een man daar aan beginnen zonder te verdwalen op deze Mount Everest? Je hebt minstens een pikhouweel, koorden en de nodige musquetons nodig om deze vleesberg te beklimmen! Niet moeilijk dat pappie als een ‘vliegende Fransman’ over de camping raast!” De 30 jarige zoon werd  waarschijnlijk tijdens zijn jeugd erg met de omvang van zijn moeder gepest en heeft zich uit frustratie volledig laten vol tatoeëren. Hij draagt een zwart ‘marcelleke’ en het kruis van zijn jeansbroek hangt tussen zijn knieën. Hij is kaalgeschoren en alleen een klein sikje haar siert zijn kin. Op een gezapig tempo verslijt hij de onderkant van de uitgerafelde jeanspijpen.  De twee- en vierjarige kleinzoontjes zijn langs de zijkant kaalgeschoren en hebben nog alleen een kaketoekuif  boven op hun hoofdjes. Ze lijken zo uit een indianen- Sioux- film weggelopen. Mama is een kleine magere grijze muis. Ze past helemaal niet in dit driedaags familie-uitje, maar wie weet staat ze bol van speciale slaapkamerwensen. Onze televisie- modegoeroe, Jani zou bij het zien van deze hotemetoten een spontane hartverzakking krijgen. Na twee brugnachtjes is de rust op de camping teruggekeerd. De tentjes en campers zijn verdwenen, de chalets terug onbewoond en de kuddes zijn terug naar huis afgezakt. De Provence geurt weer uitsluitend voor ons beidjes!   Sim, 10 mei 2015  

