Lezen

Een aap en zijn bananen aka Cafépraat

“Je kunt een hongerige aap zijn bananen niet zomaar afpakken.”Ik zette mijn pint terug op de toog en keek mijn beste vriend Mark niet begrijpend aan. Had ik iets gemist in onze conversatie? Waar en wanneer zijn we over apen begonnen? Schrap die vraag en vervang het door een belangrijker raadsel: wanneer zijn we over bananen begonnen?Nu, ter mijner eigen verdediging... ik was op dat ene cruciale punt van iedere gezellige avond aanbeland waar ik een beetje moeite had om een gesprek te volgen.“Hoe bedoel je?” Vroeg ik, zo nonchalant mogelijk en in de hoop dat ik niet liet merken hoezeer ik de draad kwijt was.“Awel, uw eten laat je je niet zomaar afpakken. En ge moet stapelzot zijn om zo'n aap te ambeteren. Die beesten zijn ijzersterk en hun hoektanden zijn scherper dan die van gelijk welke vleeseter.”Ondanks een zeker alcoholpercentage dat door mijn lijf gutste, begon er in mijn hoofd een uiteenzetting over Darwinisme vorm te krijgen. Ik stond op het punt om aan mijn betoog te beginnen toen ik merkte dat ik een schoolbord en gekleurde krijtjes nodig had. Ongecontroleerd ging ik van: “Euh...”Dat was het teken dat Mark nodig had om verder te gaan met zijn verhandeling.“Duiven daarentegen zijn helemaal anders. Die eten totdat ze ontploffen. Ofwel eten ze teveel, hun maag scheurt en de duif zegt splut. Ofwel eten ze iets dat ze niet kunnen verteren, dat blijft in de maag zitten die daardoor scheurt en de duif zegt...”“...Splut?”“Heel juist, wat moet je nog drinken?”“Een groene cola...” Stamelde ik. “Maar weet je dat een duif zijn calorieën...”Voordat ik mijn uiteenzetting kon afwerken kreeg ik mijn groene cola en moest er geklonken worden. De cola smaakte me niet, maar ik had nu eenmaal het besluit genomen om naar huis te stappen in plaats van te strompelen. Ik dronk de cola snel op en bestelde me een tweede.“Een olifant kun je niet voor je kar spannen.” Verklaarde Mark.Mijn tweede cola besloot op dat moment om een bezoekje te brengen aan mijn sinussen.“Pardon?” Terwijl ik de cola uit mijn neusgaten probeerde te snuiten.“Ten eerste is dat een wild beest en wilde beesten kun je, of beter gemompeld, mag je niet temmen. Ten tweede vreet zo'n beest de oren van je lijf. Het zou beter zijn als dat beest zijn eigen oren opvrat...”Hilariteit alom en we lachten zo hard dat de drank moeite had om in het glas te blijven. Mark hikte nog na terwijl hij verder vertelde.“En ten laatste, je kunt een walrus geen harnas omdoen.”Ik was de weg weer eens kwijt. Niet voor het eerst deze avond en, Algemeen Gesproken, ook niet voor het laatst.“Hadden we het niet over olifanten?”“Olifanten, walrussen, walvissen en dolfijnen. Allemaal dezelfde beestjes! Ze zijn allemaal...” Mark had/deed (schrappen wat niet past) heel veel moeite om zijn vingers te verstrengelen.“... interwinnend.”“Ah ja, DNA.” Ondanks zijn gebrekkig Engels wist ik wat Mark bedoelde.“Neen, neen. Het gaat veel dieper dan dat.”Terwijl ik weemoedig mijn cola verder opdronk, beschouwde ik de religieuze toer die deze discussie onherroepelijk opging.“Alles is met alles verbonden: de planten en de dieren.”“Fauna en Flora?” Hielp ik Mark.“Ja, die ook. Ik zie dat ge mee zijt.”Ik begon aan mijn derde groene cola terwijl ik dacht dat deze conversatie misschien beter te volgen kon zijn mocht ik laveloos, stomdronken en/of poepeloere zat zou zijn. Dat zou echter zonde zijn van die cola, nu ik die toch had. Vol vuur ging Mark verder met zijn redevoering.“Ja, ge moet weten dat diep van binnen alles met elkaar verbonden is door een mysterieuze, bijna goddelijke kracht.”“Bijna goddelijk? Ruimtewezens misschien?”Mark negeerde mijn laatste opmerking, omdat hij niet meer wist van welke parochie hij was.“Neeje, biochemie!” Gilde hij zacht.“Ah...” Was het enigste dat ik kon uitbrengen. Het besef groeide dat niet ik, maar Mark de draad volledig kwijt was.“Ja! Ge weet wel... met zuren en carboniet.”Nu was ik het zeker! Mark was niet alleen zijn draad, maar ook zijn bobijn kwijt. Mijn blijvend stilzwijgen was de enigste aanmoediging die hij nodig had om verder te orakelen.“De mensen snappen niet dat alles is verbonden met elkaar. Het holistische wereldbeeld is verketterd en vergruisd. Het verband tussen probleem A en probleem B is weggecijferd. Als je A oplost vergroot probleem B en krijg je een nieuw probleem C. En weet je wat het grootste probleem van al is? Weet je wat het ergste is dat ons kan overkomen?”Ik schudde mijn hoofd. Ik wist gewoonweg niet meer welke kant dit gesprek uiteindelijk uitging.“Na de letter Z zijn de letters op en dan is het gedaan...”Ondanks alle rumoer, werd het stil tussen Mark en mij. We lieten de laatste woorden tussen ons in hangen. Ik zocht naar de verborgen, diepere betekenis van wat Mark net had gezegd. Hij was geschrokken van zijn eigen woorden. Ik bestelde voor ons beiden een verse pint en terwijl ik zijn leeg glas voor een vol omwisselde, keek ik Mark aan en zei:“Je kunt een hongerige aap zijn bananen niet zomaar afpakken.”

