Lezen

Pandemie

                       (vrij vertaald uit het Engels van het oorspronkelijke PANDEMIC door Lynn Ungar)                         Wat als je ermee zou omgaan als                         de Joden met de Sabbath –                         de meest heilige uren?                         Stop met reizen.                         Stop met kopen en verkopen.                         Neem pauze ook, nu alvast,                         in het pogen de wereld anders                         te maken dan hij is.                         Zing. Bid. Raak enkel hen aan                         wie je je leven hebt toegewijd.                           En als je lichaam stil geworden is,                         reik dan uit met hartenhanden.                         Weet dat we verbonden zijn                         op een manier die verschrikkelijk is en mooi.                         (Moeilijk te negeren in deze tijden.)                         Weet dat onze levens                         in andermans handen zijn.                         (Zeker, zo duidelijk als wat.)                         Reik niet uit met je handen.                         Reik vanuit je hart.                         Reik uit met woorden.                         Reik uit met al je ranken                         van mededogen die, onzichtbaar, bewegen                         daar waar aanraken niet kan.                           Beloof deze wereld je liefde –                         in goede en kwade dagen                         in ziekte en gezondheid                         zo lang we zullen leven met z’n allen.

lutjevb@gmail.com
8 0

Dorpel

Ik zit op de dorpel van mijn huis.In mijn verbeelding razen de schimmen van veel te snel rijdende auto’s nog steeds voorbij. Een lege bus dendert langs me heen, op weg naar een onbekende bestemming. De wereld passeert voor mijn deur, maar nu even wat minder. Vogels klateren hun liedjes over me heen en ook de zeemzoete lentelucht wordt tegenwoordig niet meer overstemd door dampende uitlaatgassen. In de berm halen boterbloemen en madeliefjes opgelucht adem. Die hebben geen mondmasker meer nodig. Een zelfzekere merel pikt op zijn dooie gemak zaadjes van tussen de spleten in de bestrating. Als nieuw gekroonde koning van het asfalt paradeert de vogel trots over zijn veroverd grondgebied. Zijn zwarte kraalogen kijken me brutaal aan.De merel werpt schertsende blikken op mijn auto. Die staat al wekenlang stof te vergaren voor mijn deur. Dit voorspelt weinig goeds. Koning kraaloog zal straks onherroepelijk mijn voorruit torpederen met stront. De nieuwe status van de vogel blijkt ook indruk te maken op zijn soortgenoten. Een wulps vrouwtje strijkt naast hem neer. Ze begint speels om hem heen te wippen en schudt frivool met haar staartveren. Dartelend cirkelen ze om elkaar heen. Vogelvrij. Een mus hupt in hun gezichtsveld. Met wapperende vleugels cirkelt hij om het koppel heen. Het doet me denken aan een agent die wild gesticulerend het verkeer probeert te regelen. Met een schel gefluit roept de politie-mus het koppel tot de orde. Zouden ze weten dat ze veel te dicht bij elkaar komen? Ik sta op van de dorpel om terug te keren in mijn bakstenen kooi. De ondergaande zon werpt een gloed over het lege asfalt. Aan de horizon verschijnt een zeldzame auto, zijn gebrom jaagt de vogels de lucht in. De glinsterende koplampen knipogen naar me terwijl ze me passeren. Het koninkrijk ontbonden. Vleugellam. April 2020 - Marmerpiek

