Lezen

Pech

Hoeveel pech kan je hebben binnen de tijdspanne van één ‘werkdag’?  Nadat we onze eerste werkmaanden er op hadden zitten, nodigde de raad van bestuur van onze kersverse werkgever mijn nieuwbakken collega’s en mezelf uit om met elkaar kennis te maken. Uit elke Vlaamse provinciehoofdplaats vertrok er een delegatie naar Brussel. Ons groepje bestond uit een stel jongelui aangevuld met enkele oudere HR-medewerkers die ons zouden begeleiden naar de hoofdzetel in Brussel. Eerst spraken we af in Hasselt om van daaruit gezamenlijk te sporen naar onze hoofdstad. Het was een mooie zomerdag toen ik mijn oude Kever parkeerde op de binnenring. Ik stapte uit en merkte al dadelijk dat ik een knop verloor van mijn blauwe blazer. Ik raapte hem van de straat op en borg hem weg in mijn jaszak. Een ongelukje kan iedereen gebeuren, dus no problem. Enkele minuutjes daarna ontmoette ik de rest van onze bende op het perron. Het zou een werkdag worden zonder dat we ervoor moesten werken. Dat is niet iedereen gegeven, dus de stemming zat erin. Een kwartiertje later zaten we op de trein en we namen een kwart van de wagon voor onze rekening. We waren met velen in dienst genomen in dat voorbije jaar. Van crisis was nog geen sprake. Dat zou niet lang meer duren, zowel voor de Belgische economie als voor mijn outfit van die dag. We naderden Diest. Een tweede knoop kreeg het snode plan zich te ontrukken van mijn nochtans onlangs aangekochte vest. Gelukkig bleef ik cool alhoewel de nog redelijk vroege zomerzon de temperatuur in ons compartiment de hoogte injoeg. Een blazer, dacht ik, wordt regelmatig niet dichtgeknoopt gedragen. Toen Aarschot in zicht kwam voltrok zich het derde ‘stuk’. Toen ik mijn armen kruiste om mijn ontbrekende knopen te verdoezelen, zag ik dat de naden van mijn vestmouwen aan de binnenkant helemaal loslieten en open kwamen te staan zodat de voering naar buiten puilde. Onder het mom van ‘te warm’ besloot ik dan maar mijn blazer uit te doen en over mijn schoot te draperen. Leuven zal voor mij altijd een nare bijklank hebben. Nog voor we onze zoveelste tussenstop deden, besloot ook mijn broek het te begeven. Net zoals bij de mouwen van mijn vest, weigerden de naden van mijn pantalon, nochtans even nieuw gekocht als mijn blazer, hun plicht te vervullen. Er verschenen twee openingen ter hoogte van de binnenkant van mijn knieën. Dit laatste was niet ontsnapt aan de opmerkzaamheid van één van mijn nieuwe vrouwelijke collega’s. Tussen Leuven en Brussel deed ik het relaas van mijn wedervaren aan mijn omzittenden. Eerst hilariteit alom, maar toen zij het hopeloze van mijn situatie inzagen was er alleen nog sprake van het broodnodige medeleven. Gelukkig bleef ik gespaard van het verder uitrafelen van mijn kledij en bleef het een zonnige dag zodat ik met mijn blazer de overige calamiteiten kon verbergen. Goddank gaf mijn toenmalige grote baas een eerder flauw handje in plaats van mij door elkaar te schudden met een fikse ‘poot’. Dat hadden mijn blazer en broek zeker niet overleefd. Iemand geïnteresseerd hoe dit alles kon gebeuren? Welnu, alhoewel beide kledingstukken nog maar enkele maanden voor die destructieve dag aangekocht waren, had ik besloten ze toch aan de nieuwkuis mee te geven: kwestie er op je paasbest uit te zien als je voorgesteld wordt aan je Raad van Bestuur. Een of andere mislukte ‘droogkuiser’ moet ze dan behandeld hebben met een verkeerd product, waardoor de naden verzuurden en verschrompelden, met alle gevolgen van dien. Moraal van dit verhaal: Het was het begin van een veertig jaar durende loopbaan. Regelmatig moest ik naar Brussel terugkeren maar altijd zorgde ik ervoor dat ik kleren droeg die niet pas ‘behandeld’ waren.

Marc M. Aerts
0 0

Zeven lagen Echternach

merggevoel, Ulrike snijdt het liefst frietjes uit verlaten fruit vuurwerk, bommetjes in haar tas   de Betlehemse sterrenchef, hij snoert een boutje lam terwijl ik driedimensionele debielen zie in een voertuig met vier wielen wereldsmoel mensengewaad wat goud, twee kettingen   zij die dubbele dagen zonder meer verdragen kunnen lokken we in een tentje vol ijs, nietsnootjes, winterslaap voor een ritueel   ik ben de liefde Echternachromantiek met veenbessen Plato bij de breuklijn lacht het beest van de bevrediging heeft lompe poten als een beer die toastjes smeert, paté van ronde varkens, everstaart en niemand die het merkt hoe dagen sterven kunnen in een glas   doorheen gipskarton hoort men wel eens het smekken van verzadigde vetten een vrouwenpruim druppelende ellende, mans gedoe ik zing de nacht wel uit om bij het krieken wat te staren naar het kruis besneeuwde dorpskern, vredig leeggedronken Kneipe   Ulrike, voor straks zijn zeven lagen ondergoed wat veel hoity-toity-truitje kan volstaan om tepeltuintjes te verhullen voor de misdienaar die ik niet ben   onzin alles verzonnen zwijgen ligt me zoveel beter dan het spreken over nachtmerries, beschaving hybride autos zonder kleverige achterbanken   alles verzwegen over die automaat antikinderfolieïndevormvaneenbanaan over de kansen, wonderen voor Jos, mijn Kalashnikov, Trotsky, Armani zijn soms bijnamen   des anderendaags geen koffie, zuivere keramiek, zwarte mannen zullen resten rapen, voelen aan de zak, weten hoe de warmte werd verwekt   kom, geschifte dromer want zij is het brein, ze wenkt dat het tijd is voor die rode kerst op het kleine plein       uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
31 0

