Lezen

Delphine ik Xiu graag komen

Ik streel mezelf niet langer in slaapmaar dagdroom liever over traumatiserende reizen naar Bosniëof een oplossing vinden voor dementie & die dan niet te vergetenHet was weer zo'n zondag die opvallend veel weg had van een maandagalleen stonden de straten te blank voor effectief maandag te zijn& die halfbezopen Marokkaanse junk liep weer over onze tuintegelssoms vrees ik dat mijn banden plat gaan staan zolang ik geen telenetrekeningen betaalBinnenkort is al het hout weer bevrozen dan weet ik dat kerst naderthet feest bij uitstek om te wenen over teenkanker onherkende zonen of dochters of de Belgische arbeidsmarktdie anno 2021 veel weg heeft van de Sovjet-uniewat water voor bij Gorbatjsovs wijnvlekhet eindejaar voor ons er aan te herinneren dat er ook aan dit jaar een einde komt & niemand die ik ken heeft tot nog toe de echte Waldo gevondenbehalve dat meisje met de staarten in het haarKon ik maar dat boos huis kopen aan de Brusselpoort dan kon ik op mijn beide oren slapen door de bekakte winkelketen dat daar in de buurt is& de kappers zijn er opvallend goedkoop & opvallend buitenlandsdan was ik ineens van die strontvervelende smalltalk & moeilijk vermijdbare gesprekken af van waarom ik mijn haar niet met zeep wasEen zondag waar geen torenpoepers neergehamerd werdenof gigantische ego's van de eerste vlieger van Thailand terug kwamende stad mag gerust slapen vanavond is de Sint-Romboutstoren nog steeds de grootstede weltschmerz die uit de cafés kruipt houdt het weekend interessant& vanavond strelen anderen elkaar in slaap vanavond raken vuilbakken vol sperma & vanavond blaffen er geen keeshondjes op fietsterroristen met vierkante rugzakkenvanavond mag iedereen non-binair zijn want er is geen man of vrouw die kraait op maandag& morgen is het maandagDe realiteit ligt op mijn kussensloop & ik mis de maanden waarop iedereen nog een eiland was dan diende ik me niet alleen te voelenik kus de meisjes van Jehova voor de deur & bijt de duivel in zijn reetjoden waren hier ook ooit hoor maar blijkbaar toen kregen ego's al voorrangalleen werden ze niet naar Thailand gestuurd voor cursussen elektronische poëzie te geven aan kleine Thaise jongetjes & meisjesVanavond streel ik mezelf in slaapstraks woon ik in het boze huis& morgen huis ik in de boosheidwant maandag kraait

Schrikkentist
0 0

Ballerino & Bolero

In 1963 trek ik op mijn zestiende de wijde wereld in en koop een enkel bootticket van Buenos Aires naar Europa. In Brussel maak ik al snel vrienden. Enkele onder hen zijn figuranten in het ‘Ballet van de XXe eeuw’. Mijn eerste auditie is een flop, hoe kan het ook anders, ik heb niets met dit soort dansen, maar ik bijt door. Eindelijk mag ik meedoen, achteraan in het balletcorps leef ik mij uit op Mexicaanse volksmuziek. Ik bloei helemaal open in deze groep met wel vijfentwintig verschillende nationaliteiten. De ene danser is al knapper dan de andere en de meisjes mogen er ook zijn. Ik zie dat de balletmeester mij meer en meer in het oog houdt en krijg steeds intensievere balletlessen. “Jorge, jij bent er klaar voor. Je danst  met Bortoluzzi.”“Maar, meester, Paolo is een sterdanser. Ik kan niet tippen aan wat hij al bereikt heeft.”“Geen paniek, ik vraag je niet om op je tippen te dansen, maar we gaan er aan werken. Ik heb een groots spektakel bedacht op de muziek van de negende symfonie van Ludwig van Beethoven en jullie krijgen daarin hoofdrollen. Naast dansers zijn er tientallen figuranten en een live orkest met koor. Jullie gaan schitteren.”“Paolo, alsjeblief, zeg aan maestro Béjart dat ik dit niet aankan. Hij kan mij evengoed tussen de figuranten zetten. Ik ga toch ook niet in het koor meezingen of in het orkest spelen? Dit gaat mijn petje te boven.”“Jorge, toen Maurice mij in Milaan vroeg om zijn troep te vervoegen was ik een amateurdanser. Kijk waar ik nu sta, vertrouw erop, jij kan het.” Aan de barre lukt het steeds beter maar zodra ik thuis kom begint het beven, de gewrichtspijn, het letten op het eten om niet telkens over te geven. Dit gaat mij nooit lukken. Ik ben zwaarder dan Paolo, ik moet vermageren. Waar haalt hij zijn kracht vandaan?  Straks moet ik hem boven mijn hoofd tillen. Ik word gek, maar Maurice helpt mij er bovenop en weet als geen ander hoe mijn logge lijf in elkaar zit. Hij laat mij dingen doen die ik onmogelijk waande. Ik sluit mijn dagboek waaruit ik  heb voorgelezen aan een journalist van een dansmagazine.“Hebt u nog een scoop voor mij, mijnheer Donn?”“Ik besterf het nu al. Maurice wil mij op mijn tweeëndertigste als eerste mannelijke solodanser de Bolero laten opvoeren.”

