Lezen

Penvriendin

Beste Inge,   Nog een laatste spurt. De eindmeet is in zicht. Het doel is bereikt. Acht brieven hebben jij en ik naar elkaar geschreven. Binnen enkele weken volgt de prijsuitreiking. Een beker of trofee verwacht ik niet. Daar heb ik hoegenaamd geen behoefte aan. Het enige wat ik wil is de bestemmeling en ontvanger van mijn brieven ontmoeten en uiteraard ook mijn nog “onbekende collega’s”.   De datum is al geprikt. Het festival van de letteren, ook wel de Schrijfdag, vindt plaats op 2 juni in Bibliotheek De Krook in Gent. De kers op de taart, de architecturale verpakking rond hongerige cursisten op zoek naar inspirerende workshops, schrijfbegeleiding en wisselwerking tussen gelijkgestemden. Spannend, we zullen elkaar daar voor het eerst ontmoeten.   Ik voel aan de toon van je laatste brief dat ik je wat teleurgesteld hebt. “Mea Culpa”. Feedback is inderdaad belangrijk in een creatief proces. Je wil gelezen worden, waardering krijgen. Door te veel hooi op mijn vork, heb ik te weinig aandacht besteed aan de terugkoppeling.   Je weet dat onze coach vanuit Creatief Schrijven, Marc is. Zijn respons op mijn schrijfsels is terecht. Ik zondig aan te lange zinnen. Eigenlijk weet ik het maar al te goed, want in mijn opleiding “commentaarteksten schrijven voor videomontages” verkondigde ik maar al te graag dat de afwisseling tussen korte en lange zinnen, de tekst luchtig houdt en ritme brengt. Ik noemde dat de worst- en gehaktconstructie, een ezelsbruggetje.   Uiteraard schrijf ik graag, anders had ik me niet ingeschreven. Een van de leukste opdrachten vond ik de eerste, een beschrijving van onze leefomgeving geven met nog een paar extra elementen. Het was een hele uitdaging en ook een overwinning om je teksten toe te vertrouwen aan een derde.   Vanaf we meer voeling met elkaar kregen en ontdekten dat er toch wel enkele raakvlakken tussen ons waren, genoot ik meer van het schrijven en vooral van het lezen. Het was net zoals vroeger. Afwachten tot je de klep van de brievenbus hoort dichtklappen. De omslag openscheuren om dan in een verdoken hoekje de brief te lezen.   Wat we zeker gemeen hebben is dat we liever onze gedachten toevertrouwen aan het papier. Zelf ben ik ook geen grote prater en in een groep zal ik al snel naar de achtergrond verdwijnen. Ik heb er aan proberen werken en gedeeltelijk is dat wel gelukt. Zoals Inge het zo mooi heeft verwoord, mijn rugzak loopt ook niet over van zelfvertrouwen. Verbaal communiceren is een aandachtspunt. In een gesprek komen mijn woorden vaak harder aan dan bedoeld. Ik gruwel van mensen die eindeloos kunnen converseren zonder een boodschap.   Wat mij ook stoort zijn mensen die beweren spiritueel te zijn, maar gefrustreerd blijven rondlopen omdat ze niet kunnen relativeren. Dingen gebeuren om een reden. Ik ben niet zweverig, maar ik geloof net als jou Inge, dat er hogere krachten zijn. Soms geven deze een teken. Als ik een parkeerplaats nodig heb, dan vraag ik aan mijn gids om er al eentje te reserveren ;-) Meestal lukt dat wel. Ik hou er dan ook aan hem daarna te bedanken.   Het feit dat ik geen kinderen heb, kan ik in dezelfde context plaatsen. Lange tijd was ik boos op mezelf, op anderen die naar mijn mening niet goed genoeg voor hun kinderen zorgden, op de wereld. Nu heb ik dat een plaats gegevens. Eerlijk gezegd, ik snak nu naar rust. De kinderen van mijn broer komen soms op bezoek. De oudste is zestien, de jongste vijf. Een super lief kind, maar vooral wat overenthousiast. Genieten doe ik met volle teugen als ze er is, maar nog meer geniet ik van de rust in huis als “mijn klein patéke” terug naar huis is. Over eten gesproken. Ik eet ondertussen al meer dan een yoghurt als ontbijt en een appel als lunch, met de extra kilo’s tot gevolg. Verwacht zaterdag dus geen bonenstaak. Voor alle zekerheid zal ik een foto meebrengen. Ik zal uitkijken naar dat bang wezeltje, dat spichtig uit haar oogjes kijkt.   Tot zaterdag, Liefs, Fabienne, uw inmiddels meer bekende

Elise Legrande
0 0

Fatal Error: Call to undefined function: hateProgrammers();

Mensen hebben een hekel aan programmeurs. ‘Programmeurs’, vraag je misschien, wat zijn dat? Programmeurs zijn degenen die bandjes en toneelgezelschappen boeken door ze op het ‘programma’ te zetten. Er zijn ook programmeurs die computers vertellen wat ze moeten doen; ze maken ‘software’. Over die tweede categorie wil ik het hebben.   De softwareprogrammeur is een variant van de menselijke soort die rond de jaren vijftig ontstond, decennia niet werd opgemerkt en nauwelijks enige status had, maar sinds de intrede van de personal computer in ons dagelijks leven en de komst van internet enorm belangrijk is geworden. Wat een langdradige zin, denk je. Inderdaad, ik moet me verontschuldigen. Word niet meteen boos vanuit de verwachting dat dit een verhaal wordt over iemand met wie je je niet kan identificeren. Dit is juist het punt dat ik onder de aandacht breng, de programmeur roept een afwerende reactie op. Maar oppervlakkig beschouwd is daar geen reden voor. Kom je in het voorbijgaan op straat een software programmeur tegen, of zit er een naast je in een wachtkamer, dan is er niets aan de hand. Fysiek zijn programmeurs ongevaarlijk. Meestal zijn ze niet indrukwekkend; ze zijn klein, mager of juist dik. Ze krijgen onmiddellijk een verklaring van goed gedrag. Programmeurs met een strafblad zijn zeldzaam, en als ze dat al hebben, zijn ze de bak in gedraaid vanwege een hack bij een bank, en zeker niet vanwege een roofmoord. Ook op feestjes zal de software programmeur geen ergernis opwekken. In tegendeel, hij vormt een welkom contrast met de extraverte alfa-mannetjes. Omdat programmeurs geen succes bij de vrouwen hebben, zoeken ze elkaar op om over het nieuwste software framework te praten, of de voor- en nadelen van de ene computertaal met de andere te vergelijken. Mocht een programmeur wel een vriendin hebben, dan is hij daar zo opgelucht over dat hij niet met andere vrouwen flirt, uit angst zijn kostbare schat voor het hoofd te stoten. De programmeur schittert in zijn bijdrage aan de economische groei. Als er één soort mens is dat zijn arbeidsloon dubbel en dwars terugverdient, is hij het wel. De programmeur maakt hordes werknemers overbodig, zodat het bespaarde salaris van de uitgestotenen weer ten goede komt aan het bedrijf waarvoor hij zijn kunsten verricht. Nu komen we dan toch bij het heikele punt waar ik op aanstuur. Mensen hebben een hekel aan programmeurs. Ik herhaal het nog maar even. Dan weet je zeker dat je het goed hebt gelezen. Aan wie heb jij een hekel? Waarschijnlijk haat je de politieagent die je bekeurt omdat je verkeerd geparkeerd staat en die niet luistert naar je tegenwerping dat er nergens in deze wijk voldoende parkeerruimte is, dat de gemeente rekening moet houden met de bewoners, dat… enz. Nee, niks mee te maken, de agent geeft je een bon en wenst je daarna nog een prettige dag. Vooral dat laatste; om uit je vel te springen. Wat denkt zo’n kerel. Dat je dag nog prettig kan zijn? Om dezelfde reden hebben mensen een hekel aan software programmeurs. Niet hun fysieke gestalte is daarvan de oorzaak, niet hun gedrag in het dagelijks leven of op feestjes, nee, het is de macht die de programmeur via zijn kunsten uitoefent, en die jou, normaal mens, je onvermogen doet beseffen. Zodra je op je werk komt en je de computer aanzet, begint de ellende. Het is alsof je door een doolhof van benauwde straatjes met rare hoekjes en doodlopende steegjes ploegt, door een netwerk van mijngangen en kloven dat de programmeurs voor je hebben bedacht. Elke zoveel minuten zoek je naar de volgende afslag, moet je je weer terug-klikken op je schreden of rondvragen op Google, hopend op antwoord van een andere, tijdelijk verlichte, medegebruiker. De vorige keer kwam je er nog, en nu wil dat ene weggetje, die ene combinatie die de deur opent, je niet meer te binnenschieten. Ondertussen draait je horloge door. Elke dag begeef je je opnieuw in dat digitale doolhof en de dood komt steeds dichterbij. Het zandlopertje dat je vertelt dat de computer het moeilijk heeft, omdat de programmeur hem teveel werk geeft, benadrukt dat nog eens. Telkens raak je stukjes van je leven kwijt die anders besteed veel zinvoller waren geweest. En opeens zijn dan onverhoeds de schermen veranderd, omdat een of andere programmeur aan de andere kant van de wereld het tijd vond voor een ‘update’. Zodra die update de computers bereikt, verliest de wereld tienduizenden mensuren aan gezoek naar de knop om een woord cursief te maken. De computer zuigt je leven op. Neem dat maar letterlijk.   De software programmeurs hebben zich de afgelopen jaren als insecten vermenigvuldigd, en vormen inmiddels een plaag die de samenleving van binnenuit leegvreet. Straks hebben alleen programmeurs nog een baan, en staan de niet-programmeurs toe te kijken hoe de programmeurs de maatschappij overnemen. De haat is wederzijds; de programmeur heeft ook aan zijn prooi, de gebruiker, een hekel, maar dan vaak onbewust. Van jongs af aan als sukkelige nerd genegeerd door meisjes, in wandrek en klimtouwen door gymleraren gemarteld en altijd als laatste gekozen bij teamsporten, neemt de programmeur nu wraak. Geen wraak wordt zo koud gegeten, en zo langdurig genoten als de wraak van de nerd. Er zijn films over gemaakt die uitgebreid uit de doeken doen hoe het lelijke eendje in een zwaan verandert. De nerd trekt heden ten dage aan het langste eind, omdat hij een nieuw stadium in de evolutie vormt; de afronding van het Darwinistische project; de complete overwinning van het intellect op de spierkracht. Toch heeft de ‘broeifase’, zo noemen we het maar even, – de ellendige periode tussen kindertijd en volwassenheid -, onze nerd zo onzeker gemaakt dat dit motief zijn verdere leven volledig beheerst. Eenmaal tot programmeur verpopt, is de oorspronkelijke nerdlarve nog volop aanwezig. Inmiddels gepanserd met een ondoordringbare maliënkolder van variabelen, classes, multidimensionale arrays, booleans, if-elsen, while-loops, for-loops en encapsulated strings, injecteert de programmeur zijn slachtoffers met een verlammend gif, genaamd: ‘onbegrip’. Zijn slachtoffers – de directe slachtoffers noemt de programmeur ‘klanten’ -, hakkelen tegen de programmeur hun ideeën. Hij komt mondjesmaat tegemoet aan die wensen die hij ‘user stories’ noemt, want gewoon Nederlands verstaat en schrijft de programmeur nog slechts met moeite. Onderwijl spint hij de klant in in een web van programmeercode waaruit niet meer te ontsnappen valt. Hij is uiteindelijk de enige die de software begrijpt waar de klant volledig van afhankelijk is. Tot het uiterste getergd zoekt de klant soms zijn heil bij een concurrerende programmeur. Die doet het werk van zijn concurrent onmiddellijk af als rotzooi, en dwingt de klant opnieuw te beginnen met een systeem dat zo mogelijk uit nog meer spaghetti bestaat dan dat van zijn voorganger. Tijdens dit uitmelkproces is de programmeur zelf niet onkwetsbaar. Ook wespen die hun eieren in een spin leggen komen er niet vanaf zonder vleugelscheuren. Soms laat de programmeur een steek vallen. Een geniepig regeltje code gaat dwarsliggen en opeens is er een complete database in het niets opgelost, liggen er duizenden privégegevens voor het grijpen, kan niemand meer inloggen of wordt er een miljoen op willekeurige bankrekeningen gestort. Op zo’n moment heeft de programmeur hartkloppingen en staat de doodsangst op zijn gezicht. Zodra hij zijn fout in de gaten krijgt, begint hij met het verzinnen van een alibi. Omdat niemand anders begrijpt wat het probleem heeft veroorzaakt, komt de programmeur er eenvoudig mee weg. Dagenlang ligt een bedrijfsnetwerk plat door een foute doorverwijzing, een raket ontploft omdat een nul eigenlijk een één had moeten zijn, maar niemand sleept de programmeur voor de rechter. Een bankmedewerker die miljoenen verliest staat een wreder lot te wachten dan de programmeur die gelijke schade veroorzaakt.   Je zal gemerkt hebben dat ik tot nog toe over de programmeur in de ‘hij’-vorm heb gesproken. Maar er zijn toch ook vrouwelijke programmeurs, merk je op. In zo’n geëmancipeerde samenleving als de onze kan het niet anders dan dat ook veel vrouwen dit ‘eerzame’ beroep uitoefenen. Ik moet je helaas teleurstellen. Vrouwen voelen zich niet aangetrokken tot dit vak. Het oplossen van logische problemen ervaart de mannelijke programmeur als de ultieme uitdaging, maar fascinatie met logica is niet het ding van vrouwen; misschien bestaat dit idee zelfs niet voor hen. Ga eens op een afdeling met programmeurs kijken, en je hoort enkel het geklak van toetsenborden. Maar steek je hoofd om de hoek van de kamer ernaast, waar de secretaresses zich ophouden; het gekwetter van een volière valt erbij vergeleken in het niet. Over groepsgedrag gesproken; ik wekte de indruk dat de programmeur een individualist is die altijd solitair zijn ding doet. Dat geldt voor de oudere programmeurs, maar niet voor de jonkies. Veel bedrijven houden er nesten jonge programmeurs op na, die zoet worden gehouden met bedrijfslunches, laptops van de zaak, leaseauto’s en veel schermen op hun bureau. De sfeer van een cultus wordt zorgvuldig gekoesterd (‘hier werken wij met de coolste nieuwe technieken’), zodat de programmeurs worden bevestigd in het idee dat ze helemaal hip en stoer zijn. Dankzij deze hersenspoeling is hun geest volledig bedrijfsbezit en wordt met hun software flinke winst gemaakt. Is de programmeur uiteindelijk, na een lang uitgerekte adolescentiefase, toch volwassen geworden (rond het 45ste levensjaar), dan past hij niet meer in dit soort nesten. De programmeur heeft het niet meer kunnen bijhouden, al die coole nieuwe technieken, en wordt dagelijks bedreigd door jonge mannetjes die zijn alfa-positie als ‘senior’ proberen weg te snaaien. Net als oude gorilla’s verlaat hij zijn roedel om de rest van zijn leven als free-lancer solitair zwervend door te brengen. Het samenleven is onmogelijk geworden met de jonge honden die op de meest kinderachtige manieren naar de nesten werden gelokt middels vacatures als: Dagelijks verzorgde rijk uitgeruste gezamenlijke lunch met vers brood, beleg en diverse salades. Sportieve buitenactiviteiten en een wekelijkse borrel! Onze in-huis BierBot zorgt dat we dit nooit vergeten! Is coderen jouw middle name? Heb jij een passie voor innovatie? Wij zijn op zoek naar een Absolute ontwikkel eindbaas! Wil jij hier deel van uitmaken? Grijp nu je kans! De hoeveelheid uitroeptekens in programmeur-vacatures spreekt boekdelen. Daar wil jij ook bijhoren!   Ja, bijzonder zijn ze, die software-programmeurs. Als een geruisloze invasie van buitenaardse wezens, zo hebben ze zich onder ons begeven, en ontplooien ze nu hun schimmige activiteiten, met als doel de wereld voor de aardbewoners permanent onbewoonbaar te maken.