marmerpiek
19 0

De Duistere Neergang, epiloog + hoofdstuk 1

Epiloog Het verhaal van de Zeven Zonderlingen begint in het jaar honderddrieëndertig, tijdens de derde generatie van het keizerrijk. Meer dan honderd jaar lang kende de wereld een periode van vrede en rust, onder het gezag van keizerin Alessia Stormkroon. Tientallen verschillende volkeren leefden in harmonie samen met elkaar en met de natuur. Maar de voorbije dertig jaar werd de rust steeds vaker verstoord. Rivieren kwamen droog te staan en dwongen allerlei waterwezens om hun thuishaven te verlaten. Eeuwenoude wouden verdwenen toen de planten stierven. Er doken steeds meer duistere figuren op, die de macht naar zich toe probeerden te trekken en daarvoor wel heel ver gingen, zo ver dat ze niet terugdeinsden voor massamoord. Kort geleden verschenen de eerste legers van Demonen. Ze kwamen 's nachts en vielen de stadsmuren van de belangrijkste steden aan, waaronder die van de hoofdstad Arcana. Hun aanvallen konden tot nu toe gelukkig worden afgeslagen dankzij het snelle en kordate optreden van de stadswachten, maar de chaos en de angst die hun aanvallen verspreidden onder de bevolking was groot. Niemand liep nog rond zonder een wapen op zak en na zonsondergang durfden de inwoners van Astonia niet meer buiten te komen. Afgelopen week stond op alle infoborden dat Aden, de kroonprins van het keizerrijk, spoorloos verdwenen was. Ook de nieuwsbrengers in de grote steden schreeuwden steeds luider dat er een oorlog zat aan te komen. Niemand wist honderd procent zeker of die berichtgeving klopte, maar over één ding waren alle inwoners van Astonia het eens: er kwamen duistere tijden aan. Af en toe verdween er iemand om dan later terug te keren als Cultist, een aanhanger van het occulte. Bovendien ging het gerucht dat er vanuit het Zuiden een mysterieuze ziekte aan het oprukken is, die intussen voor honderden doden heeft gezorgd. Het volk moest bidden tot Amun en Amon, de Goden van het Licht en van de Duisternis. Het was nog maar de vraag of deze Goden iets zouden kunnen uitrichten, want om de wereld te redden van dit kwaad zijn er echte helden nodig. Eerder vandaag stonden die helden op het punt om elkaar voor het eerst te ontmoeten. Ze lunchten namelijk, toevallig of niet, allemaal in De Verdronken Scheper, een herberg in een klein vissersdorpje op loopafstand van de hoofdstad. Op het moment dat ze hun witte bonensoep naar binnen lepelden, wisten ze nog niet dat hun levens op het punt stonden om een heel andere wending te nemen...   1. De Verdronken Scheper Net als elke middag rond lunchtijd heerste er een gezellige drukte in De Verdronken Scheper, de grootste en tevens de enige herberg van het kleine vissersdorpje Hallen. Het geroezemoes van pratende klanten overstemde het getik van bestek tegen stenen kommen en de geur van witte bonensoep hing overal. Aan de muren van De Verdronken Scheper bungelden verroeste lantaarns met kaarsen die hun licht wierpen op de tafels en op de schilderijtjes die her en der omhoog hingen. Het tafelblad van de toog was ontzettend kleverig en stond vol lege bierglazen. De herberg had geen menukaart maar achter de toog hing een krijtbord omhoog waarop te lezen stond welke drankjes en hapjes er momenteel verkrijgbaar waren. 'Ken da nie wa rapper?' bulderde de norse herbergier tegen de ober, die van het schrikken struikelde over een krukje maar zich desondanks nog net wist recht te houden. 'Die Argonianen daarzo wachten al eeuwen op hun drankje!' Hij gebaarde naar twee koppen dampende brandnetelthee op de toog. 'Ja, baas! Deze brengt het in orde!' De donkergrijze katachtige Khajiith die als ober werkte in De Verdronken Scheper verbrande haar poten bijna aan de hete thee. De herbergier mompelde iets onverstaanbaars en tapte nog een biertje. De Khajiith manoeuvreerde zich behendig tussen de dicht bij elkaar staande tafeltjes door. Natuurlijk moest ze de hete koppen thee helemaal naar de andere kant van de herberg brengen, waar twee Argonianen aan een van de ronde tafeltjes zaten te keuvelen terwijl ze hun witte bonensoep met brood naar binnen probeerden te werken. De ene had opvallende smaragdgroene en paarse schubben, de andere had heel lichte schubben. Hun uiterlijk deed denken aan dat van een hagedis, maar dan wel eentje die op zijn achterpoten loopt. 