Wibboo Jozefs
19 0

het uur van de kikker

Ik heb al verschillende stenen verlegd in verschillende rivieren op aarde, maar geen enkele stroom ging een andere weg op. Tenzij natuurlijk die ene keer toen ik een betonblok loste in een derderangsbeekje in Erembodegem. Mijn vrachtwagen was te zwaar geladen, zei de rijkswacht. Het was lossen of een nachtje brommen. Bij de eerstvolgende verkiezingen werd de burgemeester zonder pardon weggestemd. Vele jaren later zag ik hem bieten planten in het park. De jaren negentig vlogen voorbij als een zwerm honingbijen boven een bloemenweide: tergend traag. In 1992 gebeurde er niet veel in mijn dorp. Ik was tien en droomde van 1993. Ik vond dat een mooi getal. Mijn lievelingsgetal was echter nul. Dat rijmde op Hull. Elk jaar ging ik met mijn ouders en zussen naar Schotland. We namen dan de ferry van Zeebrugge naar Hull. Ik hield van Hull. Het rijmde op lul. In 1996 was het eindelijk zover: mijn teddybeer stierf. Ik begroef hem tussen de brandnetels links van de mesthoop. Rechts van de mesthoop lag mijn waterpistool, zes voet onder de grond. Het was in 1994 ter ziele gegaan. Mijn grootmoeder huilde met me mee toen ze de ajuinen sneed. Ik keek haar aan en hoopte dat het snel 1995 zou worden. En inderdaad, enkele maanden later begon er een nieuw jaar. Zo ging dat in die tijd. Nu zit ik hier te mijmeren over een godvergeten decennium. Ik kan evengoed wortels schrapen. Ik doe dat graag. Naast revoluties ontketenen, gevestigde orden omverwerpen en bootvluchtelingen redden, is wortels schrapen mijn grootste hobby. U ziet het, ik heb geen kiezels in rivieren nodig om bewijs van mijn bestaan te leveren. Ik schraap wortels dus ik ben. Ik schraap ze tot het bloed uit mijn vingers gutst. Ik hou van bloed. Het rijmt op bolhoed.

