Lezen

Mijn winkeltje

Mijn winkeltje ligt net buiten de hoofdstraten van Edegem. Met maar één kleine vitrine, gevat in een groen raamkader, oogt het heel wat minder opvallend dan ‘De Tuin van Eden’ aan de overkant. Een bloemenwinkel die uitgesmeerd is over wel vier raampartijen. Hij heeft zijn naam niet gestolen, weet ik.   Ik kom wel vaker in mijn winkeltje. Hoewel. Vaak is misschien wat overdreven. Ik druppel ik er af en toe binnen. Telkens zit er iemand anders aan de kassa vooraan. Vrijwilligers vermoed ik. Ze schenken je altijd hun breedste, gemeende glimlach. Vandaag is het een jonge vrouw, mollig, blond. Dertig schat ik. Haar felblauw ensemble vrolijkt het donkere, bruinzwarte interieur op. Ze is op een wat zenuwachtige manier in de weer met haar kassa die duidelijk niet doet wat zij wil. Maar kijk, daar is die glimlach weer.   Ook al is het smal, het winkeltje loopt best wel diep door. Een echte pijpenla. Het daglicht haalt amper de kassa. Daar nemen de spots het over. Ze doen hun werk onopvallend en effectief. De producten in de rekken tegen de muren komen goed tot hun recht en dat verdienen ze. Ze komen uit de armste delen van onze wereld. Variatie troef. Verzorgingsproducten, kaarsen, koffie en thee, lederwaren, mandjes, allerlei hebbedingen,…   Terwijl ik achteraan in het boekenaanbod snuffel, geeft de blauw-blonde dame vooraan uitleg over het assortiment wijnen. “Ik drink zelf geen wijn”, hoor ik haar zeggen. “Maar met deze Chileense shiraz kunt u gewoon niets fout doen.” De vastberaden toon van haar advies maakt weinig indruk op een wat oudere vrouw die ik nu pas opmerk. Ze heeft in elke hand een fles rode wijn en fronst de wenkbrauwen. Ze denkt allicht wat ik denk: “Als dat maar goed afloopt.”

Frank Van Damme
1 0

Geef fijn stof geen kans: gun je auto een weekje vakantie

2 februari 2015 Annelies Anseeuw Polenplein 15 XXXX Mollegem Tel.: 051 26 87 49 E-mail: verkeer@mollegem.be   Geef fijn stof geen kans: gun je auto een weekje vakantie     Geachte inwoner van Mollegem,   Herinnert u zich nog de vuile wolk die vorige winter dagenlang boven de stad hing? Of misschien had u last van uw luchtwegen?     Het weerbericht kondigt het aan: de volgende dagen hangt er opnieuw te veel fijn stof in de lucht. Kinderen, bejaarden en personen met gevoelige luchtwegen blijven daarom de komende week beter binnen. De uitlaatgassen van het verkeer en de uitstoot van fabrieken zijn verantwoordelijk voor deze luchtverontreiniging. Het gemeentebestuur heeft intussen de bedrijven opgeroepen om de uitstoot van fijn stof zoveel mogelijk te beperken.     Ook u kan meehelpen om de lucht proper te houden. Wij vragen u om uw wagen tot 9 februari op de oprit te laten staan. Denk aan het openbaar vervoer of carpooling om uw bestemming te bereiken. Of werk van thuis uit als u die mogelijkheid hebt. En misschien bevalt deze aanpassing u zo goed dat u ook na deze piekperiode van fijn stof de auto minder gebruikt?   Dit advies geldt tot 9 februari. Wanneer de weeromstandigheden verder verslechten of er toch te veel verkeer op de baan is, zal het gemeentebestuur het verkeer beperken of verbieden. Wij lichten u hierover tijdig in.   Wilt u graag meer informatie? Surf naar www.mollegem.be/fijnstof voor extra tips. Of contacteer de dienst mobiliteit op het telefoonnummer 051 12 34 56 (tussen 9u en 17u) of verkeer@mollegem.be.       Met vriendelijke groeten,   Adviseur verkeer Annelies Anseeuw    

Annelies
1 0

Suggestieve tekst over winkelbezoek

Auto’s naast mij, voetgangers en fietsers die voorbijkomen, een vuil voetpad, ik wandel door een drukke winkelstraat. Dan duik ik een winkel binnen die een goedkoop imago heeft. Voor mij als klant dus niet erg uitnodigend maar toch besluit ik op ontdekking te gaan. Het ruikt er een beetje muf, de vloer is niet proper en het felle TL-licht doet pijn aan mijn ogen. Ik loop een verkoopster voorbij die aan het kuisen is, ze veegt stof en resten van papier en karton bijeen en geeft me ondertussen een vriendelijke ‘goedemorgen’. Andere klanten passeren me en ik vang een vreemde taal op, zo vreemd zelfs dat ik ze niet kan thuisbrengen. Ik wandel tussen metalen bakken en moet opletten dat ik niet struikel over kartonnen dozen op de vloer, die her en der half onder deze bakken weggestopt zijn. De metalen bakken bieden me een mengelmoes aan waarin, voor mij althans, geen systeem zit. Wat kom ik dan zoal tegen ? Wel, ik voel fleece en katoen. Maar ook papier en karton. Zelfs rubber, plastic en mousse. En ga zo maar door. Koopjes, die zijn er à volonté. Er valt niet naast te kijken want de felgekleurde zelfgeschreven affiches trekken de aandacht. Een ander aandachtspunt is de radio. Q-Music is zo luid aanwezig dat ik tijdens het winkelen perfect op de hoogte blijf van alle verkeersproblemen in Vlaanderen, willen of niet. Oeps, even opzij springen want de verkoopster is ondertussen met een dweil de winkel aan het rondgaan. Lekkere geur wel, dit product maakt vast en zeker deel uit van hun eigen assortiment. Ondanks het feit dat er hier zeer uiteenlopende zaken te koop zijn, vertrek ik toch met lege handen. De verkoopster glimlacht nog een keer. Het logootje op haar uniform heeft iets kinderlijks, het is een lachend Nederlands jongetje met pet. En dan sta ik buiten, terug op het vuile voetpad.

