Lezen

Wat is er aan de hand?

Het lijkt alsof het alleen nog maar over handen gaat. Eerst was er die gelovige meneer die vrouwen geen hand kon geven. Een teken van respect, vertelde hij. Al valt dat misschien moeilijk te begrijpen. Een andere man uit zijn gemeenschap verklaarde het als volgt in de krant: “Het is mijn grootste verlegenheid. Verstaat u dat? Voor ons is de vrouw de belangrijkste persoon in het leven van onze gemeenschap, de queen eigenlijk.” Tja, had dat dan gezegd, dacht ik. Het is me wat met die tradities. Zelf heb ik er niet zoveel mee. Tenzij het over frieten op zondag gaat. Ook in Frankrijk hebben ze geplogenheden. De mannen geven elkaar vriendschappelijk een zoen op de wang. De president van Amerika, die naar eigen zeggen wel eens durft grijpen met zijn handen (grab them …), wist niet waar kijken toen de Franse president hem een pakkerd gaf. Dat was lachen.  Er kwamen nog handen in beelden. Die van Moon Jae-in en Kim Jon-un, hoegenaamd geen Koreaanse vriendjes. Al lijkt het wel de goede kant uit te gaan met hun vriendschap. Ze schudden elkaar op neutraal gebied de hand, die ze vervolgens niet meer losten. Zelfs tijdens het wandelen bleven ze mekaars pollen vasthouden. Twee volwassen mensen die hiertoe bereid zijn, schamen zich niet, meen ik zo. In onze jonge jaren deden we hetzelfde om terug vriendjes te worden. En om iets te beloven zeiden we ‘hand erop’.  Maar ze zijn er ook als bescherming. We kennen het allemaal, als we met de klein mannen op een drukke plek waren. Op de zeedijk, of in een winkelstraat. Schrik dat ze niet verdwaalden. Dan stelden we die ene vraag. Soms zou ik het nog wel eens willen vragen, maar daar zijn ze wellicht te groot voor. Daarom schrijf ik het even op. “Handje?”  

Rudi Lavreysen
0 0

Aartsengel Michaël

Beste Michaël,   Dat is de naam van twee van mijn lifecoaches. Michaël is een aartsengel, maar ook een aarde engel. Hij zou een beschermer zijn, die wezens op het rechte pad houdt.   Misschien heb ik deze tweevuldigheid wel nodig. De éne om mijn demonen te verjagen, de andere om de krijtlijnen uit te zette voor mijn nieuwe weg.   Al zowat een dertig jaar twijfel ik over de creatieve invulling als compensatie voor mijn baan. Vroeger leek elke dag een feest. Nu bijna dertig jaar later is het een opgave. Er is zoveel veranderd. Gepensioneerden worden niet vervangen. De werkdruk is hierdoor enorm toegenomen. Warm menselijkheid is ver te zoeken. Men denkt enkel prestatiegericht.   Mijn uitlaatklep zijn mijn hobby’s. Ik durf eerlijk bekennen dat ik tijdens mijn werkuren als eens surf naar niet werk gerelateerde sites. Wat niet weet, niet deert, sus ik mezelf.   In mijn jonge jaren was ik gebeten door taal. Ik absorbeerde woorden, zoals keukenpapier dit doet met water, verzwelgen. Daarna verschoof mijn interesse naar beeldtaal. Fotografie en video namen de overhand.   Toch bleef lezen en schrijven altijd borrelen aan de oppervlakte. Ook al was ik bezig met bewegend beeld, gewaardeerd werd ik vooral voor het verhaal en de structuur van mijn kortfilms. Nu waren drie interessevelden met elkaar verweven.   Hoe moest het nu verder ? Waar ligt uiteindelijk mijn focus ? Het wordt tijd dat ik duidelijk weet welke richting ik uit wil. Wat zou ik op mijn bucketlist zetten? Misschien is dat wel de sleutel voor een definitieve keuze.   Een van de twee Michaëls zal me uiteindelijk de richting wijzen. Dat weet ik zeker.

