Lezen

Toelichting bij het recept 'Graaikraai met mispoessoep'

  Mooi mis, Maaike! Toch als U dacht dat geschonken zilver echt in de Kringwinkel terecht ging komen. Mooi mis, beste Kringwinkeldonateur! Als U met de beste bedoelingen iets waardevols aan een Kringwinkel schonk, dan is de kans groot dat Uw gouden hart nu op een schouw staat, van een employé, ja, in het huis van een Kringwinkelmedewerker. Waarom? Omdat er ongeschreven regels bestaan! Die mij uitgelegd werden en ik verzin niets. Er zijn spiegels die onthouden, geen spiegels om boos op te zijn. Misschien in een spiegelpaleis en dan nog. Je liep er zelf tegen en je neus bloedt niet eens. Het is 28 april 2017 en Pluk is mijn vriend. Het takelwagentje is zwart, niet van Pluk. Het is van mij en heeft geen zichtbare takel. Pluk weet dat, dat vrienden bestaan, dat als twee straathonden met drie poten tegen elkaar aanleunen en zo verder lopen, ze niet eens meer hinken. Dat is echt zo, net zoals mijn verhaal niet verzonnen is, maar vandaag zijn wij geen loslopende straathonden, ook geen huisdieren. Nochtans, ooit voelden wij ons echt thuis in die Kringwinkel, dat is waar, maar zoals dat gaat met mooie liedjes, het is jammer, ze duren niet lang. We zijn er weg, weggelopen, omdat zuurstof zuur werd, welzijn stof en vandaag rijden we rond, in mijn zwarte wagentje, door de ochtendstraten, oranje is de morgenzon, de zakken met textiel die zijn het ook, maar valer, als herinneringen aan een warme tijd.   Diefstal is diefstal, als gij iets meeneemt dat 50 EUR kost en gij betaalt slechts 10 EUR, dan steelt gij. Dan steelt gij 40 EUR. Zo is dat en als gij oranje zakken die op straat staan, die met liefde gevuld zijn met kinderkleertjes voor een goed doel, als gij die zakken zomaar mee zoudt nemen, dan zoudt gij nog slechter zijn. Dan steelt gij niet een deel. Dan steelt gij alles. Ik weet het, dit zou geen frisse, geen goed uitgekiende leuze zijn, om eerlijkheid in de wereld te promoten. Kringwinkels doen het beter, zij kiezen bekende koppen, fraaie woorden en het is 26 april 2017. Niet dat de tijd achteruit gaat. Op 26 april las ik een krant en vandaag op 28 april rij ik rond met Pluk, in mijn zwarte busje. Vandaag zijn wij niet bang, wij zijn zelfs zot en in een doodlopende straat rijden wij haar klem. 'Mevrouw, waarom steekt gij al die oranje zakken in Uw koffer?' ‘Euhhh…. ‘t is ook voor een goed doel, voor mijn dochter, zij heeft een kindje en de vader is van Afrika.’ 'En daarom steekt gij die zakken in Uw koffer?' Pluk kruipt in het handschoenenkastje, ook al is hij een beer van een vent. Ik kan zijn gedachten lezen, toch voor een deel, omdat hij echt mijn vriend is, omdat wij weten dat wij poten genoeg hebben, al waren het er nog minder dan drie, wij verzinnen ze wel, tot we paarden zijn, paarden met vleugels. Wij weten waar ze zijn, waar ze grazen in het meest naïeve gras. Man, man. Ja, wij zijn met twee, misschien wel politie in burger. Pluk doet teken. Dat ik zot ben! ‘Mevrouw! U hangt! Wilt U ons volgen naar de winkel, die van ons!’ En die mevrouw, ze hoeft het niet te weten, dat dat eigenlijk verleden tijd is, dat het geleden is, dat het geleden is van januari, dat we er kwamen, dat het eigenlijk een rotwinkeltje is, dat we er onderuit gehaald werden. Een paar kwezels die daar werken, wisten ons te vloeren, dachten dat het nodig was. Waarom? Ja, waarom, mevrouw de dief. Waarom moogt gij geen oranje zakken ratsen? Omdat ze bestaan, geschreven regels. Dat gij niet zult stelen. Goed en mevrouwtje bibbert, de politie komt en wij weer weg.   Terug, terug, terug naar boven, tot gans boven, hoger dan de poes van Maaike, naar het zilver en de kandelaar, naar die ongeschreven regel, die enkel Kringwinkelmedewerkers kennen en ze kennen die regel allemaal. Dat gij, Kringwinkelmedewerker een voorkooprecht hebt. Dat voor u Kringwinkelmedewerker de prijs een lachertje zal zijn. Waarom? Omdat het een leuke bende is, daar in die Kringwinkel. Pluk, hij glimlacht, hij lacht groen en ook al heb ik niets luidop gezegd, hij weet het. Hij kent de wreedheid van die ‘leuke bende’. Wij autisten, wij zijn er weggelopen, omdat het te veel werd. Waarom? Omdat daar al te vaak weinig sprake is van een ‘zachte sector’, van ‘sociale tewerkstelling’. Pluk en ik, wij zijn getuigen. Wij kunnen voelen. Wij kunnen vertellen wat gij weten moet. Was het u dan nog niet opgevallen, dat u hem er nergens zag, in geen enkele Kringwinkel, die kandelaar, of iets dat echt waardevol is. Ik kan u enkel vertellen wat ik gezien heb, hoe het er aan toe ging, dat het management eerst koos, voor een fluitje van een cent het beste ‘kocht’ (lees : ‘het verschil tussen de werkelijke waarde en de zelf bepaalde weglachprijs niet betaalde’). Helaas, ja, ik heb ze gezien, de werknemers, met in hun koffers bananendozen. Enkel het etiket ontbrak met ‘krenten uit de pap’. En zelfs, ja, ik heb haar gezien, die garage van die ‘medewerker’. ‘Gekocht in onze winkel, voor de rommelmarkt, mijn tante doet ze allemaal’. 'Gekocht, jaja, gekocht', tjilpte een echomees. Het beestje zat op de goot van die garage en had allures van een papegaai. Ik denk dat ik op een slecht moment gekomen was, dat die garage meestal mooi dicht blijft.  Soms wil je gewoon weg, lopen. Iedereen kent dat gevoel. Zeker als je ziet, hoe de zwaksten gepest worden, hoe weet-je-datjes over gevoelige, private aangelegenheden er gebruikt worden voor gemene streken. Wanneer is die week tegen het pesten? Wanneer moet Unlucky Luke de toiletten er eens NIET kuisen?   Als U er rondloopt in zo’n winkel, dan leest u de idyllische affiches over die oze wieze woze o zo goede daden die men er verricht, voor de zwakkere. Wij, Pluk, Unlucky Luke en ik Dimitri Je-Weet-Wel, wij kennen intussen die bende, die brei en de brui. Wij willen ze niet meer tegenkomen, die graaikraaien, met hun fraaie affiches en hun dekentjes over stinkende putjes en als Unlucky Luke bij mij thuis langskomt -hij fietst graag door de frisse velden- dan zeggen wij weinig. Wij autisten, wij spreken met onze ogen en hoeven aan elkaar geen woorden te verkopen. Wij weten dat het zo beter is, weg van die wereld met zijn nare winkeltjes. En over hoe het op een dag helemaal verkeerd liep, hoe Unlucky Luke meegelokt werd door een klant met bedoelingen des monsters, daar spreken we al helemaal niet meer over. Het management was allicht elders, zat in elkanders haren, te vechten om de krenten of was het thema een gestolen kandelaar? Ik roer wat door de soep, ik weet het. ‘Bovenal is de zee koude soep’ en zwijg toch, herinneringen, er hoeven geen lettertjes in de soep, niet voor Pluk, niet voor Unlucky Luke. Alleen ik de zot, die de boekjes op een rijtje zette, ik kon het niet laten, om iets te vertellen. Klare bouillon? Unlucky Luke hij knikt. En voor Maaike. Voor haar. Maak ik straks. Speciaal. Een potje mispoessoep.   So long !                                                                Bachten De Kupe, 4 februari 2018       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
14 0

De moeder en de broeder

of de achterkant van de medaille…. Zijn hand voelt hij weer op zijn knie. Zij ging langzaam naar boven tot aan de rand van zijn korte broek. Was dat de beloning voor het vegen van het bord na schooltijd? Neen, de vingers zijn nooit verder gegaan dan die rand. Het voelde fijn en een kind wordt graag bewonderd. Het inzicht in de verderfelijkheid van het gebaar kwam pas vele jaren later. De school lag om de hoek. De geestelijke kwam regelmatig aan huis met zijn ouders praten. Waarover? Zocht hij buiten de eenzame klooster(m)uren wat huiselijke warmte in het grote gezin? Wou hij de band met het kind aanhalen? Het was trouwens niet de enige broeder die langs kwam. Ook anderen kwamen, soms laat en dan zat hij luistervinkend in pyjama op de hoogste trede van de trap. Zijn moeder was tuk op die bezoekjes. Mocht hij toen dit woord hebben gekend: hij zou deze situatie niet ‘koosjer’ hebben gevonden. Door zijn moeders dweepzucht werd hij op zijn achtste van klas veranderd. Door het grote aantal kinderen bestond elk studiejaar uit twee klassen. Die waarin zijn beste vriendje zat en die een meester als titularis had, werd op zijn moeders voorspraak ingeruild voor de andere, waar de broeder titularis was. Mede door het vele nablijven en bordvegen werd hij de eerste van de klas, hetgeen de perfecte keuze van zijn moeder bevestigde. De vragen die hij als kind al mocht hebben over het gedrag van de geestelijke(n) kwamen nooit aan bod en werden verdrongen. Vandaag las hij in de krant het overlijdensbericht van de broeder. Die werd heel oud. Moge hij……neen, over de doden geen kwaad woord.

Vic de Bourg
19 2

Gevallen engelen

De staat van de wereld op dit moment is niet om vrolijk van te worden. De kinderen weten niet meer hoe aardbeien groeien, of het een blad van een berk is of van een beuk, het brood krijgt geen tijd meer om te rijzen, er valt nog maar zelden sneeuw in de winter, de wereldleiders verzamelen tevergeefs in Kopenhagen en zoveel mensen zijn overwerkt of aan hun scherm gekluisterd. Er zijn er die blijven hopen en geloven, er zijn er die de wereld de rug toedraaien. Daar is die ene man die niet hoog oploopt met de maatschappij en de systemen, hij is altijd in het zwart, liefst zwerft hij door het woud, knabbelt daslook, plukt sint-janskruid om er olie van te maken of zit maar wat bij het vuur. Hij is mooi om naar te kijken, vooral wanneer hij glimlacht omdat hij een hommel op een klaproos ziet landen of een teunisbloem zich ontvouwt. Hij is het liefst alleen, maar af en toe ontmoet hij haar blik en die weerhoudt hem, net als de herinnering aan haar glimlach. Ze kennen elkaar al jaren, maar met grote tussenpozen. Telkens ze elkaar tegenkomen voelen ze een aarzeling. Ze bijten op hun lip, slikken hun woorden in. Nu is het moment gekomen, eindelijk. Zij heeft hem per brief uitgenodigd, hij zal er zijn die ochtend en ze zullen samen het bos in wandelen. Kijk. De ochtendzon schijnt door de bomen. Iedereen is naar school of naar het werk behalve die twee. Het eerste goud is al in de kruinen, het is eind september. Ze houden hun adem in om elkaars adem te kunnen horen, hun passen zijn traag, ingetogen en gracieus, zoals mensen die in een kerk rondlopen waar niemand is terwijl de zon naar binnen schijnt. Nu staat hij stil. Zijn ogen zijn wijdopen. Zij hoort het ook. Haar ogen speuren van boom naar boom. Zij ziet hem het eerst: op de stam van een alleenstaande boom hamert een kleine bonte specht. Een korte roffel. Stilte. Opnieuw getik. Hij tikt op haar schouder, hetzelfde aantal tikjes, hetzelfde ritme. Wat is dit mooi. De man is de echo van de specht, de vrouw de echo van de boom. Ze zeggen geen woord, ze glimlachen naar elkaar, alsof zij de engelen zijn. Het is het begin van de herfst, naast het bos is een park dat helt naar de vijver, aan de overkant zie je de ruïne van een kasteeltje, aan deze kant ligt een boomgaard met rode appels lui in de middagzon te rusten. Ze hebben hun jas uitgespreid en zijn tussen de bomen gaan liggen. ‘Mag ik', vraagt ze. ‘Ja natuurlijk’, zegt hij. Haar hoofd ligt nu op zijn schouder, hij streelt zacht haar arm. De tijd had stil moeten blijven staan, maar niemand wist dat te regelen. Zij mist een trein, hij legt haar sjaal op haar schouder wanneer ze op de volgende stapt. Het is zo teder allemaal. Tot gauw, heeft hij gezegd. Er is een landsgrens en minstens honderd kilometer tussen waar zij woont en waar hij woont. Ze schilderen de afstand vol met de mooiste landschappen.  Op de tijd hebben ze geen vat. Terwijl zij in haar agenda bladert vol werk en kinderen, dwaalt hij als een indiaan door de bossen en luistert naar wat de wind hem influistert. Het lukt maar niet om af te spreken. Eén keer vinden ze elkaar bij de warmte van haar kachel. Die nacht glimlacht hij aan een stuk door en betovert haar in een bosfee. Daarna verdwijnt hij weer in de verte. Ze schrijven nog wel. De laatste vruchten kleuren rood, de bladeren vallen en het wordt winter. Hij verschuilt zich nu in een hut heel ver weg ergens midden in een bevroren landschap. ‘Niet storen’ schrijft hij in sierlijke letters op de deur. Elke dag zet zij een mand met appelen en noten voor de deur, tekent zijn naam op het ijs, neemt zich in stilte voor eerst sneeuwballen naar hem te gooien zodra hij zich weer vertoont en hem daarna alles te vergeven. Maar hij vertoont zich niet meer. Ze had het kunnen weten. Zie haar nu toch eens. Ze leest zijn woorden wel 3 keer. ‘Laten we het begraven’, schrijft hij, ‘zoals de zaden in de aarde verborgen blijven en daar jaren kunnen wachten’. Ze hoort steeds luider hoe de deur voorgoed dichtvalt, grijpt de telefoon om hem te bellen. Hij neemt niet op. Natuurlijk niet. Ze probeert die avond wel vijf keer. Ze smeekt hem op zijn antwoordapparaat om een beetje uitleg. Zijn stilte is hemeltergend. Ze weent de hele nacht, werkt de hele dag en rijdt zonder op het verkeer te letten de volgende avond met haar fiets naar huis. De hemel beschermt haar, ze moet blijven leven, deze vrouw, ze heeft kinderen. Ze heeft gelukkig ook de muziek. Luister maar eens: ze is op haar fluit aan het te spelen en de tranen rollen over haar wangen. ‘Het is haar zieltje dat klinkt’, zeggen de mensen. Alsof ze weten dat het pijn doet tot in de hemel. Genoeg nu. Jij kalligraaf van paradijzen en verzinsels, jij stoere dichter, jij kluizenaar die denkt in dienst te staan van de universele liefde, laat dat maar aan ons over. Stop die hoogmoed, besmeur je ziel, doe je vleugels pijn, laat je hart branden. En schrijf geen sprookjes meer zonder erin te geloven.  