Sim
0 0

ONAFHANKELIJKHEIDSDAG

Laat ik meteen met de deur in huis vallen in het bezit van de vraag ter waarde van € 1.000.000 : “Kan een kind ongewenst zijn ?”. Het antwoord is echter niet ver te zoeken. De “Van Dale” omschrijft ‘ongewenst’ immers als volgt : ‘1 Waarop men geen prijs stelt, niet welkom Een ….. kind’ Laat mij nu denken dat de schijterij ‘ongewenst’ is, wanneer je net het startschot hoort voor de marathon waaraan je deelneemt. Of een bezoek van je schoonmoeder, precies op het moment dat je op het punt staat haar dochter de beurt van haar leven te geven. Een been breken, de dag voor je op safari naar Zuid-Afrika vertrekt. Een kaasschotel bestellen voor 12 personen, net op die ene dag dat de winkel onverwacht een uurtje vroeger sluit wegens ‘persoonlijke omstandigheden’. Of 2 weken moeten wachten op dat bestelde boek waar je zo naar uitkijkt, om het precies 10 minuten later te dopen met je eerste biertje van die dag ! Maar een kind ? Ongewenst ? Ikzelf, fiere vader van een zoon en een dochter, vind dit een volledig overbodige vraag ! En toch…toch… Bijvoorbeeld mijn eigen moeder houdt er een volledig andere mening op na en heeft mij dat op redelijk vaak voorkomende tijdstippen laten weten…en voelen. Ach, misschien was het wel mijn eigen schuld, weet ik veel. Want haar planning lag ten slotte al vast : één kind…en dan nog liefst een zoon. En indien er (in alle onwaarschijnlijkheid) toch een tweede zou komen, dan moest het een meisje zijn. Dus laat ik niets meer betekenen dan een speling van het noodlot : mijn 3-jarige broer was al op de wereld los gelaten en ik had dan ook nog eens de pretentie om alweer met een piemel dit aardse leven binnen te stappen in plaats van als fiere bezitter van de verhoopte vagina. En jammer, maar helaas : dan weet je het wel ! Je broer profiteert van zijn selectie in het team en je vader – niet eens een slecht man – heeft het toch steeds zo druk met zijn werk…enige vrees voor de woede van zijn eigen vrouw is daar natuurlijk niet vreemd aan ! En dan kan je als een leeuw in een kooi nog zo hard draaien of brullen als je wilt…je eigen, kleine wereld is en blijft stokdoof voor jouw geweeklaag ! Na het – bijna – vlekkeloos doorlopen van mijn middelbare schooltijd, zat verder studeren er echter niet in : “Je broer heeft het ook niet gedaan en kijk eens waar hij staat !”. Het juiste woord was echter ‘zit’ : of als nachtwaker zonder enig doel, uitgezonderd het openen en sluiten van de plaatselijke slagboom, of in het café. Mijn pleidooi dat hij niet eens het middelbaar had afgemaakt, werd – zoals meestal – weggewuifd. Ik begon mijn ‘carrière’ in een taverne op de Groenplaats en  wachtte op de maanden dat ik het leger in moest…of beter : in mocht ! En eens afgezwaaid : vrijheid…blijheid ! Mijn tweede vrouw zou echter jaren later de plooitjes wel even glad strijken. Buiten mijn medeweten, nodigde ze mijn ouders en mijn broer, eveneens vergezeld van zijn tweede exemplaar, uit om Nieuwjaarsdag 1996 bij ons door te brengen. We hebben het dessert niet gehaald : na de hoofdmaaltijd (een reerug, waarvan ik nu spijt heb dat het dier hier had voor moeten sterven), nam ik de telefoon, bestelde een taxi en kieperde de vier – lang voor het arriveren van het betreffende voertuig – de koude nacht in ! En dat was het laatste wat ik nog ooit gezien heb van het olijke viertal. Gezien…niet gehoord : mijn broer heeft nog eenmaal woedend gebeld om te zeggen dat mijn zoon opa’s auto had geleend (voor alle duidelijkheid : het was mijn auto die ik hem gegeven had, nadat ik mijn eerste bedrijfswagen onder de kont geschoven kreeg), maar nooit had teruggebracht…Het scheen te kloppen : hij had hem verkocht aan een vriend van hem. Helaas haalde de stuiplach het van mijn eventuele boosheid, wat het gesprek niet ten goede kwam. En dat was het dan…dacht ik ! Niets of niemand kan mijn verbazing beschrijven, toen ik hem 2 weken geleden, na mijn dagelijkse boodschappen, op het terras van mijn stamkroeg zag zitten. 