Kathy Vancluysen
0 0

Anna's rozen

"Weet je zeker dat het hier is?" "Nog een beetje verder, we zijn er bijna." Mijn dochter zucht theatraal. Even verwachtte ik dat ze zou protesteren, maar tot mijn opluchting gaat ze zwijgend verder. Met haar ene arm houdt ze mijn krukken vast, met haar andere ondersteunt ze mij. Ik bengel als een slappe lappenpop naast haar. Hoewel zij mijn uitgemergelde lichaam goed ondersteunt, doet elke beweging pijn. Onwillekeurig vraag ik me af wat het gemakkelijkste zou breken: een arm, een rib of een heup? Of misschien scheuren spieren gemakkelijker dan botten breken? De vraag verdwijnt al snel naar mijn achterhoofd, wanneer ik de oude eik herken. "Hier linksaf," geef ik aan. "Hoe kan dat nu? Mam, daar is helemaal geen pad! Nee, we gaan onmiddellijk terug. Dit is gekkenwerk! Ik kan niet geloven dat je me hiertoe hebt aangezet! Waar zijn we in godsnaam beland!" Ze snuift luid door haar neusgaten. Ik ken mijn dochter goed genoeg om haar monoloog niet te onderbreken en haar te laten uitrazen. "Kom, kom, lieverd. We zijn er bijna. Hier linksaf." Ik spreek rustig en zelfzeker. Mijn dochter kijkt me onthutst aan, maar komt wel weer in beweging. Met mijn krukken duwt ze takken van een heldergroene struik aan de kant. Samen staren we de dichte begroeiing in. Na nog een laatste klaaglijke zucht, stapt ze zijwaarts het struikgewas in, mij naast haar meeslepend. We bewegen ons traag door de groene wildernis. Ik ben zo in gedachten verzonken, dat ik enkele keren bijna struikel over wortels van de bomen die her en der staan. Gelukkig houdt mijn dochter me stevig vast. Met een abrupte beweging die mijn lichaam doet schokken, komen we tot stilstand wanneer we eindelijk de houten constructie van de hut zien. Mijn ogen vullen zich met tranen bij de aanblik van het gammele hutje. Ik word overspoeld met herinneringen. Mijn hart gaat sneller slaan. Het lijkt alsof elke hartslag zijn naam schreeuwt. Leon, Leon, Leon. Ik heb er nooit over getwijfeld dat de hut er nog zou zijn, maar al snel besef ik dat de belangrijkste plaats uit mijn leven, de tand des tijds maar net overleefd heeft. Nu ik ons stulpje van dichtbij bekijk, verwondert het me een beetje dat het nog steeds overeind staat. Het oogt alsof het zou kunnen bezwijken onder de kleinste windvlaag. Maar hetzelfde zou van mij gezegd kunnen worden, en ik ben er ook nog. "Laat me nu maar even los," gebied ik mijn dochter. Ze laat mijn broze lichaam voorzichtig los en ondersteunt me tot ze zeker weet dat ik stevig op mijn benen sta, waarna ze me de krukken overhandigt. Onhandig maar vastberaden beweeg ik me naar de deur. Met een kruk duw ik ertegen, waarna deze al piepend opengaat. Samen met mijn hartslag versnelt mijn ademhaling. Even vraag ik me af of mijn lichaam het dan eindelijk zou begeven, hier aan de deurpost van onze hut. Zo dichtbij, maar net niet. Het zou me niet verwonderen, besef ik. Hier terugkeren na al die jaren, had altijd iets onrealistisch geweest. Een onmogelijke droom, waaruit ik elk  moment zou kunnen ontwaken. Ik  wacht geduldig tot mijn ademhaling tot rust gekomen is en stap dan binnen. Als aan de grond genageld sta ik in het hutje. Ik sluit mijn ogen en snuif. Alles hier ademt zijn geur uit. Mijn adem stokt en mijn ogen openen zich wanneer mijn dochter achter mij mijn heiligdom betreedt. Ze stapt achteloos ons stulpje binnen:  haar voetstappen maken te veel lawaai, ze schraapt nerveus haar keel en neemt alles nieuwsgierig in haar op, alsof dit niet het grootste geheim is dat ik heb.  Een geheim dat ik al die jaren gekoesterd heb, maar haar ook toebehoort, besef ik. "Lieverd, geef me mijn tasje eens aan?" Zonder tegenpruttelen laat ze mijn tasje van haar rug glijden en overhandigt het me. Wanneer ik stabiel genoeg sta, geef ik haar de krukken in ruil. Ik open het tasje en haal de kaars en de aansteker tevoorschijn. Ik voel de nieuwsgierige blik van mijn dochter op mijn huid branden.  Hoewel het niet donker is in de hut, ontsteek ik de kaars en plaats hem in de kandelaar op het tafeltje dat voor me staat. "Dit was ons plekje. Ons geheim." Ik fluister de woorden voor mij uit, meer voor mezelf dan voor mijn dochter, hoewel ik me er bewust van ben dat zij elk woord nauwlettend opneemt. "Dit is het dorp waarin ik mijn jeugd heb doorgebracht. Hier heb ik de liefde van mijn leven ontmoet.", vertrouw ik haar toe. "Ja, in het witte kerkje waar we daarnet langsreden, trouwde je met vader. Dat weet ik toch? Je vertelde me dat verhaal al honderd keer en..." Haar ogen ontmoeten de mijne. Iets in mijn blik brengt haar tot zwijgen en doet haar naar adem snakken. "O." Mijn dochters lippen hebben dezelfde vorm als het geluid dat ze produceren. Ze heeft het eindelijk begrepen, besef ik. "Nee, lieverd. Dit verhaal heb ik je nog niet verteld." Ik heb het nooit iemand verteld, voeg ik er in gedachten aan toe. Ik werp haar een knipoog toe en voel hoe mijn wangen kleuren. Ik neem plaats op één van de oude stoeltjes aan het tafeltje. Het harde met de hand vervaardigde meubelstuk voelt vertrouwd aan. Mijn dochter neemt plaats op de andere stoel. "Zijn naam was Leon. Leon Biest. Ik was zestien toen ik hem ontmoette, hij was een jaar of twee ouder dan ik. We waren dolverliefd. Mijn liefde voor hem was zoals ademhalen: heel natuurlijk, en bovendien levensnoodzakelijk. We waren zo gelukkig, zo jong, zo wild. Maar natuurlijk keurden mijn ouders het niet goed. Vader was razend. Moeder wilde het er niet eens over hebben. Een Biest, daar wilde ze écht niets mee te maken hebben. Ah, ik begrijp het wel, hij was ook zo'n boef." Ik grinnik. Mijn dochter kijkt me verbijsterd aan, alsof ze niet kan geloven dat haar timide moeder een grinnik kan produceren. "Een boef?""Geen echte crimineel natuurlijk, hoogstens wat kattenkwaad. Hij had toen zo'n jobje als boodschappenjongen, waarbij hij met de fiets urenlang van her naar der moest om bestellingen op te nemen of materialen te leveren. Toen hij op zijn eerste werkdag platte band had en een fiets had gestolen om zijn route verder te zeggen, had hij natuurlijk meteen naam gemaakt. De hele dag door het dorp fietsen op een gestolen fiets, dat ging niet onopgemerkt voorbij! Dat het de fiets was van de priester, was natuurlijk brute pech. En al die keren dat we aangesproken werden door mensen die we niet eens kenden! We konden nergens ongestoord samen heen! Hij had de onhebbelijke gewoonte om tuinen te betreden en kledij van wasdraden te stelen. Die droeg hij dan ongegeneerd in het openbaar! Ik kan je wel vertellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Ik zat er steeds weer mee verveeld dat we werden aangesproken omdat hij de een of de andere mans broek of jasje droeg, maar hij niet. Voor hem was alles een soort grap. Hij was volkomen zorgeloos." De herinneringen aan zijn kwajongensstreken en zijn roekeloosheid, brengen vreugde in mijn hart. Het is lang geleden dat ik me zo licht en vrolijk gevoel had. Het voelt weer net als toen, zelfs na al die jaren. "En daarom bouwden jullie dit hutje? Omdat jullie niet meer in het openbaar konden samenkomen?" "Nee, 'tuurlijk niet. Dat was pas toen ik je vader huwde." "Wist