Adinda
4 1
Tip

In de duinen van Zeeland

Hij staat beneden aan de trap als hij haar de kraan van de douche hoort opendraaien. Hij doet beheerst zijn schoenen uit en neemt enkele treden. Het geluid van stromend water heeft altijd een bezwerend effect op hem gehad. Hij beeldt zich in hoe ze haar hoofd naar achter kantelt om de stress van de werkweek uit haar krullen te wassen. In zijn gedachten ziet hij een spoor van schuimende shampoo traag langs haar hals naar beneden glijden, tussen haar borsten, tot voorbij haar navel. Hij stelt zich voor hoe ze haar rug strekt terwijl de damp van het hete water haar in een gelukzalige trance brengt. Hij glimlacht bij de gedachte dat het voorspel niet eens begonnen is.   In de traphal ruikt het ondertussen naar roosjes. Hij herkent de geur van vroeger, toen ze samen op kot zaten. Hij kende de uren waarop ze ging douchen in de gemeenschappelijke badkamer eerder dan haar naam. Hij pikte haar zalmroze slipje terwijl ze zich waste voor hij haar voor het eerst gesproken had. Het sexy niemendalletje lag maanden onder zijn matras, slechts enkele meters van haar vandaan toen ze notities kwam lenen. Het zijn herinneringen die hij koestert.   Hij is bijna boven. De trap kraakt onder zijn winterkousen. De opwinding en de whisky doen zijn hoofd tollen. Hij heeft geduld moeten uitoefenen, maar de beloning wacht hem op aan de andere kant van de deur. Juist voor hij haar wil verrassen, kijkt hij naar een fotokader die scheef aan de muur hangt. Ze ziet er gelukkig uit met haar labrador in de duinen van Zeeland. Het is de hond die beneden vredig ligt te slapen. Het zal nog even duren voor het dier wakker wordt, daar heeft hij voor gezorgd. Hij hangt het kader recht met zijn bruinleren handschoenen aan en neemt dan voorzichtig de deurklink vast. Hij hoort haar zachtjes neuriën terwijl het water onverstoorbaar op haar lichaam klettert. In zijn broekzak zit het slipje dat ze al 16 jaar mist. Het slipje waarmee ze straks wakker zal worden.  

Antony Samson
72 1

Toelichting bij het recept 'Duif met zachtgekookte hersentjes'

Geachte Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst,   Op 1 december heb ik U een duif gestuurd, letters uit mijn linkerhand. Het was de witste, de dapperste, de snelste van mijn duiven, want de hemel leek enkele minuten minder grauw en minder wreed. Mijn amandelkernen en rechter hersenhelft, ze lagen een dutje te doen en de linkerhelft zag haar kans. Zij dacht, zij dacht in woorden en in theorie moest er een weg zijn : een terugkeer naar de mensenwereld, een herintegratie tussen wezens zonder stoornis, want de monsters leken van de lijstjes verdwenen. Weg was mijn duif, het weer keerde gauw en het ging zes weken duren, zo liet U mij weten, voor ik haar terug ging zien mijn duif. ‘Kom het beestje halen, op 15 januari. We kunnen erover praten, misschien hebben we wel een werkje voor je, daar in het Weetjeslandse kwadrant van de zachte sector.’   Hoop is een hoop illusies uit een ludiek lyceum en op het einde van de gang is het museum, voor hen die geleerd hebben, voor geleerden in de rust, voor hen die weten dat het zinloos is. Dat is mijn rechter hersenhelft. Als ze lang genoeg durft en wakker blijft, dan gaat ze beelden scheppen, tuinen aanleggen voor bloemen en vlinders, met stippellijnen, welkomroutes voor verloren gevlogen vogels. Bezorgd worden cadeautjes. In huizen met sparren, met bollen van kerst. Nog een week of drie, wachten en verzin intussen wat, zet een zwerm woorden, gedachten op een rij, ‘s nachts, als één werelddeel slaapt, één maanhelft doezelt, minder mijn hoofd want ik droom en dat moet. Bereid je voor, zo goed je kan. Het is een ochtendgloren dat spreekt, voor zich, zegt dat het niet goed weet wat dagen willen brengen. Op een plek waar vogels te veel veren verloren, durven enkel blinde egels nog te komen. Zo is dat en toch ben ik dom, fiets ik er zelfs voorbij en zwaai ik, naar de kraaien. Ooit is op deze hoek een ongeluk gebeurd, misschien wel meerdere en hij ligt daar, het konijn uit een oud verhaal, dat vergaat, dankzij de kraaien, die brokjes verwijderen, maar binnenkort, als de borstelmachine passeert, met aan het stuur een man van een propere stad, dan zijn de sporen weg. Nog een geluk en dan is deze passage weer vrij, kan ik er langs. 'Binnenkort' is de buitenkant van een lange strijd. Ik droom van mijn duif. Ik denk aan het kasteel van de toekomst. Nog één nacht slapen, ik weet het intussen wel, wat er allemaal gebeuren kan, en wat ik op elke pagina van het draaiboek antwoorden kan, als de wereld tot mij spreekt, als haar tentakels vragen lossen. Ik denk dat het goed komt. Ik zie mijn duif al, in een kooitje en na een martelpraatje kan ik weer naar huis, wetende dat ik weer welkom zal zijn, gewoon, als vlinders op bloemen, als vogels in bomen. Toch? En twijfel niet want in mijn linker vingers schuilt de logica.   Goed, goed, goed en nu is het enkel nog wachten, wachten, wachten op Godot, op t-shirts in een stof van het zachtste geweef, in een paars bordeaux en met dat logo van een kringelwinkel. Gewoon, gewoon voor mij, ik ben gewoon, niet helemaal en toch : L en 43, voor de shirtjes en de veiligheidsschoenen. Oef, oef, oef, ik heb mijn duif terug en weet wat mij te doen staat. Ik zal uit mijn hol kruipen. Veiligheidsschoenen aan de voeten, moed in de tenen. Binnenkort. Nu kan ik rusten en slapen en dromen en na een dag of tien, landt zij in de tuin, een andere duif, haast zwart, met een boodschap van de wereld, van dat winkeltje met zijn verleden, dat donkere tijden met mij spreken willen, zo schrijft ze mij, Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst. Wie dan, waarover, waarom? Omdat ze willen, Judas en Dolores roepen mij, dat er een matje op mij wacht, dat het matje geduld heeft, nog een dag of drie en bereid je voor, nog één keertje, Dimitri, meneertje met je geschikte en geschifte woordenrijtjes, brei alvast en tob, pieker best de ganse tijd, be prepared, je wordt verwacht, ze willen alles weten, was die duif een geschenk? Moet het echt, moeten alle graven worden omgewoeld, de bodem uitgekamd, heb je geen bommen in je zakken zitten? ‘Op donderdag 2 februari, om 13h15 wordt U verwacht!’, voor een privaat kruisverhoor met Judas en Dolores, over dat verleden en ik moet me echt goed voorbereiden, blijkbaar is een ‘zomaar welkom’ niet van deze wereld en ik weet het niet, of het eitje zal barsten. Ik heb er een gaatje in geprikt, maar de lucht wil er niet uit. Ik moet toch iets eten, niet? En zal het eitje willen zinken in het potje, zal het vuur zich kalm houden? Vier of vijf minuten. Voor lopend geel, peper voor mijn tong en zout voor de herinneringen.   Welkom, welkom, welkom. ‘Dag Daniël!’. Ik ben Dimitri, Dimitri Je-Weet-Wel, weet je nog? ‘Wij noemen je Daniël. Daniël!’ Waarom? Ik ben het, Dimitri en ze kijken serieus, als hernieuwbare monsters, als wezens uit oude, muffe lijstjes, kadertjes die niemand nog wil kopen liggen onderaan, op een vergeten schap. ‘Omdat we eerst alles van je willen weten, Daniël! Waarom je al die tijd bent weggeweest en wat je durfde, in die tussentijd.’ Wat ik durfde? ‘Ja, wat je durfde, Daniël, te denken. Zat je scheef te peinzen, miste je gewoon, gewone mensen om je heen?’ Ik wilde nooit iets, overleven is mijn wens, want ik wil dromen, slapen, in een tuin en hier, hier zette ik de boekjes netjes op een rij, van klein naar groot. Ik weet het, ‘t is onnozel, alsof gedachten stilletjes een schelf versieren kunnen. ‘Toch willen we zeker zijn, wij Judas en Dolores. Wij moeten alles weten. Ook hoe de zure oudheid in je bovenkamer leeft.’ Terwijl ik alles opgeborgen had! Zij moeten en zij willen wroeten, als mollen met een zieke gal het geel van zon en jonge kuikens nog een keer verknallen. Hier, ik heb alles voor jullie meegebracht, beste Judas en Dolores, mijn dossier, van de psychiater. Daarin staat alles, over mijn dromen, mijn syndromen, over mijn angsten en mijn laatste hoop. 'Dat zie ik graag.' Het is Dolores. Ze spreekt, als een echtewereldmens, omdat zij de regisseur wil zijn, van aards leven, van haar geestelijk theater, waarin ik een rol kom spelen. Zo denkt ze. Ik laat haar. Ik laat haar snuisteren in mijn dossier. Voor haar toneeltje, over de vermeende onschuld van de monsters in een winkeltje, wil je geen eierkokertje kopen, een medisch vademecum, voedsel voor je hersenen en duizend boeken met veel woorden, ooit door iemand geordend, in zo'n bovenkamertje? Neen. Dacht je het dan echt, Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst, dat ik op het matje van Judas en Dolores ging komen. Ik voel me niet geroepen en denk terug! Aan mijn vrienden! Aan Pluk! Die brave autootjes prijsde! Aan Unlucky Luke! Die jullie toiletten kuiste! Die onteerd werd toen jullie hem uit het oog verloren! Hun lot -dat van Pluk en Unlucky Luke, ze zijn haast vergaan daar in Uw winkeltje- is nu voorgoed ook dat van mij. Mij zie je niet meer! Nimmer! Nooit en thuis, daar wacht weer rust, lauw water, gebarsten is het eitje. Straks. Zonder knarsetanden zal ik eten, proberen, mijn eigen, zachtgekookte hersentjes.   Een laatste groet,     Dimitri Je-Weet-Wel Vrijwillig Halfgare                                                   Bachten De Kupe, 4 februari 2017     uit de reeks  'Duim voor Dimitri' 

Bernd Vanderbilt
16 0

Niets is gewoon...

Schrijfopdracht 3 – Esther van der Werf – Niets is gewoon. Openingsscène Noot bij de openingsscène: Ik denk dat ik geen ‘groot’ verhaal ga schrijven maar een aantal korte verhalen rondom het thema.     Niets is gewoon…   Een lijflange tunnel, te krap om te bewegen. Kloppende herrie, hakt diep in mijn wezen. Benauwd. Geel spul spuit uit mijn buik. Dagenlang. Ambulance. Ander ziekenhuis. Helpen ze hier? Zachte stemmen. Blauw hemd, vreemd licht, drie afscheidstelefoontjes. Wat valt er te zeggen? Pijn. Weinig adem, weinig tijd. Niets is nog belangrijk. Alleen laten weten: ‘Ik houd van je’. Ben ik er morgen nog? Wakker, slangetjes aan mijn buik, stekende pijn, wazige wereld. ‘Mevrouw u heeft nog een operatie nodig’. Wat? Ik ben net wakker van de vorige. Wegsoezen op de IC. ‘Wat kan ik voor u doen?’ ‘Mijn haren wassen’. Hoofd jeukt van een week niet. Magnetronwashandjes. Voel me smerig. Koel water, zachte handen. Eindelijk schoon. Wereld in pijn en mist. CT-scans, meer slangetjes. Weken lang. Schrijven wil niet. Soms beetje tv. Slaap, veel slaap. Morfine. Piepende geluiden van infuus en oproepsysteem. Zachte woorden. Wie? Nachten vol zweet, verschoningen midden in nacht, liefdevolle geruststelling. Pijn-pomp wordt omhoog bijgesteld. Engelen zweven langs mijn bed. Zweet, kletsnat bed.   Zweet. In angstzweet word ik wakker in het nu. Beelden rollen door de tijd zoals de tv van kanaal kan verwisselen. Flarden. Ik schud mijn hoofd, ze laten niet los. Eerst richting douche, onze eigen douche, waar ik geen hulp meer nodig heb om me te wassen. Dankbaar realiseer ik me het hier en nu. Het is niets Esther, het is alleen maar een MRI. Je denkt je wel in een andere wereld, weg van die benauwde buis. Het komt goed. Het is vast alleen maar weer zo’n kreng. Smerig pijnlijk secreet. Het gaat echt niet allemaal opnieuw gebeuren. Echt niet! De nacht brengt geen rust.   In de wachtkamer start ik met de eerste woorden voor mijn eerste boek. Een vreugdevolle energie vult me. Gedachten bij het boek. Een mevrouw huilt tegen de schouder van een veel jongere man. Haar zoon? Een verpleegster komt haar vertellen dat ze naar de eerste hulp moet. ‘Nee, ik ga naar huis’. Gedecideerd en luid herhaalt ze die woorden. Een kwartier later is zij toch zover. Zachte woorden van de verpleegkundige. Er is duidelijk te zien op de MRI waarom ze zoveel pijn heeft. Haar oncoloog heeft dadelijk contact met de eerste hulp. Ik heb mijn blik in mijn schrift. Natuurlijk hoor ik alles wat naast me gebeurt. Ik kan niets doen. Kon ik maar iets doen. Het is maar een galsteen. Gelukkig. Of toch vernauwing? Medicijnen of de operatie? Er is geen goed, er is alleen accepteren. Eerst MRI, bloedlab en uitslag, dan pas nadenken. Duidelijk is dat ik er beter vanaf kom dan die mevrouw. Aan mij de taak van ‘kwaad’ een nieuw ‘goed’ maken. Nu eerste woorden in mijn schriftje. Klein zwart. Dun zodat het makkelijk meekan in mijn tas. Niet denken aan de kleine ruimte in de buis. Die arme mevrouw. Ze was niet bedacht op de optie van hier blijven. De MRI komt wel goed. Van alles wat ik hier heb meegemaakt was dit de makkelijkste. Mmm nee, dat is niet waar. Maar er waren ergere. Dus niet aanstellen. Dit gaat echt nergens over. Het blauwe hemd en de felle lampen duw ik weg uit mijn gedachten. De volgende operatie is pas aan de orde als die aan de orde is. Niet vandaag. Ik blijf niet hier.   Juist hier in het UMC+ Maastricht, leerden ze mij, dat ik mijn bezorgdheden en vragen op tafel mag leggen. Wil ik misschien, om me af te leiden, een film op het scherm zien tijdens de scan? Oh kan dat? De vorige keer keek ik met langgerekte hals naar het plafond achter me. Om het dreigende beige kunststof direct boven mijn neus te ontwijken. Of hield mijn ogen dacht en dacht me in een andere wereld. Zorgzame uitleg. Mogen extra scans voor verbetering van de scanmethode in de toekomst? Absoluut ja. Ik ben er nog dankzij jullie hier. Het duurt wel wat langer dan. Mmm ja, dat is dan maar zo. Ik lig andersom en dus moet mijn hele lijf door de smalle buis om aan het andere eind de tv te zien. Vooruit dan maar, proberen. Via de spiegel die boven me geplaatst is zie ik het uiteinde van de buis, en de tv. Ik concentreer me op het nog zwarte scherm. Eenmaal daar lijkt de buis niet te bestaan, er is alleen ruimte, bewegende beelden en een stoel. Adem in, adem uit. Muziek van de radio op mijn oren, ontspringende natuur op het scherm, kloppende geluiden in de verte. Geen moment ben ik in het verleden, geen moment heb ik stress. Film en muziek leiden mij in een ander hier en nu. ‘Adem in, adem uit, adem vasthouden, ……u mag weer doorademen.’ De scan bonkt. In de spiegel groeit een bloem, in een woestijnachtige omgeving, van zaadje tot prachtige roze bloei. Om weer te verdorren. De wind helpt. De droge kop van de bloem breekt af en rolt ver weg, laat steeds zaadjes los. Overal kans op nieuw leven. Adem in, adem uit. ‘Mevrouw, we zijn klaar. Ik heb prachtige extra opnames kunnen maken. Dank u wel!’   De MRI-mevrouw haalt me snel uit de buis. Haalt de zware plaat van mijn buik en maakt me los. ‘Hoe ging het?’ ‘Ongelofelijk! Wat een verschil, die tv! Ik heb geen moment stress gehad. Wie heeft dit bedacht?’ ‘Philips’ Ik lach en zwijg want ik doelde eigenlijk op degene die het geniale idee heeft gehad een tv ter afleiding op te hangen. Ergens kwam een creatieve geest met dit plan. Ik ben er dankbaar om. Ik weet dat dit niet mijn laatste keer MRI was, maar ik hoef hier niet meer benauwd om te zijn. Dit is nu zoveel beter te tackelen.   Hoe verder ik van de scanruimte wegloop, hoe verder ik alle angstscenario’s wegduw. Dit zit er weer op en de uitslag tackel ik als die komt. Niet vandaag dus. Nu eerst een Latte Macchiato. Gewoon omdat het kan. Gewoon omdat vandaag een mooie dag is. Gewoon omdat ik nu even lief voor mezelf wil zijn. Gewoon. Eerst een kaars opsteken in de stilteruimte, waar er zoveel voor mij gebrand hebben. Dank! Ik ben er nog. Niets is gewoon.

