Lezen

Een penetrante geur

‘Een penetrante geur van urine en uitwerpselen.’ Ik hoor het mezelf zeggen maar onverbloemd denk ik pis en kak. ‘En vlees in verre staat van ontbinding.’ De stank van rottende eieren dus. Mijn nieuwe collega knikt bevestigend en ik zie hem slikken. Wen er maar aan jongen! Mijn gedachten zijn direct en hard maar ik heb geleerd om anders te praten. ‘Gaat het? Volhouden! Slik nog maar eens en dan gaan we verder.’ Hij gehoorzaamt en slikt. We stappen langzaam verder door de donkere gang. Wat gaan we vinden achter die deur? Een lijk? Iets vrolijk zal het alleszins niet zijn! Het eerste wat ik zie zijn verschrikte knipperende ogen. ‘Ze leeft! Bel een ziekenwagen!’ Naast mij vliegt er kots op de grond. Alstublieft zeg, watje! Maar ik zeg niks en overhandig hem een zakdoek. ‘Sorry,’ stamelt hij. ’Het is OK, ga maar naar buiten en bel!’ antwoord ik. En blijf even uit mijn buurt. Ik kniel neer bij het dametje. ‘Niet bang zijn,’ zeg ik zacht. Haar ogen gaan van de deur naar mij en terug naar de deur. Ik neem voorzichtig haar hand in de mijne. Shit mens, waar hebt gij met uw handen in gezeten? Haar ogen gaan nu van mijn hand naar mijn gezicht naar de deur en terug naar mijn hand. Ze is bang. ‘Sst, niet bang zijn,’ herhaal ik nog zachter dan daarnet.’Het komt wel goed.’ Ze klakt met haar tong in mond. ‘Heb je dorst?’ Ze knikt. Ik sta op. De keuken is verrassend proper in vergelijking met de kamer waar het dametje zit. Stof ja, veel stof. Er is al een tijdje niemand binnen geweest. Ik steek eerst mijn handen onder de kraan. Hoelang zou ze al alleen zitten? Haar zetel vol gescheten en haar kleren nat van de zeik. Dat tafeltje, de schimmel, de wormen en vliegen, ’t zit zelfs rond haar mond. Ik mag er niet aan denken dat ze daar nog van eet. Ik neem een glas uit de kast en vul het met water. Iemand heeft haar eten gebracht, een paar maand geleden. En haar dan aan haar lot overgelaten. Verwaarlozing heet dat dan. Zie het mensje daar ineen gezakt zitten. Langdurige foltering met de dood voor ogen! God,dat hebt Gij hier verdomme weer goed geflikt hé Makker!  Voorzichtig zet ik het glas aan haar mond. Ze duwt het met haar handen hoger. ‘Nee, nee,’ zeg ik. ‘Niet te gulzig. We willen niet dat je je verslikt.’ Ze gehoorzaamt, laat me begaan en drinkt rustiger.

