Lezen

Moordenaar!

Steven wendt het hoofd af. De loop van Leo’s revolver staat loodrecht op zijn slaap. Leo voelt hoe een druppel koud zweet tergend langzaam langs de holte van zijn ruggengraat naar beneden loopt. Hij spant de haan. Stevens hoofd beweegt mee. Beide mannen houden de adem in. Leo telt in stilte tot drie en haalt de trekker over. Er weerklinkt geen schot; enkel een droge klik. Er wordt weer adem gehaald. Steven en Leo zitten aan de hoek van een tafel, elk langs een kant. Leo legt de revolver tussen hen in, de kolf in de richting van Steven gedraaid. Steven36 jaar. Voorheen zelfstandig stukadoor, momenteel tewerkgesteld als klusjesman bij de stad. Al vijftien maanden lang stapte Steven elke avond het café binnen voor zijn dagelijkse portie vergetelheid. Die dag kwam luttele tellen later een vrouw binnen.“Is deze plaats vrij?” vroeg ze schor. Ze bracht de kou mee van buiten. In al die maanden was dit de eerste keer dat Steven zoiets overkwam. Hij knikte de vrouw toe. Te onverschillig, dacht de cafébaas. Steven trok het zich niet aan. De vrouw negeerde het non-verbale onderonsje aan de toog. Ze ging zitten, en de cafébaas keek Steven vragend aan. Steven begreep plots wat van hem verwacht werd: “Wil je iets van me drinken?”“Een glas witte wijn, graag.” Ze zei het op een toon waardoor Steven zich hardop afvroeg of ze elkaar kenden. Ze zei van nee. Steven ging er niet verder op in. Zo zaten ze zwijgend naast elkaar tot haar glas leeg was.Opnieuw die blik van de cafébaas. “Nog eentje?” vroeg Steven. De vrouw knikte. “Nog eens het zelfde,” gebaarde Steven. Dit scenario herhaalde zich een vijftal keer, tot de vrouw plots zei: “Genoeg! Ik moet naar huis.” Haar glas was nog niet leeg.“OK,” zei Steven, maar de vrouw aarzelde: “Hmm, het is wat laat om nog alleen op straat te gaan. Loop je niet even met me mee?”“OK,” zei Steven opnieuw. Nu op een ietwat andere toon. Ze liepen Stevens voordeur voorbij. Steven dacht aan zijn vuile kleren in de woonkamer, de afwas in de keuken, de rommel op de gang. Haar bij hem thuis binnenvragen was geen optie. Dat speet hem, want ze doorkruisten bijna de halve stad vooraleer de vrouw een sleutel uit haar jaszak viste, een voordeur aanwees, en zei: “Dat ben ik.”“OK,” zei Steven weer, alsof het de enige twee letters waren die hij kende. De hele tocht hadden ze amper een woord gewisseld. De vrouw scheen het niet erg te vinden. Ze vroeg: “Kom je mee naar binnen?”“OK.”   —   De vrouw hing haar jas over een stoel en draaide de verwarming hoger. “Ik heet Marion,” zei ze, terwijl ze haar truitje uittrok. “Help je me even met mijn rits?” Ze draaide haar rug naar hem toe. Hij hielp haar uit haar jurk en ze haakte haar beha voor hem los. “Kom mee!”Steven volgde Marion naar boven, legde zijn kleren over de rand van het bed en zei geen nee. Marion sliep nog toen hij de volgende ochtend het huis uitsloop. Vlug naar huis, omkleden, naar het werk. Hij vroeg zich af of hij het allemaal niet gedroomd had. Was dit echt gebeurd? En zo ja: waarom? Wat zocht die vrouw in een café zo ver van huis? ‘s Avonds was hij er nog altijd niet uit. Hij kon er beter eens over nadenken bij een glas. Tot zijn grote verwondering zat Marion op hem te wachten aan de toog. Ze had net het aanbod van een andere man afgeslagen. De cafébaas lachte Steven toe: “Het zelfde als gisteren?”Marion antwoordde in Stevens plaats: “Doe maar ineens een fles.”Er waren nog minder woorden nodig dan de dag voordien. De fles minderde langzaam maar zeker. Toen ze leeg was, stapten ze samen het café uit, de halve stad door, naar haar bed. Dit keer was Marion wakker in de ochtend. “Morgen weer?” vroeg ze.“OK.” Hij vroeg zich niet meer af waarom.   — De volgende ochtend bleef Steven liggen. Het was zaterdag. Hij moest niet gaan werken. Hij was van plan Marion te vergasten op koffie en een lekker ontbijt; maareerst nog wat slapen.Hij schoot wakker toen het gestommel op de trap al heel dichtbij was. Een man riep Marion bij haar naam. Marion was klaarwakker. Ze zat rechtop in bed, haar ogen op de slaapkamerdeur gericht: “Leo!”Een man deed de deur open, overschouwde de situatie, en vloekte: “Wat is hier g*dverd*mme aan de hand? Wie is die vent in ons bed?”   *** Steven had dood kunnen zijn. Meer nog: Steven had dood willen zijn. Maar dat was een minuut geleden. Intussen waren de rollen omgedraaid. Slachtoffer werd dader, en omgekeerd. Leo geeft de revolver nog een duwtje in Stevens richting; als om te zeggen: “Komaan, doe wat vlugger. Maak het kort!” Steven neemt de revolver in zijn rechterhand, geeft met zijn linkerhand een draai aan de trommel, spant de haan. Opnieuw wordt de adem ingehouden bij dit bizarre, dodelijke spel. Opnieuw volgt niet meer dan een klik. Uitstel van executie!   Leo41 jaar. Voorheen kleinhandelaar in vuurwapens, zit momenteel een gevangenisstraf uit. Steven herkende Leo meteen. Toch was het de eerste keer dat ze elkaar recht in de ogen keken. Stevens schoonouders hielden een knipselmap bij over hun dochter, kleindochter, Leo en de rechtszaak. In de kwaliteitskranten hadden enkel foto’s van Stevens vrouw en dochtertje gestaan. Het origineel van de meest afgedrukte foto stond al bijna twee jaar op hun schoorsteen. Vijftien maanden geleden hadden ze er een zwart lintje rond gehangen.Steven ging steeds minder bij zijn schoonouders op bezoek. Telkens hun nietszeggende woorden van troost hem dreigden te verpletteren, haalde hij de knipselmap uit hun kast. Stilte. Het ritselen van papier; drie mensen die ademhaalden, hun gedachten bij de dood.Leo’s foto had enkel in de populaire pers gestaan. Geportretteerd zoals Steven hem kende uit de rechtbank: met ontwijkende blik, niet in staat de mensen aan te kijken en rekenschap af te leggen voor zijn daden. Eén krant had een foto afgedrukt waarop Leo recht in de lens keek, met een mengeling van verwarring en boosheid op zijn gezicht. Precies zoals hij nu keek.   —   Leo had Steven niet herkend. Steven stond nooit in de krant. “Wie ben jij?” riep Leo de man in zijn bed toe, “Wat doe jij in bed bij mijn vrouw?” Marion probeerde tussenbeide te komen, maar Steven was het bed al uit; in zijn blootje, maar meer dan strijdlustig: “Moordenaar!” riep hij uit, “Moordenaar!” Dit woord bracht Leo van zijn stuk. Hij was van plan geweest de man een klap te verkopen, maar kreeg nu zelf een vuist in zijn gezicht. Leo herpakte zich snel: “Is dat wat ze je verteld heeft? En jij gelooft dat?” Hij geloofde zelf nauwelijks dat zijn Marion hem zo kon bedriegen! Woede, verdriet, razernij, pijn... Daarbovenop een krijsende Marion: “Hou op! Hou op! Hou op!”Ook Steven bleef roepen: “Die man heeft mijn vrouw vermoord! Hij hoort thuis in de gevangenis! Hij heeft zijn straf nog lang niet uitgezeten!”Toen begon het Leo te dagen. Hij haalde uit naar Steven en hield hem stevig in de klem. Hij was de eerste die kalm werd: “Wat is er hier aan de hand?”   —   “Het is allemaal mijn schuld,” biechtte Marion op. Ze had een kamerjas aangetrokken en zat op de rand van het bed. Leo had een stoel genomen. Steven wou niet gaan zitten. Hij ijsbeerde in onderbroek door de slaapkamer.“Ik wist dat Leo elk moment kon thuiskomen.” Steven hoorde enkel flarden van wat ze zei: “Goed gedrag - weekend - penitentiair verlof.”Steven schuimbekte van verontwaardiging: “Is dat de straf voor een moordenaar? In de week wat in de cel zitten niksen; elk weekend lekker terug naar huis bij moeder de vrouw?”Marion voelde een steek van pijn door zich heen gaan, maar probeerde haar verhaal af te maken, al was het maar voor Leo: “Ik weet niet waarom ik het gedaan heb. Het is alsof ik wou betrapt worden; dat het allemaal eens zou uitkomen.” Ondertussen raasde Steven door: “Jij kan elk weekend bij je vrouw zijn; dat is meer dan ik kan zeggen! Jij hebt mijn vrouw vermoord! Moordenaar!”Marion deed nogmaals een poging hem te onderbreken: “Het was een ongeluk, Steven, geen moord.” Leo zat roerloos naar de grond te kijken. Steven gaf hem met de rug van zijn hand een mep tegen het hoofd: “Een ongeluk noemen ze dat! Vertel eens hoeveel alcohol er in je bloed zat toen je mijn vrouw en kind van de baan reed! Ik heb veel zin om…”Leo kreeg er stilaan genoeg van. Hij snauwde Steven af: “Man, luister dan toch naar haar! Het was een ongeluk! Als ik mijn leven kon geven in ruil voor je vrouw en kind, ik zou het direct doen. Maar zo werkt het niet. Zo werkt het niet… Helaas!”“Jij hebt gemakkelijk praten,” fulmineerde Steven, “Is dat gerechtigheid? De moordenaar die mijn gezin uit het leven gerukt heeft, laten ze zomaar in het weekend loslopen.”Leo schudde het hoofd: “Zelfs al ontsloegen ze me vandaag uit de gevangenis, denk je dan werkelijk dat ik mezelf ooit vrij zal voelen? Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik aan je vrouw of kind denk. Ik vergeef het me nooit dat ze er nu niet meer zijn.”Dat maakte Steven alleen maar bozer. Er ging een gevoel van walging door hem heen bij de gedachte dat niet alleen hijzelf, maar ook die moordenaar dag en nacht aan zijn vrouw en dochtertje dacht. Hij wou nog harder gaan tieren, maar het lukte hem niet. Hij voelde zich beetje bij beetje kapotgaan. Dat mocht niet. Hij moest woedend zijn. Woest!Marion zag dat Steven aan het eind van zijn krachten was. Ze trok hem naast zich neer op het bed. Met opengevallen kamerjas drukte ze haar lichaam tegen Steven aan. “Het spijt me zo,” herhaalde ze steeds weer, “Het spijt me zo. Ik wilde alles weer goed maken. Ik dacht, ik dacht, ik weet niet wat ik dacht.” *** Leo’s beurt. Het zelfde ritueel. De wetten van de kansberekening andermaal getart. Voor de mannen maakt het weinig uit. Ze herinneren zich nauwelijks nog hoe het voelde te leven. De cilinder krijgt weer een zetje. Zit er ditmaal een patroon klaar? Leo telt nogmaals in stilte tot drie. Hij haalt de trekker over. Een harde knal weerklinkt. Steven doet zijn ogen open. Hij leeft nog. Hij kijkt Leo aan. Die is er ook nog. Tegelijkertijd draaien de mannen het hoofd naar de plaats waar de knal vandaan kwam. Daar had net nog Marion gestaan. Marion32 jaar. Zonder beroep; gehuwd met Leo, geen kinderen.   Marion herkende Steven meteen. Hij was met een collega de kerstlichtjes aan het weghalen die dit jaar veel te lang in de straten waren blijven hangen. Marion fietste de parking van het grootwarenhuis af, maar hield even verder halt. Stevens werk zat er bijna op. Hij stapte samen met zijn collega in hun camionette. Marion kon hen moeiteloos met de fiets volgen tot aan het gebouw van de technische dienst van de stad. Even later kwam Steven te voet naar buiten. Marion stalde haar fiets en besloot hem te volgen.Ze bleef staan voor zijn huis. Zag hoe het licht aanging in de gang, dan weer uit. Gordijnen werden dichtgetrokken, een ander licht ging aan. Marion begon langzaam te bevriezen. Hoe lang stond ze daar al? Een half uur? Een uur? Als ze nu ging aanbellen, hoe zou ze het hem dan vertellen? De vraag bleef onbeantwoord. De deur ging vanzelf open en Steven stapte naar buiten. Hij stak zonder te kijken de straat over en liep recht naar het café.Steven had Marion niet herkend. In de rechtszaal had ze een donkere bril gedragen; het haar opgestoken in een knotje. —   Wat had het leven hen toegelachen, vijftien maanden geleden. “Luister,” had de gynaecoloog hen gezegd. Hij plaatste een soort microfoon op Marions buik. Er weerklonk een krassend gebonk met een soort echo. “Dit is het kloppen van twee harten; moeder en kind.”Leo glunderde: “Dat moeten we vieren!” Hij had voor de gelegenheid de winkel gesloten.“Zou je wel alcohol drinken?” vroeg hij toen de ober hun bestelling opnam, “We moeten aan de baby denken…”Marion had zijn opmerking weggelachen: “Straks schat, gun me nog deze ene keer, daarna schakel ik over op watertjes, beloofd!” Leo bestelde er toch een fles water bij, en vulde Marions waterglas vlugger bij dan haar wijnglas. Marion had het door, maar liet hem begaan. Waren ze geen heerlijk koppel? Vast het gelukkigste koppel ter wereld!Het was kwart over drie toen ze het restaurant verlieten. Ze werden onthaald op een koude herfstwind en regen. Het kon hen niet deren. “Ik denk dat jij best rijdt, schat,” zei Leo, “ik heb ietsje te veel op.” Marion ging achter het stuur zitten en reed op wolken. Voor haar reed een wagen met een sticker: ‘baby on board’. Binnenkort rijden wij ook zo rond, dacht ze.Ze naderden een kruispunt. Het licht sprong op groen. Ze waren bijna thuis. De wagen voor haar stak het kruispunt over. Marion draaide rechtsaf. Leo tierde nog: “Remmen!”  Van schrik trapte ze verkeerd; op het gaspedaal. Ze had de fiets niet eens gezien. Doorrijden!” riep Leo als in een reflex. Hoe gemakkelijk was het bevelen op te volgen, als nadenken even te moeilijk werd.   —   Leo stak de radio aan. Marion wist geen raad met zichzelf. “Wat hebben we gedaan, wat hebben we gedaan?”  Leo schudde haar door elkaar: “Wat er ook gebeurt: ik zat achter het stuur, hoor je: ik zat achter het stuur! We moeten aan de baby denken. Ik neem alles op mij.”Het nieuws: geen woord over een ongeval.Marion huilde. Leo foeterde: “Ik kan je zo niet achterlaten. Moet ik je moeder bellen?” Marion schudde het hoofd: “Blijf nog even bij mij, misschien is er helemaal nietsgebeurd.” Nogmaals het nieuws: “om half vier vanmiddag is te X een moeder met kind op de fiets aangereden. De vrouw overleed ter plaatse; het kind, drie jaar oud, stierf op weg naar het hospitaal. De dader pleegde vluchtmisdrijf.”Leo kon niet langer wachten: “Ik ga me aangeven.”Hij kwam die avond niet meer terug.   —   “Het kind zou nog geleefd hebben als wij niet waren weggereden.” — “Dat is mijn schuld, Marion, niet de jouwe. Denk aan de baby. Hoeveel maand nog?”“Leo… We hebben het verloren.” — “De zaak was al van in het begin verloren. Dat wisten we.”“Niet de zaak, Leo. Het kind. We hebben het kind verloren.” — ”?”“We kunnen geen kinderen meer krijgen, Leo.” — “Waarom zeg je dat, Marion? Als dit alles achter de rug is, beginnen we opnieuw. Hou vol!”“Nee Leo, de gynaecoloog zegt het: we hebben het kind verloren en kunnen er geen meer krijgen. Nooit meer.” — “Marion, wat zeg je nu? Het komt allemaal goed. Beloofd!”   ***   In de hoek van de kamer ligt een vrouw: Marion. Met weerzin had ze het lugubere eindspel van de mannen aanschouwd. Ze wilde dat het ophield. Dat het eindelijk eens ophield. Alles! In haar hand: een pistool. Leo’s winkel was gesloten, maar hij bewaarde stiekem een paar wapens als souvenir. Souvenir. Wat viel er nog te herinneren? Elke gedachte aan vroeger deed pijn. Beide mannen kijken hoe de bloedrode plas rondom Marion groter wordt. Hun revolver ligt op tafel. De inzet van het spel ging zonet verloren.

