Lezen

Wie heeft de plek van mijn favoriete winkel overgenomen?

Ik sta voor de gevel van mijn favoriete winkel. Hij is weg. Verhuist, herinner ik me. En ik weet niet naar waar. Oh wat jammer! Het pand is al overgenomen door iemand anders. Toch eens een kijkje nemen. Als ik de gekende deur opendoe, komt een muffe, zelfs zurige geur, me tegemoet. Ik twijfel nog even over mijn keuze, maar besluit toch verder te gaan. Het eerste wat ik zie is de toonbank met kassa. Die is van plek verandert. Daarachter zit een man van vreemde origine te bellen. Hij is druk in gesprek en merkt me nauwelijks op. Ik tracht te achterhalen welke taal hij spreekt, maar ik kan hem amper verstaan. Luide muziek overheerst en slokken de woorden op die uit zijn mond komen. Het klinkt niet bekend. Ook zijn fysieke trekken doen niet meteen een belletje rinkelen. Ik neem me voor om het hem straks te vragen. Ondertussen probeer ik onopvallend rond te wandelen om alles in me op te nemen. Ik kan me niet concentreren, want een overvloed aan spullen in felle kleuren en gekke vormen vechten om mijn aandacht. Waar te beginnen? Hoe verder ik ga, hoe dichter ik bij de verborgen stereobox kom waar een mij onbekend liedje uit galmt. Hoewel ik de stereobox niet zie, kan ik zijn exacte locatie aanwijzen. Er is er ook maar één in de winkel. Ik herken nog elementen van het vroegere interieur zoals de oranje wandbekleding en cementtegels. Zelfs de oude geur hangt er nog een beetje. Een beetje maar, want de nieuwe oude geur overheerst. Geef mij maar de vroegere oude geur, waar een lang verleden aankleeft. Een verleden in een huizen, winkels, kelders of magazijnen waar het lange tijd stof heeft vergaard. Ook de spullen van deze winkel hebben een verleden. Ze dragen stuk voor stuk vele herinneringen met zich mee. Ik wou dat ze me hun verhaal aan mij konden vertellen. Een eerste schooldag of kus, een sollicitatiegesprek, een onvergetelijk feest of vakantie, een afscheid, een nieuw begin. Ik wandel heel langzaam en laat mijn hand zachtjes over enkele spullen strijken. Soms lijkt het of ik een lammetje streel, dan weer voel ik mijn huid licht schuren en krijg ik kippenvel van het geluid. De man achter de toonbank is ondertussen gestopt met telefoneren en kijkt me vragend aan. Ik knik vriendelijk en wandel nog eens door de winkel. Deze keer in een iets sneller tempo. Af en toe neem ik iets vast en probeer geïnteresseerd te kijken. Herinneringen aan de jaren 70-80, in de vorm van oude foto’s van mezelf en mijn familie als kind, komen spontaan naar boven. Normaal vind ik altijd wel een verborgen schat in zo’n winkels, maar dan moet je alles nauwkeurig bekijken en bedenken waarvoor je het kan gebruiken en met wat je het kan combineren. Vandaag is mijn concentratie te versplinterd door mijn opdracht. Ruiken, horen, voelen en zien tegelijkertijd. Dat is teveel om ook nog te kunnen denken. En proeven is er zelfs niet aan te pas gekomen. Ik word licht ongemakkelijk als de man me met zijn blik blijft achtervolgen. Ik bedank hem, loop de winkel uit. Dan bedenk ik me dat ik ben vergeten vragen waar hij vandaan komt.  

mikamundo
0 0

WALMANS' WRAAK

Walmans, zo heette hij echt, liet de brief uit zijn hand glijden en staarde door het stoffige raampje naar de rivier. Direct bracht hij de brief in verband met de man die een jaar eerder plotseling was komen opdagen. Walmans kon zich hem nog exact voor de geest halen: muisgrijs kostuum, glimmend gepoetste schoenen, gebruind gezicht, maar anders dan bij Walmans, alsof het uit een potje kwam en niet was veroorzaakt door weer en wind. De man was met de auto - een groot geval met bumpers waarmee je met gemak een buffel omver kon rijden, en die slechts met moeite op het veer zou passen - maar hij stapte uit en liet de auto aan de oever staan. Wat onwennig stond hij naast drie boerenmeiden die giechelden om zijn gestileerde haar dat uit de plooi waaide. Walmans kon hem niet plaatsen. Hij kwam overduidelijk niet van hier en voor een toerist was hij te chic gekleed. Hij stapte met de meiden van het veer, kraste met zijn zool over een kiezelsteentje en ging weer aan boord. Walmans wachtte een kwartier op een extra passagier, tevergeefs, en voer de man terug. Daarna stapte hij in zijn auto en verdween. En nu lag er een brief van Rijkswaterstaat. Er was nauwkeurig onderzoek verricht, op grond waarvan een commissie had besloten dat het veer niet langer rendabel was. Met ingang van januari werd het opgeheven en Walmans werd bedankt voor de twaalf jaar waarin hij met toewijding heen en weer had gevaren. Een afvloeiingsregeling was niet nodig, Walmans was immers al met pensioen. Tegen beter weten in schreef Walmans een verweerschrift. Er is zegge en schrijve één keer iemand komen kijken. Een enkele steekproef kan ik geen nauwkeurig onderzoek noemen, schreef hij. Tot zijn verbazing ontving hij binnen vijf dagen antwoord: zijn verweerschrift werd ontvankelijk verklaard. Er zou nader onderzoek komen. Een week later stond de grote auto weer langs de oever. De man kwam naar Walmans toe, knikte zuinigjes en zei: ‘Eijzinga, Rijkswaterstaat. Ik kom hier surveilleren, kijken wie er gelijk heeft.’ ‘Heeft of krijgt?’ vroeg Walmans, maar de man stond al ongeduldig op het veer. Ze waren amper van wal gestoken, of het begon flink te regenen en vanuit zijn stuurhut zag Walmans het muisgrijs razendsnel in antraciet veranderen. Aan de overzijde bood de veerman - hij was de beroerdste niet - Eijzinga onderdak in zijn krappe veermanshuisje. Walmans begon te lezen, de man hing zijn colbert te drogen. Daarna staarde hij gelaten door het raampje naar buiten, waar de regen onophoudelijk plensde en de rivier gestaag aanzwol. Eijzinga, het wachten beu, stelde na enkele uren voor: ‘Zeg, beste man, moeten wij onderhand niet weer eens terug?’ ‘Voor één passagier is dat niet rendabel,’ zei de veerman onbewogen. Pas tegen zessen pakte hij zijn boeltje bijeen en aanvaardden ze de terugtocht. Halverwege zag Walmans dat het, ondanks het slechte weer, toch een geslaagde dag was geworden: de rivier klotste inmiddels tevreden tegen de deurgreep van de auto.