Vic de Bourg
12 0

Ted Talk

Wordt geen vechtersbaas dat is niet nodigEen scherpe tong maakt gebalde vuisten overbodigToch is't belangrijk dat je kan slaanEr zullen altijd van die idioten in je weg staan Zoek de waarheid in je hartLeer jezelf kennenEen goedpraatmonoloog Dat kan snel wennen Voor je het weet ben je de weg kwijtEr zijn duizend synoniemen voor spijtGeluk is niet iets dat verslijtOude mannen praten zo als ze zich zienDenken: ik krijg alleen wat ik verdien Da's niet helemaal waarHet is wat je denkt te verdienenDaarom zie je klootzakken die het zó vindenNiet het soort dat elk nieuwjaar voornemens heeftBesffende dat het nooit lang heeft gekleeftIedereen heeft uiteindelijk altijd in het nu geleefd Een gewoonte maken duurt 40 dagenHou gewoon een koers aan en leer jezelf te gedragenOeps, ik bedoel verdragenEn stop met klagenEet gematigt: je bent geen koe met zeven magen Spreek jezelf aan alsof je respect verdientEn je zal zien: je maakt een ja van een misschienRelativeer en zoek de humorEen slechte cel is niet perse een tumorEen lach trekt mensen aan, bovendien Hou je niet bezig met slim of domJe weet niet wat het inhoudWees niet bezig met meningen Voordat de mening zich met jou bezighoud Leer te genieten van de twijfelsElke optie is een oneindigheid aan veelheidEen veelheid aan oneindigheidOnzeker zijn is de enige zekerheidJe jeugd is je leertijdDurf te kiezen voor jezelf en je zit al op de helftAch is ook een synoniem voor spijt Soms heb je stilte nodig, dat zijn de momenten dat je lawaai opzoektWel, herken die vloekSoms is niets doen het moeilijksteZoals in een ruzie alles uitschreewen wat in je komtHet gevoel gelijk te hebben is domheid goed vermomd Het leven is een landschap van gramschap en verdragenJe hebt een droom nodig om het duister te verjagenHou je hoofd omhoog en kijk naar de sterrenEen wolk kan het zicht maar tijdelijk versperren Je wordt zo traag volwassen, je gelooft dat je 't al bentHet is dat hersens zo snel wentJe wordt wijzer maar hoeft niemand aan te duidenHet spook onder je bed zijn je eigen ademgeluiden Het verleden sijpelt door de kieren en verzuurt het hedenLeer wandelen zonder bagage mee te nemenJe bent niet je gedachten laat ze linksJe bent niet interessant, laat je links Ego is een synoniem voor spijt, net zoals ervaringIk wou je wat dingen meegevenNiet alles rijmt in dit levenZie hier mijn openbaring

