Lezen

Beet

De vrouw naast me op het terras draagt een mooie, felblauwe blouse. Het is de eerste dag van de lente, en meer nog dan andere jaren lijkt het de eerste dag van een nieuw leven. Ik wandelde net van Westkapelle naar Domburg. Zes kilometer zon, strand en een frisse wind rond het hoofd. De buitenbocht van Westkapelle naar Domburg is nog bezaaid met golfbrekers, uitkijkposten, en veel asfalt. Een Nissan Note staat er op de rand van de zee geparkeerd. De oude man aan het stuur heeft zijn raampje naar beneden gedraaid en geniet verbeten van de zon. Naast hem, in de schaduw en de kou, zit een oude vrouw stuurs voor zich uit te kijken. Doet ze het portier open, dan valt ze in het water. Ze houdt zich krampachtig vast aan de handtas op haar schoot. De krant die ik deze morgen nog las wist haarfijn uit te leggen waarom de belofte van die eerste lentedag ons zo dierbaar is, en verzekert me dat het weer overgaat. Straks, wanneer het echt warm wordt, zullen we verlangen naar de schaduwen binnenshuis, en de koelte van onze lakens. Het is lastig om zoveel goed geformuleerde domheid te verdragen. Het blauw van de lucht is zacht, lijkt helemaal niet op het harde, diepe blauw van de blouse. De zon speelt met de kleur, en wanneer de vrouw vergenoegd haar rug tegen de leuning schurkt, zie ik het. Net boven haar linkerborst heeft iemand een afdruk van zijn tanden achtergelaten. Er staat een kinderwagen naast haar, en telkens de baby beweegt in zijn slaap, duwt ze even met haar knie. Ze houdt haar ogen dicht, en terwijl ook ik wegdoezel vraag ik me af of ze daarmee haar ogen wil beschermen, of dat ze net haar oogleden, die delicate en verder compleet verwaarloosde stukjes huid, het plezier van de zon gunt. Dat de krant daar niks over schrijft. Wanneer de dienster de dagvis op de tafel zet, schrik ik wakker. Ik schenk mijn glas witte wijn bij uit het karafje, en terwijl ik eet, kijk ik naar de niet aflatende stroom auto's, moto's en voetgangers. De opgewonden kinderstemmen, het geraas van motorrijders die met hun gashandel spelen, de gesprekken op het terras, ik duw ze allemaal samen tot een compacte, betekenisloze geluidsbrij. Dat is nodig om me op de vis te concentreren. Excuseer. Ze moet het herhalen, voor het tot me doordringt. Excuseer. Stoort het u als ik hem borstvoeding geef? Nog ver weg in mijn gepeins kijk ik haar vol onbegrip aan. Sommigen vinden dat niet prettig. Nee, natuurlijk niet, zeg ik. Waarom zou dat me storen? Ze gebruikt gelukkig de linkerborst, met het jongetje als buffer tussen ons in. Terwijl die eet, trappelt hij een beetje met zijn voetjes. Af en toe raakt hij mijn arm, en dan schudt ze de jongen weer op zijn plek, en glimlacht verontschuldigend naar mij. Hoe heet hij, vraag ik wanneer ze klaar zijn. Olivier, zegt ze, en ze spreekt het op zijn Nederlands uit, met een harde vier op het eind. Voldaan, en veilig op haar schoot, begint hij rond te kijken. Ik trek zijn aandacht, en hij speelt even met mijn hand. Het is een boefje, zegt ze, en even later het wordt een hele kerel. Ze lijkt uit te kijken naar de uitdaging om hem op het rechte pad te houden. De beet op de blouse speelt door mijn hoofd. Deze twee, moeder en zoon, zijn zo compleet samen dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat er nog een andere is, een volwassen man, die haar plaagt en uitdaagt, zijn lippen en tong laat spelen in haar mond, afdaalt naar haar borst, liefkozend door de blouse heen in de gezwollen tepel bijt, en dan een druppeltje melk weg likt. De afstand tussen waar zij is en een Nissan Note aan de rand van de zee is onoverbrugbaar. Ik schud de kwestie van me af. Het is de eerste dag van de lente, die ene dag dat verleden en toekomst niet hoeven te bestaan. Ze legt Olivier terug in zijn wieg, en rekent af. Mij schenkt ze een stralende glimlach. Het wordt al een beetje fris, en ik moet nog terug naar Westkapelle. Ik stap flink door over het duinpad. Het is nu vloed. De wijn eist zijn tol, en ik dwaal even af naar het verlaten strand. Ik laat mijn blaas leeglopen in de zee, en zet het daarna op een zacht, bijna verontschuldigend lopen. De zon staat al laag. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0