Tussen lymfoom en levenslust

Als een alchemist zoek ik in mijn brein naar het gevoel dat beschrijft hoe ik mijn woorden moet vormen. De uit kersenhout vervaardigde panfluit die uit de deksels van mijn hoofdtelefoon klinkt, geeft me het voorgevormde idee dat de fluctuerende muziek me kan helpen de letters op de juiste plaats te zetten. De parool laat echter op zich wachten. Vandaag ben ik geconfronteerd met gevoelens die sterk afbuigen van de doorsnee portie. Een man, bebaarder dan dat ik me hem kan herinneren, heeft bullen bij me losgemaakt die mijn dichtstbijzijnde vrienden me zelfs niet kunnen voorschotelen. Ik wil bij deze mijn woorden wikken en wegen. Niet omdat ik te gierig ben om ze los te laten op de wereld. Maar omdat ik zeker wil zijn dat ik iets kostbaars als hem niet als understatement teniet laat gaan. Ik omschrijf hem als kostbaar. Omdat dat het eerste woord is dat bij me opkomt als ik luister naar zijn geruststellende stem. Zijn vaderlijk voorkomen geeft me het gevoel dat ik nog veel te leren heb, zonder dat hij daar iets voor doet, behalve het zichzelf zijn. De liefde voor de betekenis van het woord, die hij onaantastbaar koestert en deelt met de wereld heeft me geraakt en geïnspireerd tot diep vanbinnen. Schrijven of meer nog, woorden hanteren, is niet alleen een kunst, maar ook een gave. Dat heeft O. me bewezen. Wat het helemaal af maakt is dat O. met bitter weinig zeggen een warme douch van gedachten en gevoelens op je kan laten neerdruppelen. Het is aangenaam en je geniet, maar je hebt ook de kans, als je wil, om tussen de druppels door te kijken. Om de onzichtbare uitdaging aan te gaan en het durven vragen stellen. Ik vraag me af of hij weet welk effect hij op me heeft… Eerlijk, ik had even tijd nodig om te vatten wat O. stond te vertellen, voor, tijdens en na ons optreden, waar hij de presentatie verzorgde. Eerst dacht ik te begrijpen wat hij zei. Maar vandaag weet ik dat ik er niets van begrijp. Geen sikkepit. O. heeft namelijk een harde strijd gestreden. Vene vidi vici. Ja, je leest het goed. Hij heeft het gewonnen van de vieze geitenwollensokken kankerbeesten, ons allen bekend. Een zware behandeling en een zestal blogs later, weet deze man me te treffen met de levenskracht die hij uitstraalt. Het belang en de waarde van het leven, die hij overduidelijk betekenis heeft kunnen geven gedurende zijn ziekteproces. Als verpleegkundigen worden we dagelijks in het heetst van de strijd gegooid. Het is niet onze strijd, maar we vechten van kortbij mee met zieke mensen. Ik hoef niet te vertellen hoe ontzettend weldadig en jofel het voelt om iemand gezond en genezen verklaard te zien naar huis gestuurd worden. Onze opvolging stopt vaak vanaf dat onze patiënt zijn eigen levensweg weer bewandelt in plaats van het opgelegde donkere bospad binnen het ziekenhuis. Om iemand als O. in mijn persoonlijk leven te ontmoeten en daarnaast te mogen ontdekken wat hij deed en doet met zijn leven, geeft me een sentimenteel gevoel waar mijn veronderstelde professionaliteit onder bezwijkt. “Tot de volgende, bij leven en welzijn.” We namen afscheid als quasi onbekenden. En toch was dit zijn hartelijke afscheidsgroet aan mij. Maar niet de laatste. Want O. gaat verder met zijn leven. Hij is een winnaar.