86 jaar, mager en nog steeds drager van de veel te grote uilenbril. De plaats zelf – Wenduine dus – was niet eens zo vreemd : tenslotte had ik hen tot mijn 16e jaar ‘mogen’ vergezellen op hun jaarlijkse vakantie naar dezelfde badplaats. 3 helse weken, no less ! De hel van vroeger is inmiddels wel mijn hemel op aarde geworden, waar ik in alle stilte en eenzaamheid mijn oude dag slijt. Eerlijkheidshalve moet ik het toegeven : de drang om hem voorbij te lopen en een plaats aan de toog te nemen was groot…heel groot. Helaas : mijn nog steeds smeulende woede haalde het met gemak. Met een blik die duidelijk deed blijken : ’t is van moetens, nam ik plaats tegenover de man die ik al 20 jaar niet meer had gezien…maar geen dag had gemist. Geen kus, geen handdruk, geen ‘Hey, dag pa !’. Een simpele ‘hallo’ leek me al meer dan wat van mij verwacht kon worden. ‘Dag jongen, ben blij je eindelijk nog eens te zien.’ ‘Het genoegen is volledig aan jouw kant en trouwens : lijkt me nogal een overbodige opmerking. Ik denk dat ik inmiddels wel rechtmatig eigenaar van het woord ‘man’ ben geworden.” Op mijn vraag, bracht Mady 2 biertjes en zette ze neer met een wat vreemde blik. Mady houdt niet van vreemdelingen in haar café. Nog vreemder was de stilte tussen ons. Zou er dan niks zijn, buiten de geweldige temperatuur van de maand oktober, waar we konden over spreken ? “Hoe is het met je vrouw?”, vroeg ik, elk woord flink gedoopt in het vat cynisme dat ik steeds bij me draag. Het was het beste wat ik uit mijn bek kreeg, ook al was ze iemand die gelukkigere mensen ‘moeder’ noemen. “Oh, die redt zich wel. Ze heeft veel hulp van de buurman.” “Fuck, die zak”, antwoordde  ik, hoewel ik vanzelfsprekend de kerel nog nooit ontmoet had. Het feit dat zij werd bijgestaan door die lul, was al ruim voldoende. “Ben je na al die jaren nog steeds zo rancuneus ? Moet dat nu echt ?” “Nee”, loog ik, “alleen is elk greintje van enige belangstelling volledig vergaan, samen met jou zo te zien.” Met dezelfde vreemde blik kwam Mady buiten en zette de biertjes neer. “Het spijt me, Paul.” Woorden waar ik jaren op had gewacht en die me nu, eenmaal uitgesproken, niets meer deden. “Wat precies, Jos ? Haar woede, haar stampen, de vernederingen, het gebrek aan enige liefde of geborgenheid ? Alles waar een kind nood aan heeft ?  Of het feit dat je er nooit was voor mij ? Dat ik jarenlang ben onderworpen aan haar haat en zogenaamde depressies ? Je moet wel iets specifieker zijn, vrees ik : er zijn te veel redenen om je spijt nu te betuigen !” Mijn vader liet zijn hoofd zakken alsof hij in slaap zou vallen. Prima…kon ik hem daar laten zitten. Hij was echter druk bezig zijn verdediging voor te bereiden. “Denk je dat ik het makkelijk had ?” “Ha, ik dacht al : waar blijft het belangrijkste woord van de familie-slagzin : IK ! En nee, dat zal wel niet, maar neem godverdomme je verantwoordelijk mee op voor mijn kutjeugd ! Alles wat jij hebt gedaan, is je gedragen als haar goed getrainde aapje : horen, zien maar – vooral – zwijgen. Trouwens, wie heeft jou uit de stront geholpen toen je een proces aan je broek had wegens het begluren van mensen met een verrekijker ? Goed dat ik een hoofdcommissaris als vriend had, vind je niet ? “Dat is niet eerlijk. Ik had mijn werk ook.” “Daar hebben we het weer : het excuus dat ik jarenlang heb moeten aanhoren om je eigen zwakheid te verbergen. Zal ik eens iets zeggen, man ? De laatste 20 jaar waren – wat jullie 3 betreft – de beste van mijn leven ! Ik heb me door de 2e scheiding gewerkt, heb de kinderen groot gebracht, 6 maanden in een inrichting verbleven en nog veel meer. Maar niet één