'Deze denkt dat jullie brandnetelthee hadden besteld, klopt dat? Zonder melk maar met honing?' vroeg de Khajiith terwijl ze de twee koppen hete thee neerzette. De twee reptielachtige wezens hielden abrupt op met praten. Ze knikten en betaalden elk een goudstuk. 'Hou het wisselgeld maar,' mompelde de kleinste van de twee. De Khajiith reageerde dankbaar en nam het goud aan. 'Met veel plezier! Als deze nog iets voor jullie kan doen, geven jullie maar een gil!' De Khajiith haalde een ietwat smerige vod uit haar schort en veegde over het tafeltje van de Argonianen als teken van goede wil. Het tafeltje werd alleen maar vuiler, maar niemand zei er iets van. 'Eigenlijk is er wel iets wat je voor ons kunt doen,' zei de grootste van de twee Argonianen. 'Hebben jullie toevallig een gerecht met pinda's? Pindakoekjes, een boterham met pindakaas, of desnoods pindaballetjes?' De Khajiith trok haar wenkbrauwen op vanwege die vreemde vraag. 'Het spijt deze, maar pinda's zijn een luxeproduct bij ons. Ze worden in ons dorp zelden gebruikt omdat ze zo duur zijn. Kan deze u misschien een andere dessert aanbevelen? We hebben heerlijke stroopwafels en...' De grootste Argoniaan onderbrak haar. 'Nee nee, dat hoeft niet. Toch bedankt, eh... hoe heet je eigenlijk?' De Argonianen keken de Khajiith vragend aan. 'De naam is Jaii, tot uw dienst.' De Khajiith maakte een kleine buiging en stak de kaars aan die op het tafeltje van de Argonianen stond. 'Bedankt, Jaii. Mijn naam is Pangur,' stelde de grootste Argoniaanse zichzelf voor. 'En dit is Kahuna. We zijn allebei op doorreis en we kwamen elkaar toevallig tegen in de haven.' Kahuna knikte maar zei niets terwijl ze van haar thee nipte. 'Oh, naar waar zijn jullie onderweg?' Jaii had van haar baas de opdracht gekregen om met klanten te praten over hun reisplannen. Bovendien had ze onlangs zelf een hele lange reis gemaakt, maar daar wilde ze liever niet over praten. 'Ik kom rechtstreeks van Marsan, het eiland waar de Argonianen leven. Ik ben op weg naar de hoofdstad,' vertelde Pangur. 'En Kahuna komt net van de hoofdstad en ze is op weg naar... Ja, naar waar eigenlijk?' Ze gluurde naar Kahuna, die zich verslikte in haar brandnetelthee. 'Ik eh... Ik ben gewoon een beetje aan het rondreizen,' mompelde Kahuna. 'Je weet wel, mooie plaatsen bezoeken en oude gebouwen bekijken en zo. Ik dacht erover om terug te keren naar Marsan, maar ach...' 'Dat moet je niet doen,' riep Pangur uit. Ze sloeg met haar vuist op tafel waardoor de bonensoep over de rand van de kom klotste. 'De helft van de rivieren staat intussen droog, er is nu al niet genoeg water voor iedereen. Hoe meer Argonianen weggaan uit Marsan, hoe beter. Het wordt er stilaan onleefbaar.' Kahuna staarde ongelukkig naar haar theekop terwijl Pangur een stuk opgerold perkament uit haar tas haalde. Het was een wereldkaart waarop de route stond aangegeven die ze tot nu toe had afgelegd. 'Met de boot ging ik vanuit Marsan naar de havenstad Kamal en van daaruit...' Een harde klap verstoorde de rust in De Verdronken Scheper en Jaii, Kahuna en Pangur keken op van de wereldkaart. Een felle rukwind waaide door de open deur naar binnen en blies alle kaarsen uit. Een jonge Argoniaanse vrouw struikelde naar binnen en bleef wankelend staan naast een tafeltje waaraan een ruige Mensenvrouw zat te eten. 'Help me!' riep de Argoniaanse vrouw paniekerig. Jaii en Pangur sprongen meteen overeind om de arme dame te helpen. Ze zag lijkbleek en haar witte jurk was aan de onderkant aan flarden gescheurd. Ze strompelde verder en hield zich vast aan het tafeltje van de Mensenvrouw om niet te vallen. 