Lezen

Zomeravonden

Beste lezer,   De artikels, uitspraken, uitzendingen en op de koop toe bol.com boekverzendingen over de opwarming van de aarde komen allen onze richting uit. Maar weet u geachte lezer, ik merk er niets van. De zomers lijken sinds die ene specifieke zomer alleen maar kouder te worden. Wat een prachtige zomer was dat. Herinnert u zich nog over welke zomer het gaat, of bent u dat ook al vergeten? Uiteraard, vergeeft u me mijn ongepaste opmerking. Het zal niet meer gebeuren. Ik neem u graag mee naar die ene zomer, nog voor er sprake was van schijnbare opwarming, toen er nog geen sprake was van al die kind belastende verwarring.     Hoewel de zon onder ging en haar laatste licht op de dag wierp, leek het opnieuw een van die oneindige zomeravonden. De geur van pas gemaaid gras drong mijn neusgaten binnen en tussen mijn kleine kindertenen voelde ik het korte gras kriebelen. Mijn kleine kinderlichaam voelde aan alsof het heel de wereld aankon. Ik voelde me geborgen in die kleine dorpskern die ik weleens aanzag voor mijn broekzak, niets zou daar ooit iets aan veranderen. De vogels besloten te gaan slapen en  de stilte maakte zich meester van mijn tuin. Met een kinderlijke soepelheid ging ik op mijn rug liggen en voelde ik hoe het frisse gras verkoeling bood. Ik leefde van de voorspelbaarheid en geborgenheid. De sterren lieten me klein voelen, maar hun fonkeling in ruil voor mijn blik lieten me geloven dat er steeds is van mijn geborgenheid zou voortbestaan. Ik liep naar binnen en mama stopte me voor een laatste keer in bed, of dat is de vage herinnering die ik er aan heb. Mooi en goedgelovig viel dat kind met zijn groene grasvoeten in slaap, zonder te weten wat er die volgende dag zou gebeuren.   Die nacht klom er een mannetje bij ons naar binnen, het maakte iets dood in mama en het maakte iets dood in mij. Het maakte mama droevig en droeviger, het maakte mama ziek en liet mama teveel drinken. Dat mannetje moet zelf droevig geweest zijn en jongens toch, dat mannetje had al lang niet meer gedronken.   Die avond was mijn laatste zomeravond. Ik koester nog steeds de veiligheid en geborgenheid die voortleeft in de fonkeling van het zwarte nachtgordijn. Mijn diepste verontschuldigingen aan de schrijvers van de artikels, makers van uitzendingen en bezorgers van de bol.com pakketjes, maar van een opwarming merkte ik niets. De zomeravonden werden enkel kouder.   Het ga je goed,   Immanuel di Fiore

Immanuel di Fiore
0 0

Brief aan mijn geliefde

Aan mijn Liefste, Je bent een verslaving. Dat is de enige manier om het te verklaren. Hoeveel ik aan je denk, hoe hard ik je mis. Ik smacht naar jou en maak mezelf gek met de gedachte je nooit meer te zien. Nooit meer je zachte huid te voelen onder mijn vingertoppen. Je zwoele lippen nooit meer te kussen. Ik hield ervan hoe je ogen door me heen konden kijken. Je zag me voor wie ik was, en dat maakte me bang... Je keek verder dan mijn ruwe bolster en vond je weg naar binnen. Hoe hard ik er ook tegen bleef vechten, je raakte mijn hart. Maar ik was te koppig om toe te geven... dat is een eigenschap die we deelden. Maar de waarheid is dat je mijn hart liet overslaan sinds de eerste keer ik je zag in Alamut. Ik had zoiets nog nooit gevoeld, daarom had ik geen idee wat ik ermee moest. En het spijt me... de manier waarop ik je behandelde was fout en ik had er meer voor je moeten zijn. Dan hadden we nu gelukkig kunnen zijn en een gezin voor onze zoon. Onze prachtige zoon die ik als enige in deze wereld evenveel liefheb als jij. Want dat doe ik... Ik hou van je. Het heeft te lang geduurd voor ik het kon toegeven aan mezelf. Ik hoop daarom dat je het me kan vergeven. Op dit moment heb ik geen idee of mijn missie gaat lukken. Geen idee dat ik je ga vinden of het enigszins zelf overleef. Ik weet zelfs niet of je deze brief ooit zal lezen, maar ik moet het proberen. Je moet weten hoeveel ik voor je voel. Dat is het minste wat ik kan doen. Mijn lief ik doe er alles aan om je te vinden. Je maakt me niet zwak je maakt me sterker. De gedachte aan jou geeft me meer kracht dan ik ooit wist dat ik in me had. Ik heb je nodig...want jij maakt een betere man van me.   Diran.

Melissa Van Steen
0 0

De vermiste sok had een relatie.