Vincent Baumgart
33 0

De engel en het meisje

        Een engel heeft je uit de hemel geplukt. Je was trilling, louter klank. In de kom van zijn handen warmde de engel je op en brak je open. Eeuwenlang lag je klank te zijn in de grote stilte. Tot er een god voorbij kwam die het licht in je aanstak. Twee anderen waren dagenlang in de weer daarrond alle delen van je lichaam aan te brengen. Uiteindelijk wikkelden ze alles zorgvuldig in je natte huid. Het licht begon te glanzen in je ogen, je huid trilde. Bijna was je klaar. God riep je bij zich en fluisterde je iets in. Je fronste. Hij knipoogde: ga nu maar. Zo ga je. Net voor de poort was de engel er weer, hij legde zacht een vinger op je lippen. Stil nu maar.                   Ze wil niet. ‘Laat haar nog even’, zeg ik, ‘geef haar nog wat tijd om zich voor te bereiden’. ‘Nee’, antwoord je, ‘je moet haar een duw geven, het zal haar anders niet lukken en we hebben niet eindeloos de tijd: er zijn er nog die klaar staan om geboren te worden’. Ik zucht, het doet pijn aan m’n hart haar te laten gaan. Geruisloos leg ik m’n hand op haar schouder. Ze sputtert niet tegen, haar gezicht ontspant in een glimlach, alsof ze erop aan het wachten was. Ik weet nu al dat ze me nodig zal hebben daar beneden, ze zal zich pijn doen, zo gaat dat met dit soort. En ik zal machteloos toekijken, zo is nu eenmaal het lot van ons engelen. ‘Nog even en dan ga je, meisje’, ik bereid me voor op het duwtje, ze glimlacht nog steeds, ‘insj’allah’, prevel ik en jij kijkt me aan met een brede grijns. Ik geef haar een duw, zij volgt, gewillig, het hoofd opgeheven. Jij houdt haar nog even tegen, kijkt haar één ogenblik doordringend aan en drukt je vinger op haar lippen. Ze begrijpt het. Net voor een mens geboren wordt, leggen we hem het zwijgen op, hij moet alles vergeten voor hij op de aarde komt, hoe kan hij anders ooit geloven? Ze is een tikje roekeloos in de keuze van haar ouders, lang denkt ze niet na, alsof ze al het getalm van daarnet wil goedmaken. Het is een jong koppel, nog niet zolang geleden getrouwd in ribfluweel, niet eens een kleedje, niet eens een ruiker. Haar moeder komt uit een beenhouwersgezin. Met 5 kinderen woonden ze achter en boven de winkel, een rijhuis aan een steenweg net buiten de stad. Om te spelen moest ze onder tafel kruipen. Ze heeft altijd het bed gedeeld met haar jongste zus. Plek om te studeren was er niet in huis, maar ze deed het toch. Op het trouwfeest aten de gasten koude schotel met vlees van de beenhouwerij. Zelf was haar moeder vegetariër, niet omdat ze daar veel over had nagedacht, ze had als klein meisje een afschuw gekregen van het vlees dat ze te zien en te eten kreeg. Er was daar nooit veel over gesproken bij haar thuis, de dingen werden in stilte gezegd, met af en toe een extra bord karnemelkpap. Dat was anders bij haar vader thuis, daar waren woorden het uitgelezen middel om de wereld te veranderen. Haar oma zat in het bestuur van KAV, Ziekenzorg en de parochie, haar grootvader had een grote moestuin met andijvie, tomaten en de grootste stekelbessen van het land, hij maakte kombucha toen iedereen dat nog vies vond, hield bijen en was actief bij Velt, de vereniging voor ecologisch leven en telen. Hij was voor velen een voorbeeld, maar in huis regeerde hij met ijzeren hand, hij sloeg zijn kinderen.   ‘Wat heeft dat er nu mee te maken? Ga je nu weer de psycholoog spelen?’ Ik schud mijn hoofd. Jou kan dat niet zoveel schelen, dat weet ik, maar ik krimp ineen bij elke slag. Zulke wonden hebben eeuwen nodig om te genezen.   Op een koude en grijze winterdag worden deze twee mensen de ouders van een klein zwartharig meisje. ‘We zeggen JA tegen het leven’ stempelen ze met de letters van een stempeldoos, alsof ze haar er nog van willen overtuigen dat ze de wereld in moet. Op de voorkant van het geboortekaartje komt een bloem. Het is een gestileerde bloem, eentje zonder naam. Wanneer haar moeder enkele maanden later stopt met borstvoeding organiseert ze haar eerste protestactie: ze staat vol met rode vlekken, het is geen zicht. ‘Eczema’ is de naam van één van haar verzetsvormen tegen de vele indrukken van de wereld. Maar ze koos een lieve moeke, met een mooie stem. In het begin hebben woorden geen betekenis, het zijn louter klanken. Haar moeke omringt haar met zachte klanken, het meisje zuigt die allemaal gretig in zich op. Haar moeke leest voor. Ik kijk over hun schouders mee, stiekem, want ik weet dat jij je daaraan zou ergeren. Ze lezen ‘Kleine Koen in de tuin’. Prachtig vindt ze het, alsmaar opnieuw wil ze het horen. In de tuin van kleine Koen dragen de erwtenmeisjes hun kindertjes in een peul op hun rug, vrouw Appel speelt op haar luit zittend op een tak in de appelboom, op een heuvel woont de wilde aardbeifamilie, September zingt er zijn lied voor vrouw Aster en vrouw Dahlia en alle andere bloemen. Het kleine meisje maakt ook vrienden in de tuin, ze verzint ze en geeft ze namen, ze heten Ilda en Olda, samen krijgen ze een kind Odrata, later zal ook nog Ekstra geboren worden. Ik moet lachen als ik haar vol overtuiging de naam van de verzonnen boorling hoor uitspreken, jij schudt je hoofd, een meisje dat bezoekjes brengt aan haar zelf verzonnen vrienden in de tuin, wat moet daarvan worden? Maar ik ben het niet met je eens, die verzonnen vrienden helpen haar evenveel, ja zelfs meer dan wij kunnen doen. Wij kijken maar toe, zij delen met haar hun leven, leiden haar de tuin in. Zoals het dreumesje in een van de gedichten die haar moeke zo vaak las. ‘Dreumesje dribbelt door het tuintje, tot ver aan het hek in de heg. Daar staat hij te reiken te reiken, om over de spijltjes te kijken’. Het meisje kijkt met grote ogen naar de wereld, op de foto’s van die tijd zie je haar vaak met de blik in de verte, of naar de wolken. ‘Want achter het hek ligt een weitje en achter het weitje een rij van bloeiende bloeiende bomen’. In de tuin bij het baksteenrode huurhuis aan de steenweg is een bloemperkje met bloeiende stuikheide en daarachter een sparrenbos. ‘En wat daarachter nog zal komen? De hemel denkt dreumesje blij’. Ook zij is er dan nog gerust in. Meer en meer woorden sijpelen haar wereld binnen, ze drinkt ze op. Woorden kan je proeven, er zijn van die zinnen die je een lekkere smaak in je mond bezorgen terwijl je ze leest. Haar moeke werkt in de bibliotheek, ze houdt van boeken zonder ze te lezen. Het meisje leert lezen als vanzelf, daar in de bibliotheek staan zoveel boeken te popelen. Ze plukt bosbessen met de kinderen van Bolderburen tot haar vingers er paars van zijn, bakt pannenkoeken in Villa Kakelbont, laat haar lentekreet door de bossen klinken samen met Ronja de Roversdochter. Ze wordt stapelverliefd op Ridder Tiuri en nog meer op zijn maatje Piak. Ze ontpopt zich tot Gods Vlindertje en trekt met een huifkar door Frankrijk om muziek en troost te brengen in dorpen en kastelen. Met een papieren kleedje wordt ze door een boze stiefmoeder de sneeuw in gestuurd met een stuk oud brood en een mandje, want ze moet aardbeien gaan plukken. Maar ze deelt haar brood met een dwerg en die weet aardbeien voor haar te vinden. Ze past een nieuwe groene jurk net als Laura uit het kleine huis op de prairie, maar heeft jammer genoeg niet het koperkleurig haar dat daar zo mooi bij is. Jij zou ongeduldig van haar worden, ‘wat een dromertje’ zou je zeggen, ‘daar heeft de wereld niet veel aan’. Maar ik kan het niet laten haar van nabij te volgen. Toegegeven, je moet er je tijd voor nemen, op het eerste zicht is het gewoon een meisje dat wat tekent en knutselt en in fantasiespel is verwikkeld, als ze tenminste niet met haar neus in de boeken zit. Ze verhuizen. Hun nieuwe huis is gemaakt van beton, ijzer en steen. De tuin rekt zich uit tot aan de rij populieren. De linde en de notelaar staan er nog te wennen aan hun nieuwe plek. In een hoek groef haar vader een kuip als een soort vijvertje, daarnaast groeit nu gele lis, net als op de poster boven haar bed. De struiken hebben zich nog niet verenigd. De vlier is de enige die er al was, de anderen zoeken het nog uit. Vlierbessen eet je beter niet rauw. Boerenjasmijn geurt zoet, ribes stinkt naar kattenpis. De muren van de hangar die er vroeger stond zijn nu tuinmuren geworden, de klimop baant zijn weg naar boven. En al doet die hard zijn best, er zijn nog veel lege plekken. De drie kinderen hebben een doos met gekleurd krijt gekregen. Ze tekenen op de muur. Kleine broer stopt er al snel mee, hij verandert liever het houten speeltuig in een machine. Iedereen vindt hem schattig, die kleine ingenieur met z’n blonde krullen. Haar zusje is ook klaar met tekenen, ze zit op de schommel en zingt een liedje voor zich uit. Zie eens hoe ons meisje opgaat in haar werk. Het krijt wordt snel kleiner, met een klein stompje tekenen is moeilijk en de muur is ruw, ze doet de knokkels van haar vingers pijn, maar dat vindt ze niet erg. Op de tuinmuur verschijnt een huis, haar eigen huis. Het heeft een art déco-gevel met veel bogen en krullen, bovenaan in het midden is een rond raampje, op de eerste verdieping een terras met smeedwerk. Het is klein, er groeien rozen tegen de gevel, zonnebloemen naast de deur en de deur staat open. Voor ze verhuisden naar het nieuwbouwhuis woonden ze enkele jaren in de Rozenlaan, zo heette hun wijk. Vanuit een kantoor in de grote stad schikte iemand er de huizen als identieke blokjes naast en tegen elkaar. Maar de deuren stonden er vaak open, kinderen liepen er bij elkaar binnen. Daar woonde de tweeling Nancy en Veronique die zelf al een spiegelei kon bakken, daar zaten ze samen naar televisie te kijken -zwart-wit was toen genoeg, ze hadden nog een hoofd vol kleuren-,  daar in de kleine tuin voor het huis peulden ze emmers vol erwten uit de volkstuin van haar vader, durfden ze niet praten met de stoere jongens van de buren, trokken naar het biezenveldje om bloemenkronen te vlechten en leerden er fietsen op straat, want auto’s kwamen er nauwelijks. Nu wonen ze tussen twee dorpen aan een gevaarlijke grote baan, het fietspad is aan de overkant. Ze rijden met de fiets naar school. Maar tot ze 12 zijn mogen ze niet alleen oversteken. ‘Is ze nu nog steeds aan het tekenen?’ Wat ben jij ongeduldig. Maar wees gerust, het krijt is bijna op. Het interesseert je vast meer wat ze er op school van terecht brengt. Ze draagt de ribfluwelen broeken uit de fabriek waar haar grootvader werkt, of een schots rokje dat nog van haar nichtje was. Mooi zijn is iets voor in de boeken, of voor andere kinderen. De banken in de klas van het meisje staan in een U, vooraan in de bank is een gleuf, daarin ligt haar vulpen, naast die gleuf is een gat, dat is van toen de inkt nog uit een inktpot kwam, toen schreven ze met een ganzenveer. Nu moet je je pen niet in de inkt doppen, maar af en toe de vulling vervangen. Sommige andere meisjes van de klas, bewaren in één vulling de ‘bolletjes’ van de gebruikte vullingen, dat zijn de dekseltjes die je naar binnen prikt als je een nieuwe vulling begint, zij doet dat niet, ze schenkt haar bolletjes aan anderen. Daar zit ze, zie je haar? Aan het venster, derde van rechts. De juf stelt net een vraag , de vingers van wel tien kinderen gaan omhoog, ‘juf, juf, juf’ smeken ze. Zij bijt op haar lip, kijkt naar haar pen in de gleuf en denkt: ik wou dat ik niet hoefde te spreken, dan schreef ik alleen nog maar briefjes en hoefde ik niet de aandacht te trekken. Er was eens een land waar iedereen altijd sprak. Praten was er de manier om te laten horen dat je bestond. Enkel ’s nachts viel de stilte even. En dan nog waren er altijd die prevelden in hun slaap. In dat land woonde ook een kind dat luisterde en keek en maar heel weinig gezegd kreeg. Op een dag stond het besluit van het kind vast: ze zou enkel nog schrijven. Ze schreef aan haar moeder in haar mooiste handschrift, aan haar broer op kleine briefjes of hij mee wou komen spelen. Ze schreef aan de juf wat het ware antwoord was op haar vraag, ze schreef aan de buurman dat de merels een nest hadden gebouwd in de hazelaar in zijn tuin, aan de vrouw van de bakker dat de hemel vanochtend eindeloos blauw was en dat ze een brood wou met zonnebloempitten. En telkens werd het even stil: de mensen lazen en glimlachten. ‘Ach wat, wie zou haar nu willen lezen?’ Je schudt je hoofd.  ‘Stop nu toch eens met haar zo te volgen, dat kind moet leren wat belangrijk is in de wereld, anders haalt ze het niet, hoe kan ze ooit enige vechtlust ontwikkelen, en geloof me, die is nodig daar beneden, al weet ik dat jij daartegen bent’. Je hebt gelijk, ik blijf maar vasthouden aan de gedachte dat de mensen beter wat meer zonnebloemen zouden zaaien en gedichten lezen, in plaats van elkaar en zichzelf altijd maar voorbij te hollen, die druktemakers. Moet ik dan ophouden mijn hoop in haar te stellen?  Er is alleen nog maar grijs, de dagen klitten aan elkaar. Diep vanbinnen klinkt nog wat muziek, er is nauwelijks iemand die het hoort. Ze staat in een kring met meisjes van haar klas, ze praten over kleren en jongens. De speelplaats is een vlakte van vierkante stoeptegels, daarop zijn met witte verf twee voetbalvelden geschilderd, daarbinnen spelen de jongens. Er zijn een drietal banken, die zijn altijd bezet. Lezen mag niet op de speelplaats. Ze is al blij dat ze bij dat groepje mag staan, ze heeft nooit iets te zeggen. Stomverbaasd is ze als ze op haar verjaardag kaartjes voor haar schrijven en samenleggen voor een cadeautje, het is een ring met een blauwe steen en een zeemonster zoals die rondzwommen in de verre zeeën toen de cartografen nog maar net begonnen waren de wereld te tekenen. Ze begrijpt er niets van. Alleen op haar kamer speelt ze blokfluit alsof haar leven ervan afhangt. Niemand weet dat zo’n fluitje van niks ook kan zuchten en fladderen, smeken en verlangen. Was ze maar muzikant geworden. Maar haar zus heeft betere punten voor notenleer en die zit uren en uren te repeteren op haar gitaar, doet mee aan wedstrijden. Zij repeteert te weinig, vergist zich altijd bij het tellen. Ze trilt zo mee met de klank dat ze vergeet op tijd de volgende te spelen. Dat is niet wat er staat, meisje.  Ze vergeet op het blaadje van een overhoring haar naam te schrijven, in vele gevallen verschijnt er dan een groot rood vraagteken en als je pech hebt wordt er ook nog een punt afgetrokken. Maar de leerkracht Grieks, een vriendelijke man met een bril, schrijft met inkt in zijn regelmatige handschrift op het daartoe voorziene lijntje: ‘First female member of the Dead Poets Society’. Haar vader zit achter zijn bureau verdiept in één van zijn grote engagementen, hij ziet niets. Haar moeder is bang, zij zegt niets. Daar in dat huis langs de steenweg zijn de dingen vanzelfsprekend. Een goed rapport hebben, helpen in het huishouden, elke maand op familiebezoek gaan, de wereld proberen redden. Vanbuiten is ze gewoon een verlegen meisje, vanbinnen groeit een zwart en bodemloos gat. Ze luistert liever naar Bach dan naar Studio Brussel, gaat liever op haar eentje wandelen dan naar een fuif. Ze doet allerlei verwoede pogingen om een normaal mens te worden: op zondagochtend naar de Afrekening luisteren, zich inschrijven in een groep meisjesscouts, maar het helpt niet, het lukt niet. De dagen in haar schoolagenda staan vol lessen en huiswerk, tussendoor komt ze naar beneden, ze kijkt naar het nieuws, vlucht naar boven zodat niemand haar tranen kan zien. Ze wil graag iets zeggen, vindt geen woorden, en er is toch niemand die luistert. Als er dan al eens even iets mag, krijgt ze als commentaar ‘te poëtisch en te vaag, niet 100% wat ik vraag’. Want het moest een verhandeling zijn, geen verhaal. Jij grinnikt. Ik durf niet meer te kijken. De brug bestaat uit lange lijnen die reiken tot boven, naarmate je boven komt, zie je dat ze verder reiken, ze krommen zich tot de andere kant, waar de straat in een straatdorp verandert. Dat weet ik, want je ziet het niet, daarvoor is er teveel mist. Naast het fietspad is een pechstrook, daarnaast twee brede rijstroken. Aan de andere kant een smal verhoogd voetpad en de reling. Daar beneden ligt de vaart. Er vaart geen boot op de vaart en er dobberen ook geen eenden. De ochtend dempt alle geluid, je ziet niet waar de lucht eindigt, niet waar het water begint. Alles gaat in alles over. Een meisjessilhouet op een donkergrijze damesfiets beweegt de brug op, ze gebruikt de versnellingen niet want die trappen door. Boven staat ze stil. Haar wimpers zijn nat van de vochtige lucht, ze spert haar ogen wijd open en kijkt naar beneden. Nu beweegt niets meer. Ze houdt haar adem in. De lucht zal bewegen, er zal een rimpeling zijn en die zal uitdeinen tot ook haar silhouet zal zijn opgelost, en zij zal zijn veranderd in alleen maar stilte. Maar net voor dat moment breekt het zonlicht door de mist, de mist wordt van goud, het goud raakt haar huid. Ze ademt diep in, schudt haar hoofd en stapt terug op de fiets. Als ze even later met het brood in haar fietstas terug de brug op rijdt, is de mist verdwenen. De ochtendzon voelen op je huid, kan jij je dat inbeelden? Ik hoorde eens iemand de zon aanprijzen als beste minnaar ooit. Oei. Je snuift minachtend en verdwijnt zonder me nog een blik te gunnen. Ik had nog willen zeggen dat ik eigenlijk ook graag zou te weten komen hoe de liefde voelt.   Met de liefde is het net als met mooie kleedjes, het is iets voor de anderen. Hier en daar merkt ze wel een jongen op met zachte ogen. Maar het is te vroeg. De jongens dragen stoere harnassen en om haar heen is de mist nog dicht. Ze wil trouwens helemaal geen ridder en ze verlangt er ook niet naar om een prinses te zijn. Wat dan? In vervlogen tijden zou ze in de keuken gewerkt hebben van een klooster, ze zou er brood hebben gebakken en voor de kruiden zorgen in de tuin, zij is het die de gerechten versiert met paarse viooltjes en zevenblad. En als ze even tijd heeft, glipt ze naar de bibliotheek en verdiept zich in de boeken en oude manuscripten, ze schrijft briefjes en verstopt die tussen de bladzijden voor de man in wiens ogen de hemel zichtbaar is. Het klooster heeft een grote oude tuin, de linde staat in bloei. Daar zouden ze afspreken. In de laatste jaren van de middelbare school zie je haar steeds vaker met een groepje jongens in gesprek. Ze hebben elkaar gevonden dankzij een taak voor Nederlands over Kafka. Maar het is toch vooral de leraar Frans door wie ze zich bereidwillig in de war laten brengen, een groot deel van de klas beschouwt hem als een gefrustreerde pessimist, zij laven zich aan zijn lessen. Hij is een tengere man met smalle handen. Als hij met krijt op het bord schrijft zijn de letters doorschijnend. Maar hij spreekt alsof hij duizend levens heeft geleefd . en misschien is dat ook wel zo, ik zou het eens kunnen opzoeken. ‘Le pari’ lees ik in de linkerbovenhoek van het bord, de letters zijn ijl. Ze lezen een uittreksel uit ‘Pensées’ van Pascal. Ze tekent de twee bergen na die de leraar heeft getekend, die staan voor twee werelden. Aan de ene kant bevindt zich de microkosmos, het rijk van het onzichtbaar kleine, aan de andere kant is de macrokosmos, het oneindig grote universum. Er ligt een plank die de beide bergtoppen verbindt, daarop balanceert de mens. Hij is ofwel de olifant in de porseleinwinkel, ofwel de speld in de hooiberg, maar nergens is hij thuis. En past hij niet op dan valt hij in de afgrond tussen beide werelden. Ze ademt opgelucht, dit biedt tenminste enige houvast. ‘Houvast?!’ Je hoongelach klinkt luider dan ooit, ‘het is pure inbeelding van dat kind!’ ‘Ja inderdaad, maar daar is ze wel goed in, ondanks al jouw lobbywerk’. Je ogen bliksemen. ‘En jij dan?’ grom je. Ik schud mijn hoofd. ‘Ik bescherm haar niet, hoe zou ik dat kunnen? Dat ik haar van zo nabij volg, is mijn zaak. En laat me nu met rust.’ Er is een oudleerlingenavond op school, ze ruimt de glazen af en luistert even mee naar het gesprek aan tafel bij de lerares geschiedenis. Een jongen met blauwe ogen kijkt haar aan en glimlacht. Kom je er even bijzitten? Ze gebaart naar de plateau vol glazen en keert terug naar de afwas. Er is veel afwas, ze ziet hem niet meer terug. Een tijdlang hoopt ze nog voortdurend hem tegen te komen: in de bibliotheek, aan het station, op straat. Het duurt maanden voor ze stopt met hopen. Ze blijft verlangen. Haar Franse lief verschijnt pas een jaar later op het toneel. Groene ogen, een brede glimlach, 10 jaar ouder, in elk oor een ring. Hij durft haar hand nemen en ze trekt niet terug. Zijn stem is altijd hees en opgewekt, maar hij kan ook prachtig zwijgen. Als ze wandelen zeggen ze niet veel. In het Frans kent ze de namen van de vogels niet, dus wijst ze hen aan en fluistert. Hij herhaalt ze één voor één, als een kind dat voor het eerst een woord uitspreekt. Fuut. Zwaan. Blauwe reiger. Pimpelmees. Ze wandelen veel, vaak ’s avonds als de zon aan het ondergaan is. Of ’s nachts als de maan er is. Zoals nu. Het eerste jaar na hun ontmoeting overwintert hij in een zomerhuisje in haar mistige land. Ze hebben gekookt in de keuken in het schuurtje waar het berenkoud is, maar gegeten in de chalet bij de warmte en de rook van de kachel, die heeft hij enkele maanden geleden zelf geïnstalleerd. Het is een heldere winternacht, de maan is vol en het heeft gesneeuwd, ze kunnen niet anders dan naar buiten gaan. Dat was te voorspellen. Ze wandelen eerst een eind langs de lange rechte baan die het dorp verbindt met het volgende dorp, dan slaan ze rechtsaf, dalen af langs het pad dat leidt naar de kleiputten, ooit door mensen gegraven, nu volgelopen en verlaten. Overdag zie je wel eens vissers, soms een wandelaar. Nu is er niemand in deze verzonken wereld. De vogels zwijgen. De meerkoeten die meestal piepend op het water dobberen, blijven vannacht anoniem, hun zwemwater is bevroren. De sneeuw knerpt onder hun voetstappen. Hun silhouetten bewegen hand in hand door de stilte. De nacht is licht, een licht dat ze nooit eerder heeft gezien. De sneeuw zuigt het maanlicht in zich op, maakt het zacht en weerkaatst het. Maar de vijver, de plassen en de poelen zijn transparant. Meestal verbergen die angstvallig hun diepten onder de waterspiegel, nu valt het maanlicht er dwars doorheen en kan je tot de bodem kijken. Ze kijken. De tijd valt stil, de aarde vergeet rond de zon te draaien en zij vergeten dat ze mensen zijn.  