'Ze hebben mijn broer ontvoerd! Iemand moet me helpen!' Ze zakte door haar knieën maar de Mensenvrouw wist haar net op tijd op te vangen. Voorzichtig zette ze de hysterische vrouw neer op een stoel. Ook Kahuna was erbij komen staan, net als de woest uitziende Elfenman met zijn donkere mantel die daarnet aan de toog zat. De herbergier keek toe met open mond terwijl hij een bierkan afdroogde. 'Alstublieft,' smeekte de arme vrouw. 'Mijn broer is alles wat ik nog heb. Ze hebben me alles afgenomen en nu hebben ze ook nog eens mijn broer ontvoerd. Zonder hem kan ik niet overleven!' Ze keek de Mensenvrouw aan met een betraand gezicht. 'Wat is er precies gebeurd? Wie heeft jouw broer ontvoerd?' bromde de Elfenman met zijn zware stem. 'Een bende Cultisten heeft hem meegenomen. Kharek en ik waren kruiden aan het plukken in de buurt van de Oude ruïnes, ten noorden van het dorp, toen ze plots opdoken. Ze waren met zo veel, ik kon niets doen om hen tegen te houden!' De vrouw begon luid te snikken, waarop de Mensenvrouw en Jaii naar haar toe liepen om haar te troosten. 'Alstublieft, ik smeek u om mij te helpen. Mijn naam is Mirra en ik heb niet veel, maar ik geef u alles wat ik heb als u mijn broer maar terugvindt. Kharek heeft een lang litteken op zijn rechterbovenbeen, daaraan kun je hem herkennen.' Na die laatste woorden zakte de vrouw in elkaar. Ze was flauwgevallen door alle emoties en door de uitputting van al het lopen. Jaii, Kahuna, Pangur en de twee andere onbekenden staarden elkaar zwijgend aan. De vrouw vroeg hen om haar broer te zoeken, maar wat konden zij in hemelsnaam uitrichten tegen zo'n bende Cultisten? Ze kenden elkaar niet eens! 'Wel, sta da niezo me je mond vol tanden. Doe iets!' gromde de herbergier. Hij wierp een vieze, natte handdoek naar Jaii's hoofd maar die bukte net op tijd om niet geraakt te worden. De handdoek belandde op de smerige vloer. 'Khajiith, breng da lijk na buiten! 'k Wil geen smerige dinge in m'n herberg.' De herbergier zette een halfvolle beker mede op de toog en gebaarde naar de bewusteloze vrouw. De aanwezige klanten waren verbijsterd door zoveel onbeleefdheid. Het bleef een paar seconden stil, totdat Jaii haar schort uittrok en de belachelijke witte handschoenen van haar poten deed. 'Deze moet die arme vrouw helpen,' zei Jaii rustig. 'Haar broer is ontvoerd door een stelletje Cultisten en deze kan die monsters niet zomaar laten begaan.' De herbergier stond met zijn mond vol tanden. De kan die hij probeerde af te drogen, werd steeds viezer door de vuile handdoek die hij gebruikte. Het was nooit eerder voorgevallen dat iemand hem tegensprak. 'Baas, jij hebt toch een koets? En paarden?' Jaii's smekende toon had geen merkbaar effect op de herbergier. 'Zou deze die alsjeblieft mogen lenen? Hoe sneller we bij de Oude ruïnes zijn, hoe beter. Hoe eerder we er zijn, hoe meer kans we hebben dat Kharek nog leeft.' Ondertussen gluurde Jaii naar Kahuna en Pangur. 'Willen jullie deze vergezellen? Ik weet dat ik ontzettend scherpe klauwen en tanden heb, maar in m'n eentje kan deze die Cultisten niet aan.' Pangur knikte bevestigend zonder er verder over na te denken en trok haar wollen mantel aan. 'En jij, Kahuna?' Jaii keek de Argoniaanse vrouw smekend aan. Kahuna sloot haar ogen en dacht een halve minuut lang na, alsof ze de voor- en nadelen tegen elkaar af woog. 'Ja, ik zal jullie vergezellen,' mompelde ze uiteindelijken ze raapte haar tas van de grond. Een paar seconden later dronk de Elf zijn beker rode wijn leeg en bromde. 'Ik kan jullie niet alleen laten gaan, jullie zijn veel te kwetsbaar. Twee Argonianen en een Khajiith, dat is niet veel soeps. Ik ga ook met jullie mee,' zei hij. 'Mijn naam is Abigor en ik sta tot jullie dienst.' De Mensenvrouw schraapte haar keel terwijl ze een goudstuk door haar lange vingers liet glijden. Ze droeg voornamelijk bruine en witte kleding, met daaroverheen een opvallende, rode mantel. Die mantel was het symbool van de jagersgilde waar ze deel van uitmaakte. 'Ik geloof dat jullie de hulp van een Jager wel kunnen gebruiken,' mompelde ze. 