keer gedacht : hoe zou het nu met hen zijn ?” “Maar kijk, jongen….” “Stop godverdomme met mij ‘jongen’ te noemen ! Ik ben noch een jongen, noch ‘jullie’ jongen.” Om mijn woorden kracht bij te zetten, sloeg ik op de terrastafel, waardoor mijn inmiddels bijna leeg glas omviel. Geen probleem…drinken we gewoon verder het zijne op (hij had het glas nog niet eens vastgenomen, wat daarvoor wel een vereiste was !). “Trouwens, hoe gaat het met je andere zoon ?” Het is vreemd en nog steeds vreet het aan me dat je na 20 jaar geen kwetsender woorden kan vinden, dan degene die je gebruikt. “Bof, niet slecht, denk ik. Je kent hem hé : werken en het vrouwtje.” De welgemeende schaterlach was er zelfs sneller dan ik dacht ! “Over zijn werk weet ik niks, behalve dat hij nog steeds slagbomen behandelt, zeker ? En zwijg me alsjeblieft over zijn ‘vrouwtje’. Hij is nooit geïnteresseerd geweest in een van zijn vrouwen ! Enkel zijn maîtresse was van tel…maar die komt nu eenmaal enkel in glazen van 33cl. !” “Kan ik je nog iets brengen, Paul ?”, vroeg Mady, mijn vader volledig negerend. “Graag schoonheid (wat ze trouwens is !). Breng er nog maar twee, alsjeblieft.” En weg was ze… “Maar ja, drank zit in de familie, hé man ? Alleen ben ik eruit geraakt. En hoe zit het met de geheimen van de familie ? Nog steeds zo belangrijk ?” “Ik weet niet waarover je…” “Oh, bijvoorbeeld die ‘inbraak’ bij ons thuis, waar plots alle juwelen van je vrouw waren verdwenen. En dat zonder enig teken van braak ! En nu ik er even over terug denk : heb in dat verband nooit politie bij ons thuis gezien ! Of, nu we het net zo leuk hebben : misschien kunnen we ook even praten over de 3 brandmerken die de heer Peter Stuyvesant me heeft bezorgd, weliswaar daarbij flink geholpen door een vrouwelijke hand ? Ha, nu schiet het me weer plots te binnen wat je toen zei : “Ach een ongelukje…dat geneest wel.” 3 fucking ongelukken, vent…en genezen doen ze wel, maar de littekens zijn nog steeds zichtbaar. Wil je even kijken, misschien ? Kreeg afgelopen zomer nog de vraag waar ik die had opgelopen…en jij was verdomme niet eens geïnteresseerd hoe ze daar waren gekomen, hoewel je dat goed genoeg wist, klote lafaard ! Te laf om je eigen zoon – nou ja, denk ik toch – te beschermen tegen zijn moeder, rotzak !” Het was natuurlijk niet te vermijden dat ik in al mijn woede de blikken van andere klanten en voorbijgangers trok. Mady wist wel beter : ze wist dat ik aan ‘Borderline’ leed en had mij – op mindere momenten – al meegemaakt in haar ‘place to be’. “En waarom niet, Jos ? Omdat jij goed genoeg wist dat ik soms diende als vervanger van een niet te vinden asbak voor dat wijf van jou. Maar optreden ? Ho maar ! Want wat er gebeurt in de familie, blijft in de familie…toch ? En eerlijk waar : knap gedaan ! Nog steeds geen hond die ervan weet heeft ! Wel, dat noem ik pas klasse ! Weet je wanneer mijn ‘Hel der ongewenste kinderen’ pas echt begon ? Toen jij het zo druk kreeg met je werk, dat je een secretaresse nodig had. Maar moest dat echt ‘Vrouwe Verpleegster’ zijn ? Zij, die haar job met alle liefde van de wereld deed ? Ik was verdomme 12 jaar, lul…en jij zette mij te kakken in haar klauwen vol frustratie. En het feit dat er ‘plotseling’ veel minder medicijnen in huis waren, deed haar ook al geen goed, hé ? Man, ik herinner me nog als gisteren dat ik – tegen al haar wetten in – op een dag een tweede douche nam. Ik kreeg er meteen een derde bij : een koude douche…en dat mag je gerust letterlijk nemen !” “Ach, dan was je zeker die dag erg proper.”, mompelde hij. “Gaan we ermee lachen, klootzak ? Ik was verdomme 14 of 15 jaar. Niet echt een leeftijd waarop je jezelf met plezier moet uitkleden voor je eigen moeder ! En maar staren… Maar ik heb nog een zak vol verhalen hoor. Waarover zullen we het nu eens hebben ? Een ‘ongelukje’ met gloeiende koffie ? Geld dat uit mijn spaarpot bleef verdwenen ? Oh, deze is ook wel leuk : iets over verplicht in je blote piemel de afwas moeten doen ? Of over de dode goudvis, verdwenen in het toilet ? Dat klopt : door mijzelf uitgescheten de volgende dag, godverdomme ! Goh, moet even denken…er is nog zo veel !” De biertjes werden bezorgden even – heel even – voelde ik de rechterhand van Mady op mijn linkerschouder. Ik voelde zelfs het korte, bemoedigende kneepje. “Kan je je trouwens nog herinneren hoeveel angst ik had van haar grote broer ? Ik vreesde altijd dat hij een lepel van hetzelfde had binnengekregen, maar niks hoor…hij heeft wel 6 kinderen gelukkig groot gebracht ! Eén van hen is enkele maanden geleden overleden…vreemd hé : die mis ik wel enorm ! En het is verwarmend als je ziet hoe heel die familie aan elkaar kleeft…Onze lijm is jaren geleden al verdroogd ! Ach man, weet je, laat me de rest meenemen in de wind die me ooit over de Noordzee zal verspreiden. Ik heb genoeg verteld. Laat me sommige zaken in onverwerkte schande in mijn hart en ziel dragen. De koster is gestorven : er is niemand meer aanwezig om de klok terug te draaien. Ik slijt mijn levensdagen in eenzaamheid omdat niemand mijn levensverhaal kan horen…wil horen. Hoe zou ik dat ook kunnen verlangen ? Ik kan het zelf amper aan. Ik draag het met me mee tot ‘The End’ op het scherm verschijnt. Ha, medelijden is niet wat ik zoek…een beetje begrip was mij veel meer waard geweest. Maar dat lijkt wel de grote afwezige in mijn leven ! Ik zal mensen nalaten die het nooit zullen begrijpen…uitjouwen en vervloeken misschien wel. Omdat ze de waarheid nooit zagen en het nu niet meer aan zouden kunnen…net zoals jij het niet wou zien, kerel ! Godverdomme, ik mis mijn overleden nichtje…Zijn begreep me wel !” Ik dronk mijn bier in één teug leeg en schoof zijn onaangeraakte glas opnieuw naar mij toe. “Da’s straf ! En mij mis je niet ? Je bent niet eens gekomen !” Voor de eerste keer sinds ons gesprek verhief hij zelf zijn stem. “Ha ha, sorry hoor, maar da’s echt wel een grap ! Misschien moet je je weduwe ook eens een bezoekje brengen als ze niet bij haar buurman zit en vragen hoe dat verdomme komt ! Heb niet eens zo’n klote-doodsbrief gekregen. Och ja, een kopij via de zoon van mijn broer. En de fucking bitch had er niet eens de namen van mijn kinderen op laten vermelden ! En toch is mijn zoon gegaan, tegen beter weten in…En warm verwelkomd dat hij werd…so not ! Oh ja, heb ook via-via  een doodsprentje gekregen. Was wel leuk wat erin stond : ‘I did it my way…’. Nee serieus, had dan niemand de ballen om de waarheid erop te schrijven : ‘I did it her way…’ ? “Vind je het nu zelf geen tijd om 2 jaar na mijn dood te vergeten en vergeven ? De pijn een plek te geven ?” “Welke pijn, Jos ? Van wie, in hemelsnaam ? Mijn pijn is voorbij en de jouwe nu blijkbaar ook. En om die van haar geef ik geen reet ! Als jij tevreden bent met de 83 jaar dat je geleefd hebt, prima toch ? Maar laat nu één ding duidelijk zijn : dit gesprek komt jaren te laat ! Toen was je een geest die het huis ronddwaalde… breng daar nu geen verandering in. En doe nu wat je je hele leven hebt gedaan : laat me met rust !” En terwijl hij zijn stoel achteruit schoof om daarna te verdwijnen in de menigte, kwam Mady net opnieuw buiten. “Hey Polleke, doe je het een beetje rustig aan met die biertjes ? Telkens 2 bestellen is niet zo geweldig, vind ik zelf” en schonk me één van haar prachtige glimlachjes. “Oké, zal ik doen, Mady. En sorry voor het lawaai”, wat meteen weggewuifd werd. “Kan je me er nog ééntje brengen, alsjeblieft ?” En alweer stond 5 minuten later het gevraagde voor me. Ik nam het glas vast, bleef er even naar staren en bracht het tot net iets boven mijn ogen. “Schol pa… Op Onafhankelijkheidsdag !”