Jij weer? Nee, niet nu. Blijf jij nog maar even uit de buurt. Want er zijn nog van die vreemde scènes in haar leven. Zoals die zomer toen ze afstudeerde en zuidwaarts vertrok om daar met haar Franse lief een leven te delen. Ze staan er op de markt in een badplaatsje aan de oceaan. Hun kraampje is opgesteld, de spullen zijn uitgestald, die ochtend hebben ze een goede plaats kunnen krijgen in een van de centrale gangen. Ze verkopen handgeschilderde doosjes, haar vriendje heeft die gekocht in India en naar Frankrijk verstuurd. Door een staking van de post waren ze te laat aangekomen voor de eindejaarsperiode, het zouden mooie kerstcadeautjes geweest zijn. Maar als ze die nu verkopen hebben ze een klein beetje startkapitaal, dan kunnen ze daarna ergens een huisje huren. Wat zijn ze naïef. ‘Ik ben even weg’, zegt ze. Het strand is groot en leeg, het is te vroeg voor de mensen. De lucht is nog puur, alleen de marktkramers zijn al wakker, ze drinken koffie, gaan in elkaars kraam rondhangen, roken en wachten. Het zal nog enkele uren duren voor de toeristen komen. Een stoffige brede straat leidt naar het strand, aan weerskanten ervan zijn bars, restaurants en winkels waar je vliegers, hoeden en postkaartjes kan kopen. Hier en daar ruikt het naar bier en urine. Alles is nog toe. Waar de straat stopt dalen enkele brede betonnen treden af naar het strand, de eerste honderd meters is het zand mul, warm en omgewoeld. Er liggen sigarettenpeuken. Verderop wordt het zand langzaam vochtiger en koeler. De oceaan heeft de sporen van gisteren weggewist, het strand is met een schone lei begonnen. Een voetspoor tekent zich af en leidt naar het silhouet van een vrouw in de verte. Ze draagt haar sandalen in een hand en loopt recht de oceaan in. De oceaan is rustig voor haar doen, de surfers slapen nog. Ze loopt een heel eind het water in, de golven spelen met de zoom van haar jurk, ze staat stil. Lichtblauw is de lucht, grijsblauw het water, de zon is overal, later op de dag zal die opdringerig warm worden, nu werpt ze haar licht nog helder en vriendelijk op het water. Alles lijkt doorschijnend. De jonge vrouw houdt haar adem in, sluit haar ogen. Haar tranen kunnen nog net door de ooghoeken naar buiten. Ze wil niet. Ze wil niet meer terug daarheen, het is zo moeilijk allemaal. Ze zal verdwijnen, zich overgeven aan de armen van een vriendelijke golf die haar meeneemt, opgaan in de oceaan van licht. Deze keer is het een spelletje dat haar aan deze kant houdt, geleerd op de animatorcursus die ze volgde toen ze 16 was.  Ik zal het je uitleggen. Je richt je blik zo dat je de zee ziet -of een wei vol pinksterbloemen, of een heuvellandschap, een wolkenveld-, dan doe je je ogen toe, je beeldt je in dat je heel lang slaapt en je vergeet alles wat je ooit zag. Als je zover bent, doe je je ogen terug open alsof het de allereerste keer is. Je kan het ook met twee spelen, dan druk je op de knop door te tikken op de schouder van de persoon die zijn ogen heeft gesloten. Die is de camera en maakt met zijn blik een foto. Ze moet het gevoeld hebben. Even raak ik haar schouder aan. Ze opent haar ogen. Het licht schittert, in de verte hoort ze een kind iets roepen. Heel diep ademt ze in, daarna keert ze zich om. De eerste toeristen zullen zo meteen langzaam beginnen rondslenteren op de markt. Elke dag is het markt in Montalivet, je kan er proeven en passen, een hangmat testen, een kleedje uitproberen van een stof die met indigo werd geverfd door een Chinese minderheid. Je kan er mooie handgemaakte spullen kopen van over de hele wereld. Je ruikt er paëlla, verse focaccia, Baskische worst, wierook, leder, olijven, lavendelzeep, zweet en zonnecrème. Of je kan doen als een antropoloog – was dat niet hetgeen ze studeerde?- en er het bont allegaartje van reizigers, artiesten, alternatievelingen bestuderen. Een vreedzame gemeenschap is dit niet. Er zijn clans van mensen die elkaar elke ochtend groeten, maar evengoed mensen waartegen niets gezegd wordt, omdat ze concurrenten zijn, omdat er veten zijn die al vele zomers meegaan. Er zijn er die een goede plaats hebben gekregen in een van de brede middengangen. Het gerucht gaat de ronde dat ze daartoe de ‘placier’ omkochten, er zijn de vele kleintjes die bang zijn betrapt te worden omdat ze niet ingeschreven staan. Het opzetten en afbreken van zo’n markt is een dagelijks huzarenstukje: eerst moeten de kramen aan de binnenkant zich installeren, pas daarna daarbuiten. Bij het inpakken is de volgorde omgekeerd. Op een ochtend hoort ze de man van de hangmatten vloeken en tieren, hij slaat woest de deur van zijn bestelwagen toe, hij kijkt altijd stuurs, zijn vrouw draagt altijd rood, ze staan bekend als licht ontvlambaar en ze hebben de beste plaats van heel de markt. Tegenover hen staat Madame Tabouleh in haar blauwe kraampje, als mama van de markt ziet zij alles, levert onophoudelijk commentaar terwijl ze zoete muntthee schenkt in kleine glaasjes met een gouden rand. Haar man heeft mooie droeve ogen. En dan heb je Hartmut, die maakt en verkoopt Romeinse sandalen uit één stuk en beurzen uit leer. Als er geen klanten zijn, snijdt hij het leer en naait hij, hij drinkt niet, dwaalt niet rond bij de andere kramen, vloekt in het Duits en spaart om naar Canada te kunnen emigreren. Patrick en Alice verkopen juwelen en panfluiten, daarna keren ze terug naar de sloppenwijken in Brazilië, het zijn clowns, ze maken straattheater, maar ze worden door iedereen als zeer serieus beschouwd, want ze feesten niet en staan op een rustige camping in het binnenland. Verderop zijn er Titi en Roland en de hele kliek. Niet zo’n goede verkopers, eigenlijk zijn ze nogal verlegen, maar na de eerste joint lukt het wel. Ze verkopen kledij, sieraden en artisanaat uit India, Nepal, Guatemala. Ze hebben het leven naar hun hand gezet: in de zomer staan ze elke dag op de markt, de rest van het jaar brengen ze door in verre landen waar het warm is en niets doen niet veel kost. In afwachting van de toeristen spelen ze schaak. Rond 10 uur beginnen ze te aperitieven. In de Médoc mag op de markten wel alcohol geschonken worden, bij wijze van degustatie. Van alle smaken zal ze zich vooral de braambessen herinneren in de duinen toen de zomer ten einde liep, de toeristen naar huis waren en de bramen op hun eentje in de volle zon rijpten. Zoeter dan toen waren ze nooit meer. Ze vinden geen huis, hij vindt geen werk. En zij houdt het niet uit in het huis van zijn moeder waar hij maar voor de televisie hangt, zo kent ze hem niet. Een maand lang werken ze op een biologische boerderij van Vlamingen in de buurt, ze plukken boontjes, sorteren appelen voor cider en verkoop, gaan mee naar de markt in Bordeaux, proeven het versgebakken brood van Dieter, de bakker die niet zonder wijn kan. De boer en de boerin spreken nauwelijks met elkaar. Ook zij wijzen elkaar de ochtendnevels niet die vanuit de bossen komen, en het ontgaat hen hoe de septemberzon daarna de dag verguldt. Zo gaat het niet. De boerin rijdt met de camionette naar België om de familie te bezoeken. Zij rijdt mee. Hij blijft daar.     Ze huurt een achterkamertje in Gent, schildert het geel en schrijft sollicitatiebrieven. Het is de koudste winter ooit, de leiding bevriest, een man met een roos staat voor haar deur, een andere maakt marsepein voor haar, ze valt flauw bij de bakker. Maar hij is gestopt met televisie kijken, het wordt nu lente en hij schrijft haar lange brieven in potlood. Kom je eens kijken? Dat doet ze. Er is plek voor haar in zijn nieuwe huis vlakbij het Bassin van Arcachon. Vanop het houten terras stap je zo de keuken en woonkamer binnen, van daaruit kijk je weer recht de tuin in. Meer is toch niet nodig? Hij wil groenten kweken. Pompoen en courgettes, dat is niet zo moeilijk. De vlier staat in bloei, ze zou vlierbloesemsiroop maken. Ik zie het al zo voor me: daar staat ze in een van die bloemenkleedjes die hij voor haar heeft meegebracht uit India, een kind op de arm, een vaas met seringen op tafel, de honing smelt op het brood dat net uit de oven komt. En ze leefden nog lang en gelukkig? Nee toch. Ze zit in de bus van Eurolines, morgenochtend zal ze terug in Gent zijn. Ze probeert niet te kijken naar de film, het is dezelfde als tijdens de heenreis, een vliegdekschip wordt langs alle kanten belaagd, ze hoort voortdurend schieten en schreeuwen. Vooraan in de bus zit een jongen van een jaar of tien, de buschauffeur kent hem goed, de jongen reist vaak heen en weer tussen zijn moeder in het Frankrijk en zijn vader in België. Daar ben jij, ik had je niet opgemerkt. Je moet alles mee gevolgd hebben. ‘Laat mij nu maar even m’n werk doen’, zeg je. Met enige tegenzin schuif ik een beetje op zodat je naast me kan komen zitten. ‘Zie je wel’, zeg je, ‘ze kan het niet. Ze moet stoppen met dromen. Stoppen met wenen. Geen job? Dat ze dan vrijwilligerswerk doet of zo. Blijf niet zo bij de pakken zitten, kind, wentel je niet in die muziek, ga niet steeds in de bossen dwalen, en nee, het is echt niet het moment om nu ook nog te beginnen tekenen, dat is het echte leven niet.’ Ze krimpt ineen. Soms is het een sprookje, soms een zootje. Op een blad twee kolommen: een voor Frankrijk en een voor België. Ze kiest voor het tweede. Dromen gaat beter in het Frans, maar eerst moet ze zelf nog wat meer werkelijkheid worden. Wat heb ik met dit kind te doen. We zijn een jaar en een man later. Het was niet de bedoeling. Tot het moment dat de dokter hen zegt dat ze zwanger is, dringt het niet tot haar door. Toch zijn ze samen naar de consultatie gegaan. Een jaar eerder hadden ze elkaar ontmoet. Deze zomer was ze hem achterna gereisd naar Calabrië. Daar proefde ze voor het eerst moerbeien. Ze plukten er druiven in een verlaten bergdorp en zagen elke avond de zon ondergaan boven Sicilië. Maar hij was liever alleen geweest. Daar staan ze nu op het plein vlakbij de groepspraktijk. Ze voelt een duizeling in haar hoofd van zoveel verandering op til. Het suist en tolt in haar hele lijf, maar één ding weet ze heel zeker: ze wil dit kind en is bereid hiertoe haar leven compleet op z’n kop te laten zetten. Hij is zacht en lief op dat moment. Hij wil geen kinderen, heeft hij altijd gezegd, dat is niets voor hem. Dat zegt hij nu niet. Hij blijft nog even bij haar op het plein staan en gaat dan naar z’n werk. Ze is graag zwanger. Ze voelt zich vereerd dat het leven haar uitgekozen heeft om een kind in te laten groeien. Bang om te bevallen is ze niet. De oerkracht die ze toen in zich gevoeld heeft. De oudste zoon komt een maand vroeger dan gedacht, hij weent veel, wat er scheelde zal ze nooit te weten komen. Het duurt jaren vooraleer hij de nacht doorslaapt. Als hij wakker wordt, voedt ze en slapen ze samen verder. Als hij moe is, bindt ze hem in een doek op haar buik en wandelt. Haar kind groeit dicht bij haar op, ze hebben het goed samen. Ze zoeken een plek om te wonen. Want waar ze zijn kunnen ze niet blijven, en ze willen ook niet als een gezinnetje in een huis wonen. Ze vinden een luchtkasteel.    ‘Een luchtkasteel, wat krijgen we nu weer?’ Je gezicht is vervormd tot één grote smalende grijns. Ik probeer me niet van de wijs te laten brengen, want dit is eigenlijk waar ik al zo lang van droom. De mensen kunnen het nog niet, dat besef ik wel, maar het is toch het proberen waard? Door de open deuren van de grote living kom je op het bordes terecht. Vandaaruit heb je een breed zicht, je ziet de zandbak, de schommel, het stenen pad naar de vuurplek en daarachter de rode beuk die koper kleurt in de zon. Zij zit daar op de bovenste van de brede treden, kinderen fladderen om haar heen, ze snijdt appeltjes en deelt uit. Samen met een tiental vaste bewoners, hun kinderen en altijd nog wel wat passanten woont ze in een oud klooster dat voorheen nog een kasteel is geweest. Haar tweede zoon is daar geboren. Ze hebben de klokken voor hem geluid, dat doen ze telkens er een kind geboren wordt. En als het Pasen is, dan verstoppen ze eieren in de tuin. In de tuin groeien de wingerd en de rozen op de ruïnes van de vroegere kerk. De heiligen zijn er van hun sokkels gehaald, de zusters Carmelitessen namen hen mee toen ze vertrokken. De strakke tuin werd een tuin van overvloed. Ze deelt het laatste stukje appel uit en werpt een blik op de zandbak onder de magnolia, haar kleine jongen rijdt er met een autootje door zijn woestijn en aan de andere kant roert een meisje in haar emmer met soep gemaakt van bloemblaadjes en zand. Haar grote zoon maakt deel uit van het geraas dat uit de openstaande deuren klinkt. Aan de andere kant van de grote living is de speelgang. Toen de zusters er nog woonden, blonken daar de blauwe stenen van de boenwas, het moet er stil, koel en rustig geweest zijn, met enkel het geluid van trage stappen. Nu is dit het terrein van driewielertoeristen, en tractorpiloten. De hoge plafonds en de booggewelven vermenigvuldigen elk geluid maal tien, de straat die ze met witte lijnen op de vloer tekenden, verandert spontaan in een autosnelweg. Hier komen volwassenen alleen als het echt nodig is. Ze blijft nog even zitten. Alsof ze weet dat ik toekijk en me het genot niet wil ontnemen dit tafereel te aanschouwen. De schommel piept en wiegt heen en weer, een kleine blonde jongen houdt de touwen vast en glimlacht als in een trance verzonken. Uit de boomgaard weerklinkt het gekibbel van de kippen. Een koe loeit in de verte. De steentjes knarsen, een fiets rijdt door de poort over de grindweg en komt de bocht om, wie zou het zijn? Hoe laat zou het trouwens zijn? Daarnet hebben de klokken 4 uur geslagen. De planken in de living kraken, een jongen op een driewieler komt razendsnel vanuit de living het bordes op gereden, net voor de traptreden stopt hij. Ze schrikt op. ‘Kom, we gaan melk halen bij de boer, dan kan je in de dreef fietsen’. Ze staat recht, haalt de lege flessen in de keuken, en verzamelt dan een vijftal kinderen, een buggy voor de kleinste en fietsjes voor de anderen. De tractor moet ook mee. Als ze terug zijn, blijven ze aan de andere kant van het gebouw. Daar is de moestuin en groeit de rabarber, daar hebben de kinderen een kamp gemaakt op de brede lage takken van de grote boom aan de ruïnes. Haar oudste is druk in de weer om kussens en dekens naar het kamp te slepen. Haar jongste zit in het gras. Zij plukt bosaardbeitjes en stopt die in zijn mond. Ze plukt er veel en rijgt ze op een grasspriet. ‘Voor jou.’ De ogen van haar jongen glinsteren terwijl zijn mollige handjes het kostbare geschenk aannemen.      ‘Eind goed al goed’, klinkt je stem triomfantelijk. ‘Wat bedoel je?’ Ik begrijp het niet. En ik had je alweer niet horen komen aanvliegen. ‘Welaan dan. Aardbeien, kinderen, een kasteel: ze is gelukkig en dus kan jij nu eindelijk stoppen met haar te volgen, want dat is niet meer interessant’. Ik begin je door te hebben: je wil aandacht, je bent gewoon jaloers. Maar mijn fascinatie voor haar wordt alsmaar groter. Ze heeft af en toe een vlaag van onbestemde heimwee, vleugelpijn noemt ze het. Had jij daar al van gehoord? Bij sommigen -meestal vrouwen, soms ook mannen- beginnen op een bepaald moment vleugels te groeien. Of het nu om een misgroei gaat bij hen die te weinig resultaten boeken, of het gevolg is van teveel dagdromen, dat hebben de onderzoeken nog niet uitgemaakt. Wel staat vast dat na verwijdering de patiënten in staat zijn tot een normaal leven, zij het met soms nog enige neiging tot melancholie. Het verwijderen van vleugels in een beginfase doet geen pijn, hebben ze haar gezegd. Ze heeft haar koffer gemaakt. Een lange busrit brengt haar tot de eindhalte in de heuvels, ze is even gaan zitten op de bank, wandelt dan de laan in, tot het huis. Ze zeggen niet veel, geven je een kamer en een glas wijn. Ze doen het terwijl je slaapt. Iemand moet het venster opengezet hebben, de ochtendlucht stroomt binnen, ze hoort duizend vogels zingen en voelt tranen nog voor ze haar ogen opendoet. De kamer hult zich in een waas van wit, boomkruinen fluisteren door het raam. Ze gaat rechtop zitten, voelt aan haar rug en weent de hele ochtend. Iemand brengt haar een kop thee en een boterham. ‘je mag nog enkele weken blijven’, zegt ze, ‘de meesten draaien nog even in de werkplaats mee vooraleer ze terugkeren’. Haar stem is warm en zacht. Ze blijft zolang het mag. De ruimte lijkt in niets op wat meestal een werkplaats is: hoge ramen waardoor licht overvloedig binnenvalt, houten vloer, gordijnen van wit  linnen. Elke vrouw zit op een stoel met voor zich een grote mand waarin het dons valt dat ze plukt uit een vleugel. Overal door de kamer warrelt dons en speelt het licht. De deuren aan de ene kant gaan open, een jongen brengt een nieuwe lading vleugels binnen.  Even later doet het geluid van een vrachtwagen op de oprit iedereen opkijken. Manden met dons worden ingeladen. De chauffeur heeft de radio laten aanstaan, reclame en nieuws denderen de werkplaats in. Van het dons worden hoofdkussens gemaakt die zeer prijzig en zeer in trek zijn bij de hogere middenklasse. 15 dagen en 15 vrachtwagens gaan voorbij, ze is bijna terug thuis. Ze voelt zich misselijk van de lange busrit, nog 2 straten te gaan. Hoe dichter ze haar huis nadert, hoe trager ze loopt. De sleutel past, de deur gaat open, de afwas staat op het aanrecht, er is nog niemand thuis. Wat krijgen we nu? Was jij hier de hele tijd aan het meekijken? Je schrikt op. Voor je je hoofd weer de andere kant opdraait, zie ik nog net een traan in je linkeroog blinken. Ik verwacht dat je er meteen weer vandoor zult gaan, maar nee, je blijft naast me zitten. Wat is er? Voorzichtig leg ik m’n hand op je schouder en voel hoe die zich langzaam ontspant. Je bent niet meer wie ik dacht dat je was. Intussen gaat het leven door. Kijk daar is weer zo’n scène, het lijken wel variaties op een thema. Ditmaal zijn ze op reis in Californië. De afdaling lijkt uren te duren, het woud is uitgestrekt, de weg vol bochten. Het lijkt alsof van achter elke boom een beer zou kunnen tevoorschijn komen, maar ze houden zich schuil, en ook de reeën wachten tot het avond is. Ze rijden tot het einde van de grintweg, daar laten ze de auto staan. Ze bindt de kleinste jongen op haar rug, neemt de grootste bij de hand. Ze wandelen langs hoge ceders, voorbij een kudde elanden die hen heel even aankijken en daarna onverstoorbaar verder grazen. De lucht is vochtig en ruist mee met de oceaan. Ze lopen het pad ten einde, daar is een rots, achter de rots is het kiezelstrand. Dit is de ‘Lost Coast’, hier eindigt de wereld. Metershoge golven spatten op de rotsen, roeren de kiezels om en keren dan terug naar de woeste zee. Zo moet de wereld hebben geklonken voor ze werd opgedeeld in aarde, lucht, water en vuur, in man en vrouw, goed en kwaad. Ze heeft tranen in haar ogen. De man kijkt naar haar, neemt een foto. Kom, we zijn weg. Ze ademt diep en vult haar longen met de vochtige lucht. Nog één keer kijkt ze. Hier kom ik ooit terug, dan blijven we kamperen. Hij antwoordt niet. Waarom nam hij niet even haar hand? Hij stond erbij, vond het mooi, maar was er niet bij. Hij was al in gedachten bij de lange klim terug naar boven, bang door het donker overvallen te worden. Jij schudt je hoofd. Ze beelden zich in dat het liefde is, maar het is angst. Soms heb je gelijk. Een vrouw werd verliefd op de bewaker van haar cel. Elke ochtend bracht hij haar water en brood, mompelde goeiemorgen. Ze had geantwoord. Zo was het begonnen. Sindsdien reikte hij het brood en de kan niet meer aan door het luik, maar zette ze neer op het kastje naast het gammele bed. De cel lag op het einde van een gang aan de oostkant van een groot en donker slot. Op de dag dat de slotheer had afgekondigd honderd gevangenen te zullen vrijlaten -hij trouwde en was in een genereuze bui -, merkte zij enkel onbekende stemmen in de verte, de stappen van de bewaker en een heleboel andere stappen; ze gingen de andere kant uit. Maar zij bleef waar ze was. Want haar kon hij niet laten, ze was zo mooi als een bos in de lente, haar bleef hij trouw. De jaren gingen voorbij. Haar ogen werden hol als haar cel, haar huid grijs als de stenen, de geur van bos woonde al lang niet meer in haar haren. Op een ochtend in mei scheen de zon door de bomen. Hij zag het, bukte zich, plukte een boeket blauwe boshyacinten. Die bracht hij haar met het brood en het water. Ze at niets, zette de hyacinten in het water. Hij kuste haar en toen hij even later de cel verliet, vergat hij de deur op slot te doen. De dag nadien stond de deur wijd open. Ze lag neer op het bed, naast haar bloeiden de hyacinten. De zon scheen door het raam in de gang, had de weg gevonden door de deur van de cel en beroerde haar lippen en wimpers. Even straalde ze. Hij haastte zich tot bij haar, durfde haar niet aanraken. ‘Sta nu maar op’, zei hij. Ditmaal gehoorzaamde ze niet. Die avond droeg hij haar lichaam het slot uit. In het bos heeft hij haar begraven, naast het pad waarlangs hij elke dag naar zijn werk gaat. Nee, zo zou het haar niet vergaan.   De zon is doorgebroken na een koude mistige ochtend, ze schijnt overvloedig door het raam van de trein, zij sluit haar ogen en wil ze tegelijk open houden om naar de hemel te kijken en naar de heuvels die daarbuiten net als zij van de zon genieten. Ze is onderweg naar Avioth, een klein stil dorp in de Gaume met een basiliek. De trein houdt halt, reizigers lopen de wagon binnen. Een van hen is een man met koperkleurig haar en een rugzak. In het zijzakje zit een pot notenpasta. Hij komt naast haar zitten. Ze kijken elkaar aan bij wijze van groet. Ze wendt haar blik weer af en probeert zich terug over te geven aan de mijmeringen en de zon. Het gaat niet. Ze kent deze man niet, maar hij voelt erg vertrouwd. Het verwart haar. Ze moet het verlangen bedwingen haar hoofd op zijn schouders te leggen en te huilen. Zomaar, om alles en niets. Je bent gek, zegt ze tegen zichzelf. Ze probeert of ze haar boek uit haar rugzak kan halen om haar blik en gedachten daarin te verbergen. Onmogelijk zonder de permissie van de twee oude mensen op de bank tegenover hen, die zitten daar al vanaf Brussel hand in hand. Help. Wat moet ze nu met een engel naast haar? Hij vraagt iets, een tikje schuchter. Zij antwoordt in het Frans, waarschijnlijk heeft hij Nederlands gesproken, maar heeft ze alleen de klank van zijn stem gehoord. Ze raken in gesprek, hun gezichten wenden zich naar elkaar. Het zijne is licht met heldere ogen en warme blik. Als de hemel daarbuiten. Zijn stem is zacht. Hij is onderweg naar een klooster in Normandië. Ze schrijft de naam van de plek op een briefje dat ze zal verliezen. Zijn naam vraagt ze niet. Ze weet niet wie hij is, wat voor leven hij leidt, hoe de binnenkant van zijn hand voelt. Ze slikken hun vragen in. Want minstens even mooi als de mogelijkheid om mens te worden is het om voor elkaar een engel te zijn. Je kijkt me aan. Er verschijnen pretlichtjes in je ogen. ‘L’ange qui passe. Was jij het?’ Ik bloos. Je hebt gelijk. Zij denkt dat ze mij heeft bedacht omdat ze me nodig had. Maar zo is het niet. Ik ben het die haar nodig heeft.        