STOCKHOLM

Stockholm. De lucht als glanzend grijs plastic, met sneeuw die niet wil vallen en een meeuw die eindeloos dezelfde cirkels trekt. Aan de overkant van de straat staan bomen, de takken geven traag mee, schrapen in slow motion iets uit de wind. Af en toe sluit ik mijn ogen en stel ik me de naderende voetstappen voor, de klik van de klink, de vreemde opluchting dat het eindelijk allemaal voorbij is. Een week in deze kamer. Koud en stil. Iedere dag is gelijk aan de vorige. Ik ben een geest op een donkere planeet zonder naam. Dat denk ik. Ik zeg het luidop. In de schaduw van alles wat er gebeurd is, voel ik nu wat er altijd geweest is. Een dreiging. Een kwaad. Het heeft Kambar vermoord. Het zal ook mij vermoorden. Ik zie Kambar heen en weer lopen in mijn keuken. Zijn geloof in de goede afloop gaf hem een schijn van onkwetsbaarheid. Hij sprak snel, schudde zijn hoofd als ik iets wou zeggen, veegde mijn argumenten van tafel voor ik ze kon uitspreken. De aard der dingen, zei hij, Rerum Natura, fucking Lucretius of hoe heette die dichter. Na al die jaren sprak hij zoals een Amerikaan, was zijn accent nog nauwelijks hoorbaar. Hij had aan algoritmen gewerkt op Wall Street. Hij was er om de tijd te herprogrammeren, zoals hij dat noemde. Algo Trading, High-Frequency Trading, steeds grotere volumes van transacties in steeds kleinere tijdseenheden, fracties van tijd die het menselijk begrip te boven gaan. Hij was een überprofiel; briljant, radicaal, potentieel gevaarlijk. Het was geen verrassing dat EPX Chemical hem benaderde. Je hebt de diepere aard van iets ontdekt, zei hij. Hij wou me tot actie dwingen door trots bij me op te wekken, door me eraan te herinneren waarom ik een biochemicus was. De aard der dingen. De rampzalige en onvoorziene diepere aard van iets. EPX Chemical. Het overtuigde me dat ik een wereldveranderende doorbraak kon realiseren. En er was het geld. Ik ging mee in Kambars plan. Misschien omdat ik dacht dat ik zo kon terugkeren naar mijn idealen, misschien omdat ik genoot van het vooruitzicht een soort held te zijn. En nu zit ik in een kamer in een voorstad van Stockholm. Een matras op de grond. Een stoel en een tafel. Geen water. Geen elektriciteit. In dit deel van Stockholm staan alleen appartementsgebouwen, sommige zijn wit en lichtblauw, andere wit en rood. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. Als ik tussen de blokken wandel en aan Kambar denk, zie ik zijn gezicht, donker en zonder rimpels. Hij kijkt me verontschuldigend aan met zijn grote zwarte ogen. Alsof het alleen zijn schuld is dat ik in in deze verlopen wijk van Stockholm loop. Wat konden we anders doen? Daar denk ik vaak aan. Het houdt me ’s nachts wakker. We konden er niet mee naar de media gaan. EPX Chemical is meedogenloos, zei Kambar. We hadden het eerder gezien. Een moraliteitsonderzoek met leugens en halve waarheden in elk nieuwsbericht op de tv en op de voorpagina van elke krant, onze verdoemde koppen op het scherm van elke smartphone en elke computer en EPX Chemicals verdraaide versie van de werkelijkheid opgedrongen aan een onwetend en naïef publiek. Door naar de media te gaan gaven we EPX Chemical de kennis die het nodig had om zich van zijn schuld te zuiveren als de catastrofe zich begon te voltrekken. De regulerende organen van de overheid? De raad van bestuur van EPX Chemical? Vertakkingen. Onduidelijke structuren. Carrières als zigzag tracés. Consultants en executives verdwenen en doken onmiddellijk bij de andere kant weer op. Functies werden van het ene op het andere moment doorgestreept en vervangen. Een goocheltruc met deuren en mensen. Een voortdurende dans van manipulatie, geleid door EPX Chemical. De vijand, zei Kambar plots. Hij was bloedserieus. We kenden mensen bij de vijand. Bij zijn regulerende instanties. AES-256, zei Kambar. Verschillende lagen van encryptie met statistisch onafhankelijke sleutels voor elke laag. Een sterk cryptosysteem is een van weinige dingen die je niet met brute kracht kan vernietigen, zei hij. Anonimiteit. Een nieuwe identiteit misschien. Achteraf gezien was het gestoord. Het begint te schemeren. Het licht van een lantaarnpaal op de straat stroomt door het venster naar binnen. Een nieuwe koude nacht in Stockholm en ik vraag me af, wat zit nog hoger op de ladder? Wat controleert het organisme dat hele economieën in zijn macht heeft, dat als een parasiet zijn gastheer zombificeert? De obsessie om de aard der dingen ter vernieuwen en markten te herscheppen, alles met een genadeloze efficiëntie. Een kluwen van