vader...?" "Nee, hij heeft het nooit geweten. Bernard was zo'n lieve, oprechte man. Het was niet eens bij hem opgekomen dat ik niet zo was. Ik voelde zoveel genegenheid voor hem, dat het voor hem ook niet moeilijk was om te geloven dat ik hem liefhad. En natuurlijk was dat ook zo: ik hield van Bernard. Zelfs nu hij al bijna elf jaar dood is, hou ik nog steeds van hem. Maar niet zoals ik van Leon hield. Niet zoals ik nog steeds van Leon houd." Ik kijk naar mijn enige dochter, mijn oudste kind. Ik heb haar gedragen, gebaard en haar leven lang gekoesterd. Ik heb altijd meer van haar gehouden dan van de jongens, al mag een moeder zulke dingen eigenlijk niet denken. Haar hele leven heb ik haar dichtbij me gehouden. Als kind was dat gemakkelijk, maar ook toen zij Tobias huwde en zelf kinderen kreeg, bleef ik erg bij haar leven betrokken. Ik denk soms dat ik haar beter ken dan zij zichzelf kent. Hoewel we als dag en nacht van elkaar verschillen, voel ik een sterke verbondenheid. Haar driftbuien, het onblusbare vuur dat in haar huist, haar hart dat op het puntje van haar tong ligt, haar impulsiviteit. Eigenschappen die ik zelf niet heb, maar door en door bij haar ken en koester. Maar op geen enkel moment had ik dit meegemaakt: ze staarde me aan, sprakeloos. Totaal verbijsterd. Mijn mondige meisje. "Toen mijn ouders me dwongen om me te verloven met Bernard, beloofde Leon me dat hij een hut in het bos zou bouwen om samen heen te vluchten. Een toevluchtsoord waar we nooit ontdekt konden worden. Natuurlijk wist ik ook wel dat we niet de rest van ons leven onontdekt in een hutje konden wonen, maar ik was jong en ongelooflijk verliefd op hem. Ik zou hem overal heen gevolgd hebben. Ik zou de verloving afgeblazen hebben of niet opgedaagd zijn op mijn eigen huwelijk. Alles zou ik gedaan hebben, om samen met hem te zijn." "Maar waarom ben je dan met vader getrouwd? Wat gebeurde er?" Ze zit op het randje van haar stoel. Haar ogen, wijd opengesperd uit nieuwsgierigheid, kijken me doordringend aan. "Mijn moeder werd ziek. Dat veranderde alles. Hoewel ze niet had ingestemd met mijn relatie met Leon, was zij me zeer dierbaar. Ik hield zo van haar. Toen ze me op haar sterfbed vroeg om Bernard te huwen, kon ik niet weigeren. Dus huwde ik Bernard. En dat was dat. Dat dacht ik toen toch." Ik adem enkele keren diep in en uit, maar wanneer ik zie dat mijn dochter me brandend van ongeduld aanstaart, ga ik snel verder. "Leon bouwde de hut die hij me beloofd had. En weet je, mij lieve dochter, ik ben altijd heel gelovig geweest, net als mijn ouders. Ook als kind hield ik me trouw aan de Christelijke waarden. Ik leefde volgens mijn geloof. Tot ik iets ontdekte dat krachtiger was. Mijn liefde voor Leon was zo onloochenbaar, dat ze mijn Christelijke waarden oversteeg. Het hutje was exact één dag voor mijn huwelijk klaar. En het was hier dat ik mijn echte huwelijksnacht doorbracht, waarna ik in de vroege ochtend het ouderlijke huis binnensloop om als een brave verloofde op mijn toekomstige echtgenoot te wachten. Bernard pikte me op, we trouwden in het witte kerkje dat ik je daarnet aangewezen had en daar zou het bij blijven. Dat had ik mezelf voorgehouden, in overeenstemming met de belofte die ik mijn moeder had gemaakt. Maar natuurlijk bleef het daar niet bij. Ik merkte al snel dat ik zonder mijn grote liefde maar een half leven leidde. En er kwamen meer momenten in de hut. Ik keerde terug, hij keerde terug. We zagen elkaar hier, kusten elkaar, hadden elkaar lief. Of we misten elkaar. Wanneer één van ons hier was zonder de ander, ontstaken we een kaars. Als je dan bij binnenkomst in de hut de brandende kaars aantrof, wist je dat de ander hier niet lang geleden geweest was. Dat hij voor jou gekomen was en je gemist had. Dat hij aan jou gedacht had. En dan werd je helemaal warm vanbinnen. Leon liet naast de kaarsen ook steeds rozen voor me achter. Hoewel ik toen niet om bloemen gaf, net omdat ze zo snel verwelkten, deed het me veel plezier dat hij die dingen speciaal voor me uit anderen hun tuin plukte. Dat hij die risico's voor mij nam, voelde heel bijzonder." Ik kijk mijn dochter trots, maar ook wat beschaamd om mijn ontrouw aan. Ik weet dat ze ondanks haar impulsieve karakter, haar man nooit zou bedriegen. Dat ik, de rustige, timide vrouw, dat toentertijd herhaaldelijk heb gedaan en dat openlijk toegeef, lijkt haar niet van haar stuk te brengen. Haar levendige ogen kijken me nieuwsgierig aan. Ik zie hoe ze zich probeert voor te stellen hoe het toen was. De passie, de liefde die sterker was dan alle waarden waar ik waarlijk in geloofde, het avontuur. Ze is altijd heel pienter geweest, ook als kind al. Ik vraag me af wat er achter haar schijnbaar rustige gezicht schuilgaat. Hoeveel heeft zij begrepen uit mijn verhaal? Mijn oogappel, die ik altijd gekoesterd en aanbeden heb. Mijn Rose, die altijd wat vuriger geweest is dan haar broertjes. Wanneer haar ogen, die dezelfde tint groen zijn als die van Leon, me aanstaren, vraag ik me af of ik wil dat ze het weet. "En toen?" "Na mijn huwelijk werd ik heel snel zwanger. Zodra mijn zwangerschap zichtbaar was, kwamen er steeds minder kaarsen en rozen. Hij hield nog steeds van mij, dat zag ik in zijn ogen, maar mij zwanger zien, te wéten dat ik Bernards kind droeg, was voor hem te pijnlijk. Hij kon het niet aanzien. Mijn zwangerschap maakte het zichtbaar dat ik niet de zijne was." "Je herinnert het je niet, maar je bent hier eerder geweest." De bekentenis die ik haar maak, verrast me. "Toen ik net van jou bevallen was, nam ik je mee hierheen. Ik weet niet wat ik van plan was. Wat ik zou zeggen. Welke beslissingen ik zou nemen. Het was een impuls." "En wat gebeurde er?" Rose kijkt me bedachtzaam aan. "Niets. Er gebeurde niet. Hij was er niet. Na jouw geboorte, kwamen er geen kaarsen meer. Geen rozen. Geen Leon. Ik keerde terug, zo vaak ik kon verbergen, jarenlang. Tot Jamie geboren werd. Na de geboorte van je broer, heb ik me gesteld in mijn huwelijk. Ik heb er toen op aangedrongen om te verhuizen naar de andere kant van het land. Het deed je vader verdriet om onze geboortestreek te verlaten, maar hij weigerde niet. En zo verhuisden wij zonder duidelijke reden, met onze twee jonge kinderen. Henry werd pas anderhalf jaar later geboren." Roses vragende blik kruist de mijne. Ik lees zoveel twijfels in haar ogen. Zoveel onbeantwoorde vragen, zekerheden die plots wegvallen. Het doet me pijn om haar zo te doen wankelen, maar anderzijds  is het een opluchting dat ze eindelijk de waarheid kent. Het is een verademing dat ze mijn diepste geheim kent. Eindelijk kent ze mij, zoals ik echt ben. Het zal tijd vergen, dat weet ik, maar ik ben er gerust in dat deze nieuwe informatie haar zal helpen ook zichzelf beter te leren kennen en te aanvaarden. "Mam, ik denk dat het tijd is om te gaan, het wordt al bijna donker en we hebben nog een lange autorit voor de boeg." Ik knik. Ik buig voorover en doe iets wat ik nooit eerder gedaan heb: ik blaas de kaars uit. Ik weet dat Leon niet terug zal keren en ook ik zal dat niet doen. Ik neem mijn dochters hand vast en neem de laatste roos die hij me schonk voorgoed mee uit ons toevluchtsoord.