Chantal VDE
8 2

Het Bankje

Persoon 1 (man, wacht op een bankje aan een bushalte): Ik droomde vannacht dat wij ruzie hadden. Dat was toch een droom hé? En niet echt? Persoon 2  (man, komt toe): Ken ik u? Persoon 1: Nog niet, maar da’s bijzaak. Persoon 2: Het lijkt mij niet meteen bijzaak als ge beweert dat we ruzie hadden. Hoe kunnen we ruzie hebben als ik u niet eens ken? Persoon 1: Hebt ge dat nog nooit gehad? Ik heb dat vaker. Persoon 2: Hoe dan? Persoon 1: Gewoon. Ge zegt heel vrolijk ‘goeiemorgen’ aan iemand die u passeert, en die kijkt u niet eens aan. Dan is die toch lastig? Ge zegt daar nooit iets van, maar hebt wel het gevoel alsof er iets mis is. Persoon 2: Lastig zijn en het gevoel hebben dat er iets mis is, is toch niet hetzelfde als ruzie? Persoon 1: Goh, maar toch wel een beetje. Neem u nu. Ge komt hier naast mij zitten, en zegt geen woord. Dan lijkt die droom van vannacht meteen zo echt. Alsof we echt ruzie hadden. Persoon 2: MAAR IK KEN U DUS ECHT NIET HE. Persoon 1: Ge moet u niet opwinden. We vergeten dat we ooit ruzie hebben gehad. Persoon 2: Logisch. ER WAS NOOIT RUZIE. Persoon 1: Dat zegt gij. Persoon 2: Ah ja! En das normaal, want wat zou het dan moeten zijn? Ruzie over wat? Het feit dat we mekaar niet kennen? Persoon 1: We krijgen nu precies ruzie over de vraag of we eerder al ruzie hadden. En da’s dan ook weer niet de bedoeling. We komen in een soort vicieuze cirkel, en dat heb ik liever niet. Persoon 2: MAAR WAT ZIT GE DAN TE DOEN? Persoon 1: Ik was aan het wachten. Persoon 2: Meer detail. Persoon 1: Op de bus. Persoon 2: Meer detail. Persoon 1: Maar die wou maar niet komen. Persoon 2: MEER DETAIL. Persoon 1: En toen zag ik u lopen. En ik dacht, ik heb vannacht gedroomd dat wij ruzie hadden. Persoon 2: En dus toen zijt ge blijven zitten tot ik ook zou komen? Persoon 1: Ik hoopte dat ge zou komen. Persoon 2: Waarom dan? Persoon 1: Ik wou sorry zeggen, voor die ruzie. Persoon 2: Beseft ge zelfs maar voor de helft hoe idioot dat klinkt? Hoe kunt ge nu zitten te wachten om sorry te zeggen over iets dat NIET HEEFT PLAATSGEVONDEN. Persoon 1: Ge zag er mij al iemand uit die graag zaagt over details. Ik ben niet zo’n pietje-precies. Ik vind het soms net leuk om het leven wat chaotisch te bekijken, en te zien of er iets gebeurt dat ge niet had verwacht. Zoals gij die hier nu naast mij zit te beweren dat we nooit ruzie hebben gehad. PERSOON 2: VOOR DE LAATSTE KEER: WE HEBBEN NOOIT RUZIE GEHAD. Persoon 1: Uiteraard. En ruzie blijven maken over dat detail maakt ook geen verschil meer. Hoe gaat het met u? Persoon 2: Goed tot ik hier kwam zitten. Persoon 1: Die vijandigheid ook weer meteen. En dan zegt gij dat we geen ruzie hadden! Persoon 2: Oké, ik denk dat ik vertrek, als ge daarover blijft doorgaan. Persoon 1: Geen reden om u op te winden. Blijf nog wat zitten, geniet van het uitzicht. Persoon 2: Aan een bushokje? Geweldig uitzicht. Persoon 1: Zie, ik wist het, ge zijt zo iemand die altijd zit te vitten op de details. Ge kunt om het even welk uitzicht zien, nee, KIEZEN, maar gij ziet weer enkel de straat, en de auto’s. Vervuiler. Persoon 2: En dan ben ik vijandig. Persoon 1: Ik denk dat het daarom was dat we niet zo goed overeenkwamen. Of zelfs ruzie hadden. Ik denk dat gij niet kon bedenken waarom we geen ruzie zouden hebben. Persoon 2: Wat?!? Persoon 1: Awel ja, t is toch niet zo moeilijk: ik ben een positivist. Ik geloof in de goeie dingen in het leven. Gij lijkt mij eerder ‘t omgekeerde te zijn. Persoon 2: Oké. Ik kwam hier zitten om rustig wat te lezen tot de bus komt. Denkt ge dat dat gaat lukken? Uw mond houden tot de bus komt? Persoon 1: Ziet ge wel dat we ruzie hadden! Persoon 2: Waarom nu weer? Persoon 1: Omdat ge mij vroeg mijn mond te houden. En da’s iets waar ik niet tegen kan. Beginnersfoutje, zou ge dan denken. Persoon 2: Het was echt de eerste keer OOIT dat ik u vroeg om uw mond te houden. Want, wat ik u dus al 5 minuten probeer duidelijk te maken: WIJ KENNEN MEKAAR NIET. Persoon 1: Fout. Intussen toch al een beetje. Persoon 2: Absoluut niet. Persoon 1: Ik weet intussen bijvoorbeeld dat gij iemand zijt die zich snel opwindt. En die alle kleine negatieve details aanhaalt om toch maar uw gelijk te krijgen over uw idee dat we mekaar