Lezen

Uit het leven gegrepen

'U hebt vijf minuten, echt niet langer.' De norse verpleegster in haar witte schort en sneakers beent de kamer uit en laat ons alleen. Ik staar naar de man in het hoge ziekenhuisbed. Alles is hier wit en schoon, alsof er geen zonde is, geen pijn, geen verdriet. Wat is hij mager geworden. Het doet me ongelooflijk veel pijn hem zo te zien. Er ligt een vage glimlach om zijn mond, die ik me nog zo goed herinner van vroeger. Soms opent hij even zijn ogen, om ze dan snel weer dicht te doen. Het is die lach, die geheimzinnige blik in zijn ogen – de lip een beetje opgetrokken, de wenkbrauwen iets de lucht in – die hem nog steeds zo aantrekkelijk maakt. Maar niet meer zo als vroeger. Er steken gele, verbrokkelde tanden uit zijn mond. Zijn gebruinde huid lijkt wel leer, het hangt in rimpels op zijn sterk verouderde gezicht. Hij is pas vijftig jaar oud, maar heeft zichzelf compleet verwaarloosd. Hij opent weer zijn ogen en kijkt me aan. Heel even maar. De mond vertrekt tot een rechte streep. Zijn handen met de onverzorgde nagels ballen zich op het witte laken tot vuisten. Er trekt een rimpel in zijn voorhoofd. Is het verkeerd geweest om hier te komen? Had ik er beter aan gedaan om het verleden te laten rusten? Ik was achttien, hij drieëntwintig. Veel te jong, volgens mijn ouders. Oud genoeg om mijn eigen beslissingen te nemen, volgens mij. Hij trakteerde me op een ijsje, bij het buffet in het zwembad waar we elkaar voor het eerst ontmoetten. Het was liefde op het eerste gezicht. Halsoverkop zijn we verloofd. De bruiloft was bescheiden, onze eerste woning veel te klein. We hadden geen geld, maar we waren gelukkig. We dansten door het leven, jong, onbezonnen. Een baantje hier, een klusje daar. En toen de verhuurder ons de huur opzegde, volgde de wereldreis in onze oude camper. De handen op het laken ontspannen zich weer. De grote blauwe ogen staren me even aan. Er drupt een traan op het beddengoed. Hij wilde kinderen, veel kinderen, een schoolklas vol als het even zou kunnen. We lachten er samen om. Ik had nog niet nagedacht over kinderen krijgen, maar vond het wel best. Samen met hem kon ik de hele wereld aan! We stonden met de camper in Frankrijk toen ik voor het eerst wist dat ik zwanger was. Wat waren we gelukkig! We praatten over de toekomst, iets wat we tot dan toe bijna nooit deden. We leefden bij de dag. We zochten een dokter op die ook wat anders sprak dan Frans. Met een eerste foto van de kleine hummel op zak – waar we eigenlijk niks op zagen – reisden we door naar Italië. Daar vonden we beiden een baantje als schoonmakers in een groot warenhuis. Mijn buik groeide langzaam, ik voelde me geweldig. Toen gebeurde het. 'S nachts werd ik wakker met vreselijke buikkramp. Van ons weinige geld liet hij een taxi komen die ons naar het ziekenhuis bracht. En daar werd ons eerste jongetje geboren om even later te sterven. Veel te klein en veel te vroeg. Hij wilde er niet over praten. Zo snel mogelijk moest er een nieuw kind komen om de eerste te vergeten. Maar steeds ging het mis. Meestal na drie maanden, één keer pas na zes en een halve maand. We gingen terug naar Nederland. Mijn ouders vroegen of er nog geen kinderen kwamen en we maakten flauwe grapjes dat we geen tijd hadden. Hij had geen contact met z'n ouders, al lang niet meer. Ik voelde me kapot. Mijn lijf was doodmoe van alle zwangerschappen, mijn hart lag in rafels. Hij zei niets, wilde er niet over praten. Tot de dag dat we 12 jaar getrouwd waren. Voor mij volkomen onverwacht deelde hij me mee dat hij weg ging. Hij kon niet langer leven met een vrouw die geen kind levend op de wereld kon zetten. Vijftien jaar geleden. Het leven ging verder, maar vergeten ben ik hem nooit. Gisteren werd ik gebeld dat hij in het ziekenhuis lag te sterven. Helemaal alleen. Vijftig jaar oud en helemaal kapot. Drugs en drank. Ze konden geen ander adres vinden, dan dat van mij, zijn ex-vrouw. Midden op de straat was hij in elkaar gezakt en meegenomen door een ambulance. Of ik misschien even langs kon komen? Of ik afscheid wilde nemen, of ik wist of hij verder nog familie had? Of kinderen misschien? De verpleegster steekt haar hoofd om de hoek van de deur. 'Nog één minuut,' commandeert ze en beent weer weg. Hij opent zijn ogen en probeert te spreken. Zijn lippen vormen woorden, maar er komt geen geluid uit zijn mond. Er rolt nog een traan over zijn bruingebrande wang. Ik veeg hem weg met mijn pink. We hebben nooit echt gepraat en nu kan het niet meer, nooit meer. 'Het ga je goed,' fluister ik met een verstikte stem, 'ik vergeef je'. De vijf minuten zijn voorbij, ik ga de kamer uit. De ongeduldige zuster brengt me naar een kantoor. Andere witte mensen stellen me vragen over hem die ik niet kan beantwoorden. Voor deze vijf minuten hebben we vijftien jaar lang geen contact gehad. Dan stap ik weer naar buiten in een wereld vol kleur. Ik zuig mijn longen vol met zuurstof en loop naar de overkant van het ziekenhuis. De zon schijnt, de vogels fluiten. Er groeien madeliefjes en paardenbloemen in het gras van het parkje. Ik slik mijn verdriet weg en alle herinneringen. En als ik haar lieve stem hoor, lach ik, alsof er niets is gebeurd. “Hoi mama! Was het leuk? Papa zei dat ik een ijsje krijg als je er weer bent! Wil jij er ook één?”