Grand Foulard
4 0

Suggestieve tekst

Zondagavond. Te lui om te koken. Verpakt als dat niet – koken toch een feestelijke afsluiting is van het weekend. Toch nog enige twijfel: doe ik het of niet? Ik doe het. Trek mijn jas aan en de stad in.   Aangekomen. Ik open de krakkemikkige deur. En ruik een niet al te frisse geur. De twijfel slaat weer toe. Ik denk aan de gevleugelde woorden “Walk and don’t look back”. Binnen zitten enkele jonge mensen. Klaar om hun snelle hap tot zich te nemen. De toog ziet er onverzorgder uit als anders. Alsof er daarnet een uitgehongderd leger passeerde en de eigenaars hun wonden nog aan het likken zijn om dat zo goed en kwaad mogelijk te bedienen. Vriendelijk als altijd vraagt de baas des huizes wat ik wil bestellen. Een vreemde vriendelijkheid die ik niet kan plaatsen. Voelt geforceerd aan. Onnnatuurlijk. Dan heb ik het liever zakelijk en correct. Dan weet je tenminste waar je aan toe bent. Nu heb ik een te half-en-half gevoel.   Ik zie de rommelige keuken. En vraag me af waarom ik me toch weer opnieuw laat verleiden om terug te komen. Aan het spit draait een grote rol bruin. Dat moet voor vlees doorgaan en aan het vet dat er uitdrupt te zien, is het dat ook. ’t Is enkel een beetje moeilijk om te zeggen welk onderdeel het van het rund is. Of paard. Of kip. Of … geit? Schaap? Vis? Wie zal het zeggen… Ach –  soms stel je je beter niet te veel vragen. Zeker niet op een zondagavond. Wanneer je te lui bent om te koken en het weekend iet of wat feestelijk wil afsluiten.   Ik geef mijn bestelling door en wacht geduldig. Sneller dan verwacht, is mijn bestelling klaar. ’t Is eentje met kip geworden. Voor het geweten of zoiets. Een drogreden als een ander. Thuis eet ik mijn jachttrofee alleen op. En kom ik tot het besef dat zelf koken het weekend écht feestelijk had kunnen afsluiten.

koen maes
0 0

Nocturnale paden

Nog steeds ben ik de vent die weigert over het gras van een nacht ijs te lopen. Dat wil zeggen: het invullen der dagen vormt geen enkel probleem. Anders is het in de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang. Rare beelden overspoelen mij na aanvang van het donkere deel van een etmaal. De oorsprong van het rariteitenkabinet der vreemdsoortige taferelen is te situeren in de nacht die volgde na donderdag 16 april 1981, exact mijn tienduizendste dag in dit leven. Het moet te maken gehad hebben met de verbastering van ritselend hooi waardoor enig gefluister opdook in mijn hoofd. Ook vandaag, de kalender geeft zondag 13 maart 2011 aan, zijn ze ondoorgrondelijk, de nocturnale paden die ik bewandel in het lege huis dat z’n orders krijgt vanuit de kleine hersenen. Medegerekend mag worden dat dit strikt persoonlijke cerebellum de grootte heeft van een honingmeloen, wijl het bij de meeste andere menselijke wezens toch slechts gaat om iets als een verschrompelde perzik. Op vrijdag 23 december 1994, mijn veertienduizend negenhonderdnegenennegentigste dag in dit leven, vertelde Lindemans Viviane, psychologe, mij, dat ik op zoek zou moeten gaan naar iemand die zicht heeft op het verleden van het verborgene. Het moet iemand zijn met enige kennis over de middelste Middeleeuw. Zal die queeste, deze speurtocht, aflopen met het sobere geluid van een kleine kolonie kalkoenen die terechtkwam onder honderd kilo abrikozenconfituur zonder suiker? Die nacht zag ik mezelf een dubbele Bicky Burger eten, welke, los van alles, al even had liggen ontdooien op een witte radiator en uitriep: totale onafhankelijkheid is wat ik wil! Een simpele vliegenmepper, het enige voorwerp binnen handbereik in mijn omgeving bracht finaal een einde aan dit gekrakeel. Zeven stevige meppen veranderden het junk food in een Przewalski paard. Niet zo eenvoudig, dit woord spellen zonder fouten. Een speekseltest afnemen bij het dier: het bleek een driekwartsmaat voor niets. Geen Bloemenwals die er iets tegen vermocht. Temeer daar de toestand van het Przewalski paard - wederom gelukt qua orthografie - evolueerde naar een soso na loso na mayebo na bitekuteku na patate douce, zijnde een kipgerecht uit Congo. In gedachte volgde ik die nacht, omgeven door een feeërieke schijn, de sporen van gestrande golven. Een blauwe maan gaf prettige vooruitzichten, staande aan de kustlijn van Vaduz, waar ik een masterclass gitaar met een duurtijd van zes uren weggaf aan vierentwintig naakte musiciennes die met z’n allen regelrechte dubbelgangers bleken van Manon & Britt, een duo dat ooit grote sier maakte onder het motto: onze straat is onze catwalk. - Meermaals krulde daar mijn neus van, in zoverre dat ik mezelf zag wakker worden in een ziekenhuis met muren die bleken te smelten als spekblokjes. Het werd ochtend. Ik stelde vast dat het wonderwel lukte om te ontwaken zonder een hoofd vol bloed en wonden. Weer een visioen dat de eindstreep bereikt had.  