Stelselmatig
10 0

Malen over Mahlerei

Niet echt overtuigd gaan drie kotgenoten uiteindelijk akkoord om mij te vergezellen naar de vernissage van Jonas, mijn jonge vriend kunstschilder.Myriam, Linda en Liam hebben genoeg chique en excentrieke kledij verzameld om niet onopgemerkt te blijven tussen de aanwezige crème de la crème van de lokale kunstkring, de ware en de would-be kunstkenners. Wij zien en horen groepjes van diverse genders en allerlei pluimage, hoogdravende gesprekken voeren over de tentoongestelde schilderijen. Onze vriend kunstenaar loopt ietwat verloren tussen de commentatoren, die hem aanklampen om de meest onbegrijpelijke vragen te stellen over zijn werken. Wij besluiten hem ter hulp te snellen en na kort overleg gaan we met zijn vijven in gesprek. Dicht bij elkaar, verhinderen wij dat anderen zich in onze discussie kunnen mengen. Al snel komen nieuwsgierigen luisteren naar wat wij te vertellen hebben. “Ik vind de diepgang onbetreurbaar, Jonas in jouw werken, met name die met het overheersende plestergeel.”“Het schilderij met de zoetwerkende figuraal bespatte tegelwand zou niet misstaan in een barokaal interieur.”“Dat heb je goed gezien, toen Linda en ik gisteren de nieuwe vleugel van de zoo bezochten waren er bij de mensapen soortgelijke patronen te bekennen.”“Weet je dat er lichtgevleugelden zijn die soms dezelfde patronen in hun vlucht beschrijven?”“Je meent het, Liam, toch vind ik dat het aanliggend pand nooit op die manier had mogen gerestaureerd worden.”“Van restauratie weet ik alles, de kunst bestaat erin het onderliggend waargevoelen te vatten en opnieuw te doen floraliëren.” De interesse rondom ons vijftal groeit gestadig. Velen spannen zich in om onze hoogstaande discussie te volgen en knikken instemmend naar elkaar. “Wat een geniale vondst om plurale grindlinten te mengen met uitwerpselen van muurzeikers.”“Mij roept het echo’s op uit het wawa-isme.”“In het Amazonewoud worden lianen ook groener door de lichtinval van sterrenformaties, die zich vooral ’s nachts manifesteren.”“Jonas, man, hoe haal je het als kunstenaar in je hoofd om scherven van Boccalistische theekopjes te verwerken. ““Over thee gesproken, er is in het nieuwe museum van moderne kunst een heel leuk drankenhuisje geopend.”“Ja, daar ben ik dan weer niet over te spreken, al die kroegen die er onlangs bijkwamen op de zeedijk.”“Is dat geen titel van de nieuwe vinylplaat van The Splinters: The seadike?”“Kijk, meisjes en jongens, laten wij nog eens klinken op het welvaren en de ondermaatse gemoedstoestand van onze succesvolle topartiest Jonas.” Onder de starende ogen van de omstaanders stuiven wij met zijn vijven naar de bar en zien hoe een suppoost tijdens ons betoog bij verschillende werken een rond geel stickertje heeft bevestigd dat staat voor ‘verkocht’.  