Fuaran
0 0

het volk

We moesten optreden in Zelzate, parel aan de Belgisch-Nederlandse grens. Eerst raakten we de weg kwijt. We bleven rondjes rijden tussen fabrieken, troepjes communisten en een kanaal. Uiteindelijk vonden we toch de plek waar we verwacht werden: het Dageraadplein aan de salafistische kerk. Er was geen kat. In een verre hoek, onder een linde, stonden twee priesters elkaar af te trekken. We deden de koffer van onze Nissan Micra open en merkten dat we onze instrumenten niet mee hadden. Gelukkig maar. We hadden nooit gerepeteerd, speelden zelfs geen enkel instrument. Wie had ons eigenlijk geboekt? We bestonden niet, hadden geen manager of Facebookpagina. We reden door naar Kemzeke. Het was er zonnig. Bij de eerste grote eik sloegen we linksaf. Na het derde kapelletje nogmaals linksaf. Dan rechtdoor, secondelang, tot we aan het grote podium kwamen. Wat een prachtig podium, zeiden we tegen een passant. Het is de main stage, antwoordde hij bitsig. Zijn hond piste tegen een lantaarnpaal. Is dat de main pole waar uw hond tegen pist, vroegen we grinnikend. De passant zocht een antwoord, maar onze aandacht was al drie minuten elders. De zon verdween achter een wolk. Het volk begon te morren. We schraapten onze keel, de micro's werkten perfect. Het was niet gemakkelijk om je achter te laten. Je sliep zo vredig, zo diep. Alsof er niets aan de hand was. Mijn trui was je kussen. Ik wou je nog een brief schrijven, maar mijn stylo was leeg en ik vond geen papiertje in je handtas. Er zat wel kauwgom in. Zou nog van pas komen. De weg was nog lang.

Maarten Verhelst
2 0

Open raam

Er brak iets zonder waarschuwing, niet dat het ons verraste. Maar het was daar, onaangekondigd en sneller dan we dachten. Onze hoop stapelden we torenhoog, maar met fundamenten drassig verschuift de waarheid naar een traag besef, je kan niet bouwen op verwarring. Ik speel met je lokken, kus je oor, klem m'n armen rond je huid. Mijn handen strijk ik door je haar, krijg de twijfels er niet uit. Met een klap als die van een hamer maakte ik je dromen stuk. Nu willen handen enkel lijmen wat er rest van ons geluk.   Ik had woorden te over toen ik naar je kwam, maar kan nu nog slechts gebaren. Ik wil terug naar toen we onbekommerd, ongedwongen één waren. Leg niet al je hoop in mijn mand, ik stil slechts tijdelijk je honger. Ik geef je eerlijkheid, geen zekerheid, kan de toekomstcode niet kraken. Het liefst open ik als een bloem, maar ik blijf halverwege steken. Je zegt je kent me niet, ik zeg ik ken mezelf niet, tracht niet me te doorgronden, want je breekt me.   Ik vlecht onze angsten in elkaar, hoop op een koord dat nooit zal knappen. Onze waanideeën komen voort uit een drang die we niet snappen. Zelfs als we beiden open kaart spelen en uit de biecht klappen, zal onze band nooit dikker zijn dan een gordijn. Als hoop verdwijnt, of wegzakt in een toekomstbeeld dat reeds vergeelt bij de gedachte dat vrijheid nooit volmaakt kan zijn, dat hechte banden steeds versmachten;   als kansen op een open raam die dichtslaat want er moet voortaan ook stilgestaan bij later, bij ons, bij wijn en water, bij de kater die in vraagt stelt of het dit is wat we willen, bij gaten die we haten maar nooit deftig kunnen vullen, en dat open raam dat gaapt, als een belofte op verlossing,  maar als we vrezen dat we in wezen niet bevredigen, maar slechts morsen, hoeveel meer kan het leven dan nog bieden dan een nihilistisch wachten op een teken, of een deken, om de raamval te verzachten.