Elise Legrande
0 0

Jeugdige onbezonnenheid

Ledeberg, 30 april 2018 Dag Lus, ‘Duik in je fotoalbums’, was de opdracht. Hmm, ik moet bekennen dat dat wat moeilijk ligt. Dankzij een naarstige moeder heb ik wel albums vol kinderfoto’s maar zo veel herinneringen roepen die niet op. Ojee, ik ben vandaag exact 50 jaar en 7 dagen en het verval qua geheugen is duidelijk al ingezet… Zelf ben ik niet echt aan fotoalbums toegekomen. Niet dat ik geen foto’s heb, maar ze zitten gewoon in een kartonnen doos. En ze zijn zelfs al door elkaar geraakt. Mexico, Ecuador, Thailand, Tanzania, Praag, Barcelona, Parijs, … de wereldkaart is een beetje  door elkaar geschud. Bij nader inzien bezit ik dus vooral reisfoto’s. Ikzelf sta er weinig op, ik ben nooit zo’n foto-fan geweest. Op een selfie zal je mij dus nooit betrappen. Je moet me geloven, Lus, ik heb echt geprobeerd om geen Mexico-foto te kiezen want dat land sluipt blijkbaar in elke brief. Maar kijk, die ene foto beantwoordt helemaal aan de briefopdracht. Ik moest onmiddellijk lachen toen ik hem terugzag. Ik sta er op met Cindy. Katleen zal de foto genomen hebben want we waren met z’n drieën toen, in september 1992, op mijn allereerste reis naar Mexico. We staan in de kamer van ons hotelletje in Tulum. Je ziet enkel onze gezichten en nog net dat we onze pyama aanhebben, ik herken het ‘geleende’ lichtblauwe pyamajasje van mijn vader. Het moet dus ochtend of avond geweest zijn, ik vermoed het laatste want we staan er weliswaar lachend op maar onze gezichten hangen vol pleisters en verbandgaas. Ja, ik herinner me nog héél goed wat er die dag gebeurd is. Het was onze eerste stommiteit van de reis en we hadden nog 3 weken te gaan… Cindy en ik waren jonge twintigers, Katleen was nog maar 18, geen van ons had al met de rugzak gereisd of buiten Europa en we spraken geen Spaans. Maar vooral: we waren zonder enige voorbereiding vertrokken. Hoe was het zo ver kunnen komen? Eigenlijk hoorden we in Paraguay te zijn voor een vrijwilligersproject. Sinds de start van het academiejaar hadden we ons daar elk vrij moment op voorbereid. In mei kwam plots aan het licht dat het initiatief uitging van Opus Dei en vooral bedoeld was om nieuwe leden te lokken. Verontwaardigd stapten we op. Wat nu? De blokperiode stond voor de deur en geen vakantie in het vooruitzicht! Mijn kotgenote Ilse zocht echter nog reisgezelschap voor Mexico, in alle haast boekten we een vlucht. Vlak voor ons vertrek kreeg Ilse een job aangeboden, ze haakte af en gaf me haar reisgids. Wijzelf hadden nog geen letter gelezen over Mexico. Onder een stralende zon landden we in de Caraïben. Strand, zee, palmbomen! Moesten we echt wel gaan rondtrekken? Eerst een paar dagen languit van het paradijs genieten, besloten we. Wisten wij veel dat die Mexicaanse zon veel vuriger is dan de onze? Dat je een bleek Belgenvel in dat geval goed moet insmeren en neen, niet met kokosolie. Dat ijdelheid altijd wordt bestraft? Ronduit onbezonnen waren we. In plaats van het beoogde kokosnootbruin werden we kreeftenrood. Niet alleen de zon, ook Mexico had me te pakken. Sindsdien ben ik nog vaak teruggekeerd en zal dat tot het einde van mijn dagen blijven doen.  Zonnecrème factor 50 is altijd het eerste wat ik inpak. Alweer zonnige groetjes, Tine