Esther MG
3 0

De Tandweilas

Beste lezer, weet je wat een Tandweilas is? Een Tandweilas is de slang die leeft in de gier Vulture Serpentes, de Slangengier. Onderzoek heeft uitgewezen dat hun breinen met elkaar zijn verbonden. De slang leeft in volledige symbiose met zijn gastheer. Het is een anomalie van de evolutie, en dat je dit nog niet weet is geen schande, want zowel de gier als de Tandweilas zijn pas in 20__ ontdekt. Als de gier sterft, verlaat de Tandweilas het kadaver. Hoe oud hij vervolgens wordt is onbekend, maar wel dat hij eenmaal buiten zijn gastheer begint te groeien en reusachtige afmetingen kan bereiken. Het is alsof de gier er enkel voor diende om de slang te baren die als parasiet in hem leefde, en dat eenmaal uitgebroed de Tandweilas aan zijn officiële bestaan begint. Zulk een Tandweilas nu, is sinds enige tijd in het bezit van de dierentuin te A__, waar het terrarium van een nieuwe vleugel werd voorzien en de noodlijdende dierentuin zich plotseling kon verheugen in verveelvoudigde bezoekersaantallen. Van openings- tot sluitingstijd dromden de mensen samen rond het glas voor de reusachtige kuil met betonnen muren die voor de Tandweilas was aangelegd. ’s Avonds om elf uur begon mijn dienst, en om acht uur ’s morgens nam ik weer afscheid van de Tandweilas. Hoe heet je, vroeg ik hem soms. Het is een flauwe gewoonte om een walgelijk dier een rare naam te geven. Ik had er al een paar bedacht, zoals Gerrit, Toby of Prins Bernhard, maar een naam is dermate willekeurig, en iedere vergelijking met het menselijke zo absurd dat een naam verzinnen onzinnig was. Het beest bleef een ‘het’. Het rook in het terrarium naar vuilniszakken die te lang in de zon hebben gestaan. De vogelspinnen ritselden tegen het glas van hun hokken, de muizen in de verblijven van de slangen piepten als ze ontdekt waren door de hoofdbewoner. Een paar korte hoge piepjes, als een rookalarm ergens ver weg, en dan was het weer stil. Ik had meestal weinig te doen. Af en toe bediende ik met de afstandsbediening de zuigmachine die met een floppend geluid de enorme slangendrollen opslokte, alsof ik op de kermis met het hijskraantje een namaak gouden horloge opviste. Gelukkig was de poepzuiger bedoeld om wel te functioneren en verdween het object direct in het binnenwerk, soms met meenemen van een kuub zand. Ik kreeg er een uitbrander van de hoofdoppasser voor, omdat het gewicht van het zand door het verwerkingsbedrijf werd doorberekend. Mijn voornaamste taak bestond eruit dat ik om de 48 uur de Tandweilas voerde. Dat moest ’s nachts gebeuren. Is de Tandweilas dan alleen ’s nachts wakker? Nee, de Tandweilas is nauwelijks actief, en ligt zowel overdag als ’s nachts onbeweeglijk opgerold. Dat ik als nachtwaker de klus moest klaren was vanwege publicitaire redenen. Het publiek mocht niets te weten komen over zijn eetgedrag. Ik had een geheimhoudingsverklaring getekend die me verplichtte de komende twintig jaar hierover te zwijgen op straffe van een boete van honderdduizend euro. Dat ik nu anno 2034 dit opschrijf, komt omdat mijn avontuur dateert uit de zomer van 2015. En wat heb ik te verliezen? Ze kunnen me wat, dat ene jaar neem ik het risico. Ik durf heus wel iets! Rond middernacht ging ik naar het verblijf van de varkens, dat zich op gelijke hoogte bevond met de bodem van de slangenkuil. Mijn binnenkomst veroorzaakte altijd gekrijs. Omdat ik als nachtoppasser in mijn eentje een panisch varken in de kuil moest zien te krijgen, had men een ingenieus mechanisme geconstrueerd. Waarom niet verdoven? zal de lezer zich afvragen. Maar de Tandweilas eet alleen levende prooien. Een verdoofd varken vindt hij niet interessant, zodat het voorstelbaar was dat ’s ochtends rond openingstijd de maaltijd ontwaakt en zichtbaar voor het publiek door de kooi zou rennen. Met onderdelen van een oude stoommachine die op het terrein stond was daarom een lanceerinrichting geconstrueerd. Ik moest het varken in de ruimte achter de cilinder drijven en de klep dichtdoen. De rest ging vanzelf.   Nadat ik ongeveer een maand op de Tandweilas had gepast kreeg ik het idee om het absurde element van mijn werk in een voordeel om te zetten. Ik zat al een tijdje achter een zekere vrouw aan, maar het was me nog steeds niet gelukt om tot een werkelijke toenadering te komen. Ik had gelezen dat angst een sterk afrodesiacale werking heeft, omdat de lichamelijke verschijnselen die met angst gepaard gaan versleten worden voor hartstocht. De combinatie Tandweilas en de liefde; het kon niet falen. Zo gebeurde het dat ik op een nacht samen met Marion het varkensverblijf betrad. Het was niet bepaald een romantische omgeving; de stank van mest en broeiende vuilniszakken begeleidde het gekrijs van de varkens. Maar tijdens het uur dat ik met Marion in de keet doorbracht, kijkend naar de opgerolde Tandweilas, merkte ik aan subtiele signalen dat mijn plan een zekere kans van slagen had. Als ik de Tandweilas gevoerd had zou ik Marion meenemen naar de hortus, naar het bankje onder de apenbroodboom. Ik had Marion al een paar keer aan het lachen gemaakt, toen ik besloot dat het tijd was om de maaltijd te verzorgen. Er waren nog maar drie varkens over. Ik zou een briefje achterlaten dat ze de voorraad moesten aanvullen, bedacht ik. Ik opende een hok, pakte de schokstok van de plank, liep naar de achterkant en knetterde een vonk tegen het krulstaartje. Gillend en slippend vloog het varken weg om met een rotklap tegen de metalen railing van het gangetje naar het terrarium te botsen dat haaks op de hokken stond. Meestal was het varken zo verdoofd door de klap en de pijn dat hij de schok vergat en bleef stilstaan. Toen hij weer op zijn poten stond gaf ik dus weer een knetter tegen de achterham, en daar ging het beest weer in de gewenste richting. Ik spurtte achter het varken aan langs Marion, en zag dat ze met haar hand voor haar mond geschrokken mijn verrichtingen gadesloeg. Ik besefte dat ik bezig was mijn kansen te verspelen. Ik had haar meteen naar de hortus moeten brengen, het witte wijntje inschenken en het waxinelichtje aansteken en alles op het meegebrachte klaptafeltje naast het bankje zetten. Maar nu was het te laat. Ik zou me straks voor haar moeten rechtvaardigen. Het gangetje liep aan het eind naar beneden als een soort goot die eindigde in het lanceermechanisme. Ik ramde de schuif dicht achter het varken. “Niet doen, dat is zielig,” riep Marion toen ze het doel van de installatie en hetgeen waar ik mee bezig was doorzag. Zielig? Het varken zielig? Ik was werkloos voor ik deze baan kreeg. Ik had de erfenis van mijn ouders er doorheen moeten jagen voordat ik een uitkering kon krijgen. Als werkloze ben je een hond die achter elk stukje vlees aanrent dat vanaf de eettafel wordt toegeworpen. En je hoorde je schuldig te voelen dat je niet bijdroeg aan de economie. Het superieure kapitalisme dat zo doelmatig mensen met elkaar laat concurreren dat alleen de beste geld krijgt. Om je scherp te houden. Nou, ik was scherp. De overlevingsmaatschappij had mij zo scherp als een zwaard gemaakt dat iedere medemenselijkheid rücksichtslos doorsneed. Ik deed dwangarbeid, en ik deed het om het laatste restje van mijn geslonken autonomie te behouden. Het was ik, of het varken. Maar dat zei ik niet tegen Marion. “Bekijk het eens van de kant van de Tandweilas”, zei ik in plaats daarvan. “Als hij geen eten krijgt gaat hij dood. Dat is toch ook zielig?” “Nee, niet doen!”, riep Marion opnieuw, en met een sprong landde ze beneden naast het varken in het lanceermechanisme. Een psychose, schoot het door me heen, want Marion had me verteld van haar psychiatrische verleden. Ik heb psychologie gestudeerd dus ik herken een psychose op afstand. Het was al te laat. Terwijl Marion sprong, had ik op de lanceerknop gedrukt. Met het bekende geraas dreef de perslucht nu twee individuen door de lanceerbuis. Aangedreven door een reuzenscheet vlogen ze meters door de lucht en belandden in het zand vlak bij de opgerolde reuzenkabel. Zoals gewoonlijk was het varken ongedeerd. Het tolde en spartelde tot het weer op zijn poten stond en begon krijsend door de put te rennen. De Tandweilas verroerde zich niet.   Ik sla in paniek tegen het raam. Ik mime naar Marion dat ik boven de ladder ga halen. Ze ligt in een rare houding maar lijkt m’n bewegingen op te merken en begint van de Tandweilas vandaan te kruipen. Het verdovingsgeweer staat achter de schoonmaakspullen in de kast. De directeur heeft het me uitgelegd, maar ik heb nooit met dat ding geschoten. Vlak achter de kop richten, niet op de kop, die is keihard. Ze hadden het zelf nooit geprobeerd. Misschien deed de verdoving hem niks, maar het kon hem ook fataal worden. En dat zou zonde zijn. Ik ruk de kastdeur open, gooi stapels handdoeken om, zoek achter jerrycans met ontsmettingsmiddel, maar ik zie het geweer nergens en bedenk dat Marion zelf de ladder kan opklimmen en dat uitstel gevaarlijker is. Ik sleur schrapend de ladder naar de balustrade van de kuil, trek hem uit en met bovenmenselijke inspanning weet ik het ding over de betonnen rand te werken en in het zand schuin tegen de muur te plaatsen. Marion zit op haar knieën. Waarom staat ze niet? Ze gebaart naar haar voet. “Klim omhoog”, roep ik met overslaande stem, geheel overbodig. De Tandweilas is inmiddels bezig het van schrik verlamde varken naar binnen te schrokken. Het heeft waarschijnlijk een hartaanval gehad. Met omgekeerde kotsbewegingen schuift de bek over het slappe varken. Een proces dat zo’n tien minuten zal duren. We hebben nog tijd. Marion hinkt naar de ladder en probeert omhoog te klimmen. Maar haar been weigert dienst, zodat ze telkens van de sport afglijdt en terugvalt in het zand. Half vallend en glijdend struikel ik de ladder af terwijl ik de schrokkende kop in het oog houdt. Het is bloedheet en de stank is niet te harden. Ik grijp Marion en probeer uit allemacht haar billen omhoog te duwen tegen de ladder. Marion trekt zich op, en slaagt erin met haar goede been een nieuwe sport te veroveren. Vervolgens moet ik zelf de ladder op en verlies duwkracht, waardoor we niet verder komen dan de eerste twee sporten. Ik besef dat ik in een andere situatie dolgelukkig zou zijn geweest met deze intieme exercitie, maar de doodsangst bederft alles. Hoe heeft dit zo mis kunnen lopen? Dit mag niet tot ongelukken leiden. De voorzienigheid zal ons beschermen. Maar waarom verdrinken er dan mensen of worden er kinderen door vaders op achteruitrijdende tractors overreden? Dan verschijnt de kop met een afschuwelijk geel oog boven ons. Het achterwerk van het varken puilt nog steeds uit de grotesk opengesperde bek. Opeens tuimelen we door het zand, vallen over elkaar heen en slaan met onze hoofden tegen elkaar. Terwijl zand in wolken omhoog spuit wringt de slang zich in een lus rond ons. Voor we het in de gaten hebben heeft hij zich in lagen opgestapeld en bevinden we ons in een koker van slangenlussen, zo hoog als we zelf zijn. We krabbelen op. We kijken elkaar aan met grote ogen van paniek. Ik geef Marion een voetje en duw opnieuw haar billen in haar spijkerbroek omhoog, tegen de kronkels van de Tandweilas. Maar ze krijgt geen houvast; het beest heeft op zijn dikste plek een doorsnede van negentig centimeter, en is in drie lagen rond ons gekronkeld. Graven dan maar. Ik werp me op m’n knieën en begin woest in het zand te graaien. De huid van de Tandweilas heeft patronen alsof er vogelveren overheen lopen die in elkaar grijpen, als een tekening van Escher. Als ik dit avontuur overleef, heb ik in ieder geval iets nieuws te melden. Maar ik mag natuurlijk niet laten blijken dat we dankzij mijn roekeloosheid in deze situatie zijn beland. Ik graaf bezeten, en schraap plotseling met mijn vingers over het beton. Slechts een dun laagje zand scheidt de Tandweilas van de ondoordringbare vloer. Onze positie is uitzichtloos. We zinken terug en zitten tegenover elkaar tegen de muren van onze levende gevangenis. Zonder er over nagedacht te hebben zeg ik opeens: “Marion, ik wil seks met je.” Ze kijkt me wezenloos aan. Een ogenblik ben ik bang dat ze kwaad zal worden, en me alle ellende gaat verwijten waar ik de oorzaak van ben. Dan pakt ze mijn hand en legt die op haar borst. We zoenen. We woelen het zand om alsof het het water is van een kinderbadje, in onze driebandige cirkelvormige vesting waarvan de doorsnede nog geen twee meter is. Ze leunt achterover tegen het reptielenlichaam en ik neuk haar staand, ook steunend op de ruwe en kille slangenhuid. Ze is een van die vrouwen die overmatig nat worden tijdens de daad en haar vocht sijpelt glinsterend over de verentekeningen van ons levende opblaasbad. Als ik bijna klaarkom verschijnt het gele oog weer boven me. Ik krijg de absurde gewaarwording dat het oog een goedkeurende uitdrukking heeft. Het genot heeft de angst verdrongen en de slangenkop met bobbel van onverteerd varken juist achter de kiezen lijkt een studioprojectie als in een Hitchcock film, en Marion en ik zijn de helden die het groteske wezen bestrijden. De tijd staat stil. Ik zie mezelf als vierjarige kleuter. Ik sta aan de voet van onze flat en roep mijn moeder op het balkon toe dat ik een ijsje wil. Ik huil en zeur, maar mijn moeder blijft onverbiddelijk. Ik besef dat ik verlies, en dat ik nooit een ijsje zal krijgen, maar ik blijf schreeuwen. Ik kan het niet verdragen dat mijn pogingen tevergeefs zijn, en ik weet niet wanneer ik met goed fatsoen kan ophouden. Er moet iets of iemand komen die vertelt dat ik mag ophouden. En dan zie ik mijn vader in zijn grijze kamerjas terwijl ik weer aan het huilen ben op het bed van mijn ouders. Ik zanik en zeur omdat ik naar de dierentuin wil maar ook naar de speeltuin, terwijl ik een van de twee mag kiezen van mijn vader. “Eén van de twee”, en zijn vingers maken een V. Zijn stem is zwaar en dreigend en daardoor moet ik nog erger huilen. Ik ben bang voor mijn vader. De vinger wijst omhoog. “Een van de twee!”, en weer het V-gebaar. Plotseling besef ik dat hij gelijk heeft, dat het onmogelijk is om zowel het één als het ander te krijgen. Ik zie het leven vooruit, ik zie in dat ik mijn hele leven zal moeten kiezen en ook dat kiezen verliezen is. Ik snap hoe onredelijk ik ben, maar net als onder het balkon, weet ik niet hoe ik mijn gedreins moet stoppen. “Vader, je hebt gelijk, want het leven vergt van me dat ik me onderwerp in al mijn wensen.” Dat zou ik moeten zeggen, en vanaf dat ogenblik ben ik een volleerd mens. Maar ik kan niet stoppen, omdat ik weiger de strijd met mijn vader op te geven, al weet ik dat hij gelijk heeft. Ik kom klaar in Marion. Ik zie sterren en m’n zenuwen schieten sterren. Ik ben uitgeput en compleet verslapt. Als we vervolgens tegenover elkaar in ons slangenbad zitten slaat de wanhoop toe. Het gele oog is ons al die tijd blijven volgen. Het is geen vraag meer óf we kunnen ontsnappen, maar wie van ons als eerste het varken zal volgen. En wanneer? Ik probeer me te verplaatsen in de beweegredenen van het beest. We zijn zijn levende voorraad. Misschien is dit al miljoenen jaren zijn manier om zijn prooi gevangen te houden tot hij weer honger krijgt. Dan meen ik van ver weg een stem te horen. Is het hulp? We schieten onze broeken aan die schuren van het zand. Opnieuw klinkt de stem. Ik besef dat het de slang zelf is die ons aanspreekt. Er klinkt Engels met een sterk Frans accent. “Do not panic. I’m the spririt of Hector Berlioz.” Dit kan niet waar zijn, maar het is waar, zo waar als het gigantische slangenlichaam dat ons gevangen houdt. “This is crazy. Where are you?” roep ik. “As you probably know, this snake was originally a part of a bird,” komt van boven het antwoord, als van achter dikke velours gordijnen. “When the bird died, it became independent. In the same way my spirit is a symbiotic part of the snake’s body. I live in his brain. When the snake dies, my spirit is set free until it finds another bird with a snake in it.” Wat moet ik zeggen, welke vraag zal ik de slang, of liever gezegd de geest, stellen? “Are we in danger?” roep ik schor. “Let me put it this way,” klinkt het zacht en dof, terwijl het gele oog ons onafgebroken aanstaart. “I can control the mind of this beast to a certain amount. But I myself have always posessed a very agressive nature, as you can read in my Memoires. And secondly, can I control, if I wished, the snake’s instincts sufficiently to prevent the disaster you undoubtedly fear?” Vervolgens blijft het stil. Wat te doen? Marion knijpt in mijn hand. “Ik weet iets”, fluistert ze. “Fluit het thema uit de Symphony Fantastique. Dan weet hij dat we fans zijn en zal hij ons laten gaan.” Het is een goed idee. Maar hoe ik m’n geheugen ook pijnig, ik kan me dat verdomde thema niet herinneren. Bovendien ben ik niet goed in fluiten, zeker nu mijn mond droog is van angst. Het enige waar ik opkom is de melodie van de ‘Mars naar het Schavot’. Ik zing het, en het komt gelukkig goed uit dat ik een lage basstem heb. “What are you singing?”, hoor ik al snel nadat ik de eerste twee maten van het Largo heb afgemaakt. “I have very bad ears. This snake is almost deaf, much worse than I was, just before I died. Please stop, it sounds out of tune, and as you probably know, I have absolute pitch.” Geschrokken stop ik. “It was a melody you composed yourself. Excuse me for the bad interpretation,” stamel ik. “Do not mock me, for heavens sake!”, klinkt het dichterbij. De slangekop zweeft nu tussen Marion en mij in. “I cannot stand singers. They alway take liberties with the melody. The only real singer I ever met was Mlle Falcon.” “We just wanted to bring you in good spirits,” probeer ik de zaak te redden. Nu ik zie dat de kop zich weer van ons af beweegt, schep ik weer wat moed. “I will now let you go”, hoor ik uit de verte. “The only reason I captured you was my curiousity about what would happen with you in imprisonment, facing an almost certain death. Well, my curiousity is more than satisfied. So live long and prosper.” “Please monsigneur Berlioz, allow me one last question,” roep ik en ik ben verbaasd dat mijn nieuwsgierigheid het wint van mijn doodsangst. “You speak English very well. But in your time, hardly any Frenchmen knew English. How come?” Plotseling worden we weer tegen elkaar aan gesmeten. De gigantische slangenmuur trekt strak om ons heen, zodat Marion en ik rechtstandig tegen elkaar worden gedrukt. Ik snak naar adem. Ik heb zand in mijn mond. Haar haren prikken in mijn ogen. “Quoi?, Hark!”, is de stem nu vlakbij en het slangenoog verschijnt in close-up voor me. “I’m Berlioz, a genius in his time. I was well known in France. Even in England people heard about me. Do you think I’m a fool?” “Excuse me sir!”, roep ik schor, buiten adem, naast het oor van Marion. “I read your Memoires. I know you were, I mean you are, a genius. Forgive me my impertinence.” Met razend geweld in fonteinen opstuivend zand vliegen de kronkels van ons vandaan. Het achterlijf van de slang slaat met een doffe dreun tegen de achterwand. We vallen achterover in het zand en zitten enkele ogenblikken versuft tegenover elkaar. De slangenkop ligt nu bovenop de kronkels, enkele meters van ons vandaan. De gele ogen turen aandachtig onze kant op en de gespleten tong beweegt langzaam in en uit de bek. Ik ren naar de ladder die naast de achterwand ligt. Hoe ik het voor elkaar heb gekregen weet ik niet meer, maar een ogenblik later staat het ding rechtop, en klim ik achter Marion aan de vrijheid tegemoet. Op de laatste sport aangekomen wuif ik. “Au revoir monsieur Berlioz, a demain”, roep ik. En overmorgen zal ik Berlioz weer een varken voeren.

