Lezen

België

Ik pas mij aan. Zo ook met het streepje aan de horizon. Mijn hoofd lichtjes gekanteld, vlekken voor mijn ogen. Voortekens. Banaliteiten en supermannen.   Is er dan nergens een thuiskomen? Mijn handen in de vorm van een kom. Snap je? Verder niets. Niets niets niets en nergens meer dan hier. Ik vertik het. Vertik het te wachten. Te wachten op een wuivend handgebaar. Curieus hoe men lacht dezer dagen. Heel erg hard.   Voorzien van schouderklopjes de winter in. Komt goed zo. Massale belangstelling voor winterkopjes. Trillend in de schaduw van het koude. Hoe ik ze imiteer. Help, ik ben een man!   Heel veel stof tot nadenken. Me dunkt. Roodborstjes op mijn armen nu. Kwetter maar, vanaf nu hoor ik niets meer. Curieus hoe men lacht dezer dagen.   Water dat stroomt over lappen land, over nergens meer dan hierzo. Natte tenen.   Metafoor voor clowns. Het koud hebben? Misschien wel, en in andere oorden verzint men bestaan op een andere manier. Ik wil misschien wel een fijn snorretje. De weegschaal zegt vanalles. Klopt toch niet. Schandalig hoe men luidkeels vrienden blijft (kan ik wisselen?).   Hoge toppen, verdere rits-situaties, kanjers van geeuwen, malle theorieën over Belgen. Mijn huis is zoek. De vrienden: zoek. De herinneringen: heb ik misschien nog wel ergens. Zo, dat ademt gemakkelijker.   Tellen tot 10. Vloeken. Mond op slot. Hap. Een gat in de conversatie. Curieus hoe men lacht. Mijn dood: bombastisch. Erg veel drama.   Wisselgeld: onbestaande. In morsecode: nee. Gebarentaal: bestaat. Daar ben ik tevreden over. Je zou voor minder.   In alle gevallen: gebruik een nooddeur. Adrenaline enzo. Ik heb nooit leren bekvechten.   Ik voel me alleen maar ellendig over: koude, behulpzaam zijn, mensen die niet dansen. Ik voel me ook ellendig over goedkope wijn, goedkope gesprekken, goedkope manieren. En wat dat met een mens doet. En nee, ben niet zo handig.   Woestijnen is een ander verhaal. Het werkwoord. Curieus proberen lachen. Lukt nooit. Bestaan onder een ander plafond. Andere kleren dragen. Graag! Baantjes trekken. Graag! Uitgeput vogels spotten. Graag! Lezen en op de tenen lopen op trappen. Graag! Twijfelen. Graag!   Gezonde dagritmes en zakmessen voor onderweg, Marchienne-au-pont het paradijs. Zwemmen zwemmen zwemmen. Laat opblijven helpt ook. Zuchten helpt ook.   Mijn dood: nog steeds bombastisch. Je zou voor minder

Dries Verhaegen
0 0

Verbondenheid in de ziekenhuiskamer

De vrouw naast mij op de kamer was 71 jaar oud. Ze was bang en had pijn. De dokters bevestigden twintig nietjes in haar onderrug. En wanneer ze pijn had, deed het deugd om te praten. Ze vroeg of ze met mij kon praten. Ik had daar absoluut geen probleem mee. Want ik kon ook best wel wat afleiding gebruiken.   We waren allebei geopereerd door dezelfde dokter. Alleen kon ik al na een nacht terug uit bed en zij niet. De eerste nacht was voor beiden de moeilijkste. Ik hoorde haar soms huilen in haar bed. Ze schaamde zich en ik vertelde haar dat het niet hoefde.   Het gordijn tussen onze beide kamerdelen was gesloten voor de nachtrust. Dat had de verpleegster gedaan. Toen het ochtend was, vroeg ze me of ik al wakker was. "Ik moet je iets vertellen" zei ze. "En je zal waarschijnlijk lachen maar dat geeft niet." Ik schoof het gordijn opzij en beloofde plechtig om niet te lachen.   "Ik kan niet slapen als ik niet heb gebeden. Ik heb gisterenavond voor iedereen die het nodig heeft gebeden. Ook voor u zodat je snel terug voor je kinderen kan zorgen." Haar gebaar ontroerde me. Ik vertelde haar dat ik nooit met zoiets zou lachen want dat ik die avond ook had gebeden. En ook voor haar, dat ze niet teveel pijn zou hebben die nacht. Het was mooi om in die kamer te liggen met haar. Geloof komt in de media en het dagelijks leven vaak voor als iets wat ons uiteen drijft. Maar daar, die negende februari in die ziekenhuiskamer, zorgde het voor verbondenheid tussen ons. Tussen jong en oud, twee tot voor kort onbekenden. Iets wat me, ondanks de pijn, heel dankbaar stemde.