motieven, bedrijfseconomische, wetenschappelijke, geostrategische. De afwezigheid van een bredere context, een helder perspectief. Ik zit gevangen in alle dingen die komen bovendrijven en in herinneringen waarvan de betekenis is uitgewist. Ik zoek antwoorden waar ze niet meer zijn, misschien wel nooit geweest zijn. Gefragmenteerde beelden, echo’s van gesprekken vullen mijn hoofd. Losse einden. Alles is verdwenen of ergens in verstrikt geraakt, verborgen in een kapot neuraal netwerk. Kambars contactpersoon hapte toe. We brachten de informatie beetje bij beetje. We gaven een puzzle met ontbrekende submiscroscopische stukken. De vijand had honger naar meer. We maakten afspraken over wat er met de informatie moest gebeuren. Cruciale details. We kregen wat we vroegen. Nu. Hier in deze kamer. Ik hoor een geluid. Het klinkt als een tl-buis. Het is niet de lantaarnpaal op de straat. Ik speur met mijn oor tegen de muur. Ik hoor een auto en een vrachtwagen in de straat. Ik hoor de gesmolten sneeuw opspatten. De vrachtwagen maakt een dieper geluid dan de auto. Wat wil ik nog? Afleiding misschien. Een manier om de tijd te doden. Ik ga met mijn vingers over een barst in het pleisterwerk op de muren. Ik begin dingen te zien in de barst, voortekenen; een dalende koers in een grafiek, de bliksem op een waarschuwingsbord voor hoogspanning. We ontmoetten Kambars contactpersoon in een restaurant in Praag. Ik weet nu zeker dat we er niet alleen waren, dat we afgeluisterd werden. Mensen van EPX Chemical? Van zijn concurrenten? Agenten van de overheid? Dubbelagenten van de vijand? Doet het er toe aan welke kant ze stonden? De man die op een kruk een krant las, de ober die ons bediende, nog een paar anderen misschien, geen goeden en geen slechten, geen patriotten en ook geen verraders, maar geesten van een nieuwe dageraad, van een onzichtbare hegemonie. Alles was rond. Klaar. Het was overweldigend. Twee dagen later zouden we naar de hoofstad van de vijand vliegen, van de aardbol verdwijnen. Op de terugweg naar het hotel haalde ik geld uit de muur. Te veel geld. Het leek een vergissing toen. We moesten dit doen, zei Kambar in mijn hotelkamer. Dat zei hij een paar keer. Zijn grote zwarte ogen hadden de overtuigingskracht van een explosie. We moesten dit doen. Ik was stil. Mijn hersenen waren dof door de spanning, vermoeidheid, angst. Ik stond zwijgend voor de balkondeuren en keek naar een eindeloze schuimige wolk die, als een laag gegolfd polystyreen, geruisloos boven Praag hing. Dat ogenblik in die hotelkamer is dichterbij dan ik nu denk. De tijd is vertraagd. Een dag glijdt voorbij als een stroperige substantie die alles absorbeert en mij met deze kamer versmelt; er is alleen nog het aftellen. Denken is moeilijk. Het geluid dat als een tl-buis klinkt, gaat niet weg. Het grijpt me bij de keel. Luider nu. Het komt uit de muren. Er is hier iets is in deze kamer. Iets wat me besluipt. De lucht is vervuld van een gif. Wat voor gif? Ik zit op mijn knieën. Ik moet kotsen. Ik kokhals. Er komt niets uit uit mijn keel. De laatste keer dat ik Kambar heb gezien, was bij het ontbijt de volgende dag. We dronken koffie. Ik wou alleen zijn. Ik zette me recht. Ik ben om 12 uur terug, zei ik. Kambar at een croissant, dronk van zijn koffie, knikte. Twee uur later zouden ze hem op het bed van zijn hotelkamer vinden, met overgesneden polsen. Ik wandelde langs de Moldau. Mijn aandacht voor het verkeer en de mensen was mechanisch. Ik dacht aan slangen. Die kruipen uit hun oude huid en laten die achter, in één stuk. Wat er in Praag van mij achterbleef was versplinterd, kon niet teruggevonden worden. Ik nam een taxi naar het hotel. Ze hadden me op de een of andere manier gemist. Hadden ze mijn telefoon getraceerd? Die lag nog op het bed in mijn kamer. Zodra ik de ambulance en politiewagen zag, zei ik de taxichauffeur dat ik me vergist had, dat dit niet het hotel was waar ik verbleef. Hij zette me af bij ander een hotel. Ik wist wat er gebeurd was. Ik zocht een bevestiging. Die vond ik in een internetcafé: Four Seasons, Sebevražedný. Ik vroeg iemand wat het betekende. Ik nam de eerste bus. Ik wist niet waarheen. In Pilsen gaf ik 500 euro aan een Roemeense trucker. Stockholm. Het is te laat. Ik weet zeker dat het te laat is. Ik zit bijna door mijn geld. Ik probeer niet meer weg te kruipen uit deze kamer. Ik ben te moe om te gaan lopen. Waarheen zou ik gaan? Ik wacht. Wanneer ze me vinden, zal ik alleen maar opluchting voelen. Daarna, misschien de volgende dag al, zullen de Zweden me op een brancard uit deze kamer dragen.