Vincent Baumgart
0 1

op weg naar het volleybalveld

Het grind knirpt onder de banden van zijn fiets terwijl hij het domein van jeugdheem Berg en Dal oprijdt. Zijn hart bonst in zijn keel. Hij wist nog gauw zijn zweet af met een zakdoek voor hij naar de Kleine Club gaat. Hij ademt even diep in voor hij de klink naar beneden duwt. “Na 22 jaren in het leven, maak ik het testament op van mijn jeugd,” het is Boudewijn de Groot die hem verwelkomt. Hij kijkt deze keer beter rond dan gewoonlijk om te zien wie er nog in de club zitten. Het is nog rustig. In de zeteltjes zitten twee koppeltjes en aan een tafel zitten enkele jongeren van K.S.A. voor wie hij zijn hand opsteekt. Hij gaat nu naar de toog. Haar grote bruine ogen stralen. Marleen doet als PV, de Permanent Verantwoordelijke van het jeugdheem elke zaterdagavond de bar in de Kleine Club. Hier heeft hij bij de liederen van Boudewijn de Groot, Liesbeth List en Miel Cools vele uren met haar gediscussieerd. Over derdewereldproblematiek, het communisme, maar ook over religie en de relatie tussen man en vrouw. Naast de affiches die de heemfeesten aankondigen, hangt een poster voor een betoging in Aalst voor Leuven Vlaams. “Heb jij die poster gemaakt?” vraagt hij terwijl hij het antwoord al kent. Haar creatieve stijl is zo typisch dat je er niet kunt naast kijken. “Ze gaat uit van de scholieren in Aalst. Hoe was de betoging in Leuven?” gaat ze op het thema verder. “Geef me eerst een pint, en pak er zelf ook één voor mij.” Het ontsnapt hem voor hij het beseft. Het is niet zijn gewoonte om te trakteren want zijn vader geeft hem nauwelijks zakgeld. Dat weet zij. Hij heeft daar met zijn vader al discussies over gehad. Die man is vreselijk autoritair. “Als ge uw oudste niet heel kort houdt, dan hebt ge aan uw jongste niets meer te zeggen, en ge zult me daar later nog dankbaar voor zijn,” klonk het toen. Daar moest hij het dan mee doen als oudste van negen. “’k Ben nat gespoten door een waterkanon,” zegt hij met de nodige fierheid in zijn stem en luid genoeg dat de anderen het ook kunnen horen. “Doet dat zeer?” vraagt ze bezorgd, terwijl ze kundig de glazen vult met een kraag schuim wit als de kraag van een edelman. “Zeer doet dat niet maar het is moeilijk om recht te blijven. Arm in arm lukte het wel.” Hij heft zijn glas en tikt het tegen het hare. “Gezondheid!” “Op Leuven Vlaams!” zegt ze plechtig. Ze komt ook uit een zogenaamd zwart nest. Hij steekt zich een sigaret op, trekt de rook krachtig binnen om ze even krachtg uit te blazen. “’t Is goed dat de strijd op alle fronten gevoerd wordt. Jong en oud, studenten en arbeiders, arm en rijk.” Hij komt op dreef. “Zo alleen is het kapitalistische systeem van de fanskiljonse bourgeoisie klein te krijgen.” Zijn gedrevenheid is geforceerd. Hij is er niet met zijn volle aandacht bij. Ze dient als veilige plek om zich schuil te houden alvorens een moeilijker te bevaren water in te gaan. Is het de angst voor de volle zee? “Gaan de studenten niet te veel mee met de communisten en hun revolutie?” Hier raakt ze hem in een zwaar dilemma. Hij voelt zich in het nauw gedreven en hij wil haar niet tegen zich opzetten. Vanavond zeker niet. “Misschien wel,” komt er wat afwezig uit. “Ik ga naar het volleybal kijken.” Hij blaast de laatste rook van zijn sigarret uit en dooft ze in de asbak. Hij buigt zich wat dichter naar haar toe en fluistert:” anders zeggen ze weer dat ik me daar te goed voor voel. Dat studentje uit Leuven.” Ze lacht haar witte tanden bloot. Terwijl hij naar de deur gaat, roept ze: “ik ga mee.” Met een sprongetje, dat typische sprongetje van haar, komt ze achter hem aan. Ze komen voorbij de Grote Club. De deur gaat net open, blauwe en rode lichten draaien in het rond. Dansmuziek rolt in langzame golven naar buiten: voor jou Natasha, speel ik op het klavier van mijn hart… Het neuriet onbewust in hem verder “voor jou Marleentje, speel ik op het klavier van mijn hart.” Hij wordt er helemaal warm van en schrikt als ze zegt: “over een kwartier komt Bernard.” Het is haar nieuwe vriend die ze pas kent nadat ze het met haar lief heeft uitgemaakt. Hij vertraagt zijn pas. Ze zijn halverwege het grasveld dat de clubs scheidt van het volleybalveld. “Ik wil je nog eens bedanken voor de hulp die je me gegeven hebt in mijn verliefdheid op Lieve. Ik durfde het haar niet zelf zeggen.” Hij stapt wat verder. “Zou jij als je op iemand verliefd bent, dat zelf durven bekennen?” Hij zoekt hoe hij zijn boot in de goede richting moet sturen. “Als ik mij bij die jongen heel veilig zou voelen wel, bij Frans bijvoorbeeld en misschien…” ze aarzelt een moment, kijkt rond alsof ze iets zoekt, “en misschien ook bij u.” De warmte en het volume in zijn gistende deeg stijgt. “Zeg het nu!” klinkt het van binnen. Is het de stem van zijn vriend Guy? Ze staan nu stil. Hij kijkt haar recht in de ogen. “En als het antwoord negatief is, is dat dan het einde van de vriendschap?” Een ultieme controle van de temperatuur. “Guy zegt dat vriendschap tussen een jongen en een meisje altijd eindigt in verliefdheid en als de verliefdheid niets wordt dat de vriendschap dan stopt.” Ze luistert en schudt haar hoofd. “Dat vind ik niet.” Nu heeft ze een deur geopend in zijn hart. De vaarroute ligt open. Het stroomt van zijn hart naar zijn mond: “Marleen, ik wil graag met u verkeren.” Ze schrikt. Haar grote bruine ogen worden nog groter en haar mond valt net niet open. De woorden waar ze anders niet gauw moet naar zoeken, komen niet. Nog voor ze iets kan zeggen, komt hij haar tegemoet en wil hij haar helpen. Dat gaat hem beter af. “Ik maak het u misschien erg moeilijk, denk er gerust over na. Het moet niet het einde van onze vriendschap zijn, als je het niet ziet zitten.” Ze gaan langzaam verder. Er hoeft niets meer gezegd. Zijn broodje is gebakken. Nu is het aan haar om te zien of ze erin bijt. “Mag ik gaan,” vraagt ze vertwijfeld, “hij zal gaan toekomen.” Haar vertwijfeling ontgaat hem niet en opgelucht toont hij zijn meest begripvolle kant:”ja natuurlijk, zeg. Ga maar vlug.” Hij streekt zich een sigarret op en trekt de rook heel langzaam naar binnen. En blaast hem heel langzaam naar buiten.    