Janneke71
0 0

Alles komt altijd goed

Be careful what you wish for. Nochtans ben ik niet het type persoon dat zulke clichés apprecieert. Ik sla de bladzijde van de krant om. Mijn man, daarentegen, houdt wel van bijzondere woordspelingen. Het liefst op van die lelijke, blauwe tegeltjes. Daar zullen de zeven extra lentes voor iets tussen zitten.     ‘Nog koffie, schat?’ onderbreekt Paul mijn gedachten. Ik schuif mijn kop richting de koffiekan. Ik kan de subtiele trilling waarmee hij de tassen nog eens volgiet niet negeren.       ‘Dankjewel, lieverd,’ zeg ik. ‘De koffie smaakt heerlijk.’ Als je ons op dit moment zou zien zitten – de beverige handen van mijn man en de niet afgewerkte keuken buiten beschouwing gelaten – zou je denken dat we het perfecte koppel zijn. Schijn bedriegt. Nog eentje voor op een tegel. De laatste weken lijkt er geen einde te komen aan ons gekibbel. Over geld voornamelijk. Daar brengen de vijf minuten van gisterenavond ongetwijfeld verandering in.   We staan op het punt om samen te vertrekken. Een onmogelijke karwij. Zo eentje waarvan je op voorhand weet dat het een verloren zaak is. Ik heb me wel eens afgevraagd of dat genetisch bepaald is, te laat komen. Hoewel ik daar vroeger – voordat ik Paul leerde kennen – geen last van had. Besmettelijk dus.       ‘Weet je waar mijn autosleutels zijn?’ roept hij. Mijn zucht vormt een rookwolk. Ik antwoord al lang niet meer. Ik trek mijn capuchon wat strakker en loop naar de wagen. Je voelt je lekkerder in een Peugeot. De anders zo grappige sticker op de achterruit zorgt nu voor een wrange smaak in mijn mond. Ik trek aan de deurklink van de passagierskant in de hoop dat de verlossende tsjoeptsjoep van de sleutel met afstandsbediening het portier opent, maar bij zo’n oude Peugeot 205 is dat ijdele hoop.       ‘Nog even de post uithalen.’ Een tweede zucht spreidt een rookpluim de ijskoude lucht in. Geen vredesgebaar. Paul opent de witte autodeuren in stilte. Stilte is niet zijn moedertaal. Hij laat de motor ronken en vertrekt. De banden gieren. Duidelijk niet genoeg lawaai, want hij steekt van wal.       ‘Jozefien, hoe gaan we dit in Godsnaam betaald krijgen?’ Er belandt een stapeltje op mijn schoot. Bij het zien van de enveloppes met venster breekt het zweet me uit. Alsof ze je met dat gevoel van doorzichtigheid willen waarschuwen voor wat komen gaat.       ‘Al die facturen!’ tiert Paul.       ‘Kunnen we het daar later over hebben?’ bedaar ik hem. ‘Ik bereid me liever voor op onze belangrijke afspraak vanavond.’       ‘Jo!’ Zo noemt hij me alleen als het menens is.       ‘Hoe kun je daar zelfs nog aan denken? We krijgen de facturen van ons huis niet eens betaald. Laat staan dat we…’ Hij staakt het vuren. De tranen staan in mijn ogen. Als er iets is waar mijn man niet tegen kan, zijn het tranen. Om het met een tegeltje te zeggen. In een huwelijk mag men kijven, maar de liefde moet blijven.       ‘Jo,’ zegt hij iets zachter. ‘We zullen het er toch een keer over moeten hebben.’ Ik zwijg. Paul zet de radio op. ‘Don’t stop believing,’ schalt door de boxen. Zonder aarzelen, zap ik. Ik geloof al lang niet meer. Mijn geloof is meermaals op de proef gesteld. De eerste keer zo’n 30 jaar geleden. Toen ik erachter kwam dat Sinterklaas niet echt bestond. De laatste keer, toen we na drie jaar oefenen – zo noemen ze dat dan – de diagnose kregen dat we geen kinderen zouden kunnen krijgen. Op een avond schotelde ik Paul adoptie voor. Het moet tussen het voor- en hoofdgerecht geweest zijn. Hij was zo lief geweest om een verrassingsetentje te bereiden. Om mijn zinnen te verzetten. Ik denk dat ik op dat eigenste moment zijn zin verzette. Maar, hij had ingestemd en dus rijden we nu naar het adoptiebureau. Ik werp een steelse blik op Paul langs mij. Het is intussen donker, maar de straatverlichting toont met regelmatige flikkering zijn strakke gelaat.       ‘Paul, ik begrijp… een kind adopteren is niet niks. De stapels rekeningen maken het er niet gemakkelijker op. Maar dit is wat ik wil. Wat wij graag willen,’ vul ik aan. Dit keer is het zijn beurt om te zwijgen.       ‘Als we nou een keer de Lotto zouden winnen, dan…’       ‘Daarvoor moet je natuurlijk eerst meespelen,’ forceert hij een glimlachje. Op dat moment schokt de auto. We vliegen een meter de lucht in. Zo voelt het althans. De auto tolt naar de zijkant van de weg.       ‘Wat was dat?’ breng ik verschrikt uit.       ‘Owee, als dat een wild dier is. Mijn oldtimer!’ jammert Paul. Hij stapt uit en ik verwacht me aan een tirade. In plaats daarvan blijft het oorverdovend stil. Tot plots een angstig gesis.       ‘Jozefien, kom snel, het is een fietser.’ Mijn hart staat even stil. Zo’n moment waarop je lichaam twijfelt of het moet verstijven of vluchten. Ik schiet in actie en stap de auto uit. Paul zit geknield langs het bewegingsloze lichaam.       ‘Oh, God, is hij… wat moeten we doen?’ stamel ik. Voor deze benarde situatie bestaat ongetwijfeld een gepast tegeltje, maar ik kom er nu niet op. Mijn gedachten schieten alle kanten op.       ‘Bel de ambulance,’ sist hij weer. Ik besef dat ik in al mijn haast mijn handtas vergeten ben. Mijn oog valt op de fiets met fietstas. Ik loop ernaar toe in de hoop dat ik een gsm zal vinden.       ‘Paul,’ fluister ik. ‘Kom eens. Je gelooft je ogen niet.’       ‘Bel die ambulance nu, Jo,’ kaatst hij terug. ‘Hij ziet er echt niet goed uit.       ‘Paul, hier komen, nu!’ zeg ik fel. Hij maakt zich los van het lichaam.       ‘Wat heb je daar?’ stokt zijn adem. ‘Dit is… snel… pak die tas… de auto in!’ Zonder aarzelen, doe ik wat hij zegt en we vervolgen onze weg.   Ik slurp van de koffie en vouw de krant dicht. Op de voorpagina lees ik de vetgedrukte kop opnieuw: Dader plofkraak dood teruggevonden. Van buit ontbreekt elk spoor. Ik knipper met mijn ogen en kijk richting Paul. Sometimes they come true.