Jean Dexters
9 0

Wraak van de prinsessen

  De Prinsessen   Ergens te lande in een kasteeltuin in Sprookjesland.   'Kussen, kussen, kussen!' Ze blijft het horen. Wat moet ze dan toch kussen. Dan komt een lakei met een kussentje naar voor. 'Hmmm, misschien een lief klein katje' Dan is de lakei bij haar. 'Wat is dat?' brult ze verschrikt: 'Een kikker. Dat kus ik niet. Ik ben het beu om altijd van die vieze beesten te moeten kussen. Ik ben hier weg. Zoek maar een ander om die gladde, slijmerige dingen te kussen.'   Ergens anders te lande in een slaapkamer in Sprookjesland. 'Een kus. Dat terwijl ik zachtjes wakker word. Oh nee, een kus, toch niet weer. WACHTERS, WACHTERS!' Snel sprinten de koninklijke wachters binnen en blijven dan bedremmeld staan. ' Wat is dit? Wie heeft die rare snuiter in mijn slaapkamer binnen gelaten' 'Orders van de koningin.' stamelt er één verlegen. 'Waarom altijd van die wildvreemden? Weet je wat, leg jij je vanaf nu in mijn bed om gekust te worden door wildvreemde mannen. Deze had dan nog een snor. Ik ben hier weg. Zoek maar een ander om kussen van rare snuiters te krijgen. Salut.'   Nog ergens anders te lande in een reusachtige eetzaal in Sprookjesland. 'Lekker, mijn favoriete eten. Lamsboutjes met boontjes en lekkere kroketten. Een grote portie op mijn bord en smullen maar. Maar wat is dit, dit smaakt niet normaal! Bweurk, ik voel me niet zo goed. Het zal toch weer niet waar zijn hé. Alweer vergif. Nee hé, daar heb je het al, mijn maag draait en keert en,... aiaiai, het komt,... ik moet overgeven!' 'Papa, ze hebben weer geprobeerd mij te vergiftigen.' 'Ja liefje, dat weet ik. Dat moest van mij.' bromt de koning in zijn baard. 'Wat!! Dat moest van jou?' 'Ja liefje, dan kan je tegen al die giftige stoffen wanneer je echt vergiftigd wordt', antwoordt hij. 'Wie gaat mij nu vergiftigen, ik ben keilief. Ik ben het beu. Ik ben hier weg. Zoek maar iemand anders om te vergiftigen. Uw favoriet varken of zo. Salut'   Helemaal ergens anders te lande op een kruispunt in Sprookjesland.   'Dat is nu toch niet te geloven hé, kikkers.' 'Verdikke zeg, altijd die vreemde mannen die mij wakker komen kussen.' 'Grmbl, vergif vergif, ik moet daar altijd zo van die vies smakende boeren van laten.' Zo gaat het verder op drie wegen die naar ons bewuste kruispunt leiden wanneer plots, uiteraard. Boem patat, knal en botsing alom. In het rond vliegende armen en benen en ook nog ergens een hoofd. Nee hoor, zo erg was het niet. De prinsessen vallen allemaal recht op hun achterwerk, even stil geworden van het schrikken. Maar dan nemen de goede hofmanieren het over. 'Hallo,' zegt de een stem: 'ik ben de Kikkerprinses, ook wel Kikkie genaamd.' 'Aangenaam,' zegt een andere stem: ' ik ben de mannenkusprinses, maar jullie mogen Mannie zeggen.' 'Burps,' klinkt nog een andere: 'sorry daarvoor, mijn naam is gifprinses maar zeg maar Louise.'   Daarop vertellen ze hun verhaal. Ze blijken allemaal iets gemeenschappelijk te hebben. Allemaal moeten ze dingen doen die ze niet graag doen. Maar hoe zou dat komen? Wie zorgt daarvoor? Dat zouden onze drie prinsessen wel eens willen weten. Ze zitten kniezend in het gras wanneer Kikkie plots zegt:' Hey, ik weet misschien iets. Een verhaal dat ik lang geleden van een lakei gehoord heb. Die vertelde me dat onze levens geschreven worden door een schrijver. Dat die alles wat wij doen uitvindt en beschrijft. Misschien moeten we die wel eens een bezoekje brengen.' 'Akkoord!' brullen Mannie en Louise in koor: 'Op naar de schrijver!' 'Euhm, waar vinden we die?' vraagt Kikkie zich dan af. 'We gaan gewoon rechtdoor en altijd naar rechts als er een kruispunt is!' vindt Louise. 'Wat een enig plan!' kirt Mannie. Ze gaan op weg. Rechtdoor, dan rechts dan verder rechtdoor, nog eens rechts. Tot ze opeens bij een huisje komen waar 'Scriptus: schrijver' opstaat. 'Zou het hier zijn?' vragen de drie zich af. Tijd voor overleg.   De schrijver   'Wat een leuk beroep heb ik toch', denkt de schrijver bij zichzelf. 'Een kop thee, mijn schrijfveer, een blad papier en ik kan er weer tegenaan.' 'Wat zou ik de prinsessen nu eens laten doen, laten kussen door mannen, kikkers of nog een beetje vergif? Er zijn zoveel mogelijkheden.' 'Misschien moet ik het eens van een andere kant bekijken?', mijmert hij. Hij drinkt zacht slurpend van zijn thee. 'Misschien moet ik de prinsessen eens stoer laten zijn? Op jacht gaan, beren vangen en zomeer.' 'Nee, dat gaan de kindjes niet goed vinden hé. Wat kan ik die dekselse prinsessen toch laten doen?' “Klop klop klop” 'Nee, dat kan ik ze toch niet laten doen, kloppen.' “KLOP KLOP KLOP” Ohla, het is Rudolf de deurklopper.   De schrijver en de Prinsessen   De schrijver komt moeizaam uit zijn zetel en gaat naar de deur. Nadat hij die geopend heeft ziet hij een vreemd tafereel. Drie mooie meisjes die vol schrik naar zijn deurklopper kijken. ' D d d d d d d dd d d d die deurklopper praat,' zegt eentje met een wel heel bleke huid. 'Ja, dat is Rudolf de deurklopper, die heb ik van een tovenaar gekregen', zegt de schrijver. 'JAAA,' kraakt Rudolf: 'en hoe harder je met me klopt hoe liever ik het heb. Doe het nog eens, toe toe toe?' Waarop de prinses met de glibberige lippen; van kikkers kussen krijg je dat namelijk; een redelijk harde gil slaat zoals alleen prinsessen dat kunnen. De schrijver nodigt de drie uit in zijn woonkamer en vraagt hen wat het probleem is. 'Wel' begint Kikkie... 'Ik moet altijd' zegt mannie tegelijkertijd. 'Dat kan toch niet meer' lispelt Louise, ondertussen een boertje ophoudend. Zo gaat het een heel tijdje door en de schrijver raakt niet wijs uit die drie kwebbelende meisjes. Maar wacht, hij heeft de oplossing. Hij zoekt snel zijn cd met oceaangeluiden en steekt zijn oordopjes in. Wanneer hij de cd opzet vallen de drie prinsessen al snel in slaap. 'Ah eindelijk rust,' denkt de schrijver bij zichzelf en gaat rusten verder schrijven. 'Morgen kom ik wel te weten wat er scheelt, nu nog een beetje schrijven.'   De volgende dag   'Een goede morgen, beste dames. Een koffietje, boterhammetjes met choco?' De schrijver doet zijn best om beleefd te zijn. Ja een kopje koffie en een boterhammetje zou er wel ingaan bij Kikkie en Mannie. Lousie slaat groen uit bij het idee en vraagt om een thee en een beschuitje. Want die koffie ligt zo zwaar op de maaaaag en die boterhammen liggen ook zo zwaar op de maaaaaaag, zeuren kan ze wel een beetje. Bij het lekkere ontbijt leggen de prinsessen hun frustraties uit. Ze vinden het echt niet meer leuk om al die vuile dingen te doen. Zou de schrijver er niets aan kunnen doen? De schrijver snapt dit en belooft plechtig om er iets aan te doen. Waarop de prinsessen heel blij hun ontbijt verderzetten. De schrijver gaat aan zijn bureau zitten. 'Wat moet ik nu doen?' vraagt hij zich af. 'Ik weet niets anders wat die prinsessen kunnen doen, prinsessen doen toch altijd hetzelfde. Wat kan ik die laten doen? De was, de strijk, daar zullen ze niet mee akkoord zijn. Hij start dan maar zijn laptop op en begint te googelen. Wat een zoektocht. Maar plots ziet hij iets. 