Ambrozijn
0 0

De blik op Antwerpen

Ik wandel langs de donkere sporen, ogen gericht naar de gloeiende ogen van een stad die niet de mijne is. Het monster in de duisternis, Antwerpen, met zijn voorhoede van jachthonden, Berchem. Het station ruikt naar oude mensen, die zwetende geur van de dood, van gezaag en lederen schoenen met gaten in. Ik adem haar diep in, bijna gretig want het vult mijn futuristische haat voor de wereld, in de binnenzak van mijn olijfgroene jas het manifest van Marinetti; die klote Italiaan. Aan mijn lippen de rook van een oude sigaret, zelf gerold uiteraard, zelf gekneed tot mijn eigen kankergezwel. Boven kraaien de eeuwen met het zingen van de sporen, ergens in de verte het gemompel van het poetsvrouwtje dat dit monster van een gebouw moet temmen. Het kraken van haar schoenen met de mijne, het geruis van de Ring en de Singel, nog meer beesten van deze stad. Ik loop verder langs de flauwe bocht, mijn riem drukt in mijn onderbuik, kloteding. De ijzige wind snijdt mijn huid aan flarden, lange repen van vergeten herinneringen bungelend aan verkleurde botten. Een jonge man die oud aanvoelt, bezwete huid vol gal en as van zijn korte bestaan. Ik proef de metaalachtige geur van revolutie in mijn neus en mond, die wrange koperen smaak. Revolutie is een excuus, een laffe daad van zij die niet op legale wijze hun politiek aan de meute weten te brengen. Het doet me aan niet veel denken, niet aan vroeger of morgen, maar enkel richt het me naar de stappen voor me. Een droogte valt neer op mijn tong, de droogte van de dood van de sigaret. Kloteding. Ik spuug het einde uit, samen met de kolkende duisternis in mijn longen, melodramatisch trekken van een vrouw in mijn lijf. Ik ben bijna bij mijn doel, een kleine overwinning die me doet denken aan de vakanties bij mijn oma. Ze zou hier zo kunnen staan in dit klote station op haar oude sloffen. De moeder van mijn moeder, de vierde schoonmoeder van mijn vader: een wrede heks, een roestende tang van een wijf. Ik ben er bijna, nog twee stappen door de onaardse tunnels en dan kom ik in die vervloekte hal. Je durft dan te denken, waarom zijn ze hier niet ontploft ? , maar een opgevoede man houdt die gedachte netjes binnen. In de hellen hal struikelt er een zwerver over zijn zelfmedelijden, recht op de koude grond die hij zo bemint. Dichter bij het graf dat bij zijn geboorte al voor hem gegraven is. Ik loop recht het station uit, geen blik naar hem en zijn groot ongeluk. Tweede sigaret, een rode mond op de mijne, een hemelse hitte. ‘Streel me dan toch.’ ,denk je dan. Ik loop tot aan mijn grote wagen, mijn eigen vervoer, mijn eigen beest der krochten dat me streelt en me naar de overkant zal brengen. De doden langs de weg, nog meer zwervers, nog meer zielen als kijvende honden, als dochterloze vrouwen. Haat is misschien een makkelijk levenspad, maar als kinderen van de gemakzucht is het onvermijdelijk gevolg van uitsluitende voorbeelden van hoe het allemaal niet moet. Ik stap zonder gebrekkige bewegingen in, start mijn ronkend monster onder mijn handen, de banden gieren vol met oude strijdliederen. Ik beweeg de machine met gemak en volledige controle de weg op en vertrek met vlammende banden, de motor brult goedkeurend. De nachten hier zijn niet zwart, maar in vegen van flets oranje gekleurd zonder sterren, maar enkel oude gebouwen. Ik negeer de flitsen van rode lichten, angstige fietsers en zenuwachtige autobestuurders, allen grijpen ze hun geliefden vast als de koplampen van mijn gierende strijdros hen in het vizier neemt. Voor me verschijnt er een bombastische BMW, met ja hoe kan het ook anders, een opgespoten Brasschaatse moeder van twee blonde schijtnesten, achter het stuur dat ze met haar handen vol goud bijna niet aanraakt. Ik onderdruk de neiging om haar in het gat te rammen, de explosie zou een wolk van zaligheid zijn, en verhoog mijn snelheid om te verdwijnen uit haar lome, domme blauwe ogen. Antwerpen verwelkomt me met zijn krachteloze armen, de gezapige man in het noorden met zijn handen rond de cocaïne, vreemdelingen, extremisten langs alle kanten, corruptie en kleinburgerlijkheid, en ik schuif mijn raam naar beneden om eens goed te rochelen. Hier stad zonder bodem. Hier, drink het Spaanse kwijl dat je maar al te goed kent.   Ilias Dherdt.

Ilias Dherdt
0 0

Trip down memory lane

                                                                                               Kortrijk, 25 april 2018   Lieve vriendinnen,   Vannacht gingen we al op citytrip: hola Sevilla! Ruim vijf maanden te vroeg, ik weet het. Maar een mens mag al eens dromen hé. De zon deed haar best terwijl we door de pittoreske straatjes van deze zuiderse parel dwaalden. Vraag me niet hoe, maar op een bepaald moment ging ik hard onderuit op die verraderlijk gladde Spaanse trappen. Nochtans, de slippers al een hele poos geleden ingewisseld voor steviger schoeisel, om mij te wagen aan buitenlandse avonturen. Meer bepaald na het befaamde trappenincident in die hostel in Zadar, ik moet er jullie waarschijnlijk niet aan herinneren. In ieder geval, daar zat/lag ik dus. Jullie deden jullie best om bezorgd te zijn, terwijl jullie het eigenlijk niet konden houden van het lachen. Net als ik trouwens, tussen de schaamte (een beetje toch) en de pijnscheuten door. Enter de terugvlucht een dag later. Met een zwemband op zo’n veel te krap zitje op een overvol toestel van Ryanair; gênanter dan dat kan het waarschijnlijk niet worden. Wel veel minder lang onderweg dan met de bus van Kroatië naar België, dat gelukkig wel. En misschien was het ook wat overdreven om voor die korte vlucht een zwemband mee te nemen, bedenk ik me nu. Tijdens de nacht heeft men nu eenmaal de neiging om de dingen wat te overdrijven. Voor de rest was het supergezellig en verliep alles als vanouds: van ’s ochtends tot ’s avonds op schok om zoveel mogelijk te bezichtigen, intussen volop de sfeer opsnuivend. Enthousiast inkopen doen in de lokale supermarkt om daarna massa’s aperitiefhapjes te verorberen tot we er buikpijn van kregen en te moe waren om nog uit eten te gaan. En bovenal heel veel babbelen en lachen, echt heel veel! Meisjes van 36 blijven in de eerste plaats meisjes. Vooral als ze nog eens samen op pad mogen en hun (zware) rugzak met verantwoordelijkheden voor een paar dagen mogen inwisselen voor die lichte handbagage. Ik kijk er dus naar uit en ik hoop jullie ook (en ik zal extra voorzichtig zijn op de trappen). O ja, en Sarah was weer haar pyjama vergeten (ik zei het jullie toch, alles zoals vanouds ;-)).   Tot in oktober,   Abrazo,   Daphne  