Dorien Van Den Broek
5 0

Tien uur op Goede Vrijdag

Ik ga al opruimen, dan is dat al achter de rug. Dat is wat ik dacht vóór die vijf minuten in april vier jaar geleden. Om tien uur zou ik hem bellen. Het kon niet eerder, dat zei hij afgelopen maandag. "Niet voor 10u want dan kan niemand mij bereiken." Natuurlijk was ik veel eerder wakker. Al vond ik het een prettig idee om niet vroeg te moéten opstaan. Het leven voelde stilaan goed zonder dat euvel dat mijn lichaam vertraagde. Zelfs de ogenschijnlijke uitzichtloosheid van het repetitieve van mijn dagen door de financiële beperking van mijn bestaan leek te veranderen. Het was gewoon brute pech! Ik woonde hier op dat moment een jaar. Eindelijk kwam er verlichting. Die berg waardoor ik me – liefst in dit leven nog – een weg diende te kappen, leek een heuvel geworden. Niet alles kwam op zijn pootjes terecht, doch had het één en ander dat me in de weg stond pootjes gekregen en was ervandoor. Misschien dat ik dit jaar nog eens naar mijn andere thuis kan, een weekje zou al mooi zijn. Dat dacht ik, een hele tijd voor die vijf minuten van die bewuste Goede Vrijdag. Eén weekje en met wat geluk kan ik dit jaar nog een kamer in dit appartement onder handen nemen. De badkamer of de keuken, die zijn er het ergst aan toe. Het had lang genoeg geduurd; de aankoop, de opdeling in aparte eigendommen, de opzeg van het bestaand huurcontract, die tot in het gerechtshof van een of andere aanleg moest vastgelegd worden. En dan het opruimen van alles wat de huurders hadden achtergelaten, waaronder een gat van twee maanden huur en een al te smerig riekende vuilniszak, verstopt in een keukenkast. Om maar niet te spreken over … Maar dat is nu voorbij. Nu kan ik weer vooruit kijken. Gewoon nog even dat telefoontje en ik kan er tegenaan. De rommel van de vorige dag, die om halfacht nog zichtbaar was in de keuken, had ik tegen halfnegen weggewerkt.  Mijn gemoed verzachtte bij deze huiselijke daad. Zo dikwijls zag ik dat in mijn ouderlijk huis. Moeder die voor dag en dauw de afwas deed en man en kroost voorzag van gevulde boterhammendozen. Daarna pas zorgde ze voor haar eigen dag of was het tussendoor?   Die eerste dagen na de bevrijding van het euvel gebeurde stofzuigen nog voorzichtig en de vloer opnemen met water en een fris ruikend doch ecologisch beloofd sopje in een traag tempo. Waarom zou ik me overigens haasten? Het was nog steeds geen tien uur. Facebook checken? Mijn mails doornemen? Nog een koffie nemen? Alles lag intussen klaar, een blocnote voor notities met een schrijvende pen erbovenop en daarnaast de telefoon. Na het opruimen van de vorige dag en tien uur overspoelden de gedachten mij alsof ik een spons was van de werkloosheid bevrijd om ramen te gaan wassen. Mijn hoofd droop! Dan had ik nog niets voorbereid voor het Paasweekend met anderhalve dag samen met familie in een bungalowpark om met de bengels de dieren van de kinderboerderij wakker te maken en op zondagochtend paaseitjes te rapen. Daarna zou ik het weekend afsluiten met een bezoek aan mijn vader. Dan kon ik hem ineens het nieuws van tien uur vertellen. Tien uur. Eindelijk! Ik belde het nummer dat me meegegeven werd en vroeg om me door te verbinden. Het muziekje klonk eerst prettig, tot ik het tien keer gehoord had. Of was het al na drie keer? Toen ging de telefoon over. Ik was doorverbonden. Hij vroeg me eerst nog hoe ik me voelde na vorige maandag. “Best goed,” antwoordde ik. Gebrand op het nieuws waarop ik wachtte, verbaasde het me niet dat mijn stem een beetje oversloeg. Dat zou algauw wegebben na dit telefoongesprek. “Mevrouw," zei hij, "Ik zie hier op het scherm uw laboresultaten. Gaat u aub vijf minuten zitten, ik vrees dat ik niet zo goed nieuws heb…”