Adinda
22 0

Einde en een begin?

Hallo Winny,   Ik zie mezelf als een dame met visie en voor de rest denk ik dat ik zowel elementen van binnen- als buitenkijkers in mezelf kan vinden. Ik ben dol op meegaan met de flow van mijn hersenkronkels, maar word ook gekriebeld door creatie(f) buitenshuis. Je merkt dat het speelvogel-element diep in mij zit, al zal je dat als je mij ontmoet niet direct kunnen spotten.   Ik heb inderdaad iets met Martin Luther King. Tijdens dictielessen heb ik ooit eens zijn speech van buiten geleerd, maar er is meer dan dat. King droomde dat hij blanke en zwarte kinderen hand en hand zou willen zien lopen; een wereld zonder racisme was zijn ideaal. Mijn dochters hebben een donkere huidskleur en hebben toen we nog in Brussel woonden vaak haatopmerkingen naar hun hoofd geslingerd gekregen. Vreemd of niet kwam dit meestal van Arabische kinderen die ook niet bepaald de zogenaamde ideale blanke huidskleur hebben. Ze leken een redenering te hebben van het genre “hoe donkerder, hoe lager op de sociale ladder van respect.” Onze hoofdstad zal altijd in mijn hart blijven zitten, maar het zogenaamde multiculturalisme bleek voor mij geen positieve meerwaarde. Ook op taalvlak was ik mezelf totaal kwijt. In Leuven worden Bona en Luna gewaardeerd als persoon en spreken ze weer zuiver Nederlands zonder zwaar Frans accent. Ze kennen overigens enkel de Belgische cultuur. Het verlies van hun vader zorgde ervoor dat hun opvoeding geen wereldse accenten kreeg.   In mijn verhaal over gele zielen heb ik er zeer bewust voor gekozen om het overlijden van mijn man slechts een druppeltje te laten zijn en geen vloedgolf aan emoties. Zijn dood heeft mijn leven wel getekend omdat ik jarenlang letterlijk gevangen zat in mijn verantwoordelijkheden. Met 2 kleine kinderen in huis ga je nergens naar toe als solo ouder; ofwel moet je ze meenemen ofwel een babysit zoeken en dat zijn allebei moeilijke scenario’s. Het blijft een objectief feit dat ik toch niets had kunnen veranderen aan een fatale ziekte, hoe machtig, rijk en alwetend ik ook geweest zou zijn. Ik heb in de poel van ellende een krachtbron gevonden die mij sterk en zelfstandig heeft gemaakt.   Ondertussen word ik enthousiast uitgezwaaid als ik de deur uitga. Zo kunnen mijn jongedames hun zin doen zonder mijn “gezeur.” Ik heb nu eindelijk de vrijheid om rust te zoeken. Ik houd vooral van sportlessen. Zwemmen is heel lang mijn grote liefde geweest, maar door andere passies te ontdekken vind ik dat nu iets minder dol-fijn. Op dit moment houd ik van BBB (vrij vertaald mijn Brains Body Boost), fitness en spinning (ook prima voor die hersenspinsels).   Ik ben inderdaad een microgolfmama. De interesse in culinaire ontdekkingsreizen is er gewoon niet. In deze mediawereld vol gastronomische impulsen lijk je je dan te moeten verontschuldigen, maar zoals ik in het begin zei ben ik een dame met een eigen visie en is het niet belangrijk wat anderen daarvan vinden. De laatste tijd begin ik meer en meer de kracht van pure voeding te ontdekken. Met gegrilde groenten en een waaier van vers fruit voel ik mij in mijn eigen aards paradijs. ‘Heaven is a place on earth’ zong Belinda Carlysle.   Over hemels gesproken, deze week stuurde een (b)engeltje onverwacht een berichtje; de Nieuwsbrief van Studio Sesam. Tja, ik hoef je zeker niet te vertellen welk mysterie daar voor mij onthuld werd. “Toeval bestaat niet” is zo’n zinnetje dat mij er toch aan laat twijfelen om een overtuigd “sinner” te zijn. Het zal dan toch niet zo toevallig zijn dat we elkaar binnenkort ontmoeten.   Ik ben benieuwd hoe deze reis van ons schrijfleven wordt vervolgd… Leona

Leona
0 0

Kopje onder

Dag DuikertjeDirk,     Dank je wel voor je fijne brief!   Wat een mooie uitnodiging is het, aan de oppervlakte zwemmen. Natuurlijk doe ik mee. De voorzichtigheid van je invitatie verlaagt de drempel al meteen. Ik zou er zo meteen in duiken…. ware het niet dat zwemmen ook niet mijn favorietje is. Ik ben geen vis, eerder een landdier, een ‘ontginner’. Geleidelijkheid voelt inderdaad veiliger, en die voorzie jij met zorg. Voor ik het weet zit ik in het diep. ;-)   Mijn pen is absoluut niet professioneel. Wel bezig gebruikt., voor mijn privé-collectie. Een vulpen met zwarte onuitwisbare inkt. Daar doe ik het mee. Je ziet de inkt glimmen , je hoort de pen op het papier. Die traagheid, echt, dat is het. Zo schrijft mijn lijf, het vloeit er handzaam uit. Dat heb jij helemaal zelf zo mooi aangegeven : mijn zintuigen stuwen de woorden van mijn hoofd naar mijn hand. Zo voelt dat ook. Levenservaring speelt mee. Die kan je niet zomaar deleten. En mmmja , een handgeschreven brief ’s morgens in de brievenbus…. nog beter dan een aardbeientaartje ( mijn lievelings!) is dat.   Van Gepetto heb ik nog niets gehoord. Misschien en hopelijk heeft hij wel iets laten weten aan Giovanni, de radeloze vader en briefschrijver. Dat vind ik net zo leuk aan schrijven, dat je gewoon eens even kan doen alsof je iemand anders bent, een ander hoofd opzetten en vreemde gedachten spinnen. Natuurlijk heb ik met mijn eigen kinderen ook wel de nodige ‘karpatsen’ beleefd. Pinokkio zelf die was uit pijnboomhout gemaakt. Letterlijk vertaald heet hij ‘stukje pijnboom’. Vandaar de titel van mijn brief.  Jij leest geen dingen die er niet zijn, integendeel, ik ervaar je als een fijngevoelig lezer en schrijver.   Voor de schrijfdag heb ik me nog niet kunen vrij maken. Hopelijk lukt het alsnog en vinden we mekaar daar. Van schrijven geniet ik, dat zie ik niet gauw veranderen. Maar jouw aanmoediging maakt mij echt blij. Bedankt ! Je was een heel fijne ‘pennevriend’.   Hartelijke groeten,    Marijke   PS dat van Zele heb ik je vergeven  ;-)

BERLIOZ
0 0

Laten we zacht zijn voor elkaar

Dag Tine, Ik heb met veel plezier je brieven gelezen. Ook je laatste brief waarin je schrijft dat je verbondenheid miste.  Ja, die heb ik ook gemist maar inderdaad door het concept van schrijfopdrachten was dat niet evident en zoals je ook wel zal gemerkt hebben ben ik ook wat afstandelijk gebleven.  Dat gaan we zaterdag goed maken met een stevige babbel. Van een billenbank had ik nog nooit gehoord! Tof gevonden. Ja, die onverschilligheid vind ik vandaag in zoveel dingen.  Ik vind dat mensen onzorgzaam ( niet bestaand woord, maar passend) met mekaar omgaan.  De eigen persoon wordt op de eerste plaats gesteld.  Als het voor mij maar goed is, de andere daar trek ik me niets van aan. Alleen nog rechten, geen plichten meer.  Mondigheid wordt zo dikwijls verward met onbeschoftheid. Ik ben mag ik wel zeggen nogal in de weer voor andere mensen. Probeer de noden te zien, te luisteren en te helpen.  Omgekeerd blijf ik al eens in de kou staan. Ik zie ook zoveel mensen constant op die gsm tokkelen, voor mij ook een vorm van onverschilligheid naar de ander. Oei dat klinkt nogal zwaar op de hand.  Ik ben niet verzuurd hoor, hou van feesten, zingen, folk muziek, film en boeken. Ik probeer elke dag te lezen. Ik vond het fantastisch om in jouw brief te lezen dat je naar Tom Lanoye bent gaan luisteren.  Ik heb hem ook al verschillende keren gehoord, een grandioos verteller. Zaterdag ga ik zeker luisteren. (35 jaar Herman Brusselmans laat ik aan mij voorbijgaan.) Ik heb net ‘Zuivering’ gelezen en vorig jaar ‘Gelukkige slaven’.  Samen met Louis Paul Boon en Erwin Mortier mijn favoriete schrijver.  Arthur Japin, Kader Abdolah, Joost Zwagerman om er nog een paar graag gelezen schrijvers te noemen. Lara Taveirne, Judi Zeh, Hanna Bervoets om zeker de vrouwen niet te vergeten.  Ja, Tine, en zo kan ik wel nog even doorgaan.  Gisteren ben ik begonnen in (wat een mooie titel)  ‘Ze zullen denken dat we engelen zijn’ van Bert Natter.  Ik had nog nooit van hem gehoord. Bij tijdsgebrek en ook wel eens uit luiheid, neem ik in de bib vlug iets van het aanbod ‘nieuwe boeken’.  Al mooie ontdekkingen gedaan. Onze narcissenberg is inderdaad een kleine bergje in de tuin die in het voorjaar vol narcissen staat en nu vol hosta.  De hangmat.  We hebben er twee.  Eentje voor twee, daar lig ik in te lezen en samen met mijn man naar de wolken en de sterren te kijken.  De tweede, dat zal je Belgo-Mexicaans hart plezier doen, is the mexican hammock gekocht op het folkfestival in Dranouter.  Ze biedt plaats aan vier personen maar de bomen in onze tuin staan eigenlijk te dicht bij elkaar om ze degelijk te kunnen ophangen! Naar de wolken kijken. Ik denk dat ik al mijn ganse leven naar de wolken kijk.  Ik ben opgegroeid langs de Schelde, ik heb uren aan haar oevers gezeten.  Kijkend naar de boten en de wolken.  Het gedicht ‘De wolken’ van Martinus Nijhoff is trouwens een van mijn lievelingsgedichten. Gisterenavond nog onder een prachtige wolkenhemel gaan fietsen in Bellebroek.  Door naar de wolken te kijken, voel ik mensen die aan de andere kant van de wereld wonen, even dichtbij. Wat ik met kerkhoven heb?  Kerkhoven zijn onlosmakelijk met mijn leven verbonden. Nadat mijn moeder gestorven was, ging ik elke zondagvoormiddag met mijn vader haar graf bezoeken.  Alle andere gestorven familieleden kregen ook een gebedje.  Ondertussen ben ik het bidden verleerd en zijn de graven van mijn moeder, mijn vader en de meeste familieleden verwijderd. Toch ga ik er nog elke keer als ik in de buurt ben een wandeling maken.  Altijd om mijn ouders te groeten maar ook om even stil te staan bij het graf van andere mensen uit onze wijk, aan wie ik mooie herinneringen bewaar. Op het kerkhof in onze straat, ontmoet ik levende en gestorven mensen van de stad waar ik nu woon.  Ik wandel gewoon graag op een kerkhof en vind er rust. Op vakantie bezoeken we altijd lokale kerkhoven.  Het mooiste is voor mij nog altijd dat van Cavtat. Ook dat van Auvers sur Oise. Lieke, is een juf van de muziekacademie.  Ik heb les gevolgd bij haar, op de schrijfzolder. Dat is ondertussen al een paar jaar geleden maar we zijn goede vrienden gebleven.  We gaan veel samen op stap naar theater en concerten. We zingen ook allebei in een solidariteitskoor. Ze woont dertig kilometers bij ons vandaan.  Ze is alleenstaand met weinig familie in de buurt.  Dus ben ik soms bezorgd om haar. Warme groetjes Lus

Lus Colpin
0 0

Rusthuis 'Welverdiend'

In rusthuis ‘Welverdiend’ heeft men van die dagen. Met zijn allen aan tafel, lusteloos in slappe koffie een lepeltje draaien, iets mompelen tegen de muren. ‘Waar is de suiker?’ Windstilte. Men moet besparen. Tijdens vergaderingen in bureelcontainers gebeurt nèt hetzelfde. Alleen schuift daar de dood mee aan.   Iemand tikt met een pen op tafel. Men gaat het hier eens gaan zeggen. Er wordt over en weer geschuifeld met stoelen, een slaafje raast rond met een dienblad, posities worden ingenomen en na wat schikken krijg je zoiets als ‘de Kruisdraging’ van Jheronimus Bosch. Er scheelt iets met de vrouw die tegenover mij zit. Haar mond trekt scheef, ze tokkelt zenuwachtig op tafel, zoekend naar een plaats in het schilderij. Het bleke licht aanwezig in de container bevalt haar niet. Het is wringen en wurmen. Men moét en zal de suggestie oproepen midden in de compositie te staan. Ik ken iemand die een volledig gezin heeft uitgemoord, om zo op de voorpagina van een de krant te belanden. Hij kreeg slechts een voetnoot. De krant belandde in de kattenbak.   Uiteindelijk neemt iemand het woord en de suiker. Het is die vrouw. Het is me een raadsel met welke gigantisch vermogen iemand kan raaskallen, maar het kan, want daar staat ze, klontjes plettend in de koffie. Ik vertrouw geen mensen die het woord nemen, uit de verpakking rukken en ermee smakken. Dat staat niet. Met het woord dien je voorzichtig om te gaan. Draai het eerbiedig uit het papiertje. Behandel het zoals nederige diensters  de Engelse kroonjuwelen in the Tower opblinken. Kniel. Kruip in het stof. Zij begint te kraaien. Ze gaat het hier eens gaan zeggen. Ik zet me schrap. Gewikkeld in een toga orakelt ze over het bezitten van gewichtige informatie ‘want ik heb een directe lijn met de onderzoeksrechter en die is àltijd vriendelijk tegen mij’. Ik dacht: ‘Hij zou beter je hoofd afslaan. Zou niet misstaan op een Bosch-schilderij.’   Ik verliet murw en plat geslagen de vergadering waar ik als oud-legionair was op uitgenodigd. Màànden eerder had ik, met respect voor het woord, gewichtige informatie op dezelfde tafel gegooid. Ik ben slechts een versleten soldaat. Men had alleen oog voor het slaafje en de koffiekoeken die ze aanbood. Het woord kwam onder tafel terecht en iemand schopte het in een hoek. Nadien is de poetsvrouw langs geweest.   Dat woord werd me halsreikend toegestopt door de kleine Sunny. Hij kan als geen ander praten en ik luisterde. Ik luisterde héél aandachtig. ‘Ik ben zo bang voor wat komen gaat, meester.’ Ik hakte zijn woord erin, als een slagzwaard. Het ketste af op de pantsers. Sinds negen april is de kleine Sunny verdwenen. Vanaf die dag heb ik mijn oud uniform van het Negende Legioen weer opgediept. Het knelt, snijdt in mijn adem en drukt op mijn stijve knoken en dat al tweeënveertig dagen lang. Ik ben niet om aan te zien, mijn plaats is in rusthuis ‘Welverdiend’. Maar, het Negende geeft zich nooit over en sterft staande. Ik zal een kaartje sturen van op het slagveld.   River 20 mei 2018

River
0 0

With love

                                                                                 Lier, 20, 21,22,23,24, 25 mei 2018 Beste Fabienne,   Mijn laatste brief komt moeilijk op gang. Ik vind niet de goede vorm en gewenste toon. Ik mis een vrolijke insteek. Ik heb gewacht. Ik heb gebroed maar tevergeefs. Here it comes, with all my heart anyway.   Het is verdrietig om te lezen dat jullie relatie momenteel moeilijk loopt en dat het onduidelijk is welke richting jullie uit moeten gaan. Communicatie is iets vreemd. Onvoorspelbaar. Een kunst, die ik zelf mondeling teleurstellend weinig beheers. Hierdoor lopen een aantal relaties in mijn leven ook niet zoals ik het wil. Op het werk ervaar ik frustratie omdat ik gedrag van anderen, waaraan ik me stoor, niet in groep kan benoemen. Vaak worden boodschappen te persoonlijk opgenomen. Collega’s beginnen te huilen. Ze worden plots ziek na een “confrontatie”. Waarom is het zo moeilijk om constructief een gesprek te voeren over pijnpunten?   De relatie met mijn vader kende ook al diepe dalen en zelfs een breuk van enkele jaren. Met een fameus schuldgevoel er boven op. In contact met hem blijf ik nu op de oppervlakte. Ik bezit het twijfelachtige talent om aan te voelen waar mogelijk een ruzie loert tijdens een ontmoeting met hem. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat hij een moeilijk karakter heeft. (Mijn ouders zijn gescheiden na bijna 25 jaar huwelijk.) In een relatie, in een gesprek ben je met twee. De verantwoordelijkheid voor mijn relaties draag ik dus evenzeer. Dju! Papa en ik lijken mekaar te tolereren omwille van mijn kinderen, omwille van “het hoort goed te gaan tussen een vader en zijn enige kind”. Op zijn minst voor de buitenwereld. Tegelijk voel ik inwendig de drang, het verlangen om hem fier te maken. Mijn drijfveer is altijd van hem te horen dat ik het goed doe. Wat ik nooit lijk te horen. We botsen hier keihard op de essentie van mijn leven: de wens om anderen te horen zeggen dat ik het goed doe.   Ik hoop oprecht dat jij met je partner een weg kunnen vinden om elkaar weer in liefde te ontmoeten. Als het niet alleen lukt, misschien wel met een relatietherapeut. Hangt af van wat jij graag wil in jouw toekomst met hem.   Nog even een kanttekening: mijn moeke was mijn grootmoeder. De moeder van mijn papa. Zij is 94 jaar geworden en dat is een mooie leeftijd. Mijn eigen mama leeft nog. Mijn beide ouders hebben een nieuwe relatie.   Lege nest-angst heb ik (nog?) niet. Als kind was ik vaak alleen en nu voel ik dat ik graag alleen ben. Dus dat kan een voordeel zijn als ze het huis verlaten. Ik zie mijn kinderen graag en was hun eerste levensjaren griezelig sterk met elk van hen verbonden. Loopbaanonderbreking en een tijdje thuis zijn voor elk van hen, ik had het nooit anders gewild. Ook nu werk ik 4/5 in functie van de kinderen. Ik voel wel dat hun tienerkuren weer afstand brengen in onze symbiose. Misschien zijn die puberhormonen wel een goede zet van de natuur die het makkelijker maken je kinderen los te laten. “Mijn kinderen zijn mijn kinderen niet”, zei Kahlil Gibran ooit. Het zijn individuen die hun eigen weg zoeken in de wereld. Een gelukkige jeugd is het belangrijkste en meest onmisbare dat hen gegeven kan worden. Zonder dat wordt een gelukkige toekomst een pak moeilijker, volgens mij.   Angst voor liften of vliegtuigen heb ik niet maar wel voor andere dingen, als voor pijn. Tandartspijn. Ook angst voor onvoorspelbare contacten met mensen. Angst om domme dingen te zeggen, verkeerde beslissingen te nemen. Angst dat ik na dit leven weer aan een nieuw leven op aarde moet beginnen, in minder comfortabele omstandigheden. Angst voor zware ziektes. Angst om een onherstelbare fout te maken waardoor iedereen mij veroordeelt, angst om anderen teleur te stellen, angst om te kwetsen,… Eigenlijk kan heel deze opsomming samengevat worden in die eerste. Angst voor pijn.   Of ik van dingen spijt heb? Op het moment dat zaken anders lopen dan ik hoop, brengt dat mij uit mijn evenwicht. Het maakt me pessimistisch en zwaarmoedig. Maar brengt niet elke ervaring uiteindelijk de lessen die we nodig hebben, die bijdragen tot vorming en persoonlijke groei? Sommige duidelijker dan andere.   “Waarom lees en schrijf je graag?” vraag je ook. Eigenlijk lees ik tegenwoordig enkel non-fictie in functie van mijn job of hobby. Eerder functioneel niet zozeer ontspannend op zich. Schrijven doe ik tegenwoordig ook voornamelijk werkgerelateerd, deze schrijfworkshop even buiten beschouwing gelaten. Momenteel heb ik geen behoefte aan meer schrijfwerk.   Ik kom naar de Schrijfdag en ben benieuwd om jou daar te ontmoeten. We herkennen elkaar vast. Ik ben die ene, die een beetje angstig uit haar ogen kijkt. Ben jij dan die vrouw met haar prachtigste foto in de hand?   Groeten uit Lier   Inge

