Lezen

Meisje van zestien

  Het appartement op de negende verdieping had iets van een stilleven. De late najaarszon zorgde voor een vreemd contrast. Als een gerichte spot die de helft van de living goudkleurig verlichtte en de rest onder een grauw zeil verstikte. Zij splitste het bestaan in wit en zwart. Hanne zat aan de verkeerde kant. Suf keek pa naar de ronde wandklok in de keuken. Vanop de salonbank zag hij er door de openstaande deur, recht op uit. Nog zo vroeg en bijna avond? De zondagen waren hun naam niet meer waardig. Hij trok zich recht en legde zijn haar in de plooi. Wat hij altijd deed sinds Esther hem verboden had de verveling van zijn lijf te krabben als hun dochter in de buurt was. Zich beheersen was voor hem geen lachertje. Opgroeien voor Hanne ook niet. “Zo zie ik het nieuws eens van bij het begin.” grapte hij in haar richting. “Bevertje, zap de teevee eens aan. Hopelijk zijn er niet teveel doden.” “Koop een smartphone, zoals iedereen.” beet zij terug. “Dan hoef je niet op het nieuws te wachten. Teevee is kut. En stop met dat bevertje.” Sinds Hanne een pedagogische instelling-zonder-examens bezocht, hanteerde zij een heftig taalgebruik. Alsof zij niets meer te verliezen had. Nors wierp zij haar mobieltje naast zich neer, scharrelde naar de afstandsbediening en gehoorzaamde. Zoals steeds. Voor hoelang nog? De witte straal die aanfloepte, wiebelde op de kadans van de kommentaarstem. Op de achtergrond loeiden politiesirenes en knalden revolverschoten. Onverstoord ging de stem verder. Op een vlakke toon, alsof zij een keukenrecept voorlas. “Het was juist rustig.” jammerde ma van achter het fornuis. De ene keuken was de andere niet. Haar weeklacht klonk van nog verder. Hanne zuchtte. Het werd tijd dat zij naar haar kamer ging om wat stilte met haar followers te delen. Voor de Instagram-familie was het nooit te laat of te luid. Haar internetverwanten hadden altijd een blij gezicht, een vrolijk hart. Snel hengelde zij terug naar haar gsm. Misschien had zij in de verloren minuten, belangrijke berichten gemist. Zij maakte het snel goed en dropte wat emoji’s. “Nepnieuws.” zeurde pa. “Het enige waar jouw smartphone toe in staat is.” Hij deed het woord “smart” tussen aanhalingstekens klinken, alsof er niet veel vernuft bij te pas kwam. “En vermist echt nieuws jou niet interesseert, kan je misschien de tijd nemen om het raam dicht te schuiven. Want zeg eens, wat gebeurt er vanavond? Zo snel donker en nog koud ook.” Onverstoord tokkelde Hanne verder. “Bevertje!” beval hij. “Schuif het raam dicht!” Geïrriteerd veerde zij recht, haastte zich naar het terras en liet de zware glaswand langs de buitenkant dicht glijden. Alsof zij zich buiten sloot en nieuwe opmerkingen wou afgrendelen. De kille avond plakte meteen tegen haar wang. Het deed haar goed. Zij verafschuwde de bevelen van haar pa, zijn opgefokt woordgebruik. Zij baalde van zijn taal, maar had vooral een hekel aan zijn troetelnaampjes. Wat dacht hij wel? Zij was geen kind meer, bijna een vrouw. Eigenlijk haatte zij hem. Had een afschuw aan het appartement. Behalve aan het uitzicht. Dat was cool. Even vergat zij haar wereldwijde webvrienden om in de verte te turen. Naar de stad, aan de andere oever van de stroom, van hun woonblok gescheiden door uitgestrekt groen en kunstmeertjes. Waterplassen waarop overdag piepkleine zeilboten dobberden. Heel chic. Op dit late uur, zorgden alleen de stemmen van spelende tieners voor wat leven. Over de reling keek zij in de diepte, naar het sportterreintje, voorbehouden aan de flatbewoners. Vandaag om te frisbeeën. Een rode schotel flitste van de ene hand naar de andere en ontlokte gedempte waw’s en yeah’s. Zij herkende meteen de jongen van verdieping vijf. Zijn stem was even irritant als zijn gezicht vol puisten. Als zij hem in de lift kruiste, durfde zij hem zelfs niet onrechtstreeks via de wandspiegels aan te kijken, uit angst te moeten overgeven. Wat een zielenpoot. Een opschepper zoals iedereen in dit gebouw. Hier huisden alleen mensen die aanzien wilden afdwingen. Toen haar vader een jaar geleden een fikse promotie bij de bank had gekregen, waren de muurhoge ramen, de namaak openhaard en het dure parket bedoeld als trapje hogerop. Of beter, als trap hogerop. Tot verdieping negen. Het nummer van de elite, zoals hij dat omschreef als er visite was. Bullshit. Gelukkig was er het uitzicht. De puistenjongen scoorde met veel kabaal. Zij hoorde hoe de anderen hem omhelsden en kneep vol walging haar ogen dicht. “Boe!” grapte pa achter haar rug. Het deed pijn in haar oor, alsof hij er een stop  in propte. Hij deed haar altijd pijn. Zij verstijfde, had hem niet horen aankomen. “Aan tafel!” beval hij. “Of heeft Bevertje geen honger?” Verkrampt zocht haar buik steun tegen de borstwering.  Op een dag zou zij de vaderaffectie niet meer aankunnen. Genoeg hebben van zijn grappen. Hij, de beul. Zij, het vaderskindje, de liefde van zijn leven, zoals hij dat bij diezelfde visites gevat omschreef. Gevolgd door een houterige aai over haar sluikhaar, alsof zij een puppy was. Zij was een meisje van zestien dat niet aanvaardde hoe hij van haar hield. Het moest anders, maar hoe?  Zij wou weg. De rode schijf beneden zoefde nog steeds van hand tot hand. Bij elke worp, elke opvang, deden de jongens uitbundiger. Brutaler. De frisbee werd een rode stip die kinetisch in alle richtingen danste. Een lichtpunt dat haar hypnotiseerde. Haar naar beneden lokte. Zij verzette zich niet. Dit was het moment. Zij was een vogel die zijn vleugels niet meer kon uitslaan. De zwaartekracht zou haar werk doen. Haar feilloos laten zweven. Tot op het zachte asfalt van het sportterreintje. Hanne zou het laten gebeuren. Ogen wijd open. Zo moest het. Eindelijk stilte. Op het ogenblik dat zij zich niet meer verweerde, sloeg pa zijn arm rond haar schouders en drukte zijn hoofd tegen dat van haar. “Het is al goed. ” suste hij. “Ik heb het begrepen, wij gaan het anders aanpakken, weg dat bevertje.” Eén enkele zin en de spookgedachte in haar hoofd plofte de dieperik in. Niet zij. Gaf hij dan toch om haar? Zou hij ooit een echte daddy worden? Goed dat zij niet sprong en hem een nieuwe kans gunde. Een meisje van zestien flitst snel van zwart naar wit. Soms op het nippertje.