Bruno Lowagie
0 0

Huwelijk en Hoeren

Hij had nog maar net haar bed verlaten of het leven leek alweer een slecht zittende sok in een wereld waarin het verboden was blootsvoets te lopen. "En als ik nu eens een dagje vrij nam?" dacht hij terwijl hij zich uit de overvolle tram wurmde. Hij glimlachte bij het idee, maar zoals elke andere dag zou hij binnen de vijf minuutjes toch weer braaf achter zijn bureautje zitten. "En als ik nu eens naar de hoeren ging?" fluisterde hij zachtjes en hij ging het overdekte steegje in.   Elke dag opnieuw maakte hij dit kleine ommeweggetje. 's Morgens was het er altijd heel kalm. Alleen Mona en Lisa zaten er al van zo vroeg. Mona en Lisa, dat was natuurlijk niet hun echte naam; hij had hen die alleen gegeven omdat ze hem iedere morgen hun vriendelijkste glimlach schonken. Mona was een mooie halfbloedvrouw met een eeuwig bruine huid en lang kastanjebruin haar. Meestal had ze een kort, wit rokje aan en een dito topje waarvan altijd één lijstje —het linker— van haar schouder gezakt was. Hij moest zichzelf toegeven dat hij dat wel sexy vond. Lisa was een mollige blondine —niet echt zijn type— die het ene damesblaadje na het andere verslond. Haar fluo-kleedje weerkaatste lelijk in het licht van de rose lampen. Toen hij haar voorbijging, keek ze maar heel even op van haar vakliteratuur, maar dat was voor hem ruimschoots voldoende: zijn dag was misschien gered.   ***   Gea stond voor de spiegel, en ze wist niet wat ze zag. Zag ze haarzelf of zag ze haar lichaam; zag ze haar lichaam of zag ze haar ziel?   Die ochtend had hij haar wakker gemaakt. Ze lachte: hij deed altijd zijn best er zo stilletjes mogelijk van onder te muizen. Meestal lukte hem dat ook. Hij was lief voor haar, te lief soms. Gea sliep graag een gat in de dag. Dan stond ze op, waste ze zich en bekeek haar lichaam in de spiegel. Het zag er zo anders uit, zo anders dan haarzelf; alsof zijzelf oud geworden was, maar haar lichaam jong wou blijven. Op zoek naar haar ziel keek ze in haar ogen. Ze had mooie ogen, zei Robert altijd. Robert...   Het was allemaal begonnen met Robert, de huisbaas. Eerst had hij haar uitstel gegeven: één maand, twee maanden, dan drie, en dan...   ***   Toen hij 's middags naar de bakker ging om zijn broodjes, zat Lisa er niet meer. Misschien was ze ook aan het eten, misschien had ze wel een klant. Tia, Mia en Pia waren er, maar zij schonken hem nooit enige aandacht. Ze staarden gewoon over hem heen, alsof hij net als de andere voorbijgangers was. Allemaal mannen op zoek naar één ding: een lijf om te neuken, borsten om naar te grijpen, billen om in te knijpen. Hij zuchtte, en terwijl hij zijn middagmaal in het park verorberde, ontvingen Mia en Pia hun eerste klant. Blijkbaar viel blond iets meer in de smaak vandaag.   ***   Die middag wer er aangebeld. "Ik ben Eddy," zei de man aan de deur, "Ik ben een vriend van Robert." "Kom binnen," zei ze.   Het was allemaal begonnen met Robert. Met wat haar lieve maar nutteloze man verdiende, kon ze onmogelijk de huur betalen. Zijzelf vond, ondanks haar diploma, nergens werk. Robert was altijd vriendelijk gebleven, en begrijpend, maar het kon niet blijven duren. Dat begreep zij ook wel. "Je man hoeft hier niets van te weten," had hij nog gezegd. De huur was vlug terugbetaald; het ging zelfs gemakkelijker dan verwacht in het begin. Maar Robert bleef terugkomen. Hij stelde haar zelfs aan een paar vrienden voor.   "Nog een paar maanden, dacht ze, "Langer hou ik het echt niet uit." Ze had al een flinke cent opzij gelegd, bijna genoeg om ermee te stoppen. Ermee stoppen... Hoe zou haar lieve man reageren? Ze zouden moeten verhuizen natuurlijk, met Robert als huisbaas...   ***   's Avonds was het altijd het drukst in het steegje. Na het werk kreeg hij traditioneel een kushandje van Loes. Het was vast en zeker de oudste hoer van het straatje; ze kon haar rimpels en kraaienpootjes amper verbergen, maar met haar rode haar en haar perfect onderhouden buste zou ze vast nog wat laatavondkliënteel kunnen lokken.   "Ooit eens breng ik haar een bezoekje,"  zei hij bij zichzelf, "Ooit eens." Maar hij wist dat hij de vrouw die nu thuis op hem wachtte nooit zou durven bedriegen, laat staan dat hij ooit geld genoeg zou verdienen om het uit te geven aan de hoeren, want wat kostte een beurtje niet al? Nee, hij zou het zijn vrouwtje nooit durven aandoen.   Wist hij veel dat hij een maand of drie later zou scheiden...   Dit verhaal haalde in 1993 de finale van de Radio 2 vertelwedstrijd "Het Narrenschip"