Paul Smeyers
26 2

Na regen

Ik vond haar in de parkeergarage van mijn appartement: koude handen, blauwe lippen, kleren aan haar lijfje geplakt. Ik zei: ‘Je had me kunnen bellen om je op te halen, ’t is zo’n rommeltje buiten!’ Ze keek me aan, lachte scheefjes: ‘Regen is maar regen. En wat lucht deed me goed.’ Ik nam haar mee naar boven, gaf haar een handdoek. Terwijl ik thee zette, keek ik hoe ze haar lange blonde haren zorgvuldig afdroogde. ‘Moet je geen droge kleren?’ vroeg ik. ‘Een trui, een jogging. Ik ga het even halen.’ Bedrijvig liep ik door de ruimte, gooide wat spullen van de bank en knikte dat ze daar kon zitten. Ik zocht wat kleren in de augiasstal waar ik leefde en gaf die aan haar. ‘De badkamer is daarzo, als je wil.’ Ze keek me kleintjes aan, terwijl ze opstond en naar badkamer liep.   Het water kookte, maar daar merkte ik niks van. Ik staarde naar de badkamerdeur, waarachter een meisje zich omkleedde. Een meisje? Mijn meisje, geloofde ik. Ze was amper een jaar jonger dan ik, maar zo veel breekbaarder dan andere meisjes van haar leeftijd. Andere meisjes zou je haast ‘vrouwen’ noemen – maar zij? Zij was een meisje. Een verdomd knap en ijzersterk meisje, maar tegelijk zo gebroken en eenzaam. Wanneer je je zou afvragen waarom knappe, intelligente en creatieve meisjes soms zelfmoord plegen, dan was dit meisje het antwoord.   In een veel te grote outfit slenterde ze de badkamer uit. Haar donkerblauwe ogen waren troebel. Bijna als een robot liep ze naar de keuken, nam de waterkoker uit zijn standaard en deed het warme water in een theepot. Ze rommelde wat met theezakjes en suiker en kwam even later weer de woonkamer binnengewankeld met twee grote theetassen. Wanneer ze eindelijk neerzat en naar haar voeten staarde, trok ik haar tegen me aan. ‘Waarom ben je gekomen?’ vroeg ik bezorgd. Het was alweer een hele tijd geleden, dus het verbaasde me dat ze net tijdens een onweersbui hierheen gewandeld was. Had ze niet even kunnen wachten? Ze zweeg, terwijl ze haar armen om me heensloeg en dikke tranen uit haar dichtgeperste ogen stroomden. Ik dacht onwillekeurig aan de tranen die Alice liet toen ze enorm gegroeid was in Alice in Wonderland. De tranen hielpen haar voorbij het kleine deurtje en brachten haar naar Wonderland. Wonderland, dacht ik. ‘Wonder’land. Het was geen land vol wonderen, het was een land waar je je moest verwonderen. Verwonderen over de waarom van zaken. Zaken die in Wonderland doodnormaal leken, maar voor Alice totaal onbekend waren. Waarom verwonderen wij ons niet wat meer over de zaken?   Ik nam haar gezicht in mijn handen en keek in haar ogen. Haar diepe, donkerblauwe ogen. Ik glimlachte: ‘Ik kan mezelf zien in je ogen. Hoe kom jij toch aan zulke ogen? En die lange haren van je, hoe kunnen die soms zo krullen? Wist je dat ze in de zon wel goud lijken? En … hoe kom jij zo slim?’ Ze lachte door haar tranen heen: ‘Wat heb jij?’ ‘Waarom lijkt regen steeds te wachten tot het moment waarop we ongelukkig zijn?’ ‘Ben je ongelukkig?’ ‘Ik niet hoor. Jij wel?’ Ze schudde dapper haar knappe kopje: ‘Neen hoor, nooit geweest. Ik ben volkomen tevreden.’ Ik dacht na. Om mezelf wat tijd te geven, dronk ik een slokje thee. Hier zat een knap, intelligent en creatief meisje. Ze wandelde door de regen naar mijn appartement om daarna in mijn armen te liggen huilen, maar ze was niet ongelukkig? ‘Ben je een optimist?’ vroeg ik. Ze glimlachte: ‘Na regen komt zonneschijn, dat weet je toch?’ Ze zuchtte even en ging verder: ‘Maar spijtig genoeg ook andersom: na een lange, superhete periode heb je gegarandeerd onweer. Regen en zon wisselen elkaar nu eenmaal af, en daar moet je mee leren leven. Op sommige plaatsen heb je meer zon, op andere meer regen. En zo is het toch ook met het leven?’ Ik keek vragend in haar ondertussen enthousiast kijkende ogen. ‘Welja,’ beantwoordde ze mijn vragende blik. ‘Sommige mensen hebben nu eenmaal meer zon in hun leven dan anderen.’   De wolken scheurden open, de zon begon te schijnen. Haar kleren hing ik op mijn balkonnetje te drogen en ik schonk nog wat thee in. Wanneer ze helemaal opgewarmd was, nam ze haar droge kleren en kleedde zich terug aan. Mijn trui en jogging vouwde ze op en legde ze netjes op mijn bed. Ik zou er straks wel even aan ruiken, om ze daarna aan te doen en te genieten van haar geur om me heen. ‘En jouw leven, is dat dan zonnig?’ vroeg ik. Ze lachte even: ‘Dat wordt het.’ Daarna stond ze op en ging naar huis. Tevreden, met mijn handen in mijn zakken keek ik haar na door het raam. Haar schoudertjes hingen niet meer, haar ogen stonden niet meer zo ongelukkig.