Gert Vanlerberghe
4 0

Onderweg naar morgen

                                  Onderweg naar morgen   Ik keek er reikhalzend naar uit! Vol ongeduld en verlangen. Als ik nog een klein meisje was geweest had ik hoogstwaarschijnlijk rondgehuppeld en gezongen. Toen hield ik het slechts bij het laatste. Luidkeels zong ik liefdeschansons die dropen van passie en mijn omgeving in vervoering brachten; naar ik hoopte. Wanneer  ik terugdenk aan die periode, voor en na mijn PLAN, zo prentte het zich in mijn hoofd, kwam ik nog maar eens tot het besef dat ik een jaartje ouder werd, moest leren sterven, zoals het gezegde vereiste, maar bovenal ; dat was nu mijn leven. Hoe vaak heb ik erom geroepen, hoe dikwijls getreurd om mijn gebrek eraan. Het leven met hoofdletter L! Wat hield dat nu precies n voor mij. Wel, ten eerste kennis opdoen, werken, studeren. En de enige manier om daarin te slagen was om te ontsnappen uit dit achterlijk boerengat. In tegenstelling tot wat de religie hen voorschreef, waar dat land zogenaamd in geloofde, gold ginder opgedwongen achtergesteldheid gekruid met hypocriete moraal en gereserveerd met bijgeloof. Vooruitziendheid werd afgestraft, als er tenminste al iemand op zijn achterhoofd is gevallen om het na te streven. Het was verstikkend; iedere avond ondervond ik het aan den lijve. Ik voelde me als een sardine die opeengepakt lag te spartelen in een plasje water dat met de seconde verdampte in de zinderende hitte. Maar als er iets is dat ik met de jaren wel heb geleerd is het wel geduld opbrengen. Het is een schone deugd, zo wordt vaak beweerd en ik beaam het. Het huwelijk hier, in dit pittoresk dorpje, dat een paradox vormt op haar bewoners, is toepasselijk op een groot deel van de wereld. Het draait zuiver om de machtsstrijd, de touwtjes stevig in handen krijgen en houden, met als ultieme middel; seks en kinderen., Wanneer één van de partners  in kwestie enige beweging waarneemt in de voorheen vaste grond onder zijn voeten pleegt hij een coup, in menselijke taal; scheiding, dat op de meest beestachtige, menselijke vorm wordt uitgevoerd, tot de laatste kruimel, niets ontziend. Dat het leven te kort is en daarom alleen al je het dient te koesteren en vast te houden, daar hebben deze bollebozen geen kaas van gegeten. Maar ja, op je verstand zitten doet blijkbaar geen pijn! Grappig eigenlijk, als je weet hoe deze sneeuwbal aan het rollen is gegaan. Je ziet ze totaal niet komen, de momenten waarop alles verandert. Maar zelfs al kon je dat wel, het doet er niet toe, je kunt er toch niets aan veranderen. Het was dondermiddag, dat herinner ik me als de dag van gisteren. De lente was nog niet zolang het land ingetreden, en kleurde het landschap in nostalgische tinten. De zon scheen heel de dag door maar verkeerde in intieme relatie met een frisse bries. Waar je ook keek, alles deed je geloven dat het leven zo erg nog niet was. Mijn vader was op een van zijn eindeloze tochten als taxichauffeur om zijn klanten op tijd en stond naar de geëiste plek te loodsen doorheen de glooiende kaneelrode rotsheuvels. Ik stond met mijn stiefmoeder en –zusje Meryam in de keuken. Zij bereidde het avondmaal, Meryam modderde wat aan en ik veegde zo goed en zo kwaad als maar mogelijk de keukenvloer schoon met mijn veertienjarige handen en gebogen rug. We hadden het over een vrouw in het dorp. Ze was met man en kroost vertrokken naar Europa. Het land van melk en honing. Europa werd als land beschouwd ongeacht wat de atlassen beweerden.                   De uitgeweken vrouw was het gespreksonderwerp in elk huis, bij iedere bijeenkomst, lang nadat ze er aankwam, gesetteld en de draad van haar leven weer had opgenomen. Wat ging ze daar uitvoeren?! Europa is toch niets voor haar, smoesden de vrouwen bij het meer, de officiële wasplaats. Is het niet goed genoeg in ons land misschien; we zijn gezegend met vruchten, groenten, en allerlei soorten vlees… ? Een hele dag zon, en God boven ons allen. Wie zal haar  leiding geven in een goddeloos land? Ze schrobden, en schrobden met rode wangen en bezwete ruggen terwijl ze zich hardop afvroegen of ze misschien buitenshuis ging werken of studeren, ha!! Ze staakten de was en lachten uitzinnig over deze onbestaanbare ideologie. Hun ideeën zijn vastgeroest en willen niet mee met de tijd en rede. Ik had tot mijn tevredenheid de vloer schoongeveegd en borg de bezem op. Ik verrichtte mijn werk niet naar behoren, althans volgens de vrouw die zo barmhartig genoeg was om me een dak boven het hoofd te bieden. Onze relatie verliep nogal stroef, voor zolang ik me kan herinneren. Een stiefmoeder is iemand die alleen het slechte in een mens ziet. In alle mensen zonder uitzondering maar vooral een kind dat niet van haar is. Ik was veertien, had niets gezien van de wereld buiten de lap grond van mijn vader.. En luidop dacht ik aan wat ik zou doen als ik later, goh, wat leek dat nog ver, groot werd. Ik zou studeren en nadien gaan werken, als God het wil. Je kon er vergif op innemen dat Hij dat zeer zeker wil! Waarop mijn stiefmoeder laconiek repliceerde dat ik niet zo hoog van de toren moest blazen, ik was tenslotte maar een vrouw! En handig plaatste ze het deksel op de pruttelende kookpot waar een appetijtelijke geur uit opsteeg. Daarmee was de kous af! Toch vreemd en treurig, in zekere zin hoe een viertal woorden je hele toekomstbeeld aan diggelen kunnen slaan. Het was alsof iemand me een keiharde stomp in mijn maag had gegeven waar mijn hart van omkeerde. Ik werd er letterlijk ziek van. De gedachte alleen dat ik het leven zou leiden dat vele generaties voor me leden, zonder enige kans op verandering, zonder enige kans op inspraak mijnentwege, een donker hol zonder licht aan het einde van de uitgang. Je zou voor minder uit dit leven stappen. Ik kotste mijn darmen uit die verdorie niet meewilden. Ik stortte me op het schapen hoedden en keek er naar uit om hele dagen buiten te zijn in de snikhete, zonovergoten vlakte, met niemand om me heen, slechts af en toe het gemekker. De dag dat bij een meisje de eerste bloeding zich openbaarde, sloot ze zich aan bij de ellenlange rij huwbare vrouwen. En op dat gebied kwam mijn uithuwelijking met snelle schreden dichterbij. Ik verkeerde in het lichaam van een jonge vrouw. Mijn borsten leken wel overrijpe tomaten, ongeduldig wachtend op de eerste ‘plukking’. Menig mannelijk dorpsgenoot verlustigde er zich aan, ongeacht de leeftijd. Wat seksualiteit aangaat, beschikten de mannen over hersenen in het geslacht en niet zoals beweerd wordt in de bovenkamer. Ze dachten en deden met hun penis. En dat bestuurde de wereld… Stilaan rijpte zich een plan in mijn achterhoofd dat zichtbare vormen aannam. De dag dat ik vertrok had het al bijna vier jaar de kans gehad om te rijpen. Iedere avond als mijn vader zijn lichaam ontkleedde en onder de dekens nestelde met zijn brede vrouw links naast hem, sloop ik letterlijk als een dief in de nacht, naar de kamer ernaast. Daar werd sinds ik me kan herinneren voorraden opgeslagen en oude spullen opgeborgen die we niet nodig hadden maar moeilijk afstand van konden nemen. Aan de muur, tegenover de deur hing een oude kapstok en sinds jaar en dag hing mijn vader zijn kleren eraan op voor ie zijn geest en lichaam te ruste legde.  ’s Ochtends vroeg, bij het eerste hanengekraai, als  de donkere hemel slechts met lichtschakeringen sluimerde, trok hij ze weer aan na een uitvoerige wassing. Op de derde dag propte ie ze tot een bundeltje en mikte ze in de hoek van het vertrek tot iemand, meestal een van mijn stiefzussen,  ze bij de rest van het vuile wasgoed deponeerde, en hulde zich in kraakverse kledij. Hij was een propere man, mijn vader. De wereld sliep of bevredigde elkaar, als het hen zo uitkwam, terwijl ik geruisloos zijn zakken leegde en een biljet of twee achterover drukte, naargelang het bedrag ik er aantrof. Ik keek wel uit dat het niet opviel. Na bijna 4 lange jaren had ik de hand kunnen leggen op een aardige som. Ik nam waar ik recht op had. Ik nam wat me toekwam. Terwille van al die jaren van vrijheid en leven waarvan ze me hadden beroofd. Hoewel ik het hen nooit heb verweten. Ze dachten juist te handelen en wat gebeurt uit edele bedoelingen geschiedt steeds voorbij het goede, volgens een wijze, oude man. De wereld is nu eenmaal verdeeld in 2 kampen. Zij die onderdrukken en de onderdrukten. En jammer genoeg zijn de laatstgenoemde in de meerderheid; De onderdrukkers geilen op hun krankzinnigheid en wij onderwerpen ons eraan door gebrek aan beter weten. Fatsoen en Logica zijn hand in hand op een maanloze nacht weggelopen, anders hadden ze de weg wel teruggevonden. Ik ben God dankbaar dat hij me geen moeder heeft geschonken. Stel je voor! En moeder maakt je ei zacht en de kans is groot dat je het niet redt in deze staalharde wereld. Neen, dank je vriendelijk! Mijn moeder, Moge God genadig zijn, over haar ziel, stierf in het kraambed. Een moeder overleeft nooit zij die ze niet aankunnen, zegt het gezegde. Zoals het een man beaamt, was zijn eerste vrouw nog niet helemaal koud of vader hertrouwde een maagd van het dorp. Zij was rijk, ja zeker! Ze kreeg in korte tijd een man, flink wat jaren ouder maar ervaring en levenswijsheid is belangrijk, een prachtig huis, enorm in formaat, extravagant in stijl. De baby die er noodgedwongen bijkwam, was amper het vermelden waard. En zo ver haar rijkdom reikte, even ver strekte zich zijn zegening want negen maanden later kon hij zich de apetrotse vader van een dochter noemen. En nog één en nog één en nog één. En als afsluiter een zoon. De zegen was inderdaad zo onmetelijk als het zeeoppervlak, hij had een erfgenaam. Op zijn sterfbed kon hij alvast op innerlijke rust rekenen. Adam werd hij gedoopt en ik hield van dat ukkie als was het mijn eigen kind. Een parelmoervlinder. Lavandelbloesem. En ik had tal van koosnamen waar die vandaan kwamen. En vanaf de dag zijn aanvang nam tot ie over ging in de late middag liep ik vergezeld van Adam rond op het platteland. Stenen en distels ontwijkend, mijn huid bronzend en verwarmend door de hete zon. Wat hou ik van die heerlijke vuurbal! Zoals die in Turkije schijnt, schijnt ie nergens; zwoel, sensueel, genadeloos! Zevenendertig schapen had ik onder mijn hoede en ik voerde het werk met grote bevrediging uit. Er is niets dat meer voldoening schenkt, dan een grote portie verantwoordelijkheid. Haalde hun tere pootjes uit vastgehaaktte takken, loodsten hen naar vruchtbare groene vlaktes, bracht het verloren gelopen lammetje terug bij haar familie, zorgde voor voldoende water. ’s Middags onderbrak ik het werk om iets te nuttigen met de rest van het gezin. Daarop werd er een korte siësta ingelast. Het werd dan muisstil in het dorp, alsof  geen enkele ziel nog in leven was. Zelfs de dieren namen deel aan het ritueel. Ik herinner me de voorlaatste dag van mijn vertrek. Voor de laatste maal printte ik het landschap in mijn geheugen. Ik zou het missen, dat kon ik niet ontkennen. Het is zoals een ettergezwel; het klopt en jeukt en de opluchting is groot als het eindelijk geneest. Desalniettemin miste je de nare momenten. Ze werden een deel van je bestaan. Adam rende rond als een kip zonder kop; al maande ik hem aan rustig te doen. Na verloop van tijd plofte hij neer op de grond alsof het niets was. Het kaneelbruin zand stoof op. Ik had mijn ogen gesloten, nam alle geluiden in me op. In de verte mekkerde een geit, gevolgd door een schelle vrouwenstem die iets onverstaanbaars riep. De olijf- en vijgenbomen ritselden heen en weer met hun diepgroene bladeren. Vlakbij krijste cicaden monotoon. Adam lag tegen me aangeleund, zijn voorhoofd gefronst en gevraagd: “Waarom heb ik vroeger niet bestaan? “ Het was een intelligent jochie, maar soms dreef hij me tot wanhoop met zijn vragen waar geen eind aan leek te komen. “Je hebt altijd al bestaan, lieve schat.” “Wij allemaal, bij God in de hemel.” Ik wees naar boven hoewel ik er niet zo zeker van was dat het walhalla zich op die plek bevond.” Ieder individu dat ooit op aarde is geweest of ooit zal komen verblijft er even.” “En hoe bent ik dan hier gekomen?“  “Kijk”, ik dacht lang na. Hoe kon ik dit het beste uitleggen, zonder een zware berisping van mijn stiefmoeder  alsof ik net een moord had begaan, of nog erger, de waarheid vertelt en me de gebruikelijke negering aanbood die meestal weken duurde, als hij trots en in alle onschuld zijn kennis uit de doeken deed? Het werd aanbevolen in deze cultuur om brood te geven, geen rede, te leven als een zwijn; wroetend, zuiver noch van geest noch lichaam. Ongeacht de tegenstelling die de imam predikte op iedere vrijdag in de dorpsmoskee. Ik herinner me dat mijn nicht aan de vooravond van haar huwelijk nog geloofde dat een vrouw zwanger kon worden doordat “een bepaald soort vocht dat ter hoogte van de vagina lag opgeslagen en bij de minst verkeerde beweging, zoals bijvoorbeeld een tragische val, het vocht zich dan naar de baarmoeder verspreidde. Zoals een meisje uit het dorp recentelijk overkwam. Tja, en als je dan nog niet getrouwd was… “Kijk”, zei ik nogmaals en nam een dunne lange tak ter hand en tekende allerlei onherkenbare figuurtjes in het rode zand. Een huis neemt zijn aanvang met de fundamenten. “In de buik van iedere vrouw zijn er vanaf de geboorte hele kleine eitjes aanwezig en bij de mannen zijn het zaadcellen die…”. Adam raakte verwonderd zijn buik aan. “Zoals de zaadcellen die mama in  de grond gooit?!” Ik schoot in de lach. “Neen, lieverd, dat zijn zaden die uitgroeien tot voedsel, maar deze zijn een SOORT zaden die in ons lichaam zitten. En als je volgroeit tot man en besluit te trouwen, dan slaap je met je vrouw en daarbij komen het eitje en zaadje samen en dit wordt dan de baby. Het is zeer opmerkelijk en sprookjesachtig als je erbij stilstaat. Maar zo begint het leven van iedere mens, ongeacht kleur of geloof of woonplaats”. Adam was zichtbaar onder de indruk. Ik ging verder:” Dan zijn deze voor veertig dagen nog maar een klein zaadje, na nog eens veertig dagen vormen ze een klonter en dan pas een klompje vlees. Dan stuurt God een engel en blaast de geest erin. Dat is de de tijd dat de mama voelt dat het baby’tje in haar beweegt en dan leeft het ook daadwerkelijk. Want ervoor was het maar een stuk vlees. Nu had het een ziel. En vijf maanden later is dat zaadcel en eitje een volledige baby geworden en komt het uit de buik van de moeder.”  