Lezen

De ongekende genen

Ik vraag me geregeld af wie ik ben in het leven. Ook wie ik wil zijn, wie ik was en hoe het zou zijn moest ik anders zijn dan wie ik nu ben.Het is best vermoeiend jezelf zoveel vragen te stellen, maar het is nog vermoeiender die vragen tegen te houden. Ze maken deel uit van wie ik ben. De chaos kop vol vragen, waarvan meer dan de helft nooit beantwoord zullen worden.Er zijn ook vragen die ik mezelf niet spontaan stel, maar waartoe ik mezelf wel verplicht om een antwoord op te zoeken. Het zijn die vragen die op de een of de andere manier geen deel uitmaken van het natuurlijk patroon, maar eerder van de realiteit die we zelf lijken te kweken. Het klinkt misschien onlogisch, want het laatste is net datgene waar we bewust voor kiezen. De andere zaken lijken ons te overkomen.Kiezen voor een partner, is ook kiezen voor alles en iedereen dat deel uitmaakt van die keuze. Je krijgt de kindjes er spontaan bij. Dat is de keuze die je maakt. En je weet nooit waarvoor je eigenlijk echt kiest, want dat heb je dan weer helemaal niet in de hand. Je weet niet of ze je fijn gaan vinden. Je weet niet of het gaat klikken, of ze je eigenlijk liever zo snel mogelijk opnieuw door dezelfde deur naar buiten zien stappen.Plots wordt de bewuste keuze een heel onzeker iets.En niet omdat je niet wil, maar wel omdat je beseft dat zij die keuze niet hebben.Je voelt je incompetent en bijzonder onhandig. En dat is best een vreemd gegeven wanneer je zelf mama bent van een puberende dochter. Je staat opnieuw aan die wieg, maar dit keer van een kind dat je niet gebaard hebt. Een nieuw leerproces dient zich aan. En dit keer niet als ouder, want dat is er een van ongekende competenties die je plots heel eigen worden. Dit keer als stiefmama van een hoop genen die je compleet onbekend zijn. Ergens merk ik dat je voor alles een herkenningspunt bij je partner probeert te zoeken. Maar je weet dat er heel veel onbekend zal blijven tot je hen echt leert kennen. Het is een nieuwe rol die wel het woord mama vervat, maar die je alles behalve die rol toebedeelt. En dat is ook niet wat zij willen net zo min als wat ik wil. Maar wat willen we dan wel met zen allen? Wie moet ik zijn voor hen? De zorger die met zoveel mogelijk warmte en liefde probeert te zorgen, maar niet mag verwachten ervoor terug te krijgen wat ik eigenlijk stiekem verlang?Moet ik die vriendin zijn die hun mama niet kan zijn. Niet omdat zij dat niet wil, maar wel omdat ze de mama is in dit verhaal? Ben ik de kritische buitenstaander, diealles – uiteraard – door die andere bril ziet. Degene die de afstand kan nemen in de beslissingen die je als ouder niet kan nemen, omdat je nu eenmaal vergroeid bent met die zeer liefdevolle bril. Maar heb je dan ook de effectieve vrijgeleide om beslissingen te nemen? Uiteraard niet.Of ben ik gewoon degene dat mijn hand reikt naar twee kinderen, in de hoop dat ze die af en toe eens vastnemen. Ik dank dat dat het meest realistische is dat ik mag verlangen. De rest van het verhaal zal zich wel laten schrijven.

Kate
0 1

Vijftig jaar.