Hendrik Van Moorter
20 0

Tom Lanoye, Sprakeloos, op p.p. 260 - 261

Respect. Het is een basisprincipe in je leven, je krijgt het thuis met de paplepel in gegeven: alle mensen zijn gelijk, ongeacht hun afkomst of hun geld. De familie, de vrienden, de kennissen van de ouders moeten beleefd begroet worden. Je mag met de koekjes rondgaan als er in doorschijnende porseleinen kopjes koffie of thee wordt geschonken, Elixir d’Anvers in poppenglaasjes, cognac in glazen met een dikke buik. Maar evengoed zit Pierre de loodgieter aan de tafel in de woonkamer en mag je hem – beleefd- een glanzend schuimend pintje brengen. Iedereen mag je aanspreken, je kan vragen wat je maar wil. Als het past. Je leert wachten, kijken, luisteren, voelen, het moment te grijpen ‘Als het past’. Je leert empathie, meevoelen met iemand, voelen wat de andere graag- niet graag zou hebben. En je beoefent respect.   Wat je niet leert is: aftasten, een andere mening onderzoeken, uitdagen, een mening voor jezelf opeisen, ze koppig verdedigen. Oh nee, het is allemaal oké, ieder in zijn eigen luchtballon. Je krijgt de vrijheid om te experimenteren, maar je moet niet exagereren: bij conflictbeheersing heeft een moederhand een losse pols, is een vadervoet niet vergeten hoe je moet sjotten, vroeger in het doel, nu onder de broek.   Maar we groeien naast elkaar met elkaar. En het is goed leven in de warme cocon, je krijgt bevestiging (iets wat je nog zo hard nodig hebt), oude kwetsuren worden ondergestopt, begraven, vergeten, je leert vriendschap en strelen en genieten, je ziet hoe vader tranen in de ogen krijgt als moeder hem je ‘zeer goed’ rapport toont, hoe moeder opeens heel aandachtig kijkt, hoe ze laat vallen waar ze mee bezig is als jij, acht jaar, in de krant iets leest over een gemeentebestuur en vraagt wat dat dan wel is en hoe ze dat uitlegt, zo klaar en duidelijk mogelijk. En je verstaat niet met je verstand wat er gebeurt, wat er speelt, maar je voelt het: het is het netwerk van verwachtingen die nooit uitgesproken worden – dixit Tom. Verwachtingen van een vader, die in haar een kind herkent dat gemakkelijk leert en danst en gedichtjes schrijft en zingt, even gemakkelijk als hij in de tijd en wat zal dat geven als ze groot is; verwachtingen van een moeder, haar onvervulde wens om iets te betekenen in de wereld, dat deze dochter verder zal gaan op de weg die zij heeft afgebroken om met je vader te trouwen: haar werk met Cardijn, met de kajotsters, de ontvoogding van de arbeidersklasse. En je hebt het zo goed in je gepermitteerde vrijheid, je wil bij hen nog zoveel goedmaken uit een donker verleden, je hebt zoveel empathie, zoveel respect voor hen (respect respect! het zijn rechtschapen mensen, respect respect!) dat je voldoet aan hun verwachtingen. Maar wat met dat, waar je het woord nog niet voor kent, wat sluimert onder het oppervlak, wat je in jezelf niet kan verwaarlozen, negeren, zonder ook je ouders tekort te doen. Daar kraait geen haan naar.   Tot het zover is. Tot op de dag dat je eet van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad, dat je, geleerd door scha en schande, beseft dat er zoiets bestaat als zelfrespect. Je oefent, beoefent nu zelfrespect. Ook met je ouders: je moet je luchtballon open scheuren, de confrontatie aangaan, het hen duidelijk maken. Wie je zelf geworden bent, wat je zelf wil met je leven, wat de weg is die je voor je ziet, wat je zelf in die rommelachtige wereldpuzzel wil betekenen.   Sta op! Begin er aan!  

versta
12 1

Maak je geen zorgen, door Jan Loogman (opdracht 2)

“Waar blijft Johan?” Natuurlijk ben ik het weer die het vraagt. Ze vinden me al een neuroot. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar ik weet hoe graag ze in het gareel lopen. Stuk voor stuk zijn ze van de week bij me binnengestapt om een wit voetje te halen. Verlaan kwam als eerste, zijn vette haren vielen over zijn brillenglazen, ik hoorde zijn adem, hij drukte een zakdoek tegen zijn neus. Wiebelend op zijn sokken, de man trekt op kantoor zijn schoenen altijd uit, kwam hij met een ideetje, zoals hij het noemde. Hij is altijd bang om niet vooraan te staan als de afdelingschef zich met het werk gaat bemoeien. Een ideetje voor het overleg met het ministerie, zei hij. Ik heb hem weer naar buiten gestuurd. Hij heeft zijn ideetjes nooit van zichzelf, maar hij kan ze verkopen als de beste. Als hij zich behoorlijk gaat verzorgen en kleden, kan hij het ver brengen, maar waarom zou ik hem vertellen dat hij iets aan zijn uiterlijk moet doen? Zijn collega’s hebben daar ook geen zin in, hij loopt te vaak met hun ideeën te pronken. De Parasiet noemen ze hem, en soms De Luis. Ik hoor het wel, maar zeg er niets van. Verdeel en heers, is mijn gedachte. Straks zal Verlaan ongetwijfeld weer met het ideetje komen en dan zullen de anderen verontwaardigd kijken, omdat ze het herkennen, het komt van een van hen. Maar een slecht idee zal het niet zijn.   Van Tuyll en Van den Hoop kwamen van de week ook al op mijn kamer, zwaar zuchtend. Dat een goede presentatie de voorwaarde voor succes is, misschien zelfs de enige succesfactor, is bij hen nog niet binnengekomen. Een ingewikkeld verhaal hielden ze, over de wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof ik daarmee kan aankomen bij het ministerie. Ook die twee heb ik weer naar hun bureau gestuurd. De enige die ik graag mijn kamer binnen had zien komen, is Johan. Maar die heeft het natuurlijk verdomd. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij, toen ik hem polste hoe wij ons in het overleg moeten opstellen. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Mij bijpraten, die uitdrukking gebruikte hij, met een uitgestreken gezicht. Maar nu puntje bij paaltje komt en wij hier allemaal zitten voor dat voorbereidend overleg, is hij er niet. Ook al is het nog geen negen uur, zijn collega’s zitten al een paar minuten aan tafel, stuk voor stuk in het pak, allemaal een stropdas om, turend over de Westelijke Tuinsteden. Het is helder weer, we kunnen de rookpluimen van de Hoogovens boven de duinen zien. Als ze maar niet verwachten dat ik hen allemaal meeneem naar dat overleg. De regie ligt bij mij, vanochtend kunnen zij mij informeren, of bijpraten zoals zij blijkbaar zeggen. En dan ga ik naar het ministerie, misschien dat ik een of twee van hen meeneem, voor het geval het erg inhoudelijk wordt vanmiddag.   Nog eens herhaal ik mijn vraag: “Waar blijft Johan toch?” Ik heb er genoeg van uit het raam te blijven staren. Legwaard kijkt mij aan. Een zenuwenlijer, heb ik hem mij horen noemen. Hij wist niet dat ik naast de tweede koffieautomaat stond en hij kletste erop los, met dat Amsterdamse accent van hem. Ik had die man nooit moeten aannemen. Maar ja, ik wist het weer zo goed, ik dacht dat de jonge honden wel wat sturing van een oudere collega konden gebruiken. In het sollicitatiegesprek gaf hij hoog op van zijn leiderskwaliteiten. Hij heeft nog vooraan gestaan bij de happenings die Provo in 1966 op het Amsterdamse Spui hield, als ik het mag geloven. Maar zijn leidinggevende kwaliteiten zijn blijkbaar met de jaren verdampt, in elk geval doet hij zijn werk als een kip zonder kop, ze moeten hem alles voorkauwen, laat staan dat hij het voortouw kan nemen. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Je verwacht het niet van een oude provo, maar tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst zijn Van Gilspak. Hij heeft er bovendien meer dan één, heb ik gezien. God mag weten waar hij ze van betaalt, zijn salaris kan het niet zijn. “Misschien moet je toch maar beginnen,” zegt hij nu. Denkt hij soms dat ik zijn leiding nodig heb? Maar het wordt zo langzamerhand wel tijd.   Juist als ik de papieren voor mij op tafel nog eens schik, een gebaar dat ik vaker gebruik als signaal dat ik een vergadering bijna ga openen, gaat de deur open. Een Daniel Hechter-jasje draagt hij, een gebloemd overhemd eronder. Alsof er vandaag geen topoverleg met het ministerie op de agenda staat, maar een uitje naar een dancing voor oudere jongeren. Gelukkig geen jeans, maar een neutrale, zwarte broek. Hij kijkt de tafel rond. “Eerst koffie,” zegt hij en weg is hij weer. De anderen schuiven hun stoel achteruit en gaan achter hem aan naar de koffieautomaat, een troep ganzen achter zijn aanvoerder. “Neem ik voor jou een koffie mee, Wim?” vraagt Legwaard mij vanuit de deuropening. Zijn manier om een wit voetje te halen.   Een uur later is voor mij de chaos compleet. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan heeft door dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar op zijn beurt verliest hij zich in detaillistisch geneuzel, hij heeft het over de begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Die deugen blijkbaar niet. Alsof ik daar wel mee aan kan komen. Legwaard zegt om de paar minuten dat ik stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden, zoals hij de medewerkers van het ministerie maar blijft noemen. Alleen Johan zegt niets. Tenslotte geef ik een klap op tafel. Ineens is het stil. “Zo komen we er niet uit,” zeg ik. “heeft iemand een brainwave?”   De stilte blijft even duren. Dan schraapt Johan zijn keel. Eindelijk, daar zul je het hebben. “If you can’t beat them, join them,”zegt hij. Hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Is er dan niemand die mij iets geeft, waar ik vanmiddag mee voor de dag zal kunnen komen? Gelukkig ben ik blijkbaar niet de enige die niet snapt wat hij bedoelt. “Interessant, verklaar je nader, ” zegt Verlaan tegen hem. Ongetwijfeld hoopt hij dat een goede uitleg achterwege zal blijven en dat Johan zijn positie als slimste jongetje van de klas zal moeten afstaan. Maar Johan lijkt tot uitleg bereid. Alhoewel, wat is dit voor gebazel?   “Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Zodra we alle vier binnen waren, begon een van ons de kaarten te schudden, de anderen namen snel hun plaatsen in. Iemand maakte troef, de eerste kaart lag al op de tafel, we gooiden bij, troefden in, we doken, soms kwam er een kale Nel op tafel. Ik wilde de sfeer van vroeger nog eens terughalen, daarom had ik mijn studievrienden uitgenodigd. Het leek als vanouds, in elk geval zit ik hier met een houten kop. En toch, van meet af aan was de sfeer anders dan toen. We kregen het over de neutronenbomdemonstratie. Twee droegen het speldje nog. Toen ik de realistische opstelling van Joop den Uyl verdedigde, keken ze me alle drie aan, alsof ik van mijn geloof was afgevallen. Schoppen is troef, heb ik toen maar gezegd en we hebben gekaart tot half een. Wat eerder dan we in het verleden stopten, maar laat genoeg voor mij.”   “Kijk, die vrienden van mij hebben op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.”   “Interessant,” zegt Verlaan, “maar kunnen we verder gaan, waar we waren.” Hij heeft zich naar mij gekeerd: “De begripsomschrijvingen in het concept-wetsvoorstel.”   Ik begrijp hem wel. Niet dat ik het over die begripsomschrijvingen wil hebben, maar met Johan kom ik ook niet dichter bij een klare lijn. Integendeel. Maar Johan denkt er anders over.   “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij ineens. Verlaan kijkt hem stomverbaasd aan. “En dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. Maar daar kunnen we niet mee aankomen bij het ministerie.” Nu kijkt hij naar mij. “We kunnen daar trouwens niet met zijn allen heen. Een of twee mensen die zich slagvaardig opstellen, hen een alternatief voorleggen. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan. Niet met dit wetsvoorstel. Dat deugt niet, de begrippen zijn niet precies omschreven, de uitvoerbaarheid is nihil. Dat stellen we in twee zinnen vast. Dan komen we met ons alternatief. “ Verwachtingsvol kijkt hij de tafel rond. “Nou, wie gaat er mee, vanmiddag?”   ’s Middags rijd ik over de A-4 naar Den Haag. Johan dacht kennelijk het alleen af te kunnen, geen van de anderen wilden hem vergezellen. Stuk voor stuk bang dat ze zich onmogelijk maken door met een alternatief te komen. Maar geen van allen durfden ze hem tegen te spreken. Ik zat met de gebakken peren. Het enige wat Legwaard zei, was dat ik natuurlijk de leiding heb, vanmiddag. “Natuurlijk,” antwoordde Johan. “Doe een stropdas om,” heb ik hem daarom voor ons vertrek gezegd, maar hij lachte alleen maar. “We gaan ze een poepie laten ruiken,” zei hij, “en als ik een stropdas om heb, lijk ik teveel op hen. Dan luisteren ze niet.” Nu zit hij naast mij te knikkebollen, de man die straks de kamergeleerden een poepie wil laten ruiken. Straks moet ik het zelf nog aan de ambtenaren uit gaan leggen.   “Maak je geen zorgen,” mompelt hij me toe. “Als in onze wet de begrippen volledig gelijk worden geformuleerd aan de belastingregels, hoeven onze uitvoeringskantoren geen toets op de aanvragers te doen, we sluiten gewoon aan bij de beoordeling van de fiscus. Fluitje van een cent, honderd procent uitvoerbaar. En weet je wat het voordeel is?”   Het is druk op de weg, ik onderdruk de neiging hem aan te kijken. Wat zou het voordeel zijn? Ach, hij vertelt het me straks wel. Helder als altijd. Alleen dat klaverjassen. “Wat heeft dit nu met je klaverjasavond te maken,” vraag ik.   “Niets,” zegt hij. “Ik heb een houten kop en ik had even een aanloop nodig. Maar dit meen ik serieus. Aansluiten bij de belastingregels, als dat in de wet komt te staan, kunnen we de uitvoering aan. En als het fout gaat, heeft de Belastingdienst het gedaan. Kun je ergens stoppen, ik heb koffie nodig.”   Jan Loogman 31 januari 2018    