Ik zag aan zijn gezicht hoe het verhaal op hem inwerkte. Na een tijdje zei hij:” En als je geen kind wil slaapt je alleen. Maar als het koud is en je kant niet op de grond slapen?” “ Je moet toch niet op de grond slapen, engel!”, kreette ik verontwaardigt. “ Je blijft toch gewoon in bed.” Het was zijn beurt om geërgerd te roepen. “Maar als je samen slaapt krijg je een kind! “ Ik had meewarrig het hoofd geschud. Ik had het niet goed uitgelegd; in de komende ogenblikken zou hij het woord “slapen” in een totaal andere dimensie zien. Maar, hield ik mezelf voor, men is nooit te jong om te weten. Ik had het tekenen opgegeven maar toen trok ik bedenkelijk enkele strepen in het zand. De zon brandde genadeloos maar de hitte werd gecompenseerd door een matige bries die ons verkoeling bood onder de schaduwrijke vijgenboom. Dra zou de micro kraken ten teken dat de muezzin ze aanstak om op te roepen tot het middaggebed. Ik besloot voort te maken. “God heeft de man en de vrouw anders geschapen, dat weet je toch?” “ Vrouwen hebben bors gekregen om de baby melk te geven want hij kan nog geen brood eten en hebt nog geen tanden”, deed hij trots zijn kennis uit de doeken. “ Helemaal juist! Je bent een slimme jongen, weet je dat? “ Hij glunderde. “Het is trouwens ‘borsten’, de nadruk leggend op de laatste lettergreep”. “ Bors-ten”,prentte hij in zijn geheugen. “Maar dat is niet het enige verschil.  Het geslacht van een man ken je, hé. Maar een vrouw heeft op die plaats een klein gaatje”. Adam luisterde geboeid. Met schuin hoofd hoorde hij het wonder des Heer aan en plots doemde er een lichtje op;: “zoals de paarden!” Adam was schrander inderdaad. “Herinner je je nog toen de bruine merrie haar veulen kreeg…”? “Dan is haar gaatje floeps opengegaan en is het babypaard eruit gekomen. Ze heeft daar elastiek”? Ik grimaste. Hoe simplistisch is het kinderbrein.” Het is gewoon heel rekbaar. Je begrijpt nu dat zowel de mensen en dieren het zelfde geslacht hebben. Nu, als een man van zijn vrouw houdt dan wil hij vaak  heel dicht bij haar zijn, toch?”  Hij knikte overtuigd. “Zoals mijn sikje.” “ Hmmmm, …een beetje”. Sikje was zijn lievelingsdier. Ondanks het feit dat het beest mank liep van ouderdom had hij haar Sikje gedoopt en hield koppig vast aan die naam. Van zodra hij ontwaakte zocht hij  haar op. Grootmoedig deelde hij zelfs zijn koeken en karnemelk met haar maar van het laatste moest ze niets weten. “En”,  ging ik verder, “zodat de mensenniet uitsterven, had God een plan bedacht; de man doet zijn staartje in het gaatje van de vrouw en zo gebeurt het contact van het ei en zaadcellen die uiteindelijk een kind vormen en via datzelfde gaatje komen ze weer naar buiten. “Het werd een tijdje stil. Eigenlijk is het een goed plan, hé?” “ Ja,inderdaad; het is briljant!” ‘s Anderdaags, zou ik me niet op die plek bevinden, daar waar ik was opgegroeid, alles vertrouwd was en wist hoe alles in elkaar stak. Waar ik heb gehuild, plezier heb beleefd met mijn schapen en onnoemlijk eenzaam ben geweest. Het was een sprong in het diepe. Maar bewandel de wereld had Mohamed gezegd en open je hart en ogen. Ik weigerde te sterven alvorens ik mijn vleugels had uitgespreid. Het was tegen de leer van God, tegen de vrije wil, tegen iedere vorm van logisch redenering. Die avond aten we samen. Het gezin Aslan en ik, de getolereerde. Ik hield van hen, zelfs van mijn stiefmoeder. Per slot van rekening had zij mij gekneed tot wie ik ben geworden en kon ik met gemak overleven. De muezzin riep de dorpsgenoten op tot het gebed. Naarmate de avond naderde nam ieder het er goed van en sleurde stoelen en tapijtjes en keuvelde verder op het dak. Kleine petroleumlampen deden dienst als verlichting. Alsook de talrijke sterren waarmee de hemel bezaaid was. Het duurde niet lang of ik excuseerde me. Ik was moe en ging onder zeil. Speels trok ik Adam naar me toe en plantte een pakkerd op zijn wang. Van de anderen afscheid nemen was niet doenbaar. Ik wenste hen een goede nachtrust en liep op mijn dooie gemak naar mijn kamer. De microfoon kraakte en droeg vervolgens het gezang van de muezzin rond in de ruime, vrije ruimte. Ik had de hele nacht gewoeld. Ik stond op en maakte me geruisloos klaar, sloot de deur achter me en ging op pad. Mijn familie, sluimerden op dat moment ongebonden tussen droomland en realiteit. Over een uur zou mijn vader ontwaken met zijn vrouw in zijn kielzog en weer ten strijde trekken. Het leven. Het is niet gemakkelijk. Het houdt ons in de ban en we brengen onze dagen door met zaken die er niet toe doen. Verklaar je wereldlijk gewin en steek, bij voorkeur, zoveel mogelijk omstanders de ogen uit de kop. Onze maatschappij dringt ons een zelfverzonnen beeld op, een waanbeeld, gebouwd op losse schroeven, waarin we ons geloof in stellen. Vragen stellen is twijfelen. Twijfelen is niet geloven in jezelf. Maar ik zette door en relativeer. Vandaag zouden er weeral duizenden kinderen door honger omkomen. Armoe heerste in ons land samen met zijn broertje Onderdrukking. De groene rugzak begon door te wegen. Ik had enkele levensmiddelen gesmokkeld, wat ondergoed en een paar lichte kledingstukken. Voor het vertrek had ik me verkleed in en blauwe spijkerbroek en wit t-shirt. Mijn haren in een start samen gebonden en een pet opgezet. Ik kon aannemelijk voor een toeriste doorgaan, die de laatste tijd het land en in het bijzonder de dorpjes overspoelde. Niemand lette op me. De zon scheen aangenaam warm volop op mijn gezicht. Het landschap begon aan een langzaam proces van haar schoonheid tentoon te spreidden. Koranrecitaties en opzwepende muziek klonken uit voorbijrijdende wagens. Taxi’s, bromfietsers, hier en daar mensen druk in de weer op het land. Ik draaide me om en aanschouwde voor de laatste maal mijn moederdorp. Ik keek naar de diepgewortelde oppervlakkigheid dat als een deken over het binnenland heen lag gespreid. Ik zette mijn zonnebril op, gooide de ketenen van mijn enkels en verwelkomde het nieuwe