Anemos
0 0

borsthaar en hotpants

‘Zeg het dan, als je durft!’   Ik richtte mij iets op en zag de schreeuwende de man met te veel open knopen, met te veel krullend borsthaar en met te veel kettinkjes om zijn nek. Hij had in zijn ene hand een literfles Kronenbourg en in zijn andere hand een halfvol bierglas. Vier tafels, twee met gezinnen, een met een bleek stelletje met baby en een met bejaarden, hinderden mijn blik. Ik wurmde heen en weer om het spektakel te zien.   ‘Maar trek niet dat heilige smoeltje,’ vervolgde hij. De aangesproken vrouw schokschouderde en bestudeerde haar glas pastis.   Mijn vriendin keek in een flits geërgerd om en zei: ‘Laten we weggaan, geschreeuw van proleten kan ik niet aanhoren.’ Ze schoof weg achter een parasol. ‘Wil ik niet aanhoren op mijn vakantie. Ik reken af en ga daarna naar het toilet.’ Ze hield haar hand vlak voor mijn neus. ‘Ik zie je zo aan de uitgang van het café naar het strand.’    Ik deponeerde voldoende franken in haar hand en ze trippelde vlug weg op haar sandalen met kurken plateauzolen.   Het bruin-oranje hoedje op het hoofd van toegeschreeuwde vrouw bewoog heftig, helaas klonk haar stem zacht. Door de luidspreker bij de deur zongen de Poppys zo boos dat er niets veranderde, dat ik haar niet kon verstaan. Wel was wat de vrouw zei, uit de reactie van de borsthaarman op te maken.   ‘. . .’ zei ze vermoedelijk.   Hij antwoordde: ‘Ik weet dat iedereen ons hoort, ik ben niet gek, maar niemand kan ons verstaan.’    Deze uitspraak bevatte vier delen, waarvan één deel (hij was niet gek) niet te verifiëren was, daar had ik te weinig data voor, twee delen wel te verifiëren waren en correct (iedereen hoorde zijn geschreeuw, én dat hij het wist). Het laatste deel was niet waar, het terras was nog geen honderd meter van onze camping met voornamelijk Belgen en Nederlanders, en de Middellandse zee klotste bijna tegen zijn voeten. In het lauwe water dreven op dat moment meer Nederlandssprekenden dan zeemeeuwen. Minimaal driekwart van de gasten op het terras volgden geïntereseerd de woorden van het gesprek en de overigen konden uit zijn toon en gebaren opmaken wat hij bedoelde.   Mijn vriendin wiebelde door het zand naar het toilet aan de zijkant van het barretje, straks gingen we teenslippers kopen. Ze had nog nooit gekampeerd en ik gaf haar een spoedcursus. Haar weglopen zag er, door mijn achttienjarige ogen, goddelijk uit. Ze verdween snel door het deurtje en ik probeerde weer over de hoofden heen het ruziënde stel te observeren.    ‘. . .’ zag ik de vrouw met het hoedje zeggen.   ‘Precies, van die bleke nozem met zijn gekleurde plastic balletjes die vanmorgen meedeed bij je Jeu de boules toernooi.’   ‘. . .’   Hij vulde zijn glas, gebaarde met de fles in de richting de camping en zei: ‘Ja, heel goed geconcludeerd, in die grote caravan bij het muurtje. Terwijl die sukkel bij jou op het grind met zijn handen aan zijn balletjes zat, zat zij aan de mijne.’ Hij nam een slok. ‘Die caravan heeft prima vering.’   ‘. . .’   ‘Nee, ik schaam me niet. Je vertelde de afgelopen week duidelijk maar liefst zeven keer: “tussen ons is het over” en elf keer: “thuis splitsen onze wegen,” ik heb het geteld.’ Hij keek suprieur naar zijn vrouw. ‘Maar wat blijkt vandaag? Ik ben een gezonde, productieve jongen: aan mij ligt het niet.’   ‘. . .’   ‘Als je het echt wilt weten, dat kittige dingetje met die rode haren. Die vanmorgen op naaldhakjes naar de douche liep.’   ‘. . .’   ‘Dat was niet zijn oudere zus, ze reist met hem mee omdat hij alles voor haar betaalt. Net zoals ik alles voor jou betaal.’   ‘. . .’   ‘Wat nou zielig? Hij hoopt deze week ontmaagd te worden. En als dat lukt, is het een bofkont. Zij straalt drie klassen hoger in stijl en performance.’   ‘. . .’   ‘Niets mis met een beetje ordinair. Als jij die hotpants met een tijgerprintje zou dragen, hoef ik niet om mij heen te kijken.’ Hij zette het glas met een tevreden klap op tafel.   Ze stond op, pakte zijn glas en gooide de rest van het bier in zijn gezicht.Anderhalf uur nadat ik de spullen van mijn - inmiddels ex - vriendin én het beddengoed uit de caravan van mijn ouders had verspreid onder de pijnbomen van camping Le Dramont, reed ik in mijn tweedehands Opel Rekord op de Route du soleil in noordelijke richting. Hoe zij thuis is gekomen? Geen idee.   Ontmaagd werd ik die avond ter hoogte van Dijon in de eerder genoemde caravan door een, in mijn jonge ogen wat oudere, dame die een lift nodig had en een week daarvoor besloten had dat het over was tussen haar en haar man met te veel krullend borsthaar.  Ik denk hier na achtenveertig jaar met een goed gevoel aan terug. En weet u waarom ik hier, bijna een halve eeuw later, aan denk?   Mijn kleinzoon belde dat hij bij Saint Raphaël gaat kamperen, voor het eerst met zijn vriendinnetje. Of ik nog tips weet over de omgeving.