Maarten Verhelst
2 0

Mike, een verhaal in twee bedrijven

Toen het nog niet zo heel erg was maar wel een beetje: De broer van Mike had een nieuwe vriendin. Vandaag had hij haar voor het eerst meegenomen naar huis en mocht ze mee-eten. De moeder van Mike leek veel vrolijker en opgewekter dan anders en ze had een schort met bloemetjes aan. Ze had nooit een schort aan. En zeker niet met bloemetjes. Mike dacht dat ze dat schort vast speciaal voor deze avond had gekocht, net als de bloemen in de vensterbank. “We eten rollade vanavond!” riep de moeder van Mike met iets meisjesachtigs in haar stem. We eten nooit rollade, dacht Mike. De broer van Mike gaf zijn vriendin een rondleiding door het huis alsof het zijn huis was en alsof hij wist hoe het in het huis werkte. De vriendin wilde alles weten. Ze vroeg of Mike echt speelde op de instrumenten in zijn slaapkamer. Mike vond het nogal logisch als je instrumenten in je slaapkamer hebt staan, dat je die dan ook gebruikt om op te spelen. De vriendin kreeg het grootste stuk van het vlees en ze smakte en hield haar vork raar vast met een soort buiging in haar pols. Mike vond dat helemaal niet nodig.  Soms werd er iets gezegd aan tafel en de vriendin lachte dan haar grote witte tanden bloot en begon te schaterlachen. Als de moeder van Mike iets vroeg antwoordde ze met volle mond terwijl ze onder de tafel haar hand op het been van de broer van Mike legde. De broer van Mike moest ook lachen om de dingen die aan tafel werden gezegd terwijl die dingen niet eens grappig waren.  De broer van Mike moest bijna nooit om dingen lachen. En zeker niet om dingen die aan tafel werden gezegd. Mike wilde ook wel een keer een meisje mee naar huis nemen zodat ze mee kon eten. Hij zou dan een meisje kiezen dat niet smakte en geen hand op zijn been legde en niet zou schaterlachen. Ze had een andere lach gehad, een zachte grinnik. Veel charmanter en eleganter dan de vriendinnen van zijn broer. Maar zulke meisjes zijn nergens te vinden. Als meisjes je vriendin worden leggen ze hun hand op je been en maken krullen in je haar. Ze kijken in je ogen en kijken niet weg tot dat jij weg kijkt of je knippert. Ze leggen hun handen in jouw handen en pikken je broer af en zijn een nep-broer met nagels en parfum. Ze vragen naar welke platen je luistert en ze vragen wat je lievelingskleur is. Ze vragen waar je aan denkt en waar je over droomt. Ze vragen je zo veel dat er niets meer overblijft. Net als met rollade. Ze aten nooit rollade. En zeker niet als Mike er om vroeg.   Toen er niets meer aan te veranderen viel: Wat hij het liefste zou willen zeggen, was iets over dat ze samen elkaars navels vergeleken, 's zomers in het gras. Dat hij hem gepest had met zijn navel omdat er zo'n bobbeltje op zat. Dat ze samen in de roeiboot naar de overkant van de sloot hadden geroeid en het dan leek alsof ze in een ander land waren terwijl hun moeder aan de overkant zwaaide en riep dat ze broodjes en soep konden halen maar ze deden alsof ze het niet hoorden. Dat hij een keer een tand door zijn lip had omdat hij achter hem had aangerend in het zwembad en toen op de grond viel. Dat hij heel hard moest huilen en werd uitgelachen maar ook werd getroost. Dat ze samen op de fiets naar het dorp gingen en ze daar met hun handen op de blote benen van meisjes hun eerste sigaret hadden gerookt. Dat ze waren verdwaald en niet bang waren geweest. Dat ze stenen gooiden op kippen en huizen maakten voor kikkers. Dat ze harten hadden gebroken en weer heel hadden gemaakt. Dat ze hadden gerend door steegjes, gepraat in de nacht en gehuild in de regen, want in de regen kun je dat niet goed zien. Dat zijn broer moest overgeven en dat eigenlijk niet grappig was en hij daarom maar zijn lach inhield. Hij had zijn broer bijna nooit uitgelachen, en zeker niet als het echt erg was. Toen hij op het podium stond en ze hem aankeken, moest hij iets zeggen over dat hij ze het beste gunde. Het gelukkige paar. Zijn broer en zijn vriendin. Man en vrouw. Iets over liefde en eeuwigheid. Bestemd zijn voor elkaar.               Maar wat hij het liefste zou willen zeggen,  was dat hij hem zou gaan missen. Maar dat had hij maar niet gezegd.  