Dorlan Slefficsroth
28 0

Stroom

Bij het aanbreken van de dag sta ik klaar op het perron. Vol verwachting (komt hij op tijd vandaag?) wacht ik tot de slagbomen onder muzikale begeleiding de overweg afsluiten. De trein komt het station binnengerold. Ik zoek mijn plekje, zo ver mogelijk achteraan, maar nooit in de laatste wagon, daar wijk ik niet van af. Ik dommel nooit meer in zoals vroeger, toen eindeloos lange nachten versmolten met langgerekte dagen. Ik laat de muziek door mijn oortjes stromen, werp een vluchtige blik op het nieuws van de dag, geniet van een licht ontbijt. Dan is het tijd om te verdwalen in mijn boek. Vroeger dansten de letters ongrijpbaar voor mijn ogen, nu vinden ze gemakkelijk de weg naar mijn bewustzijn. Ik slik de zinnen gulzig in terwijl de trein zich een weg door het landschap slingert. Sidderend en bevend rijden de minuten voorbij. Soms kijk ik even op, verwonder me over een zonsopgang, over een nieuwe dag die ontwaakt. Ik wil de tijd rekken, verder opgaan in de woordenstroom, maar daar komt de laatste halte al in zicht. Op het werk, in het veel te fel verlichte kantoor, glijdt de tijd voorbij, altijd veel te traag, of veel te snel. Als de dag de avond kust, kan ik terug naar mijn trein. Dan maak ik tijd voor gesprekken, haak ik mijn wagonnetje vast, aan bekenden en volslagen wildvreemden. Bij gebrek aan gezelschap, kruip ik terug in mijn boek, soms doe ik even mijn ogen dicht, dan laat ik de dag rustig wegzinken. Nog voor ik het spoor bijster raak, rolt de trein mijn eindstation binnen.