'ja, dat is het. Dat gaan de prinsessen fantastisch vinden.' Snel bestelt hij de spulletjes die hij gezien heeft en licht hij de meisjes in. Deze zijn natuurlijk heel nieuwsgierig maar de schrijver wil niets zeggen, ze moeten maar wachten op de koerier. Deze laat niet lang op zich wachten. Eerst horen ze een paard galopperen, dan zachtjes vertragen tot het stopt. Voetstappen naar de deur. “Klop Klop Klop.” 'Jaah jaah nog eens', een verschrikte gil, een plof, snelle voetstappen die zich verwijderen en een weg galopperend paard. De schrijver opent de deur en geeft Rudolf een veeg uit de pan. Hij mag de mensen zo niet laten schrikken. Rudolf bonkt van het lachen tegen de deur. 'Misschien moet ik me maar eens een nieuwe deurklopper aanschaffen,' denkt de schrijver nukkig, 'deze laat de mensen te hard schrikken.' Hij raapt het pakje op dat de koerier laten vallen heeft en gaat ermee naar de prinsessen. Benieuwd kijken de meisjes naar de kleurige kledingstukken die de schrijver uit het pakje haalt. 'Wat zijn dat?' vraagt Mannie. 'Zo kleurige kleren,'zegt Louise. 'Dit, lieve prinsessen,' zegt de schrijver: 'dit zijn voetbaluitrustingen. Ik ga jullie laten voetballen. Dat is eens iets anders dan altijd prinses te moeten zijn.' 'Dat klinkt leuk.' zegt Kikkie. De meisjes trekken de uitrustingen aan en gaan buiten op het veld spelen. De schrijver is de scheidsrechter. Hij legt de regels uit maar de drie dames begrijpen niets van strafschop, buitenspel, hoekschop,... 'Zou het dan toch geen goed idee geweest zijn?' mijmert Scriptus. Louise, die hem hoort, antwoordt: ' Nee, dat is geen goed idee geweest. Dat is hier veel te moeilijk.' 'Verdorie toch,' denkt de schrijver: ' wat moet ik nu doen? Die dekselse vrouwen eten al zijn koekjes op. Zeker die één die niet meer vergiftigd wordt. Het is net of ze haar schade moet inhalen.Zo een vreetmonster. 'Ah ik heb het.' denkt hij. 'Meisjes, kom eens bij mij? Wat zouden jullie ervan zeggen om op schattentocht in het bos te gaan?' 'Mja' zegt Kikkie:' wordt ge daar niet keivuil in dat bos? Al die beesten die daar zitten. Stel u voor, misschien zitten er zelfs kikkers.' 'Dan de boswachter tegenkomen zeker. Die gaat mij ook al willen kussen.' bibbert Mannie lichtelijk hysterisch. ' Zijn daar koekjes in het bos of heeft die boswachter misschien koekjes?' wil Louise verlekkerd weten. 'Waar staan de koekjes trouwens?' Nu is de schrijver ten einde raad. Hij weet het echt niet meer. Misschien moet hij een verhaal schrijven, speciaal voor de meisjes. Hij legt het plan voor. De meisjes gaan meteen akkoord, vooral als er koekjes in zitten.   Het verhaal   De schrijver zet zich aan zijn bureau en begint te brainstormen. 'Prinsen, draken, boswachter, gekke paters, abdij, schmink, queeste en ja koekskes.' De schrijver begint te schrijven. De prinsessen vinden het wel spannend dat ze op Queeste mogen, wat een spannend woord zeg. Helaas zitten er geen koekjes in Queeste.   “De meisjes zijn op weg naar de abdij. Onderweg komen ze een gekke pater tegen. ' D d d d d d d d' zegt hij 'Wat bedoelt hij?' vraagt Mannie zich af? Kikkie raadt ernaar:' dansen, duikboten, dreigbrieven, donderwolken, dakbedekkers,...?' De pater schudt de hele tijd van nee. ' Der zijn geen koekskes meer?', gokt Louise. 'DRAAAAAAK ' gilt de pater plots: ' er zit een draak aan de abdij. Hulp, help, SOS en grote paniek.'   De meisjes zien een confrontatie met een draak wel zitten en gaan op weg naar de abdij. Onderweg passeren de drie een blinkend gepoetst raam. Daar worden ze geconfronteerd met een vreselijke waarheid. Hun schmink is uitgelopen van het voetballen. Zo kunnen ze toch niet op queeste gaan. Stel dat ze de prins van hun dromen op zijn witte paard tegenkomen. Zo kunnen ze die toch niet tegemoet treden. Louise vraagt zich stiekem af of zo een paard lekker zou zijn. Ze nemen rustig de tijd om hun schmink in orde te brengen wanneer ze plots in de verte een verschrikkelijk gebrul horen. Maar echt een verschrikkelijk gebrul, hé. Geen leeuw die een beetje boos is. Dit is duidelijk een draak. Of iemand met een slechte maag, volgens Louise. Voorzichtig gaan ze verder op zoek naar de draak. Ze beginnen langzaam een verschrikkelijke stank te ruiken. Kikkie en Mannie kijken beschuldigend naar Louise maar die beweert dat ze geen boertje gelaten heeft. ‘Kom op meisjes’, zegt Kikkie. ‘Ja, we moeten bewijzen dat we sterk zijn, hup hup hup. Op naar de draak’, zegt Mannie vastberaden. Zo elkaar oppeppend gaan ze verder naar het nest van de draak. Nu komen ze wel heel dichtbij. Voorzichtig bereiken ze de abdij. Aan de verwoestingen te zien ligt de draak net achter de hoek. De drie prinsessen bereiden zich voor en springen dan tevoorschijn. ‘Kajaaaaaa!’ ‘Hoejaaaaaaa!’ ‘Kom maar op lelijk beest!’ dergelijke kreten uitstotend springen ze naar voor en.. …geen draak te zien. Teleurgesteld gaan ze op zoek. ‘Waar zou die nu toch zijn?’, vraagt Mannie zich af. ‘Ik denk dat hij gaan jagen is.’ zegt Kikkie. ‘Oooooooh, gaan jagen;’ bromt Louise: ‘dan krijgt die tenminste wel eten. Heeft er iemand koekjes mee? Toevallig? Nee? ‘ De prinsessen besluiten dan maar op de draak te wachten bij de paters in de abdij en ondertussen een tasje thee met een koekje te nuttigen. Opeens worden ze opgeschrikt door een felle windstoot. De draak is terug. ‘Kom op meiden, we pakken hem’, zegt Kikkie vastberaden. ‘Olaaaaa, eerst mijn thee met koekjes, dan drakenvangen,' mompelt Louise met een volle mond. Een half uur laten zijn ze dan eindelijk klaar en bespringen ze de draak. Ligt die knuppel toch wel te slapen, zeker! Die heeft zoveel gegeten dat hij ligt te dromen. Plots begint zijn neus te bewegen. Hij ruikt iets. Lui doet hij een oog open en ziet daar drie lekkere brokken staan. Hij komt overeind en brult loeihard terwijl er vlammen van wel 10 meter uit zijn bek schieten. Hij zwaait zijn grote kop in de richting van de drie verstijfde prinsessen en doet zijn bek al open om ze in één hap te verslinden. Wanneer plots, BUUUUUURPS. Louise heeft van schrik een enorme boer gelaten. De draak haalt diep adem om ze te braden, slaakt een piepje en valt om. Poef, draak dood. Dat was een giftig boertje. Al de vergiften in haar maag in combinatie met de thee en de koekjes blijken een giftig gas te produceren. De drie prinsessen zijn zo blij dat ze even de hofmanieren vergeten en een gat in de lucht springen. ‘Zou die draak eetbaar zijn?’ vraagt Louise zich af. De andere prinsessen willen dat toch liever niet proberen en overtuigen Louise ervan om terug naar de schrijver te gaan.”   ‘Hoe is het geweest, meisjes?’, vraagt de schrijver nieuwsgierig want die heeft natuurlijk het gebrul gehoord en de vlammen gezien. ‘Super’ ‘Fantastisch, geweldig’ ‘Lekkere koekjes bij de paters’, roepen ze door elkaar. ‘De draak is dood’, zegt Kikkie fier. ‘Zeg nu nog eens dat wij alleen maar kunnen gekust worden door vreemde mannen en al die dingen’, zegt Mannie triomfantelijk. ‘Ok meisjes, jullie hebben gelijk. Vanaf nu schrijf ik alleen nog maar verhalen over prinsessen die draken verslaan en prinsen gaan redden. Wat denken jullie daarvan?’ ‘Dat is heel goed’, beamen Kikkie en Mannie. ‘Wat vind jij ervan Louise?’ vraagt de schrijver. ‘Louise, waar ben je?’ ‘gggmmmkkllldddddddrrr’ klinkt het. ‘Louise, die cake was voor iedereen;’ zegt de schrijver verontwaardigd, ‘nu moet ik een nieuwe bakken.’ ‘Spforry.’murmelt ze met volle mond.   Einde    