niet zouden kennen. Persoon 2: Dat zijn geen kleine negatieve details. Dat zijn feiten. Persoon 1: Zo denk ik er niet over. En trouwens, feiten zijn ook maar dingen die ge in uw hoofd steekt alsof ze waar zijn. Persoon 2: Ze zijn ook waar, daarom zijn het feiten. Persoon 1: In dat geval: het is een feit dat ik vannacht gedroomd heb dat we ruzie hadden. Maar dat was toch een droom hé? En niet echt? Persoon 2: HET WAS EEN DROOM. Nu goed? Persoon 1: Ziet ge wel. Ik wist dat we vannacht ruzie hadden. Persoon 2: En dan? Misschien wel met gegronde reden. Ik weet dat ik nooit zomaar kwaad word op iemand. Persoon 1: Dat kunt ge nu wel zeggen.. Persoon 2: Deed ik dan ook net. Persoon 1: Ziet ge, weer die details! Persoon 2: Wie windt er zich nu op? Persoon 1 Ja, maar da’s uw schuld. Gij blijft altijd rondjes draaien rond hetzelfde. Persoon 2: Ik was niet diegene die zei dat we ruzie hadden. Persoon 1: STOP erover. Oké? Ik heb al sorry gezegd. Wat wilt ge nu nog meer? Persoon 2: Lezen. Tot de bus komt. Persoon 1: Doe maar. Ik weet toch niet wat ik anders nog moet zeggen als ge de hele tijd lastig blijft. Persoon 2: Ik was niet lastig. Persoon 1: Inderdaad. Was. Verleden tijd. Dat is nu wel anders he? Persoon 2: Da’s volledig uw fout. Persoon 1: Mensen blaimen. Da’s gemakkelijk. Dan hebt ge zelf niks gedaan natuurlijk. Persoon 2: Wat heb ik dan gedaan? Ik kwam hier gewoon zitten, en gij begint meteen over ons, alsof er zelfs maar een ons is. Persoon 1: Er was al een ons toen ik u de eerste keer zag. Persoon 2: Dat is dus 5 minuten geleden. Persoon 1: NEEN. Dat probeer ik nu al de hele tijd uit te leggen! Dat was in mijn droom, vannacht! Persoon 3 (vrouw): Sorry, mag ik even storen? Persoon 2: Ja, lap. Persoon 1: Verpest. Persoon 2: Was het nu zo dringend? Zag u niet dat we bezig waren? Persoon 3: Ik wou jullie graag een bon aanbieden voor… Persoon 1: EEN BON. Persoon 2: Daarvoor alles om zeep. Persoon 1: Ja, nu moeten we weer helemaal herbeginnen. Persoon 2: Het wordt nooit meer zo goed. Persoon 1: Het leek ons eindelijk te lukken! Maar nu, niks meer. Persoon 3: Wat leek te lukken? Persoon 2: Ruziemaken. Persoon 1: We doen mee aan het WK ruziemaken voor ongevorderden. Persoon 2: Maar ja, dat hebt ge dus zonet volledig verpest. Persoon 1: Voor een bon, serieus. Persoon 3: Kunt ge niet voort ruziemaken? Alsof ik er niet was? Persoon 2: Nee hée, want ge zijt er wel. Persoon 1: Ja, dat hebben we allemaal meegemaakt. Verpester. Persoon 2: In het vervolg misschien beter kijken voor ge iemand stoort tijdens een oefening. Persoon 3: Voor dat ge zegt dat ik het verpest heb, ge zijt toch nog aan het ruziemaken? Maar gewoon met een andere persoon? Persoon 1: Ja, maar das ruziemaken voor gevorderden. En daar doen we niet aan mee. We kunnen niet met iedereen ruziemaken, enkel met mekaar. Vandaar het ‘voor ongevorderden’ Persoon 3: Wat een hoop rare regels. Persoon 2: Voelt ge u beter dan de rest, ja? Moet ge dit nu ook echt nog komen afkraken? Hebt ge nog niet genoeg aangericht? Waarvoor was uw bon eigenlijk? Persoon 3: Voor een massage. Persoon 1: Dus gij ziet twee mensen ruziemaken op een bank, en ge denkt “daar moet ik dringend een bon voor een massage aan gaan geven”?! Persoon 3: Jullie zagen er zo gespannen uit, ik dacht alleen “het kan maar helpen”. Persoon 1: Denk in het vervolg dan wat langer na. Verdomme. Ik had zo vloekwoorden ingestudeerd. Allemaal voor niks. Persoon 2: Wat had ge al? Persoon 1: Achterlijke augurk, belachelijke baviaan, colerieke clown, drollerige draak en ga zo nog maar wat door. Persoon 2: Klinkt toch niet echt beledigend. Kan nog beter! Persoon 1: GAAT GIJ NU OOK NOG WAT MOEILIJK DOEN? Persoon 2: Neenee, ik vond gewoon dat… Persoon 1: Ik wil het niet meer weten. Ik ga naar huis. Betere scheldwoorden zoeken blijkbaar. Morgen opnieuw? Andere bank? Persoon 2: Ik vind u wel! Persoon 3: Mag ik komen luisteren? Ik zal niks zeggen. Persoon 1: Nee, natuurlijk niet. Als ge onze ideeën pikt en dan zelf beter blijkt.. nice try! Persoon 2: Moet ge geen bon aan iemand anders gaan aansmeren? Persoon 3: Ik ben al weg. Nog eens sorry. Persoon 1: Daar zijn we niks mee. Daahaag. Persoon 2: Tot morgen! En zorg dat het beter is! Persoon 1: Das gemakkelijk gezegd. Tot morgen!