JAN DE JONGHE
3 0

De Wachtkamer

Een kleine ruimte. Acht stoelen. Twee maal vier naast elkaar. Tussen de twee rijen in een tafel met tijdschriften die hun houdbaarheidsdatum al lang overschreden zijn. Ik op één van die stoelen. Naast mij een man die dwangmatig aan zijn neus wrijft waarna hij telkens de plooien van zijn broek glad strijkt. Tegenover mij een vrouw die alle kanten opkijkt behalve de mijne. Haar been trilt. Twee medisch secretaressen, in een bokaal, hermetisch van de wachtzaal afgesloten alsof onze lucht besmettelijk is. Ik hoor mezelf denken, hier hoor ik niet thuis. 63 jaar oud. Getrouwd. Sinds de kinderen het huis uit zijn niet gelukkig. Om half tien heb ik een afspraak met dokter Jansens. De beste uit de stad volgens mijn vrouw. 60 jaar oud. Het is door haar dat ik hier zit. Ik moet mijn problemen aanpakken. Zo kan het niet meer verder voor haar. De man die naast mij zit wordt naar binnen geroepen door de dokter. Haast onmerkbaar knikt hij naar mij. Partners in crime. Uitgescheten door de maatschappij. Het is twintig na negen. Binnen tien minuten is het mijn beurt, maar binnen tien minuten zal ik niet binnenstappen. Zo gaat het altijd. De uitstappen naar Bredene konden niet meer, nu twee jaar geleden. Niet dat Nadine haar schaamt voor haar hangborsten. Een naaktstrand is tenslotte een plaats waar je uitsluitend gepensioneerden ziet zonnen. De jeugd is er te preuts voor geworden. Twee jaar geleden gingen we voor het laatst. Uit het niets verhardde mijn penis. De maat was vol. De naaktstranden die we vroeger frequent opzochten, werden verboden terrein. In de jaren zestig kon ze er zelf van genieten. We waren jong, onbevangen en vooral vrijgevochten. Op de tonen van Joe Cocker rookten we joints. We vreeën in de duinen. Hadden lak aan alle maatschappelijke regels, tot Nona geboren werd. De handboeien van eerder spanden opnieuw strak om onze polsen. Toen de kinderen het huis uit waren, gingen we opnieuw naar naakstranden. Nadine stond er niet meteen voor te springen, maar ze had ook ooit de vrijheid gevoeld. Ze begreep me. Nu ben ik de gek die geil wordt van naakt rond te lopen. Het is pervers. Een parafilie. Nadine heeft het allemaal op het internet gelezen. De officiële term: exhibitionisme. Die eer deel ik met pedofielen, fetisjisten, masochisten en sadisten. Dat ik het ontken is logisch. In een eerste fase ontkent iedereen dat hij psychisch ziek is. De fases ken ik reeds allemaal uit mijn hoofd. De printer kan de aanvoer van informatie niet meer aan. Het ding is amper een jaar oud en mag al bijna op pensioen gaan voor bewezen diensten. Iedere avond doorploegt ze het internet op zoek naar behandelingen. We moeten ons huwelijk redden, maar wat valt er eigenlijk te redden? De neuswrijver komt naar buiten. De vrouw wordt naar binnen geroepen via de intercom. Hierna is het mijn beurt. 10u30. Het nut van een afspraak maken is al lang voorbijgestreefd. De seconden tikken trager dan wenselijk is voorbij. De secretaressen kijken niet om naar mij. De wachtkamer lijkt wel het zwarte gat van de maatschappij. De uitverstotenen die iedereen het liefst negeert. Straks moet ik de psychiater te woord staan. Ik heb me voorgenomen eerlijk te zijn. Dat dit een verplicht nummertje is om van het gezaag van mijn vrouw vanaf te zijn. Meer heb ik hem niet te vertellen. Dat ik graag puur rondloop is geen staatsgeheim. Er is ook niets mis mee. Het is toch niet mijn schuld dat mensen op straat schrikken als ik naakt door het raam sta te turen. We zijn toch allen uit dezelfde materie vervaardigd? Waarom moeten we alles zo nodig verbergen? Kleren zijn niet meer dan een masker voor ons werkelijke zelf. Ik heb op zijn minst de moed om mezelf zelf te tonen ontdaan van alle ballast. De vrouw komt na een kwartier buiten. Een routineuze afspraak om haar voorschriften op te halen? Mijn voornaam, geen achternaam, wordt geroepen. Ik sta op. Leg het uit elkaar vallende magazine, dat doelloos op mijn knieën lag, terug op tafel. Ik schud zijn hand. Nu weet ik het zeker. Ik ga hem niets zeggen. Enkel vragen stellen. Hoe moet ik in godsnaam omgaan met mijn vrouw? Met haar imaginaire problemen. Zij is ziek. Niet ik. Niet ik.