MDB
0 0

Cupido en kamillethee

Ik word in mijn zij gepord. ‘Laat me slapen!’, schreeuw ik, en duw mijn belager met de kracht van mijn schreeuw weg. Net alsof ik tennis. Alexander trekt me recht. ‘Je zweet en huilt in slaap’, zegt hij. Ik kijk in zijn bezorgde ogen, in de schaduw van het nachtlampje. ‘Wat droomde je?’ Het zweet droogt op en ik begin te rillen. Ik ben blij dat ik alleen in mijn dromen word opgejaagd, want mijn adrenalinepeil heeft samen met mijn lichaamstemperatuur een dieptepunt bereikt. Rock bottom, nul graden Kelvin. ‘Ik … ik vluchtte weg van … Cupido.’ Alexander schudt zijn hoofd: ‘Lieverd, ik ga thee voor je zetten.’ Mijn lief vult geen ruimtes, maar nu ik hem de trap hoor aflopen, lijkt mijn zolderkamertje plots leeg. Hij laat me alleen, vrees ik. Ik sta op en open het raam. Er zijn sterren, dat besef ik, maar zien doe ik niet. Zonder bril is je blik net zo vaag als je dromen. Liep ik weg van Cupido? Wat niet veel mensen weten, is dat Cupido twee soorten pijlen heeft: gouden pijlen waarmee hij ons verliefd laat worden, en stompe pijlen waarmee hij ons elkaar laat verafschuwen. Dat vertel ik Alexander ook. ‘Ik vluchtte dus voor die laatste pijlen’, vertel ik. Ik kijk nog steeds naar buiten, want ik lieg niet wanneer ik zijn ogen kan zien. Ik hoop dat ik voor die laatste pijlen vluchtte. Cupido mag veel uitleggen … Thee werkt goed tegen verdriet: je gaat je er meteen een tasje beter door voelen. Kamillethee is mijn therapeut, mijn anestheticum. Ik val in slaap. Kamillevlinders zijn lelijke motten. Vlinders van het geslacht Cupido daarentegen, zijn prachtig. En toch is het Cupido waar ik voor vlucht, recht in de armen van mijn kamillethee. Je weet dat je bijna in slaap valt wanneer je jezelf betrapt op vage redeneringen. Net zo vaag als wanneer je zonder bril naar de sterren kijkt. Ik slaap.  Zachtjes open ik één oog. Ik slaap slecht wanneer Alexander in mijn bed ligt. Omdat hij zo veel plaats nodig heeft. Of ik? Ik ben een klein meisje, maar een tweepersoonsbed is nodig om comfortabel te slapen. Misschien heb ik een te egoïstische nachtrust. Ja, misschien – en ik sta op. Alexander de Grote slaapt nog diep. Dat mag ook, als je het hele Perzische rijk veroveren moet. Ik kus mijn veroveraar en sluip naar de keuken. Even thee zetten.