elmo
0 0

Man in beweging

Hij viel me meteen op. Hij zat aan een tafeltje met een krant. Het bierglas op het tafeltje halfvol. Hij had even op geveerd , de stoel gegrepen en die in het zonlicht gezet. Dan nam hij zijn zonnebril af en legde die in zijn schoot, bewoog zijn hoofd traag naar achteren en sloot de ogen. Het was duidelijk iemand die kon genieten en zich niet liet hinderen door een conflict dat was ontstaan tussen een andere klant en de ober. Toen de ontevreden klant riep dat hij kon oprotten, opende hij de ogen. Op dat moment boog de vrouw met rode rok zich naar hem toe. Hij knikte en gebaarde vriendelijk dat ze kon plaats nemen. Zij had blijkbaar opgemerkt wat ik ook al had gezien. Misschien had ze om die reden aan zijn tafel willen plaats nemen. Het gesprek werd door haar ingeleid, ze raakte de kern van zijn aanwezigheid na al die kluizenaarsjaren als een patiënt die elk contact met anderen diende te mijden omwille van besmettingsgevaar. Hij schrok zichtbaar van haar kennis over zijn ziekte en genezing. Maar hij zakte weg toen ze om zijn handtekening vroeg, zo gedurfd en ongeduldig. Hij vouwde de krant toe, goot het laatste blonde vocht smakeloos in zijn keel, en liet een briefje van vijf euro achter. Hij hoorde haar nog opstaan, hem achterna lopend op de hakken van haar lef, bewerend dat ze het niet zo had bedoeld. Haar rok wapperde als een vlag om haar slanke benen. Hij draaide zich om, schoot moordende blikken als kogels uit het zintuiglijke wapen dat hij bij zich droeg. Ik zat daar, achter mijn bril met zonneglazen, nipte van een kirr. Nooit zag in een man in die beweging.

Ingrid Strobbe
1 0