Vijftig jaar, da's toch wel raar.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al heb ik nog een knappe kop, er zit toch al wat storing op.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al heb ik nog een lenig lijf, het voelt toch nu en dan wat stijf.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al lijk ik nog vol levenslust, die lust is soms wat uitgeblust.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al kan ik het nog steeds goed zeggen, vraag me niet om 't uit te leggen.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al had ik ooit veel wilde dromen, veel is er niet uit gekomen.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : ik lijk nog wel een jonge spruit, maar 't beste is er toch al uit.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al heb ik nog een scherp verstand, het heeft toch al een botte kant.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al ben ik nog een slimme bol, toch slaat mijn hoofd al eens op hol.   En ja, oprecht, het mag gezegd, vijftig jaar, da's wonderbaar, al is en blijft het toch wel raar...                       ***   Vijftig jaar, da's toch wel raar.      Vijftig jaar, da's toch wel raar : ik lijk dan wel geen dolle griet, maar pas op, vergis je niet.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al heb ik nog een leuke snoet, wat opsmuk doet me toch al goed.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al heb ik nog een mooi figuur, het onderhoud is toch al duur.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al ben ik nog een knappe meid, ik ben toch al wat pluimen kwijt.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al lijk ik nog een ranke zwaan, er zijn toch al wat kosten aan.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al heb ik nog een knap gezicht, bekijk het toch maar niet te dicht.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al lijk ik nog een topmodel, de cellulitis is er wel.     En ja, oprecht, het mag gezegd, vijftig jaar, da's wonderbaar, al is en blijft het toch wel raar...                        ***   Vijftig jaar, da's toch wel raar.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al ben ik nog een knappe man, toch is het beste uit de kan.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : ik lijk nog steeds een supervent, vooral voor wie mij niet goed kent.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al is de jacht nog goed te doen, er zit wat sleet op mijn harpoen.    Vijftig jaar, da's toch wel raar : al ben ik nog een vlotte gast, toch loopt er nu en dan iets vast.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : ik lijk nog wel een jonge snaak, maar schiet ik ook nog altijd raak?   Vijftig jaar, da's toch wel raar : al ben ik nog een knappe heer, mijn buik heeft wel een maatje meer.   Vijftig jaar, da's toch wel raar : ik lijk nog steeds een Don Juan maar bak ik er ook nog iets van?   En ja, oprecht, het mag gezegd, vijftig jaar, da's wonderbaar, al is en blijft het toch wel raar...  

A. Rivesta
21 1

Wie 't schoentje past...

                          Wie 't schoentje past...              een - hopelijk fictief - verhaaltje...   Welsprekend betoog door Dhr. Verneuken, self-made ijdeltuit, advocaat en vooraanstaand lid  van de "Orde van de Mediageile Maffiahoeren".   "Beste mensen, kom eens hier, beste mensen, luister even. Ik wil jullie iets vertellen en een beetje uitleg geven.   Wij hebben een nieuwe orde: "Mediageile Maffiahoeren". Onze meest geliefde sponsors, dat zijn cocaïne-boeren.    Och, ik weet het, 'k kan 't goed zeggen, ik krijg alles mooi verwoord. 'k Sta soms moord en brand te schreeuwen als er onschuld is vermoord.   Maar ik moet het toch bekennen: van de onschuld van een stakker, daar trek ik me niets van aan,   daarvan lig ik echt niet wakker.   Slachtoffers, die zijn bijkomstig - nevenschade, geen belang! 'k Zoek naar procedure-fouten, wees alvast beducht en bang!   Als ze óns kind niet drogeren, maar alleen die van de anderen, wat zou ons dat kunnen schelen, waarom zou dat iets veranderen?   Misdaad loont, dat is geweten, criminelen moeten vrij, en als wij ze kunnen helpen,  zijn we apetrots en blij.    Och, ik wil het eerlijk zeggen, wij doen af en toe alsof, en als jullie ons geloven, vinden wij dat nog zo tof.   Nee, wij hebben geen scrupules, dat kan je toch niet verbazen. Medeleven en ethiek, da's echt iets voor domme dwazen.   En Justitia, mooie vrouwe, wel, die dame die is blind. 't Is een horde advocaten die het spel toch heel vaak wint.   Jullie weten het toch wel: recht is geen rechtvaardigheid. Recht dat is een dolle strijd, vechten voor de aardigheid.   En voor 't grote geld natuurlijk, ja, daar doen we alles voor. Als we schreeuwen over onrecht, dan is dat komedie hoor.   Wees nu toch eens rustig zeg, wij verachten die ethiek. Da's voor ons maar stom geleuter, daarvan worden wij echt ziek.   Geef ons maar die misdaadcenten, geef ons maar het grote geld, geld verdienen, kassa, kassa, dat is waar ons hart voor smelt.   En natuurlijk ook de aandacht, onze naam die wordt genoemd. Goed of slecht, wij willen winnen, daardoor worden wij beroemd.   Of berucht, wat kan 't ons schelen? Winnen geeft ons heel veel macht, ook als misdaad dan beloond wordt, en rechtvaardigheid verkracht."    

A. Rivesta
37 0