Jiggi
0 0

Kind met duif

[Niño con una paloma (1901) — Pablo Picasso] „Hallo? Wie hebben we hier? Dag jongedame, hoe heet jij?” „Blanca, mevrouw.” Het meisje keek verlegen naar de grond. Ze had een bal onder haar arm geklemd en in haar kleine knuistjes hield ze heel voorzichtig een witte duif vast. De vogel leek het niet erg te vinden. “En kan ik iets voor je doen?” “Ik kom deze duif terugbrengen, mevrouw.” “Ik ben Anna, de meid. Je hoeft mij geen mevrouw te noemen. Is het er eentje van de burgemeester?” “Ja mevrouw… Anna. Hij heeft een ringetje, kijk… en daar staat een nummer in. Mijnheer Delgado van de overkant heeft ook duiven en die heeft ook een heel dik boek waar alle nummers in staan en hij zei dat daarin stond dat-ie van de burgemeester was.” “Nou, dan zal ik onze burgervader maar even waarschuwen.” Anna wilde zich al omdraaien.” “Kan ik hem niet aan u geven?” “O nee, ik raak die griezels niet aan!” Om haar standpunt kracht bij te zetten hield ze haar handen wapperend naast haar hoofd en trok ze een vies gezicht. Blanca moest haast lachen om deze rare vrouw. “Kom maar binnen. Hier, ga hier maar even zitten, dan zal ik de burgemeester laten weten dat je er bent. Bianca, zei je?” “Blanca, mevr— Anna.” Terwijl Anna het huis verder inliep, ging Blanca zitten op het krukje dat haar was aangewezen en keek vol bewondering de enorme keuken rond. Ze vroeg zich af of de oven groot genoeg was om in te wonen. Erboven hingen meer pannen dan haar moeder waarschijnlijk in een jaar zou gebruiken. Ze voelde haar arm moe worden door het klemmen van de bal en ze keek of ze die ergens voorzichtig neer kon leggen, toen Anna alweer terugkwam. “De burgemeester heeft het heel druk maar hij wil je even ontvangen, kom maar.” Ze volgde de huishoudster de keuken uit naar de grote hal. De donkere lambrisering gaf de ruimte iets plechtigs wat ze goed vond passen bij iemand die zo belangrijk was als de burgemeester. In de hoek stond een glimmend harnas dat heel echt leek. Met een zwaard. Anna wees naar een deur die op een kier stond, draaide zich om en ging terug naar de keuken. Blanca durfde niet zomaar binnen te lopen maar ze had geen hand vrij om te kloppen en dus schopte ze met haar voet heel zachtjes tegen de deur. Toen ze geen reactie hoorde, schopte ze iets harder. “JA!” bulderde het. Van schrik deed ze de deur verder open maar vergat de bal. Het vrolijke gestuiter van het plastic op het statige marmer leek oorverdovend en eindeloos. Het was alsof het geluid het hele huis door galmde. Het liefst was ze omgedraaid en hard naar huis gehold. „Hallo, hier ben ik.” Ze overwon haar angst en deed een paar pasjes naar voren. „Ja, kom maar verder. Kom, kom, ik bijt niet.” Blanca schuifelde voetje voor voetje de grote studeerkamer in, haar ogen op de grond gericht. Achterin het vertrek, achter een groot houten bureau, zag ze het silhouet van de burgemeester. Doordat het licht van achter het bureau door een hoog schuifraam naar binnen viel, kon ze niet zien of hij boos was. Ze dacht niet dat de burgemeester vaak werd gestoord door stuiterende ballen. „Zo zo. Kijk aan. Wat hebben we hier. Hoe heet jij?” „Blanca”, klonk het zachtjes, nog niet eens fluisterend. „Kun je iets harder praten, kind, zo kan ik je niet verstaan.” „Blanca, mijnheer,” nu iets luider. “Wat heb je een mooie strik aan je jurk, Blanca.” Blanca keek op, verrast door deze vriendelijke woorden. “Dank u wel, mijnheer. Heeft mijn moeder—“ “Anna zegt dat je een duif komt brengen?” “Ja dat klopt, mijnheer. Mijnheer Delgado van de overkant heeft op het ringetje gekeken en toen zei hij dat-ie van u was.” “Je weet dat dit soort duiven meestal uit zichzelf terug naar huis vliegen?” De burgemeester was achter zijn bureau vandaan gekomen en nu kon ze hem beter zien. Ze vond dat hij er eigenlijk best vriendelijk uit zag. “Ik denk dat hij was verdwaald, mijnheer.” “Verdwaald? Het is een postduif?” “Daarom, misschien.” “Hoe bedoel je.” De burgemeester leunde nu voorover en keek Blanca aan over zijn kleine brilletje. “De meeste duiven gaan nergens naar toe, mijnheer. En als je niet ergens naar toe gaat, kun je ook niet verdwalen.” De burgemeester keek haar verbaasd aan, vouwde zijn brilletje op en stak dat in een zakje van zijn overhemd. “Mmm, misschien heb je wel gelijk. Je bent een slim meisje, Blanca. Maar hoe kun je zien of een postduif verdwaald is?” “Ik weet het niet, mijnheer, maar hij kwam bij ons en wij krijgen nooit post. Behalve één keer per jaar, dan krijgen papa en mama een brief van tante Esmeralda, dat is een zus van mama, die naar Amerika is verhuisd. Maar die wordt nooit door een duif gebracht, altijd door —“ “Laat eens zien.” De burgemeester strekte zijn handen uit om de duif van Blanca over te nemen. De vogel fladderde wat en Blanca voelde even de warme zachte handen van de burgemeester toen ze hem de duif gaf. Zulke warme handen, dat zal hij vast fijn vinden, dacht ze. De burgemeester pakte een vleugel van de duif en spreidde deze helemaal uit. Hij wilde hetzelfde doen met de andere vleugel maar toen begon het dier heftig te protesteren. “Aha, daar zit het probleem.” Hij haalde zijn brilletje weer tevoorschijn, zette het op zijn neus en bestudeerde de linkervleugel van de witte duif. “Heeft-ie pijn, mijnheer?” “Ja, dat denk ik wel, Blanca. Ik denk dat een kat naar hem heeft uitgehaald. Of misschien een roofvogel. Ik ben heel erg blij dat je hem hebt teruggebracht, ik denk dat ik hem anders kwijt was geweest. En weet je, ik denk niet dat hij was verdwaald.” “Niet?” Nu was het Blanca’s beurt om verbaasd te kijken. “Ik denk dat deze duif, toen hij wist dat hij niet meer naar huis kon vliegen, snel op zoek is gegaan naar iemand die slim genoeg en lief genoeg was om voor hem te zorgen en hem terug te brengen.” Blanca kreeg een kleur. Hij bedoelde haar! De burgemeester trok aan een lang koord dat naast zijn bureau aan de muur hing en nog geen tien seconden later stond Anna op de drempel van de studeerkamer. “U had gebeld, mijnheer?”, vroeg ze vanuit de deuropening. “Anna, wil jij deze jongedame een glas limonade geven? Mét ijsblokjes. Ze heeft mijn duif gered.” En tegen haar: “Vanaf nu zijn wij vrienden, Blanca,” hij stak zijn hand uit, “Ik ben je erg dankbaar.” Blanca bloosde nog steeds toen ze zijn grote warme hand schudde en een kniebuiginkje maakte. Toen pakte ze haar bal die bij een boekenkast tot stilstand was gekomen en huppelde achter Anna aan naar de keuken. Toen ze later die middag thuiskwam wachtte haar een verrassing. Een grijze duif zat haar op te wachtten op het gammele tuinhekje dat het moestuintje van haar ouders afscheidde van het zandpad langs de boerderijen. Ze zag al snel dat ook dit een postduif was. Het briefje dat in het kokertje zat dat de duif om zijn nek droeg, was van de burgemeester, die haar nogmaals hartelijk bedankte. Het was ondertekend met: ‘uw vriend, de burgemeester’.