Increllenible
0 0

Piere en Meneer Van Sand

Pierre en Meneer Van Sand, lakenfabrikant Pierre woont in de café’s. Is van niets bang en ongelovig Op ‘t kasteeltje aan ‘t rekhof woonde Meneer Van Sand, industrieel. Vooral voor wie het boekje over de Magdalenaput, te Poperinge, nog niet gelezen heeft P. C. Baes, L Schotsmans, Mutsaertstraat, Antwerpen, 1857. Het is de basis van dit gesprek. A: Verre nicht van Magdalena, spraakzaam en rad van tong, Siska. B: Cafébaas, nieuwsgierige katholiek van de 19de eeuw, Meneer Van Sand. Locatie: bankje bij het kasteeltje van Schabaillies, Poperinge.   B: Mademoiselle, je komt hier vaker naar ‘t kapelletje, mag ik u iets vragen? A: Meneer Van Sand, zou er iets zijn dat ik U kan vertellen? B: Hm. ‘t Zijn de dronkaards niet die me veel gaan vertellen over hetgene dat ik jou wil vragen. A: Ba. Als ‘t zo zit. We zullen toch een keer moeten luisteren. Misschien. Meneer Van Sand. Ik zag al lang dat je van mij iets wil. We zijn familie in het zoveelste knoopsgat, maar.. Misschien weet U wel iets te vertellen over de verzwegen details in de geschiedenis van Tante Madeleine. B: Siska, Je weet dat de gehele familie van benauwdheid, dat ‘t allemaal zou kunnen waar gebeurd zijn, liefst daar over zwijgt. A: Wat zeg je? Ik ben die hele trunterie beu. B: Ze vertellen er toch al jaren van? ‘k Wiste het wel.. dat je geen doetje bent, maar de laatste tijd. Als ‘t begint te donkeren wordt er af en toe een visje gesmeten aan ‘n toog… allemaal trunten? A: De meeste van uw klanten zijn te paaien met een zuupje. En als z’er genoeg hebben dan gaan ze geen vliege meer kwaad doen.   B: … Mademoiselle Siska, ‘k heb altijd gedacht wie zal ik van mijn leven tegenkomen waar dat ik zou kunnen zonder treuzelen door vragen. Zet je een momentje op die bank onder het kapelletje midden in den achternoene Onze Vrouwtje zorgt dat serieuse parlé zal zijn… B: … Een door en door serieuze vraag. De weerwolf bestaat dat?   A: ‘k zal me toch even op ‘t bankje zetten. …. A: Als dat geen seriuse vraag is. B: ‘k heb het toch gezegd dat ik met een serieus ei zit.. Vandaag hadden ze ‘t in ‘t café over die weerwolf. De wijsheid was al uit de kan. Het schoolmeestertje van hoogste klas smeet de voetzoeker in de bende. “Piere”... mijn vader heeft nog in klas gehad. Hij was van niets benauwd. Polydore gooide kolen op ‘t vuur en breide verder: Hij spotte met de doodkeersjes, die lichtjes boven de pitten, .. Hij durfde de kaarsjes doodblazen aan ‘t kapelletje…. A: Ja, Meneer Van Sand ‘k ben geen pilaaarbijter maar je moet ook Onzen Here niet uitdagen B: Siska. ‘k Had het willen vragen aan ‘n schoolmeester, maar ie was al driemaal getracteerd en boven zijn theewater. Zou dat wel waar zijn het verhaal van uw tante Madeleine? A: Om eerlijk te zijn Meneer Van Sand het enige wat ze mij als klein meisje toen verteld hebben is dat Tante Madeleine half en half familie was aan U en aan ons twee.. B: Daarmee is mijn vraag niet opgelost… A: .. ‘k Zou liefst eerst mijn kaarske aansteken, Meneer Van Sand. Eventjes…. B: Mademoiselle, comme vous voulez. A: Ave Maria.   A: ‘k heb wel gezegd dat ik de hele trunterie beu ben, Meneer Van Sand. Maar er is een verschil tussen geloven in de weerwolf en de fabeltjes van Hans en Grietje, Onze Vrouwtje en de duivel. B: Ik wist het Siska dat is een verstandig vrouwmens… Vegerine, de heks van Lene durfde laatst nog zeggen als ze om mout kwamen van ons brouwsel: “Siska dat vrouwtje is verstandig genoeg om in onze confrerie te komen mee orakelen.” Dat meestertje van de hoogste klas is ook bang van de nachtbijeenkomsten van aan de Leene. Ze hebben er opnieuw een cirkel van paddestoelen gevonden en de lichten waren opnieuw de helft van de nacht aan. ‘t Zijn slimme wijven. Als ze hier mout komen halen. Ze weten wel waarom. De meester zei: “ Als ‘t over brouwsels gaat.. daar weten ze ‘t fijne van. Ze kennen het kruidenboek van Dodoens van voor naar achter kennen. En de enige die het ook in huis hebben zijn de zuster van Fauquemberghe aan de Overdam. Het is even zeldzaam of het zesde boek van Mozes. A: Meneer Van Sand, niet mouw vegen … bij congreganisten van de Paulientjes binnen de muren hebben ze me dat volkje afgeraden. Die drie heksen van de Lene die gaan met de duivel om.. B: Stop, Siska! A: Je spreekt over de duivel, zo zonder te verpinken. B: Och, God A: Meneer Van Sand. Stop.!   B: Hewel, wat is ‘t. A: STOP! Bij ons in de familie.. en dat heeft zeker te maken met Tante Madeleine was het gebruikelijk “Stop” te roepen bij dit schietgebed. Hier hoorde een aanroeping bij dat we binnen monds moesten opzeggen. "Och, Here, behoud ons van de duivel en zijn pomperijen…” B: Pomperijen? A: Ja, pomperijen. Durf jij aan de schoolmeester eens vragen wat dat zijn die pomperijen? B: Siska, ik ga dat zeker doen, als hij eens nuchter binnenkomt en er niet veel volk is… A: Wat dat allemaal te maken heeft met Tante Madeleine dat weet ik totnogtoe niet. ‘k Ben bijna zeker dat in dat verhaaltje past, maar.. Ik weet dat Piere ook in dat verhaal past, maar dat was een vieze vent. En och, God dat heb ik altijd verstaan als Piere’s vloek. Ze hebben me ook verteld dat die gebakken kop van aan de pottebakkerij dat dat de kop van Piere is… B: De pestekop? Piere was de onvervaarde. Hij durfde iedereen aan en ontmaskerde de valse spoken, de verklede dieven die door mensen bang te maken een overval konden plegen. Allemaal bijgeloof zei hij. A: En hoe heeft Tante Madeleine met die vieze vent te maken? B: Siska dat weet ik ook niet.   