Alice Bremt
0 0

Radio Vingt-et-un

Als ik alleen thuis ben, durf ik er naar luisteren. Maar als de mannen binnenkomen is het van: “Pa, heb je die Franstalige zender weer opgezet?”  Die zender is Radio 21. Radio Vingt-et-un. Ik vermoed dat de naam gekozen werd om luisteraars het gevoel te geven dat ze ergens altijd eenentwintig blijven. “Ge verstaat toch niet veel van wat ze vertellen”, zegt onze jongste. “Niet alles, maar dat moet niet”, antwoord ik. “De reclame is niet zo vervelend als op de Nederlandstalige zenders en dat Frans geeft me wat vakantiegevoel”. Ze kijken me niet-begrijpend aan. Ik heb niet veel nodig om me in Brussel of Parijs te wanen.    “Jullie zijn niet te beklagen. Vroeger moesten we soms naar de Duitse tv kijken. Moeten ja. Want er was maar één tv-toestel in huis. Nu hebben we meer tv-toestellen in huis dan er kamers zijn. En dan tel ik de laptops nog niet mee.”   Het ging van carnaval in Keulen tot Duitse schlagermuziek. Ik droom er soms nog van. Mijn vrouw schrikt zich te pletter als ik ’s nachts een lied van Heintje aanhef. Te begrijpen natuurlijk.    “Het ergste waren de films op de Duitse zender”, ga ik verder. “Die werden gedubd. Dan zag je in een western de cowboy plots ‘Hände hoch!’ zeggen in plaats van ‘hands up!'. Aan zijn lippen zag je bovendien dat de man eigenlijk iets anders zei. En als we cowboy en indiaantje speelden moest er altijd iemand de Duitse cowboy zijn.”    Dat laatste verzin ik ter plekke, maar ik zie toch al een glimlach verschijnen bij onze jongste. Die glimlach wordt een grijns als er plots een bekende stem op Radio 21 weerklinkt. “Je suis Donald Muylle”, horen we de stem zeggen. Donald Muylle begot. “Wat zei je ook alweer van die reclame, pa?”   Tja, daar sta je dan.  