Thomas Jacques
5 0

De zin van waanzin

Als ik niet op exact het juiste moment gekeken had, zou ik niet eens geweten hebben dat hij er nog was. Daar stonden we dan, ik ademloos kijkend naar hem, terwijl hij me zelfzeker doch betrapt aanstaart. Slechts één ogenblik duurde onze ontmoeting. Daarna was het moment alweer voorbij. Verbijsterd staar ik naar het raam, in wiens weerspiegeling zijn aanwezigheid even geleden nog onthuld werd.Ik draai me om, razendsnel, maar zie enkel wat ik verwachtte te zien: ik ben alleen. En zo gaat het elke keer. Eén kort moment van onthulling, waarna ik soms maandenlang geen teken van hem zie. Soms denk ik dat hij voorgoed weg is, dat hij eindelijk rust gevonden heeft. Tot hij me weer het tegendeel bewijst, natuurlijk. Want rust vindt hij niet.In mijn borstkas gaat mijn hart als een razende tekeer. Ik leg mijn hand erop, om het te sussen. Sssssssst..sssssst....sssssst. Mijn ritmisch sussen stemt mij rustig, maar mijn hart laat zich niet voor de gek houden. Of beter nog: zijn hart laat zich niet voor de gek houden. Het is vreemd hoe het hart dat al meer dan een jaar in mijn borstkas huist, nog steeds vreemd aanvoelt. Alsof mijn mankerende hart, wiens slagen van bij mijn geboorte geteld waren, beter bij mij hoorde dan deze perfect functionerende vervanger.Ik denk wel eens dat ik dit nieuwe hart tekort doe. Dat het te fel voor me is, te levenslustig. Ik ben niet avontuurlijk genoeg, te braaf misschien. Ik zou kunnen zeggen dat dat zo is omdat ik mijn hele leven geleefd heb als een kasplantje, bang dat de kleinste opwinding het einde van mijn fragiele hart betekenen zou, maar dat zou een leugen zijn. De waarheid is: ik had me al neergelegd bij mijn noodlot. Ik had mijn einde reeds aanvaard. De kans dat er een functionerend hart voor mij zou zijn, een hart dat door mijn lichaam geaccepteerd zou worden... daar had ik nooit op gerekend. Ik had er niet eens van durven dromen. Mijn hoop op een lang leven had ik al begraven.Wanneer ik een hand voel op mijn schouder, weet ik dat hij voor mij is gekomen. Deze keer draai ik me niet om. Ik weet dat daar niets dan leegte op mij wacht."Ik ben in de kamer hiernaast, kom maar wanneer je er klaar voor bent." Hij fluistert de woorden in mijn oor. Daarna voel ik hoe de hand van mijn schouder verdwijnt. "Neem je tijd," voegt hij geruststellend toe, maar die heb ik niet nodig, ik heb al zoveel meer tijd gehad dan verwacht. Tijd om na te denken. Ik ben er klaar voor.Vastbesloten ga ik naar de slaapkamer. In een oogopslag neem ik de ruimte in me op. Op de grond ligt een eenvoudige matras zonder bedframe. De muren zijn kaal en leeg. In een hoek staat een aantal onuitgepakte kartonnen dozen. In tegenstelling tot mijn nieuwe hart, past deze kamer uitstekend bij mij. Ze sluit aan bij de manier waarop ik in het leven sta. Ik ben