Jan Loogman
0 0

Kerk & Leven

Twee versleten schoenen bengelen zachtjes aan een tak. Ze zijn bedekt onder de grijze tape: een laatste redmiddel om toch nog even verder te kunnen gaan.Maar daar, aan die boom, was het goed geweest.Mochten de schoenen eindelijk rusten.Ze zijn van hetzelfde merk als diegene die ik nu draag en ik hoop vurig dat dit geen beeld is van wat mij te wachten staat. Ik besluit toch, voor de zekerheid, om mijn veters in het vervolg wat liefdevoller te strikken. Het is rustig op de weg. Niet veel pelgrims te bespeuren. Wel een gigantisch oud, en hoogstwaarschijnlijk, religieus gebouw dat langs de route ligt. Terwijl ik ernaar sta te kijken komt er een man naar me toe gelopen. Hij vraagt of ik een stempel in mijn credential (stempelboekje dat elke pelgrim bij heeft) wil hebben. Mijn nieuwsgierigheid neemt het van me over en ik ga mee met de man, die Neill blijkt te heten en uit Zuid-Afrika afkomstig is. Hij besloot de kerk te kopen en er zijn levensproject van te maken: een plaats creëren waar pelgrims kunnen blijven slapen in ruil voor wat hulp. ‘Alleen vorderen de verbouwingen niet zo vlot,’ zegt hij terwijl we (mijn vader is er ondertussen ook bijgekomen) naar binnen stappen. Mijn ogen moeten even wennen aan het duister maar ik kan het voelen en ruiken.Geschiedenis.Verhalen.Mysterie.‘Dit is hoe een personage uit een Dan Brown-boek zich dus voelt,’ denk ik.Ik moet me inhouden om niet te beginnen zoeken naar de Heilige Graal. Neill vertelt ons over ‘The Abbey’, zoals het gebouw heet. Hoe ze achter iedere steen wel iets vinden. Hoe ze elke dag opnieuw, samen met de universiteit, proberen om de geheimen te ontrafelen. Hoe de inwoners van het dorp kwaad zijn dat de kerk die ze lieten verkrotten, nu toch iets waard blijkt te zijn. Hij haalt plannen naar boven, toont ons waar ze wat al gevonden hebben.‘Natuurlijk is het meeste gestolen. In 2009 hebben dieven het altaar meegenomen.’‘Vreselijk!’ reageren mijn vader en ik unaniem.Neill schudt het hoofd.‘Een geschenk,’ zegt hij, duidelijk geamuseerd door onze verwarde blikken.‘Door het altaar weg te nemen is er namelijk iets anders tevoorschijn gekomen.’ Hij wijst naar een grote tekening op de muur. ‘Het oorspronkelijke altaar, gemaakt in de 13e eeuw. Ik ben ze dus eigenlijk best dankbaar.’We kijken minutenlang naar de vreemde tekening, proberen er iets uit op te maken. Zonder veel succes.‘Ooit zullen we het wel begrijpen, als we er klaar voor zijn,’ lacht Neill. We nemen afscheid van de vriendelijke man en wandelen verder.‘Ik denk dat er nog nooit iemand zo gelukkig is geweest na een overval,’ zeg ik.‘Je moet toegeven dat het een fantastisch verhaal is. En je kunt er wel wat van leren.’Ik knik.‘We moeten altaren beginnen stelen.’Even stilte.‘Ik had het eigenlijk over het feit dat er soms slechte dingen moeten gebeuren voor er iets goeds tevoorschijn kan komen.’Ik werp een laatste blik op het buitengewone gebouw terwijl ik antwoord.‘Ja, dat ook.’

Woordenwandelaar
0 0
Tip

Hoe het begon...

Mijn leven is best wel saai en ik heb de dagelijkse routine naar school gaan , leren , eten , tv kijken en slapen. Ik was wat aan het wegdromen in het 4de lesuur geschiedenis toen de bel ging ik schrok hierdoor uit mijn dagdroom van mijn mooie fantasie naar de bittere werkelijkheid.  Ik stond op de speelplaats toen er twee meisjes naar me toe kwamen en me vroegen: ‘ dus Cerès we hebben gehoord dat je een feestje geeft ?’ Ik zei tegen hun: ‘ feestje? Ik weet van geen feestje?! ‘ Dat is spijtig we hadden gehoord dat Finn zou komen ach ja als jij dan toch geen feestje geeft…’ Finn is een jongen waar ik wel iets voor voel en ik antwoordde dan ook  direct ‘ Ah ja dat feestje ja het begint zaterdag om 20u’ ‘oké dan zien we je dan, doei Cerès’ en ze liepen gniffelend weg. School was gedaan en ik liep naar huis denkend waar heb je jezelf nu weer ingewerkt je gaat nooit een feest mogen houden! Wat ga je nu doen? Ik kwam thuis smeet men boekentas in de hoek en liep naar boven, klopte op mijn broers kamerdeur en ging binnen ‘ ‘broertje ik heb je hulp dringend nodig’ zei ik ‘ wat is er zusje ?’ ‘ wel ik heb misschien gezegd tegen een paar meisjes gezegd dat ik zaterdag een feest hou om cool te zijn’ rammelde ik in één keer er uit. Mijn broer keek me verbaasd aan. Waarom wist ik niet…misschien het feit dat hij nooit gedacht had dat ik zoiets zou doen of misschien het feit dat ik nooit zijn hulp vroeg. Het duurde even voor hij antwoorden tot dat hij een diepe zucht liet en zei: ‘ Zusje, zusje, zusje toch…waar heb jij jezelf in gewerkt?’ ‘Ik weet het’ zei ik een beetje in paniek. Maar gelukkig voor jou begon hij zijn zin..maar nee dat zou jij nooit doen.. zei hij verder. Wat vroeg ik bijna schreeuwend, onze ouders zijn dit weekend wel op uitstap naar een of andere beurs. Ik kalmeerde en zei “ help je me?” met wat vroeg mijn broer. Een feest te geven. Zei ik vastberaden tegen hem en liep zijn kamer uit. Ik ging terug naar beneden en zette me aan mijn bergen huiswerk die ik nog moest doen, daar zat ik aan tafel voor me uit starend ik dacht en dacht “ hoe ga ik een feest geven? Ik ben zelfs nog nooit uitgenodigd..”  Na een lange zware week school brak het weekend aan, mijn broer had gelijk mijn ouders gingen naar een wetenschapsbeurs voor papa zijn werk. Mijn papa heeft speciaal werk, hij is namelijk een echte wetenschapper. Niet eentje die naar wat sterretjes zit te kijken of een beetje bloed rond draait, nee mijn papa vind dingen uit. In ons huis zelf heeft hij ook een van zijn uitvindingen staan, misschien wel de grootste en beste van ze allemaal.. het is de tijdmachine. Al sinds ik klein was vond ik dit erg fascinerend want niet elke 4-jarige heeft een tijdmachine in huis. Maar zoals je wel kon denken ik mocht niemand er ooit iets over  vertellen. De machine werd ook nooit gebruikt hij stond daar maar in het opberghok of eigenlijk was dat ons opberghok, het kon zich aanpassen aan zijn omgeving zodat je niet ziet dat het een tijdmachine is. Maar genoeg over mijn papa. Terug naar het heden waar mijn ouders op het punt stonden te vertrekken naar de beurs en ik zoals gewoonlijk beloofde ik om heel erg braaf te zijn, de deuren op tijd op slot te doen, enzoverder. Toen ze eindelijk de deur uitwaren was het tijd om te beginnen met mensen te bellen voor mijn feest, waarvan ik tot deze week niks van wist dat ik het gaf. De eerste persoon die ik belde zou sowieso Finn zijn, ik had je al verteld dat Finn een jongen is van mijn school. Hij hoort bij de populaire mensen bij ons op school, maar dat verbaasd me niets. Hij is grappig, spontaan en niet te vergeten ongelofelijk knap! Hij heeft bruine ogen, waarin in uren zou kunnen kijken, bruin haar dat lang vanboven is en kort aan de zij en- achterkanten het krult een beetje aan de uiteindes. Endan het beste van alles, hij is niet je typische sportman zoals je misschien zou verwachten van een jongen zoals Finn, nee hij speelt gitaar en zingt nog eens keigoed ook. Hij is alles wat ik me bij een droomjongen kan voorstellen maar ik denk dat nu wel genoeg voorbeelden heb gegeven waarom dat hij bij de populaire hoort. Ik belde hem op..