Bruno Lowagie
0 0

Als het maar geen gevoelens zijn

Notities bij de dood van een huisdier We hadden een hond nog voor we kinderen kregen. Ze heette Tara en het was een asielhond. Niet zomaar een schoothondje, maar een beest van 35 kilo, droog gewogen. Een doorsnee bot beet ze in één hap middendoor. Je zal begrijpen dat het eventjes spannend was voor ons toen we haar voor het eerst het wiegje van Ivo, onze eerstgeborene, lieten besnuffelen. Maar het viel allemaal reuzengoed mee: Tara beschouwde Ivo direct als een ‘gelijke’. Ze zou nooit bevelen van hem aanvaarden, maar evenmin een bedreiging voor hem vormen. Hoe anders gedroeg ze zich tegenover Jacob!   Jacob is ons tweede kind, een normaal begaafde jongen bij wie autisme spectrum stoornis vastgesteld werd. Of het iets met zijn autisme te maken had, ik zou het niet weten, maar Jacob werd door Tara direct beschouwd als haar welp. Als ons oudste zoontje aan Tara’s oren trok, dan werd hij gegarandeerd op gegrom onthaald. Onze jongste echter, mocht alles met Tara doen: aan haar oren trekken, paardje rijden op haar rug,… Als we even niet opletten, at Jacob uit de eetbak van de hond, en de hond uiteraard ook uit het bord van onze Jacob. Het was grote vriendschap tussen die twee.Tara was dan ook echt een volwaardig lid van ons gezinnetje. We hebben samen heel veel mooie momenten meegemaakt, maar af en toe ook erge dingen: zo spietste ze zich ooit op een gietijzeren poortje. Ze werd aangereden op straat. Ze moest meermaals geopereerd worden; eerst om een kankergezwel, dan om haar baarmoeder weg te halen,… Elk jaar overkwam haar wel iets, maar nu is ze dus dood. Na negen jaar waren haar negen levens definitief opgebruikt… Het gebeurde tijdens het eerste weekend van de herfstvakantie. We zouden die zaterdag naar het LEGO-festival gaan. We moesten onze plannen echter wijzigen omdat Tara er opeens zo erg aan toe was. We hadden het wel zien aankomen natuurlijk. De laatste maanden van haar leven was ze trager geworden en raakte ze soms maar met moeite recht. Maar tegenover de kinderen liet ze daar nooit iets van merken. Ze draafde nog altijd met hen rond in de tuin. Hoe dan ook; die zaterdag reed ik met onze hond naar de dierenarts en daar kreeg ze een aantal spuitjes om het weekend door te komen. De kinderen hadden er geen besef van hoe erg Tara eraan toe was. Ze waren ietwat teleurgesteld omdat het uitstapje werd uitgesteld, maar de volgende dag zag Tara er iets beter uit en we besloten dan maar op zondag naar het LEGO-festival te gaan. De kinderen hadden er de tijd van hun leven en toen we terug thuis kwamen, huppelde Tara enthousiast met hen mee. Ze had waarschijnlijk de hele dag geslapen. Maar toen, de kinderen waren nog maar een uurtje in bed, begon haar ziekte weer op haar te wegen (achteraf bleek uit de bloedprik dat ze miltkanker had). Eerst wilde ze nog naar ons toe, maar ze zakte door haar poten. Dan wilde ze nog even buiten lopen, maar ook dat lukte haar niet meer. Ze had duidelijk haar crisis en we beseften dat het haar laatste strijd zou worden. We legden haar in haar mandje en daar is ze heel vredig ingeslapen. Ik moet toegeven dat ik het (zelfs?) als volwassene al heel erg moeilijk had met haar dood, maar hoe zouden onze kinderen reageren? Ze waren respectievelijk acht en zeven jaar oud en het was bovendien de eerste keer dat ze met de dood van een dierbare geconfronteerd zouden worden (dier of mens, voor een kind maakt dat niet uit). Die ochtend legden we beide kinderen uit dat Tara overleden was. Omdat ze er nog zo mooi uitzag, hadden we haar in haar mandje laten liggen, zodat de kinderen haar nog even konden zien. Ivo reageerde zoals je dat zou verwachten. Eerst wat teruggetrokken, dan heel triest. De eerste nacht is hij huilend opgestaan: ‘Papa, ik ben zo verdrietig dat ik niet kan slapen. Elke nacht als ik in bed lag, hoorde ik Tara wel eens blaffen en dan was ik niet meer bang, maar nu is ze er niet meer en daarom kan ik niet meer slapen.’ Ik bracht hem terug naar bed en vertelde hem dat hij aan de leuke dingen van Tara moest denken: aan het feit dat we haar uit het asiel ‘gered’ hadden en aan de vele grappige dingen die we met Tara hadden beleefd. Uiteindelijk lagen we met z’n tweeën te grienen, maar dat luchtte op en er brak ook al eens een lach door omwille van de herinnering aan één van Tara’s fratsen. De volgende dag ging zijn aandacht vooral naar het vooruitzicht dat we een nieuwe puppy in huis zouden halen en dat hij mee zou mogen helpen om die op te voeden. Hoeft het gezegd dat de reactie van Jacob totaal anders was? Het begon al met de eerste aanblik van de dode hond in haar mandje. Zijn eerste woorden logen er niet om: ‘Er is nergens bloed, hoe kan ze dan dood zijn?’ Hij begreep het niet goed. Hij zag hoe wij tranen in de ogen kregen en hij lachte ons zowaar uit: ‘Haha, jullie huilen, jullie zijn baby’s!’Bij het middageten was hij op zijn grofst: we aten kip en Jacob riep: ‘Waarom eten we Tara niet op? Ze is nu toch dood!’ Hij was duidelijk nog aan het onderzoeken wat dat betekende ‘dood zijn’, want kort na de middag wilde hij toch nog eens met mama naar Tara gaan kijken.Mama vroeg: ‘hoe voel je je nu Tara er niet meer is?’ Hij was zo close geweest met de hond. Het kon toch niet dat hij helemaal niets voelde? Zijn antwoord was nogal vreemd, alsof hij het gevoel aan het aftasten was: ‘Ik weet het niet. Misschien voel ik me een klein beetje verdrietig in mijn buik…’ Die maandagnamiddag heb ik Tara begraven. Een put van een meter diep, iets van twee meter op een meter groot. Beetje bij beetje werd het voor Jacob duidelijker dat de situatie definitief en onomkeerbaar was. Hij werd steeds onzekerder: ‘Hebben we nu geen hondje meer? Komt er een nieuw hondje? Hoe zal het heten?’ Het waren zeker geen verlangende vragen; hij leek lichtjes in paniek, alsof hij niet wist of hij wel een ander hondje wilde. Hij wilde Tara terug (wilden we dat niet allemaal?), maar die eerste nacht hebben we dus enkel Ivo moeten troosten. Ondanks zijn onzekerheid leek Jacob goed te kunnen slapen. Omdat we aan Ivo een puppy beloofd hadden, gingen we de volgende dag op pad. We adopteerden een puppy van een niet nader specificeerbaar ras en Ivo had er al grootse plannen mee: hij zou er een speurhond van maken, zoals Kuifje met Bobbie. Of hij zou hem opleiden tot waakhond. Je kan het je wel voorstellen.Jacob was zo enthousiast niet: ‘Het is geen gele hond (zoals Tara). Het is geen grote hond (zoals Tara). Het is geen leuke hond (zoals Tara).’ Nee, hij moest er niet echt van weten, maar daar hield het jonge hondje (gelukkig) geen rekening mee. ‘Het hondje springt altijd op mij,’ riep Jacob steeds, maar we zagen dat hij het helemaal zo erg niet vond als hij deed uitschijnen. We bleven wel verbaasd dat hij nog steeds geen traantje gelaten had om Tara: was hij dan zo gevoelloos? Die nacht werden we opgeschrikt door een gehuil dat door merg en been ging. We holden zo vlug we konden naar Jacobs kamer. Jacob weende en weende alsof er nooit een eind aan zou komen. We schrokken wel wat van de intensiteit, maar we waren vooral opgelucht: daar is de uitbarsting, eindelijk! Jacob zat met zoveel vragen en gevoelens, maar door zijn autisme had hij twee dagen lang nog geen enkele manier gevonden om die allemaal te uiten, laat staan te verwoorden. Nu lag hij huilend in zijn bed en herhaalde steeds weer: ‘ik heb zo’n pijn, ik heb zo’n pijn!’ Als je echter vroeg waar, kon hij die pijn niet aanwijzen. Hij kon alleen maar zeggen: ‘Van binnen!’ We vonden dat we zelf niet over Tara mochten beginnen, omdat dit hem gevoelens zou kunnen leveren die hij kon kopiëren (tja, onderhand hebben we wel al wat ervaring met autisme). We wilden ervoor zorgen dat hij zijn eigen gevoelens zou aanboren. Dat is die nacht voor een stuk gelukt, al was het heel moeilijk voor Jacob. Aanvankelijk probeerde hij ons met een soort schuldgevoel op te zadelen: ‘Waarom hebben jullie Tara zoveel in de steek gelaten? Waarom gaan jullie zoveel naar de cinema? Waarom hebben jullie niet beter voor Tara gezorgd?’ Je kan als ouder op zo’n moment de neiging hebben dat te minimaliseren en te zeggen: ‘we zijn de laatste vier jaar niet op reis geweest en Tara heeft ons nooit langer dan één nacht moeten missen.’ Maar er zit zodanig veel achter zo’n zinnetje van Jacob, dat je hem gewoon eventjes de tijd moet geven.Zo kwam hij uiteindelijk ook bij zichzelf uit: ‘Waarom heb ik er nooit iets van gemerkt dat Tara zo ziek was?’ We hadden hem vooraf wel gezegd dat Tara ziek was en dat ze waarschijnlijk zou sterven, maar hij had er nooit bij stilgestaan. Nu, twee dagen na Tara’s dood, ging Jacob zelfs zo ver dat hij zichzelf schuldig voelde omdat hij zich dat weekend zo geamuseerd had op het LEGO-festival. Alsof hij dacht: ‘Wat zal Tara kwaad geweest zijn op mij!’ We hebben heel lang bij Jacob gezeten die nacht. Na het schuldgevoel begon hij allerlei manieren te overlopen om Tara ‘weer levend’ te maken. Maar toen legden we uit dat Tara zich op het einde zeer oud en zeer moe voelde. Ook bij Jacob probeerden we duidelijk te maken dat ze een heel mooi leven bij ons had gehad, maar dat ze nu waarschijnlijk liever zou blijven liggen waar ze lag. Dat ze het niet leuk zou vinden weer levend gemaakt te worden. Toen pas zag hij van het idee af; op één voorwaarde: ‘Ik wil Tara niet vergeten.’Zo is Jacob dan gekomen met het voorstel om een grafsteen voor haar te maken.Dat hebben we de volgende dag dan ook gedaan. Het was een zware nacht voor ons en wat een geluk dat Tara net het begin van een vakantie had ‘uitgekozen’ om te overlijden. Het toeval wilde bovendien dat Jacob op donderdag naar het revalidatiecentrum moest voor ergo- en psychotherapie. We hadden beide therapeutes ingelicht over wat voorgevallen was en zij speelden daarop in. De ergotherapeute vertelde dat zij ook eens een huisdier verloren had en dat zij toen ook heel erg had gehuild. Voor Jacob was dit een hele openbaring: dus dat kan? Dat mag? Toen de psychologe hem vroeg wat mensen moeten doen bij een sterfgeval zoals dat van Tara, zei hij in alle oprechtheid: ‘Dan moet je doen alsof er niks gebeurd is…’ Door hier dieper op in te gaan en erover te praten, begon het Jacob plots te dagen dat zijn nachtelijk uitbarsting helemaal niet zo abnormaal was. Dat ‘rouwen’ mag, dat het zelfs een beetje van je verwacht wordt. De volgende ochtend was hij nog een beetje verdrietig, maar ook een beetje blij dat Tara zoveel goede jaren met ons beleefd had. Hij zou Tara nooit vergeten. ‘Tara zou daar heel blij mee zijn,’ zo bevestigden we. Het heeft nog even geduurd vooraleer Jacob er helemaal overheen was, maar we wisten toen al: hij is op de goede weg! De eerste weken na Tara’s dood gaf Jacob bij alles wat misging als reden ‘het is omdat Tara dood is’, maar dat is nu wat uitgesleten. Ook het nieuwe hondje is ondertussen al helemaal aanvaard.Eén ding was wel heel vreemd: het laatste weekend van de herfstvakantie had Jacob buikpijn, maar hij wist niet ‘of het echte pijn was of gevoelens’. Toen hij een paar uur later diarree had, was hij helemaal opgelucht: ‘Mama, papa, ik heb diarree, het was buikpijn! Het waren gelukkig geen gevoelens!’ Het is een grote misvatting te denken dat autisten geen gevoelens hebben. Ik zou zelfs durven zeggen dat ze op veel gebieden gevoeliger zijn dan de doorsnee mens. Ze hebben alleen van tijd tot tijd wat last met hun gevoelscircuit. Bij Jacob manifesteert zich dat door het feit dat hij gevoelens van verdriet en pijn niet goed van elkaar kan onderscheiden. Het ligt ook allemaal zo dicht bij elkaar. Het lijkt wel alsof hij nu een groot punt van verschil heeft gevonden. Alsof hij denkt: ‘geef mij maar gewone pijn; verdriet is meestal net iets erger’. Als ik zelf ook niet wat autistisch was, dan zou ik schrijven: het breekt mijn hart. Dat is ook een beetje zo, maar ik weet hoe ik zelf in elkaar steek en ik ben er zeker van: Jacob komt er wel.   Naar een ware gebeurtenis in 2004. Verschenen in het magazine Autisme Centraal in 2005.    