Joena C Bigs
0 0

Curieuzeneuze

                                                                                                 Kortrijk, 22 mei 2018   Dag Ingemar,   Reeds een zevental weken kruipen we allebei achter onze computer, en nog meer in ons hoofd en hart, om de opdrachten van ‘Brieven aan een onbekende’ tot een goed einde te brengen. Terwijl ik dit typ, staan alle deuren en ramen hier in huis wagenwijd open: de lente heeft intussen volop haar intrede gedaan en de zomer lonkt. Wat een contrast met die eerste brief; herinner je je het nog? Jij beschreef het toen zo mooi in die eerste alinea, waarbij je eindigde met: ‘het is lastig balanceren op die eindeloze uitlopers van de polar vortex’. Van bij het begin werd ik geïnspireerd door jouw heel poëtische, rijke taal en eigen(zinnige) kijk op de wereld. En hoe je met weinig woorden toch veel kan zeggen; iets wat voor mij dan weer een hele uitdaging is. Ging het schrijven vlot? Zo leek het jou althans wel af te gaan … De voorbije weken heb ik geprobeerd om mij een beeld te vormen van jou en van jouw leefwereld. Ik heb de ‘curieuzeneuze’ in mij bedwongen en jou niet gegoogeld of opgezocht op Facebook. Ik schat dat je een stukje jonger bent dan ik, zo eind de twintig. Dat je graag een portie cultuur meepikt en een scherp observatievermogen hebt. Dat jouw weekend pas echt begint met de weekendkrant (hier van hetzelfde)! En dat de paprika door jouw tot 'groente non grata' werd gebombardeerd. Daar heb ik dan weer smakelijk om moeten lachen, ondanks het verhaal van de algehele malaise.     Jouw derde brief heeft me het meest geraakt en vooral het laatste zinnetje is bij mij enorm binnengekomen. Het toonde jou op een andere manier, vond ik. En het deed me goed dat ook jij een herinnering omtrent jouw gezin had gedeeld, omdat dat een onderwerp is dat me na aan het hart ligt (en dan vooral mijn zus en die twee broers in het bijzonder). En tegelijk ligt het wel wat gevoelig, omwille van de complexiteit van de situatie vroeger en nu. Jij bent blijkbaar ook opgegroeid in een groot gezin: hoe heb jij dat ervaren? Heb je een goede band met jouw broers/zussen?   Wat jouw tweede brief betreft, zit ik wat op mijn ‘honger’ wie de persoon is van de ‘befaamde jambalaya’ en hoe jullie verbonden zijn met elkaar. Zal de Romereis er nog van komen en zou je dat graag hebben? Of heeft de ontmoeting met Sofie en de reis die deze zomer gepland staat dat doorkruist? Over die ontmoeting gesproken: Sofie heeft heel duidelijk een enorme indruk op jouw gemaakt. Ik gok dat je deze zomer een groepsreis zal doen (met Joker?) en dat je Sofie tijdens een kennismakingsmoment ontmoet hebt, klopt dat? Hoe stel jij je de reis voor; ben je zelf van plan om toenadering te zoeken als zij daar geen stappen in onderneemt? En vooral: wat is er in haar dat jou zo hard aanspreekt en wat raakt zij bij jou?  Spannende tijden dienen zich in ieder geval aan!   En om af te sluiten: zijn er zaken in het leven waar jij mee worstelt, waarin jij een manier zoekt om je ertoe te verhouden? Doorheen mijn schrijfsels zal je wel gemerkt hebben dat dat bij mij wel het geval is. En ontmoeten we elkaar op de schrijfdag de 2e juni? Vannacht heb ik er zelfs over gedroomd dat we elkaar ontmoetten. Ik herinner me alleen maar flarden, maar we moesten samen één of andere uitdaging aangaan (iets in de trant van ‘De Mol’) en het liep niet van een leien dakje, haha. Op een gegeven moment bevonden we ons zelfs ergens in een berglandschap. En wat later zaten we dan weer samen in een kleine rode auto op weg naar mijn werk; jij achter het stuur. Als ik het mij tenminste allemaal nog goed herinner. Welke associaties je ‘s nachts toch kan maken; dat was nog eens voer geweest voor die vierde opdracht. In elk geval, jij had blijkbaar nogal wat dromen die het daglicht niet mochten zien. Heb je intussen het hoofd van jouw collega Jozefien al op hol gebracht? Of durf je het aan om daar in jouw laatste brief een stukje van prijs te geven? Ik kijk er alvast naar uit!     Bedankt voor jouw brieven en misschien tot binnenkort, Zonnige groet,   Daphne

Daphne Muylle
0 0

Vragen staat vrij

Dendermonde, 25/05/2018 Dag Tine, Toeval bestaat niet zegt mijn zoon altijd. Daarom vind ik waarschijnlijk een aantal gemeenschappelijke kenmerken, ik citeer ‘De ultieme tip om het schrijven vol te houden’ Ja, ik heb geen zittend gat zoals we hier zeggen en het zitvlak is belangrijk. Ik hoor graag van jou dé tip.  ‘om maar te zeggen dat ik soms wat verstrooid kan zijn’ Verstrooidheid, welkom in mijn wereld Bij aankomst in Dublin, het adres van de B&B thuis vergeten.                                                                 Eieren in 1 uur laten hard koken in plaats van de gebruikelijke 10 minuten.(deze middag) ….  Bestaat er een zelfhulpgroep? ‘eten meer chocolade dan goed voor hen is’ Hoe kan jij me coachen om van mijn chocoladeverslaving af te raken? ‘mijn bureauschuif puilt stilaan uit van de onafgewerkte verhalen’ Welke verhalen wil/moet je zeker afwerken? Ik wil ze wel lezen. Dia de los Muertos, San Miguel de Allende, het koloniale huis. Ik droom al weg.  Vertel me meer ‘Hoe anders zou het geweest zijn als je hart was blijven kloppen. Een huwelijk dat die pijn kon dragen. Allemaal zullen ze vandaag hun kinderen extra knuffelen.’ Drie even mooie als beklijvende zinnen. Verlies hoort bij het leven.  Het verdriet dat daarmee samengaat, moet voor mij niet overgaan.  Het moet alleen een plaats krijgen. Wie gestorven is moet levend gehouden worden door uitgesproken herinneringen. Wat denk jij daarvan? Ik knuffel niet altijd genoeg.  Jij?   Groetjes Lus PS Je woont in Ledeberg, ken je de Ledebirds?

Lus Colpin
0 0

zoeken

Dag Leona   Ben jij een ‘binnenkijker’ of een ‘buitenkijker’ ? Zo begon mijn eerste brief aan jou.                  Zeven brieven later is deze vraag voor mij nog niet éénduidig beantwoord. Ik zie buitenkijkelementen met af en toe een binnenkijkmoment. Ik ben heel benieuwd hoe jij het zelf ziet.   Ben jij een speelvogel in het leven zelf (en hoe merk je dat) ? Vanwaar komt de voorliefde voor Martin Luther King ? En in welke zin ben jij een ‘sinner’? Het valt op: deze woorden komen een paar keer voor in je brieven. Automatisch zie ik allerlei verhalen voor me, gaande van licht absurdistische tot bloedernstige taferelen... Vooraleer mijn fantasie helemaal op hol slaat, pols ik het graag bij jou.   Hoeveel gele zielen kan een mensenleven tellen ? Je ‘gele zielen’ brief heeft me geraakt. Het was een kwetsbare brief met druppels triestheid. Maar ook met hoop en schoonheid. Je woorden baadden in puurheid. En het zette mij aan het denken over de gele zielen in mijn leven. Dank om het te delen.   Waaruit haal je rust ? Gewiekst en gevat goochel je met woorden. Ik voel een enorme energie en snelheid in je brieven. Ik zie een heldere en analytische geest voor me. Een krachtige vrouw die met nauwgezetheid de meest uiteenlopende gedachtengangen en –kronkels bedenkt en neerschrijft. Vandaar deze vraag, als een soort tegenhanger voor het verbale vuurwerk.   Welk gerecht doet je watertanden ? Ik las dat de microgolfoven een trouwe metgezel is. Als allround lekkerbek, ben ik heel nieuwsgierig naar jouw culinaire geneugtes.   (Ik kan nog talloze vragen bedenken. Noem me gerust een voltijdse vragensteller, het ligt geheel in de lijn van mijn werk. Om toch een tipje van de sluier op te lichten.)     Vol verwachting,   Winny   PS An, nu maak je me wel heel nieuwsgierig. Laat me dan toch ook een vraag aan jou stellen: over welke periode in ons leven gaat het ? Dan kan ik beginnen graven. Want dit is zeker: ik heb geen naamgenoten in België.            

Yuko
0 0

Er Zijn (Jan Loogman)