Rudi Lavreysen
84 1

Het kapsalon

Al jaren kom ik in dit kapsalon. Hier blijft alles hetzelfde, behalve de hoofden van mensen. Dat klinkt gewichtig maar er vindt geen wezenlijk verschil plaats. Het meubilair staat sinds eeuwig. Je ziet het als je de zonnebloemen op de sofa echt bekijkt. Twee van hen verbleekt, net iets meer dan de anderen. Een ironische speling van de zon die elke dag rond een uur of twee langs het raam binnen breekt. Ik wil die sofa verschuiven. Het voelt oneerlijk ten opzichte van die bloempjes. ‘Kappen want ik ga je knippen’ zou ze zeggen. Dus ik laat het. Wens ik thee of koffie. Ach, wat ik apprecieer ik haar consistentie. Het werd nooit koffie en ik breng mijn eigen builtje mee. Ik heb erover gedacht, dat wel. Enkel om die kersenrode lippen van haar een welgevormd o’tje van verbazing te zien maken. Maar ze weet wat cafeïne met me doet. Ik maak het haar niet wijs. ‘Mijn nek wordt het wel eens beu om dit hoofd recht te houden’. Woorden ontglippen mijn lippen en ze kijkt me aan, hoofdschuddend alsof zij weet hoe dat dan voelt. Ik mag het daar in laten vallen, gebaren die kleine handen van haar. Het uitspreken zou misschien te zwaar wegen, voor haar en voor mij. Je hoofd is vrij van zorgen terwijl iemand het voor je wast. Je zou het kunnen proberen, je druk maken terwijl het gebeurt. Maar dat lukt je niet. Er is alleen warm water, de geur van een goddelijke zeep die jij zelf nergens kan vinden en vingers die de liefde bedrijven met je schedel. Als je erin slaagt je ergens druk om te maken, dan dien je een nieuwe kapper te vinden. Ik beeld me in dat een hond zich net zo voelt wanneer hij uit het water komt, heerlijk vermoeid van zijn zwempartij. Hij absorbeert de liefde van zijn baasje die hem in een grote handdoek omarmt, terwijl hij trots de stok tussen zijn tanden klemt. Toch is dit anders, zij bezit me niet. Ik hou niet van het deel waarbij ik naar mezelf staar in de spiegel. Gisteren heb ik erom gebeden. Dat ze het dit keer niet zou vragen. Oh, ik had grootse ideeën over gebeden maar er sneuvelden er teveel tussen een ver verleden en vandaag. Dus. ‘Ja Shirley, hetzelfde als altijd.’  Ik zag haar niet eerder twijfelen met die schaar, al zou ik zweren dat er nu meer haar staat dan de vorige keer. Ik denk dat ze weet wie mij bezit. Ik kan nu enkel maar wachten. Hier in dit spiegelbeeld waar zij mijn blik ontwijkt. Tot ze zal doen wat ze allen doen. Trachten te verzachten. Vreemd genoeg lijken ze het allemaal te weten. Je zou denken dat ze geheime vergaderingen bijwoonden waarop ik niet uitgenodigd werd. Het moet daar zijn dat ze het leerden. Dat het prima is om los te laten. Dat mijn arme lijf zo’n moedige strijd leverde. En over de rust die ik wel verdien, nu. Het is een kwestie van seconden tot die woorden uit haar strot omhoog kruipen en zich nog een keer doorheen mijn vermoeide lijf tot recht in mijn ziel krassen. Misschien moet iemand het een keer opnemen voor de stervenden onder ons. Niet iedereen wil roesten. We willen het gevecht niet staken. Bedenk het alternatief! Maar ik wil niet stoppen. Ik moet dit gewaad dat de dood me heeft opgedrongen van mijn vel scheuren. Weglopen wil ik, zoals ik van zoveel dingen eerder deed maar. De dood zet door in mijn lijf. Er is niets wat ik nog kan doen dan gebaren dat ik er vrede mee heb. Dus wij, de stervenden, wij houden onze monden dicht. Om de gemoedsrust van de levenden niet te verstoren. Het is een ongeschreven regel, dat wij kalm blijven om geen angst te zaaien in de hoofden van hen wiens beurt nog moet komen. Voor de allerlaatste keer kijk ik toe hoe mijn plukjes dons op de vloer van Shirley’s kapsalon neerdwarrelen. Ze is niet zo’n prater. Ik hoop dat ze die kwaliteit mag behouden. Het zijn haar ogen die het dan toch fluisteren. Terwijl ze mijn lichaam observeren lezen ze welverdiende rust. Kappen, Shirley. Hier wordt alleen geknipt.  

Charlie Claes
0 0

Burenruzie

Goeiemorgen, Katrien.Goeiemorgen, Hugo. Stuurs bleven ze voor zich uit kijken. Hij stapte in zijn auto, zij reed weg op haar fiets.Vroeger was hun goeiemorgen hartelijk geweest. Ze hadden de tijd genomen om eenbabbeltje met elkaar te doen. Zelfs wanneer ze maar vijf minuten hadden, bleven ze minstens een kwartier met elkaar kletsen. Beter een goede buur dan een verre vriend, maar nog beter is het wanneer je beste vriend naast je woont, zeiden ze vaak lachend.  Dat was vroeger, vóór de fietsostrade. Toen de provincie aankondigde dat ze een fietsostrade door hun straat zouden trekken, had Hugo meteen een actiegroep opgericht. Natuurlijk had hij eerst bij zijn lieve buur Katrien aangebeld. Groot was zijn verbazing toen ze enthousiast bleek over de geplande fietsostrade. 'Hugo, je snapt dat toch, ik zou elke dag tien minuten vroeger op mijn werk zijn.' 'Maar Katrien, mijn tuintje ...' Hugo zijn volkstuintje zou er inderdaad aan moeten geloven, daar had ze wel al aan gedacht.    Het werd een verhitte discussie. Zij had hem NIMBY genoemd. Hij had haar apathisch en asociaal genoemd. Ze hadden meteen spijt van hun woorden, maar waren allebei te koppig om zich te excuseren. Hoe meer jaren er verstreken, hoe moeilijker het werd om hun fout toe te geven. Elke keer hij haar zag vertrekken op haar fiets verweet hij haar dat ze niet met hem op de barricaden had gestaan. Zij verweet hem dat hij hun vriendschap op het spel had gezet voor een fietsostrade waar hij toch niets tegen kon beginnen. Wat ze elkaar en zichzelf nog het meeste verweten was de verloren vriendschap. Ze miste hem, haar lieve buurman die elke week langskwam met een emmer verse soep van de groenten uit zijn tuin. Hij miste haar, zijn lieve buurvrouw, die honderduit kon vertellen over wat ze beleefde op haar werk en die altijd goede boekentips had. Die avond kwamen ze op hetzelfde moment terug thuis.  Ze zag hem uit zijn auto stappen en vroeg zich af: 'zou ik het hem zeggen, dat er een volkstuintje vrij is op 500 meter hiervandaan?'  Maar ze zei het niet.  Hij zag van haar fiets afstappen en dacht: 'zou ik het haar vertellen, dat ik van werk verander binnenkort, en nu ook elke dag over de fietsostrade zal fietsen? Misschien kunnen we zelfs samen fietsen.'  Maar hij zei het niet.   Stuurs wandelden ze elk naar hun eigen voordeur zonder elkaar aan te kijken. Goeienavond, Hugo.Goeienavond, Katrien.