'Jullie kunnen op Eleanor rekenen.' Ze stak haar hand uit om die van de anderen te schudden. De herbergier trok zijn wenkbrauwen op en keek alsof ze allemaal gek geworden waren. De bierkan in zijn handen liep over en het bier stroomde over de toog, maar hij merkte het niet eens. 'Nou, goed dan. Jullie moge m'n koets en een van m'n paarden lenen voor vijftig goudstukken.' Hij zette de bierkan aan zijn mond en nam een flinke slok. Het bier droop langs zijn mondhoeken naar beneden. 'WAT?' riep Jaii verontwaardigd uit. 'Vijftig goudstukken voor die schroothoop? Jij lelijke, achterlijke...' Eleanor keek haar waarschuwend aan en Jaii slikte met moeite haar woorden in. De twee Argonianen en Abigor schaarden zich rond Jaii en de vrouw en probeerden de herbergier te overhalen om hen de koets gratis mee te geven. 'Ik wil vijftig goudstukken voor m'n koets en m'n paard of jullie kenne te voet gaan.' De herbergier liet zich niet intimideren en hield voet bij stuk. Jaii slaakte een kreet van frustratie maar Kahuna probeerde haar te sussen. 'Nou, ik... Ik kan wel een aantal goudstukken missen,' fluisterde Kahuna terwijl ze in haar zak grabbelde en een aantal goudstukken tevoorschijn haalde. 'Dan draag ik ook mijn steentje bij.' Pangur schudde haar geldbuidel leeg in Jaii's poot. 'Ik heb ook nog wat goud over,' mompelde Abigor. Binnen een minuut hadden ze vijftig goudstukken bij elkaar gesprokkeld. Triomfantelijk liep Jaii naar haar baas en drukte de goudstukken in zijn handen. Met zijn lange, vieze nagels tikte de herbergier tegen de goudstukken om te controleren of ze wel echt waren. Hij koos er eentje uit en beet erin, waarna hij goedkeurend knikte. 'Prima, neem die koets ma mee. Ik verwacht jou morgen weer t'rug, Jaii. Jouw keukendienst begint om half negen.' Terwijl ze naar buiten liepen via de achterdeur, begon Jaii te grinniken. 'Morgen? Maar we hebben toch helemaal niet afgesproken hoe láng we de koets mochten lenen? Bovendien neem ik ontslag. Tot ziens!' Ze zwaaide ten afscheid, griste haar staf met zich mee en liep achter de anderen aan naar buiten. Een eindje verderop vonden ze de koets en een paard dat er uitgehongerd uit zag. Jaii haalde een baal stro uit de stal zodat het paard kon eten. Eleanor tuigde het paard op alsof ze nooit iets anders gedaan had en al gauw waren ze onderweg naar de Oude ruïnes. 'Team Taverne to the rescue!' grapte Jaii in een poging het ijs te breken. De anderen lachten toen ze terug dachten aan het woedende gezicht van de herbergier toen Jaii zei dat ze ontslag nam. Pangur was druk in gesprek met Eleanor om haar de beste route naar de Oude ruïnes uit te leggen. Pangur was erg goed in navigatie en Eleanor wist het best hoe ze een paard moest mennen, dus werd de knoop snel doorgehakt. Eleanor zou de koets besturen en Pangur zou naast haar vooraan op de koets zitten om de weg te wijzen. Een tijd lang reisden ze in stilte, maar toen stelde Abigor de vraag die op ieders lippen rustte. 'Denken jullie dat de broer van die vrouw nog leeft?' Het geschok en gekraak van de koets voorspelde niet veel goeds. Vooraan op de koets deed Eleanor haar best om het paard te mennen, maar het arme beest was zo verzwakt dat ze niet erg snel vooruit gingen. 'Geen idee.' Jaii gaapte met haar poot voor haar mond. 'Het enige dat ik zeker weet, is dat ik nu een dutje ga doen. Ik snap nu waarom die herbergier geen serveerster kon vinden, want zijn werkuren zijn onmenselijk. Zelfs een Nachtelf zou het niet kunnen volhouden!' Ze leunde achterover op de bank en binnen een paar seconden sliep ze. Ook de anderen maakten het zich gemakkelijk en al gauw lag iedereen te slapen, behalve Eleanor en Pangur natuurlijk. Buiten brandde de felle middagzon op haar hoofd, maar dat gaf niet. Het avontuur was begonnen.   'De Duistere Neergang' is een verhaal van Eva Linden dat momenteel bij de proeflezers ligt en binnenkort naar de uitgeverij gestuurd zal worden. Wil je graag op de hoogte blijven van de schrijfsels van Eva? Neem dan zeker een kijkje op haar Facebookpagina