Bart Snel
196 0

Wij, mensen.

Als de mensen op de straat zouden liefhebben als apen en haviken zonder linkerteen, zou ik beven, de vibrators verwijten als varkens aan het speen. Als mensen van het vuur zouden schreeuwen, zouden klaarkomen als pornosterren aan het plafond, zou ik weifelen en winken, hoesten en tranen met duimbreed verpinken.  Als vliegen tegen stoten zouden kunnen, zou er geen haan meer naar kraaien, zou ik slapen zonder oordoppen, de nachtrust resoluut naar de haaien. Zou ik mogelijks wiemelen tussen en in kleren mij niet meer fit gepast, zou ik hem buitensjotten en denken van hey, o jij, ja da-ag, gast. Als de mensen aan de ramen zouden hijgen bij het zien van kooplustigen zonder geld, zou ik denken bij mezelf wat de worst dan wel mag wezen. Zou ik dammen bij de pier en oude mensjes de kamasutra lezen. Al het goede dat mijn pelsenjas de lucht toebindt, de gerstenat tussen mijn oren, de papillen ruimschoots welgezind. Als de mensen op de straat zouden liefhebben als apen en haviken zonder rechterteen, zou ik beven, de straatlantaarns verwijten te geeuwen als nooit voorheen. Als de nacht zou berusten met hongerige ogen, zou ik klaarstaan met gedroogd fruit en tot ergernis betogen. Over alles waar ik vol van loop en in verdrink, over de krijg me fit-rituelen en de stereotiepe Guido-bink. Want gauw zullen ze verzwegen worden, de namen van de stranden waar maagdenvliesjes ontnomen zijn, waar zusters in alle ongereptheid verpoosden met latinlovers en bekers plasticzakkenwijn. De mannen in mijn leven zullen geen nummers trekken, adviezen zullen ontdooien, verliefdheden zullen spierloos rekken. Slakken op de klimop aan mijn huis van weleer zullen hun dakje achterlaten bij zeeën van slijm en viesdoenerij, de gazelle zal giechelen in steegjes van getrek en hard gerampetamp kom dan toch naar mij. De jockeys van de disc zullen nooit meer naar me mogen kijken, strijkkwartetten zullen vergaan en de verdoemenis ontwijken. Bemoeiallen zullen moe worden van hun eeuwige gezeik, paters zullen blijven tappen, hun bier verheffen tot het nieuwe gistenrijk. Als de mensen op de straat zouden liefhebben als apen en haviken zonder poten, zou ik beven, de millenniumbaby’s vragen waar ze in godsnaam úit zijn ontsproten. Want als misschien in de toekomst ver, ik nooit meer zal kunnen hallucineren, zal ik moeten nuchter blijven in de liefde, altijd dicht maar nooit ter harte gedragen. Zal ik misschien De Wijsheid op een kraslot winnen en nooit meer moeten gissen en bedenkelijk vragen. Ooit zal de jockey van de disc, echt ik zeg het u, een voortreffelijk man, de moed bijeensprokkelen en vragen of ik hem beminnen kan. Dan zal ik zeggen van meneer met je mooie grijze haren, wat vraag je me nu, wil je me alstublieft onmiddellijk heel zorgzaam bedaren? Maar goed, de mijmeringen en de spinnenkoppen aan de klok kakelen luid. Beste lezer, tantenonnetje, veel gebrak en geblaat ten spijt, maar mijn verhaaltje is uit.  