Daphne Muylle
0 0

Mijn vriendschap met Tilly

Erembodegem, 1 mei 2018   Lieve Line,   Wat gek dat ik nu over een naam beschik om naar te schrijven. Een naam die toebehoort aan iemand waarvan ik enkel weet dat ze de liefde voor het schrijven met mij deelt. De opdracht van deze week noopt me om mijn brandende nieuwsgierigheid naar mijn schrijfmaatje aan de kant te schuiven. In plaats daarvan hoop ik jouw nieuwsgierigheid op te wekken voor de foto's die ik hier voor me uitgestald heb. De foto's hebben maar één onderwerp: Tilly.   Tilly was mijn beste vriendin. De foto's werden door mij gemaakt, met een camera'tje van lamentabele kwaliteit, maar die wel in mijn broekzak paste. We waren de speelfase voorbij. De My Little Pony's en Barbies stonden al een tijd stof te vangen in onze kamers. Liever trokken we erop uit. Wandelen en fietsen en ondertussen veel babbelen. Op die tochten maakte ik veel foto's van bloemen, wolken en dieren. Ik kieperde ze allemaal in de vuilbak, behalve de foto's van Tilly.   Ze was niet bepaald een gewillig model. Op de eerste foto kijkt Tilly nog geveinsd stoer recht in de camera. Op de laatste verbergt ze haar gezicht met haar handen. Door een kier van haar vingers loert ze naar me. Ze wacht totdat mijn fotografie-drang weggeëbt is. Het zijn foto's die weinig zeggen over onze vriendschap en al helemaal niets prijsgeven over de pijnlijke manier waarop alles eindigde. Liever kijk ik naar de foto's die gemaakt werden op een jeugdkamp naar de Zwitserse bergen. Is het zorgeloosheid? Is het geluk? Is het vriendschap? Tilly's gezicht straalt op elke foto.   De foto waar we samen op staan, arm in arm, op een rotsblok temidden van een berglandschap, spreekt boekdelen. Standing strong, our friendship! Met mijn beste vriendin aan mijn zij, kan niks me nog raken. Onwrikbaar en stabiel, zoals een berg, dachten we... Een mooier beeld om onze vriendschap te representeren, kan ik me niet voor de geest halen. Hoe ironisch dan ook dat het net deze vakantie was, die het einde in gang zette.   Meisjes van veertien, waren we, Line. Ik weet niet hoe oud jij bent, maar je kan je vast voorstellen hoe dat is. Bakvissen. Giechelende trutten. Maar wel met aan ons haakje een eerste vakantieliefje. Misschien was het door die prille liefde dat we beiden straalden van geluk op de foto's. En dan maakten we een pact, Line, we gingen niet kussen. Onze eerste kus, die zouden we voor iemand bijzonder houden, niet voor een vakantieliefje....   Wat moet ze zich verraden gevoeld hebben, toen ik niet kon weerstaan. Op de laatste dag, de busreis naar huis, dàt was het moment van mijn eerste kus. Het was geweldig, Line, écht waar! Het was zoveel meer dan ik ooit kon bedenken. Iemand omschreef het als nat, glibberig en vies, maar voor mij was het hemels lekker, overweldigend en juichend. Ik genoot...   Tilly verpestte mijn eerste kus-moment met één enkele, argeloos uitgesproken, zin: 'Ze lachtten je allemaal uit op de bus'. Ik begreep niet waarom ze niet gewoon blij voor me kon zijn. Het pact was ikzelf allang vergeten...   Met onze vriendschap is het nooit meer goed gekomen. Een halve maand geleden kwam me het bericht ter ore dat Tilly gestorven was. Ik had al jaren geen contact meer met haar en toch was ik er kapot van. Rond haar dood hangen veel raadsels. Hoe kan iemand op eenenveertig jaar al dood zijn? Is dat niet het moment dat je in de fleur van je leven zit? Maar misschien voelde ze zich door het leven verraden...   Liefs, Vanessa  