Tien
33 0

Schaduwkind van Thomése; Zomertijd van Coetzee; Liefde van Knausgard

Bespreking van “Schaduwkind” van Thomése De ik-figuur vertelt vanuit een personaal perspectief. Vb. wat haat ik de mensen…ik heb de bloesem afgeknipt. Dit geeft een sterke identificatie met deze figuur. Soms gaat het over in we, die slaat op de ik-figuur/auteur en zijn vrouw. Vb elke dag drijven we verder van haar af. We zetten ons schrap. Hier is het proces van de ik-figuur verbonden met dat van zijn vrouw. Geregeld komt een verschil van beleving tussen die twee aan bod in de loop van het boek. Het gaat zelfs over in ze. Vb. Ons huis is het huis van vreemden. Hebben ze een kind? Het roept een gevoel van vervreemding op in de zelfbeleving van de ik-figuur. Er is een gebruik van je. Vb. Als je schrikt van een babymutsje, ben je niet goed bezig….Als je iets kwijt bent, betekent dat je niet meer weet waar je het hebt neergelegd…voor je het weet trekt het gore verdriet het jurkje aan…Het heeft iets veralgemenend dat de unieke beleving van de ik-figuur te boven gaat. Het is wat meer afstandelijk om de emotionele druk wat te verminderen. van ik naar jij: ik heb de clou proberen vast te houden…zo gaat het toch altijd? Als je iets overkomt, weet je nooit… van wij naar ik. Vb. haar geboorte ervoeren we als…De wereld, waarin ik zo lang richtingloos was.De ik-figuur schrijft over zichzelf als een hij die weet wat de jij van zijn vrouw in een droom beleeft. Vb. Hij weet wat in haar omgaat: je was bang dat het jullie schuld was. Afstandelijk neutraal er. Vb. er werd in mij gedacht. Dit is het ergste dat me kon overkomen…Ik wist het, maar ik voelde het niet. Het versterkt de beleving van niets meer te kunnen voelen. De eerste zinEr is een grote spanning met het gewone leven. Enkel een grauw boompje, een verstekeling mee gekomen met oude aarde, wordt verdragen. Het begrip verstekeling komt enkele keren nog terug als een nog verborgen gedachte, een bedrieglijke gedachte. De beelden: schutting, de benoeming van de stad als “Dal der Mieren” tekent zijn afkeer voor de stad. Het knippen van de bloesem zijn afwijzen van het nieuwe leven. In de zin “doorgaan alsof er niks is veranderd?” verraadt iets ergs dat zijn afkeer voor mensen en nieuw leven zal verklaren. De verteller zet een schutting en verdraagt de blik van de mensen niet. Hij knipt de bloesem en de knoppen af van de planten, als verzet tegen het gewone leven dat zich ontwikkelt. Ik kijk steeds door de ogen van de verteller. Ik identificeer me met hem. Soms komt zijn vrouw ter sprake, die zie ik door zijn ogen. Mijn sympathie ligt bij de verteller die worstelt met het leven, met het leed dat hem en zijn vrouw overkomt door het verlies van hun kind. Zijn worstelen is zo herkenbaar, wel heviger dan mijn eigen gevoelens in een vergelijkbare ervaring. Maar de openheid en eerlijkheid waarmee hij zijn binnenkant laat zien, zijn worstelen met woorden, met de onmogelijkheid om zijn kind levendig aanwezig te houden, is zo ontwapenend. We krijgen enig zicht op de manier waarop zijn vrouw handelt. Vb. Hij kijkt vol bewondering toe hoe ze het dode lichaampje waste, oliede…je voelt veel tederheid van de verteller naar zijn vrouw. De intimiteit van het drinken van haar afgekolfde moedermelk, van nog even samen, alleen met het lijkje te kunnen zijn “voor straks bezoek komt” en het zoeken naar de juiste manier waarop ze hem vraagt of hij hun kleine meisje nog even wil vasthouden…het toont de tedere omgang tussen beide ouders. Zij is de zorgende, hij de zoekende die met bewondering de moederlijke zorg beschrijft waartoe hij niet in staat is. Hij leeft mee met haar verdriet “plotseling waren je armen zo leeg en …zo wiegde je jezelf tot rust.” Het is zij die hem betrekt bij het kinderlijkje, om het nog eens vast te nemen, nadat hij eerder als observator haar zorgen gadesloeg. Het verschil tussen het leven zelf beleven en erover schrijven als observator komt hier sterk tot uiting. Personages waarvan ik niet weet wat zij zelf denken? De vrouw van de verteller. Welke rol ze vervult. Ze is deelgenoot in het verlies en tegelijk vertegenwoordigt ze een zeker contrast met de verteller, die enorm worstelt om in taal te vatten, in taal uit te drukken wat hem overkomt en daar nauwelijks in lukt. Zij wordt eerder voorgesteld als degene die lijdt en die haar liefde blijft uiten, het gewoon beleeft zonder dat geworstel met woorden. Het effect van door elkaar gooien van de ‘chronologische’ volgorde? In chronologische volgorde zou het zijn: de tijd voor de zwangerschap, de zwangerschap, de keuze van de naam, de geboorte, vaststelling van de medische problemen, de gang naar het ziekenhuis, de onderzoeken, de bespreking ervan en het overlijden, het zoeken naar woorden en de storende contacten met andere mensen die zoveel mogelijk worden vermeden; met de auto naar het zuiden in een jagershuis in het bos waar de angst voor mensen hem besprong; een schutting wordt gezet; de wereld is veranderd in een necropolis; het verliezen van de levendige herinnering (steeds minder is mijn huid nog aan haar gewend). Het heen en weer bewegen in de tijd geeft kansen om het zoekende proces naar woorden voor het afscheid daar telkens doorheen te weven. Het verhaal is niet systematisch naar volledigheid strevend, niet de exacte gebeurtenissen zijn belangrijk, maar de beleving, de vervreemding, de (on)mogelijkheid om woorden te vinden. Het voortdurend wisselen van tijdsmoment onderstreept het verwarrende, het ongrijpbare van de verlieservaring, die het hele leven overhoop gooit. Het verhaal beweegt heen en weer tussen pijnlijke momenten en reflectie. De tijd binnen het verhaal. Soms zijn er enorme sprongen die naar metaforen uit de oudheid verwijzen: Odysseus, Jezus, Etruskische tijd. Die sprongen verbinden de ervaring van de verteller met het universele van wat hem overkomt en geeft er een haast kosmische dimensie aan. “Als je genoeg kwijtgeraakt, wordt het verleden op den duur wat eerst de toekomst was…” “Soms vergeet ik dat de toekomst nieuw is. Dan heb ik het oude nog in mijn hoofd. Denk ik dat alles nog moet beginnen. We doen net alsof we van niks weten.” De schrijver leeft zich dan weer in de tijd in dat ze nog met tweeën waren. Veelal worden specifieke momenten in het hele proces beschreven en wordt daar veel tijd voor uitgetrokken in het verhaal. Maatschappelijk historische context. De moderne westers maatschappij met zijn sterk medisch technische ontwikkelingen, het ziekenhuis, de ambulance. Een tijdperk waarin kindersterfte sterk is verminderd in vergelijking met vroegere tijden. Hij beschrijft zijn ervaringen met de medici die op een technische manier omgaan met de baby en met hen als ouders en hoe hij zich voor hun benadering afsluit. Hij beschrijft de onmacht om met de rest van de omgeving een gepaste nabijheid en woorden te vinden voor de onnoembare pijn van het verlies van een kind. Wat minder doorklinkt is dat medici alles doen om een kind te redden. Hij laat dit na om het contrast tussen zijn emotionele beleving en die van de omgeving, de emotionele kloof met de omwereld sterker tot uiting te laten komen. Het toont de vaak voorkomende onmacht van gespecialiseerde artsen om in authentiek contact te komen met mensen die groot verlies lijden. Dat hij de ambulance kwijtspeelt in het drukke verkeer, is een beeld dat dit mooi uitdrukt Wat moest ik opzoeken? Tages, een kinderhoofd dat werd opgegraven en er oud uitzag, onbegrijpelijk wijs, een goddelijk kind dat zich de toekomst kon herinneren…uit een Etruskische mythe. Men kon de toekomst lezen in de nagelaten tekenen. “Want alles wat ging komen, was er al. Ook de dingen die niet zouden gebeuren,” aldus het kind dat oud geboren was en jong de dood in moest, “stonden reeds bij voorbaat vast.” Het laat de verteller toe om het verlies van zijn kind vanuit deze mythe te bekijken en haar invloed op de toekomst te duiden. Anamorfose: een vertekende afbeelding die er slechts onder bepaalde omstandigheden realistisch uitziet. Een waarheid die er altijd was en je nooit zag, die van de realiteit van het sterven. Eens ont-dekt, begrijp je niet dat je het al die tijd niet hebt gezien. Nostos: verwant met nostalgie, verwijst naar de Griekse held die na vele ontberingen overzee terug thuis komt. Hij vergelijkt de eigen situatie hiermee: doorheen grote ellende terug in de gewone wereld komen en niemand die beseft wat je hebt meegemaakt, dat je hier fundamenteel door veranderd bent. Waar ligt de focus? Het gaat om het verlies van zijn kind. Het centrale probleem is hoe met het verdriet om te gaan, hoe er vorm aan te geven, zowel in relatie met anderen als voor zichzelf. Het tekortschieten van de taal. De noodzaak om nieuwe taal te creëren, als middel om het kind telkens weer als een levende realiteit aanwezig te kunnen stellen en daardoor een toekomst te geven. Een universeel probleem waardoor het anekdotische wordt overschreden. Hierbij geven verhalen uit de mythologie, religie en literatuur betekeniskaders. Vb. Het dochtertje van Jaïrus in het evangelie, Emerson die over het verlies van zijn kind schreef. Elementen die steeds terugkomen, die elkaar versterken of een ander aspect laten zien. Motieven en thema’s. -de ontoereikendheid van de taal tegenover diep ingrijpende gebeurtenissen in het leven. Het zoeken naar nieuwe taal en beelden.Deze drie elementen versterken elkaar: wie het niet meemaakte kan niet begrijpen wat het betekent en er bestaat geen taal voor die men ter beschikking heeft om het te begrijpen en te kunnen delen met anderen. -hoe pas in het reële ervaren van de dood van je kind de diepe werkelijkheid ervan kan worden erkend -de breuk met het leven voordien, met de niet- begrijpende buitenstaanders Beelden en beeldspraak? Metaforen en symbolen? Hoe sturen ze mij, wat is hun functie?Beelden. Vb. We vinden alleen maar woorden die we niet willen zeggen, ze smaken naar andermans mond…verstikt door verkeerde woorden. We zwijgen ons een gat in de woordmuur, waardoor wij kunnen ademen. Vb. Het grove volkje heeft ons aangevallen toen we even zonder huid waren, zonder verdediging, weerloos als een baby. Vb. om buiten onder kalme bomen naar gedachten te gaan zoeken. De beelden laten ons op zintuiglijke manier de zin ervaren van wat de verteller wil zeggen, en daardoor op een verhevigde manier. Vele personifiëringen maken neutrale zaken tot actieve actoren waardoor ze veel directer inwerken. Vb. De dagen zien ons niet staan. Ze sleuren ons mee… Vb. Het zonlicht dat binnenvalt en haar nergens terugvindt. Vb. Het verdriet gaat vandaag gewapend door de straten. Vb. Vreemd kijken de nieuwgeboren straten mij aan, sommige onwetend, andere betrapt, onderdrukken bijtijds een giechel, enkel schuldig met neergeslagen ogen, laten mij passeren als een eenmans-lijkstoet. ‘Deze stad’ zeggen ze ‘is alleen voor jou gebouwd  Vele paradoxen: Vb. We zijn terechtgekomen in een wereld …die de onze nooit zal zijn Vb. Hoe krampachtiger wij haar proberen te kennen, des te vreemder ze wordt. Vb. Het is voor mij een plek gebleven waar men niet moet zijn, waar men in zekere zin ook niet is. Men zet zijn lichaam er beleefd in een stoel en gaat er zelf in gedachten meteen vandoor, het lichaam aan zijn lot overlatend. Vb. Het is vinden wat niet kon worden gezocht, omdat het pas bestond op het moment dat het gevonden werd. Vb. Waar ze gedacht is, daar moet ze dood. Waar ze gedacht zal worden, dan zal ze dood moeten zijn. Maar het is onmogelijk en zal onmogelijk zijn om haar niet te denken. Er zal daarom op het laatst geen plek meer over zijn waar zijn niet gestorven is. Het is maar net begonnen. Ze heeft nog minstens een leven te gaan. Vb. Wat kunnen zij anders dan de dochter van Jaïrus, die alleen kan gaan leven als niemand het van haar weet? Er zijn massa’s beelden en metaforen, uit de natuur, de muziek en de theaterwereld. Symbolisch is veel in het hoofdstuk over haar naam, die voorlopige, openstaande naam. Het is de lege stoel aan tafel. Het haakje aan de schoolkapstok waar geen winterjasje komt te hangen. De verjaardag die niet kan worden gevierd. …     Boek twee “Zomertijd” van J.M.Coetzee   Wie vertelt? Wisselt het vertelperspectief? Het vertelperspectief verandert . Er wordt in een eerste hoofdstuk geciteerd uit een dagboek en vervolgens gesproken over de auteur ervan in termen van “hij oppert…” Bij letterlijke citaten wordt die persoon als ik aanwezig gesteld. In de relatie met zijn vader, krijgt ook die een stem, als een hij. Later wordt duidelijk dat die hij ‘Coetzee’ is waarover een biografie wordt geschreven. Latere hoofdstukken hebben de structuur waarbij Vincent, een biograaf van ‘Coetzee’ bekenden uit het verleden van de schrijver opzoekt om een biografie te schrijven. Elke geïnterviewde brengt een ander perspectief mee. In de interviews, komen ook andere personen uit het leven en uit de familie van ‘Coetzee’ aan bod. De eerste zin. Hier wordt een bloedige aanslag verhaalt zoals dat verscheen in een krantenbericht. Het speelt zich af in 1972 in Botswana en mannen met bivakmitsen rijden in een Witte Amerikaanse auto een woonwijk in. Zeven verkoolde lijken, twee mannen, drie vrouwen en twee kinderen. Het gaat om een gewelddadige periode in Zuidelijk Afrika, die geen vrouwen en kinderen ontziet. Het roept afgrijzen op bij mij als lezer maar ook nieuwsgierigheid naar wie de moordenaars en de slachtoffers zijn, naar de motieven ook. Gezien het jaartal kan het om racistisch geïnspireerd geweld gaan. Dit wordt in de volgende paragraaf verder gesuggereerd en tegelijk betwijfeld: “De moordenaars leken zwart te zijn, maar een van de buren hoorde hen onder elkaar Afrikaans spreken, overtuigd dat het blanken waren die hun gezicht zwart hadden gemaakt. De doden waren Zuid- Afrikanen, vluchtelingen, pas enkele weken in het huis getrokken.” Het scherpt de nieuwsgierigheid aan: vanwaar kwamen de vluchtelingen en wie had hen zo snel gevonden en waarom gebeurde dit alles, wat hadden die vluchtelingen gedaan? Het suggereert een heel complexe zaak met onduidelijkheid over wie de daders zijn en hun motieven. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt me dat? Zijn het meerdere personen? Het is Vincent de biograaf van de schrijver ‘Coetzee’die inzage geeft in ‘Coetzee’ via citaten uit zijn dagboek en interviews. Hij laat geïnterviewden aan het woord, maar lijkt veel te weten waarover hij de gesprekspartners wil laten praten. Zo weet hij wat de ‘Coetzee’ en zijn vader denken over de gewelddadige gebeurtenissen zoals de moord in Botswana. De selectie van de commentaar over de gebeurtenissen in het dagboek laten ons door de ogen van de ‘Coetzee’ kijken. In de andere hoofdstukken komt telkens een belangrijke bekende aan het woord die een ander licht werpt op ‘Coetzee’: een vroegere vrouwelijke collega, wiens minnaar hij was; een nicht van ‘Coetzee’ die ook andere familieleden laat spreken; een Braziliaanse danslerares op wie hij verliefd is, maar wat niet wederkerig was; een collega sollicitant aan de universiteit en met wie hij samen colleges over poëzie gaf; een vrouwelijke collega aan de universiteit van Kaapstad. Tot slot komen ongedateerde dagboekfragmenten waarin de relatie met de vader aan bod komt en hoe die evolueerde wanneer die vader hulpbehoevend werd. Bij wie ligt mijn sympathie? In welke mate is dat gestuurd door de verteller? Mijn sympathie ligt bij ‘Coetzee’. Hij verschijnt als een mens van vlees en bloed met al zijn tegenstrijdigheden in aspiraties, emoties, handelend optreden. Zijn mislukkingen, zijn beperkingen en onhandigheden komen sterk op de voorgrond, naast zijn afkeuring van mistoestanden. Tegelijk ook zijn inconsequenties en twijfels en de vele vooroordelen die van anderen naar hem uitgaan waarvan hij het slachtoffer is. Ik kan mezelf in veel van die ‘Coetzee’ herkennen. Onderlinge relaties tussen de vertellers? Ieders rol en motivatie? Ze laten elk een ander aspect van zijn leven zien: zijn maatschappijkritische visie, zijn liefdesleven, zijn lichamelijk bewegen, zijn schrijverschap, zijn relatie en zorg voor vader, de spanning tussen carrière en die zorg voor vader. Personages van wie ik niet weet wat zij denken? Welke rol spelen ze? We weten niet wat de ‘John Coetzee’ in de verschillende relaties dacht en voelde, ook niet wat zijn vader denkt en voelt in de relatie met zijn zoon. Het verhaal in goede chronologische volgorde? Effect van door elkaar gooien? Zijn er gaten? Formeel gaat het over de periode van 1971 tot 1977. Maar de geïnterviewden geven soms inzicht in vroeger. Julia en Margot, de nicht geven zicht op de familiebanden, op enige voorgeschiedenis van de vader van ‘Coetzee’. We komen slechts in stukjes meer te weten over het leven van ‘Coetzee’. Het draagt bij tot verrast worden, nieuwsgierig blijven, tot in het laatste hoofdstuk waar enig licht wordt geworpen waarom de vader stopte als advocaat, uit zijn ambt werd gezet en boekhouder werd waar hij speciaal in het oog werd gehouden. Er zijn veel gaten, zo weten we weinig over de moeder van Coetzee, tenzij dat ze overleden is, tot ook hier in het laatste hoofdstuk meer over haar visie op opvoeding wordt verklaard en over haar afkomst. Subtiel wordt daar ook iets over de relatie van zijn vader en moeder gezegd: vader die in een quiz op de vraag of zijn relaties met het ander geslacht bron van tevredenheid waren, kort antwoordt met “nee”. Het einde van het boek is getiteld “ongedateerde fragmenten” en brengt ons de ongeneeslijke ziekte van vader en het dilemma van ‘Coetzee’ of hij voor hem zal zorgen of niet. Die vraag blijft onbeantwoord en dat doet mij als lezer des te meer over dit thema nadenken. De tijd binnen het verhaal en de tijd nodig om het te vertellen? Zijn er sprongen? Hun functie? Er zijn sprongen. Soms worden bepaalde scènes uitvoerig beschreven en krijgen korte tijdsmomenten veel plaats in het boek. Soms wordt een sprong gemaakt, zelfs in de opeenvolging van de hoofdstukken: in het vierde interview wordt verteld dat de vorige interviews nog moeten plaats grijpen. Het creëert een vorm van verwarring, van alertheid ook, van zich wat beet genomen voelen en het houdt de aandacht gaande. Maatschappelijk historische context? Periodes, locaties? Hoe resoneert die context mee in het verhaal? Dingen uit die tijd die niet meeklinken? Waarom?De toegenomen seksuele vrijheid komt aan bod in de relaties. De periode van toegenomen bewustzijn van en verzet tegen de klasse verschillen, waarbij ‘Coetzee’ bewust werk van de arbeider doet. Een periode van toegenomen mobiliteit op mondiaal vlak. Van de geïnterviewden wonen er verschillende (weer) in het buitenland of zijn van vreemde origine. De toegenomen spanning tussen de zorg voor ouders en de eigen carrière is een typisch fenomeen in deze periode. Gebeurtenissen die geen aandacht krijgen: de Rote Armee Fraction in Duitsland en de Rode Brigades in Italië, de staatsgreep van Pinochet en de moord op Allende in Chili, de eerste oliecrisis. Deze zaken hebben misschien weinig rol gespeeld in het leven van de schrijver. Het speelt zich af in de nadagen van mei 68, de periode van het Apartheidsregime in Zuid-Afrika, met gewelddadig protest ertegen vanwege de zwarte bevolking, een protest dat in de hele wereld wordt overgenomen. Het boek begint met dergelijk geweld. Het is de oorzaak van het ongemakkelijk gevoel om blanke Afrikaners te zijn, zoals ‘Coetzee’ zelf is. Het gevoel dat dit land hen niet toekwam. Het is ook de periode van de Vietnam oorlog en het verzet ertegen, dat de oorzaak wordt van het einde van het verblijf van ‘Coetzee’ in Amerika. De onafhankelijkheid van de Portugese kolonies heeft op het maatschappelijk leven in Zuid-Afrika een invloed gehad door de vele vluchtelingen. Er is een verwijzing naar: Portugese meisjes, uitzwermsels van het voormalige Portugese rijk. Dingen die ik moest opzoeken? Ballotage: stemming om een kandidaat lid toe te laten in een groepering Kaggen, de god van de bidsprinkhaan, waar het wijfje na de paring het mannetje opeet. Hij is de scheppersgod. Focus van het verhaal. Er is een min of meer afgebakende periode, maar in flashbacks komen ook andere tijden aan bod. Enkele thema’s komen centraal te staan: zijn relaties met vrouwen, de relatie met zijn vader, de relaties binnen gezin en familie; zijn politieke gezindheid. Afgebakend zijn de hoofdstukken die telkens iemand anders aan het woord laten. Er komen andere zaken aan bod of ze worden anders belicht. Het anekdotische wordt overschreden door de universaliteit van de thema’s, met de vele tegenstrijdigheden die elke keuze of houding met zich meebrengt. Elementen die steeds terugkomen, elkaar versterken of een ander aspect laten zien. Motieven en thema’s.-op politiek, links versus rechts, klasse verschillen en racisme -op familierelaties -literatuur De vele tegenstrijdige visies die mensen kunnen hebben op allerhande thema’s: -op ‘Coetzee’ -op relaties tussen mannen en vrouwen, de seksualiteit en de verhouding lichaam- geest -opvoedingsprincipes in het gezin en op school Beeldspraak. Metaforen en symbolen. Hoe sturen ze mijn denken en gevoelens. Hun functie? Symbolische daad als puber waarbij hij een kras aanbrengt op de LP waar zijn vader zo vaak naar luisterde, als afweer van de sensualiteit die ze opriep en die hij bij zichzelf pas veel later herkende. Later probeert hij die muziek te gebruiken om zijn vader tevergeefs te bereiken, in een poging om hem te lokken zoals een jager een vogel lokt met zijn gefluit. Veel prachtige beeldspraak die toont ipv te vertellen. Vader die antwoorden over zijn leven geeft in een quiz, waarvan de behaalde punten aangeven dat hij een weinig bevredigend leven en huwelijk heeft gekend. “Al zijn verkeer met de wereld lijkt langs een vlies te verlopen…daarom zal er geen bevruchting plaatsvinden. Het is een interessante metafoor…maar hij ziet niet in wat hij ermee opschiet.” Een voorbeeld van de vele tegenstrijdige standpunten. Julia die bedenkt dat alle avances tot nu toe van haar uitgingen. “Nu is het aan hem om het knoopje door het gaatje te duwen of het knoopje niet door het gaatje te duwen. Bij wijze van spreken.” De liefde bedrijven op de muziek van Schuberts Kwintet, is een fantastische manier om ‘Coetzee’ seksueel te typeren. Het komt twee maal aan bod in het boek. Ze spreken de eigen verbeelding van de lezer aan, met veel meer nuances dan je kan beschrijvend vertellen. Ze kunnen telkens weer andere facetten bij de lezer oproepen, ze zijn in zekere zin onuitputtelijk aan betekenis. En dat sluit aan bij heel het boek dat voortdurend de lezer andere manieren van kijken aanreikt. Boek drie: “Liefde” van Karl Ove Knausgard Er is een enkelvoudig personaal perspectief waarbij de ik-verteller, een schrijver terugblikt op zijn liefdesleven. Hij is rond de 40 en heeft drie kleine kinderen. Het verhaal wordt verteld in de ik- vorm. Het boek begint met een exacte datum: 29 juli 2008. Het zegt iets over de nauwgezetheid waarmee de auteur observeert. In de eerste zin is reeds het spanningsveld voelbaar tussen de professionele carrière van de schrijver, ik- figuur en de verantwoordelijkheid voor zijn gezin. Vakantie zegt hem niets maar het moet voor de kinderen: “altijd alleen het verlangen om door te blijven werken.” Je voelt de last van de kinderen: “al meer dan een maand zijn ze thuis van de crèche.” De daarop volgende zin werpt een eerste licht op de relatie met de moeder van de kinderen. Ze zijn op vakantie “en na drie dagen gaven we het op en vertrokken weer…de sfeer toch al niet zo harmonieus.” De gespannen gezinsrelaties, zullen een belangrijk inhoudelijk aspect van de roman worden. De schrijver laat dadelijk de tegenstrijdigheden in de verteller ervaren en tussen hem en de anderen. We kijken vooral door de ogen van de ik- figuur. Soms komt in dialogen de kijk van anderen tot uiting. De vrouw Linda: “wij komen altijd in dergelijke situaties terecht.” Als ze spreekt over de vele verwachtingen die in haar jeugd op haar wogen. De kijk van zijn vriend Geir Mijn sympathie ligt bij de ik- figuur. De enorme eerlijkheid waarmee die over zichzelf spreekt is ontwapenend. Hij geeft een diep inzicht in de vele tegenstrijdige gevoelens en ideeën in een mens, die erg herkenbaar zijn. Hij zet zichzelf vaak te kijk in zijn blootje, met al zijn zwakheden. Tegelijk verschijnt hij als degene die de problemen steeds probeert op te lossen, met wegcijferen van zichzelf. Als blijkt dat Linda een psychiatrische aandoening heeft, is zijn oorspronkelijke houding er één van ”we slaan er ons wel door.” Andere vertellers. Vb. De kijk van Geir, zijn vriend op het verhaal van de verkrachting van een dertienjarige leerlinge, dat de ik- figuur verdrongen heeft maar wel beschreven heeft: “dat vergt moed.” Waar tegenover de ik- figuur stelt: “ik heb schijt aan mezelf.” Het geeft twee tegenstrijdige perspectieven op hetzelfde verhaal. Dit is mogelijk door het via andere personages te laten zeggen. Geir verwoordt andere dimensies in het versieren van Linda, zaken die de ik-figuur verlangt maar vanuit onzekerheid ontkracht: “ze is verliefd op je, man. Bel haar op…je kunt niet zomaar niets meer van je laten horen allen maar omdat je dénkt dat zij niets mee van je wil weten.” Door verschillende schrijvers en dichters aan het woord te laten, worden andere, tegenstrijdige invalshoeken op literatuur aan bod gebracht. “Mysologie, wantrouwen ten opzichte van woorden,” staat tegenover “het gaat erom openingen te vinden naar waar de taal anders geen toegang toe heeft, maar wat we toch, ergens diep van binnen, kennen of herkennen, of… ontdekken. De woorden van Paul Celan kunnen niet met woordeen worden tegengesproken.” Personages van wie ik niet weet wat zij denken? Welke rol spelen ze. Tonje de eerste vrouw van Karl Ove. Misschien is haar rol de mislukking van een eerste huwelijk te vertegenwoordigen, wat de druk verhoogt om in een tweede wel te lukken. Het belicht ook de rol van de familie die met Tonje anders omgaat dan de ik-figuur en wat bron van spanning is in de relatie met Linda. De nieuwe relatie start reeds in een bestaand spanningsveld. Het verhaal wordt voortdurend door elkaar gegooid. Het houdt de aandacht gaande. Mensen die even worden vermeld zonder veel bijzonderheden om later uitgebreid aan bod komen; het doet uitkijken wie ze zijn. Er ontstaat vaak een structuur van binnen een verhaal komt een nieuw verhaal waarbinnen er weer een nieuw opkomt. De draad van waar het oorspronkelijk verhaal was blijven liggen, wordt dan later weer opgenomen. Het is niet makkelijk om te ontdekken of er gaten zijn. Er zijn geregeld sprongen in de tijd. Het verhaal begint in het recente verleden als de ik-figuur, zijn ex- vrouw en de drie kinderen op vakantie zijn. Het wordt volledig in de verleden tijd geschreven. Van daaruit wordt er in het verleden heen en weer gesprongen. Er zijn momenten waarbij de tijd van het verhaal langer duurt tegenover de tijd van het werkelijk gebeuren. Er is dan een uitgebreid zintuiglijk beschrijven van de scène. Ze onderstrepen de intensiteit van het moment vb. bij het beschrijven van de natuur waarin hij verwijlt. Of ze lassen een pauze in om de intensiteit onder controle te houden en de nieuwsgierigheid aan te scherpen voor wat er gaat komen. Vb na een ruzie met Linda, zijn vrouw. De context is die van het begin van de 21ste eeuw met flashbacks naar het einde van de 20ste eeuw en de jaren 70. Het speelt zich af in het schrijversmilieu van Zweden en Noorwegen. De verschillen tussen Zweden en Noorwegen komen geregeld aan bod. In maatschappelijk alternatieve milieus van anti- autoritaire opvoeding, alternatieve voeding, schrijvers en dichters… Mysologie en Pyrrho: wantrouwen tegenover woorden en van alles wat verwoord kan worden, kan het tegendeel worden gezegd. Pastiche: nabootsen van andere auteur, fragmenten van andere auteur gebruiken. De focus. Het gaat over de ontwikkeling van de liefde tussen de ik-figuur en zijn huidige ex- vrouw, vanaf het allereerste contact tot een moment dat ze een tijd gescheiden zijn maar nog samen met de kinderen op vakantie gaan. De psychologie van de verteller staat daarbij centraal. Wat denkt hij, voelt hij en hoe kijken anderen naar hem, zoals ze dat in dialogen tot uitdrukking brengen. De vele tegenstrijdigheden in de relatie, de specifieke psychologische en relationele problemen die te maken hebben met de psychiatrische ziekte van Linda, de ex- vrouw. Welk aandeel de psychologie van de hoofdpersoon heeft in de vele conflicten en in de uiteindelijke scheiding. De tegenstelling tussen het pure leven en het schrijven erover, tussen de carrière als schrijver en het gezinsleven. Het onvermogen om voldoende autonomie te ontwikkelen in verbondenheid met elkaar. Hoe dat tot overmatig drinken leidt en tot uitbarstingen van geweld. Elementen die terugkomen. werken en carrière versus leven en gezin schrijven versus leven; denken tegenover het leven zelf gedroomde leven versus reële leven en de midlifecrisis met radicale nieuwe keuzes de ambivalenties in een relatie en het onvermogen ze te overbruggen psychologische mechanismen als verdringen en ontkennen; sublimeren de spanning tussen streven naar autonomie en verbondenheid de tegenstrijdigheden in de eigen ideeën en gevoelens; het zichzelf afbreken en kleineren verschillen tussen Noren en Zweden De psychologische erfenis van de vorige generatie drank als bevrijder schrijven als manier van zin geven en nieuwe dimensies ontdekken tegenover schrijven als dode boel “letters beenderen op een begraafplaats.” de psychologie van een kind en de in aanleg aanwezige verschillen tussen kinderen. De onzekerheid als jonge ouders. Beelden en symbolen.Het boek staat vol van dit soort zaken, waardoor de gewoonste handelingen zoals eten van kreeft, bijzondere betekenis krijgen. Daardoor blijft het boek verrassen en boeien en geeft het diepgang aan dat alledaagse. Hij is een meester in het beschrijven van alledaagse gebeurtenissen en wat daarbij allemaal in een mens kan omgaan. Er staat veel beeldspraak in. Ze typeren een personage dat naar de kleine kinderen kijkt vb” hij keek naar ze zoals je naar mollen of egels kijkt.“ Het geeft me een eerder negatief gevoel, maar de auteur vervolgt met: “Ik begreep hem en ik mocht hem.” Daar kom ik in contact met zijn spanning tussen werk- carrière en zorg voor de kinderen. Die spanning vertaalt zich in zijn houding naar dat betreffende personage: afkeer en begrip. Een beschrijving van een situatie die tegelijk een symbolische uitbeelding is van een andere. Zo beschrijft hij “vertwijfelde vaders en moeder stonden uit alle macht aan de teugels te trekken zonder dat de beesten in beweging kwamen…Zie je, Vanja. De ezels weigeren te lopen.” Het speelt zich af tussen taferelen waarbij hij zijn dochters probeert te sturen en zij dat weigeren. Vb. “Het begon aarzelend, zoals bijna alle gesprekken tussen mensen die meer van elkaar weten dan dat ze elkaar kennen. Ik peuterde het gladde, dikke vlees uit de schaal, sneed het in stukjes, prikte mijn vork erin en haalde het door de mayonaise voordat het de tocht naar mijn mond begon.” Het eten van de kreeft, lijkt symbool voor de manier waarop de mensen met elkaar omgaan.        