Annelies
0 1

zeemzoet

De middag kwam op en de zon ging onder. De lucht werd grijs en ik bevond mij op een plaats waar de lekkerste geur ter wereld hangt. De kapperszaak, open gehouden door een oude grijsaard met een grote voorliefde voor Nederlandse Schlagermuziek, het soort muziek waar mijn haar spontaan wit van kleurt. Om veiligheidsredenen, het is tenslotte de beroemste mens uit het dorp zullen we de namen even veranderen en noemen we hem Pierke. Pierke had vroeger een grijs staartje en ik bedoel in zijn haar, dat hij graag meer en meer uitdunde tot er twee maand geleden niks meer van overbleef. Pierke hield van carnaval en genoot met volle teugen van het leven. Vol zenuwen en kwijlend door de shampoogeur wandel ik zijn zaakje binnen. Pierke fronst diep zijn wenkbrouwen. “Jij? Jij wilt je haar in het rood verven?! Nee, nee en nog eens nee.” Ik grinnik en hoop hem te overtuigen om een soort gelijke kleur in mijn lange onverzorgde haren te smeren maar hij weigert resoluut met een schaterlach tussen zijn vierentwintig nee nee en nog eens nee’s. Laat ons er dan maar blond in gooien. Hij knikt met glimlach en laat zijn hulpje het werk doen. De knappe meid begint vol vertrouwen aan mijn haar, ze trekt streepjes in mijn haren alsof ze in opdracht van de gemeente een zebrapad aanlegt. Een wasbeurt met naar mijn mening véél te koud water volgde. Na een uur klooien met kleverige verf besloot de kapper zelf, ons Pierke gretig aan mijn wildernis van natte haren te gaan snijden. Uit beleefdheid werd me een kopje koffie aangeboden die ik zonder tegenspraak aanvaarde. Gulzig slokte ik de warme vloeistof naar binnen. Lok na lok viel op de grond en deed me lichtjes gruwelen. Naar mate mijn haar korter werd kreeg ik meer spijt van mijn keuze. Ik liet zoals gewoonlijk Pierke zijn werk doen tot hij uiteindelijk met fierheid me aankeek in de levensgrote spiegel. Als een echte rockster aaide ik mijn vingers door mijn gestekelde kapsel. Uiteindelijk lijk lijk ik nog niet zo belachelijk met kort gewiekte pluimen en ik vraag hem hoeveel mijn schuld is. Hij zegt het en ik betaal hem. Het was een ellenlange namiddag die me terug doet hunkeren naar de zeemzoete geur die daar blijft hangen. Laat ons dat nog eens doen!

Peursum Doreen
0 0

Campo Santo

Vrijdag, de dag die me al weken weet wakker te houden. Mijn jas hangt achter me te drogen terwijl het hels gepiep van de treindeur me elke vijf minuten wil tergeren. Mede dank aan het Belgische regenweer. Ik probeer te genieten van mijn parker balpen die ik tien jaar geleden van papa kreeg  - en het ding schrijft nog steeds - en mijn schrift met streepjesmotief die ik onlangs uit een goedkoop prullenwinkeltje wist te vissen. Mijn haar hangt wat stekelig voor mijn ogen dat ik zo nu en dan als een echt rockster achteruit aai met mijn vingers. Ik neem vlug een sipje van mijn niet te zuipen Panos-koffie. Weer een piep van die treindeur. Kunnen ze niet eens investeren in geluidsloze treinen in plaats van die waardeloze hogesnelheidstreinen? De kokend hete koffie bezorgt me een opwelling wat in feite niet ter zake doet maar enfin.. Ik draag dezelfde kledij die ik normaal twee weken geleden ging dragen. Op de begrafenis van onze Vos. Zoals ik mezelf, het publiek en vooral onze Luc beloofd heb bezoek ik op 19 december van dit jaar zijn graf. Mijn stationskoffie is inmiddels bijna koud dus ik giet vlug de lauwe vloeistof door mijn keel tot de beker leeg is alvorens ik verder schrijf. Een oude man ziet me schrijven en trekt zijn wenkbrauwen op, wellicht denkt hij dat ik een dagboek schrijf. Ik schrijf geen dagboeken maar verhalen en collumns. Klaarblijkelijk kan ik zo beter omgaan met de dagelijkse dingen des levens, mijn soort van lichaamsdrug. Eindelijk, de trein vertrekt! Tot over een uur in Sint Amandsberg!   Opnieuw een eindelijk! Na eerst mijn overvolle blaas te ledigen in een overvolle trein zit ik weer eens op mijn gat om te pennen. Toch ik geen honger heb besluit ik mijn lichaam te voeden met lekkere spijzen die her en der in hellehol van Gent te vinden zijn. Wat een multiculturele chaos hier heerst! -Op de radio speelt “in the shadow” van The Rasmus, waar is de tijd dat dat nog op nummer één stond?- Fransen naast mijn tafel. Een Turkse die bedeld nabij het bankautomaat en een -geloof ik- goed Nederlandssprekende Indische juffrouw. Zo metteen stopt het met regenen en gaat de bloemenzaak open dichtbij het kerkhof. Ik bekijk mijn bord dat vol sla ligt. Het meisje aan de toog heeft haar volledige moestuin over mijn broodje gestrooid. Moest ik zeggen dat ik haar troep niet wil zou het haar geen barst kunnen schelen. Jammer, eet je bord leeg. De regenwolk verdween en gretig nam ik de kans om te vertrekken. Ik baande me een weg tussen nachtwinkels, pitabars, wegenwerken en modderige straten. Een halfuurtje later wandelde ik de Sint Amandusberg op waar de kapel eenzaam staat tussen eeuwig rustende Christenen en katholieken. Mijn hart begon sneller te kloppen, hetzij van de berg omhoog te klimmen hetzij van de reden waarom ik hier ben, een reden die ik dit eigenste moment maar al te goed begin te beseffen. Wachtend op de bloemist die zijn zaak opendeed werd ik zonder enig duidelijk excuus door een kracht naar het kerkhof getrokken. Ik vond het graf erg vlug. Luc ligt vredig en sober begraven op de heuvel, schuin onder het gigantische kruis tegen de wand van de kapel, waar Jezus hangt. Naast zijn graf staat een rest van een boomstam, ooit willen ze daar een nieuwe boom planten. De vorige treurwilg leek het te begeven en zou op den duur de graven stuk maken . Iets dat zeker niet kan en mag gebeuren. Het zou ons hart in stukken rijten. Ik ging voor het graf staan en tranen barstten uit. Woorden kunnen nu niet meer spreken en muziek is mijn enige redmiddel mezelf te verwoorden. Uit respect wil ik hier geen muziek laten afspelen, zelfs niet muisstil. Ik gaf mijn tranen de kans het te zeggen. Nadat ze die kans genomen hadden probeerde ik de tekst voor te lezen over de levensboom wiens takken naar de hemel reiken. Een krop bleef dansen ter hoogte van mijn strottenhoofd. Met veel moeite kreeg ik de woorden over mijn lippen. Ik legde de tekst samen met de levensboom op zijn graf terwijl ik een verwelkt eikenblad verwijderde. Ik zie dat zijn laatste rustplaats bezaaid ligt met aandenkjes van fans. Een potje grenadinepudding, iets dat onze vossieboy graag at vermoed ik. Een plectrum, een sleutel en een mp3 speler. Op en rond het graf lagen diverse bloemen. Traag kwam het tot me door dat ik erg dicht bij mijn idool stond en diep vanbinnen vroeg ik me één iets af. Welke afstand is het kortste? De afstand tussen het podium en de eerste rij op een festival of de afstand tussen de kist en de aardse bodem waarop ik mij bevind. Met diepe droefenis betreur ik me het laatste. Ik leek terug te kunnen spreken. Mijn belofte om zo metteen terug te komen met bloemen. Niet veel later stond ik aan de kassa van de bloemenzaak. Ik vroeg enkele witte rozen om op ‘iemand zijn graf te leggen’. De dame begreep me maar half, combo immigrant van Antwerpen naar West Vlaanderen vermoed ik? “Moeten ze ingepakt worden?” kreeg ik als vraag. “Graag” antwoordde ik maar sarcastisch in mezelf dacht ik nee, ik zal ze zo wel op zijn graf smijten. Plechtig zette ik een stevige tred neer, de heuvel op met een boeket van vier witte rozen die een schamele acht euro gekost hebben. Ik kon nog steeds praten zonder te huilen, al bleef die brok in mijn keel hangen. Een geruststellede stem in verte weerklonk in mijn hoofd. Ik stak de grafkaars aan die ik mee had gebracht en plantte die in het wakke zand. Voor iemand die zo goed emoties kan omzetten in taal kwam ik dat moment woorden tekort. Luc De Vos was erg katholiek en voor hem alleen maakte ik een kruistekentje en zei ik hem de pannen van het hemeldak te spelen daarboven. “laat onzen lievenheer eens zien wat muziek is, Voske! Dju toch!” Met de cliché woorden “rust zacht” sluit ik deze moeilijke dag af.