  ‘Dit kan niet!’ riep de wanhopig verdwaalde sok tussen de wasmachine en droogkast. ‘Hé, ho!’ riep hij met een piepstemmetje naar Tom die de wasmachine leegde om vervolgens het gewassen goed in de droogtrommel te proppen. Het vuil goed werd achteloos in de wasmachine gedropt met een heleboel zeep. De verdwaalde sok was in de pijp van een broek blijven zitten tot Tom de broek uitschudde. Na een succesvolle vlucht belande de sok geruisloos achter de wasmachine. Een grote zakdoek en een poppen-sok zagen hem in hun nabijheid landen. Sokkemans rekte zich uit en trachtte zo hard mogelijk te brullen:  ‘Tom! Luiwammes! Kijk toch uit je doppen! Weet je wel dat ik een relatie heb? Ik ben een eerlijk getrouwd man! Mijn vrouw en ik passen perfect bij elkaar en jij… ja jij! Jij bent een spelbreker, een huwelijksbreker! Stuk onverantwoord verdriet. IK WIL HIER UIT!’ De zakdoek stak twee punten in zijn denkbeeldige oren.  ‘Hemeltje wat een herrie! TOM HOORT JE NIET, koppige ezel! De poppen-sok keek Sokkemans droevig aan.  ‘Jij bent je partner kwijt en ik mijn mama. Kan jij me naar mijn mama brengen? vroeg ze met een zielig stemmetje. Sokkemans blies zich op als een geschrokken pad.  ‘Welja, waarom niet? Dat kan er nog bij! Een zakdoek met zoveel gaatjes dat je door een Gruyère kaas snuit en een moederloos wicht dat heel de tijd loopt te dreinen. Zijn jullie nu helemaal?’  ‘We kunnen elkaar helpen,’ bromde de zakdoek.  ‘Ja, ja, jaaa, helpen. Poppemie mist me waarschijnlijk verschrikkelijk! Sokkemans trok een pruilmond – voor zover dat lukte –bij gebrek aan strekbare polypropyleen tussen het garen keek hij eerder zuur.  ‘Hoe denken jullie hieruit te komen?’  ‘Wel…we hadden al een plannetje…maar daarvoor hadden we een groter kledingstuk nodig, Poppemie is te kort. Met jou…mmm…ja met jou kan het lukken.’ De sok van Poppemie keek aandachtig naar Sokkemans, die deed alsof hij niets zag. Na een aantal minuten schoot hij toch uit zijn slof-loze pantoffels.  ‘Heb ik wat van je aan, Poppemie?’  ‘Oh nee! Het zou te groot zijn, maar…ik vraag me af…ben je wel soepel genoeg?’  ‘Soepel? Voor wat?’  ‘Poppemie, als je het niet erg vindt leg ik het verder wel uit aan onze vriend.’  ‘Veel succes,’ klonk het hoge stemmetje.  ‘Wel,’ begon de zakdoek, ‘elke week wordt er tweemaal gereinigd. Als we ons allemaal in het hoekje proppen kunnen we misschien de dweil te pakken krijgen. De vraag is: Ben jij soepel en sterk genoeg om de dweil te pakken te krijgen en ons mee te trekken?’  ‘Waarom zou ik jullie meesleuren?’ Poppemie draaide zich om en zat treurig op haar hiel te zuigen in een hoekje. Boos keek zakdoek naar Sokkemans.  ‘Ben je nu tevreden, harteloze sok?’ Sokkemans hoorde Poppemie snikken en keek beschaamd naar de vloer. Aarzelend kwam Sokkemans op zijn woorden terug.  ‘Het is geen slecht gedacht…ik ben misschien wat snel geweest…het klonk behoorlijk egoïstisch.  ‘Dat je dat maar weet!’ klonk het strijdvaardig hoge stemmetje. De zakdoek haalde zijn hoekpunten op.  ‘Ze is snel overstuur, jong hé…’  ‘Ach ja,’ zuchtte Sokkemans zo zijn we allemaal geweest. Sorry, voor mijn gedrag van daarnet… Hoe wil je het aanpakken?’ De zakdoek liet een glimlach vol gaten zien. Sokkemans proestte het uit.  ‘Sorry, sorry… ik wilde je niet…’  ‘Uitlachen?’ zei de zakdoek vermaakt. ‘Natuurlijk! Lachen ontspant en laat relativeren. Ze werden alle drie opgeschrikt door een gezoem en even later het gerammel van een emmer met daarin een schoonmaakmiddel, een dweil en aftrekker. Tom kwam slechtgehumeurd het washok binnen.  ‘Verdomme, teveel zeep! En Mies maar zeuren… Dat is nog het ergst!’ Plots kwam een tsunami van zeepsop in hun richting aangerold. Sokkemans wist nog snel een sprong te maken en belandde op de top van de golf die zich al terug trok. De zakdoek bleef met één van zijn gaten hangen in de aftrekker en zwaaide Poppemie in een grote boog naar Sokkemans toe. Sokkemans klemde Poppemie dicht tegen zich aan en liet zich meevoeren met het water.  ‘Ach, die waren we kwijt…en het sokje van Poppemie…wat zal die blij zijn. Tom viste ze beiden uit het water en legde hen bij de te wassen sokken. Sokkemans glimlachte tegen Poppemies sokje en zuchtte gelukkig tot hij een schelle stem hoorde:  ‘Daar heb je die natte sok van een vent! Nog wel met iemand anders kinderen…’ Sokmans keerde zich blij verrast naar zijn vriendin.  ‘Mijn liefste voetgenootje…’ Zijn stem stierf weg, naast zijn sok-genootje lag een nieuwe witte stoere sok met de tekening van een panter. De panter-sok draaide zich naar Sokkemans en vroeg dreigend:  ‘Ken jij mijn vriendinnetje?’ Het ‘vriendinnetje’ haastte zich om te antwoorden:  ‘Een oude sok uit een ver verleden en een vreselijke zeur, niet eens de moeite waard om je druk te maken.’ Tot in het diepst van zijn ziel geschokt merkte Sokkemans niet eens dat Tom de oude zakdoek naast hem legde.  ‘Wat ging er mis?’ vroeg de zakdoek buiten adem. Van zijn sokken geblazen antwoordde Sokkemans: ‘Voor ik vermist was had ik tenminste een relatie.’  