Zinderen
0 0

Vloedlijn

Zestien was ze en ze droeg een kleedje dat te dun was voor de koude zomernacht. Stef was bij haar. Hij keek haar met een glimlach aan, stak zijn hand naar haar uit. ‘Hier komt helemaal niemand ’s nachts. Zeker niet in de duinen.’  Zijn vingers haakten zich in de hare en even had Sam het gevoel dat ze zweefde. Toen stootte ze haar voet tegen een steen. ‘Gatver.’  ‘Doe toch eens wat relaxed, meid.’  Ze kon zijn witte tanden in het donker zien schitteren. Lachte hij haar uit? Sam concentreerde zich op de grond, terwijl ze achter Stef aan holde. Schelpen kraakten onder de zolen van hun schoenen.  Golven klotsten onzichtbaar in het donker. Wanneer ze ’s avonds in het donker over het strand liep, werd Sam zich bewust van de uitgestrektheid van de zee. Die natuurkracht die, gedreven door de maan, werelden vormgaf. Die leven schonk en weer afnam - als ze daar zin in had. Even wilde ze haar gedachten met Stef delen, maar ze besefte dat dat geen goed idee was. Jongens hielden niet van slimme meisjes.  Ze waren bijna bij de duinen waar hij haar – daar was ze zeker van – zou kussen, toen haar blik bleef rusten op een vreemde, donkere plek een twintigtal meter verderop. Sam bleef staan. Stef liet haar hand los en volgde haar blik. ‘Wat is er?’  ‘Daar ligt iets.’  Ze wachtte zijn reactie niet af. Met een bonkend hart stapte ze op het donkere hoopje toe. Met elke stap groeide haar angstig vermoeden. Ze hapte naar adem toen ze een hand zag. Het was een jongen, misschien maar enkele jaren ouder dan zij. Zijn lichaam lag in een vreemde, onnatuurlijke houding. Zijn gezicht was bleek en had een blauwe schijn. Zijn ogen waren wijd open.  Ze knielde neer naast het lichaam. De jongen droeg een zwarte broek, legerlaarzen en een T-shirt met witte letters en een omgekeerd kruis. Ze probeerde de tekst te ontcijferen. MARDUH stond er - of was het MARDUK?  ‘Shit!’ klonk het achter haar. Sam was even helemaal vergeten dat Stef erbij was. ‘Is hij-’  Ze antwoordde niet, maar bestudeerde het gezicht van de jongen. Volgde zijn verstarde blik, die ergens tussen strand en horizon was blijven hangen. Ze vroeg zich af wat het laatste was dat hij gezien had.  Stef trok haar ruw aan haar arm overeind. ‘Kom, we moeten hier weg. We vragen Mike om de politie te bellen.’  Mike was de joviale cafébaas van de kroeg waar ze nog geen kwartier geleden naar buiten waren geglipt. Het leek nu een eeuwigheid geleden.  ‘Wacht.’ Sam keerde op haar stappen terug. Ze haalde diep adem en sloot met een snelle beweging de oogleden van de dode jongen.  Stef stond haar op te wachten. Nooit zou ze de blik in zijn ogen vergeten. ‘Je bent een rare.’  Sinds die dag had hij haar nooit meer aangekeken.(c) Leen Raats, uit het verhaal 'Vloedlijn' uit de bundel 'Vloedlijn' www.leenraats.be