Peursum Doreen
23 0

Een namiddag bibliotheek

 Een namiddag bibliotheek, Donderdagnamiddag, ik besloot nadat ik mijn grommende darmen en misselijk makende maag het zwijgen had opgelegt door simpelweg te rusten en mezelf leeg te kotsen, om eens naar de bibliotheek te gaan. In Oostende hebben we een hele groot ruim en rustgevend gebouw bijna aan de waterlijn. Rustgevend mag in deze column als ironie aanschouwt worden, helaas.   Ik beleefde er de ergste tijd van de week. Mijn uren ziek op de pot leken me het grootste entertainment als ik dat mag vergelijken met enkele uren rust in de bib.   Iedereen weet intussen dat mijn grote Vlaamse idool, de held onder de helden is heen gegaan. Voor zover hij geloofde zal hij nu intussen plaats genomen hebben tussen God en Jezus Christus om van daaruit zijn liefde voor zijn volk verder te zetten. Voor zover ik geloof zit hij wellicht op een wolk neer te kijken op ons en hoe MIA onze strot uitkomt terwijl we het voor de honderdste keer op de radio horen en luidkeels mee brullen.   Ik was vandaag in de lokale bibliotheek omwille van onze geliefde Vos. Ik besloot om eens, enkel uit interesse, te kijken hoe het staat met zijn boeken en cd’s. Wie wil er na zijn dood superfan zijn en al zijn materiaal uitlenen om vervolgens de teksten van buiten te leren en over tien jaar overkomen als “de best Luc-De-Vos-kennende liefhebber van Gorki from Belgium Baby”? Per toeval zie ik bij de cd’s een klein album dat is uitgebracht onder zijn naam en niet de naam van Gorki. “Nondedomme” dacht ik! Dat is nergens meer te vinden, nergens te downloaden. Zelfs een betalende versie lijkt spoorloos. De overige cd’s van Gorki zijn uitgeleend. Ik grimas.   Als een bloedhond snuffelde ik op zoek naar wat ik die dag als buit wilde maken en geloof het of niet, ik zit graag in rust op de bankjes tussen de overige intellectuelen in gedachten diep verzonken in hun studieboeken. Ik nestelde me in een leren fauteuil met "Paddenkoppenland" van De Vos, dat na weken uitgeleend te zijn eindelijk terug zijn plekje had gevonden tussen de overige werken met de letter D. Mijn genot in intellectueel leesvoer werd verstoord door twee van de grootste barbaren der aarde. Een jonge dame en een oudere heer. De dame begon met luid met dvd’s te rommelen, het leek alsofmevrouw haar zin niet vond. En zo zal het ook wel meen ik, ze slaakte een kleine gil en een iets luidere ‘Godverdomme’. Ik keek op en als een magneet werd haar gezicht naar het mijne getrokken. Ze keek me boos aan en ik fronste. Neenknikkend nam ik terug een duik in mijn boek. Geen tien minuten later snapte ik waarom de grote ton met boeken daar stond te doen. De oudere heer die te arm of te nonchalant was om een broeksriem te kopen moest in opdracht van de grootste vandaal die de wereld kent een boekenhuis maken. Laten we hem Eddy noemen. Eddy liet me veelvuldig zijn bouwvakkersspleet zien, juist groot genoeg waar mijn fiets in past. Ik ben best tevreden met het fietsenrek buiten en  helemaal niet zo veeleisend.   Ik nam me voor om thuis verder te lezen waar ik in alle rust kan genieten van mijn leesvoer terwijl Eddy andere vrouwen of homoseksuelen het hof kan maken met zijn afzakkende broek.   Nog voor ik kon vluchten voor het heen en weer wiebelende kontvet werd ik opgeschrikt door een akelig geklop. Eddy begon de boeken aan elkaar vast te timmeren, wat een vandalisme! Al die kennis die ons brein kan opslorpen werd in enkele kloppen  naar de bliksem geholpen.   Teleurstellend liep ik naar het “identiteitskaartmachien en zijn computer” om vervolgens naar huis te fietsen door de plassen en met natte schoenen thuis te komen, sloefjes aan en een column schrijven voor mijn naar-mijn-verhaal-hunkerende-sociale-media-lezers.        