Stefan De Keyser
0 0

We waren met twee toen het gedicht begon

  Met haar handen vol met boeken rende Hannah het zaaltje op de eerste verdieping van café De Vrede binnen. Kwart voor drie. Veel te laat! Was dat haar eigen schuld of kon ze het steken op tram 15 met moeilijk sluitende deuren en daarom verschillende keren eindeloos te laat vertrok? Op de tram steken was het fijnste. Maar veel veranderde dat niet aan het nijpende tijdsgebrek dat voor haar lag. Hannah keek de de zaal rond. Mathieu was zo lief geweest om de stoelen al in rijen te plaatsen. Ze telde vijf rijen van zeven stoelen. Vijfendertig luisteraars, dat ze nog nooit meegemaakt. Een neerslachtigheid overviel haar. Kwamen er maar eens meer dan tien mensen naar haar gedichten luisteren. Ze schudde met haar hoofd. Zo goed als Paul van Ostaijen zou ze nooit worden. Ze troostte zich ermee dat Paul waarschijnlijk ook niet direct volle zalen lokte in zijn begindagen. Hannah maande zichzelf aan om wakker te worden. Tien voor drie was het al. Waar ging die tijd toch naar toe? Snel legde ze de exemplaren van haar dichtbundels op de tafel vooraa en rende dan dan naar beneden om een flesje plat water uit het café te halen. Vijf minten later holde Hannah weer het zaaltje binnen. Ze vervloekte Mathieu dat hij het verhaal over zijn cavia’s tandpijn net op dat had willen vertellen. Ze ging achter de tafel zitten en zette haar flesje neer. Drie voor één en nog niemand. Dit kon toch niet waar zijn? Niemand? Zelfs Sophie en Mira niet? Haar vriendinnen hadden het nochtans beloofd te komen. Hen nu nog bellen had geen zin. Al tien minuten zat Hannah daar. Ze frunnikte aan haar dichtbundel en sloeg hem open. Het eerste gedicht, ‘Wit vlees’ genaamd, bleek haar vragend aan te kijken. Zonder er bij na te denken begon ze het hardop voor te lezen. ‘Niemand weet wat er achter dat witte vlees huist. Het is wit, Aantrekkelijk en toch niet Is het maagdelijk of toch net bezoedeld?’ Handengeklap deed haar opschrikken. ‘Mathieu?’ stamelde ze. ‘Ja ik.’ De oudere man kwam de zaal binnen en ging op een stoel op de eerste rij zitten. ‘Waarom sta jij daar nou?’ ‘Het viel me op dat hat al een eind na één was en dat er nog niemand was opgedaagd. Dus ik dacht dat het wel leuk zou zijn dat er toch één persoon kwam luisteren.’ Tranen prikten in Hannah’s ogen, ze kon hem wel zoenen.  Ze stond op en liep naar hem toe. ‘Meisje, je bent een goede dichter. Ook al beseft nog niet genoeg mensen dat. Geef het tijd,’ fluisterde Mathieu. ‘Je hebt waarschijnlijk wel …’ Haar zin werd afgebroken door een hoop meiden die binnenstormde, Mira en Sophie voorop. ‘Sorry Han, die tram hé, het leek wel of hij elk rood licht en wat voor elke kleur ook moest hebbben!’ Mira sprong van haar ene voet op de andere. ‘Maar hier zijn we, met een hele fanclub!’ Hannah lachte, ze herkende maar één of twee van dames, maar dat donderde voor haar niet. ‘Ga allemaal zitten, ik ga er aan beginnen.’

't Achterlicht
38 0
Tip

Lost in the Alps

Snow fell over the dark, night time Alps. The stars, that are always more beautiful the higher you go, were blocked by winter clouds. The man stood guard along the ridges of one mountaintop. It served as an outpost, from where he could see the enemy’s trenches. The snow had halted the war, or at least the great offensives. Nothing would happen tonight, the man thought, but he could not hope it would remain so for the rest of the war. The dying of men was a discomforting pleasure to some, the man thought. And it seemed they would not give up their bloody addiction any time soon. As the wind blew up snowy dust, the man closed his eyes almost completely. It was cold, but the soldier was at ease. There was a silence at the outpost, and to a soldier’s ear, silence was the most beautiful noise. No shots that silenced the golden eagle soaring over the mighty snow peaks. No cannons that overwhelmed the crushing thunder of distant avalanches. After standing in the cold for two hours, his guard duty was over. He returned to his little shelter. To ordinary people, the shelter was just a hole in the ground. But to the soldier’s eyes, it was home, and the trenches that covered the south side of the Alps had become a neighbourhood of fighting men. When the man crawled into his small home, he lit the gasoline lamp and sat down at the improvised desk. It was time to write to Anna. She lived in the brown gold Tuscan sea of farmland. He had written her countless letters, and when he read her answers, there seemed to be no distance between the cold Alps and the fertile Tuscan soil. He took his pencil. It was sharpened carefully, and was now a small witness to his words of love. His letters to Anna always started with the same words. “My little olive orchard”. They had met in an orchard with spring blossoms. It was, as he told her numerous times, the symbol of Italy. “I hope you are doing well, and that the war hasn’t touched our small village.” He knew the war wasn’t fought in Tuscany, otherwise he wouldn’t be on top of the Alps. But what do you write in times of war? “The snow has halted the fighting, but it won’t last. When the winter landscape melts away, the hearts of war loving men grow cold. And we are left with the warm barrels of our rifles, but the icy feeling of killing fellow men.” “I don’t know when I will see you again. But when I do, our hands will no longer be separated. There will be no sigh of wind between our chests, or floods of dark thoughts between our minds.” “How I need you Anna. Out here, on these forgotten mountains, it feels like I’m touched by the cold of the moon. I don’t know what people in the backcountry really know about us. It feels like we are in the middle of the ocean, with the coastline far away. Nobody to see, and nobody to help us.” “How is it Anna, that sometimes a heart can be surrounded by barbed wire? Isn’t it terrible sight to see my body so divided by trenches.? They say it’s our duty. That we fight for a greater cause. But when great men say that the faith of humankind rests upon the barrel of a gun, you know there’s something wrong.” He sat back for a while. How can a man just sit there and do it all again the next day? He felt like he was touched by the cold of the moon. Standing up, he grabbed a blanket from his bed and hung it over him. The gasoline lamp flickered through the small room. He missed her. He sat back down, and started writing again. “I don’t know how we are led to sail away on this darkened moonlight. Tell me what it is Anna, that keeps me from you? I can no longer see or hear without you, I need you. Away from these frozen mountains that steel the love of so many doubtful men.” “Let me be, back in your Tuscan hands. Can’t they see I want the warm soil back under my cold soles? For you I would fly off this mountain… But forget it Anna. This war has no place for hope. I only know that when I sleep, I feel your touch and smell your hair. And even though it’s not much, it’s a slice of life that feeds my hunger. I will see you again, either during these lonely nights, or in warm Tuscan days.” He stopped writing, stood up, and dressed himself up. Then he left his little house, moved up to the outpost and stood on top of the trenches. He only saw the white landscape and Austrian lines. He spread his arms and yelled “if I die, the silent whispering words of love have lost all their power”.