Vic de Bourg
44 2

IKEA-zetel

Vandaag ben ik keihard met de neus op de feiten gedrukt. Een sluimerend gevaar overschaduwt al jaren mijn leven en ik heb niets minder gedaan dan de oorzaak daarvan botweg genegeerd: mijn IKEA-zetel. Ik ben best een angsthaas. Als kind had ik een duivelse schrik van elke volwassene die in mijn buurt kwam en die niet naar de naam ‘mama’ of ‘papa’ luisterde. Ik was zelfs bang voor mijn eigen oma. Als puber was ik vaak doodsbenauwd om de verkeerde dingen te zeggen of te doen, dus werd ik het type muurbloem dat het liefst in het behang zou opgaan. Nu ik volwassen ben, beperken de angstaanvallen zich vooral tot slapeloze nachten waarin ik plots tot het besef kom dat de wereld om zeep is en dat we hopeloos verloren zijn. Of dat mijn relatie gedoemd is te mislukken omdat mijn wederhelft zonder overleg de laatste zak chips leeg at. Of dat ik ooit in mijn verwardheid een fietser van de weg zal maaien, een leven zal verwoesten en vervolgens zal wegkwijnen in de gevangenis. Of dat ik zelf die fietser zal zijn. Geen scenario dat ’s nachts niet de pretentie uitstraalt van in steen gebeitelde zekerheid. Maar ik ben gezond, ik leef niet in oorlogsgebied en ik kan mijn rekeningen betalen. Dus al bij al gaat het best goed met mij. Dacht ik. Een prachtig uitgegeven lifestyle magazine wist die waanballon te doorprikken. Ik moet wel degelijk bevreesd zijn voor iets: de banaliteit van mijn meubilair. In het blad bestempelden twee sympathieke mensen, met wie ik me wat graag zou vereenzelvigen, een kleinburgerlijk interieur als hun grote angst. Zo stond het er, zwart op wit. De nieuwe IKEA-zetel, tegen wil en dank aangeschaft bij gebrek aan alternatief – maar weinig designstoelen zitten echt fantastisch – , bezorgde hun een gigantisch onzekerheidsgevoel: was hij niet té banaal? Ik dacht even dat ik een satirisch stukje aan het lezen was, een parodie op een parodie. Maar nee. De fotoreportage toonde echte mensen, die het doodserieus meenden. Ik vond het statement van dit koppel wel dapper: wat als de goegemeente van authentieke, bewust in het leven staande millennials via deze openbaring de IKEA-zetel op het spoor komt? Wat zullen ze wel niet zeggen? Wat zullen ze wel niet dénken? De weerslag kwam pas een paar tellen later: ik heb zélf een IKEA-zetel. Ik, met mijn vegetarisch dieet en mijn voorliefde voor David Bowie. Ik, met mijn lidkaart van Amnesty International en mijn unieke verzameling vertalingen van The Hobbit. Een IKEA-zetel. Hij zit lekker en staat zo mooi in mijn interieur, maar was dat, nu ik er zo over nadacht, werkelijk een excuus om er niet gillend van weg te lopen? Had ik al die jaren niet in ontkenning geleefd, ondanks mijn verder perfecte parcours? Ik moest uiteindelijk de waarheid onder ogen zien. Ik sla mea culpa. Ja, ik ben banaal en kleinburgerlijk. Ja, ik ben bekrompen en kleingeestig. Ik stel voor dat ik nu even van schaamte onder mijn IKEA-zetel kruip en daarna heel erg aan mezelf ga werken. Shortlist columnwedstrijd 2021 van boekenblog This Is How We Read.Eerder hier verschenen.