Peursum Doreen
0 0

Puppies, die hoge dosis schattigheid

 Over leuke kerstgeschenken gesproken, zo’n kleine petiterige wormpjes die piepend door elkaar kronkelen. Hoe vertederend kan iets zijn? Het mag buiten vriezen dat het kraakt, een koude decemberstorm mag razen of een typische kust-rukwind mag waaien. Die kleine bengels die aan mama’s tepels jengelen maken mijn kille hart telkens weer zo week en kneedbaar. Een hoopje kleine hondjes van amper drie weekjes oud, nog geen besef van wat de wereld hen te bieden heeft liggen heerlijk te soezen op een paars denken beprint met hondenvoetjes. De fokker laat me met veel trots zijn nestje zien. Al enkele uren zijn deze kleintjes in dromenland, tijd om even op te staan. Eén voor één opent zijn ogen, rekt zich uit en krabbelt traag overeind. Enkele lijken me te geeuwen. Ik voel me helemaal wakkig worden vanbinnen en vol verlangen zit ik op mijn knieën naast de werpkist. Ik voel een lichte drang opkomen om in de kist te springen en me er tussen te plooien met mijn benen opgetrokken en in elke plooi wil ik een snurkende puppy in een diepe, diepe slaap. Voor zover mijn dromen zelden werkelijkheid worden leg ik me erbij neer dat ik ze enkel maar zal kunnen vasthouden. Met een hoge stem en met wiebelende vingers weet ik de aandacht te trekken van die éne bruine Dobermann. Hij heeft geen bandje om zijn nek, hoe moeilijk kan het ook zijn om de unieke babyhond uit de nest te herkennen? In ganzenpas waggelt hij naar me toe en begint te spelen met heen en weer dansende vingers op het krantenpapier. Ik neem hem op en kan het niet laten om hem toch eens goed te bekijken en hem vervolgens plat te knuffelen. Zo’n maximale dosis schattigheid is ook zo moeilijk te weerstaan. Het figuurlijke lelijke eendje dat later een nog mooiere zwaan zal worden laat zijn ongenoegen blijken wanneer hij zijn vlijmscherpe tanden in mijn vingers plant. Al kreunend vecht hij zo hard hij kan tot hij met al zijn kleine voetjes terug op de begane grond staat. Boos kijkt hij me aan als hij zijn tredje verder zet. Terwijl hij naar de krant holt om zijn plasje te doen staat een andere pup wankelend op zijn poten me aan te staren. Deze vraagt zich wellicht af welk gek wezen nu weer voorover gebogen voor zijn neus staat. Hij draait zijn kop wanneer datzelfde gekke wezen even gekke geluiden maakt. Vol goeie moed trekt het kereltje zijn stoute schoenen aan en strompelt mijn richting uit. De rest van de nest weet niet waarmee zich eerst bezig te houden; hetzij met de pluche beestjes spelen of eerst hun plasje doen. Misschien een grote boodschap maar daar lijkt het merendeel zich nog geen zorgen over te maken. Zo zwak als ik ben til ik het kereltje op en duw hem tegen me aan, iets waar de kleine vechtersbaas niet van moet weten. Hij voelt zich de captain Jack van de bende en zal zich niet gewonnen geven tot ik achter zijn oren krab. Zo zwak als hij dan weer is laat hij zijn kopje op mijn arm rusten terwijl zijn argusoogjes stillaan wegebben in deze wereld van onschuldig genot. Hij lijkt er gerust in te zijn. Dezelfder tijd voelt de pup een hongergevoel in zijn maagje opkomen en denkt dat mijn kin én mijn vinger een tepel is waar hij naar hartelust kan aan zuigen terwijl zijn honger kan worden gestild. Mijn gezicht hangt vol puppiekwijl wanneer de bengel me teleurgesteld aankijkt. Tot zijn grote vergissing beseft hij dat ik niet het wezen ben dat hem melk kan bieden. De fokker lacht zich te pletter. Terwijl ik geniet van de schelm vraag ik me diep van binnen af hoe mensen zulke kleine, schattige en tegelijk onschuldige dieren gewetensloos kunnen pijnigen. Bedroefd denk ik aan mijn eigen hond, de sukkel die de pech gehad heeft om tussen stront geboren te worden terwijl de fokker van deze hondjes van hot naar her rent om elk keuteltje binnen de minuut opgeruimd te krijgen. Ze krijgen de beste voeding terwijl de mijne stro kon vreten en soms eens tevreden mocht zijn als haar moeder geen troef  kreeg. Deze pupjes lijken niet te beseffen in wat voor een gelukkige, warme omgeving ze zijn geboren. Ze mogen van geluk spreken dat de baasjes van hun mama het goed met hen voorhebben en dat ze niet moeten leven in een schuur terwijl in de winter de ijzige wind door merg en been raast of wanneer de zon in de zomer f el op het hooi schijnt zodat er een walgelijke geur van hondenstront en urine heerst over hun nest. Ach, het doet pijn te weten dat er zoveel bandieterij bestaat onder de honden, in de gehele dierenwereld. Op tv noemt men het broodfok, ik noem het smeerlapperij. De pup is tussen mijn gedachten door in slaap gevallen op mijn arm. Hij lijkt zo gelukkig en eigenlijk vraag ik me wel af waaraan hij nu denkt. Zou hij dromen dat zijn toekomstig baasje in kampioenklasse gaat werken met hem of zou hij een sofa-hond worden? Zal hij nog zijn rode halsband hebben tegen hij vier maand is of zou hij een stoere zwarte band krijgen? Misschien wordt hij wel een stevige kerel die iedereen verstomd doet staan wanneer hij in de ring stapt, trouw aan de zijde van zijn baas. Of wie weet zal hij kampioen in pakwerk worden? Aan de hand van zijn stevige beet in mijn vingers vermoed ik glimlachend het laatste.   Niemand hoeft zich zorgen te maken, laat hem nu maar weer vredig slapen tussen mama, zijn broers en zusjes, knabbelend op het oor van meneer pluche konijn.