Bruno Lowagie
120 1

Mismatch

- Ik ben een reiziger in een wereld vol toeristen.   De nogal ongewone introductie verraste Marieke. Ze wist even niet wat te antwoorden.   - Het verschil zit hem in de bagage. Waar een toerist ook gaat, hij neemt altijd zijn trots en vooroordelen mee. Een reiziger reist licht. Hij heeft een open geest en staat open voor nieuwe ervaringen.   Het klonk ingestudeerd, maar je zag dat hij het meende.   - Een toerist klaagt als het hotel er niet uitziet zoals geadverteerd, als het weer niet is zoals verwacht, als er afgeweken wordt van het vooraf uitgestippelde pad…   - Ha, het lijkt wel alsof je mijn ouders kent. Zij sleurden mijn broer, mijn zus en mij elke zomer mee met de caravan. Mijn moeder nam voor een week aardappelen en soep mee. Mijn vader ging nooit op reis zonder een krat bier in de koffer. En o wee als ons vaste plaatsje op de camping bezet was!   Marieke giechelde terwijl ze die herinnering ophaalde, maar het lachen verging haar toen ze de uitdrukking van afkeer op zijn gezicht zag.   - Een reiziger plant nooit ver vooruit, want hij weet dat hij te allen tijde zijn plannen moet kunnen aanpassen afhankelijk van wat er op zijn pad verschijnt.   Daar zit een grond van waarheid in, dacht Marieke, maar de stelligheid waarmee hij zijn overtuiging poneerde, deed haar op haar stoel ineenkrimpen.   ***   Na wat een eeuwigheid van stilzwijgen leek, weerklonk de gong.   - Dames, heren, tijd voor de volgende speeddate! Heren, gelieve één plaatsje op te schuiven naar het volgend tafeltje.   Marieke was maar wat blij toen er een andere man voor haar kwam zitten. Ze hield haar blik van het volgende tafeltje afgewend, maar ongewild hoorde ze hoe de conversatie naast haar begon:   - Ik ben een reiziger in een wereld vol toeristen.   Wekelijkse schrijfopdracht schrijvenonline.org

Bruno Lowagie
3 1

De ijsvorst

Er groeiden ijsbloemen op het venster van de zolderslaapkamer."Die kunnen we niet plukken,” vertelde Helena aan Meneer Konijn. “En zelfs al zouden we ze kunnen plukken, dan nog mocht het niet. De ijsvorst zou ons komen halen en ons opsluiten in zijn paleis.”Meneer Konijn luisterde maar met een half oor. Hij had honger. Hij wilde ontbijten."Moet dat nu meteen?” zeurde Helena zachtjes, “Het is zo lekker warm onder mijn deken!” Maar Meneer Konijn drong aan en Helena voelde een plas opkomen. Het geklater van haar water was het enige geluid in het boshuisje. Vader en moeder waren voor het krieken van de dag vertrokken. Tijdens de kerstvakantie bleef Helena alleen thuis terwijl haar ouders uit werken waren. Helena vond dat niet erg. Ze was al een grote meid. Aan de keukentafel smeerde Helena een boterham. Ze sneed er de korstjes af voor Meneer Konijn. Meneer Konijn at dat graag. Het was ook goed voor zijn tandjes, zo maakte ze vader en moeder graag wijs.Na het ontbijt keken ze samen in een groot prentenboek vol sprookjes. Helena vertelde wat ze zag en hij luisterde alsof hij het verhaal voor het eerst hoorde, al kende hij elk woord. Daarna maakten ze samen een tekening. ‘s Middags zette Helena een kommetje soep op het kolenfornuis voor zichzelf; ze serveerde een wortel voor Meneer Konijn. Door het keukenraam zag ze hoe het buiten begon het te sneeuwen."Kijk, Meneer Konijn!” jubelde ze, “De tuin en de vijver krijgen een sneeuwtapijt! Wat zou het leuk zijn nu buiten te spelen!”Ze zuchtte: “Maar dat mag niet, want het is te gevaarlijk. De ijsvorst zou ons komen halen en ons opsluiten in zijn paleis.” Meneer Konijn geloofde haar niet. Volgens hem bestond de ijsvorst niet. Het was een verhaaltje dat ouders hun kinderen vertelden om ze binnen te houden. Waarom zouden ze niet mogen buiten spelen? Als ze zich maar goed induffelden met een sjaal, een muts, wanten en een dikke jas, dan kon er toch niets misgaan? Helena twijfelde en tuurde door het keukenraam.“Kijk,” fluisterde ze plots, “Was dat daar een konijntje dat voorbijhuppelde in de sneeuw?”Zie je wel, snoof Meneer Konijn: konijntjes zijn niet bang van de ijsvorst, waarom zouden wij dat zijn? Kom, laten we buiten spelen! “Eet eerst je wortel op,” zei Helena, “Als mijn soep op is, denk ik er nog even over na.”   ***   De deur van het boshuisje stond open toen vader en moeder ’s avonds thuiskwamen van hun werk.“Helena,” riep moeder in paniek uit, en ze haastte zich naar de kamer van haar dochter.“Waar is Helena?” huilde ze vader een paar tellen later toe, “Ze is nergens te vinden in huis.” Vader ontstak de lichten in de tuin en speurde angstig in het rond. Plots viel zijn oog op Meneer Konijn. Die zat bij de bevroren vijver in de kou.“Nee, dat kan niet waar zijn!” vloekte vader.Hij nam een grote sneeuwschop, liep naar de vijver en begon de sneeuw van het bevroren oppervlak weg te scheppen terwijl moeder bang bijlichtte. “Daar is ze,” zei vader verslagen. In het licht van hun zaklamp keek hun dochter hen aan. De ijsvorst was haar komen halen en had haar opgesloten in zijn paleis. Ze was zijn prinsesje nu, een bloemetje onder een spiegel van ijs.   Wekelijkse schrijfopdracht schrijvenonline.org