Hendrik Van Moorter
32 0

een diepe put

Opdracht één, stap drie Thema van leven en dood Premisse: Voor wie de dood niet aanvaardt, zal ze geen nieuw leven voortbrengen. Is dat wel zo? Hoe kom je daartoe? inspiratiebron: Schaduwkind van Thomèse hoofdstuk Godheid Sinds die dag ben ik veel gevoeliger geworden voor het lijden van mensen. De woorden die ik toen hoorde sloegen in als een bom. De krater in mijn ziel werd een put die de komende weken zou vol stromen met mijn tranen. Ik weet niet wat mijn ziel is. Het diepste van een mens voorbij alle kennen.    De wanden van de put die eerst nog overeind bleven, stortten in. De tijd dat er stevige grond was, leek voorbij. Mijn ziel werd bodemloos. Een paar weken later werd een Duitse topindustrieel door de Rote Armee Fraction vermoord. Een bom onder zijn auto en een krater in de weg.    Met hun linkse ideeën had ik altijd enige sympathie gevoeld. Nu beukte het nieuws van de moord in op de afbrokkelende wanden van mijn put.      Er was iets veranderd in mij. Ik snikte het uit, alsof het mezelf overkwam. Het besef dat het om iemands geliefde ging, die nu achterbleef. Een huwelijk dat brutaal werd stuk gemaakt. De foto van de vermoorde man bleef hangen aan de wanden van mijn ziel. De bron van mijn tranen was lang geleden droog gelegd. Tranen waren als kind verboden en ik leerde om niet te voelen. Als mijn grootvader stierf, wist ik niet wat er werd verwacht dat ik zou voelen.    Wat me nu overkomen was, had wat toen dicht gesnikt was, weer open gebroken. Nu welden de tranen op bij alles dat wijst naar grote liefde, liefde in moeilijke omstandigheden, onmogelijke liefde, liefde die wordt getackeld. Welke waarde hebben die tranen? Wat dragen ze bij tot het leven? Zijn snelle emoties niet even snel weer vergeten? Wat moet er meer gebeuren als je geraakt wordt door het lijden van anderen? En door je eigen lijden? Ik las ergens dat het leven intenser wordt in tijden dat de dood dichtbij is. Mijn grootvader was 10 toen zijn vader stierf en toen zijn moeder stierf 17. Hij ging aan de drank. Hoe kan het leven intenser worden nadat de dood heeft toegeslagen? Is de dood niet altijd destructief? Kan de intensiteit te groot zijn? Een man die onder het kruis stond waarop zijn geliefde Meester werd terechtgesteld, schreef vele jaren later: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden…In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan.” De wereld van Johannes was ook ingestort. In wat hij schrijft is zijn geliefde een Woord van God, licht in de duisternis, maar een duisternis die het licht niet aanvaardt. Is dood gelijk aan duisternis? Beide hebben geen identiteit, net zoals de godheid. Dood en duisternis zijn de afwezigheid van iets. De afwezigheid van leven of van licht. Maar God wordt Licht genoemd. Duisternis kan niets met het licht doen. Maar zonder duisternis zouden we niet weten dat er licht is. Pas in de duisternis wordt het licht zichtbaar. God is ook duisternis. Heeft Johannes in dit Woord het antwoord gevonden op de dood die zijn wereld liet instorten? Thomese schrijft: “Ze is iemand geworden die steeds opnieuw geboren moet zien te worden: in de woorden die ik voor haar vind.” Zijn dochtertje, nog een baby is pas gestorven. Moeten de tranen woorden vormen? Moeten uit die put vol tranen woorden en beelden opwellen? Uit een onkenbare bron in het diepste van die bodemloze put, ingeslagen in de ziel? Woorden als een echo. Een echo van wat?      

Hendrik Van Moorter
24 1