Twee weken later B: Siska. ‘k Was al zes keren aan ‘t kapelletje en ‘k zie je nu pas. A: ‘k Ben dikwijls hier geweest maar ‘r moet passen. ‘k ben benieuwd als je de schoolmeester zijn tong hebt kunnen pellen? B: Neen. A: God uit de hoge hemel. De pomperijen van de duivel blijven in de doos van pandora. Ik vraag aan Onze Lieve Vrouwtje als het wel goed is dat we het weten… B: Dat is wat ik heb gedaan. Ik heb zijn rechtstreekse vertegenwoordiger geconsulteerd. A: En?.. B: een duidelijke uitleg. ‘s duivels pomperijen, dat zijn aantrekkelijkheden en smoesjes waarmee de duivel de zielen in de hel trekt. Kortweg: bekoringen. A: Daar hebben ze het bij de congreganisten ook altijd over. B: Ja en Polydore die heeft me op weg geholpen om nog iets meer te begrijpen. Hij heeft in zijn boekerij het boekje van de Magdalenaput. A: Op de Ieperse kassei? Als we klein waren mochten bij die put niet komen. Magdalena dat is toch Madeleine aan de schreve. ‘t Is niet waar zeker. Ik dacht gewoon. Onze ouders waren bang dat we in het water zouden sukkelen. B: Siska. De zoektocht is een beetje opgelost. Het verhaaltije kan ik je helemaal vertellen. Maar mijn vraag blijft. A: Mag ik eerst vragen? Wat heeft die Magdalenaput te maken met Tante Madeleine? B: Heb je een momentje? Piere had een pact met de duivel. A: Hij liet zich vangen door de pomperijen van de duivel. Stomme Piere. Hij verkocht zijn ziel aan de duivel. B: Ja, Siska. In het verhaal werd hij zo’n voorname Heer dat hij met Magdalena van fabrikant Van Sande kon huwen. Dat staat in het boekje over meerdere blz. verteld. Het speelt zich af in Poperinge, een toeristisch merkwaardige stad, met een ongehoord veel winstgevende economische bedrijvigheid. Laken onder andere.. . En daar is graaf Vande Zande de ondernemer met de beeldige dochter Magdalena. Maar Piere is daar de knecht voor alle smerige werkjes. Het is Magdalena’s keppe niet. A: Tante Madeleine? B: Meneer Vande Zande is bekukkeld door de jonge heren en ook bij ‘t werkvolk zou er wel eens eentje opvallend vriendelijk doen. A: Omwille van het smeer likt de kat de kandeleer… B: Siska, ‘k hou van een vrouw die mensenkennis heeft Zo gaat het in die verhaaltjes, zei Polydore. Als je je ziel aan de duivel verkoopt dan mag je een wens doen en de duivel stelt zijn voorwaarden. A: En Piere die wenste… B:.. te huwen met de dochter van de fabriek waar hij werkte. A: Wat was de voorwaarde? B: Piere mocht alles, maar de naam "God" mocht niet meer over zijn lippen komen. En.. in zijn blijdschap op zijn huwelijksreis zittend op de “carosse” op de weg van Poperinge naar Ieper, volop in trance zei hij kei-gelukkig “och, God..” A: Ons Heere, behoud mij van de duivel en zijn pomperijen.   B: Als de laatste blz. ontbreken of als de schrijver nooit beschreven heeft wat er van Magdalena geworden is heb ik in het verhaal van Polydores boekje niet kunnen achterhalen. De wijze les uit Polydore’s boekje is duidelijk het te goed hebben omdat je je ziel aan de duivel hebt verkocht is in de carosseput verzuipen. ... A: Meneer Van Sand. Jij wilde me iets vragen. En je geeft me een antwoord op een hele boel vragen die me allang bezig houden. Wat was nu jouw vraag? B: Nu we on ziele uitverteld hebben is het voor mij gemakkelijker om de vraag te stellen. Ik begon met de weerwolf. We eindigen met je ziel verkopen aan de duivel. Kan dat? Die duivel bestaat die? Aan de schoolmeester moet ik het niet vragen? Aan de pastoor ook niet? Aan die heksen moet ik het ook niet vragen, want daar zegt men van dat ze een zalfje krijgen van de duivel. Ze wrijven zich daarmee in om door de lucht te vliegen. Waarom wou ik dat nu aan jouw vragen? A: Voor mij is het niet gemakkelijker geworden om erop te antwoorden. Tante Madeleine en “och, God” doen me al lang bidden om me te behoeden van de duivel. Maar ik heb me er niet echt van aan getrokken. Nu stel je me een vraag waarop ik moet zeggen dat mijn voorouders wel geloofden dat de duivel bestaat. En ik durf niet meer zeggen dat hij niet bestaat. B: Als café baas Van Sand weet ik dat ik liever heb dat mijn bezoekers hun engel bewaarder laten spreken dan het duiveltje op de andere schouder. Is dat dan alleen een devoot fabeltje. Waar houdt die santeboetiek op. ‘t Is geloven. Dat is misschien wel de keuze tussen kiezen voor ieder eens geluk of kiezen om voor je eigen geluk alleen. A: ‘k Zal nog een kaarsje branden. B: Saskia. Eerlijk maar ik denk toch op Tante Madeleine. En vooral behoed u voor ‘s duivels pomperijen dat je in de “carossepit” niet beland. A: Meneer Van Sand. Sprookjes zijn toch soms wel leerzaam. B: Dat was genoeg voor vandaag. Wie weet komt er nog een vertelsel waar iets uit te halen valt.              