Bruno Lowagie
4 0

Manuscript in een studentenkamer gevonden

Ik ga het alfabet herschrijven:A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A Hoeveel keer zou je het woordje pijn lezen als ik het duizend maal voor je uitschreef? Vast geen duizend keer. Zelfs niet als ik het duizend maal duizend maal schreef.   Wacht, ik pak het anders aan. Ik probeer het eens met getallen. Priemgetallen, meer bepaald. Of nee, priemjaren:   2. Als ik terugdenk aan mijn eerste herinnering, weet ik nooit helemaal zeker of ik me die herinner omdat ik ze onthouden heb, of gewoon omdat ze me zo vaak verteld is. Ik weet niet eens precies hoe oud ik was; ik schat twee jaar. Ik speelde veel ‘buiten’. Dat wil zeggen: op ons koertje van een paar vierkante meter groot. In de hoek van dat koertje stond een grote regenton. Vaak sleurde ik een stoel naar buiten waar ik op balanceerde om het watervlak te kunnen zien. Ik liet er plastic vissen in zwemmen en zelfgemaakte bootjes op drijven. Meer dan eens zonken de voorwerpen waar ik mee speelde naar de bodem van de ton. Vader liet het gevaarte om de zoveel weken leeglopen en dan had ik meteen heel wat verloren speelgoed terug. Op een dag glipte een speelgoedmannetje uit mijn handen. Ik greep ernaar, maar ik kon er niet meer bij. Mijn rode piraat ging onverbiddelijk naar de haaien. Ik greep nog eens en nog eens en toen verloor ik mijn evenwicht. Het koude water trok me naar zich toe en ik bood geen weerstand. Ik probeerde niet eens me om te draaien of naar boven te stuwen. Ik ging gewoon de diepte in, mijn piraat achterna. Waarom? Ik weet het niet. Evenmin hoe lang het duurde. Achteraf vertelde moeder dat ze nog net op tijd was om mij te komen redden. “Je zag al helemaal blauw. Je was bijna dood geweest.” Nog dezelfde dag maakte vader een deksel om de regenton af te dekken. Wilde ik met de bootjes spelen, dan moest ik me voortaan behelpen met een teil.   Soms, als het verteld wordt op familiebijeenkomsten of onder kennissen, luister ik ernaar alsof het een verhaal is over iemand anders. Denkend aan die ton, voel ik nog altijd de kou langs mijn ruggengraat lopen. Dan herinner ik me ook die keer dat moeder de deur naar het koertje op slot gedaan had. Het door vader gefabriceerde deksel was van de ton en door het raam kon ik moeder nergens zien. Rond de ton was overal water, maar ik zag verder geen beweging, geen gespartel. Toen vader thuiskwam, moest hij de achterdeur forceren. Een paar tellen later haalde hij vloekend zijn vrouw uit het water. Ziedaar een echte herinnering. Het beeld is nog altijd op mijn netvlies gebrand. Moeder was doorweekt en ze rilde. Ook zij zag blauw. Was ze bijna dood geweest? Ze keek me aan alsof ze medelijden met me had, of om medelijden vroeg. Het was een blik die ik niet begreep. Na het voorval bleef moeder dagenlang in bed. Vader zei dat ze zich een beetje ziek voelde in haar hoofd. Zo vertelde hij het ook aan de familie. Op familiebijeenkomsten werd er angstvallig over gezwegen, alsof alleen het verhaal van mijn redding het onthouden waard was.   Alsof niet wat gebeurd is telt, maar wat men zich ervan herinnert.   3. Kijk! Ik heb een litteken op mijn rechterpols. Het trekt een rechte, witte lijn, beginnend ergens halverwege mijn pols, evenwijdig met mijn slagader, tot aan de stam van mijn hand. Maar wie denkt dat dit litteken het gevolg is van een tot mislukken gedoemde zelfmoordpoging, zit goed fout. Ik ben mijn moeder niet! Ik kan niet tegen bloed. Dat is niet de manier waarop ik sterven zal.   School was een concept waarmee ik van bij de aanvang moeite had. Elke dag werd ik om acht uur ’s morgens aan de schoolpoort afgeleverd en om vier uur ’s middags weer afgehaald. Ik was geen huilbaby. Evenmin een gelukkig kind. Had mijn moeder me van acht tot vier in een kast opgesloten, dan was ik vermoedelijk even gelukkig geweest. Op school ging ik van de speelplaats naar de klas en omgekeerd. Idem wat betreft de refter. Maar voor de rest deed ik er niets. Ab-so-luut niets. Ik lachte niet, ik speelde niet, ik zong niet en ik danste niet. Zelfs eten was een groot probleem. Ik overleefde op de koeken die ik meekreeg van thuis. Soms zat zo’n koek in een onmogelijke verpakking. Niets speciaals eigenlijk, gewoon een verpakking die ik niet open kreeg. Dan kwam ik ’s avonds terug thuis met in mijn boekentas een volledig verkruimelde koek, de verpakking nog intact. Natuurlijk deden de juffen hun best; natuurlijk zeiden vader en moeder dat ik om hulp moest vragen als ik een probleem had. Maar ik herhaal: school was een concept waarmee ik van bij de aanvang moeite had. Wanneer ik klasgenootjes vroeg me te helpen met mijn koek, werd ik uitgelachen. Gaf ik mijn koek uit handen, dan was ik hem kwijt. Hij werd opgegeten, of, als de pestkop met dienst er geen zin in had, weggesmeten. Mijn koek uit het toilet vissen, ging me te ver, maar het gebeurde dikwijls dat ik mijn koek uit een vuilbak moest grissen. Tot die keer dat iemand de scherven van een gebroken fles in de vuilbak op de speelplaats had gedeponeerd. Ik lette alleen op mijn koek die erlangs was gevallen. Ik stak mijn arm tot diep in de vuilbak en toen ik de koek beethad en mijn arm terugtrok, viel ik van schrik bijna flauw. Ik herinner me geen pijn, wel het zicht van al het bloed dat uit mijn pols gutste.   5. Woensdagnamiddag: thuis Als moeder het huis stofzuigt, volg ik haar, kamer na kamer. Ik zie hoe grondig ze haar dagelijkse routine afwerkt. Ik kijk toe of ze geen hoekje of kantje vergeet. Ik probeer me in te beelden waar ze aan denkt. Soms kijkt ze met een glimlach terug en probeert te raden wat ik denk. Misschien denken we op zo’n moment allebei aan niets. Ik heb geen eigen gedachten, ik denk aan wat zij denkt en zij denkt aan wat ik denk. Het is een kringetje. Het is goed.   Weekend: thuis Als vader met mij praat, heb ik geen grote woordenschat nodig. “Ja vader” en “nee vader” volstaan. Vader praat graag en vaak met zijn handen: één enkele keer zijn ze gevuld met snoep, maar meestal trakteert hij met klappen. Zijn slagen, ze zijn van het soort waar je ogen van knipperen als hij met onschuldige hand een lok van je voorhoofd streelt. Het is om mijn bestwil, dat weet ik, en moeder weet het ook, verborgen in haar hoekje of kantje. Zo zijn vaders. Het is goed.   7. Na de kleuterklas kwam de lagere school. We hadden in die tijd nog geen telefoon, dus wie ons nodig had, belde naar de buren. Dat gebeurde uiterst zelden; zoals die keer dat de school naar de buren telefoneerde met de vraag of moeder mij kon komen afhalen. Bezorgd spoedde moeder zich naar het lokaal van de verpleegster en toen ze me zag, begon ze te huilen. Mijn rechteroog zat helemaal dicht, twee los zittende melktanden waren gesneuveld en wanneer ik ademde, leek er een piepend geluid uit mijn longen te komen. Vader was woedend en klampte na zijn werk direct de directeur aan. Die wist enkel te vertellen dat er een vechtpartij geweest was.   De ware toedracht? ’s Middags speelden alle leerjaren samen op de grote speelplaats. Ik zat nog maar in de eerste klas. Ik was een gemakkelijk slachtoffer voor ‘die van de zesde’. Die dag had ik op de speelplaats een steentje gevonden en het opgeraapt voor de neus van één van hen. Hij had me zien bukken, maar hij had niet kunnen zien waarom. “Wat heb je daar gevonden?” vroeg de stoere twaalfjarige. Ik klemde het steentje in mijn vuist en zei: “Niets!” Het was per slot van rekening maar een steentje en daar had die jongen niets mee te maken. Dat was niet naar zijn zin. “Hé,” riep hij tot zijn makkers, “die kleine hier heeft iets gevonden en hij wil niet zeggen wat het is!” “Misschien is het geld,” riep een ander terug. Plots stonden ze met z’n vijven om me heen. Nog wou ik het steentje niet tonen. Toen begonnen ze me te schoppen en te slaan. De juf riep de meester erbij om ons uit elkaar te halen. Het steentje heb ik geen moment gelost. Ik had het nog steeds stevig in mijn vuist toen moeder me kwam halen.   11. Moeder, je had een reeks aandoenlijk dramatische pogingen tot zelfmoord achter de rug. Telkens wanneer er een ziekenwagen voor de deur stond, vroegen de buren zich voor de grap onder elkaar af: “Heeft ze weer zelfmoord gepleegd?” Hoe schuldig moeten ze zich gevoeld hebben na je laatste poging! Qua denkwerk was je daad heel eenvoudig. De hoogte van het plafond, naar beneden afgerond. Je lichaamslengte, ruim bemeten. Het verschil van beide getallen, vermeerderd met een lus. Zo lang was je touw. Een elementair rekensommetje. Toch zei iedereen dat je het zo niet gewild had. Dat je pogingen een schreeuw om aandacht waren. Ik heb daar veel over nagedacht. Ik denk dat iedereen zichzelf maar iets wijsmaakte om er zich van af te maken. De bemoederende woorden van een non. Het vaderlijke verbod van een priester. “Probeer het niet nog eens; het leven kan zo mooi zijn!” Dat was de enige hulp die je in die tijd kon krijgen. Daar moest je het mee doen. Basta!   13. Het was wel duidelijk dat ik niet was zoals de andere kinderen. Vooraleer ik naar de middelbare school mocht, schotelde men mij en mijn klasgenootjes een hele reeks testjes voor om te zien wat er van ons kon worden. Verstandelijk was er niks mis met me, ik behoorde tot de slimsten van mijn klas. Toch was ik een twijfelgeval. “Hij denkt niet zoals de andere kinderen denken,” zo legde de meester uit aan vader, maar vader wist dat al. Hij begon tegen de man te vertellen over moeder en haar zelfmoord. Daar had de meester niet van terug. Niemand op school durfde vader tegen te spreken zodra hij over zijn vrouw begon. Zo mocht ik overgaan naar het middelbaar. Natuurlijk werd ik daar nóg meer gepest; al was het maar omdat vader al mijn kleren 2 + 1 gratis kocht in de supermarkt, zodat het leek of ik nooit andere kleren aandeed. Wat bovendien soms weken na elkaar het geval was, als vader geen zin had om te wassen. Maar ik bleef een redelijk goede leerling. Ik behaalde goede punten, beging zelden een flater en in zo’n geval merkt geen enkele leraar het pesten op. Als er al iets gebeurde, keek de speelplaatsopzichter de andere kant uit. ‘Kwajongensstreken’ noemden ze het.   Eén enkele keer haalde ik uit. Een bende klasgenoten had mijn muts afgepakt en wierp ze van de ene naar de andere. Hoe ik mijn muts ook naliep, ik kwam altijd te laat om ze aan de pestkoppen te ontfutselen. Tot ik een paar meter verder het jongere broertje van één van hen op de speelplaats opmerkte. De jongen was net iets kleiner dan ikzelf. Ik liep op hem af en greep hem stevig beet. Ik trok een pluk haar van zijn hoofd, hield die omhoog en dreigde ermee de luid krijsende jongen volledig kaal te plukken als ik niet gauw mijn muts terugkreeg. Iedereen was verbijsterd, verontwaardigd omdat ik een onschuldig kind aanviel dat niks met de pesterijen te maken had, maar ik kreeg de muts bijna binnen de seconde terug. Ik duwde het huilende kind minachtend op de grond en zette mijn muts op. Ik stond er verder niet bij stil. Het was voor mij gewoon een kwestie van overleven. Elke dag opnieuw. (Hoelang nog?)   17. Liefste dagboek, [maandag] Gisteren was er een man op tv. Hij zei doodserieus: “Zelfmoord, dat is toch wel het laatste wat je doet!” Waarop een hele zaal in lachen uitbarstte. En ik? Ik zat er onbewogen bij. Niet goed wetend wat ik op dat moment het liefste wilde: huilen of lachen. [dinsdag] Ik ken van alles de definitie, maar van niets wat het betekent. Als ze me vragen waarom ik de dingen doe zoals ik ze doe (nooit zoals het hoort), verdedig ik me altijd met hetzelfde antwoord.“Ik ben nu eenmaal mezelf.” Eénmaal mezelf, als een priemgetal, ondeelbaar. Alsof het iets is om trots op te zijn. [woensdag] Ik ben een autodidact die de verkeerde les heeft geleerd. Telkens ik denk origineel te zijn, blijk ik net een open deur ingetrapt te hebben. Het is niet eerlijk. Het is niet fair. De hond blaft, maar de karavaan is al lang voorbij… [donderdag] Ik ga zelfmoord plegen. Nee, niet nu direct. Binnen drie dagen pas. Ik heb een plan. Goed overdacht; geen impulsieve daad! Zondag gebeurt het, of helemaal niet. Dat geeft me ruim voldoende bedenktijd om uit te maken wat het meest de moeite is. De lange pijn, of de korte… [vrijdag] Wat is er misgelopen? Was het mijn afkomst? Was het mijn opvoeding? Of was het gewoon mijn eigen schuld? Waar ben ik ziek? Ik leid een leven zonder grootse verwachtingen. Mijn pad loopt als een diepe voor, uitgesneden in de schier eindeloze vlakte. Ervan afwijken gaat niet zomaar… [zaterdag]Als deze dag mijn laatste was    zou ik dan kunnen sterven?Wat is er van mijn stof en as    de moeite waard te erven? Vanavond kreeg ik onverwachts de kans om met een paar klasgenoten mee te rijden naar een fuif. Een laatste keer de nacht in dansen en dan voor altijd slapen. Het idee trok me wel aan, maar ernaar handelen, kon ik niet; het hoorde niet bij mijn plan. Ik bleef thuis in het gezelschap van mijn doemgedachten. Wachten, wachten, wachten… [zondag] Ik werd vanmorgen opgebeld; mijn klasgenoten zijn niet teruggekeerd van hun fuif. Op de terugweg is hun auto tegen een boom geknald. De chauffeur en de passagier op de achterbank vechten nog voor hun leven. De passagier naast de chauffeur was op slag dood. Dat was mijn plaats. Ik had die passagier moeten zijn. Morgen drie lege banken in de klas. Niet de mijne. Opnieuw weet ik niet wat ik het liefst zou kunnen: huilen of lachen. Het was nu of nooit, maar het zou van slechte smaak getuigen er nu van te maken. Het wordt dus nooit. Ik blijf leven.   19. Het eerste meisje waar ik mee naar bed ging, was heel mooi. Ze had blond golvend haar en blauwe ogen. Op een woensdagnamiddag nodigde ze me uit op haar kamer. Haar vader was uit werken en haar moeder begeleidde haar jongere broers naar de voetbalclub. We hadden tijd, zo lokte ze me naar binnen, en niemand zou ons storen. De deur was nog maar dicht of ze ging uit de kleren. Tegen beter weten in, aapte ik haar na en algauw rolden we borst tegen borst over haar bed. Tijdens de daad kreunde ze oorverdovend hard en dat stoorde me een beetje. Ik was nog nooit op haar kamer geweest en terwijl ze mijn stijve pik bereed, telde ik het aantal boeken op haar plank (34), het aantal foto’s op haar bureau (5), het aantal cd’s in haar rek (49),… Pas toen ze haar klauwen in mijn vel dreef, besefte ik waar ik mee bezig was en kwam ik schokkend klaar. Het meisje belde direct haar beste vriendin op om te zeggen hoe fantastisch het geweest was. Haar vorige vriendjes kwamen nooit verder dan wat stuntelig gefriemel en een ‘sorry dat het zo vlug voorbij is’, maar ik was totaal anders, zo vertelde ze. Als gevolg van al die lof begon die vriendin van haar me een week later te verleiden. We deden het bij haar thuis op de sofa. Haar ouders werkten allebei en haar oudere zus zat op kamers als studente. Er lagen 3 tijdschriften en 2 kranten op het salontafeltje. Op de schoorsteen stonden 3 beeldjes en 8 foto’s. Ik deed alsof ik klaarkwam toen de grote wijzer van de wandklok op 12 sprong. Dat ik met elk van de twee beste vriendinnen gesekst had, kon niet lang geheim blijven. Eerst vlogen ze elkaar in het haar, daarna richtte hun woede zich op mij. Ik begreep er niks van.   Ik heb me na die eerste ervaringen een hele tijd ver van meisjes en vrouwen afgehouden. Gelukkig was de middelbare school op dat moment bijna achter de rug. Pas op mijn negentiende verzeilde ik weer met een meisje in bed. Het gebeurde op mijn eigen studentenkamer. Ik had alles wat er stond al geteld. Het meisje had een minuscuul schoonheidsvlekje bij haar rechterwenkbrauw. Zo ééntje dat je amper ziet als je er niet op let, maar waar je je ogen niet van kunt afhouden als je het eenmaal gezien hebt. En zo bedreven we, elkaar strak in de ogen kijkend, samen de liefde. Toen we lagen na te hijgen, zei ze dat ze van me hield. Ik zei haar het zelfde terug.   Het was het mooiste misverstand dat ik ooit mocht beleven.   23. Ik ben 23 geworden. Ik heb mijn diploma.Ik ga trouwen. Ik word vader.Het is alles wat ik ooit gewild heb. Het is méér dan ik ooit verwachtte.Het is prachtig. Het is angstaanjagend.   Ik ben nog altijd niets wijzer geworden omtrent wie ik ben, maar ik weet ondertussen wel wat ik heb.Het is geen ziekte, maar het heeft wel een naam.Ik kan er niet van genezen, maar ik ga er ook niet aan dood.Denk ik. Hoop ik.   Ik wilde het alfabet herschrijven, maar ik raakte niet verder dan de A.De A van autisme.Dan maar verder met getallen. Dat lukt me beter.Denk ik. Hoop ik.   Ik noteer alvast mijn volgende priemjaar.Dan zien we wel wat volgt:   29.