Eva Linden
45 0

Inspiratie is een diva

Inspiratie beschouw ik als iets extern, als iets dat buiten mezelf bestaat in een efemere toestand, zoekend naar een drager of ontvanger. Zoekend is misschien niet het juiste woord, inspiratie wordt eerder aangetrokken door de meest geschikte voedingsbodem vanwaar ze kan uitgroeien tot een vaste vorm. Als een dwarrelend zaadje in de wind dat uiteindelijk een plekje in de grond opeist. De voedingsbodem waartoe inspiratie zich aangetrokken voelt, moet een zekere rijkdom bevatten. Dat wil zeggen dat inspiratie enkel een toevoeging kan zijn aan iets dat reeds van waarde is. Ze kan zich niet manifesteren in een vacuüm. Om zich te materialiseren is inspiratie afhankelijk van een welwillende ontvanger. Er zijn gelukkig meerdere potentiële ontvangers waar inspiratie zich bij kan aandienen. Inspiratie is ontembaar, niet te dwingen of te regelen. Ze wil het liefst spontaan in een open geest ontvangen worden. Er zijn wel enkele dingen die je kunt doen om jezelf aantrekkelijk te maken voor inspiratie. Bijvoorbeeld door simpelweg luidop of in gedachten te spreken tot inspiratie en te zeggen dat je jezelf openstelt voor haar. Rust is ook een vereiste, al is het alleen intern. Een hoofd vol gedachten blokkeert inspiratie. Je kunt een band opbouwen met inspiratie en haar een vaste plaats in je leven geven. Een meesterlijke creator voorziet steeds voldoende tijd en ruimte waarin ze kan floreren. En heeft er vertrouwen in dat ze er zal zijn. De uitwisseling gebeurt gevoelsmatig en moeiteloos. Inspiratie kan je overvallen en je treffen op een moment dat je even de middelen niet hebt om haar te ontvangen. Maar wie inspiratie echt naar waarde schat, geeft haar met plezier en vanuit dankbaarheid voorrang. Inspiratie is als een diva die erop staat om op haar wenken bediend te worden. Maar ze kan ook geduldig zijn. Ze heeft begrip voor de drukke dagdagelijksheid van haar ontvangers en voor onverwachte omstandigheden. Als het moet, dan blijft ze wel even in de buurt wachten tot de omstandigheden gunstig zijn. Maar als de respons uitblijft, dan zal ze zich tot andere ontvangers wenden. Inspiratie is dus niet persoonsgebonden, noch kan ze iemand toegeëigend worden. We kunnen onszelf wel wijsmaken dat bepaalde lumineuze ideeën zomaar vanuit onszelf zijn opgeborreld, maar in wezen zijn ze ons binnengevallen. Inspiratie hoeft geen erkenning, haar ontvangers mogen gerust in de waan verkeren dat ze alles zelf bedenken, zolang zij maar tot uiting komt. Ze heeft geen ego, ze is enkel een potentieel, een energie die een vorm wil zijn. Als haar aanwezigheid het halsstarrig laat afweten, dan moet je de reden bij jezelf zoeken. Want elk ontvankelijk open kanaal zuigt inspiratie aan. Indien dit niet het geval is, dan is er iets dat de ontvangst blokkeert. Dat kunnen gedachten en overtuigingen zijn. Onrust. Een gebrek aan zelfvertrouwen. Of iets anders. Te hard willen werkt ook niet, op geen enkel vlak trouwens. Het is beter om iets hartstochtelijk te willen, ernaar te handelen en het dan in volle vertrouwen weer los te laten. Zit niet te wachten op inspiratie, maar vertrouw erop dat ze wel zal komen. Speel, leer en experimenteer ondertussen gewoon verder. Onverwacht zal zij plots opduiken en jou doen glimlachen. Mijn relatie met inspiratie is redelijk hecht. Ik maak bewust tijd voor rustige momenten op mezelf, wat ruimte schept voor spontane creativiteit. En in zulke omstandigheden bezoekt inspiratie mij graag. Ze fluistert mij een idee of een paar sterke zinnen toe. Ik neem vervolgens een notitieboekje of klap mijn laptop open. En dan laat haar stromen, via mijn vingers het leven in.