Er zijn   Hoor je nog wie ik ben, ben ik het,deze zoekende woorden, deze dwalendestem in dit huis, hoor je nog waarik woon, luister je, en naar wie.(Uit: Rutger Kopland, Geduldig gereedschap) Met dank aan:Erik, Mieke, Hendrik, Veerle, Adinda, Marieke, Ludo, Kristien, Vera, Elisabeth, Haddie, Sabine en ook Esther en Tamara. © Jan Loogman, mei 2018 1. 1994 Nog voordat Johan het portier opent, slaat de motor van de BMW al aan. “Jij moet eens je rijbewijs halen,” hoort hij terwijl hij zich op de bijrijdersstoel laat zakken. “Ik heb jou toch,” antwoordt hij. Peike heeft zelf ook pas op zijn vijfenveertigste rijexamen gedaan. Moet je hem nu zien zitten, in deze grote bak. Studeerkamergeleerde poserend als geslaagd organisatieadviseur, dat krijg je met deze arbeidsmarktsituatie. Deze kar past hem niet. “Zelfbescherming,” zegt hij, “In een kleinere auto voel ik me te kwetsbaar. In deze durf ik te rijden.”   Ze koersen de stad uit, de smalle dijkjes richting Spaarndam op. “Ik ben naar Friesland geweest, kemphanen kijken, “vertelt Peike als hij de weilanden onder de dijk ziet. “Ze baltsen nu. Alle mannetjes op hetzelfde weiland, veren uit en elkaar de loef afsteken. Alles om de vrouwtjes te imponeren. Hoewel ze soms erg veel naar elkaar kijken. Alsof het alleen daarom gaat, mooier te zijn dan de ander.”   Ze zijn op weg naar de sluis in het Spaarne, waar het restaurant zit. Fantastisch eten daar, hebben ze gehoord. “Het kost wat, maar je krijgt er ook iets voor,” is hun gezegd. Sinds Johan vorig jaar de baan bij Dorien heeft aangenomen, hoeft hij voor de prijs niet terug te schrikken. Gek is dat, toen hij nog bij Peike werkte, kostte het Johan nota bene moeite hem te overtuigen dat hij beter moest betalen. Voor zichzelf niet zuinig, maar voor een ander de hand op de knip. Terwijl hij volledig zelfstandig werkte, wilde Peike hem als een aankomend adviseur blijven betalen. “Je doet het werk nog niet zo lang,” was zijn argument. Wat doet dat ertoe als je gebruik maakt van ervaring in andere functies en goed bent in je werk? Maar vooral had hij kemphanen als Paul en Tom willen laten zien dat hij van hetzelfde kaliber was als zij. Of was hij zelf ook weinig meer dan een showmannetje? Op een zeker moment had hij er genoeg van gehad, ook het advieswerk ging hem tegenstaan. “Als adviseur zit je altijd goed,” zei hij tegen Peike, “Als het anders loopt dan je verwacht had, maak je dat je weg komt naar de volgende klus. Ik wil weer de gevolgen van mijn handelen dragen.” Dorien wilde hem graag als manager van haar stafafdeling aantrekken. “De boel moet stevig opgeschud worden, er moet een andere stijl gevoerd worden, niet iedereen zal meekunnen. Ik denk dat jij geknipt bent voor de klus,” had ze gezegd. Zelf had hij zijn twijfels, maar ja, vond hij zelf niet dat bekwaamheid van ondergeschikt belang is in de carrière-race? Kijk maar naar Paul en Tom, ambitie is de doorslaggevende factor. Nu toonde hij die zelf ook maar eens, hij heeft het aanbod van Dorien aanvaard.   Met Peike, Adriaan en andere collega-adviseurs blijft hij omgaan. Dikke praat als ze elkaar ontmoeten, maar bij hem neemt de bluf af. Dagelijks ervaart hij nu dat bekwaamheid er toch wel toe doet. Het is bekwaamheid van een soort die hij niet goed in het oog heeft gehad. Het gaat er niet alleen maar om wat je kan, welke talenten je hebt en hoe je ze benut. Het belangrijkste wat je als manager moet kunnen, is gebeurtenissen buiten jezelf houden. Je moet vooral een dikke huid hebben. Je moet zaken van je rug af laten glijden. Hij twijfelt of hij dit vermogen bezit. Maar wie weet, bezitten anderen het evenmin, liggen zij net als hij wakker in de nacht en is het verschil toch louter ambitie die in hen vuriger brandt dan in hem. Nu ja, ook hij geniet graag het voordeel van een stevig inkomen. Het is handig, zeker als je graag dure eettentjes bezoekt.   “Weet je dat mijn opa hier heeft gewoond,” vraagt hij Peike. “Hij was een wedstrijdrijder op de kortebaan. Als er ijs lag, stond hij erop. Als er wedstrijden waren, deed hij mee. Er was prijzengeld. Soms kon je vijfentwintig gulden winnen, een mooi bedrag in die tijd. Ik heb het over 1900. Hij woonde even verderop, schaatste naar alle wedstrijden toe.” Zulke verhalen interesseren Peike soms, je weet nooit wat hij erop terug zal zeggen. “Jouw opa was toch schillenboer,” vraagt hij nu. “Nee, deze was een veehandelaar, maar geen goede. Hij gaf meer geld uit dan hij verdiende. Hij kleedde zich sjiek, hij dronk graag een goed borreltje. Hij is nog eens naar het buitenland gevlucht om aan zijn schuldeisers te ontkomen. Hij is gestorven toen mijn vader pas zeven jaar was. Mijn oma hertrouwde met een weduwnaar. Dat was de schillenboer. Zo is mijn vader dat ook geworden.”   “En nu zit jij hier, in een BMW, op weg naar een sterrenrestaurant. Proleet, pas maar op voor je schuldeisers.” Peike lacht erbij. Johan voelt eens of de kraag van zijn colbertje goed zit. Papa moet zijn voorkeur voor zijden sjaaltjes en kleurige jasjes van zijn echte vader hebben meegekregen, zijn stiefvader was in zijn ogen maar een minkukel. Een echt schillenboertje zou hij hem hebben genoemd, een type dat niet meetelt in de wereld. Maar dat kon hij niet zeggen, hij was zelf een schillenboer.   Henk en Adriaan zitten al op het terras van het restaurant bij de sluis. Ze vangen het laatste zonlicht op, Adriaan heeft er zijn zonnebril voor opgehouden. “En, hoe gaat het met onze manager?” vraagt hij Johan. “Voorlopig heb ik nog geen adviseur nodig,” antwoordt Johan. Liever dit antwoord dan de adviezen van Adriaan te moeten aanhoren. Ze hebben geregeld samengewerkt als adviseurs, maar hij heeft zich nooit helemaal prettig gevoeld bij diens adviesstijl. Betweterig, traag bovendien. Humor die je vanaf de overkant van de oceaan ziet aankomen. Nee, niet zijn stijl. Hij zou trouwens geen advies van een adviseur willen krijgen. Henk is al jaren directeur van een grote organisatie. Intelligent, door de wol geverfd, iemand die weet dat fouten onvermijdelijk zijn. Met zo’n man zou hij wel willen praten. Maar dit is niet de gelegenheid voor een gesprek over zijn werk, hij vergeet het nu liever. Laat hij genieten van het eten, van de drank niet te vergeten. Als aperitief bestelt hij een vijf jaar oude jenever.                                                             *De volgende ochtend heeft hij moeite om van huis weg te komen. Is het de drank van gisteren die hem parten speelt, de slapeloze nacht of ziet hij op tegen de begroeting door zijn medewerkers? Tellen ze al zijn dagen? Lopen er weddenschappen over het moment van zijn vertrek? De vorige manager heeft hier een jaar gezeten, willen ze hem nog eerder weg zien te krijgen? “Je bent echt goed bezig, man,” heeft Dorien hem tijdens de kerstborrel nog toegevoegd. Om hen heen werd gepraat, geflirt, een enkeling wilde een dansje wagen. De stemming was ontspannen. “Dat heb jij voor elkaar gekregen, moet je ze eens zien,” had zij gezegd. Maar zag zij het goed? Was de sfeer ontspannen door zijn toedoen of juist omdat de mensen al denken te weten dat ze binnenkort van hem geen last meer zullen hebben? Wordt er achter zijn rug over hem gepraat? Laat hem maar kletsen, een lichtgewicht die het hier niet lang zal maken. Misschien hebben ze het bij het rechte eind, de lofzangen van Dorien op zijn goede werken klinken hem te nadrukkelijk om gemeend te kunnen zijn. Bovendien verbindt ze aan haar prijzende woorden altijd weer eisen. Fantastisch, Johan, zoals je deze ontspoorde club weer in het gareel brengt, het werkplezier terugbrengt bij de medewerkers. “Maar de rotte appels moeten eruit, geen halve maatregelen.” Hij begrijpt het wel. Was het een ander die deed wat hij heeft gedaan, dan zou hij ook vinden dat hij goed bezig is. Eindelijk een man die niet terugdeinst, iemand die door durft te pakken. Maar past de rol hem wel? Tot een half jaar geleden was hij de man op de achtergrond, de acteur die zijn eigen momenten koos om te schitteren, de wijsneus die scherp uit de hoek kon komen en er daarna weer gauw in terugkeerde. Een adviseur. Nu heeft hij voor het volle licht gekozen. Hij, de jongen die op school geen spreekbeurt durfde te houden. Dat is wel veranderd, maar toch. Hij herinnert zich de opleiding tot organisatieadviseur die hij een paar jaar geleden doorliep. Hij was er een van de twaalf ambitieuze deelnemers. Wie is eigenlijk de leider in deze groep, vroeg in de vierde week de communicatietrainer die ze ook kenden als drummer in een hippe rockband. Stomverbaasd was Johan, toen de anderen hem aanwezen. Hij stuurt discussies een kant op zonder dat wij het doorhebben, zeiden ze. Hij komt met nieuwe ideeën. Ze vonden hem de leider. “Dat had mijn vader moeten horen,” zei hij. Maar de communicatietrainer vond het onzin. “Hij?” zei hij en wees naar Johan. “Hij is niet de leider van de band, hij is een Sologitarist, een zanger misschien. Een man die in het licht stapt, maar geen man die de zaak stuurt. Hij kan zomaar weer uit het licht stappen, hoor. Pas op.” Mooi gezegd, vond Johan, maar nu in deze baan is hij de baas van de muziek. Hij begrijpt hoe hij zijn baan aan moet pakken: denken als adviseur, handelen als de manager die hij nu is. Hij kan zijn snor niet drukken. Maar er is de kou die hem ’s nachts in bed overvalt. Is het de onzekerheid over zijn slagen of zijn het de tranen van Charlotte, die hij ’s middags de wacht heeft aangezet? Ligt hij wakker om de angst van Dick die zegt dat hij zonder zijn baan zijn hypotheek niet kan betalen? Of verdraagt hij doodgewoon niet dat een baas nooit eens even achteruit mag stappen? Is dat zijn eigen controledrang die daar spreekt? Wat het ook is, hij ligt als een strakgespannen snaar in bed, terwijl de kou via zijn voeten en handen in zijn lijf kruipt. Steeds vaker loopt hij ’s nachts naar de lege zolderkamers van zijn dochters om de dekbedden te halen die hij op zijn eigen bed opstapelt om er daarna onder te kruipen. Iets moet hem verwarmen.   Het liefste zou hij vanochtend thuisblijven. Vanmiddag komen zijn beide dochters, zijn deel van de week met hen is weer aangebroken. Ze hebben zelf de sleutel. Prima hoor, pap, heeft Mickey gezegd, ik zorg wel voor het eten op donderdag. Ze is veertien, Coby is amper elf. Hij wil hen zien binnenkomen, thee voor hen inschenken waar Mickey geen genoeg van kan krijgen, terwijl Coby zal vragen of hij geen cola heeft. In plaats daarvan rent hij naar de trein om op tijd op zijn werk te kunnen zijn. Eerste klas reist hij, dat dan weer wel.                                                                 *Er is tevoren coördinatie geweest, merkt hij tijdens het werkoverleg dat hij een uur later voorzit. “Waarom moet alles ineens anders?” klagen de mannen opnieuw. Het lijkt of ze allemaal dezelfde kleren dragen, een overhemd en daaronder een terlenkabroek. De vrouwen een twinset. Is dit een club die hij wil aanvoeren? Moet je hen horen morren. “We dansen naar de pijpen van Verschuur,” zegt Dick Houkes. Meteen is het stil, nu de naam van de belangrijkste klant genoemd is. Hebben Johan en Dorien hem in de hand, of maakt hij hier feitelijk de dienst uit? Beslist hij hoe hier gewerkt wordt, en – vooral – wie er mag blijven en wie zal moeten vertrekken? “Zeker,” hoort Johan zichzelf zeggen, ”hij heeft het geld, maar we laten onze interne processen niet door hem bepalen.” Hij hoort hoe de stilte blijft duren.   In de dagen daarna merkt hij dat hij de medewerkers niet heeft overtuigd. Natuurlijk zijn er, die zich aan de nieuwe procedures houden, maar Nico de Vries en Peter Blankaert melden zich op dinsdag absent, omdat zij namens Verschuur op een beurs moeten staan. Als hij er lucht van krijgt, wil hij optreden. “We hebben hier geen privé-winkeltjes,” zegt hij, maar op woensdag zijn de twee nog niet terug op de werkvloer. Die zijn bezig hun eigen toekomst veilig te stellen. Daar zien ze hem geen rol in spelen. Hij begrijpt het, maar zo kan er niet gewerkt worden. Hij besluit zelf bij Verschuur op bezoek te gaan. De oude man haalt de jeneverfles tevoorschijn en ze drinken samen. “Ik begrijp wat je wilt,” zegt Verschuur, “maar ik ga je niet helpen. Zie maar dat je het voor elkaar krijgt.” En dus blijven zijn medewerkers hun eigen gang gaan. De een vertrekt ’s middags om één uur van het werk om over de PR met Verschuur te overleggen, de ander komt ’s ochtends pas tegen lunchtijd op kantoor omdat hij de avond daarvoor op een beurs heeft gestaan om Verschuurs bedrijf te promoten. “Zo kunnen we niet werken,” zegt hij als hij eindelijk eens alle medewerkers bijeen heeft. “Voortaan loopt alles via mij.” Wat hij zich daarmee op zijn hals haalt, ontdekt hij al gauw. De een komt overleggen over haar zwangerschapsverlof, de ander over de inhoud van een willekeurige brief. “Ik wil jou niet passeren,” merken ze op als hij zijn ergernis uitspreekt over dit gemier.   Af en toe praat hij met Dorien, zij heeft hem tenslotte naar deze plek gelokt. Hij zegt niets over de transformatie die ze heeft ondergaan, al complimenteert hij haar op een dag wel met haar nieuwe kapsel. Ze kennen elkaar al lang. Als jonge collega’s gingen ze na het werk soms stappen en als zij met haar zware gewicht wel eens omviel, zette hij haar in een taxi. Maar tegenwoordig kan hij niet echt tot haar doordringen. Past dat strakke permanent wel bij haar? Ze eten nooit meer samen in het bedrijfsrestaurant, want vaak heeft zij zakenlunches met mensen die Verschuur op haar afstuurt. “Ik houd hem wel op afstand, Johan,” zegt ze als hij zich beklaagt dat Verschuur zich zelfs met hun interne bedrijfsvoering bemoeit. “Doe jij maar wat je nodig vindt.” Ze zal voluit achter hem staan, zegt ze, en dus zet hij de medewerkers op non-actief die teveel hun eigen gang gaan. Vijf dagen later stapt Verschuur onaangekondigd zijn kantoor binnen en begint te schelden. “Wie denk jij wel dat je bent? Kleine, miereneukerige klerk! Intellectueel van het jaar Nul! Bloemetjesoverhemd! Je neemt Blankaert onmiddellijk terug in actieve dienst, begrepen? En De Vries ook! Je weet wat er gebeurt als je het niet doet.”   Later, diezelfde middag, overlegt hij met Dorien. Ze is net terug van een van haar lunches, er hangt een lichte dranklucht in haar kamer, in gedachten ziet hij haar vallen bij een bushalte, maar tegenwoordig rijdt zij auto en als ze teveel gedronken heeft, laat zij zich door een directiechauffeur naar huis rijden. “Ik sta altijd achter je,” zegt ze. “Maar Verschuur kunnen we niet kwijtraken, we moeten hem tegemoetkomen.”   ’s Avonds thuis kookt hij snel een maaltijd, hij moet gezond blijven eten. Om zich te ontspannen drinkt hij tijdens het koken een glas rode wijn. Het eten schrokt hij naar binnen en als het glas leeg is, schenkt hij zich er nog een. Om elf uur ligt hij in bed, maar om twee uur schiet hij wakker en daarna woelt hij om het warm te krijgen, tot het tijd is om naar het werk te gaan.   Als op donderdagavond zijn dochters komen, vraagt hij naar hun schoolwerk en welke muziek ze instuderen. “Ik heb je toch al verteld van dat alto-bandje, pap?” zegt Mickey, en Coby herinnert hem eraan dat ze gestopt is met drumles. Op vrijdagochtend zet hij hun ontbijt klaar en maakt hen wakker voordat hij naar kantoor vertrekt. Op kantoor zit hij vooral in zijn kamer, hij loopt niet naar de medewerkers en zij zoeken hem ook niet op. Hij stelt zich voor dat Blankaert en De Vries thuis naast de telefoon zitten, wachtend tot hij belt dat ze weer hun gang kunnen gaan. Maar hij belt niet. Aan het einde van de middag is hij weer thuis en rolt een pizza die ze met zijn drieën beleggen met groenten, voor Coby leggen ze de salami in een hoekje. Laatst leefde zijn moeder tijdens zijn bezoek op toen hij het over zijn dochters had. “Missen ze hun moeder niet, als ze bij jou zijn?” vroeg ze. “Misschien wel,” heeft hij geantwoord, maar tijdens het garneren van de pizza lijkt geen van beiden aan Sacha te denken. Later op de avond, als ze met zijn drieën naar Medisch Centrum West kijken en griezelen om dokter Frank, voelt hij dat ze met elkaar een volledig gezin zijn. Die avond slaapt hij goed. De dag daarop gaat Coby met hem mee naar de markt. Eigenlijk voelt zij zich te oud om met haar vader door de stad te lopen, dat beseft hij wel. Nu doet ze iets wat ze zonder de scheiding niet zou hebben gedaan. Al is ze elf, ze neemt een blokje kaas bij de kaasboer en een warme stroopwafel bij de kraam even verderop. In de middag zitten Mickey en zij ieder op hun kamer, ze komen theedrinken als hij hen roept en later eten ze de warme maaltijd die hij heeft gekookt. Voordat ze weggaan, pakt hij een boek uit de kast en leest ze een gedicht voor, Jan Hanlo, “Het was half vijf ’s morgens in April / Ik liep en floot de St. Louis blues / Maar ik floot die op mijn eigen wijze / Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten / gelijken op de zang van de grote lijster…” Vooral Mickey geniet: “Pap, ik dacht dat je ermee opgehouden was, voorlezen aan ons.” Als het gedicht uit is, pakken ze hun tas. Hij kijkt door het raam hoe ze wegfietsen en pakt de telefoon. “Ze zijn bijna bij jou,” zegt hij.   Op maandagochtend belt hij naar kantoor en meldt zich ziek.   2. 1994Als hij de telefoon heeft neergelegd, kijkt hij naar het papier voor zich. Vier sterke lijnen in het midden, twee zwakke lijnen aan de buitenkant: Ta Kwo, het overwicht van het grote. Hij heeft de enige vraag gesteld, die er op dit moment toe doet: “Wat is er met mij aan de hand?” Toen hij daarna de muntjes gooide, verscheen dit beeld. “Een toestand die niet kan voortduren,” leest hij in de I Tjing, “daarvoor is het overwicht van het grote te excessief. De dragende balken kunnen de belasting niet aan. De edele moet zich uit de voeten maken. Het is bevorderlijk een plaats te hebben waar men heen kan gaan.” Even heeft hij moeite met de tekst, dan dringt tot hem door dat hij de edele is. “De edele treft geen blaam,” leest hij, hij doet er verstandig aan afstand te doen van de wereld en hoeft zich daarvoor niet te schamen. Dat is alvast mooi meegenomen.   Ze zullen gedacht hebben aan een griepaanval. Of een kater na een stevig gevierd weekend, misschien aan een heftige maandagochtendblues die hem de zin in de treinreis ontnam. Ze zullen hem morgen, of uiterlijk woensdag weer op het werk verwachten. Hij blijft maar horen wat Dorien hem tijdens de kerstborrel heeft gezegd. Hij doet het goed. Maar de kou ’s nachts is onverdraaglijk, en dan de voortdurende pijn in zijn schouders. Wil hij dit? Is zijn huid dik genoeg?   Later in de week pakt hij opnieuw de telefoon en belt Dorien. Ze spreken af ’s avonds te eten. In het restaurant kiest hij voor bier bij de maaltijd. “Ik stop ermee,” zegt hij even later. “Ik denk dat je een time out nodig hebt,” zegt zij. Heeft ze gehoord wat hij zei? “Ik heb het al met Van Weely, de hoofddirecteur, besproken,” gaat ze verder. “Toen je nog bij Peike werkte, heb jij voor Van Weely dat inrichtingsadvies geschreven, daar was hij erg van onder de indruk. Hij is over je te spreken. We zien jou als iemand die op termijn zijn plek kan innemen. Hij wil zuinig op je zijn. Ik mag een adviestraject voor je regelen. Volgende week belt Rutger van Sevenum je. Ken je hem?” Johan knikt. Die naam heeft hij gehoord, Van Sevenum thoe Lynden om precies te zijn. Een sjiek loopbaanadviesbureau, honderd procent Amsterdam Zuid.                                                                *Kijk hem zitten, de man uit Zuid. Zijn pak past hem even goed als zijn dubbele naam. Maar hij is van deze tijd, Johan mag hem gewoon Rutger noemen. Ongetwijfeld vernoemd naar zijn grootvader en reken maar dat de familienaam terug te vinden is in het blauwe adelsboekje. Of is het rood, dat boekje? Johan heeft het nooit gezien, maar dat hij in de laatste maanden nu al een aantal malen aan tafel heeft gezeten met deze chique vent, deze crème de la crème bevalt hem wel. In het begin moest hij wennen, de amicale omgang, alsof hij geen probleem was dat opgelost moest worden. Hij was toch de man die zijn baan niet aankon?   Maar de time out doet hem goed, hij is niet zomaar iemand die op de vlucht is geslagen, hij is de edele die zich uit de voeten maakt. Noblesse oblige, hij is het waard om zichzelf een goede plek te bezorgen. Dankzij de time out kan hij weer vrijuit denken. Hij zal weinig aan het advies van deze Rutger hebben. Een aardige kerel, maar zonder feeling voor een jongen als hij. Ze zullen ongeveer even oud zijn, maar reken maar dat Rutger op het hockeyveld stond, op de zaterdagen dat Johan voor zijn vader met de schillenzak liep. Hoe zou zo’n man hem kennen? Johan kan uittekenen hoe hij zijn situatie ziet. Privéproblemen, een scheiding, een nieuwe baan terwijl hij thuis geen stabiliteit vindt, een tijdelijk probleem. En dan weet hij nog niet eens het fijne van zijn privésituatie.   Moet je hem nu horen, in dit afsluitende gesprek. Van Weely, de hoofddirecteur, smult ervan, zelf ook zo’n geslaagde gozer. Johan had Rutgers tekst zo uit kunnen schrijven. Sensitief noemt hij Johan, communicatief, analytisch, verbaal getalenteerd. Wat had hij anders kunnen verwachten? Hoor hem oreren, blind voor Johans gebreken. Alsof ze elkaar niet hebben ontmoet. Blind voor de keerzijde van Johans talenten. Overgevoelig, vatbaar voor elke tegenspraak, geen man voor het front. Toch is het wonderlijk, zo’n duurbetaalde kerel die geen oog heeft voor Johans zwakke kanten. Ambitieus en onbekwaam, natuurlijk. Louter gewend aan succesvolle types, geen gevoel voor falen.   Hij realiseert zich dat het stil geworden is in de kamer. Van Sevenum heeft zijn conclusie geformuleerd, nu kijkt Van Weely verwachtingsvol naar Johan. Hij hoeft de voorzet maar in te koppen en volgende week zit hij weer op zijn oude plek, een groot talent op weg naar nog mooiere plekken in de organisatie. Geen dekbed zal onbetaalbaar voor hem zijn, de vijfjarige jenevers zal hij en gros kunnen inkopen. Maar nee, hier past geen afwachten meer, Johan kijkt even opzij naar Dorien die hij gisterenavond heeft opgebeld. Nauwkeurig heeft hij uitgelegd met welke conclusies Van Sevenum zou komen en waarom deze volledig de plank misslaan. “Ik wil die kant absoluut niet op,” heeft hij gezegd. Toen hij vertelde hoe hij zijn toekomst ziet, was ze even stil. “Dan heeft Verschuur gewonnen,” zei zij daarna. “Dat is het juist,” heeft hij geantwoord. “Als ik bleef, zou hij ook gewonnen hebben. Ik moet niet over hem denken, maar over mezelf. Wat wil ik?”   Nu is het aan hem net zo helder te zijn als hij over de telefoon is geweest, dan zal zij hem steunen. “Tja,” zegt Johan, “alles wat van Sevenum, Rutger, zegt, klopt als een bus. Alle talenten die hij mij toeschrijft, bezit ik.” Hij kijkt de tafel rond en glimlacht. “Dat is geen arrogantie. Tegelijkertijd zit hij er namelijk helemaal naast.” Helderheid, want nu is het tijd voor de edele om voor zichzelf op te komen. “Mijn zwakke kanten ontbreken volledig in zijn verhaal. Is u dat opgevallen?” Van Weely trekt zijn wenkbrauwen op. “Ik lijk geen zwakke kanten te hebben. Maar hoe kan het dan dat ik nu al vijf maanden thuis zit? Is dat luiigheid? En zo ja, is dat dan geen zwakke kant?”   Hij stopt met praten, Van Weely, Van Sevenum en ook Dorien lijken wat gegeneerd door zijn opmerkingen. Hebben ze hier een gemakzuchtige luiaard voor zich of iemand die hen in het ootje neemt? En komt hij niet te competent voor zichzelf op? Laat hij hun gevoeligheid niet overschatten, vooruit nu de juiste koers inslaan: “Ik bezit alle talenten die Rutger noemt. Jullie kennen me bovendien als een ijverige harde werker, geen luiaard. Maar ik mis ook belangrijke competenties. Ik ben geen man die beslissingen kan nemen en daarna louter vooruitkijkt, ik ben sensitief zoals Rutger zegt, misschien zelfs overgevoelig. Ik mis de hardheid die een manager nodig heeft. Ik kan nog meer gebreken noemen, controledrang die niet goed past bij iemand die de grote lijnen uitzet. Het ontbreken van het grote gebaar, een zekere losheid. Ik ga mezelf niet verder afbreken. De kern is: Rutger poetst het dubbeltje dat ik ben op tot een heel mooi kwartje, maar als ik dat zou willen zijn, ben ik mezelf niet meer. Ik kies ervoor gezond te willen blijven. Ik heb goed rondgekeken de laatste tijd, ik weet wat ik wil.”   Een vage afsluiting, maar Dorien herkent haar cue. “Het is tijd om conclusies te trekken,” zegt ze. Van Weely knikt.   Twee weken later belt Dorien. Haar stem is koel, de toon afstandelijk. “We zijn eruit. Je komt hier niet terug. Aan een dood paard gaan we niet trekken. Van Weely heeft Piet Baars gebeld. Die vacature die jij noemde, is er inderdaad. Hij heeft in Alkmaar een jurist nodig voor de vertegenwoordiging naar de rechtbank. Je hebt dan wel geen ervaring, maar Piet is bereid met je te praten. Succes.”“En de vertrekregeling?” vraagt Johan.“Die kun je vergeten. Jij kiest ervoor weg te gaan, wij wilden je houden. Je salaris bij Baars gaan wij niet aanvullen.” 3. Fietsvakantie, 1966Hard en scherp prikt het helmgras in zijn kuiten. Het zand kleeft aan zijn armen. Ze zouden beter kunnen opstaan en doorfietsen, maar hoe kan hij Jacques onderbreken, die naast hem zit en aan één stuk door praat? Dat ze straks bij zijn oom en tante zullen aankomen en dat hij de nichtjes zal ontmoeten. Leuke meisjes die bovendien bijna van hun eigen leeftijd zijn. Kon hij zijn oren maar sluiten voor die stem. Ook Jacques heeft nog steeds niet de baard in zijn keel. Of gewoon opstaan, Jacques bleef zitten en merkte niets, terwijl hij opstond en wegfietste, terug naar huis.   Het is verdomme zomervakantie, met de school dacht hij niets te maken te hebben. Gisteren kwam mama hem roepen dat er telefoon voor hem was. “Ene Jacques van der Made,” zei ze en ze gaf hem de hoorn. Hij hoorde de hoge stem aan de andere kant van de lijn en stelde zich voor hoe Jacques naar buiten keek, naar de auto’s die voorbijreden over de Weesperzijde. Jacques had hem een tijdje geleden weer gevraagd wat voor werk zijn vader deed. Na zijn antwoord (“veeboer”) had hij langs zijn lange, rechte neus omlaag gekeken. Had hij papa al eens met zijn stinkende wagen vol etensresten en schillen door Oost zien rijden? Dacht hij daarom dat hij hem thuis kon opbellen en voorstellen samen op fietsvakantie te gaan? Het woord stoorde hem. Tot drie keer toe moest hij Jacques vragen wat hij zei. Fietsvakantie. “Ik kom vanmiddag naar je toe, “ hoorde hij Jacques zeggen, “dan maken we een plan en kunnen we morgen vertrekken.” Hij had de hoorn op de haak willen gooien, de verbinding verbreken. Het was niet mogelijk dat Jacques bij hen thuis zou komen, natuurlijk zouden ze in de huiskamer gaan zitten, een atlas op tafel om de route te bekijken, en dan zou papa thuiskomen, stinkend naar zweet – hij herinnerde zich hoe hij als kleine jongen bij zijn vader op schoot was gesprongen, zijn vader liet hem paardjerijden en hij rook de geur die vanuit zijn oksels opsteeg, een dierlijke geur. Toen zat hij nog niet op het lyceum in de stad, alles was in orde geweest, niemand vroeg naar het beroep van zijn vader, iedereen kende hun gezin. Dat was meer dan drie jaar geleden. Stel je voor dat papa in zijn schillenpak, vette vlekken op de mouwen en de broek, op Jacques zou afstappen en hem de hand zou schudden, luid sprekend, en Jacques zou zijn neus in een kronkel laten schieten, om zijn weerzin te laten merken.   Waarom zei hij niet dat hij helemaal geen tijd had, dat hij uit logeren ging of dat hij moest werken? Het enige dat hij heeft weten te zeggen was dat hij vandaag geen tijd had, maar wat een leuk idee, een fietsvakantie, had hij gezegd. Stippel jij de route maar uit, we treffen elkaar morgen wel, op de Spaarndammerdijk.   Vanochtend stond Jacques daar al te wachten. Ze zijn in één keer naar de duinen gereden, steil omhoog bij Kraantje Lek en na de afdaling het helmgras in. “Tijd voor een eerste pauze,” heeft Jacques geroepen. Nu praat hij, hij legt de route uit, vertelt over zijn familie waar ze zullen logeren. Zijn wangen worden rood van opwinding.   De duinen kent hij. Hij kwam er als kleine jongen al. Papa reed op zondag de vrachtwagen voor, resten van vuil en vet nog in de laadbak. Zijn zussen kwamen met sop en borstels naar buiten en begonnen te boenen. Binnen smeerde mama de boterhammen die ze in de grote trommels opstapelde. Hij en zijn broers zochten in de kelder tussen de wasteil en het afvoerputje naar de bal. Als iedereen klaar was, kwam tante Cor. Ze droeg een hoed, “vorig jaar gekocht aan de Riviera “, een zonnebril, een strak truitje met een vest eroverheen en een ruimvallende rok. Terwijl papa en mama in de cabine stapten en de reiswieg met de baby tussen zich in plaatsten, dirigeerde Tante Cor hem en zijn broers en zussen de laadbak op, waar ze gingen zitten, hun rug tegen de cabine, stijf op elkaar. Zijn oudste zus moest aan de ene buitenkant van de rij gaan zitten en tenslotte klom Tante Cor zelf de laadbak in en wrong zich aan de andere buitenkant tussen de rij en de opstaande rand van de bak. Niemand kon zich nog bewegen. “Zo zitten we safe,” zei Tante Cor, “maar denk eraan: als je politie ziet, moet je duiken.” Dan vertrokken ze, door de polder, dwars door Haarlem en bij Bloemendaal de Zeeweg op. In Zandvoort liepen ze door de duinen naar het strand. Ze bleven op het pad. Alleen als de bal weg rolde, stapte een van hen het helmgras in. Dat kriebelde dan aan je voeten, niet dat geprik dat hij nu voelt.   Al sinds de eerste klas van het lyceum zoekt Jacques toenadering tot hem. Hij woont in Oost, aan de Weesperzijde, zijn vader is huisarts. De Weesperzijde is vanaf hun eigen dorp helemaal aan de andere kant van de stad en toch kent Johan hem wel. Soms moet hij zijn vader helpen met schillen ophalen en op die dagen verlangt hij vanaf de eerste minuut naar het einde van de dag. Dat ze op de terugweg naar huis zijn, dat hij heeft geholpen, met de juten zak op zijn rug heeft gelopen zonder dat iemand hem heeft gezien, iemand die hem kent. In de ochtenden ligt hun wijk in het hart van de oude stad. In de Nieuwmarktbuurt en op de Zeedijk komen de eerste mensen de straat op. Ze mopperen want ze zijn Amsterdammers. De vrouwen strijken hem over zijn haar. “Wat een lekkere knul. Is die van jou, schillenboer?” roepen ze. Hij glipt weg, onder hun handen vandaan, de juten zak op zijn rug. “Links de hoek om, nummer 36, tweehoog,” roept zijn vader hem na. “Gebruik je loper.” Even later staat hij op een donkere trap. Met de loper de deur openen, dat gaat hem tegenwoordig goed af, maar waar vindt hij hier de lichtknopjes? Hij struikelt naar tweehoog en tast op het portaal in het rond. Zijn vingers grijpen in natte derrie, zijn hand schrikt terug en zoekt opnieuw het licht. Zijn wijsvinger raakt een knopje en voor zich ziet hij de bak met groentenafval, een rest gekookte spinazie ligt bovenop. Voorzichtig veegt hij zijn vuile vingers af aan de juten zak. Hij probeert zijn kleren schoon te houden. ’s Middags rijden ze naar Oost, daar is de wijk veel overzichtelijker. Vrolikstraat, Pretoriusstraat, lange straten en iedereen is klant. Met de loper opent hij deur na deur en wandelt de ruime trappen op naar een-, twee- en driehoog. De bakjes staan klaar op de portalen, goed zichtbaar in het licht dat door de trapvensters valt. Voorbij de Wibautstraat komen ze niet. De Weesperzijde ligt buiten hun wijk. Daar komt een andere schillenboer. Maar als zij met de wagen de wijk uitrijden, de Ruyschstraat door, passeren ze de Weesperzijde. Misschien staat Jacques in de voorkamer. “Wat doet jouw vader?” heeft Jacques hem herhaaldelijk gevraagd. Eerst heeft hij geen antwoord gegeven. Het advies van zijn oudere zus om “veeboer” te zeggen, voelde als een doorzichtige leugen. Van één koe kun je niet leven.   