Julia Dobber
2 0

Typen op een Remington

Kerstmis uit mijn jeugd, wat is de eerste kerstmis uit mijn jeugd die ik mij herinner. Het is Kerstmis 1967, het eerste jaar wat ik mij herinner met een jaartal. Wij wonen net in Simpelveld en dat was al iets geweldigs, we waren verhuisd en nu kregen we met kerstmis een echt kerstdiner. We waren er al dagen druk mee aan de gang geweest want we moesten met de vier oudste de menukaarten tekenen en papa zou dan ’s avonds de gerechten erop typen. Wij zaten dan met zijn alle om hem heen en alle zes wilde we wel eens kijken hoe dat typen op de Remington ging. Reuze spannend, dat wel maar ik vond het echt wel spannender om te weten wat dat heldere rund soep met lettervermicellie nou eigen lijk was en al helemaal dat kippenpasteitje met een bladerdegenhoedje. Die Parijse aardappeltjes met haricot vers en die runderrollade met champignons. Het waren allemaal termen en gerechten waar ik nachten niet van sliep. Het toetje was overigens ijs met slagroom, De dag kwam en we zaten aan tafel en ik vond het geweldig! Heb het altijd geweldig blijven vinden en zo ook nu komende kerst. Dan toveren we het huis om voor een groep van 21 man en die gaan genieten van een zeven gangen kerstmenu. Ik ben er achter gekomen dat het koken meer een kwestie is van goed plannen en daarmee een hoop voorpret, daarnaast vind ik het voorproeven ook steeds belangrijker, dus probeer ik alles van tevoren uit. Zo ga ik morgen verse pasta maken om te kijken of ik dat al twee dagen van tevoren kan maken en als dat mijn kwaliteitsproef doorstaat doe ik er in een tussengerecht een tomatensaus van tonijn en makreel bij serveren, anders verzin ik iets anders. Dat is voor mij Kerstmis, ontstaan bij de Remington van mijn vader tijdens het typen van een menu, waar vijf anderen zaten te kwijlen om op een letter te mogen drukken, terwijl ik mijn moeder vroeg wat dat nou eigenlijk was een bladerdeeghoedje. Ze bagatelliseerde het met , dat zit in het pasteitje zij ze een beetje verveeld. Maar ik heb overigens wel de Remington geërfd, en niemand snapte waarom.

ruud
0 0

Blauw, strakblauw

Blauw, en dan het liefst de royal blue variant, och het maakt niet zoveel uit. Ik ben van blauw gaan houden toen ik vroeger in het gras lag, naar de strakblauwe hemel keek en me voorbereide op de toekomst, die zondermeer succesvol zou worden, geluk en voorspoed en vooral veel kijken naar een strakblauwe lucht.   Mijmeren over van alles. Geen al te gek idee, strakblauw is ook de kleur van de lucht in het zuiden, tijdens de zonovergoten vakanties. Geen wolkje aan de lucht en enkel zon, vrijheid en zinderende hitte. Het echte trotse en succesvolle gevoel van welverdiende vakantie. Opmerkelijk hoe graag ik mag genieten van dat soort momenten, van de rust en de strakblauwe wolkeloze zon.   Ik zie het vaak terug op vakantiefoto’s, ik vind dat steeds weer schitterend, het maakt mijn vakantiebeleving pas compleet.   Het komt ook wel voor dat ik het blauw van de lucht ontdek in een stad, Parijs, New York. Ook daar zie ik veel foto’s waarbij ik het strakblauwe probeer vast te leggen. Ik weet dat ik een keer een fotowedstijd won met de fakkel van het vrijheidsbeeld tegen een werkelijk strakblauwe lucht, een beetje foto shop, dat wel, maar dat weet niemand. Ik was fier en trots op het winnen van de prijs, de foto schijnt nog ergens te hangen in de gangen van een DSM gebouw. Ook nu ik dit hier typ kijk ik langs een brug tussen Denemarken en Zweden tegen een strakblauwe lucht, met een vliegtuigje erop, nee niet ge-foto-shopt, maar wel apart, het verstoort het strakblauwe totaal niet...  

ruud
2 0

Niemand?