MCH
22 1

DE OUDE DICHTER

Naar aanleiding van het verschijnen van zijn gebundelde dagboeken komt de oude, misschien wel, grootste nog levende dichter van ons land langs voor een voorstelling in onze boekhandel. Om aan zijn wensen te voldoen hebben we een hotel voor hem geboekt. Een van de medewerkers van het hotel is een goeie vriend van me die af en toe een kop koffie komt drinken in onze leeszaal annex koffiebar. Hij weet me te vertellen dat de vrouw van de oude dichter is meegekomen en om een aparte kamer heeft verzocht. Het is vrijdagavond en naast de harde kern zit er een heel divers publiek in de koffiebar. Onder de bewonderaars - variërend van soms vreemd uitgedoste jonge snuiters tot oude grijsaards met mutsen of hoeden waar haarplukken weerspannig onder uitsteken - herken ik enkele bibliothecarissen en een aantal al dan niet getalenteerde dichters en schrijvers waarvan tenminste een van hen zichzelf binnen enkele jaren, als in een droom, daar op die begeerde stoel ziet zitten, hoewel het gewoon dezelfde stoel is als alle andere stoelen hier.Iemand fluistert me toe dat de oude dichter het evenement op een haar na heeft afgezegd, wegens het overlijden van z'n broer. Maar ze hadden naar verluidt al jarenlang weinig of geen contact meer met elkaar. De oude dichter schrijdt binnen, vriendelijk maar gereserveerd - zijn vrouw is er niet bij. Hij kijkt eens rond, vraagt waar de poëzie staat en inspecteert de kast. Het is een kast waar we trots op zijn, er staan honderden gedichtenbundels in; ongeveer alles wat de moeite waard en te verkrijgen is, van aanstormende, gevestigde en verscheidden poëten, door de eeuwen heen.Van de oude dichter is dat niet enkel zijn meest recente werk maar ook wat nog steeds bij de uitgever in herdruk is, waardoor hij een behoorlijk stuk van deze kast inneemt.Tenslotte vraagt hij een glas wijn, gaat aan het tafeltje zitten dat daar speciaal voor hem werd neergezet en stalt zijn boeken en paperassen voor zich uit. We bevinden ons al voorbij het aanvangsuur en langzaam valt het publiek stil, weliswaar zonder de minste aanwijzing dat er iets op til is, als de oude dichter even kucht en de eerste zin leest. De lezing is officieel begonnen. Ofschoon nog maar net gestart, blijkt het - door de grote stiltes die de oude dichter laat vallen - vaak moeilijk om vast te stellen of de voordracht nog verder gaat of alweer afgelopen is. Soms doet het geritsel tussen de paperassen en het bladeren in een boek vermoeden dat er nog iets achter komt. Het is dan ook één van de kenmerken van de oude dichter. Dat hij zijn tijd neemt.Langzaamaan raakt hij op dreef en leest voor uit het boek vol gemoedsbewegingen, waarin hij zo rauw in zijn ziel laat kijken dat een recensent liet weten dat hij de blik tijdens het lezen geregeld af moest wenden. Maar het is een lovende recensie, het zijn allemaal lovende recensies, zeg maar onvervalste liefdesverklaringen voor de oude dichter en zijn meest recente, volumineuze boekdeel waarvan iedereen diep onder de indruk is, zowel vriend als vijand. Ik sta aan de bar toe te kijken, als last man standing, naar de bijna religieuze stilte bij het publiek, naar het onmiskenbare ontzag voor deze hogepriester van de woordkunst die hier op deze plaats en op dit moment een bijna goddelijke uitstraling bezit.In sterk contrast met dit alles wipt, telkens de stem helemaal stilvalt, de kleine hond driftig overeind door het losbarstende applaus waarvoor ze nooit enig begrip heeft kunnen opbrengen. Iedere keer stelt ze zich tot doel dit collectief aangedreven monster met man en macht te bestrijden, een gevecht dat ze aangaat in de vorm van hysterisch geblaf en pas staakt als het weer rustig wordt. Waarna ze opnieuw neerzijgt, genietend van haar overwinning op de recente vlaag van verstandsverbijstering. Merkwaardig genoeg ontlokt deze reactie keer op keer veel lachende gezichten bij de aanwezigen, deels opgelucht omdat de zwaarmoedige sfeer hiermee eventjes wordt doorbroken, maar ook omdat ze er een vorm van appreciatie