slechts een voorbijganger, niet in staat me te vestigen, ik blijf hier niet.In het midden van de kamer ligt hij. Hij is mooi op een onopvallende manier, realiseer ik me. Het soort mooi dat je niet in tijdschriften of in films ziet. Zijn bleke gezicht heeft iets vriendelijks, een ondefinieerbare trek waardoor je hem wel sympathiek moet vinden. Zelfs nu zijn lichaam volledig ontspannen neerligt, verhult zijn kleding de vorm van zijn spieren niet. Aangedaan door het serene beeld van de onbeweeglijke jongeman, kniel ik naast hem neer. Zelfzeker plaats ik mijn in elkaar geslagen handen op zijn borstbeen. Met korte stoten pomp ik het bloed door zijn lichaam. Dertig keer op rij. Ik voel geen angst om mijn lichaam te overbelasten, want het is zijn gezonde hart dat in mij huist. Ik maak zijn luchtweg vrij door zijn hoofd te liften, knijp zijn neus dicht en plaats mijn lippen op de zijne. Zijn lippen voelen koud en slap aan. Bijna verwijder ik mijn mond van de zijne, maar dan herneem ik me. Twee keer laat ik verse lucht in zijn longen stromen. Daarna verlaten mijn lippen de zijne. Wanneer ik mijn handen weer op zijn borstbeen plaats om de hartmassage te hervatten, proest hij het uit. Zijn heldergroene ogen openen zich en staren me verbijsterd aan. Onder de palm van mijn hand pompt nu zijn herleefde hart weer bloed door zijn lichaam. Mijn ademhaling stokt. Mijn eigen zwakke hart protesteert hevig tegen de net uitgevoerde inspanning. Het duizelt me. Ik heb een jaar de tijd gehad om na te denken, spreek ik mezelf moed in. Ik ben er klaar voor.Met mijn laatste kracht verplaats ik mijn handen van zijn borst naar zijn keel. Zijn ogen sperren zich wagenwijd open wanneer ik mijn volledige gewicht gebruik om zijn luchtweg toe te knijpen. Zijn armen grijpen wanhopig om zich heen, maar slagen er niet in mijn handen van zijn keel te verwijderen. Net zoals bij de hartmassage tel ik tot dertig. Opnieuw en opnieuw, tot zijn lichaam al lang geen verzet meer biedt. Zijn ogen staren me angstig aan, maar zijn hart bonkt energiek en levenslustig in mijn borstkas. Ik sta op en adem drie keer diep in en uit. Mijn lichaam giert nog na door de adrenaline van de inspanning. Mijn hart gaat als een razende tekeer en ik volg het. Voor het eerst zijn wij werkelijk één. Ik stap naar de stapel kartonnen dozen en haal het eerste voorwerp eruit. Zonder veel aandacht te besteden aan de afbeelding op het doek, hang ik het schilderij aan de muur. Ik neem een aantal stappen achteruit om het te bestuderen. Wanneer ik weer naar de kartonnen dozen toeloop om het volgende voorwerp uit te pakken, zie ik dat het lichaam van de jongeman verdwenen is. Ik weet dat hij niet terug zal keren. Ik voel het aan het krachtige hart dat in mijn borstkas slaat. Het hart dat nu eindelijk echt van mij is. Ik ben er klaar voor. Ik leef. 

Fuaran
0 0