Henricus
9 0

Soror Mare

𝐖𝐚𝐚𝐫 𝐯𝐚𝐧𝐛𝐢𝐧𝐧𝐞𝐧 𝐞𝐞𝐧 𝐦𝐞𝐭 𝐠𝐞𝐝𝐮𝐥𝐝-𝐠𝐞𝐦𝐚𝐚𝐤𝐭𝐞 𝐩𝐚𝐫𝐞𝐥 𝐢𝐬 𝐞𝐧 𝐯𝐚𝐧𝐛𝐮𝐢𝐭𝐞𝐧 𝐞𝐞𝐧 𝐬𝐜𝐡𝐞𝐥𝐩 𝐝𝐢𝐞 𝐛𝐞𝐝𝐞𝐤𝐭 𝐢𝐬 𝐦𝐞𝐭 𝐚𝐥 𝐦𝐨𝐨𝐢𝐬, 𝐝𝐢𝐞 𝐣𝐞 𝐦𝐨𝐞𝐭 𝐥𝐮𝐬𝐭𝐞𝐧 𝐨𝐦 𝐭𝐞 𝐚𝐚𝐧𝐯𝐚𝐚𝐫𝐝𝐞𝐧 𝐰𝐚𝐧𝐭 𝐳𝐢𝐣 𝐢𝐬 𝐞𝐞𝐧 𝐥𝐮𝐱𝐞 𝐨𝐦 𝐭𝐞 𝐡𝐞𝐛𝐛𝐞𝐧, 𝐧𝐨𝐫𝐦𝐚𝐚𝐥 𝐭𝐞 𝐯𝐢𝐧𝐝𝐞𝐧 𝐢𝐧 𝐨𝐧𝐝𝐢𝐞𝐩𝐞 𝐰𝐚𝐭𝐞𝐫𝐬 𝐦𝐚𝐚𝐫 𝐳𝐢𝐣 𝐢𝐬 𝐝𝐞 𝐝𝐢𝐞𝐩𝐬𝐭𝐞 𝐨𝐞𝐬𝐭𝐞𝐫 𝐝𝐢𝐞 𝐞𝐫 𝐢𝐬, 𝐧𝐢𝐞𝐭 𝐠𝐞𝐦𝐚𝐤𝐤𝐞𝐥𝐢𝐣𝐤 𝐭𝐞 𝐯𝐢𝐧𝐝𝐞𝐧 𝐰𝐚𝐭 𝐡𝐚𝐚𝐫 𝐳𝐞𝐥𝐝𝐳𝐚𝐚𝐦𝐡𝐞𝐢𝐝 𝐛𝐞𝐬𝐜𝐡𝐫𝐢𝐣𝐟𝐭, 𝐳𝐢𝐣 𝐢𝐬 𝐚𝐥𝐥𝐞𝐬 𝐰𝐚𝐭 𝐞𝐞𝐧 𝐚𝐧𝐝𝐞𝐫 𝐧𝐢𝐞𝐭 𝐢𝐬 & 𝐦𝐞𝐞𝐫 𝐝𝐚𝐧 𝐰𝐚𝐭 𝐳𝐢𝐣 𝐛𝐞𝐬𝐞𝐟𝐭 𝐭𝐞 𝐳𝐢𝐣𝐧, 𝐡𝐚𝐚𝐫 𝐰𝐚𝐚𝐫𝐝𝐞 𝐯𝐞𝐫𝐬𝐜𝐡𝐢𝐥𝐭 𝐧𝐢𝐞𝐭, 𝐡𝐚𝐚𝐫 𝐰𝐚𝐚𝐫𝐝𝐞 𝐢𝐬 𝐨𝐧𝐬𝐜𝐡𝐚𝐭𝐛𝐚𝐚𝐫.