Fanny Vercammen
0 0

Opdracht 5: toepassen van meervoudig personaal perspectief op één scéne. Haddie

Opdracht 5: toepassen van meervoudig personaal perspectief op één scéne. Haddie   De tekst is herschreven vanuit het personaal perspectief van mijn oudste zus, in de derde persoon.  Kaatje is de oudste in een gezin van zeven kinderen. Ze is net zestien geworden. Ze is groot voor haar leeftijd. Ze steekt met kop en schouders uit boven haar broers en zussen. Kaatje haat haar naam, zeker zoals de mensen uit het dorp hem uitspreken. De aa wordt een lange au. Op school spreken de vriendinnen over de liedjes die ze gehoord hebben op radio Veronica. Bij Kaatje thuis staat de radio enkel op om naar het nieuws te luisteren en op zondagnamiddag naar het programma ‘opera en belconto’.   Kaatje houdt van Adamo en Cliff Richard. Terwijl  haar moeder boodschappen doet, zet ze stiekem radio Veronica op. ‘Oh Katy, Katy’, zingt Marc Aryan.  Ze is op slag verliefd.’ Katy’, zo wil ze voortaan heten. Het liedje blijft de hele dag in haar hoofd spelen.  Ze zeurt bij haar moeder om voortaan elke zaterdagnamiddag naar  de nieuwe hits op de radio te mogen luisteren. Ze heeft nog geen antwoord gekregen. Ze weet dat haar moeder vreest dat die moderne muziek een slechte invloed op haar zal hebben. Hoe kan ze uitleggen dat ze er juist vrolijk van wordt. Maar vrolijkheid is geen eigenschap die haar moeder hoog inschat.   Op een dag komt Kaatje thuis. Ze hoopt dat haar moeder nagedacht heeft over haar vraag en dat ze toestemming zal krijgen om op zaterdagnamiddag naar de radio te luisteren. ‘Kaat’, zegt haar moeder, ‘ik heb je ingeschreven in het Marialegioen, elke zaterdag van twee tot vier’. ‘Waar is dat Marialegioen?’, vraagt Kaatje argwanend. Ze denkt aan radio Veronica. ‘In de kapel’, antwoordt haar moeder, ’er zullen ook andere meisjes zijn’. ‘Meisjes die ik ken?, vraagt ze. Ze vertrouwt het nog steeds niet. ‘Dat zal je zaterdag wel zien’, zegt haar moeder.      