Leen Raats
9 1

Tussen kunst en liefde

‘Ik snap het niet.’ Simon doet een stap naar achter en knijpt zijn ogen tot spleetjes. Hij laat zijn hoofd een beetje naar rechts hangen en haalt diep adem. ‘Neen sorry, ik snap dit kunstwerk echt niet.’ Mia, die naast hem staat, kijkt hem vragend aan. ‘Wat snap je niet?’ ‘Nou gewoon, ik snap hét niet. Ik snap niet wat mensen er zo fantastisch aan vinden.’ ‘Je moet kunst toch niet altijd snappen,’ glimlacht Mia ‘Soms is er gewoon naar kijken genoeg.’ Simon legt zijn hand op zijn kin en fronst zijn wenkbrauwen. Hij doet een stap in de richting van het bordje dat naast het werk hangt. ‘De natuur en meer in het bijzonder het platteland, zijn steeds het uitgangspunt van deze kunstenaar. Al worden zijn werken door de jaren heen steeds abstracter. Het gebruik van lijnen, vlakken en kleuren zijn voor deze schilder de manier bij uitstek om zich uit te drukken. Waar in het begin van zijn carrière zijn werken nog erg naturalistisch waren, wijken ze vanaf het begin van de twintigste eeuw steeds meer van de werkelijkheid af.’ Simon gniffelt sarcastisch.‘Dat kan je wel zeggen. Ik herken hier echt niets van akkers of velden in.’ ‘Dat hoeft toch niet?’ zegt Mia. ‘Geniet gewoon van de kleuren en de compositie van dit werk.’ Simon kijkt rond in de ruimte. ‘Neem nu dat werk daar.’ Hij wijst naar een canvas dat tegen een andere muur in de ruimte hangt. ‘Dat slaat toch nergens op? Ik zie enkel wat lijnen en strepen en hier en daar een klodder pastelkleurige verf. Dat kan ik ook. Ik zal zelfs meer zeggen: dat kan zelfs mijn nichtje van drie. Is dat dan ook kunst?’ Simon gaat zo op in zijn ergernis dat hij het ouder koppel dat de zaal is ingewandeld niet heeft opgemerkt. De man kucht zachtjes terwijl zijn vrouw hem aan zijn mouw snel naar de andere kant van de ruimte trekt. Mia knikt verontschuldigend naar hen als ze haar passeren. Ze schaamt zich ineens een beetje om Simon. Simon merkt de ongemakkelijke sfeer in de ruimte duidelijk niet op. Hij schuifelt zenuwachtig heen en weer.‘Ik word lastig wanneer ik de dingen niet snap. Ik krijg dan altijd het gevoel dat ik dom ben.’ Hij loopt geërgerd naar het raam in de museumzaal. ‘Het zal wel compleet not done zijn dit te zeggen in een gerenommeerd museum als dit, maar kunst is echt niets voor mij. Geef mij maar gewone dingen, zoals de natuur buiten bijvoorbeeld of Star Wars.’ Hij draait zich bruusk om naar Mia. ‘Maar dat zal wel te mainstream zijn zeker?’ Mia moet lachen om Simon’s ergernis. Ze gaat op een bankje in het midden van de museumzaal zitten. ‘Simon toch, ik ga vaak naar musea en ik snap ook lang niet alles. Ik denk eigenijk ook niet dat dat hoeft. Het belangrijkste is dat je iets voelt als je naar een werk kijkt, niet of je het snapt of mooi vindt. Ik denk dat dat de essentie van kunst is, dat het je op de één op andere manier raakt.’ ‘De essentie van kunst.’ Simon laat moedeloos zijn schouders hangen. ‘Ik denk toch dat het weer even zal duren eer ik nog eens naar een museum ga. Ik kan het beter op andere vrijetijdsbestedingen houden.’ ‘Je bent niet dom, maak je geen zorgen. Ik hou ook best van Star wars,’ glimlacht Mia lief. Simon zucht en leunt met zijn zij tegen de vensterbank. De zon tekent de lijn van zijn gezicht af. Hij heeft best een grote neus, denkt Mia, dat was haar nog nooit opgevallen. Net als zijn onzekerheid, die had ze ook nog nooit eerder gezien. Ze schrikt er een beetje van. Simon is meestal net erg zelfzeker, op het arrogante af. Nu staat hij daar als een schooljongetje dat net voor de eerste keer is gezakt voor wiskunde. Vreemd, ze had zich hun eerste echte afspraakje met twee helemaal anders voorgesteld. Mia wordt ineens overvallen door een soort angstgevoel. Straks gaat hij naar huis met het gevoel dat hij zijn tijd beter had kunnen besteden dan hier samen met haar in een museum. Ze had hem misschien beter gewoon meegenomen naar de bioscoop. Of misschien vindt hij haar nu wel een cultuursnob. Iemand die enkel naar films en tentoonstellingen gaat omdat die hoog aangeschreven staan, niet omdat ze die echt wil zien. Ze doet nochtans haar best om Simon op zijn gemak te stellen. ‘Ik moet gaan,’ zegt Simon opeens. Mia schrikt wakker uit haar stroom van gedachten. ‘Oh, nu al?’ ‘Ja sorry, ik had nog met vrienden afgesproken. Als ik op tijd wil zijn, dan moet ik de trein van acht voor vijf halen halen.’ Mia kijkt op haar horloge. ‘Het is al half vijf en het is toch zeker nog twintig minuten stappen naar het station, dus dan moet je inderdaad nu vertrekken.’ ‘Klopt. Zullen we dan maar?’ Simon zet geheid de tocht naar de uitgang in. Voor ze het weet staat Mia samen met hem in de grote inkomhal van het museum. ‘Ik moet nu rennen. Sorry hoor, maar ik had dit echt al lang geleden afgesproken met die vrienden,’ zegt Simon terwijl hij gehaast zijn jas aantrekt. Mia knikt begrijpend. ‘Geen probleem. Ik hoop dat je het toch een beetje een fijne middag vond?’ ‘Ja hoor, heel fijn,’ zegt Simon zonder haar aan te kijken. Hij ritst zijn jas dicht en zwaait met een soepele beweging zijn rugzak op zijn rug. ‘Goed, tot de volgende? We bellen nog. Doei!’ Simon geeft Mia vluchtig een kus op de wang en weg is hij. Mia blijft beteuterd achter. Ze trekt langzaam haar jas aan en slentert naar de uitgang van het museum. Dit was vast de eerste en meteen ook de laatste keer dat hij met mij op stap wil, denkt ze. Ze voelt zich opeens erg onzeker worden. Waarom is het toch zo moeilijk om iemand te vinden waarmee je dingen kan delen? Ze doet nochtans erg haar best om zich open te stellen en nieuwe mensen te leren kennen. Het is allemaal zo vermoeiend. Mia zucht. Misschien heeft Simon wel gelijk, denkt ze dan, misschien is dit niets voor hem. Misschien snapt hij het echt gewoon niet. Ze bekijkt zichzelf in de weerspiegeling van het glas van de museumdeur. Naast haar land een stadsmus die zorgeloos kwettert. Ach ja, denk Mia dan, misschien snapt Simon haar ook gewoon niet. Dit verhaal won de derde prijs in de Ward Ruyslinck Prijs voor Kortverhalen 2018.Artwork: www.shellacdesign.com