vanwege mijn viervoeter in menen waar te nemen, want aangezien een teckel niet kan applaudisseren, moet ze haar enthousiasme wel uiten via geblaf. Wanneer het al geruime tijd weer stil is, begint de oude dichter aan een volgend relaas, een bijkomende of andere overpeinzing of beslommering die ooit eens in hem opkwam en die zich al dan niet enkel in zijn hoofd heeft afgespeeld.Af en toe steekt hij, zonder op te kijken of het lezen zelfs maar te onderbreken, een hand omhoog met daarin zijn lege wijnglas. Op zo'n moment kan ik mijn oude professie als cafébaas nog eens demonstreren en loop dan, ietwat overdreven plechtig - ik kan het niet verhelpen - met m'n linkerhand op mijn rug en met in de andere hand de fles, op de oude dichter af. De eerste keer vul ik z'n glas voor een derde bij, maar, luider verder lezend steekt hij z'n hand wat hoger, dus vul ik het glas nogmaals aan en opnieuw tilt hij z'n hand iets hoger, alsof zijn dorst werkelijk niet te stillen valt dus vul ik het glas dan maar tot aan de rand, dit alles tot grote hilariteit van het publiek dat daarna geamuseerd toekijkt hoe hij het glas voorzichtig, zonder te morsen, tot aan de lippen brengt en het lezen net zolang onderbreekt als het duurt om de volledige inhoud in één keer naar binnen te gieten. De oude dichter loodst ons doorheen de gedachtengangen van z'n dertigjarig labyrint en spendeert naar het einde toe ook nog enkele woorden aan zijn gestorven broer, om ons daarna te trakteren op enige neergeschreven bedenkingen hieromtrent en andere zaken en zichzelf met vaste regelmaat op een glas wijn vooraleer er tenslotte de brui aan te geven, tot opluchting van het overgrote deel van de aanwezigen die weliswaar heel erg genoten hebben maar nu ook dorst krijgen en uitkijken naar ietwat luchtiger vertier om hun vrijdagavond alsnog in te zetten, vrolijk nakletsend aan één of andere toog met een frisse pint of iets sterkers. Onze koffiebar loopt leeg, iedereen vertrekt en de oude dichter blijft achter met de obligate bewonderaars wiens boeken gesigneerd moeten worden en die hem bedanken door nog een glas wijn aan te bieden, een aanbod dat hij grootmoedig aanvaardt. Ondertussen raakt de oude dichter steeds meer in zichzelf gekeerd, wat maar goed is ook want aan de woorden die hij spreekt valt geen touw meer vast te knopen. Zijn bewonderaars daarentegen, die de tijdens de voorstelling opgelopen achterstand nu in een snel tempo met wijn en bier proberen weg te werken, hangen als vliegen om hem heen, remmingen vallen weg en ze ratelen erop los. Sommigen vertellen hun hele leven, bewieroken de oude dichter voor wat hij al die jaren voor hen betekende, bedanken hem nogmaals met een handdruk of zelfs al eens een schouderklopje en gedragen zich alsmaar familialer. Michael komt me vragen of de oude dichter binnen mag roken. Er zijn maar een handvol aanwezigen meer en het is tenslotte bijna winter, we kunnen de arme man toch niet naar buiten sturen? Maar ik wijs hem erop dat het rookverbod in publieke ruimtes ook voor oude dichters geldt. Even later merk ik dat de oude dichter iets voorovergebogen staat, een sigaret tussen de lippen, met zijn handen een kommetje vormend rond de aansteker alsof een felle wind ook hierbinnen zomaar toe kan slaan, terwijl Michael hem een vuurtje geeft, met een grote grijns opzij kijkend naar mij, benieuwd wat ik daaraan ga doen. Ik moet hem echter ontgoochelen, want ik doe niets, ik laat het allemaal voor wat het is en gun hem zijn pleziertje.Terwijl ook de laatste aanwezigen beneveld raken, getuige de mij onbekende, oude Vlaamse liederen die ze zingen waarbij hun interesse in de oude dichter begint af te nemen zodat deze mompelend verdwaalt tussen de boekenkasten, maak ik aanstalten om af te ronden. Mopperend verlaten ze het pand, met een brabbelende Michael als hekkensluiter, die, als ik zeg dat hij zijn glas niet mee kan nemen, nog snel het laatste restje van zijn inmiddels verschaalde pils achterover kapt. Ik help de oude dichter in zijn overjas, schuif de mouwen over zijn