Ine Moreels
13 0

Patatten met snottebellen

Een man van pakweg zeventig jaar, al kan het ook een jong uitziende tachtiger zijn, speurt in een taverne naar een vrijstaande tafel. In zijn kielzog schuifelen twee jongemannen. "Opa met zijn kleinzonen", zeg ik. Het koppel naast ons zwaait naar de man. De vrouw maakt daarbij ietwat overdreven lipbewegingen, zonder een geluid voort te brengen. "Wij vertrekken zo", liplees ik. "Dat is vriendelijk", zegt de man. Ik begrijp dat ze net voordien samen een grote militaire begraafplaats bezocht hebben. De kleinzonen zijn onder de indruk. "Opa heeft nog gezien dat ze de stoffelijke resten van de soldaten met vrachtwagens tot hier brachten", zegt hij. Grootouders spreken vaak in de derde persoon over zichzelf. "Misschien vertellen zijn kleinkinderen dat verhaal volgende week wel in de klas", fluister ik. "Of hij kan het er beter zelf vertellen. Een verhaal uit eerste hand blijft altijd meer hangen." De oudste van de twee kleinzonen heeft de leeftijd om een pintje te bestellen. Opa knikt goedkeurend. Als hij even later een foto neemt van zijn kleinzonen, zegt de oudste dat hij die maar niet naar hun papa moet sturen. Aan hun accent hoor ik dat de kleinkinderen aan de andere kant van het land wonen. De jongste heeft onlangs een voetbalwedstrijd in de streek van Brugge gespeeld. Op een slecht veld. "Een patattenveld dus", zegt opa. Waarna hij moet uitleggen waar die naam vandaan komt. "Alsof ze net aardappelen hebben uitgedaan op het veld", verklaart hij. "Ik heb vroeger vaak op echte patattenvelden gezeten", zeg ik tegen mijn vrouw. "De aardappelen gerooid in de tuin of op het veld. Op onze knieën. Onze pa met de riek en ons ma met een rode doek op haar hoofd. Ik zie ons nog zitten. Met de ijzeren mand om de aardappelen in te doen. Het leek wel eens scène uit een oud schilderij. Op zich leuk om te doen, maar af en toe graaf je een rotte aardappel op. Behoorlijk vies, zoals snottebellen." "Zeg, we gaan dadelijk wel eten", zegt mijn vrouw. "En als je dan 's avonds in bad ging", ga ik verder alsof ik het niet gehoord heb, "zag het water achteraf zo zwart als de nacht. Precies alsof er inkt in plaats van water in het bad zat. Het groene schuursponsje lag klaar, samen met de gele bus Cif, om achteraf het bad terug netjes te maken. Drie dagen later kwam er nog zand uit mijn neus." "Jij moet later ook van die verhalen vertellen", zegt mijn vrouw. "Opa heeft vroeger nog veel patatten geraapt, kan je dan zeggen." Net op dat moment brengt de ober ons eten. "Inderdaad", zeg ik. "Patatten met snottebellen."

Rudi Lavreysen
5 0

Het is rap gebeurd

Zondagavond in de wachtzaal van de spoed. Ondanks de urgentie van sommige letsels is iedereen er gelijk voor de wet. Wachten tot je aan de beurt bent. Er komen extra stoelen. "We hebben een tweede urgentie-arts opgeroepen", komt de eerste zeggen. Wegens de onvoorziene drukte. Voor ongevallen tijdens sportwedstrijden, zoals onze voetballer en zijn knie. Hij is niet alleen. Nog een voetballer en twee handballers hebben ook iets … aan de hand. En accidenten tijdens feestjes. Een man komt met een zwaar bebloede keukenhanddoek tegenover me zitten. De handdoek krijgt het bloed niet geabsorbeerd. Er vallen druppels op de vloer. Zijn gezicht ziet zo wit als de handdoek ooit geweest is. Ze laten hem gelukkig snel binnen. Was het een mes? Glas? “Het is rap gebeurd”, zegt een mevrouw. Het tv-toestel aan het plafond staat aan, maar het ruist en kraakt. Alsof het sympathiseert met de gewonden. Later op de avond zitten we in een nieuwe wachtzaal. Een man leunt tegen de deurstijl. “In het ziekenhuis kom je maar voor één ding voor je plezier. Als er iemand bevallen is”, zegt hij. Waarna hij zelf naar zijn buik kijkt. “Nee, het lijkt zo, maar ik ben nog niet zover”, lacht hij luid. Een andere man vertelt honderduit over de kwetsuur aan zijn voet. Hoe hij de hele week heeft rondgelopen met een dikke enkel. En dat ze allemaal niet zo flauw moeten doen. Later zien we in de deuropening een voet in het plaaster voorbijkomen. Vervolgens de praatjesman met een bedrukt gezicht en dan zijn vrouw die hem voortduwt in de rolstoel. “Nu heeft hij het niet zo druk”, lacht de man die nog altijd tegen de deurstijl leunt. Als we later met slecht nieuws over de voetballersknie naar huis vertrekken zie ik dat de tv in de eerste wachtzaal nog altijd kraakt.

Rudi Lavreysen
119 0