Ik ken niemand en niemand kent mij. Toch ben ik hier en ik zit aan een tafel met iemand die ik niet ken, die mij niet kent en we knikken naar elkaar met een glimlach. Ze drinkt een glas sinaasappelsap en leest een blad. Een blad dat we bij binnenkomst gratis kregen. Ze draagt een bril en lijkt me heel aardig. Waarom? Omdat ze bij mij aan tafel kwam zitten? Er zijn tafels genoeg, lege tafels en tafels waar mensen aan zitten. Verderop zitten twee gasten, die kennen elkaar wel. Maar ik ken ze niet. Mijn tafelgenote ook niet. Eén van de twee kijkt vaak naar ons, alsof ze ook aan onze tafel wilt zitten? Ik denk het wel. Het zou mij niet storen. Ik zou het zelfs op prijs stellen. Maar het gebeurd niet.   Als ik opkijk zie ik een meisje voorbij lopen. Ik ken haar niet en zij mij evenmin. Alhoewel, ze liep al meerdere keren voorbij. Ik heb haar meermaals met een glimlach aangekeken, dat heeft ze zeker in een ooghoek gezien! Ze reageert niet terug, geen glimlach. Toch ken ik haar niet en eigenlijk ook weer wel. Ze twijfelt nog, maakt nog steeds geen keuze voor haar plek. Uiteindelijk gaat ze verderop staan aan zo’n hoge tafel zonder stoel of kruk.   Ze draagt lang donkerbruin krullend haar. In een paardenstaart met een rood elastiekje. Ook heeft ze twee oorbellen die je vroeger als elf jarig meisje kreeg bij je eerste Heilige Communie. Ze lijkt quasi zoekend rond te kijken. Zoekt ze iemand die ze kent?   Kent ze net als ik ook niemand hier? Och ze weet het nog niet, ze is alleen niet meer onbekend. Terwijl niemand haar kent. Ik haar niet ken. Mijn tafelgenoot haar niet kent. Ik ken nog steeds niemand hier, maar jullie, kennen er wel al een paar.    

ruud
0 0

het volk

We moesten optreden in Zelzate, parel aan de Belgisch-Nederlandse grens. Eerst raakten we de weg kwijt. We bleven rondjes rijden tussen fabrieken, troepjes communisten en een kanaal. Uiteindelijk vonden we toch de plek waar we verwacht werden: het Dageraadplein aan de salafistische kerk. Er was geen kat. In een verre hoek, onder een linde, stonden twee priesters elkaar af te trekken. We deden de koffer van onze Nissan Micra open en merkten dat we onze instrumenten niet mee hadden. Gelukkig maar. We hadden nooit gerepeteerd, speelden zelfs geen enkel instrument. Wie had ons eigenlijk geboekt? We bestonden niet, hadden geen manager of Facebookpagina. We reden door naar Kemzeke. Het was er zonnig. Bij de eerste grote eik sloegen we linksaf. Na het derde kapelletje nogmaals linksaf. Dan rechtdoor, secondelang, tot we aan het grote podium kwamen. Wat een prachtig podium, zeiden we tegen een passant. Het is de main stage, antwoordde hij bitsig. Zijn hond piste tegen een lantaarnpaal. Is dat de main pole waar uw hond tegen pist, vroegen we grinnikend. De passant zocht een antwoord, maar onze aandacht was al drie minuten elders. De zon verdween achter een wolk. Het volk begon te morren. We schraapten onze keel, de micro's werkten perfect. Het was niet gemakkelijk om je achter te laten. Je sliep zo vredig, zo diep. Alsof er niets aan de hand was. Mijn trui was je kussen. Ik wou je nog een brief schrijven, maar mijn stylo was leeg en ik vond geen papiertje in je handtas. Er zat wel kauwgom in. Zou nog van pas komen. De weg was nog lang.

Maarten Verhelst
2 0