MDB
0 0

Sneeuw

‘De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn’, zegt mijn overgrootvader, wanneer hij op januaridagen door de raampjes van zijn kleine, bruine huisje gluurt. ‘Maria’, fluistert hij, omdat hij duidelijk wil maken dat hij het tegen mij heeft, terwijl ik de enige in de kamer ben. Of omdat hij mijn overgrootmoeder nog even gedag kust? Moeizaam legt hij zijn bleke hand tegen het raam. Een wereldoorlog winnen is gemakkelijk, maar het leven is een oorlog die we allemaal verliezen. Grootva vindt het niet eens het vechten meer waard, hij laat het over zich heen waaien. En als hij morgen mee zou waaien, zou hij niet eens meer omkijken om afscheid te nemen. Hij verlangt naar de liefde van zijn leven, de vrouw die hem meer dan zestig jaar lang heeft doen geloven dat eenzaamheid niet bestaat. Maar toen grootmoe op een dag niet meer wilde opstaan, ontdekte hij dat hij een gehandicapte, moederloze baby was zonder zijn lief. Hij zou voor het eerst in zijn leven zelf moeten koken en wassen. De afspraken en pillen die hij steeds vergat, zouden zonder grootmoe’s ingebouwde klok in de eeuwigheid verdwijnen. ‘De pastoor zegt dat ik een liedje moet kiezen, maar daar heb ik toch geen gedacht van …’, murmelde hij. Zelfs dat kon hij niet. Zonder zijn Maria was hij een door zijn ouders in een berg hooi achtergelaten kinneke Jezus – niets meer. Het zijn de stormige januaridagen zoals vandaag, die me onwillekeurig doen denken aan de eenzaamheid van grootva. Wanneer ik naar de bruine bladeren kijk, die samen met dikke regendruppels op het schuine raam plenzen, dan bekruipt me het destructieve gevoel dat ik niet anders ben. Het besef van eenzaamheid komt als een bliksemschicht. Het is weg voor je het kan vatten, maar het blijft op je netvlies gebrand. En dat brandende gevoel is eens zo pijnlijk als het januari is, en de zachte sneeuw waar je zo op hoopte een herfststorm blijkt te zijn. De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn.

MDB
1 0

De euh-dingen.

  Het geeft niet of het koud of warm is. Dag of nacht maakt ook geen verschil. Met een vingerknip krijg ik het gevraagde. Vijf bladen die op roeispanen lijken, zorgen ’s zomers voor een heerlijke bries zonder één raam te openen. Bij grote hitte draaien de wieken met de klok mee, waar decennia van windmolens enkel gevolg kunnen geven aan de windrichting, kan ik tijdens de winter door de draairichting te veranderen de warmte beter verdelen. Wordt de zon vervangen door de maan, trek ik simpelweg aan een messing koordje om verder te lezen. Vier gerichte lichtbundels die het verschil maken tussen dag en nacht. Onmisbaar om mijn schrijftalent tijdens de lange winteravonden aan te scherpen. Niets dan voordelen dacht ik. Was het niet dat moeder natuur er ook aanspraak op wou maken. Bij niet gebruik trok het blinkende koordje de aandacht van menig gevleugelde kleine wezens. Nu, ik heb niets tegen die vliegende schepsels, tenzij ze het onderwerp van hun aanbidding besmeuren met hun uitwerpselen. Hierdoor de koperen glans definitief fnuikend.Maar, dankzij het menselijk vernuft, stond ik niet weerloos tegenover deze hooligans. Een zowel effectieve als milieuvriendelijke oplossing waarvan onze grootouders dankbaar gebruik maakten. Toegegeven, het is niet altijd simpel de sierlijke krul te ontvouwen; zonder zelf het slachtoffer te worden van de kleverige substantie waarmee het is ingesmeerd. Het cilindervormige doosje wordt steeds vergezeld door een duimspijker die in dit geval geen enkel nut had. Er zat niets anders op dan het ophanglusje van de papieren kurkentrekker te verlengen met een koordje dat ik aan de messing trekker vastbond. Het was een succes. Al wat enigszins kon vliegen kwam op bezoek om aan hun einde te komen.Wel, veertig centimeter laag hangend pakkend en plakkend spul heeft, u raadt het al, nadelen.Elk moment van onoplettendheid wordt op dezelfde manier bestraft waarmee de tientallen vliegende boosdoeners aan hun einde komen. Stofdoeken, haren en reikende vingers blijven soms per ongeluk kleven in het kerkhof van lijm. Zeer vervelend en toch blijf ik hardnekkig volhouden tot de winter intreedt en me verlost van de kleine kwelduivels en hun stroperig graf.  

Fanny Vercammen
0 0