Bruno Lowagie
0 0

Snowflake Blues

Geef me een woord en ik schep een wereld. Geef me de leegte en ik creëer de hel.  Dertig jaar lang heb ik in het Kempense platteland getimmerd aan een onderwereld, waarvan ik de chagrijnige hoeder was.  De Kempen is een regio die zijn welvaart dankt aan snelwegen en betonvelden. Een wereld die bezongen wordt om zijn purperen heide en zijn melodisch mengpaneel van streekdialecten.  Een streek die ik enkele jaren geleden ben ontvlucht omdat haar horizon niet verder reikt dan de wanden van een mollengang.  Want de Kempen is in de eerste plaats een plattelandsgetto, waar buitenstaanders en vrijdenkers even welkom zijn als een rijkeluiszoon in een Parijse banlieu. Voor creatieve, ambitieuze sneeuwvlokjes is het een ronduit gevaarlijke plek. Velen sterven er van verveling. Anderen vallen ten prooi aan de moordlust van de grote sociale grasmaaier die elk sprietje kortwiekt wiens hoofdje uitsteekt boven het vlakke, gele gazon.  Het Kempense platteland bewijst dat je om een controlestaat te creëren geen nood hebt aan een dictator, bemoeizuchtige flikken en een uitgewerkte infrastructuur van gezichtsherkenning, databases met vingerafdrukken en grenscontroles. Roddels, bemoeizucht, opgedrongen modetrends en nieuwsgierige blikken zijn voldoende om mensen in het gelid te doen lopen. De kerken lopen leeg, maar de moraal van schuld en boetedoening woekert nog steeds in de hoofden en huiskamers. Ook zonder het ware geloof kan je de katholieke terreur handhaven. In Kempense woonwijken heb je geen blauw op straat. Zij worden permanent bewaakt door verveelde huisvrouwen, agenten in burger die notie nemen van iedere normoverschrijding. In hun hoofd torsen ze een gigantisch wetboek dat tot in de puntjes beschrijft hoe vaak de Kempenaar zijn auto mag wassen, hoe lang hij zijn haar mag laten groeien, wanneer hij zijn dakgoot moet kuisen, welke schoenen bij welk brilmontuur passen, en hoe groot het aandeel Nederlandstalige schlagers en Roy Orbison-platen in een Kempense muziekcollectie moet zijn. Zondaars worden hardhandig aangepakt. Met uitgekiende roddelcampagnes worden ze tot persona non grata verklaard.  Wie weigert mee te surfen op de hoofdstroom vindt een tijdelijk onderkomen in de steeds dunnere naaldbossen en heidevelden. Behalve op zon- en feestdagen, wanneer vogels, reeën en hoogsensitieve sneeuwvlokjes worden opgeschrikt door motorcrossers, wielerterroristen en gezinnen met kinderen. Enkel in de vier muren van jouw kamer kan je echt jezelf zijn: eenzaam, verveeld en uitgeput. Enkele jaren geleden sloeg ik op de vlucht voor deze tirannie van de middelmaat. Als culturele vluchteling vond ik een onderkomen in de grootstad. Toch keer ik soms terug. Mijn meningen houd ik nog steeds voor mezelf. Tijdens die maandelijkse trips trakteer ik familie en vrienden op Turks brood, Marokkaanse thee, Libanese desserts, Boliviaanse coke en ander exotisch snoepgoed. Tijdens die daguitstapjes geniet ik van de bossen en de heide, de rust en de kalmte, de nestwarmte die ik ergens daartussen achterliet, en de zekerheid dat ik de trein huiswaarts kan nemen als die warmte omslaat in een verstikkende heidebrand. Pieter Van der Schoot  

Pieter Van der Schoot
34 0

Kraaienvrouw

Diep in het bos, waar de vogels niet fluiten en de muizen niet piepen, staat een eenzaam huis op een open plek. Een klein huisje met raampjes en een deur, zonder bel, zonder deurkruk. In het midden van het bos.   Hoog zijn de bomen en dicht is de begroeiing, met mistflarden om de toppen. Eeuwige duisternis ligt op de loer. Niemand durft zo diep het bos in te lopen, bang voor de duisternis, voor het verdwalen. Voor de verhalen over deze plek.   Als hij zo diep het bos in loopt, dat hij de mistdruppels op zijn huid voelt, op zijn tong proeft en de duisternis aan zich voelt likken, dan is de weg terug al uit zijn hoofd vervlogen. Is hij gedoemd om eeuwig rond te dwalen. Om de boomtoppen te horen ruisen, in de stilte van de nacht. Om de struiken te voelen kriebelen, angstaanjagend om hem heen.   Die open plek zal hem vinden, gretig inspelend op zijn angst, zijn snel kloppende hart, als een levend wezen. Hij zal ooit oog in oog staan met dat huisje zonder deurkruk en het licht achter die ramen zal hem doen trillen op zijn benen. Maar zijn hart verlangt naar zekerheid, gewoonte en geborgenheid. Zijn hand strekt uit, om te kloppen op de houten deur, verzekerd van een warm onthaal. Een route terug naar de bewoonde wereld.   ‘Kraaaaa! Kraaaaa! Kraaaaa!’ klinkt het vanuit het huisje en voor de laatste roep voorbij is, is hij niet meer te zien. Terug gevlucht in de duisternis, zonder aandacht voor het licht dat schijnt; een oude vrouw en haar kop thee, een kraai op haar schouder, in de  deuropening.   Hoofdschuddend kijkt de vrouw hem na, geamuseerd, gekwetst en bezorgd zijn geluiden volgend in het bos. Ze sluit haar ogen en ziet de boomtoppen, hoort de duisternis, ruikt de mistflarden en proeft de rennende voetstappen op haar natuur.   De struiken kriebelen om hem heen, de boomtoppen ruisen. Met open ogen rent hij door de mist, de duisternis benauwend in de achtervolging. Hij rent en rent, geplaagd door de kraaien die hem roepen, cirkelend om hem heen. In cirkels blijft hij verdwalen, nooit meer is hij alleen.

schaapschrijft
0 0

Kauwgombalherinneringen

Ze bekijkt de inhoud van een ouderwetse kauwgomballenautomaat. Eentje waar ook speelgoed in zit. Van een afstandje sta ik af te wegen of ze daar niet een beetje te oud voor is.   Normaal zou ik al zijn doorgelopen, maar ik kan mijn ogen niet van haar af houden. Vlak voor ze wegloopt raakt ze de grote doorzichtige plastic bol aan met haar vingertop. Een golf verdriet overspoelt me bij het zien van de blik in haar ogen. Als ze wegloopt lijkt ze zichzelf toe te spreken. Daarna schudt ze haar hoofd en lacht een beetje sullig.   Haar blik laat me niet los en even later sta ik voor de automaat. Haar vingerafdruk is nog zichtbaar en mijn hart smelt als ik zie wat ze aan wilde raken. Al het kleingeld dat ik bij mij heb, haal ik tevoorschijn.   Ik stop kauwgomballen in mijn mond en zenuwachtig kauwend haal ik de ene na andere bal eruit. De verkeerden stop ik in mijn tas, die steeds voller raakt. Ik heb het eigenlijk al opgegeven als de juiste bal eruit rolt. Gretig sluit ik mijn vingers eromheen en kijk naar links, maar de jonge vrouw is nergens meer te zien. Trots, maar ook teleurgesteld stop ik de bal in mijn broekzak, pak mijn en tas en loop al kauwend naar huis.   De volgende dag sta ik om dezelfde tijd op dezelfde plek. Ik kon haar niet uit mijn hoofd zetten, het was alsof ik naar deze plek toe werd getrokken. Zou ze hier weer komen?   De schemer begint in te zetten als ze eindelijk naar de kauwgomballenautomaat loopt. Vlug gaat ze door de knieën en zoekt de bal die ze gister zo bewonderde. Ik loop op haar af met mijn hand in mijn broekzak. Sta al een paar seconden naast haar voor ze naar mij opkijkt. Ze kijkt beschaamd.   Langzaam trek ik mijn vuist uit mijn broekzak en steek mijn hand naar haar uit. Voorzichtig vouw ik hem open. Met grote ogen kijkt ze naar haar bal. De plastic ring met vlinder en roze steentjes glinstert in de ondergaande zon.