Haddie
0 0

Opdracht 4; herwerken openingsscène en uitbreiden met drie scènes. Haddie

Opdracht 4. Herwerken openingsscéne en uitbreiden met drie scénes. Haddie   Openingsscène herschreven. Haddie   ‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes mijn hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik.  Dat zal helpen tegen die droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden en ervan kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik,  maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.  Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag . Straks moet ik nog overgeven. Ik weet ondertussen wel dat de rede soms niet opgewassen is  tegen het gevoel maar ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer iemand binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren.  Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk. Ik heb hen de fakkel niet doorgegeven. Soms kan ik niet geloven dat het me gelukt is.  ‘ Zal het lukken mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol.  Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen.  De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn nu op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk:    Beste familie en vrienden,   Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed . Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in de woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten,  tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en uitzonderlijk in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze ‘gezinsgroep’ zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor…   Daar is gelukkig verandering in gekomen’.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg dan:   ‘Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend over de beproeving die ze doorstond daar vooraan, met alle ogen op haar gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.  Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.’   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer.     Vervolg opdracht 4: uitbreiden met drie scénes. Mijn tijdlijn is een verzameling van data, feiten en personen. Ik heb gekozen om er drie personen uit te lichten: mijn moeder, mijn oudste zus en de onderwijzeres van het zesde leerjaar. Dit is nodig om de latere scénes te kunnen begrijpen.     Mijn moeder beleeft in haar laatste levensjaren de gelukkigste van haar leven. Niets moet meer. Ze is niet meer goed te been en ze heeft de ziekte van Ménière, die het risico op vallen verhoogt. Het biedt haar een uitstekend excuus om zich niet meer buiten de deur te begeven. Haar wereld is gekrompen tot dertig vierkante meter. Ik vraag haar of ze het niet mist, de wereld daarbuiten en of ze geen zin heeft om zich eens te laten rondrijden. ‘Oh nee, daar heb ik geen behoefte aan’, haast ze zich te zeggen, ‘Ik heb genoeg aan mijn boeken en aan mijn kruiswoordraadsels. Ik verveel mij nooit.’ Mijn moeder leest bij voorkeur thrillers en detectiveverhalen, al gaat het lezen steeds moeizamer. ‘De dokter heeft gezegd dat het heel goed is dat ik mijn geest zo blijf trainen en dat ik zo goed blijf bewegen’, zegt ze trots, terwijl ze enkel wat over en weer schuifelt op haar dertig vierkante meter. Ze wil graag de dokter ter wille zijn. Gezagsgetrouw blijft ze tot haar laatste snik. ‘Als ik iets nodig heb, haal ik het zelf uit de kast’, zegt ze. ‘Mij niet gezien dat ik me laat dienen!’ Mijn moeder houdt er stiekem van om zich te laten dienen. Elke dag staat er een team klaar om haar te helpen. Haar eten wordt  gebracht, haar kinderen doen de boodschappen en onderhouden de tuin, waar ze trouwens zelden in komt. De dames van familiehulp helpen haar met het dagelijkse toilet en met de schoonmaak. Ik gun haar deze luxe. Ze staat in schril contrast met de levensomstandigheden in haar jonge jaren waar ze moest zorgen voor een groot gezin in een huis zonder de gemakken die nu vanzelfsprekend zijn. Een huis zonder badkamer, zonder wasmachine en met enkel een buiten-wc. Ik zie nog het beeld van mijn moeder op haar knieën, gebogen voor de kachel in de woonkamer, de enige verwarming in het huis. Elke ochtend maakte ze eerst de kachel leeg en schoon om hem daarna met papier en hout terug aan te steken en vervolgens de hele dag met kolen brandend te houden. Later kwam de continu-kachel die ’s nachts heel licht bleef smeulen en ’s morgens enkel moest opgerakeld en opnieuw bijgevuld worden.  De koperen kolenkit, die regelmatig in de kelder bijgevuld werd,  stond altijd klaar naast de kachel. Mijn moeder geniet op haar oude dag van een voor haar luxueuze situatie, met als belangrijkste element dat ze gevrijwaard is van alle sociale verplichtingen. En voor mijn moeder zijn alle sociale contacten, verplichtingen.   Dat was altijd al zo. Als ik tien jaar ben en mijn moeder bevraag over haar vriendinnen vroeger, zegt ze heel beslist: ‘Ik had geen vriendinnen’. ‘Met wie speelde je dan?’ vraag ik verwonderd. ‘Ik speelde met mijn pop’, zegt mijn moeder. ‘En met je broers en zussen dan?’, probeer ik nog. ‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘Die speelden te wild. Ik breide poppenkleertjes en soms ook een trui’. Ze vertelt opnieuw het verhaal van de mooie trui die ze gebreid had en die ze vervolgens aan haar zus gaf omdat die de trui zo mooi vond. ‘Maar jij had daar al dat werk aan gedaan!’, zeg ik. ‘En dan’, zegt mijn moeder.   Mijn moeder praat bij voorkeur niet over zichzelf. Ze heeft het liever over haar familie. Niet over haar kinderen en kleinkinderen maar over de mensen uit haar ouderlijk huis. Ze is trots dat ze deel uitmaakt van deze familie. Ook al voelt ze zich de minste, iets van de mythische glans, die ze hen toebedeelt,  straalt ook op haar af. Denkt ze. Als mijn moeder anekdotes vertelt over haar vader en moeder en over haar broers en zussen, zit er dezelfde ondertoon in haar stem als in de stem van juffrouw Thérèse, als ze de verhalen vertelt over de Heilige Familie: Maria, Jozef, en Jezus.   Als ik tien jaar ben kan ik mij niet voorstellen dat mijn neven en nichten gewoon naar school gaan en de dagelijkse dingen doen die wij doen.   (In de definitieve tekst zal hier opvolgend een verhaal komen over de familie van mijn moeder)   Het fotoalbum Mijn broer Olav verzamelt foto’s en documenten over de familie. Ik ben op bezoek om zijn jongste kleindochtertje Mona te bewonderen, een schattig meisje van nauwelijks 3 kg. ‘Neem het fotoalbum gerust mee’, zegt hij, wijzend op het dikke, in rood leer gebonden boek dat op de tafel ligt. ‘We komen het deze zomer wel ophalen’, zegt zijn vrouw, Ingrid, ‘ Dan geraken we eens in Leuven.’   Het rood lederen fotoalbum is in twee delen opgesplitst. Het eerste deel is gewijd aan de familie van mijn vader, het tweede deel aan die van mijn moeder. Daar start ik mee. Ik bekijk zorgvuldig de foto’s van mijn jonge moeder. Ik ben op zoek naar oude sporen van het extreme gedrag dat haar later zo kenmerkt.   De zwartwit foto, tweeëntwintig op zestien cm, is genomen in de tuin van haar ouderlijk huis in de Albert Liénartstraat in Aalst. Het huis dat niet lang daarna zal gebombardeerd worden. De tuin is een typische ommuurde stadstuin met gesnoeide boompjes die langs de muren opgroeien. Vooraan, op een tapijt in het gras, zitten vier jongere broers en zussen van mijn moeder. Centraal op de foto staat een tuinbank. Aan de rechterkant zit mijn grootmoeder met haar jongste kind op schoot. Ik zie een mooie, fijngebouwde jonge vrouw. Het is haar niet aan te zien dat ze al tien kinderen gebaard heeft. Ze staan allemaal op deze foto. Naast haar zit haar oudste dochter, glimlachend naar haar jongste zusje op haar moeders schoot. Op de uiterste linkerkant van de tuinbank zit mijn moeder. Ik schat haar twaalf jaar. Ze laat een grote ruimte op de bank tussen haar en haar oudste zus, alsof ze zich wat distantieert. Dit effect wordt nog versterkt door de licht gebogen schouders. Ze heeft een donker kleedje aan met geruite kraag en manchetten. Haar handen rusten in haar schoot. Het hoofd met het donkere kroeshaar, uit haar gezicht gehouden met twee speldjes, is licht gebogen. Vanuit deze schuwe positie kijkt ze voorzichtig glimlachend in de lens. Achter de tuinbank staat mijn grootvader met zijn gezicht in de richting van de twee rechtstaande oudste zonen. Hij kijkt naar zijn jongste zoontje dat op de leuning van de tuinbank staat, gesteund door de oudste broer.  Daardoor staat mijn grootvader in profiel. Op deze en ook op andere foto’s lijkt hij sprekend op Freud.     Mijn kleindochtertje is anderhalf. Ze zit in de kinderstoel en houdt haar handjes voor haar ogen. Ze ziet niemand meer en ze denkt dat niemand haar ziet. ‘Waar is Finneke nu toch’ vraagt mijn dochter Marieke gespeeld bezorgd. Dan haalt ze haar handjes voor haar oogjes weg en kraait van plezier. Daar is ze terug! Ze had haar oogjes toe en was er van overtuigd dat niemand haar zag. Finneke is twee en ze begint te beseffen dat alleen haar oogjes sluiten niet voldoende is om niet gezien te worden.   Mijn moeder was een expert  in haar ogen sluiten. ‘Wat niet weet, niet deert’. Ze vertaalde het naar ‘ik ben niet nieuwsgierig’. De meest elementaire vraag: ’Hoe gaat het?’ heb ik haar nooit weten stellen. Als ik op bezoek kom en ik op mijn beurt wèl vraag hoe het met haar gaat, is haar antwoord er gewoonlijk een in de pluralis majestatis en een variant op: ‘We mogen niet klagen. We laten het hoofd niet hangen. We houden er de moed in.’   Mijn moeder is in de voorbije dertig jaar welgeteld twee keer bij mij thuis geweest. Ze bracht haar kruiswoordpuzzels mee en zat wat ongemakkelijk in de zetel te wachten tot ze terug naar huis kon. Ik nam haar mee naar de winkelstraat waar ze in hoog tempo door beende. Af en toe bleef ik staan voor een winkel waar ik inschatte dat de uitgestalde waar haar zou kunnen interesseren. ‘Ik heb niks nodig’, zei ze en ze stapte verder. Ik gaf het op om haar uit te nodigen en te gaan ophalen. Het was voor ons beiden een beproeving. Ze belde me ook enkel als ze een praktische mededeling had. Praktische mededelingen, die ons beiden aangingen, waren schaars.   Op een dag krijg ik telefoon van mijn moeder. Het is een paar maanden geleden dat we elkaar nog hoorden. Het gaat niet goed met mij en dan is mijn moeder het slechts denkbare gezelschap. Mijn moeder valt meteen met de deur in huis. ‘Ik  heb een nieuw telefoonnummer’ zegt ze ‘schrijf je het even op’. ‘Ik werd de afgelopen maanden regelmatig opgebeld en dan hoorde ik niks aan de andere kant. Ik was er toch niet gerust in’ vervolgt ze, ‘Katrien heeft er voor gezorgd dat ik een nieuw nummer gekregen heb.’ Het blijft even stil. Door de krop in mijn keel kan ik enkel wat onsamenhangende woorden uitbrengen. Ze haakt in. Ik merk in de week daarna dat ze 500 BF (nu zo’n 20€) op mijn rekening gestort heeft. Daarmee is de kwestie afgesloten. Er wordt nooit meer op terug gekomen. Wat niet weet, niet deert.   Ik vraag me af hoe ze omging met de aandoening van mijn vader, maar dat is een absolute no go area. Ik begrijp mijn vader wel steeds beter maar dat kan ik niet met mijn moeder delen.   In een interview met Adriaan Van Dis * vertelt Stephen Fry over een documentaire die hij maakte over bipolaire stoornis, een aandoening waarop hij zelf al op zijn veertiende gediagnostiseerd werd. Hij vertelt:   ‘Ik sprak met een voormalige kapitein-luitenant ter zee. Hij deed een zelfmoordpoging door onder een grote vrachtwagen te lopen. Die verbrijzelden zijn benen. Hij heeft me de littekens laten zien. Het was gruwelijk. Tweeën een half jaar lang werden zijn benen voortdurend terug gebroken door de orthopedist om ze dan met pinnen terug vast te zetten. Deze kapitein-luitenant ter zee keek in de camera en zei: ik wil dat je lezers en kijkers goed beseffen dat de pijn in mijn benen die ik na mijn zelfmoordpoging drie jaar lang doorstond, niets was in vergelijking met de pijn die me ertoe gedreven had een eind aan mijn leven te maken’    * voetnoot:  DWDD NPO1 8 maart 2018 'Hier is Adriaan Van Dis'   ‘We leven in een maatschappij met meer taboes dan een tijd geleden, de jaren van de vrijheid zijn voorbij’, zegt Rik Torfs  in een interview in Humo.