KarolienDeman
40 1
Tip

Brief aan de buitenkomers

Als je mij twee maand geleden had gezegd dat er een moment zou komen waarop de mensheid mijn bloeddruk nog harder de hoogte in zou jagen dan reeds het geval was, had ik je verteld dat dat onmogelijk was. Het begon nochtans allemaal zo schoon. Toen de eerste paar longen het begaven in ziekenhuizen waarvan we ons de binnenkant voor de geest konden halen zonder camerabeelden, sijpelde het stilaan door tot in de meeste huiskamers, of er nu glazen wijn, blikken bier of flesjes River-cola op de salontafel stonden. Niemand zou onveranderd blijven door deze dreiging. Hoe contradictorisch ook, dit ding zou ons, door mensen weg te rukken, harder dan ooit verbinden met elkaar. Dus we hingen vlaggen uit voor de zorgverleners, die we hiervoor misschien nooit voldoende naar waarde geschat hadden. En we zetten beertjes voor ons raam om de kinderen, én – geef maar toe – volwassenen, toch even aan iets anders te laten denken. En een tijdje voelde het aan alsof het EK al begonnen was en we met 11 miljoen allemaal voor hetzelfde team supporterden. Ik weet dat ik niet de makkelijkste mens ben om je rond te bewegen. Ik maak me druk om dingen die anderen niet opmerken. Ik erger mij kapot aan mensen die hun gsm niet op stil zetten, waardoor ik elke toetsaanslag, elke Instagramstory en elk binnenkomend bericht mee moet ondergaan. Ik stoor me mateloos aan mensen die de pijlen in de Colruyt niet volgen, maar doen alsof jíj́ hen de weg verspert. En ik wil mijn haar uittrekken elke avond wanneer dat nerveuze ventje op de trein de twee vrije stoelen voor me negeert en naast mij komt zitten – hij wordt misselijk van tegen de richting in te rijden – om dan z'n krant op het tafeltje vlak voor mij – míj́n tafeltje, waar míj́n iPad staat! – te leggen, vervolgens z'n dagelijkse stuk fruit – een overrijpe banaan – begint weg te smakken, tussendoor z'n zenuwtrekjes kucht, in zichzelf praat en mij minstens vijf keer per rit met z'n knie of elleboog aanraakt, ook nadat hij onhandig over mijn benen naar het vuilbakje heeft gereikt om er zo de stank van de bananenschil voor de rest van de reis in mijn neusgaten te parkeren. Misschien is dat de hoogsensitiviteit. Misschien mijn slechte concentratievermogen. Of misschien ben ik gewoon een onverdraagzame eikel. Mijn conclusie is dat andere mensen gewoon onnoemelijk irritant zijn. Het was dan ook een verrassend aangename ervaring om eerst twee weken in quarantaine thuis te zitten en de dagen dat de griepsymptomen verzwakt waren, in alle rust te lezen, Netflixen en ongestoord introvert te kunnen zijn. Toen ik terug buiten mocht, leek ook de buitenwereld een vredigere plek dan dat ik me haar herinnerde. Motorgeluiden hadden plaatsgemaakt voor vogelgezang. Verkeerslichten aan het drukste kruispunt van de buurt veranderden van kleur zonder