Simon Sileghem
30 0

Olifantengenen

Ik denk dat ik niet mag klagen over de genen die ik geërfd heb. Geen enge ziektes in de familie, geen rare afwijkingen, toch geen zichtbare in ieder geval. Iedereen in mijn familie ziet er voor hun leeftijd heel geconserveerd uit. Nu bestaat mijn naaste familie maar uit 6 personen dus misschien is dit niet echt een referentie.   Zo hebben mijn neefjes een zwarte vader waardoor zij gezegend zijn met de knappe mengeling van koffie met een beetje melk. Als kind beweerde ik stellig dat ik mijn snel bruinende kleur te danken had aan mijn neefjes. We hadden in die tijd, op de basisschool, nog niets geleerd over erfelijkheid. We leerden toen het verschil tussen een eik en een es, we  moesten in het park dan blaadjes zoeken en die tussen telefoonboeken drogen. Ik vraag me af hoe ze dit nu doen, blaadjes drogen. Als mama haar favoriete passage uit “50 tinten grijs” wil doornemen, kan ze wel eens voor een verrassing komen te staan. Het kind heeft dan misschien niet alle juiste blaadjes gevonden maar op vlak van seksuele voorlichting met een vleugje sm, heeft het kind toch iets nuttigs geleerd.   Ondanks die goede genen heb ik ook een paar mindere kantjes geërfd. Mijn eerste grijze haar ontdekte  ik toen ik 20 werd. Die werd prompt uitgetrokken. Toen werd het wat bizar en de volgende 5 jaar heb ik een grijze bles ontwikkeld. Die kon ik niet meer uittrekken want een kale plek midden op mijn hoofd, dat was nog "bizarder". Het zou nog jaren duren vooraleer ik aan het kleuren ging want ik was best wel trots op die grijze bles die niemand anders had!   Verder hebben mijn genen af en toe toch wel voor frustraties gezorgd, zeker in mijn pubertijd. Ik, bruin krullend haar (nu grijs dus), “zwaardere botten”, nogal rare wipneus en ongewenst haargroei dat typisch is aan brunettes versus mijn zus, 5 cm groter, 10 kilo magerder, sluik lang blond haar, zelfde neus maar minder prominent aanwezig. Iemand die zelf een vuilniszak kan laten doorgaan als de nieuwste modetrend. Die ogenschijnlijk alles kan eten wat ze wil. Ik kom ze wel eens tegen in een winkel, op een groot reclamebord. Iemand die haar broek maat 38 aan jou geeft omdat die van haar kont afzakt. Ik verkondigde luidkeels dat ik heus wel in een 38 geraak (wat ook zo is, echt waar! Meestal…) maar zij heeft toevallig die merken gekocht die net te klein zijn. Het is ook het type broek met wijde pijpen die haar fantastisch staan maar die mij het uitzicht geven van formaatje olifant. Nu pas na al die jaren heb ik dat allemaal kunnen loslaten, ik heb tenminste grotere borsten…

Dana's plakboek
0 0

Kut Zeg III

De man van drie Duvels    Ik weet niet waarom we het nog doen, maar we gaan eten. Ge vraagt hoe het met me gaat en ik vraag het aan u en we antwoorden allebei even ontwijkend. Ge bestelt een Duvel. En nog een, en nog een. De man in uw hoofd wankelt minder als ge drinkt, denk ik. Daarom drinkt ge, denk ik. En ge praat en ik lach en het kan me niet veel schelen wat ge echt zegt, als ik maar bij u kan zitten. Als ik maar naar u kan kijken. En gij weet het. En gij manipuleert het.   We rekenen af en gaan wandelen- dat doen we wel vaker. Dan legt de man van drie Duvels zijn arm om mijn schouder en wandelt hij me door de stad. Vrolijk en luid. De man van drie Duvels schaamt zich niet om me. En ik glunder en vervloek mezelf. Want ge zijt een smeerlap en ik heb u graag. We wandelen en kopen een fles wijn en wandelen terwijl we die delen. En ik praat en ge lacht en het kan u niet veel schelen wat ik zeg. Als ge maar niet alleen hoeft te zijn.‘Helpt die u?’ vraagt ge, en ik vraag wie.‘De psychologe. Helpt die u?’ Dat vraagt ge wel vaker.‘Ja.’ zeg ik. Ge zoudt willen dat ik nee zeg, dan weet ge de oplossing niet. Dan zijt ge geen man van drieëndertig die de ballen niet heeft om te durven. Om gewoon te durven praten.   ‘Godverdomme’, zegt ge. We gaan zitten op een bankje aan het plein en ge huilt. Als een klein kind. ‘Godverdomme’, zegt ge nog eens. Ge kunt niet meer, zegt ge. Ge wilt niet meer, zegt ge.  Ik trek u tegen me aan. En ik luister. En ik wieg. En ik troost. En ik sus. Dat het wel goed komt. Dat ge er wel raakt. Dat het oké is. ‘Azra,’ zegt ge. Ge zijt snot en slijm, ge zijt alcohol en wanhoop.‘Ge zou de perfecte vrouw voor me zijn.’ zegt ge. Mijn vat op u wordt zachter. Ik kijk u aan en glimlach.‘Ge zou de perfecte vrouw voor me zijn’ zegt ge nog eens. ‘Toch jammer dat ge zo onaantrekkelijk zijt.’