* *Voetnoot: Humo nr.4035/01 van 2/1/2018 Hij heeft mijn moeder niet gekend. Wij,  Beatrijs, de koningin der taboes. Op die vooravond, aan de rand van haar bed, deed de pijnstillende morfine zijn werk. De prefrontale kwab liet steken vallen. Ze antwoordde me verrassend gewillig op vragen die vroeger onbeantwoord bleven.   Het is onbegonnen werk om op te sommen waar niet over gepraat kon worden. Uiteindelijk bleef over: het weer, haar familie, de gezondheidsklachten - enkel de hare en zolang ze niet te intiem waren -  het ophemelen van haar huishoudhulp en afkeurende commentaar op het gedrag van anderen en in het bijzonder op het gedrag van mijn oudste zus.   Mijn oudste zus Behalve mijn broers Olav en Maarten hebben we allemaal plechtige namen. Mijn oudste zus heet Katharina. Ze wordt Kaatje genoemd, een naam die ze op haar zestien belachelijk vindt. Ze wil voortaan aangesproken worden met Katy, naar de hit van het moment van Marc Aryan. Na een tijdje vindt ze ook Katy te kinderachtig. Ze kiest uiteindelijk voor Katrien. Het duurt een tijd voor iedereen er aan gewend is. Maar als we haar met haar oude naam aanspreken antwoordt ze niet. Mijn oudste zus krijgt voor haar zestiende verjaardag een dichtbundel met de titel ‘Mijn moeder was een heilige vrouw’, naar een gedicht van René de Clercq.   MIJN MOEDER Mijn moeder was een heilige vrouw - o daar ligt blijdschap in dien rouw - mijn moeder was heilig, en rein, en zoet als de melk van haar borst... O mijn moeder was  goed! En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar  wang, haar oogen al ziel en haar woorden al zang! Gij hoordet, gij zaagt haar, en vroegt, mijn vriend: ach, jongen, waar hebt gij zo'n moeder verdiend? En toch, gij wist nog niet half wat ze deed uit verborgen zorgen; hoe hard zij streed in de nederigheid van haar weduwsmart, met een roos op 't gelaat en een doorn in het hart! Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond, tot het laatste bloed uit haar warme wond.... Mijn moeder!... Zoete gedachtenis, beheers wat er goeds in mijn leven is!   Ze is verontwaardigd over zo’n ouderwets en stom cadeau. Ze droomt van heel andere dingen maar ze moet naar het Marialegioen en valt daar theatraal flauw. Tegen ons, haar jongere broers en zussen wijdt ze omstandig uit over de pijn van het langdurig bidden op de knieën en over de misselijkmakende geur van wierook. Ze hoopt dat dit haar vrijstelling geeft voor toekomstige bijeenkomsten van het Marialegioen. Mijn zus heeft weinig op met de devotie van mijn moeder. Ze verzet zich tegen diens pogingen om haar te behoeden voor de verlokkingen van het leven. Mijn zus wil leven en lachen, en voordragen. ‘ Langzaam gaat de trage man door de straten waar de matte stralen van de maan vallen.’ Ze leert ons, haar jongere broers en zussen, hoe het moet. De korte a moeten we uitspreken als o. ‘Longzaam gaat de trage mon longs de straten …’. Wij oefenen graag mee. Mijn moeder vindt het maar niks dat voordragen en ook niet het babbelgrage van mijn zus, die iedereen in het dorp kent en hen aanspreekt in de Waaslandse tongval. Misprijzend noemt mijn moeder haar ‘de gazet van het dorp’. Het verschil tussen moeder en dochter kan niet groter zijn. Mijn zus belichaamt alles wat mijn moeder niet kan, durft en wil zijn. Ze gaat daarmee in tegen mijn moeders devies: ‘Hou je onopvallend op de achtergrond’ De plaats op de voorgrond is enkel voorbehouden aan de mensen van haar familie. Onze plek is, samen met haar, op de achtergrond, in de milde schaduw van haar ouders en andere, in haar ogen gezaghebbende familieleden.   Het gebeurt niet vaak dat er volk over de vloer komt in ons huis in Melsele. Pascal is bij iedereen een graag geziene gast.  Hij brengt kleur in ons vlakke bestaan. Hij is fotograaf. Hij legt ons leven vast in zwart en wit. Hij komt voor mijn oudste zus. Mijn moeder is er blij mee, ze ziet in hem de gedroomde partij voor haar oudste dochter. Ze hoopt dat hij de geest wel terug in de fles krijgt. Pascal heeft flaporen. Het was ons niet opgevallen, maar mijn zus wel. Ze gruwt ervan. Ze behandelt hem heel koel. Ze heeft een vrijer in het dorp.    ‘Naar het volgende kerstfeest zal ik niet alleen komen’ vertrouwt mijn oudste zus me, veel jaren later, wat geheimzinnig toe. Ze doet haar uiterste best om de woorden van mijn moeder niet waar te maken. ‘Die geraakt nooit van de straat’, zegt mijn moeder terugkerend als mijn zus opnieuw komt aanzetten met een man die niet kan rekenen op haar goedkeuring. Het kerstfeest gaat door in de Gasthuisstraat waar mijn moeder naar verhuisd is na de dood van tante Madeleine. De bank kocht het huis in de Vredestraat en brak het af tot de laatste steen. ‘Dit is Jean-Pierre’ stelt mijn zus trots haar vriend aan me voor. Ik zie het al bij de eerste oogopslag maar ik wil de triomfantelijke overmoed van mijn zus niet kelderen dat ze kan ontsnappen aan de herhalingsdwang en aan de bepaaldheid van mijn moeders woorden.   Een paar maanden later ben ik op bezoek bij mijn moeder. ‘Katrien is terug alleen?’ vraag ik aan mijn moeder. ‘Ja, eindelijk. Ik begrijp niet, dat ze daar zo lang bij gebleven is’, zegt mijn moeder op die welbekende afkeurende toon, ‘Als een man je zo behandelt’. ‘Ik begrijp dat wel’ zeg ik. Mijn moeder schuift onrustig op haar stoel. Ik houd mij niet aan de regels van het spel en ondertussen weet ze dat ze me dit niet meer kan verbieden. Ik ben een spelbreker. Dit gesprek had als volgt moeten verlopen; Mijn moeder: ‘Dat begrijp ik niet, enz.’ Ik: ‘Ja, t‘ is niet te verstaan’. Mijn moeder: ‘Dan moet ze achteraf ook niet komen klagen.’ Ik probeer mijn moeder duidelijk te maken dat menselijk gedrag soms door andere drijfveren dan de rede gestuurd wordt. We bevinden ons op drijfzand. ‘Het gebeurt me ook altijd opnieuw dat ik verliefd word op een man die me niks te bieden heeft en waar ik terug afscheid moet van nemen, net als van mijn vader’, waag ik eraan toe te voegen. Mijn moeder is een afwerende, gestolde, zwijgende massa geworden.  