schaapschrijft
17 0

Het Groot Dictee Heruitgevonden 2018 – Gesprek met een filosoof

‘Schrijven wil zeggen dat er stapje voor stapje een ik buiten jezelf ontstaat, die je vertelt wat je bedoelt.’ Vik kijkt Mona door zijn johnlennonbrilletje aan. ‘Rutger Kopland’ zegt hij en snuift lawaaiig. Mona knikt en glimlacht. Ze vraagt zich af waarom ze zich door Imke heeft laten overhalen tot een ontmoeting met deze man. ‘Vik is eindredacteur van een literair magazine,’ had Imke geopperd. ‘Een heel boeiende man. Jullie hebben vast tig gemeenschappelijke interesses. Hij heeft oosterse filosofie gestudeerd en hij is nog hups ook. Mocht het toch niet klikken, dan heb je tenminste een namiddag naar een seduisante man gekeken.’Mona had ten slotte toegegeven. Baat het niet dan schaadt het niet. En zo was ze met deze wijsgeer in de koffiebar van de bibliotheek beland. Toen ze aankwam, sloeg Vik een roman dicht, die hij net scheen te hebben uitgelezen. ‘De Idioot’ van Dostojevski, een voorbode van wat de rest van de namiddag zou brengen. Na het citaat van Kopland, blijft Vik Mona met grote ogen aanstaren. Zij doet een poging om iets ad rems te verzinnen, maar slaat daarbij helaas volledig tilt. ‘Lekker chocoladecakeje,’ merkt ze dus maar op. Intussen wijst ze als een imbeciel naar het gebak dat voor haar op tafel staat.‘Een moelleux,’ zegt Vik. Hij roert in zijn muntthee en kucht licht geïrriteerd.‘O ja, zo heet dat,’ mompelt Mona. Ze neemt een hap en kijkt snel even rond in het etablissement.‘Schrijf je al lang?’ Vik legt zijn hand op zijn lijvige boek dat nog steeds op de tafel ligt. Zijn duim aait bijna liefkozend de kaft.‘Best wel eigenlijk, ik kan me niet herinneren dat ik het niet deed,’ antwoordt Mona.‘Al veel gepubliceerd?’ ‘Ik heb een blog en ik neem hier en daar weleens deel aan een wedstrijd waar ik occasioneel iets win. Ik heb ook een boek uitgegeven.’ Mona’s stem klinkt een beetje weifelend.‘Mooi, een boek,’ zegt Vik. ‘Heb je veel verkocht?’‘Niet echt, ik had er meer van verwacht. Ik was eigenlijk best teleurgesteld toen ik de verkoopcijfers te zien kreeg.’Vik gnuift: ‘Het is zoals Nietzsche zei: het schrijven als een vast beroep beschouwen, moet gezien worden als een vorm van waanzin.’Mona weet niet meer goed waar ze het heeft. ‘Best jammer eigenlijk. Het blijft toch ergens de droom van elke auteur om met schrijven de kost te verdienen,’ stamelt ze.Vik slaat zijn ogen naar het plafond en zucht: ‘Ah, de poging om de hemel op aarde te verwezenlijken, brengt steeds de hel voort.’‘Dostojevski?’ probeert Mona en wijst met haar kin in de richting van het boek dat nog steeds door Viks hand wordt gestreeld. Hij schudt zijn hoofd: ‘Mis, dat was Popper.’ Mona knikt schlemielig. Dit wordt met de minuut gênanter. Vik haalt zijn hand van zijn boek en duwt het in de richting van Mona. ‘Heb je het gelezen?’Mona neemt nerveus nog een hap van haar gebak. ‘Neen, met mijn sociaal leven vind ik nooit de tijd om mij in zulke dikke boeken te verdiepen en na een lange werkdag kijk ik ook graag eens gewoon televisie.’ Vik gniffelt pedant. ‘Televisie? Ik lees liever een fascinerend boek. Gandhi zei ooit: ‘Wie smaak vindt in het lezen van goede boeken, is bij machte om de eenzaamheid te dragen, waar dan ook en met groot gemak.’Nu heeft Mona er genoeg van. ‘Luister eens hier wijsneus: talent ontwikkelt zich in eenzaamheid, karakter in de stroom van het leven, Johann Wolfgang von Goethe.’ Vik kijkt haar onthutst aan, maar Mona is onvermurwbaar. ‘En nu ga ik naar huis, lekker triviaal televisiekijken. Om gelukkig te zijn moet je doen waar je gelukkig van wordt.’ ‘Aurelius?’ poogt Vik nog.‘Neen,’ zegt Mona gedecideerd: ‘Johan Cruijff.’ Ze neemt haar handtas en loopt de zaak uit. Deze tekst werd vrijdagavond 7 december gelijktijdig voorgelezen in Het Groot Dictee Heruitgevonden in 60 Vlaamse en Brusselse bibliotheken.Met veel dank aan de bib van Mechelen voor de kans die zij mij gaven en de super fijne avond die het op 7 december werd.

Ans DB
16 0

Tandpasta

De Smilodon bestaat al lang niet meer zegt ze. Bedenkelijk kijk ik naar het bakje met instrumenten op mijn buik dat telkens ik adem omhoog gaat. Net een doosje mikado, maar van een merk dat ik niet ken. Ik zeg niets terug, probeer de spiegel en het haakje stil te houden door niet meer in te ademen. Gelukkig was er toen geen chocolade gaat ze verder en haalt wat witte draad tussen de instrumenten vandaan, draait die rond haar wijsvingers. Doe je mond nu maar open lacht ze. Dan kan ik kijken of er op jouw sabeltanden suiker kleeft. De Stimorol bestaat wel zeg ik. Mijn favoriet is de max splash strawberry lime. Ik kan het zien zegt ze. Je hoektanden zijn cariës vrij. Zijn er nog andere dingen buiten kauwgom die je eet? Vlees, want dat vind ik lekker, en soms frietjes. Ook aardbeien, maar die hebben ze niet altijd in de winkel. En koekjes. Plus de spruitjes van mama. Die vind ik superlekker! Jij zou elke Smilodon hebben doen watertanden zegt ze en haalt het spiegeltje uit mijn mond. Zo’n gaaf gebit. Doe zo voort! Het mikado doosje mag van mijn buik. Er loopt wat water in een plastic bekertje. Ik spoel mijn mond, slik het door. Het smaakt een beetje naar ijzer.  Wat is een Smilodon vraag ik? Een tijger met grote hoektanden die verzot was op vlees. Maar de Sabeltandtijger bestaat al lang niet meer zegt ze. Poetste die ook zijn tanden vraag ik bedenkelijk? Misschien. In de prehistorie was er nog geen tandpasta zegt ze, maar een stoere tijger als jij mag gerust af en toe een koekje eten. Ik krijg tandpasta met rode lijntjes en een groene tandenborstel. Tot volgend jaar zegt ze. En goed blijven poetsen. In de auto vraag ik mama wat voor vlees we straks eten. Worst. Met spruitjes zegt ze.  

Sascha Beernaert
6 0

'Heb je het tegen mij?'/filmscène/ voor Martin en Robert

         Het is waanzin maar ik weet het nog niet. Ik lig met m’n kleren en laarzen aan op mijn bed in m’n troosteloos éénkamerappartementje. Mijn leven is een leven van eenzaamheid. Ik ben de isolatie en de vensterloosheid van mijn bestaan en deze kamer beu. Het is allemaal verschrikkelijk. Er staat één tafeltje, één stoel, één bed. Op een houten kist staat een TV en aan de andere kant van de kamer hangt er wasgoed. Overal ligt er rommel. Aan de muur boven het gasvuur hangen er potten en pannen, een rekje met allerlei dozen. Aan de andere muur hangen er verkiezingsaffiches. Ik ben de klootzakken en de smeerlapperij beu. Ik ben gewelddadig. Ik kan er niet meer tegen.          Ik oefen in de spiegel. Met een lichte glimlach en zelfgenoegzaam trek ik een pistool uit de mouw van mijn kaki vest. Ik kijk mijn denkbeeldig slachtoffer recht in de ogen. Ik ben het noorden kwijt en dat interesseert me in z’n geheel niet. Het lijkt wel of ik van de duivel ben bezeten. Als een krankzinnige blijf ik in de spiegel oefenen. Ik zie de horror niet in die spiegel. Ben ik arrogant? Ik voel me goed. Het is intens. Ik ben Vietnam - veteraan en taxichauffeur. New York kan mijn kloten kussen. Ik ben niet waanzinnig. Het lukt me al goed de revolver te trekken. Ik blijf maar in die spiegel kijken.          Ik oefen in de spiegel: ‘Ik probeer… strontzak…’ ‘Sneller dan jou! Lul!’ ‘Ik sta hier. Zeiker’ ‘Ik ben de enige hier.’ ‘Als je één beweging maakt, .. als je … dan…’ ‘Probeer, probeer het maar.’ ‘Heb je het tegen mij?’ ‘Heb je het tegen mij?’ ‘Tegen wie denk je dat je bezig bent? Hé!’ ‘Hé’ ‘Ooh yeah’ ‘Luister jullie klootzakken, ik ben een man die het niet meer kan verdragen, een man die het niet zou laten gebeuren, een man die zich verzet tegen het uitschot, de kuttenlikkers, de honden, het vuil, de stront.’ ‘Hier is een man die zich verzet..’ ‘Hier is …’  

Hubert Grimmelt
0 0

'ik neem wraak'/filmscène/voor Amélie

         Mijn psychotische moeder en ik hebben mijn suïcidale goudvis in een vijvertje gegooid; de bokaal erachteraan. Het regent. Als troost krijg ik van m’n moeder een tweedehands Kodak Instamatic fototoestel. Ik fotografeer graag leuke wolken. Sommige in de vorm van een konijn, andere in de vorm van een teddybeer. De zon schijnt. Ik draag een oranje golfje en een wit hemdje.          Plots knalt er een kleine, rode Peugeot tegen een blauwe Citroën CX. “Petite fille!’ roept de buurman, “wat heb je nu gedaan?” Hij maakt me wijs dat er iets mis is met m’n fototoestelletje. Het veroorzaakt ongevallen.          Na de hele middag foto’s te hebben gemaakt, slaat de schrik me om het hart. Ik zijg neer voor de TV. Ik ben angstig. Ik zit vol schuldgevoelens over een reusachtige brand, twee treinontsporingen en een crash van een Boeiing 747. Met wijd opengesperde ogen kijk ik naar de beelden.          Enkele dagen later neem ik wraak. Ik heb doorgekregen dat de buurman me beetnam en misbruik heeft gemaakt van mijn naïviteit en fantasie. Ik zit op het dak naast de schouw en het kastje van de antennekabels. Het is mooi weer. Ik heb mijn haar in twee staartjes en ik kijk boos. Ik luister naar voetbal op een transistorradiootje. M’n vervelende buurman bekijkt diezelfde match op z’n TV. Net op het moment dat er gescoord gaat worden, trek ik de antennekabel uit. De televisie van de buurman doet het even niet. Enkele tellen later steek ik de kabel terug in. De televisie doet het dan eventjes wel. De buurman wordt gek en roept:’ Godverdomme, wat is dit?’ Ik herhaal dit een paar keer op cruciale momenten. De buurman wordt knettergek. Hij springt woedend recht en vloekt:’Putain! Godverdomme!’ Als een waanzinnige klopt hij opzij op z’n toestel. Hij wil er zelfs een beeldje tegenaan gooien. In totale wanhoop begraaft hij uiteindelijk huilend z’n hoofd in de zetel.          Mijn leven wordt fantastisch.