d.tlmn_
14 0

Ik geef u een offer

  Er zijn dagen die verbleekt en koud zijndagen dat ik niet spreek, niets hoor, niets wilof voelniets, alles lijkt wit en kil.ik denk over de tijden met u Toen we in elkaars lijven lagen,en er gelachen werd, en de kussen in mijn nek,die jij mij zo vaak gaf met alle overgave, omdat ik jouw god was, en jij mijn godin. Ik herinner mij de dag toen een Dryade mij om hulp riep,en ik weerstaan moest aan haar gezangen, en lieflijke woorden,haar lippen in een nevelsluier om mijn nek gebonden, haar mooie tanden diehun verlangen achterlieten in de broze huid om mijn nek. Ik zie nog hoe de schors van haar wervels,door Hephaestus’ gretigheid, vuur vatte.Hoe het zweet van het heet gesmede ijzer,van de onverwoestbare troon,neerdaalde als een wals van sneeuw en stof.En hoe kort daarna alles verging in een lichtspel van oker en as zwart. in dat niemandsland ben ik herrezen,in dat niemandsland ben ik ook de tijd verloren. De kinderen, de arme kinderen, door Cronos verzwolgenwaren net niet verteerd, ze wilden zijn maagrand openrijten maar het vlees was te dik ik zag de koppen van hun zwaarden duwen, meermaals werd hij gestokenCronos voelde niks,net zoals ik niets voel De woede van onze uterus maakte hem wakker,en uit angst spoog hij zijn afgunst en zijn jaloezie uit.Eerst kwam vanuit zijn verhemelte alle eerste leven, en gafmet tegenzin de oceanen aan de kraters van Gaia: hij spuwde de vissen, de oesters, het plankton, de gloedrode en gele riffen terug,de grootste tonijnen sprongen van zijn tong, namen hun vluchtnaar beneden, en doorkliefden de kalmte van het waterin de iris van de zon lieten zij zich aanbiddenen sloegen krachtig met hun vinnen, door het schetterende blauw van hun ruggen,werd Cronos verblind en hij wende zijn hoofd aftoen ze hem treiterden met hun puntige staarten. Vermoeid zakte hij door zijn benen en kwam op handen en voetenterug op adem, zoals een vermoeide hond,met de bittere resten gal die aan zijn lippen hing,kwam de vruchtbaarheid geslopen.ze smaakten bitter en zoet als naar boomwortels.Zij moest snel leven brengen in de verdorde, achtergelaten haard. Orpheus bespeelde zacht zijn harpen die lieflijke tonen, die korte slagen die zijn vingers gavenop de gespannen draden, met bijenwas bewerkt.Diende Demeter een gezant, en zij droegen haarin een dichtbevolkte kolonne over, waar vroeger,de weiden waren, de bomen hoog schoten,waar eens de bergen waren ontstaan,gespleten door alle rivieren en beekjes die de zee het land had geschonken.   Heuvels werden weer groen en geel, overalwaar ik keek stond opeens kattenstaarttussen de bergen en de rotsen ontschoot,de elegante winde,hoog boven ruïnes, uitgeholde huizen,kwam sinds lang een eeuwplant terug.aan de kusten vond ik zeenarcissenen voor het donker werd vond ik genoegbloesems en olie van de zwarte toorts.het koren werd weer door de wind gesust. Overal waar zij die dag langs werd gedragenbracht zij het leven terug.   Ik dacht dat ik nooit iets of iemand sneller zou zienals de kleine Ajax: -hij die zich aan Cassandra vergreepen door een list van het lot aan de woestijnen van Posseidonwerd toegewezen. Daar rust hij nog,samen met de vloten verteerd de wimpels van Troje, groot genoeg,dienden hem als lijkdoek.   En lieve Cassandra?wat zie jij nog, nu, zonder hoofdhad ik uw raad maar opgevolgdhelaas is jouw verdeeld lichaamhet enige geloofwaardigeomdat wij met onze eigen ogen moesten zienwaar jij lang, voor de vernieling, van droomde-   Ik ben u een bekentenis schuldigMeest vruchtbare aller vrouwenomdat ik niet in uw kracht geloofde Ik geef u een offer,en laat het mijzelf zijn,die voortaan de hoeder van uw schepping is Laat mij wonen tussen uw gras,ik zal een tocht op uw lichaam maken:laat mij op de kelken van uw lelies drijven en zouw rivieren afvaren op het vel van een gulden ramdruk ik een legioen van uw geheimen   Lieve Demeter: Laat uw lichaam mijn huis zijn,verleen, enkel aan mij, onderdakaan uw kusten, uw myriade vlaktevan macchia. Laat zien hoe het Hauwmos ontschiet,hoe de oude schors zich lijdzaamververst, laat mij een nieuwe slangenhuid zijn. Ik zal ontvankelijk zijn voor de parasiet,de beneveling die hij veroorzaaktU mag gulzig zijngerusteet gretig van mijsneukel aan mijn ogenverteer mijn verdrietBerust op mijwees een Puma die luiert op mijn takkenverblijd mij met een klare poeldie de rotsen koeling geeft, ik hoor uw fluisterend gebeddat woont tussen de Judasbomen En rust, naast mij onder een luifel van azuurblauw.  