Mart
16 1

Geloof en heelal

De trein snijdt door de donkere ochtend en de gutsende regen. Achter deze wagons liggen de minuten van een monotoon treinritverleden. Wat vroeger was, hoe vers het ook is, verdwijnt aan een snel tempo uit het gezichtsveld. Het zijn minuten waarvan Steven gelooft dat ze het collectieve geheugen van het universum bepalen. Zijn onuitgesproken theorie stelt dat elke seconde aan menselijke herinnering de grenzen van het heelal verder duwt. Het is een eeuwigdurende expansie van onvervuld verlangen, een opeenhoping van ‘wat als’-vragen, een kolkende massa van immens verdriet en uitzinnige vreugde. Het heelal vormt het vacuüm dat het menselijk bestaan bevat, waarin elke emotie, elke herinnering de verdere leegte vult. Het is een idee dat Steven nog niet uitsprak, en al zeker niet bij zijn vakgroep radioastronomie. Het zou steevast ontvangen worden als één van Steven z’n gekke gedachten, een theorie die hem nog meer als zonderling apart zou zetten. Ondertussen slaat de regen onverminderd tegen het raam van de trein. Hij volgt met zijn ogen de stroompjes die zich op het venster aan het vormen zijn. Ze glijden en zwellen samen aan tot een rivier. Hij laat zijn vinger over het koude glas glijden en volgt de stroom. Net zoals het verleden in een zwart gat verzwolgen wordt tot materie dat het universum bouwt, zo ontvouwt zich uit dezelfde duisternis een toekomst. Een dag. Een andere theorie die hij angstvallig voor zich houdt, is zijn idee dat elke mens uniek is en daarom elke mens een volmaakt eindpunt van de evolutie vormt. Elke mens heeft een evolutionair kenmerk dat anderen niet dragen. De éne blinkt uit in het perfecte kopje koffie zetten, de ander in de kortste rij aan de kassa uitkiezen. Sommige mensen hebben de meesterlijke graad van tiran bereikt. En enkelingen lijken al helemaal geen ego te hebben. Volgens Steven zou het veel meer rust rondom zich brengen mocht iedereen berusten in zijn of haar talent, zodat mensen niet blijven hollen en in volle vaart denkbeeldige windmolens najagen. Dit was misschien wel de essentie wat geloof voor hem betekende: deze kleine theorietjes die de dagen dragelijk maakten. Als zoiets als Geloof gedoogd werd, waarom zou hij zich dan niet kunnen troosten met deze lichtzinnige gedachten? Neem nu Johanna. In de jaren waarin ze nu al samen hun leven delen, zijn de kaarsjes die ze brandt nog steeds een aanfluiting van de rationaliteit. Geen enkele kaars zal het lot veranderen. Als wetenschapper kan hij niet begrijpen dat zijn vrouw, doctor in de biochemie, net dat soort geloof zo belangrijk vond. Voor het examen van hun zoon, voor de zieke kat van de buurvrouw, voor de vele slachtoffers van de pandemie. 'Iedereen heeft licht nodig', zegt ze dan terwijl ze nog een theelichtje uit het zakje neemt. Ook bij elke kerk die ze zag, had ze de plotse drang om binnen te lopen en een kaarsje te branden. Hij kon enkel zuchten en hopen dat ze het niet hoorden in de kerken waar de akoestiek zijn verveling zou verraden. Ergens voelde hij een fascinatie voor de uiterlijke schijnvertoning van geloof, maar een soort fascinatie die eerder aanleunt bij walging. Steven vond het getuigen van grote naïviteit en op die momenten lag er een onoverbrugbare kloof tussen hem en Johanna. Geen enkel hoger wezen, was het nu Allah of Ganesha kon menselijk leed verhinderen. Één op de negen vrouwen krijgt borstkanker, één op de tien mannen krijgt prostaatkanker. En één op drie zwangerschappen eindigt in een miskraam. Volgens Johanna was dat laatste een straf van God. Voor hem was het een vaststaand statistisch feit. Steven stelde immers zijn vertrouwen in statistieken en analyses van databases. Die gegevens kunnen de orde van het heelal verklaren. Voor hem bewees het net dat er geen Jezus bestaat, en dat alles kan uitgelegd worden door kennis en onderzoek. Wat we niet weten ligt nog klaar om ontdekt te worden. Fris nieuw onderzoeksdomein waarin hij als wetenschapper naar hartenlust kon wroeten al was hij een zwijn op zoek naar de lekkerste truffel. Het enige licht dat hij aanbad was het blauwe schijnsel van zijn computerscherm waar talloze spreadsheets zijn aandacht opeisten. Dat, en zijn kleine hypotheses die hij met niemand deelde, vormden de basis van zijn geloof. ‘Volgende halte: Leuven’. De stem van de treinbegeleider snijdt bruusk doorheen zijn gedachtenstroom. Het wordt een regendag, en met tegenzin trekt hij zijn regenjas aan. Steven glimlacht kort wanneer hij denkt dat deze regendag-gedachten de grenzen van het heelal alweer wat doen uitbreiden.  