armen, knoop het kledingstuk vooraan dicht en zet zijn pet op z'n hoofd. Ik begeleid hem naar de wagen, mijn arm stevig in de zijne gehaakt hoewel het pas eind oktober is en de wegen nog verre van glad. Hij laat zich welwillend zakken in de passagierszetel van de oude Peugeot 309 die ik, toen iedereen nog in gesprek verkeerde, iets verderop ben gaan halen en met het oog op deze handeling hier voor de deur heb geparkeerd. Ik rol de veiligheidsgordel naar voor, ga ermee rond de buik van de oude dichter en klik de metalen plug in de houder. Daarna neem ik de kleine hond, zet die op de achterbank in z'n mandje, sluit ik de winkeldeur af en ga achter het stuur zitten waardoor het een beetje aanvoelt alsof ik mijn oude vader wegbreng. Ik draai de baan op en moet meteen naar rechts waardoor het hoofd van de oude dichter onverwacht op mijn schouder belandt en daar eventjes blijft liggen. Ik krijg hem pas weer overeind als ik linksaf moet zodat datzelfde hoofd nu tegen het raampje van de passagiersdeur slaat. Geschrokken hou ik de oude dichter daarna zo respectvol mogelijk met mijn rechterhand bij de kraag van z'n jas vast terwijl ik verder in de richting van het hotel stuur. Echt handig is dat niet, vooral niet als je moet schakelen, maar hierdoor verloopt de rest van de rit redelijk vlot en tenslotte parkeer ik de wagen voor het hotel. Ik stap uit, loop om de wagen heen en help de oude dichter met uitstappen.'Isss errr hierrrr misss-sschien nog een drankgeleeegennnheid waar we noggg een klei-niggg-heid kunnnnen nut-t-t-tiggen?' Hij doet zijn best om duidelijk te articuleren maar sommige letters blijven hangen in zijn mond en lettergrepen lijken bergen waar hij moeizaam over raakt. En hoewel er inderdaad nog veel zaken open zijn op dit tijdstip, het is pas iets na elven, heb ik weinig zin om zo'n kroeg met de oude dichter te betreden. Het is overduidelijk dat de man nu enkel nog baat heeft bij z'n bed. 'Er is ook een bar bij het hotel', opper ik voorzichtig, in de veronderstelling dat hij ook daar niets meer zal krijgen vanwege z'n benevelde toestand en hij zich dan tenminste al dichtbij z'n kamer bevindt.'Wiltt u mij dann verrr-ge-zel-lennn bij een laatsste glasssss?'Ik weet dat het onbeleefd is om dit aanbod af te slaan, want dat het een hele eer is meegevraagd te worden door de oude dichter maar de avonden dat ik mistige redeneringen en dronken gewauwel moest aanhoren toen ik nog in de horeca werkte, hebben voor een klein trauma gezorgd waar ik me in gewone omstandigheden niet van bewust ben maar die op zo'n moment opnieuw de kop opsteekt. Was ik zelf dronken geweest, dan was er nu natuurlijk niets aan de hand en zou ik vrolijk zijn meegetrokken om god weet waar te belanden. Een avondje met de oude dichter, wie weet, het zou een mooie anekdote kunnen opleveren. Ondertussen zijn we bij de deur van het hotel aangekomen.'Ik moet u helaas ontgoochelen, het is een lange dag geweest en morgen is de winkel opnieuw open en ik heb nog wat opruimingswerk. Maar ik ben heel blij dat u vandaag bij ons bent langs geweest en wil u graag nogmaals danken voor de boeiende lezing die u gaf.'Hoofdschuddend wuift hij mijn woorden met een verveelde uitdrukking op z'n gezicht weg, draait zich om en loopt mompelend en met onvaste tred naar de deur die leidt naar de bar van het hotel. Zo verdwijnt hij zonder verder om te zien. De volgende dag verneem ik via mijn vriend in het hotel dat ze de oude dichter midden in de nacht de bar hebben uitgezet. En dat er even later een ijselijke gil weerklonk die bij nader inzien afkomstig was van zijn vrouw die wakker werd toen hij bij haar in bed wou kruipen. Waarna ze hem naar zijn eigen kamer hebben gebracht.Ik blader door de aanbiedingen die de uitgeverijen voor het komende voorjaar in petto hebben, kijk wat er straks allemaal verschijnt en wie we nu eens voor een lezing kunnen vragen. Want je moet zo'n voorstelling toch geruime tijd van tevoren plannen. Zodat je voor niet meer verrassingen dan noodzakelijk komt te staan.

Rino Feys
4 0