Nu zit hij met Jacques tussen het helmgras. De hoge stem tettert in zijn oren. Gisteren rond deze tijd had Jacques net gebeld. Hij was naar zolder gelopen, het was er warm. Hij was door het nauwe raampje naar buiten geklommen, het dak op. Daar had hij gezeten, de zon scheen, er was bijna geen wind, niemand wist dat hij hier zat, niemand kon hem zien. Hij had voorover kunnen buigen, naar beneden vallen, zijn hoofd op de harde stenen van het plaatsje achter hun huis. Misschien vonden ze hem pas uren later, hij was al doodgebloed.   4. 2012Te vroeg, beseft hij, hij heeft te vroeg gejuicht. Maar ach, het was louter in zichzelf, hij heeft zijn pokerface bewaard. Hij kijkt om zich heen: een portret van de koning, rechters in hun toga’s met de witte beffen, een zittingszaal zoals zovelen. Links van hem de advocaat van de tegenpartij, eerder die ochtend nog volledig overtuigd van het gelijk van zijn cliënt. Nu twijfelt hij, dat is zeker. En ook de rechters zullen achter hun oren krabben, of toch niet? Heeft hij zijn hand overspeeld?   In de dagen hiervoor heeft hij moeite gehad zijn betoog te formuleren. Wat is dit voor een standpunt, heeft hij zijn collega’s gevraagd toen hij het dossier had doorgenomen. Sinds hun seniorjuristen zijn uitgevallen, neemt hij op dit Amsterdams kantoor tijdelijk de honneurs waar. Hij reist naar Utrecht, voor de zittingen van de Centrale Raad, en verdedigt daar met regelmaat standpunten die hij zelf niet zou hebben bedacht. Ook nu had het dossier hem verrast. Hij doet dit werk nu bijna twintig jaar en het liefst op het scherpst van de snede, maar hier vindt hij de redeneringen soms onnavolgbaar. Hoe zijn jullie hierbij gekomen, heeft hij gezegd, je kent toch de jurisprudentie? Dat was niet zo, heeft hij in de daarna volgende discussie moeten constateren. En toch hebben de collega’s van geen wijken geweten, ze bleven overtuigd van het ingenomen standpunt. Hij ging bewondering voelen voor hun vasthoudendheid, juristen van het jaar nul, maar kan hij hen dat verwijten? Harde werkers, hun inzet is een goed betoog waard. Nu ze de verdediging van dit vreemde standpunt aan hem hebben toevertrouwd, gaat hij de uitdaging aan, hij is tenslotte alleen verantwoordelijk voor zichzelf. Het lukt hem vast wel om met een goed verhaal te komen, hij laat zich graag voorstaan op zijn flexibele geest. Als de tegenpartij hier vanochtend een walk-over dacht te krijgen, heeft die buiten hem gerekend. Don Quichote de la Mancha, zojuist heeft hij die rol weer vertolkt, hij is in zijn eigen argumenten gaan geloven, misschien heeft hij de Raad wel overtuigd. Een heel goed betoog, vond hij tenslotte. Zorgvuldig heeft hij een zelfingenomen houding vermeden. Of heeft hij na zijn slotwoorden toch al te tevreden achterovergeleund? Nooit op een zege vooruitlopen, nooit een nederlaag te vroeg incasseren, met alles rekening houden, maar niets laten blijken. Zeker geen zelfingenomenheid. Dat is wat hij geleerd heeft in de loop der jaren.   Misschien is zijn achteroverleunen opgevallen, hij ziet de drie rechters op hun podium. Lagendijk, de voorzitter, is rood aangelopen. Hij heeft de naam een driftkop te zijn, iemand ook die gebrek aan kennis of intelligentie graag belachelijk maakt. Johan moet zich bedwingen om niet opnieuw het woord te nemen, op zijn betoog terug te komen, zijn excuses aan te bieden, toch het hoofd te buigen, zijn standpunt te wijzigen, maar het lukt hem, hij laat zijn gedachten dwalen.                                                                     *In het dorp stond, halfweg tussen de dijk en de kerk, de witgeschilderde frituurkraam van Lagendijk. Wanneer Don en hij tussen de middag uit school naar huis fietsten, stopten zij daar soms. Daan Lagendijk had de luiken net opengegooid, het vuur onder de pannen aangestoken. Don bestelde twee porties en betaalde ook. Zelf had Johan geen cent te makken, hij mocht van zijn moeder hier trouwens niet komen, je stond er met je zak patat gewoon op straat. Ordinair, zei zij en dus kwam hij hier stiekem en op kosten van Don. Als Lagendijk de zakken had volgegooid, veegde hij zijn handen af aan zijn witte jasje dat nog besmeurd was met de vegen van de dag ervoor. Het leek erop dat het jasje niet vaker dan eens per week verschoond werd. Nooit had hij hier van zijn moeder mogen eten. Het was niet alleen ordinair, het was ook onhygiënisch.   Als de voorzitter zijn stem verheft, bedenkt Johan dat deze Lagendijk van een heel andere tak in de familie moet afstammen. Zijn stem klinkt alsof de eerste prijs in welsprekendheid bij het Leids Studentencorps altijd weer zijn deel zal zijn, op de tafel voor hem ligt naast het glas water een witte zakdoek waarmee hij af en toe zijn voorhoofd dept zonder dat de doek vuil lijkt te worden. Het afvegen helpt trouwens niet tegen het rood dat zijn gezicht in de loop van Johans pleidooi is gaan kleuren. Zodra Johan klaar is met zijn betoog, en jammer genoeg leunt hij op dat moment tevreden achterover, kijkt Lagendijk naar rechts, waar zijn eerste bijzitter zijn handen vouwt en op de tafel laat rusten, niet van plan tot enige actie te komen. “Heeft u geen vragen?” sist hij hem toe. Misschien is dit het ogenblik waarop het rood in zijn gezicht tot paars verkleurt, het moment dat de bijzitter laat weten inderdaad geen vragen meer te hebben. Lagendijk keert zich met een ruk van hem af, richt zich tot Johan. Een stier die zich wendt naar de toreador, met het doel hem op de horens te nemen. Johan buigt voorover, wil de rode kaft van het dossier aan het oog van de voorzitter onttrekken, maar de stier dendert door. “Wilt u overweging 2.5. uit onze tussenuitspraak eens voorlezen?” zegt hij. Natuurlijk wil hij dat, geen ontkomen aan.                                                                    *Op de middelbare school ontkwam hij in de eerste klas op wonderbaarlijke wijze aan elke voordracht, elke boekbespreking, elke opdracht die een presentatie met zich kon brengen. Maar onontkoombaar was het dat hij een keer voor de klas moest komen. Bij Engels haalt de leraar hem naar voren, hij moet enkele woorden op het bord schrijven. Zodra hij een woord heeft genoteerd, hij weet nog welk woord het was, “Port”, vraagt de leraar hem dit nog eens te doen. “Ah, zo doe jij dat. Dat is een unieke manier van schrijven,” lacht hij, “Van welke dorpsschool kom jij eigenlijk?” Johan realiseert zich dat het een vraag is die hij niet hoeft te beantwoorden, de leraar stelt hem slechts voor zijn eigen plezier en dat van de klas, jongens uit de stad die zich vrolijk mogen maken om hem.   Nu mag hij de dodelijke overweging 2.5. nog eens voorlezen, zoals hij ooit de letter P nog eens op het bord mocht schrijven. Rustig leest hij de overweging voor. Als hij klaar is, kijkt hij op, de voorzitter ziet onverminderd paars. “Welke consequenties verbindt u aan deze passage?” blaast hij. Johan voelt de wind dwars door zijn witte overhemd blazen. Een beschermende stropdas was nu fijn geweest, maar die heeft hij sinds 1994 niet meer gedragen. Hij kijkt naar de twee bijzitters, naar de griffier, zoals hij ooit naar zijn klasgenoten keek die klaar waren om in spottend gelach uit te barsten bij elke grap die de Engelse leraar ten koste van hem zou willen maken. Zij zijn bang, ziet hij. Het is aan hem de stier te weerstaan. Hij gaat rechtop zitten, plaatst zijn voeten naast elkaar op de grond en opent zijn mond.                                                                      *Na het echec met de beurt voor het bord tijdens Engels is hij er tot in de derde klas in geslaagd elk optreden voor de klas te vermijden. Toen kwam de spreekbeurt. De leraar suggereerde een onderwerp, hij kwam toch uit de polder? Bij de buurvrouw ziet hij tijdens het tv-uurtje enkele boeken staan over de historie van hun polder, en hij mag deze lenen omdat het voor zijn school is. “Voor school mag je onze hele boekenkast leeghalen, Jean,” heeft de buurvrouw gezegd, die opgetogen is omdat hij op het lyceum zit en daar Franse les heeft. Ze dreigde hem beet te pakken, maar hij was te snel, te klein misschien ook, en is met de boeken naar huis verdwenen. De boeken brengen hem van alles dat hij in zijn spreekbeurt zal kunnen gebruiken. Al die schepen die ooit in het Haarlemmermeer zijn vergaan, al de plannen tot drooglegging en tenslotte de feitelijke drooglegging dankzij de inzet van de stoomgemalen, de Lijnden, de Cruquius en de Leeghwater. Toen de polder er eenmaal was, had in de negentiende eeuw vlak achter de dijk een modelboerderij gestaan, de grond achter hun huis had tot het land daarvan behoord. “Ja,” zei de buurvrouw, toen hij haar erover vertelde, “en van de verkoop van al dat land is die boer rijk geworden en daarna heeft hij zich tot burgemeester laten kiezen. Het gemeentewapen is door hem ontworpen, die korenaren die uit water oprijzen.”   Op zaterdag heeft hij de spreekbeurt gehouden. De nacht ervoor heeft hij gewoon geslapen. Toen was hij nog in staat zorgen opzij te zetten, te vergeten. Maar die ochtend, op weg naar school, heeft hij zich voorgesteld dat hij niet de Beethovenstraat insloeg, maar rechtdoor fietste, de Apollolaan in, God mocht weten waar hij terecht zou komen, wat kon het hem schelen? Hij heeft het niet gedaan, is op tijd op school gekomen en heeft in de eerste twee lesuren als een dode vogel achter zijn tafeltje gezeten. Niemand is iets aan hem opgevallen, hij gedroeg zich zoals ze hem kenden. In het derde uur begon de Nederlandse les zoals altijd, mijnheer Haenen deed joviaal en vertelde over het weekend waar hij zich op verheugde. Toen haalde hij het vel uit de la van zijn lessenaar. Johan wist wat erop stond, de lijst met namen voor de spreekbeurt. Hij vroeg zich af of hij zenuwen voelde. “Johan,” heeft Haenen gezegd, hij moet Johan hebben aangekeken en zijn opgestaan om plaats te maken, een spreekbeurt houd je vanachter de lessenaar van de leraar. Niets weet hij over het vervolg te vertellen. Hij zal met zijn papieren in de hand uit de bank zijn opgestaan, hij zal naar voren zijn gelopen. Hij heeft geen beeld van deze scène. Op het uitspreken van zijn naam door de leraar volgt in zijn hoofd onmiddellijk een ander beeld: hij legt zijn papieren neer, zegt “Dit was mijn spreekbeurt”, staat op en loopt terug naar zijn plaats. “Nee, nee,” zegt de leraar, “je moet nog vragen beantwoorden.” Hij loopt terug naar voren, gaat achter de lessenaar zitten, kijkt naar de jongens in de klas en zegt vrolijk: “Zijn er nog vragen?” In de tien minuten daarna doet hij zichzelf en de klas versteld staan, de vogel is herrezen, hij hoort de vragen, staat op van de lessenaar, neemt een krijtje, schetst het gemeentewapen op het bord. De golven arceert hij zorgvuldig, rug naar de klas die stil blijft. Vanuit de golven laat hij de korenaren ontspruiten. Dan keert hij zich om, vertelt over de burgemeester die zichzelf verrijkte door zijn grond te verkopen toen er plannen kwamen tot uitbreiding van het dorp. Hij is een vogel die voor het eerst vliegt boven de korenvelden. Hij heeft geen angst te worden gevangen. Hij beantwoordt vragen totdat de zoemer het einde van het lesuur aankondigt.   Nu herhaalt hij wat hij eerder heeft gezegd om het standpunt toe te lichten. “Misschien vindt u het een opmerkelijk standpunt,” voegt hij toe, en kijkt Lagendijk in het gezicht, dat nog donkerder paars is geworden, de voorzitter lijkt te barsten. “Ja, dat vind ik zeker,” stoot hij uit, “u kunt dit niet volhouden.” Nog kan hij zwichten, beseft Johan opnieuw, dit is het moment om plat te gaan liggen, afstand te nemen van het standpunt dat hij heeft verdedigd. Als hij dit doet, kan hij zijn kennis van de jurisprudentie ten toon spreiden, zijn intellect tonen door zijn eerdere overwegingen te ironiseren. Het is het moment waarop de toreador wijkt voor de stier. Hij zal zijn eigen gezicht redden, afstand nemen van de organisatie die hij vertegenwoordigt, hij kan deze te kakken zetten. Natuurlijk had hij dit van meet af aan kunnen doen op deze zitting. Maar hij heeft een andere keuze gemaakt, als een kamikazepiloot is hij het standpunt gaan verdedigen, dat zijn collega’s hebben ingenomen, een onhoudbaar standpunt leek het hem. Maar zijn collega’s hebben ervoor gekozen, ook al zijn zij misschien onvoldoende onderlegd. En bovendien, heeft die Leidse Corpsbal niet naar zijn betoog geluisterd? Waarom zou hij die man het gevoel geven dat hij hem kan koeioneren? Dit is geen arena voor stierengevechten, zelfs geen weiland voor kemphanen, dit is een rechtszaal. Hij begrijpt de regels hier, intimidatie hoort er niet bij. Hij haalt adem, ademt uit, zet zich met beide voeten af, klaar om te vliegen. “Ik wil het u nog een keer uitleggen, mijnheer de voorzitter,” zegt hij. Als het zou kunnen, ziet hij, zou Lagendijk verder van kleur veranderen, misschien zou hij even zwart worden als de te lang gebakken frietjes van zijn naamgenoot uit de frituurkraam. Maar hij is geschoold, hij beheerst zichzelf. “Nee, dank u,” zegt hij, “u bent voldoende aan het woord geweest.” Johan vindt het bijna jammer, graag had hij de vogel nog een salto laten maken.                                                                    *In de treincoupé op de terugweg naar Amsterdam blijft hij Lagendijk horen, boven het geroezemoes van de andere reizigers uit. “U kunt dit niet volhouden.” Hoe bekakt de stem ook klinkt, hij herkent de woede erin. Ook het rood aangelopen gezicht en de verwrongen trekken zijn hem vertrouwd. Zijn vader? Verschuur? Of is dit allemaal verbeelding? Komt het doordat de man hem zijn zin wilde opleggen. De mores van de rechtszaal zijn zijn bescherming geweest. Is het daarom dat hij dit werk is gaan doen?   Op verjaardagsfeestjes bij hen thuis stelden zijn zussen meteen na het avondeten de stoelen en tafeltjes op, in de voor- en achterkamer. Hij mocht hen helpen de bekers met sigaretten uit te stallen. “Nee, die moeten niet bij elkaar,” had Geertje hem gecorrigeerd, toen hij de Chief Whip bij de North State wilde zetten. Engelse – en Amerikaanse sigaretten mochten niet in dezelfde beker terecht komen, maar Chief Whip, waren die nou Engels of Amerikaans? En North State? Later op de avond kwamen alle broers en zussen van mama, behalve natuurlijk Heeroom en Zuster Edwarda. En Ome Kees Soll kwam vanzelfsprekend ook niet, die chagrijn. Zijn peetoom is er ook, oom Piet, de broer van papa met zijn zachte stem, even rustig als mama’s broers en zussen. Zijn zussen schenken borreltjes voor de mannen, een advocaatje voor de vrouwen. Het praten wordt wat luider. Boven iedereen uit zijn er twee te horen, tante Cor, papa’s zus, en papa zelf. “Die Fransen is gewoon een lulhannes,” zegt hij nu. Johan kijkt op de klok, misschien is het zijn bedtijd. Hij kent mijnheer Fransen wel, vorige week op de voetbaltraining heeft hij nog uitgelegd dat ze de bal het beste met links kunnen aannemen. Dan ligt hij in een keer goed voor de rechtervoet om te schieten of te passen. Een goede tip, maar nu hoort hij zijn vader over mijnheer Fransen praten. “Hij heeft niets te vertellen bij dat wijf van hem,” zegt hij. Nog eens kijkt Johan op de klok, ja, het is echt bedtijd. Hij staat op en wurmt zich tussen de stoelen, de knieën, de glazen, de handen door, in de richting van de deur naar de trap die naar de stille bovenverdieping voert. “Kom eens hier, Billy,” hoort hij in zijn linkeroor en zijn vader omvat hem met twee handen, trekt hem naar zich toe. “Vertel eens aan je ooms en tantes wat je van de week geleerd hebt van Dick Fransen?” Johan kijkt voorzichtig rond, hij ziet hoe oom Wim naar hem knipoogt. “Kom op, jongen, laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Johan houdt zijn mond, iedereen weet dat toch? “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort hoe zijn vaders stem van klank verandert, duwt zichzelf weg, weg van die schoot. Een glas valt om. “Ik ga naar bed,” zegt hij, probeert hij te zeggen. In zijn rug krijgt hij een duw, een harde por, hij hoort zijn vader snuiven. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Nu is het stil in de kamer. Kijkt iedereen hoe hij langs oom Wim glipt, opnieuw op weg naar de trapdeur? Hij voelt een aai over zijn hoofd, vindt de klink van de deur, tante Rie geeft hem de ruimte om de deur te openen, hij sluit hem achter zich en staat in het trapportaal. Even gaat hij op de onderste trede zitten, meteen gaat de deur open, hij had beter naar boven door kunnen lopen. Nu staat mama voor hem. “Kun je papa nou niet even zijn zin geven?” vraagt ze.                                                               *Het liefst zou hij nu in de trein blijven zitten en doorgaan naar huis, kijken of Leon en Micha op het pleintje spelen, misschien een pizza voor hen rollen. Of even naar Mickey of Coby bellen, horen hoe het zijn kleinkinderen gaat. Maar hij moet nog langs kantoor, de collega’s zullen benieuwd zijn hoe de zitting is verlopen. Hij wil ze niet teleurstellen. Zijn eigen plezier in het werk doet hen goed. Ingeslapen club kreeg hij te horen toen hij hier als vervanger begon. Cynisch, werd gezegd. Zijn eigen beleving is anders. Je krijgt wat je geeft, denkt hij, en daarom is het de moeite waard nog even langs te gaan. Als de trein het Amstel Station binnenrolt, staat hij op. Op het perron haalt hij zijn pasje langs de gele paal om uit te checken en checkt onmiddellijk in bij de blauwe metropaal. Een goed geklede buitenlander, zo te zien op weg naar de Zuid-as, laat zijn ticket aan hem zien. Hij wijst hem de weg, als een goed functionerend lid van de samenleving, een man aan wie anderen vragen wat ze moeten doen, een man die er niet voor terugschrikt zijn positie te bepalen. Er staan er genoeg om hem heen die snel hun blik hebben afgewend toen ze de hulpeloze reiziger rond zagen kijken. Om uit de drukte te raken loopt hij een stuk over het perron totdat hij onder de overkapping van het station uit is. Tussen de kantoortorens door ziet hij in de verte een glimp van de Amstel. Toen de kolossen er nog niet stonden, was het uitzicht op de rivier beter. Hij is hier op zijn breedst.   Aanlokkelijk had hij het water gevonden, de eerste keer dat hij hier stond. Hij wachtte op de trein naar Den Bosch. Even later had hij zich door de om hem heen dringende jongens en meisjes naar binnen laten stuwen. Daar duurde de drukte voort, iedereen leek opgewekt, er werd gelachen, maar hij was stil, op zijn plek bij het raam. Zijn klasgenoot Wuk zat naast hem en zei ook niets. Buikpijn had hij gevoeld, waarom hadden de paters niet zoals alle eerdere jaren de eindexamenklas naar een klooster gestuurd, voor een stilteretraite? De tijden veranderden, hun leraar Nederlands, pater Lodeizen, was vorig jaar uit het klooster naast de school vertrokken en droeg geen priesterboordje meer, de langharigen op school werden door pater-prefect niet meer naar de kapper gestuurd, laatst was het schoolfeest door de schoolleiding onderbroken omdat er te intiem geschuifeld werd. Maar hielp het daartegen om de eindexamenleerlingen voor drie dagen naar Den Bosch te sturen? “Wat een vooruitzicht,” had Wuk gisteren gezegd. “Drie dagen en nachten in een groep waarin je niemand kent.”   Als hij terugkijkt naar het perron, ziet hij de metro staan. Hij heeft het binnenrijden ervan niet opgemerkt. Snel rent hij naar de geopende deuren en stapt de coupé binnen, juist voordat de deuren zich sluiten. Hij lacht naar de mensen die bij de deur staan te wachten. Tevergeefs natuurlijk, ze kijken voor zich uit. Nee, er is toch één jongen die teruglacht: “Op het nippertje,” zegt hij. Wat een communicatie, zomaar in de Amsterdamse metro. De jongen draait zich om en Johan kijkt naar buiten. De Spaklerweg raast voorbij, de Weespertrekvaart, het lijkt alsof ze door zullen suizen naar Den Bosch. Na de drukte van de trein was het in de Veemarkthallen in Den Bosch een nog verschrikkelijker gewoel geweest. Overal werden bordjes omhoog gehouden: “Kapittel 51”, “Kapittel 34”enzovoorts. Mensen om hem heen, rugzakken in zijn gezicht, een stap opzij en ineens was daar het bordje dat hij zocht: “Kapittel 33”. Wat jongens en meisjes in een kring, niemand die een mond opendoet, nu is iedereen tussen onbekenden, realiseert hij zich. Een jongeman tikt hem op de schouder en vraagt zijn naam. Hij vinkt hem af op een namenlijst en stelt zich daarna aan Johan voor. Vincent, de leider van het kapittel. De groep is compleet, zegt hij, ze kunnen de bus in. De bus rijdt hen veertig kilometer weg van de stad. In de komende dagen zullen zij er weer naar toe lopen, pelgrims op weg naar de kathedraal.   Ergens in de buurt van Oirschot stappen ze uit. Onder wat eikenbomen gaan ze in een kring zitten voor een voorstelrondje. Sommige stemmen zijn nog zachter dan die van Johan. “Wat wil jij het liefst veranderen, in de wereld, in je eigen omgeving, in jezelf?” vraagt Vincent, als iedereen zich heeft voorgesteld. Geen idee, denkt Johan, misschien dat ik eindelijk stop met knikkers te spelen. Wanneer ze even later in tweetallen samen oplopen, is hij blij met het meisje dat hij heeft getroffen. Lies heet ze, ze komt uit Goirle, bij Tilburg, en ze weet heel goed wat ze anders wil. Vrouwen moeten voortaan gelijk zijn aan mannen. Is dat dan niet zo, verbaast Johan zich. Bij zijn zussen heeft hij niets te vertellen. Voordat hij het zich realiseert, zijn Lies en hij in gesprek. Haar lange, zwarte haar waait in haar gezicht. Ze praten door en komen gelukkig niet toe aan zijn veranderingswens. Als hij even later naast Anne uit Heemstede loopt, vraagt zij hem wat hij het liefste anders heeft in de wereld. “Ik wil dat mannen en vrouwen gelijk zijn”, verklaart hij. Hij verbeeldt zich een haan te horen kraaien, maar het deert hem niet. “Emancipatie vind ik belangrijk,” zegt hij nog eens voor de zekerheid.   Hij ontdekt meer dingen die hij wil veranderen: Nederland moet uit de NATO, ouders moeten hun kinderen geen geloof opleggen, jongeren moeten stemrecht krijgen. Het Talenonderwijs op school moet meer gericht zijn op het leren spreken van een taal, “Vind jij het niet gek dat je in het buitenland niets durft te zeggen?” vraagt hij Anne op de tweede dag. Alsof hij ooit in het buitenland is geweest. Alsof hij ooit in Nederland iets heeft durven zeggen. Ergens onderweg leest Vincent een gedicht voor. “Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit/ het zacht maken van stenen/ het vuur maken uit water/ het regen maken uit dorst…”. - Gerrit Kouwenaar, zegt Anne. Het is een credo, legt Vincent uit, wat is jouw credo? Even later stelt Lies Johan die vraag, ze moet lachen om zijn reactie. “Praten en luisteren”, antwoordt geantwoord, “ik heb nooit naar iets anders getracht.” Anderen horen zijn toevoeging ook en lachen mee. Op zaterdagmiddag stromen ze de Bossche binnenstad in, op weg naar de Sint Jan. Duizenden jongeren reiken elkaar de hand en zingen: “Geef mij je hand / geef mij ze allebei…”. In het gewoel moet Johan loslaten, maar Anne rekt zich uit en steekt hem haar hand toe. Zonder te aarzelen strekt ook hij zich en grijpt haar hand.   Toen hij de maandag daarop op school was aangekomen, had hij zich een ander mens gevoeld. Toch droeg hij dezelfde kleren als vorige week. Alleen het zijden sjaaltje was anders. Hij had het tussen zijn vaders kleren uitgerist, toen hij donderdag naar de voettocht vertrok. Drie dagen lang is hij het blijven dragen en nu trotseert hij de blik van pater-prefect. Jazeker, hij draagt een sjaaltje, hij overtreedt de kledingvoorschriften binnen de school, maar wat zou het? Hij is zeventien jaar en the times, they are a‘changing.                                                                *Na het Nieuwe Meer rijdt de metro op de oude spoordijk, dwars door Nieuw West. Links ziet hij het flatgebouw waar Sacha en hij woonden toen ze Mickey kregen. Nu naar rechts kijken, het vroegere VVA-terrein waar ze met 2 – 1 de koploper versloegen. Nu is het volgebouwd, maar erachter gloeit – groen als altijd – het Aquarium. Daar strandde in 1994 zijn carrière, zou Dorien zeggen. Hij begrijpt haar, maar als hij het grote gebouw van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor ziet, denkt hij toch vooral aan de jaren vóór 1994. De jaren waarin hij zijn talenten ontdekte. Hij had in die tijd dikwijls dezelfde droom. Hij stond rechtop, zijn armen langs zijn lichaam, even ging hij door de knieën, een afzet met zijn voeten en hopsakee, hij zweefde door de lucht. Voldoende vaart om in de lucht te blijven, maar traag genoeg om goed zicht te hebben. In de verte zag hij bomen langs het water staan, hij zweeft erheen, met zijn armen stuurt hij bij. Als hij dichterbij komt, heeft het water zich getransformeerd in een groot, glazen gebouw, groen als een aquarium. Hij herkent de letters op het dak, het is het hoofdkantoor van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.   “Hoe kun je daar gaan werken? “ vragen zijn vrienden. “Je laat je inkapselen.” Misschien zijn zij geen vrienden meer, denkt hij. Hij heeft ervan genoten met hen actie te voeren. In de demonstraties schreeuwde hij als een Amsterdamse schillenboer, verdwaald tussen deze jongens en meisjes uit de betere standen. Er liepen er trouwens genoeg tussen die uit het gewone volk kwamen. Misschien hoorde hij daar bij. Aan het einde van de actiedag verzamelt de hele club zich bij Tante Marie in de Westerstraat. Langzamerhand heeft hij genoeg gekregen van hun aanpak van de studie. Wat is het meer dan het telkens weer herlezen van Marx-citaten? Ook het zwoegen op zinnen van Duitse intellectuelen gaat hem tegenstaan. “Zijn we nu iets wijzer geworden,” begint hij steeds vaker te vragen. “Misschien moeten we eens boeken lezen die we begrijpen.” In de werkgroep Psychoanalyse en Marxisme leest hij op een ochtend een zin van Lorenzer voor en daagt de anderen uit er chocola van te maken. “Zo komen we nergens,” zegt Tineke Zuiderhout. “Wil je dit soort interventies voortaan achterwege laten?” Johan wil haar aankijken, maar ze heeft zich al van hem afgedraaid, Stalin die Boecharin negeert op het partijcongres, een doodvonnis. Hij staat op, pakt het fraaie, koningsblauw Lorenzer-boekje van tafel en gooit het in de prullenmand. Een theatraal gebaar, maar wat kan hem gebeuren. Dit is Moskou niet, dit is Amsterdam.   Later die maand heeft hij een idee voor zijn scriptie, met een voorstel gaat hij naar Maud, de doorgewinterde docente die verantwoordelijk is voor het vak Theoretische Opvoedkunde. Haar vriend is vorig jaar gestopt met zijn studie en in de fabriek gaan werken, bij Hoogovens. “Nee,” zegt zij, “dit ga ik niet begeleiden. Misschien kun je bij de buren terecht.” Een kamer verder op de gang zitten Pol en Huug, de docenten Historische Opvoedkunde, op het instituut bekend als de twee rechtse klootzakken. Aan Pol zie je dit gemakkelijk af, hij draagt een colbertje en daaronder een gestreken overhemd, maar Huug is minder gemakkelijk te categoriseren. Hij draagt zijn haren lang, zijn snor is flink en hij kleedt zich in een corduroy werkmansjasje. Ze geven Johan een flinke boekenlijst mee, titels die hij niet eerder heeft gelezen. Een ervan verbaast hem, “Politics and the English Language” van George Orwell, wat heeft die tekst met Pedagogiek te maken? “Niets,” zegt Pol, “maar je moet ook goed leren schrijven. En trouwens, om behoorlijk te denken heb je hier ook wat aan.”De schrijfregels van Orwell zijn een openbaring voor hem. “Gebruik nooit een lang woord waar een kort woord volstaat.” “Als je een uitdrukking regelmatig leest, gebruik die dan zelf niet.” Er zijn zes regels, ze hangen boven zijn bureau als hij later zijn scriptie schrijft. Voor het eerst is hij trots op zijn eigen werk. Hij heeft geen gedachten van anderen verwoord, hij heeft niet meer opgeschreven dan wat hij zelf denkt en begrijpt. De regels geven hem zelfvertrouwen, ook als hij later in het aquarium werkt, bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, waar de werkloosheidswet en de andere sociale verzekeringswetten worden uitgevoerd. “Dat is de gevestigde orde bij uitstek,” zeggen zijn vrienden. “Je dwaalt wel heel ver af.”                                                               *Het had hem zelf ook verbaasd, maar hij voelde zich als een vis in het water toen hij eenmaal begonnen was op de beleidsafdeling van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, in het moderne gebouw dat de buurtbewoners liefkozend het aquarium noemden. Heerlijk vond hij de kaders, ze leken zijn denken ruimte te geven. Vooral toen de lichting oudere medewerkers met pensioen was gegaan, benutte hij deze met zijn snelle verstand. Dat hij de neiging had buiten de groep te blijven, bleek ineens een voordeel, hij verraste zijn collega’s en zijn bazen met onverwachte standpunten.   “Waar blijft Johan?” Nu nog kan hij de vraag van Brakel horen, neuroot die hij was. Hij hoorde het in 1987 al vanaf de gang, hij was juist op weg naar Brakels kamer, het is de tijd van de grote wetswijzigingen in de sociale zekerheid. Nou, hier was hij toch? En op tijd ook, ondanks de trein en de bus. Hij gooit de deur open: “Tadaà!” Alle gezichten keren zich naar hem. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar hoe graag lopen ze in het gareel. Nadat Brakel van de week het overleg met het ministerie had aangekondigd, heeft hij ze de een na de ander bij hem zien binnenstappen. Allemaal een wit voetje halen, de baas helpen die het zo moeilijk zegt te hebben met dat overleg. Verlaan ging als eerste. Hij dacht onopvallend weg te sluipen van zijn bureau, maar zijn luide ademhaling verraadde hem. Bovendien struikelde hij over de slippers die hij op kantoor altijd draagt. Een ideetje, zal hij tegen Brakel gezegd hebben, een ideetje voor het overleg met het ministerie. De anderen maken zich er nijdig om, omdat Verlaan zijn ideetjes nooit van zichzelf heeft, hij gaat altijd met andermans denkwerk aan de haal. Johan kan het niets schelen. “Hij kan nu eenmaal beter verkopen dan wij,” zegt hij, “dat is ook een kwaliteit.” Later zag hij ook Van Tuyll en Van den Hoop bij Brakel op de kamer, ongetwijfeld met een ingewikkeld verhaal over wetswijzigingen en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof Brakel daarmee kan aankomen bij het ministerie. Zelf heeft hij Brakel niet opgezocht, hij heeft zelfs de boot afgehouden, toen deze hem op de gang polste. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Hem bijpraten, hij hoorde het zichzelf zeggen. Wie is hier de baas, zou Brakel denken? Maar moet hij rekening houden met Brakels hang-ups? Hij verdomt het. Daarom komt hij nu, op de dag van het overleg, ook niet eerder dan negen uur binnenstappen. Dat zijn collega’s zich eerder hebben gemeld en dat zij zich stuk voor stuk in het pak hebben gestoken, zichtbaar klaar om als assistent van Brakel mee te gaan naar het overleg, het laat hem koud. Ze wachten toch op hem. Gelukkig voor hen is het helder weer vandaag, ze hebben kunnen genieten van het uitzicht over de Westelijke Tuinsteden en de rookpluimen van de Hoogovens in de verte. Arno Legwaard zit er ook, ongetwijfeld tot ergernis van Brakel die hem toch zelf aan heeft genomen. In het werk is hij een kruk gebleken en hij voelt dat zelf ook wel aan. Hij probeert zijn gezicht te redden met verhalen over vroeger. Hoe hij vooraan heeft gestaan, in 1966, bij de happenings van Provo op het Spui. Praten kan hij, maar er zit geen lijn in, hij is een kip zonder kop, en zo doet hij ook zijn werk. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Tussen de C en A-tjes