Jolien Van de Velde
57 0

De vallei van de mist. Een hedendaags Japans sprookje

Hoofdstuk 1 Sunday, Monday , Tuesday, Wednesday , Thursday , Friday , Saturday. These are the days of the week, zing ik. Het is een Engels liedje dat ik in de kindergarten heb geleerd. Ik zing het altijd voor ik opsta. Ik ga later over de wereld reizen. Dan kan ik maar beter zo vroeg mogelijk beginnen met Engelse woordjes oefenen. Zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, za-ter-dag. Dat zijn de dagen van de week. Ik ga verre landen bezoeken, interessante mensen ontmoeten. Daarvoor heb ik Engels nodig en geld. Ik heb een spaarvarken waar ik de muntjes indoe die ik van mama en papa krijg als ik goede cijfers haal. Mijn eerste varken is bijna vol. Ik moet niet vergeten voor mijn verjaardag een nieuw spaarvarken te vragen. En geld! Als ik klaar ben met school heb ik hopelijk genoeg varkens bij elkaar gespaard voor mijn reis. Ik kijk op mijn mobiel. Het is nog vroeg. Ik kan nog even blijven liggen. Ik heb mijn rugzak gisteravond al ingepakt. Hij puilt uit als de buik van een hond die elk moment kan bevallen. Alle meisjes op school hebben een rode rugzak. De jongens een zwarte. We hebben de rugzak in bruikleen. Dus ik zorg goed voor hem. Eigenlijk had ik liever een zwarte gehad. Ik hou meer van zwart dan van rood. Op de eerste schooldag zei de meester dat ik best een zwarte rugzak mocht kiezen. Maar ik ben een meisje. Ik wil niet uit de toon vallen. Dus ik nam de rode. Ik win altijd met handje drukken van de jongens in de klas. Dan maakt het niet uit welke kleur je rugzak is. Ik ben een stoer meisje dat van zwart houdt, met een rode rugzak. Door de kier van het gordijn gluurt de zon naar binnen. Hij is altijd als tweede wakker. Eerst wordt oma wakker. Dan de zon. Dan mijn ouders. Ik sta als laatste op. Als ik voor de derde keer de dagen van de week wil neuriën gaat de wekker van mijn mobiel af. Als een soldaat die zijn uniform wil aantrekken, schiet ik uit bed. Maar tot mijn verbijstering zie ik dat mijn stoel leeg is. Mama legt elke avond mijn uniform klaar. Als ik opsta, kan ik hem dan gelijk aan. Mijn uniform is netjes gestreken en ruikt naar een wei vol viooltjes. Maar nu ligt hij er niet. Ik kijk naar de lege stoel alsof mijn uniform is ontsnapt. In paniek loop ik naar de slaapkamer van mijn ouders. Ze slapen. Nu raak ik nog meer in paniek. Wat is er aan de hand? Ik durf ze niet wakker te maken. Mama heeft een lach op haar gezicht. Papa snurkt als een stoomtrein. Snel ren ik naar beneden. De keuken in. Daar is oma bezig met aardappelen schillen. ‘Oma redt me!’ Oma kijkt me verbaasd aan.  ‘Heb je een geest gezien?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Waarom slapen papa en mama nog?’ Ze kijkt naar de grote klok die als een boos oog boven de ijskast hangt. ‘Goh, is het al zo laat!’ Ik kijk op de kalender naast de ijskast. Maandag 23 november staat rood aangegeven. Normaal hou ik meer van zwart, maar niet voor de dagen van de week. Een rode dag betekent namelijk dat we vrij zijn. Nu snap ik waarom papa en mama nog slapen. ‘Vandaag is door de kalender uitgeroepen tot Dag van de arbeid,’ lees ik hardop. ‘Goh!’ zegt oma. Ze kijkt nooit naar de kalender. In haar leven zijn alle dagen eender.  ‘We zijn vrij. Geweldig toch, oma?’ Oma stopt ineens met schillen. ‘Welke dag is het vandaag, zei je?’ ‘23 november.’ Haar ogen lichten op. ‘Vandaag is mijn broer jarig!’   Hoofdstuk 2 Ik wist niet dat oma een broer had. Ze kijkt geschrokken. Alsof ze iets is vergeten. Zoals het gas uitzetten. De laatste tijd vergeet oma wel vaker dingen. Maar niet dat haar broer jarig is. Dat wist ik zelfs niet. ‘Waar woont je broer?’ ‘In de vallei van de mist.’ Dat klinkt heel ver en mysterieus. Geen wonder dat ik haar broer nog nooit gezien heb. ‘Je moet hem deze enveloppe brengen.’ Ze vist een enveloppe uit haar schortzak. ‘Die ben ik vergeten te posten.’ ‘Een verjaardagsbrief?’ Ze knikt. Ik ben vrij, dus ik kan die enveloppe wel even brengen. Ik ben reuze benieuwd naar die broer van haar. ‘Hoe kom ik in de vallei van de mist?’ ‘Er gaat een trein naar de vallei. Ik breng je naar het station.’ Ze kijkt naar de klok. ‘We moeten nu gaan.’ ‘Nu! Maar ik heb nog niet ontbeten.’ Mijn maag knort. Hij heeft nog geen zin om te vertrekken. Oma schudt haar hoofd. 'Daar is geen tijd voor!' Ze wijst dat ik naar mijn kamer moet om me om te kleden. 'Anders ben je te laat,' Er gaat maar een trein naar de vallei van de mist. Hij vertrekt over een half uur.’ Dat klinkt reuze spannend. Ik ren snel naar boven om me aan te kleden. Ik trek mijn lievelingsjeans aan en mijn lieveling t-shirt. Op het shirt staat een doodskop. Een doodskop die lacht.  Hoofdstuk 3  Bij het station koopt oma een kaartje. ‘De vallei van de mist is de laatste halte. Als je aankomt, vraag je bij de man van het station naar mijn broer. Hij zal je de weg welwijzen.’ Ik wil oma nog zoveel dingen vragen. Hoe laat gaat de trein terug? Hoe heet haar broer? Hoe oud is haar broer? Woont hij alleen. Is hij aardig? Maar de conducteur blaast op zijn fluitje. Oma duwt me de trein in en stopt me snel wat eten toe. Ik kan oma nog net op tijd een kus geven op haar wang. Zoals papa zijn hanko in het rode kussentje drukt voordat hij mijn rapport afstempelt. ‘Snel, je moet gaan!’ ‘De trein gaat vertrekken! Alle reizigers instappen.’ Ik kijk links en rechts op het perron. Ik ben de enige reiziger. Het is de dag van de Arbeid. Mensen liggen nog te slapen.  Als ik zit, klappen de deuren dicht. De trein zet zich in beweging. Ik wuif naar oma. Als ze niet meer is dan een klein stipje is, stop ik met zwaaien. De trein rijdt langs groentevelden. Ik zie blauwe handschoenen op stokken die de vogels moeten weghouden van de groenten. Het lijkt wel alsof de handschoenen naar me zwaaien. Ik zwaai terug.  De trein rijdt langs rijstvelden. De planten zijn onder water. De velden lijken op zwembaden. Ik wuif naar de velden. We rijden door donkere, kronkelende tunnels die als aders door de bergen lopen. Als we de berg uitbreiden toetert de conducteur. De landschappen wisselen elkaar af. Ik dompel in. Als ik wakker word, zie ik dat de trein stilstaat. ‘De vallei van de mist!’ roept de conducteur af. ‘Dit is het eindstation.’ We zijn er! Ik stap uit. Tot mijn verbazing zie ik dat hierna geen spoor meer is. Alsof een kind een treinbaan aan het bouwen was, maar er ineens achterkwam dat hij niet voldoende stukken had om verder te bouwen. De trein kan niet verder.  Hij zal straks dezelfde weg terugrijden. Ik stap uit.  Ik voel in mijn jaszak naar mijn kaartje. Niemand is mijn kaartje komen knippen, realiseer ik.  Het perron is helemaal verlaten. Een eekhoorn springt voor mijn voeten het perron over. Plots houdt hij halte. Hij draait zijn kopje en staart me met glazige ogen aan alsof hij denkt:  ‘He, een mens? Wat doet die hier? Terwijl het  Van op veilige afstand wacht hij af wat ik ga doen. Ik buk en voel in mijn jaszak. Daar zitten de koekjes die oma me heeft toegestopt. Ik doe mijn handpalm open. De eekhoorn hopt naar me toe. Hij snuffelt aan mijn vingers. Dan pakt  hij een amandel in zijn handjes en knabbelt er aan. ‘Een tamme eekhoorn!’ denk ik verbaasd. Ik hem nog nooit een tamme eekhoorn gezien. Ik heb nog nooit een beest met zijn handen zien eten. Net als een mens! Als de eekhoorn klaar is met eten, hopt hij vrolijk verder. Ik loop door naar de gate. Er is maar een gate. Op een druk station zou dat een vreselijke opstopping veroorzaken. Maar hier  niet. De trein die aankomt is dezelfde trein die later vertrekt. Mensen komen en vertrekken nooit tegelijk. Ik gooi mijn kaartje in de gleuf. De gleuf slikt mijn kaartje in. Dat is schrikken. Oma heeft een enkeltje gekocht. Tot mijn schrik besef ik ineens dat ik geen geld heb meegenomen. Hoe koop ik nu een retourtje? Hoe kom ik ooit weer thuis? Ik voel in mijn jaszak. Daar ligt de enveloppe voor oma’s broer. Die helpt me vast. Ik voel in mijn jaszak waar mijn mobiel altijd zit. Daar voel ik alleen de brief. Ook dat nog! Ik heb mijn mobiel thuis laten liggen. (wordt vervolgd)

Margaretha Juta
16 0