Ans DB
0 0

Vooruitblik

‘Wie ben je?’, vroeg mijn spiegelbeeld. Niemand in het bijzonder, constateerde ik. Los zittende trui, halfhoge sandalen, haar in de war. Los, halfhoog, verward: niet iemand die ik nog wilde zijn in elk geval. Gisteren (dezelfde kleren, hetzelfde kapsel) was ik nochtans voorbij deze etalageruit van de Levis Jeans Store gepasseerd zonder mezelf op te merken. Gisteren: toen ik nog een vrouw was uit één stuk. Vandaag zag ik mezelf dubbel. Want ik zag niet alleen mijn spiegelbeeld, maar ook wat er aan de andere kant van het raam te zien was.  De andere kant:  stevige laarsjes, een afgemeten Levis 501, strak T-shirt. Stevig, afgemeten, strak: de vrouw die ik morgen kon zijn. En terwijl mijn ene oog zich richtte op die herziene versie van mezelf, bemerkte het andere hoe ik met een afwerend gebaar een ingebeeld pluisje van mijn trui wreef. Alsof ik wilde zeggen: ‘kijk, ik schud mijn oude ik alvast van me af’. Er was me zonet dan ook een vooruitblik op mezelf gegund.   Vooraleer ik het huis was uitgegaan, had ik in de badkamerspiegel (dwarse barst links van boven) nog veel langer naar mezelf gekeken. Dat was een soort van ritueel geworden ’s ochtends tijdens het tandenpoetsen. Ik kijk mezelf zolang mogelijk in de ogen tot ik een vreemde wordt. Al was ik er ooit met andere bedoelingen mee begonnen. Ik had namelijk bij de grote meesters gelezen dat de ogen de spiegel zijn van de ziel, en dus probeerde ik iets te ontdekken:  diepte, inzicht, het raadsel over mezelf. Zo kon ik daar wel even blijven staan, ook als dat tandenpoetsen al lang achter de rug was. Want een spiegel heeft geen achterkant, en dus zag ik niets: geen vergezicht, geen diepte, geen mogelijkheid. Het oog in de spiegel en het oog dat ernaar keek bleven twee.      Terwijl ik los door mezelf heen stond te kijken in de etalageruit van de Levis Jeans Store, overliep ik mijn opties. Optie één: de bekende route vervolgen. Die van gisteren, eergisteren en de dag voordien. Weliswaar ietwat onrustig, want verdubbeld en verdeeld. Optie twee: me naar de andere kant van het raam bewegen richting het nog-niet, het vooruitzicht, mijn zonet bijeen gefantaseerde nieuwe ik. In de tijd dat ik me inbeeldde hoe ik hier straks voor ditzelfde raam zou staan met mijn nieuwe zelf in een pakketje onder de arm gewikkeld, stopte het afwerende wrijven over mijn trui. Alsof er niks meer af te schudden viel, en ik eindelijk tot rust kwam. Rust: gedurende enkele seconden samenvallen met wat er aan de andere kant te zien was. In stapte op de deur af en ging binnen.    