De lucht tussen ons verdicht zich en slorpen de woorden op die in het bijzijn van mijn moeder volkomen misplaatst zijn. ‘Verliefdheid’ is zo’n woord en, ‘mijn vader’. Vermits ze al lang geleden gestopt is met iets te drinken aan te bieden als er iemand op bezoek komt, kan ze dit niet als vluchtweg aangrijpen. De winkelbel gaat. Mijn moeder woont in de Gasthuisstraat in een voormalig winkelpand. De winkelruimte vooraan gebruikt ze niet en heeft ze wat opgesmukt met zelf gebreide dieren en prullaria. Deze verder lege ruimte zonder bestemming vormt een buffer tussen de buitenwereld en haar leefruimte. Het is de gracht voor de burcht. De ophaalbrug kan desgewenst opgehaald, maar bij voorkeur neergelaten worden. Mijn broer komt binnen, de verlosser van het moment. Mijn moeder kan terug opgelucht ademhalen. ‘En, alles goed hier?, vraagt hij, terwijl hij ons onderzoekend aankijkt. ‘We mogen niet klagen’, antwoordt mijn moeder, nog voor ik iets heb kunnen zeggen.   Het zesde leerjaar Ik zie ze nog allemaal voor me, de juffen van de lagere school. In het vijfde leerjaar is onze juf een non. Zuster Remigia heeft een lief, blozend gezicht.  Halverwege het jaar verlaat ze ons. De directrice van de lagere school, die we Moeder Overste noemen, komt in onze klas. Dat is zeer uitzonderlijk. Ze vertelt  ons dat zuster Remigia ziek is en herstelt in een ander klooster. De aanwezigheid van Moeder Overste is zo imponerend dat niemand een vraag durft te stellen, bijvoorbeeld welke ziekte ze heeft en of ze dit jaar nog terug naar onze klas komt. Zuster Remigia komt niet meer terug naar onze klas.  Ze schrijft een brief waarin ze voor ieder van ons een attent woordje heeft. Een paar maanden later weet een meisje uit de hogere klas te vertellen dat zuster Remigia uit het klooster getreden is.   Juffrouw Thérèse is de onderwijzeres van het zesde leerjaar. De vrouwen van haar generatie moesten stoppen met lesgeven als ze trouwden. De oudere onderwijzeressen in onze school zijn ofwel nonnen ofwel ongehuwde dames. Jonge dochters worden ze genoemd. Juffrouw Thérèse is een jonge dochter op leeftijd. Als ze voor de klas staat zijn haar wenkbrauwen altijd gefronst. Haar rechter boventand staat ingedrukt op haar onderste lip. Het geeft haar iets verbetens. De hoofdtonen van juffrouw Thérèse zijn grijs en bruin, ook al zijn de aanbevolen kleuren van de school blauw en wit, de kleuren van de maagd Maria, die ons tot voorbeeld moet strekken. Onze schorten zijn blauw en wit geruit,  onze plooirokken zijn donkerblauw, net als onze blazers, jassen en truien. De bloezen en kousen mogen wit zijn. Er zijn twee zesde klassen. Juffrouw Rosa leidt de andere klas. Ze is van dezelfde leeftijd als juffrouw Thérèse. Haar hoofdkleur is oudroze. Als we in de rij staan te wachten om naar onze klas te gaan, spreken ze Frans met elkaar. In hun jonge jaren was het onderwijs Franstalig. In het boerendorp waar we wonen is dit de enige mogelijkheid om deze vaardigheid te oefenen. Dat wij hen dan niet begrijpen, is mooi meegenomen.   Juffrouw Thérèse heeft zich tot missie gesteld om de jeugd te behoeden voor ijdelheid en zelfoverschatting.  Ze gebruikt graag het woord ‘hovaardigheid’. Daar zal ze ons van verlossen. Daarvoor neemt ze elke gelegenheid te baat om ons eraan te herinneren dat we niks voorstellen, niks kunnen en niks weten, ‘ook al zitten jullie nu al in het zesde leerjaar’, voegt ze er aan toe. Het komt niet in ons op om haar er op te wijzen dat haar onderwijs dan wel jammerlijk gefaald heeft.   Er is een uitstap gepland: met de bus naar het zwembad in Sint-Niklaas. Ik kan niet zwemmen en ik heb ook geen badpak dus ik blijf samen met nog een paar meisjes, die elk hun eigen reden hebben om niet mee te gaan naar het zwembad, achter bij juffrouw Thérèse in de klas. We krijgen rekenoefeningen. Ik had gehoopt op iets vrolijker, iets wat meer in de lijn van het zwemuitstapje. Ik stel me voor hoe mijn klasgenootjes zich vermaken, eerst in de bus – naast wie zou Linda zitten? -  daarna spelend in het water en daarna met een flesje chocolademelk in de hand. Het rekenblad blijft onaangeroerd. Juffrouw Thérèse kloft door de klas. Haar schoenen lijken een maat te groot. Bij elke stap dreigen ze uit te vallen. Ze ziet mijn leeg rekenblad.  Zelfs zonder naar haar te kijken weet ik hoe ze kijkt. De gefronste wenkbrauwen, de tand die wat dieper boort in de onderlip. Ik ben geen held. Ik ben opgevoed  tot strikte gehoorzaamheid, een grote deugd volgens mijn moeder en volgens juffrouw Thérèse.  Mijn oudste zus wordt thuis dagelijks opgevoerd als voorbeeld hoe het niet moet. In onze klas is het Rita Verstappen die deze niet benijdenswaardige rol speelt. Soms moet ze helemaal alleen achteraan in de klas gaan zitten, soms vooraan op haar knieën op de trede met een boek op haar hoofd. Om te leren stil zitten. Dat leidt tot hilarisch taferelen waarbij sommige meisjes hun lach niet kunnen inhouden en juffrouw Thérèse steeds bozer wordt. Juffrouw Thérèse staat naast mijn bank. Juffrouw Godelieve van het vierde leerjaar rook naar eau de cologne. Juffrouw Thérèse ruikt muf en vreugdeloos. Er is een kortsluiting in mijn hoofd. De cijfers dansen en springen op en neer, ze zwemmen! ‘Komt er nog wat van’, klinkt het naast me. Ik kan niet geloven dat ik mezelf hoor zeggen: ‘Nee’.  Als door een wesp gestoken springt Juffrouw Thérèse op. ‘Alsof je deze extra oefeningen niet nodig hebt.  Deze hovaardij zal ik je wel eens afleren!’, roept ze door de klas. Het komt vanuit mijn middenrif in schokkende bewegingen. Ik kan het niet tegenhouden. Ik slik en slik, ik trek mijn spieren samen, ik buig naar voor, ik probeer mijn adem in te houden. Het helpt niet, mijn hele lichaam schokt. ‘Ga naast je bank staan en je mag pas terug gaan zitten als je gestopt bent met deze belachelijke vertoning’, zegt ze. Ze kijkt me koud en kwaad aan. Ik sta lang naast de schoolbank. De andere meisjes zijn doodstil en buigen het hoofd boven de rekensommen. Juffrouw Thérèse is oppermachtig, ze wint de strijd. Ik krijg, na een bovenmenselijke inspanning, het uitstulpende verdriet ingeslikt en afgegrendeld. Het wordt een levenswerk om dat middenrif terug ontgrendeld te krijgen.