Peursum Doreen
0 0

Vermist, gekist, vergist...

 Spitsbogen. Alle vensters hadden de vorm van gotische spitsbogen. De ramen zelf bestonden uit onregelmatig geplaatste, rechthoekige vlakken gekleurd glas, waardoor die Mondriaans overkwamen. De zon projecteerde de diverse kleuren op de zwarte leistenen vloer en op de bleke eiken kist die door vier man werd gedragen en langzaam naar voren schreed. De kist werd voorafgegaan door de priester en twee dienaars en gevolgd door Lydia en haar dochter Gina, samen met enkele familieleden die Lydia zelfs niet eens kende. De kist werd neergezet, begroet en gezegend door de priester. Daarna ging iedereen zitten. De priester heette de aanwezigen welkom. Hij ging zelf zitten terwijl Bist du bei mir weerklonk, gezongen door een vrouwenstem en begeleid door het orgel. De priester stond op, ging naar de lezenaar, spreidde zijn armen en zei: ‘Broers en zusters, wij weten dat God, die de Heer Jezus uit de dood heeft opgewekt, ook ons tot leven zal wekken om ons tot Zich te voeren. Wij geven daarom de moed niet op. Al gaan wij ook uiterlijk gezien ten onder, innerlijk worden wij van dag tot dag een nieuwe mens. Wij houden onze ogen gericht, niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare.’ Het onzichtbare waar Gert naartoe ging, interesseerde Lydia niet. Voor haar was het onzichtbare wat er was gebeurd. Waarom had Gert niet van zich laten horen? Hoe was hij aan zijn einde gekomen? Hoe kwam hij daar in die kist? Terwijl de mis vorderde gingen haar gedachten volledig op in de vragen die ze al maandenlang had gesteld. Plots stond Gina op en ging naar voren. Ze nam een papier uit de binnenzak van haar gele colbert, vouwde het open en las voor. Het ging over vake alhier en vake aldaar, haar uitgesproken speelkameraad. Lydia kon moeilijk een afkeurende blik verbergen. Na een resem gebeden, die aan Lydia grotendeels voorbij was gegaan, kwam de lijkbidder naar haar toe en vroeg haar voor de offerande. Lydia stond op, ging omheen de kist, die ze groette. Ze legde vervolgens haar hand op het kruis dat door de priester werd voorgehouden en nam het bidprentje aan. Zij ging weer zitten en bekeek het prentje. De foto op het prentje was Gert niet. Nee, dat was Gert niet. Wie had zich hier vergist? Was zij in de verkeerde kerk? Op een andere begrafenis? En dan weerklonk een lach van Gina, steeds luider en sterker galmend. Lydia schoot wakker. Nee, het was geen nachtmerrie, maar de zoveelste droom die ze had meegemaakt in de schemerzone tussen slapen en waken.   Fragment uit Het Pi-algoritme © Bert Bergs, 2014

Bert Bergs
0 0