Jan Loogman
0 0

Over mezelf, voor G. en J.

Brief over mezelf, voor G. en J. Als ik er over nadenk, zijn het niet ontmoetingen die mijn leven bepaald hebben maar wel gebeurtenissen. Dingen die me zijn overkomen, zonder dat ik er om gevraagd heb. Mijn leven is totaal veranderd de dag dat mijn moeder plots gestorven is. ’s Morgens had zij nog innig afscheid genomen van mijn vader die naar zijn werk vertrok.  Veertien uur later was ze overleden.  Ik bleef echter met een man die zo een verdriet nooit te boven is gekomen.  Als enig kind kreeg ik op mijn elfde een zware last op mijn schouders.  In de stilte van ons huis was ik getuige van de verwoestende kracht van verdriet. Voor mijn vader stopte het leven bij de dood van mijn moeder. Het was alleen nog overleven. Voor hem. Maar ik was jong, groeide op en wou wel leven. Ik wou vooral ook geen medelijden, want dat hadden mijn klasgenoten, de juf, de buren en de familie. Voor alles was ik op mezelf aangewezen.  Ik kon bij mijn vader niet terecht. Trekt uw plan, was altijd zijn antwoord. Dat heb ik gedaan.  Ik heb zelf keuzes gemaakt. Ik studeerde verder, trouwde met de man van mijn leven en liet mijn vader achter. Hij was nochtans een lieve, zachte man die de sterke vrouw naast hem altijd gemist heeft. Hij heeft mij altijd heel graag gezien maar wist niet hoe dat te tonen. Ik was te jong om er op de juiste manier mee om te gaan. Ik had te weinig begrip. Een paar jaar nadat ik uit huis ben gegaan is hij overleden.  Als ik nu terugkijk, heb ik hem teveel in de steek gelaten maar  kon toen niet overweg met wat ik zijn zwak karakter noemde.  Zelfmedelijden en zelfbeklag, zijn dingen waar je bij mij dan ook niet mee moet afkomen.  Je heb altijd de mogelijkheid om je situatie zelf in hand te nemen.  Dat is niet altijd even gemakkelijk, maar als je zelf keuzes maakt en daar dan achteraf geen spijt van hebt, dan heb je volgens mij de goede beslissing genomen.  Ik heb een hekel aan mensen die altijd verwijzen naar vroegere, ongelukkige gebeurtenissen om niets aan te vangen met hun leven.  Je leven dat maak je zelf. Een tweede gebeurtenis die mij veranderd heeft is de tumor die meer dan 10 jaar geleden in mijn lichaam geslopen is en gelukkig (tot nu toe) geen blijvende ravage heeft aangericht.  Ik waande me eerlijk gezegd on-ster-fe-lijk. Was nog nooit ziek geweest, mijn absentie op het werk kon je op één hand tellen.  En ja, toen kreeg ik een serieuze opdonder.  Maar vechter als ik ben heb ik me niet laten doen.  Na een paar maanden was het ergste achter de rug.  Tijdens dit ziekteproces, ben ik wel anders in het leven gaan staan.  Ik vind de dingen niet meer vanzelfsprekend. Ik ben ook nederiger geworden.  Ja, zo een woord van vroeger.  De wereld en wij allemaal hebben teveel pretentie. We wanen ons oppermachtig en rommelen maar wat aan.  Ik ga sindsdien niet altijd bewuster om met mezelf maar ook met de omgeving.  Minder auto, meer fiets.  Duurzame voeding van lokale producenten.  Zachter zijn voor de mensen rondom mij,  me meer in de plaats van de ander stellen.  Iedereen is verschillend en het is juist die diversiteit die het samenzijn boeiend maakt.  Dus neem de mensen zoals ze zijn, maar blijf vooral jezelf. Eerlijk zijn, altijd tegenover jezelf.  Mensen horen niet altijd graag de waarheid, de waarheid kwetst.  Als je dan toch een toegeving wil doen : een klein leugentje om bestwil maakt de omgang makkelijker en is een elegante oplossing. Dit heb ik tot mijn scha en schande gaandeweg ontdekt. Lus

Lus Colpin
0 0