Amarylis
0 0

Kut Zeg II

De man die houdt van eten en meer  Ge had me al half nog voor ge binnenkwam. Want het is zaterdagnacht dus ik dans. Want het is zaterdagnacht dus ik besluit dat het tijd is. Dat ik het zal proberen. Dat ik me nog eens zal openstellen voor een ander. Voor het nieuwe. Dus eerst dans ik alleen en dan dansen we samen. En dan hebt ge me helemaal. Wanneer ge over eten begint. Uit het niets. Alsof ge me kent. Praat over uw liefde voor kaas en olijven, giet er wat drank op en ik kus u. Dat ge na de eerste kus meteen vraagt of ik een lijntje wil doen, ach.  Ge zijt wat enthousiast door gezoen en getast tegen de muur van deze gore tent. Maar ge zijt zeker de slechtste niet. Ge zijt gewoon een eerlijke jongen. Ge zijt een man die van eten houdt en dat schept vertrouwen. Tussen beats en lightshow door praat ge over tapenades, gegrild en schuimpjes. En ik kus u want ge houdt van eten en ik ook. Dat ge na de tweede kus aan vriend één opsomt wat ge vandaag al allemaal hebt geslikt en gesnoven, dat weet ik niet. Want het is zaterdagnacht en ik dans. En als ik jullie zie praten denk ik fijn, hij houdt van eten en van mijn vrienden. Dat zit ook al goed. Dat kan ook al niet meer stuk. Dat ge na de derde kus aan vriend twee zegt dat ge onlangs met een meisje van veertien hebt geslapen, maar dat het oké was want dat ge dacht dat ze ouder was, dat weet ik niet. Want het is zaterdagnacht en ik dans en terwijl ge babbelt met vriend twee zwaait ge en ik zwaai terug.Ge vraagt of ge me morgen moogt bellen. Ik zeg dat het goed is. Want ge houdt van eten en ik ook en ik zie ons al samen. Op een keukenschort na naakt roeren in roomsaus, knabbelen op zelfgemaakt brood. Deze gedeelde liefde voor eten, denk ik, dit is een basis om een huis op te bouwen. ‘Niet meegaan’, roept vriend één als ge om drank gaat. ‘Freak’, roept hij, ‘teveel drugs’, roept hij, ‘veertien jaar- what the fuck’, roept hij. En dan zijt ge terug. ‘Ik wil bovenop u liggen’ fluistert ge in mijn oor ‘straks bij mij thuis’. Ge knipoogt en geeft me een cola. Ik durf er niet van te drinken.  Waar zijt ge, stuurt ge als ik op het toilet zit. Ik vloek. Ik laat mijn cola staan. Ik fiets naar huis.Ge kunt goed kussen, stuurt ge, ‘s morgens als ik al lang slaap.Maar ik ook denk ik, stuurt ge.Knipoog emoticon.

Amarylis
0 0

Kut Zeg I

De man die vriendschappelijk douchet                                                            Ge kon het natuurlijk niet weten. Maar dit hier. Deze nonchalante schoonheid. Dit heeft tijd gekost. Drie verschillende jurkjes voor het goed zat. Zuchtend grijpen naar vet aan onderarm en buik. Dat laatste met twee handen. Opgeven, er in berusten. Want dit is mijn zachtheid. Buik verstoppen, haar opsteken, glimlach roden.   Ge kon het natuurlijk niet weten wanneer ge zegt Ge ziet er weer zo goed uit. Dat kleedje. Uw haar. En ik zeg merci maar muziek overstemt en ge ziet enkel mijn lippen bewegen. En ge glimlacht. En ik ook. En uw ogen glijden over mijn lichaam en schrijven ons geheim op mijn borsten. Op mijn buik. Op mijn billen. En vrienden praten verder en wij praten mee. Drinken bier. Drummen door feestgedruis. Vrienden praten verder en uw vinger volgt mijn ruggengraat. Wanneer niemand het ziet. Ze praten verder en gij fluistert uw lijf in mijn oor. Wanneer niemand het ziet. Ze praten verder en gij legt uw hand op mijn heup. Wanneer niemand het ziet. Als niemand het maar ziet.   Ge kon het natuurlijk niet weten, wanneer ge later op de avond zegt dat ge uw ogen niet van me kon houden. Wanneer ge zegt dat ge me daar en dan zou doen. Wanneer ge me kust. Met aandacht in nek en op ogen. Wanneer ge mijn blik zoekt als ge komt. Wanneer ge uw hoofd begraaft in de buik die ik verafschuw. Wanneer ge zegt dat ge bewondert hoe ik mijn lichaam aanvaard. Wanneer we douchen en inzepen. Wanneer het schuim reist van hoofden langs billen. Wanneer het prikt tot ik de ogen sluit. Wanneer ik me naar u toe buig om zeep van lip te kussen. Wanneer ge u wegtrekt en zegt niet te romantisch doen en zegt dit is gewoon vriendschappelijk.   Ge kon het natuurlijk niet weten. Maar zo werkt het niet, vriend.

Amarylis
0 0

Mensen met twee gezichten, waarom en met welk nut?

 Mensen met twee gezichten, welk nut heeft het?   In de loop der jaren ben ik ze met massa's tegengekomen en steeds stel ik mij de vraag waarom? Iedere persoon heeft zijn min en pluspunten, van sommigen in onze samenleving zou je niet zeggen dat ze pluspunten hebben maar toch ben ik ervan overtuigd dat het zo is. Iedere persoon is uniek en waarom kunnen zij zichzelf niet zijn? Is het omdat ze eigenlijk zo stoer niet zijn dan ze eigenlijk wel zouden willen of willen ze bij een groep personen behoren waar ze eigenlijk niet thuis horen? Dit zijn een aantal vragen die ik voor die personen heb, je bent zoals je bent en aanvaarden ze je niet zoals je bent dan hoor je eigenlijk niet thuis waar je je bevind. Ik heb het zelf ook al een paar keer mogen ondervinden dat het zelfs zo erg is dat er een vriendschap, wat ik dacht dat een vriendschap was er kapot aan is gegaan. Meestal komen die twee gezichten dan nog eens samen met jaloezie en dan is het hek helemaal van de dam. Dan komt het zelfs zo ver dat er leugens, verhaaltjes, en verdraaide woorden gebruikt worden om andere vriendschappen om zeep te helpen. Daar is dan bij mij het moment aangebroken om te kappen, volledig met die zogezegde vriendschappen die er eigenlijk geen zijn maar juist personen blijken te zijn die je het leven zuur maken, je op den duur gefrustreerd doen raken. Ik zou zeggen tegen die personen "get a life". En als je jezelf niet interessant genoeg vind zoals je werkelijk bent dan word het tijd dat je de mensen waarmee je omgaat laat voor wat ze zijn en zoek andere op. Bij één of andere groep ga je je wel goed voelen zoals je bent en dan hoef je niet constant een filmpje te spelen want niet elke film loopt goed af, in de bioscoop misschien wel maar in het "echte" leven is het andere koek.