Sofie Strubbe
35 1

Rhythm 0

(Bij Rhythm 0 van Marina Abramovic) Hier sta ik. Ze kijken me aan. Verbaasd. Lachend. Onverschillig. Eentje komt dichterbij. Hij ademt in mijn gezicht. Verschraalde koffie en een sigaret. Zo rook de adem van mijn moeder ook. Het is een stank die me nostalgisch maakt. Mijn moeder. Hoe komt het dat ik nu aan mijn moeder moet denken? Ze zei dat ik gek was. Ze had misschien gelijk, maar niet gekker dan zij was. Hij raakt me niet aan. Staat daar alleen maar in mijn gezicht te ademen. De anderen kijken. Onwennig. Hij buigt voorover en kust me, pal op mijn lippen, met die vreselijke adem van hem. Ik voel dingen. Nostalgie is een gevoel. Afkeer van deze man is een gevoel. Mijn blijdschap over het voelen zelf is een gevoel. Ik voel meer dan ik het afgelopen jaar gevoeld heb. Sinds het ongeval heb ik niets gevoeld en niets gedacht. Daarom sta ik hier. En om een punt te maken. De mens is een wreed wezen. Je zal zien hoe wreed de mens is, het zal niet lang duren. Haat is een gevoel.   Hij loopt naar de tafel, monstert de voorwerpen die erop liggen en kiest de veer uit. Hij komt terug en steekt de veer in mijn haar. Onschuldig, nu nog. Een andere man komt dichterbij. Hij tilt mijn armen op en slaat ze met kracht tegen mijn lijf. Het begint al. Sneller dan ik dacht. Hij neemt de veer uit mijn haar en streelt mijn hals, mijn schouders, mijn borsten. De veer valt. Hij grijpt mijn borsten met beide handen vast en knijpt er zachtjes in. Dan loopt hij terug naar de anderen. Ik sta hier tien minuten en ze zijn al vergeten dat ik een mens ben. De mens is een wreed wezen. Nu komen ze met meer. Twee vrouwen en één man blijven bij de tafel staan. Ze bekijken de voorwerpen die erop liggen. De man neemt een roos en reikt me die aan. Ik blijf bewegingsloos staan. Hij neemt mijn hand vast en vouwt mijn vingers behoedzaam om de steel van de roos heen. Hij kijkt naar me, knippert met zijn ogen en klemt daarna mijn hand met de roos vast met zijn beide handen. De doornen prikken. Pijn is een gevoel.   Bruut trekt hij de roos tussen mijn vingers vandaan. Hij gooit ze op de grond, trapt erop en slaat vervolgens met vlakke hand in mijn gezicht. De mens is een wreed wezen. De mens is een wezen dat een kind doodrijdt en niet achterom kijkt. De twee vrouwen beginnen mijn kleren van mijn lijf te rukken. Ach, ze mogen het hebben, mijn lijf, mijn kleren, alles. Zouden ze moeders zijn? Hij was zo schoon, mijn kind. Een engeltje, met zijn dikke billen, blonde krullen en grote blauwe ogen. Te schoon voor deze wereld misschien. Nog een andere vrouw raapt de roos van de grond op en begint de doornen in mijn armen te prikken. Kleine, rode druppels wellen uit mijn armen op. De geur van het bloed doet hen nu ook vergeten dat zij mensen zijn. Plots gaat het snel. Terwijl een man met scheermesjes een tekening maakt op mijn rug, hoor ik het laden van het pistool. Eén van de vrouwen komt naast me staan, zet het pistool tegen mijn hoofd en legt mijn eigen vinger op de trekker. Ik ben niet bang. Doe het dan, denk ik. Dood willen is een gevoel.   Een man duwt de arm met het pistool weg en begint te schreeuwen. Hij trekt het pistool uit de hand van de vrouw en gooit het door het open raam naar buiten. Teleurstelling. Dat is ook een gevoel.

Sofie Strubbe
102 0