getuigen. Mensen wandelden en fietsten rond alsof de auto een futuristisch speeltje voor de allerrijksten was, wat, hoewel ik in Heist-op-den-Berg woon, ervoor toch anders was. En dan begon het. Al snel bleek dat elke Belg een hiervoor nooit ontgonnen passie voor wandelen, lopen en fietsen in zich droeg. Ik wil niet weten hoeveel niet-essentiële verplaatsingen er de laatste weken bij mekaar 'gesport' zijn. We moeten allemaal in ons kot blijven en er was nog nooit zoveel volk op de been. Sweet, sweet irony. Maar goed, we moeten mentaal gezond blijven en fysieke inspanning kan dat alleen maar bevorderen. Tot daar ben ik akkoord. Maar sommigen snappen het blijkbaar nog altijd niet. Zo leerde ik in de tijd uit m'n kot dat de 1,5-meter-afstandsregel blijkbaar niet geldt voor fietsers. Het maximum aantal dat in de broodjeszaak tegelijk binnen mag, telt niet voor die flapdrol die elke week z'n twee broodjes op voorhand bestelt. Met een ander koppel op je dakterras barbecueën mag, zolang je onze achterburen bent. Vorig weekend nog, wandelde ik langs een achtertuin waar zes mensen lustig aan het buurtfeesten waren, de glazen cava nog op tafel. Om maar te zwijgen van de vierkoppige groepjes wielrenners. Zelfs als ik rondkijk in m'n straat zie ik hier voordeuren vlotjes opengaan en mensen binnenlaten alsof het 2019 is. Als dat allemaal gezinnen zijn, is polygamie duidelijk een pak meer mainstream dan ik dacht. Ik begrijp het, hoor. Het is niet fijn om je aan opgelegde regeltjes van wereldvreemde grootverdieners in kostuums of experten in V-halstruien te moeten houden. Zeker als we daarvoor moeten inboeten aan onze oh zo vanzelfsprekende vrijheden. Maar het gaat hier nog altijd létterlijk om levens. Kunnen we dus alsjeblief nog even doen alsof er een virus onder de mensen hangt dat al 7.500 slachtoffers eiste en dat opnieuw zal doen als wij te eigenzinnig zijn om onze dagdagelijkse futiliteiten ervoor te laten? Ik snap dat je 't niet voor mij doet. Maar doe het dan voor je ouders. Voor je grootouders. Voor je kinderen in het derde, vierde en vijfde leerjaar die hun vrienden ook de komende weken nog zullen blijven missen. Voor je kleinkinderen. Doe het voor de zorgverleners die al zeven weken hun leven op het spel zetten in de meest traumatische omstandigheden die ze ooit beleefden. Voor de koerier die jou tegenwoordig voorziet van zowat álles, en je de eerste week wc-papier bracht omdat elke winkelbezoeker permanente diarree verwachtte te krijgen. Doe het voor de horeca-uitbaters die kortademig worden als ze naar hun omzet en hun vaste kosten kijken. Doe het gewoon. Dan kunnen we binnenkort allemaal onze familie nog 'ns vastpakken. En dan kan ik mij terug dood ergeren aan dat nerveuze ventje op de trein, omdat er geen grotere, levensbedreigende problemen zijn om mij mee bezig te houden.

Hans Verhaegen
186 6