Haddie
4 0

De koning van de plantrekkers

Nadat het oude systeem van de partijdemocratie op bloederige wijze op zijn grenzen was gestoten, besloot de Europese Unie in 2020 om de soevereiniteit van haar deelstaten op te heffen en de verkiezingen af te schaffen. Emoties hadden het democratisch proces verziekt en moesten uit de politieke besluitvorming worden gebannen. Er werd een technocratisch regime geïnstalleerd. De Europese maatschappij zou voortaan door specialisten uit alle takken van de wetenschap worden geleid. Efficiëntie en langetermijndenken stonden voorop. De snelheid waarmee radicale beslissingen werden doorgedrukt riep aanvankelijk veel verzet op. Maar schreeuwerige amokmakers werden gauw gevangengezet en toen de positieve effecten van het beleid duidelijk werden, volgde de aanvaarding. Enthousiasme zelfs. Eén van de meest ingrijpende veranderingen was de ruimtelijke ordening. Vlaanderen werd een eerste testcase. Het was een regio die helemaal verkeerd was gebouwd en die drastisch hertekend moest worden. Het was de bedoeling om de bevolking te concentreren in een agglomeratie tussen de oude steden Brussel en Antwerpen. Dit werd in latere decennia een deel van wat we nu kennen als CEA (Centraal-Europese Agglomeratie). Het gebied ten westen van de Schelde werd ontvolkt. Er werden een aantal grote landbouwbedrijven gevestigd en enorme bossen aangeplant. Natuurlijk wilde de bevolking zich hier niet zomaar naar schikken. Maar terwijl de agglomeratie door toedoen van de economische veranderingen begon te floreren werd de energietoevoer naar het gebied stopgezet en het internet afgesloten. Er werden grote appartementsblokken neergepoot aan de rand van de agglomeratie. De comfortabele flats werden gratis aangeboden aan de inwoners die het gebied wilden verlaten. Dorpen en steden werden met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor wouden. Historische gebouwen in steden als Ieper, Kortrijk en Brugge werden afgebroken, vervoerd en steen voor steen weer opgebouwd in een museumpark zo'n honderd kilometer verder. Na een vijftal jaar was het ontvolkingsproject quasi voltooid. Er bleven nog wel een aantal kleine gemeenschappen achter, maar die werden met rust gelaten. Ze waren met zo weinig dat ze niet in de weg zaten en waarschijnlijk zouden ze uiteindelijk wel bijdraaien. De 'plantrekkers', zoals ze werden genoemd, weigerden mee te stappen in het nieuwe verhaal, pasten zich aan het leven in de bossen aan en legden de weg van de geschiedenis in omgekeerde richting af. Gedurende de daaropvolgende decennia ging hun aantal verder achteruit en raakten ze volledig geïsoleerd. Niemand wist nog met hoeveel ze waren of hoe ze leefden. Wel deden allerlei geruchten de ronde over geweld, incest en vreemde rituelen. De plantrekkers werden beschouwd als wildemannen, waar je best niet mee in aanraking kwam.   Maar ik zou ze wel gaan ontmoeten. De Raad voor Infrastructuurwerken had beslist dat een stuk van de Leie verbreed moest worden om grotere vrachtschepen door te kunnen laten. Een kleine groep plantrekkers die in een schamel dorp langs de rivier woonde stond dit in de weg. De landmeters en ingenieurs konden niet met hen communiceren. De wilden spraken nog het West-Vlaamse dialect dat honderd jaar geleden uitgestorven was. Als specialist Oude Dialecten, werd ik opgeroepen om als tolk dienst te doen.   Ik was tegelijk opgewonden en bevreesd over deze missie. Ik had het West-Vlaamse dialect bestudeerd als een dode taal. Ik las teksten, beluisterde audio-fragmenten en bekeek videobeelden. Ik kende de grammatica en de woordenschat van elke lokale variant. Maar de taal spreken deed ik enkel als een ludiek spel tijdens feestjes met mijn collega's van de faculteit. Maar meer nog dan voor mijn eigen mogelijk falen, was ik bang voor de plantrekkers zelf, de halve wilden die ik zou gaan ontmoeten. Ik kon me geen voorstelling maken van wat me te wachten stond. Ik besloot mijn audio-recorder mee te nemen. Als ik opnames kon maken van het West-Vlaams dat heden ten dage gesproken werd zou dat van onschatbare wetenschappelijke waarde kunnen zijn.   Het verwonderde me dat we deze opdracht met zijn tweeën zouden gaan doen. Ik had een groot team verwacht, met enkele soldaten om ons te beschermen in geval van problemen. Maar in het kleine voertuig met rupsbanden dat ons ter plaatse zou brengen was enkel plaats voor de ingenieur en mij. De ingenieur, een mager mannetje in grijs uniform, probeerde me gerust te stellen. 'Ik begrijp dat het de eerste keer is dat je plantrekkers zal ontmoeten. Je hoeft niet bang te zijn. Ze zijn een beetje vreemd, maar ongevaarlijk. Ik heb dit ding mee voor als het toch zou mislopen.' Hij schoof zijn jasje een beetje opzij en toonde het stroomstootwapen in de holster die hij op zijn borst droeg. Hij voerde de coördinaten in en het voertuig vertrok.   Na een rit van anderhalf uur door het woud bereikten we onze bestemming. Het voertuig stopte bij een klein kerkhof aan de rand van de rivier. We stapten uit. Het was drukkend warm. Voor één van de houten kruisen zat een sjofel geklede, oude vrouw in zichzelf te praten. We waren haar al tot op een tiental meter genaderd toen ze ons opmerkte. Haar gezicht was bruin en gerimpeld. Van onder haar blauwe muts bleef ze ons een paar tellen verschrikt aanstaren. Toen greep ze haar krukken en sleepte ze haar kwabbige lichaam in de richting van de houten hutjes even verderop, terwijl ze dierlijke kreten uitstootte. Met rustige tred volgden we haar. Vanop een afstand zagen we hoe ze zich bij een groepje even armoedig uitgedoste figuren voegde die onder een groot zeil tussen de bomen de schaduw hadden opgezocht. Zwaaiend met haar krukken deed ze verslag over wat ze net had gezien. Een drietal stond op en kwam onze richting uit. De ingenieur tastte onder zijn jasje. Zijn gezicht verbleekte. 'Shit. Ik ben dat wapen ergens kwijtgespeeld. Als dit maar goed afloopt.'   De drie kerels kwamen vlak voor ons staan. Wijdbeens en dreigend kijkend. De middelste, een wanstaltige vent met een hazenlip, nam het woord. Ik duwde de record-knop van mijn audio-recorder in. 'Wuk kom junder ier doen?' Nu was het aan mij. Wie had ooit kunnen denken dat ik mijn studie nog zou moeten aanwenden om mijn lijf te redden. 'We wiln gèrn eki klapn. Tis belangrik. Wien ister ier de boas?' Ze grinnikten om mijn accent, maar hadden me blijkbaar wel begrepen. 'Kom moa mee. De keuning goa blidde zin dattie ki vrimd volk over de vloer krigt.' Ze namen ons bij de kraag en duwden ons in de richting van het zeil waaronder de rest van het volkje verzameld stond.   Onder de luifel stond een kar. Daarop zaten een man met een hoge zwarte hoed en een dikke vrouw met kleurige linten om het hoofd. Aan hun voeten zat een mismaakt kind ons schichtig aan te kijken. Was dit het koningskoppel? 'Deze menjèren wiln eki me joen klapn.', snuifde de hazenlip. Ik deed mijn uiterste best om de situatie uit de doeken te doen. Dat ze ongestoord konden verder leven zoals ze nu deden als ze bereid waren zich een kilometer verderop te vestigen. En dat ze er ook voor konden kiezen om naar de agglomeratie te verhuizen. Ze zouden gratis flats krijgen en er was een integratieprogramma voor mensen zoals zij. Maar mijn woorden leken niet in goede aarde te vallen. De buishoed wenkte de hazenlip en fluisterde hem iets in het oor.   Voor we het goed en wel beseften werden we omsingeld door een bende grommende mannen met roestige rieken. Even verstijfde ik, maar toen kreeg ik het meest briljante idee van mijn leven. Ik drukte op de afspeelknop van mijn audio-recorder. Mijn lievelingsnummer schalde door de bossen: Blanche en zijn peird. Het was een voltreffer. Blijkbaar was dit lied voor deze mensen nog steeds een evergreen. Ze begonnen te lachen en te dansen. Het ijs was gebroken. Het werd een fantastisch feest. De plantrekkers konden niet genoeg krijgen van mijn verzameling West-Vlaamse klassiekers.   7-12/11/'16  

tijl
0 0