F. Sansclair
0 0

Ego van jewelste

“Nee, de verjaardagstaart hoeft niet gesneden. Ik eet ze wel alleen op. Ik ben ver voorbij dat Vrouwelijk Complex”, zeg ik vol overtuiging terwijl ik bij mezelf denk: ik heb er ook... van die... euhm... minder mooie 'dingskes' aan m’n lijf… Ik bijt hard op mijn lip wanneer mijn onderbewuste ‘stop daarmee Leah!’ gilt en ik ga overtuigend verder: “wij, vrouwen zijn nogal vaak ontevreden… en dat is een understatement van jewelste. We vergelijken onszelf met barbie-achtige-ideaalbeelden en dan zijn we verrast dat we er in geen 100 jaar aan kunnen voldoen. Zie je me al lopen op knalroze stiletto's met een volle c-cup in een topje dat 10 cm boven mijn navel stopt?”   Iedereen lacht, ik heb dan ook helemaal geen stiletto’s, laat staan een c-cup. “Mijn voeten doen pijn!”, roep ik met een overdreven pijnlijke blik en mijn vriendinnen schieten in een ontembare schaterlach. “Komaan meiden! Kijk eens rond! Elke knappe en elke minder knappe fien verdient het toch om er te zijn. Moet je niet eerst van jezelf houden voor je van hém kan houden? Begint liefde niet met eigenliefde? Of is onder-de-lakens-met-alle-lichten-uit nog van deze tijd misschien?” Greet valt bijna van de zetel van het lachen. ‘Zij laat duidelijk de lichten branden ’s nachts’, giechelt het stemmetje in mijn hoofd. “Echt waar”, ga ik verder, “het wordt hoog tijd om dat complex in te ruilen voor een ego van jewelste! Laat het licht maar branden schat! Of wou je zelf niks zien misschien?” Ik denk dat Greet niet meer bijkomt van het lachen, ze verslikt zich in de veel te straffe koffie en sputtert “natuurlijk wel!”. ‘Ha, zie je’ schatert het stemmetje in mijn oor en ik kan mijn uitgestreken gezicht niet meer in bedwang houden. Mijn mondhoeken krullen omhoog en daar gaan we dan… met z’n allen schieten we in een oorverdovend gelach.   Met veel moeite forceer ik een gladgestreken gezicht, snij de taart in 8 stukken en doe ik mijn best om opnieuw onderwijzend over te komen als ik verderga: “ ja dames, híj heeft daar geen problemen mee. Met dat licht bedoel ik dan. Nee, hij kijkt graag naar al die rondingen en imperfecties”. En ik maak overdreven ronde bewegingen langs mijn lijf. “En dan denkt hij: "Yes! áááááááálemaal van mij! En daar… daar hebben we dat ego dan, snappie?” Ilse schiet klaarblijkelijk ineens wakker uit gedachten: “Wat? WAT!? Komt het door ons? Zijn wij de oorzaak van dat onhebbelijke ego? Zijn wij het waar zij, mannen, hun vertrouwen vandaan halen?” Opnieuw galmt een luid gelach door mijn kleine appartement. “Natuurlijk is het mannelijk ego er dankzij ons! Van welke planeet kom jij eigenlijk?” antwoord ik met de meest serieuze blik. “Zie je nu dat al die onzekerheden nergens voor nodig zijn? Als zij, mannen, van al die 'perfect imperfections' houden, waarom wij dan niet?”   “Hup! Geef die taart hier! Of willen jullie dan toch een stuk misschien?”

Leah
0 0

Naakt in dit leven

De herfst kleedt zich langzaam uit. Net zoals ik. Nee, niet letterlijk, waar zit je met je gedachten? Wat ik bedoel is dat ik langzaam maar zeker mezelf weer vind. Langzaam maar zeker ontdoe ik me van alle ongewilde gewoontes, van alle vastgeroeste routines, net zoals de herfst zijn gekleurde kleed uitdoet. Klinkt mooi, vind je niet? Maar in werkelijkheid is het hard en bitter en valt het mooie kleed op de kille, koude grond.   Mijn diepste binnenste is gehavend door onverwerkte herinneringen, door ongewenste diagnoses, door mijn perfectionistische gedrevenheid om te voldoen aan een zelfopgelegd en onhaalbaar ideaalbeeld. En het doet pijn, maar tegelijk voelt het goed en juist. Want langzaam maar zeker leer ik de jonge vrouw kennen die me aankijkt in de spiegel. Ik ontdek haar diepe bezorgdheden en onuitgesproken vragen, haar valkuilen en angsten, haar passie en ongedwongen verlangen, haar oprechte liefde en diepste dromen. Langzaam maar zeker en met een bang en kloppend hart, ontdek ik wie zij is…   Misschien… misschien moet je door het diepste dal gaan om het heldere licht te zien. Misschien moet je ziel koud en leeg zijn om het vuur van echte passie te voelen. Misschien moet je jezelf verliezen om gevonden te worden. Misschien moet je neergeslagen worden door blind ongeloof om de oneindige mogelijkheden helder te zien. Misschien… misschien…   Want is dat niet wat we allemaal willen? Is het niet zo dat ieder mens ten volle wil zijn wie hij is? Om uitgekleed en naakt met alle imperfecties te staan in zijn leven, oprecht en gelukkig? Is het niet zo dat ieder mens streeft naar ultiem geluk?   Want dan… dan kan ik alleen maar concluderen dat mijn diepste val, mijn grootste redding is. En hoe koud en kil deze winter ook voelt, zo zonder kleren aan ;-) ik weet dat het mooiste nog moet komen. Vrij van alles wat ik dacht dat moest, vrij van alles wat mij aangemeten werd, vrij van alles zoals het was, naakt in dit leven dat altijd al het mijne was...   Dus ja, ik huil tranen van vreugde, nu nog kil en koud op deze grond, want wat die jonge vrouw in de spiegel me wil vertellen, is dat oprecht geluk vanbinnen zit.   Ik zoek niet langer, ik kleed me uit.   En jij? Wat doe jij?  

Leah
29 0