Ceuleers Bart
4418 1

Gaybashing en zinloos geweld, een plaag!

Gaybashing en zinloos geweld, een plaag!   Een probleem waar we meer en meer van horen en hopelijk nooit meer. Homo's en lesbiennes hebben het al zo moeilijk om uit de kast te komen tegenover hun ouders en familie en dan staat je zoiets barbaars en totaal nutteloos te wachten, niet te begrijpen. Ikzelf ken homo's en lesbiennes en ik heb daar niet de minste problemen mee, laat mensen hun leven leiden op hun manier en niet op de manier dat zogezegd normaal is want het is dat wat de hetero's zeggen, dat zij normaal zijn en homo's en lesbiennes niet. Ik scheer niet iedereen over dezelfde kam want er zijn ook mensen met hetzelfde gedacht als ik, daar ben ik zeker van, bekijk de opkomsten en betogingen maar eens. In mijn uitgaanstijd en zeker in het begin ben ik ook in homobars geweest, dan mocht ik langer wegblijven want het was met een familielid waar ik verder niet over ga uitwijken maar die is homo. Ik kan zeggen dat ik mij daar kostelijk geamuseerd heb en niet om die mensen uit te lachen, integendeel. Duwde je daar per ongeluk tegen iemand dan had je tenminste niet direct ruzie wat in (gewone) discotheken wel het geval was. Wat ik ook ondervind en dat is gewoon zo dat de generatie voor mij, ik ben van de jaren '70 er een grote afschuw van vertonen en daar hoor je dan van (in onzen tijd was't niet waar). Wel, ik kan aan die generatie zeggen dat het altijd heeft bestaan en zal blijven bestaan en waarom eigenlijk niet? Indertijd dat ik enkele keren ben meegeweest heb ik ook een voorstel gekregen maar zeg je één keer neen dan is de kous af, wat je bij hetero's al niet hebt en daar zullen vooral de vrouwen het met me eens zijn, dat van een eerste keer neen, de kous niet af is bij mannen. Zelf al ondervonden dat meisjes en vrouwen gewoon de zaak verlieten omdat ze werkelijk gestalkt werden. Ik wil hier homo's en lesbiennes niet de hemel in prijzen en dat het allemaal engeltjes zijn maar zijn wij hetero's dat dan wel? Dan de huiselijke sfeer is doorgaans veel gezelliger en warmer dan bij hetero's, vind ik en oordeel ik ook naar mijn ondervindingen. Bij deze zou ik willen dat het gaybashing stopt want hoe hypocriet kan je zijn, op een gayparade in Antwerpen bvb ziet het zwart van het volk dat zich uitbundig zit te amuseren en je gaat mij niet vertellen dat daar geen hetero's zijn. Die mensen moeten tijden door die wij als hetero's niet kunnen vatten, het opbiechten thuis waar het begint, daarna komt het bij je vrienden en kennissen en dan leer je ze snel kennen. Die dat je op dat moment laten vallen zijn al geen vrienden, dan op school als ze er vroeg voor uitkomen, de sportverenigingen en de werkcollega's.  Daar bovenop moet je dan ook nog eens steeds over je schouder kijken of je niet aangevallen word door een bende losers want alleen doen ze het niet, daar zijn ze te laf voor. Eigenlijk ben ik blij dat ik het allemaal niet hebben moeten doorstaan maar was het zo, zou ik het ook niet wegsteken.   Stop dit nutteloze geweld en laat ieder leven op zijn manier, met wie hij/zij dat wil en zonder vooroordelen want daar zitten betere koppels tussen dan tussen de hetero's. Leef je eigen leven en zie dat dat op punt staat maar bemoei je niet met het leven van anderen en een zin die ik dikwijls gebruik, behandel een ander zoals je zelf behandeld wil worden. Hopelijk bereiken mijn woorden de juiste personen en laten ze het nutteloze geweld achter wege.

Ceuleers Bart
35 0

Rommel en markt te Zaltbommel

  maden en liefjes bakken voor bloemen slachtafval en liefdesbriefjes   voorwaar te echt warempel alles vindt men hier onder een haan een toren van papier wordt er   geleurd men graait men zeurt men scharrelt leutert kibbelt over krassen in de kromme vaas   helaas ben ik die blode drommel veel te moe ik moet ik wil ver weg van hier voorbij de   Ararbieren kreken oversteken ooit heb ik gevoeld die drang als van een Houtekiet de fuut   zijn kuif is roerloos opgezet ofschoon ik nog kan neuriën een rockabillylied ik zie   ginds aan de einder wacht een storm terwijl ik haar herken zonder benen smeltend   ijs vis kraam de zeemeermin ze kwijlt naar mij ik val bijna over een zeeduivelfilet   weggesmeten tijd ik stop de tas vult zich verkeerd met koffie boontjes voor het zwarte gat   onheil loert de resten zullen aanspoelen ook dozen uit de legoblokkenmanufactuur   voor nieuwe menschenbouwsels kinderhoop een schouwburg grappen lust wat komedie   een scheutje koemelkfantasie ik slik de klontertjes mijn schat ze zinken rusten wil ik en me   naar je dijen plooien op een komkommerbedje starend naar die zeemeermin wetend   dat jij het bent vermomd met schubben in de zilveren glinster van de middagzon   prijken ze op tafels dingen een geschenk ginds verder kooien of ik koop voor mijne deerne   een salamander met sandaaltjes pony’tje met puntschoentjes omdat ik het blindweg wil   een flesje vers venijn vier bitterballen pijn verspreidt de geur van tranen als ik ruik   er liggen hondenbrokken (stukken van blaffende dieren) en echt alles is hier   te vinden netjes verpakt in potjes en in zakken rolgordijnen bij een veluxman   of ik koop een kanarie met knalgele nagellak sinterklaaskroketten anjers   op tengere stengels kunst gras voor een neptuintje waarin ik je beminnen zal   o wee och man en dat dit alles straks verdwijnt onder zuiver zout door een zee   meegesleurd de zootjes lottolootjes ook het tentje van de zonnebrilverkoper want   ik zag hem al Neptunus reed voorbij zijn haar zat vol met golven blauw was hij   de Honda Civic scheurde drietand op de achterbank een grijns blonk in de baard   ik lik ze nog eens af vijf krokante middelvingers randen van haar silhouet   terwijl ze gaan de rechter mannen ronde glazen en een lefgozer paarse bessen gooit   naar een roodborstje het is mijn oog iets plakt vermoedt dat ze van tongen houdt   nu snel durf een muntje in de mond voor blinde spelletjes tot ik   duizelig word de scheepjes varen alover de zee als drie poitten   die in elkaar passen ze kleven nooit ze kunnen fluiten door een stoomventiel en het is geen   vernielzucht noch woede-à-la-Simson die diep in mij woekert het is dat voorgevoel   dat ze niet zal komen donderdag naar het feest van Atlantis naar de fuif   der natte kippen ook de karting (onder water) zal gesloten zijn het laatste rondje doodgereden       uit de reeks  'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0