Hubert Grimmelt
9 0

Papa's plekje

Het waterige novemberzonnetje beschijnt de voordeur waar ik op bons. Geen reactie. Na een minuut klop ik en roep, ‘papa!’ Geen reactie. Het voedt mijn ongeduld. Mijn irritatie. Ik bezoek hem iedere week, een plicht die ik mijzelf jaren geleden heb opgelegd omdat ik anders nooit langs zou komen. Een moment om mijzelf ervan te vergewissen dat hij nog leeft.      Hoewel ik zijn dochter ben, kom ik nooit zomaar zijn huis binnen. Niet meer na de keer dat hij zijn privacy eiste. ‘Ook al lig ik dood te gaan, je klopt eerst! En daarna klop je opnieuw, hard. En als ik dan nog niet kom, dán mag je die verrekte sleutel gebruiken.’       Ik diep nu die verrekte sleutel op uit mijn handtas en steek ‘m in het slot. Een stapel kranten en reclamefolders maken het me moeilijk binnen te komen, maar de eerste -tweede- mopperronde slik ik in. Pa wordt oud, ik pak ze straks wel op. ‘Papa?’Ik hoor slechts een echo. Normaal buldert hij. Ziet hij dit als een manier om mij terug te pakken voor vorige week?      Ik hoor nog zijn verwijten. Hoe hij mij beschuldigt van zijn gebrek aan geluk, zijn eenzaamheid, het feit dat met mij de familielijn uitsterft. En ook al zijn het maar woorden, woorden die ik de afgelopen jaren meer dan eens heb gehoord, toch raken ze mij nog iedere keer. Zijn teleurstelling, zijn walging, zijn verwijt, stak opnieuw recht door mijn hart. Jaren geleden ben ik gestopt met het lijdzaam toestaan van dit verbale geweld. Nu vraag ik mij af of ik niet te hard tegen hem ben geweest. Op zijn manier hield hij van mama, maar ik zag hoe ongelukkig zij was en dat heeft mij altijd dwars gezeten. Het was niet netjes hem dit in te wrijven, ongeacht de uitwerking van zijn woorden op mij.      ‘Hatsjoe!’ Ik wapper met mijn hand voor mijn gezicht en wacht op de tweede nies, maar die komt niet. Papa kan wel een lenteschoonmaak gebruiken. Meteen zet ik de gedachte van mij af, als de herinnering aan een rood bezwete moeder met rubberen handschoenen en een plumeau in haar hand, zich aan mij opdringt. Vooral de tranen die over haar wangen rollen, terwijl mijn vader vanuit zijn leunstoel tegen haar raast en tiert.      Opeens heb ik genoeg van zijn spelletjes. ‘Pa!’ brul ik. Nog steeds niets. Het is onwaarschijnlijk, maar misschien ligt hij nog op bed. Met twee treden tegelijk ren ik de trap op. Als een puber zwaai ik, zonder te kloppen, zijn slaapkamerdeur open en stamp naar binnen.      Het bed is leeg. En opgemaakt. Met een klap sluit ik mijn mond die klaarstond om hem zijn late ochtend te verwijten. Ik haal even diep adem en kom terug tot mijn volwassen ik. Ik sluit de deur. Hij zal wel mokkend in de woonkamer zitten. Tijdens het afdalen van de trap duw ik mijn irritatie weg en besluit me normaal te gedragen.      Ook de woonkamer blijkt verlaten. ‘Waar ben je, pa?’ fluister ik. Verward kijk ik voor me uit. Hij is negentig en niet meer zo kwiek als voorheen. Verlaat zijn huis nooit op eigen houtje, naar mijn weten. Hij kan niet ver weg zijn. Ik loop naar de donkere keuken en open het gordijn. Dit laat mij echter alleen zien dat er koude thee in de kan zit en mijn vader zijn ontbijtbord nog op tafel heeft staan.      Het huis waar hij in woont is niet groot en nadat ik voor de zekerheid in de bijkeuken kijk, zijn mijn ideeën op. Ongerust zak ik op een stoel. Moet ik de politie bellen? Nee … mijn vader moet in de buurt zijn en zal binnen een half uur wel weer terugkeren. Toch blijf ik denken. Dat mijn vader en ik een slechte band hebben, betekent niet er geen klein stukje van mijn hart, nog voor hem is.      Tijdens het vullen van de waterketel kijk ik uit over de kleine achtertuin. Waar kan hij zitten? Hij woont al zijn hele leven in de Friese plaatsje Suawoude; zelfs op zijn leeftijd kent hij dit op zijn duimpje.      Ik krijg een bizar idee, schuif het weg. Maar een paar seconden later vind ik het niet zo gek meer. Wat als hij bij mijn ouderlijk huis is? Mijn vader was gek op dat huis, maar ze moesten vijftien jaar geleden verhuizen omdat het niet langer kon. Ik denk aan het tuinhuisje dat op het uiteinde van het grote erf staat, beschut achter struiken en planten die de afgelopen jaren welig tierden. Ongeacht het seizoen zat mijn vader in dat huisje zijn pijp te roken. Hij keek uit over de tuin en het water even verderop.      Vanaf zijn huidige huis is het zelfs voor een oude man op loopafstand. Ik geloof niet dat hij er in die vijftien jaar ooit is geweest, maar het is de moeite waard om te kijken. Ik draai het gas uit, pak mijn jas en tas en wring me opnieuw door de smalle opening in de voordeur. Ik stap op mijn fiets.      Twee minuten later sta ik in de tuin. Vastbesloten loop ik over gezond gras naar het tuinhuisje, zo’n twintig meter verderop. Het is nog koel in mei, al houdt dit de akkerhoornbloem, bosanemoon en bleke klaproos niet tegen om al kleur in de tuin te verspreiden.      Bij het huisje aangekomen zie ik de sleutel in het slot. Langzaam trek ik de deur open. De verduisterende gordijntjes, die mijn vader per se wilde hebben zodat hij overdag een dutje kon doen, zijn gesloten. Ik zet de lichtschakelaar om en zie mijn vader liggen. Onderzoekend glijdt mijn blik over zijn lichaam op de grond, maar ik zie geen teken van leven. Zachtjes stap ik naar binnen, alsof ik bang ben hem wakker te maken. Na even diep in- en uit ademen zak ik op mijn knieën en leg mijn hand op zijn schouder. Hij ligt op zijn buik, met zijn hoofd op de grond. Ik draai hem voorzichtig op zijn rug en denk te weten wat er is gebeurd.   Al dagen voel ik me niet thuis. Dit is mijn huis niet, die staat een paar honderd meter verderop. Nu is het huis van mijn dochter Arabelle. Ik denk met spijt terug aan alle moment dat ik tegen Miranda, mijn overleden vrouw, tekeer ben gegaan. ‘Ik mis je om me heen, Mier,’ zeg ik in het niets. Misschien hoort ze me. Ik denk ook aan mijn dochter, die ik nooit heb laten weten hoe ik echt over haar denk.      Het is nog vroeg als ik mijn onderkomen verlaat en wat wankel op weg ga naar het huis waar ik driekwart van mijn leven woonde en alle mooie momenten meemaakte. In het huis is het nog donker en ik besluit niet aan te bellen. Als een dief in de nacht sluip ik door de tuin, naar mijn oude plekje. Ik heb Arabelle nooit verteld over de reservesleutel en kreunend buk ik om hem achter het hout vandaan te pakken. Ik steek de sleutel in het slot, draai hem om en stap naar binnen.      Niets veranderd; al mijn oude spulletjes, die Miranda niet mee wilde naar ons nieuwe huis, liggen op dezelfde plaats. Mijn schommelstoel staat nog naast het ronde tafeltje. Op het tafeltje staat een vaasje met nepbloemen, die Miranda ooit eens voor me heeft gekocht, ‘om dat donkere hok wat op te vrolijken.’ Grinnikend denk ik aan het moment terug: mijn gezicht vertrokken van afschuw, maar Miranda, eigenwijs als ze was, zette het vaasje op tafel. Ik heb het nooit weggehaald.      Naast het vaasje staat mijn asbak. Deze is leeg. Arabelle zal wel schoongemaakt hebben. Intens gelukkig trek ik de deur achter mij dicht. Ik zak in de schommelstoel die slechts een klein beetje kraakt. Het schommelen is een oud vertrouwd gevoel en ik besef hoe erg ik dit moment heb gemist de laatste vijftien jaar.      Het is nog vroeg in de ochtend. De zon klimt gestaag en met zijn reflectie op het water, geniet ik van een geweldig uitzicht. Als mijn oude vertrouwde zelf pak ik mijn pijp uit de binnenzak van mijn jas. Mijn zakje tabak leg ik op schoot. Met jarenlange ervaring is het stopwerk gauw klaar. Ik zet hem tussen mijn tanden en strijk een lucifer af. Rustgevend rook ik mijn pijp en geniet van de stijgende zon. Hetgeen ik in mijn woning niet kon vinden, vind ik hier.      Ik rook mijn pijp leeg, zet hem klem tussen mijn tanden en sta op. Ik schuifel naar het raam en sluit het gordijn. Voordat ik bij mijn dochter langsga, wil ik nog even een dutje doen. Wat zal het een verrassing zijn; haar vader bij haar voor de deur! Ik weet niet wanneer de laatste keer was. Ik ken alle hoeken en gaten van het huisje en schuifel in pikkedonker terug naar de schommelstoel. Wat ik niet verwacht is een obstakel op mijn weg.   Voor zover Arabelle ziet, heeft haar vader niet geleden. Alleen de kop van de pijp steekt nog zichtbaar uit zijn mond en hij heeft een bloeduitstorting op zijn hoofd. Waarschijnlijk heeft hij snel zijn bewustzijn verloren. Ze kijkt verongelukt naar het oude betonnen beeld van de buldog aan haar vaders voeten. Die stond voor kort in de tuin, maar hij is zo lelijk. Verdriet overspoelt haar als ze naar haar vader kijkt. Gelukkig kon hij nog eenmaal van zijn lievelingsplekje genieten.

schaapschrijft
0 0