Loïc
0 1

Zomerzoen

Zomerzoen De late namiddagzon schildert de straat goud. Kat hoort het ruisen van de grote eik op de hoek bij het pleintje wanneer ze de voordeur open draait. Ze kijkt naar het voetpad, drie treden diep. Het is elke keer een beproeving om haar zware fiets naar beneden te manoeuvreren. Ze legt haar handen op het koude metaal van het stuur en worstelend met het stalen frame sukkelt ze de treden af.  Het beetje wind dat haar tegemoet waait, streelt haar gezicht als een warme adem. Ze sluit haar ogen, gooit haar hoofd in de nek en koestert zich in de zonnestralen als een lome kater. De voordeur aan de overkant gaat krakend open. De geur van verse soep kronkelt over het voetpad. Kat beseft dat haar maag knort van de honger. ‘Dag Annie,’ knikt ze. De wat oudere dame glimlacht en roept een groet terug. Ze stapt op haar fiets en rijdt weg, richting stad. De fietsketting ratelt bij elke omwenteling. Het klinkt als het gezang van cicaden. De gedachte aan haar geliefde Zuid-Frankrijk doet Kat glimlachen. De ramen en etalages weerspiegelen haar beeld in ritmische flitsen wanneer ze over de Mechelsesteenweg fietst. De zon priemt door het gebladerte van de bomen naast de trambedding en tovert dansende gouden vlekjes op haar armen. Het lijken vlijtige vuurvliegjes. Een tram rammelt voorbij en krijst metaal op metaal wat verder in de bocht. Dingding! Een voetganger maakt zich tijdig uit de voeten. De lucht scheurt aan flarden wanneer een vliegtuig zich hoog boven de daken een weg baant richting wie-weet-waar naartoe. Gelukzakken! denkt Kat. Aan de overkant ligt het gebouw van de Waterwerken. Een fontein spuit met forse halen fris water in het rond. Op de rand van het bassin zitten moeders met kleine kindjes. Een jongetje springt met blote voetjes in het water. Het spat alle kanten op. Hij lacht luidop en danst in het rond, beide handjes in de lucht. Een klein meisje begint onbedaarlijk  te huilen. Kat stopt aan het rode licht. Het is druk vandaag. Verveelde en geïrriteerde chauffeurs zitten oververhit achter het stuur van hun wagen te wachten tot het licht op groen springt. Kat hapt naar adem. De stank van verbrande diesel boort zich in haar neus en longen.  De kolonne fietsers zet zich traag in gang. Een vrouw voor haar glijdt met haar voet van haar pedaal en maakt een noodstop. Kat vloekt inwendig en steekt haar op het nippertje voorbij, net geen botsing. Voor haar, aan de overzijde van de Frankrijklei,  torent het eclectische gebouw van de Nationale Bank. De helmvormige torenspitsen met de dakkapelletjes en smeedijzeren vorstkammen vervullen haar iedere keer weer met verwondering. Op het Blauwtorenplein is het minder druk. Kat fietst voorbij een snoepwinkel. In het portiek staat een beertje dat bellen blaast. Het maakt haar vrolijk. Een grote zeepbel in regenboogkleuren danst trillend voor haar uit, landt op haar neus als een natte zomerzoen en spat in duizenden stukjes uit elkaar.

Kristin Huyghe
12 1