Luc Van Roosbroeck

Teksten

Tip

die kleine

Een jongetje staat aan een bosje op de parking van de supermarkt te huilen. Met zwaar gesnotter kijkt hij Hilde, de chef van de winkel die hem toevallig vond, aan. Zij krijgt alleen “mama” van de jongen te horen. Met horten en stoten blijft hij het woord tussen het snikken door herhalen.      ‘Zeg me eens, hoe heet je?’      ‘… mama … ma…’      ‘Neen, zo heet je niet. Ik weet dat jij je mama zoekt, maar door hier zo te roepen, zal dat niet lukken. Ik wil je mama mee helpen vinden, maar dan moet ik wel weten hoe je heet!’      ‘… snif … mama, ik wil mama …’      ‘Kom eens hier jongen, we zullen haar samen zoeken. Geef mij een flinke hand, zo gaan we ze zeker vinden.’      ‘… mama … mama …’ Luid brult het kind door de tranen heen. ‘mamaaa, …’      ‘Zal ik mee roepen? Dat zal niet veel helpen. Zullen we het in de winkel gaan doen. Daar moeten we het misschien niet doen. Je mama is je daar waarschijnlijk zelf aan het zoeken.’      Het lukt haar eindelijk het snikkend kind bij de hand te nemen en mee binnen te loodsen. “Op de parking vonden wij een jongen van zowat drie jaar, gekleed in een blauw broekje en wit-blauw gestreept shirt. Mogen wij de moeder vragen haar kind te komen afhalen aan het onthaal.” De woorden zijn rustig en dwingend gesproken. Jan en zijn vrouw Bie, een ouder koppel, die net een keuze tussen verschillende camemberts aan het overleggen zijn, bekijken elkaar veelbetekenend.      ‘Dat is toch nogal iets tegenwoordig, hé. Ik weet wel dat het voor een vrouw leuk is om rond te kijken in een winkel. Maar je kind op de parking vergeten, dat is er toch over, hé Bie.’      ‘Het is weer de moeder, hé Jan. Hoe weet je dat? Misschien is er wel een vader die alleen boodschappen wil doen. Niet zo gewoon om het kind mee te nemen, en dan vergeten. Wie weet.’      ‘Of het nu de vader of de moeder is, dat blijft voor mij hetzelfde. Je hebt toch verantwoordelijkheid over je kind. Heel erg dat je die kleine zomaar op de parking achterlaat.’      ‘Ja, ‘t is een schande. Vroeger hé, ja vroeger, dan ging dat zo niet. Ja, dan gingen we nog naar de winkel op de hoek van ‘t straat natuurlijk. Daar kreeg ons Marcske toch altijd wel iets lekkers. Zo bleef die wel bij mij.’      ‘Ja, waar is de tijd van die klein winkeltjes hé. Die mensen kenden ons goed, die wisten wat we moesten hebben. Allez, zie ons hier nu staan. Welke camembert hadden we de vorige keer. Ik geloof dat ik die niet zo goed vond. ‘t Is hier ook zo een enorme keus, dat was vroeger ook niet.’     ‘Jij wordt oud, hé manneke. Dat je niet meer weet welke je goed vindt en welke slecht. Trouwens, de laatste keer, die was niet slecht. Die was nog niet rijp genoeg. Tegenwoordig is kaas nog maar net gemaakt en ligt hier al in de winkel. Vroeger hadden ze aan de toonbank altijd wat voorraad. Pas wanneer die goed was om te verkopen konden we een stuk vragen. Zie je hier nog een toog? Neen, want dan zouden ze mensen kunnen helpen, en dat mag niet meer. Ik zal eens voelen welke goed rijp is, dan weten we welke we moeten pakken.’ Een winkeldame, die net binnen is gekomen, heeft haar met de duim alle pakjes zien indrukken. ‘Mevrouw, mevrouw. Mag ik vragen alles mee te nemen waar u zo hard aan gevoeld heeft. Andere mensen willen ook propere en niet gekwetste artikelen.’     ‘Maar, dat vind ik nu grof, se madam. Sorry hé, maar ik moet toch weten of dat te eten is. Van die jonge brol kan je zo maar niet beginnen eten, en dan hebben we niets in huis.’      ‘Toch moet ik u vragen om niet zo hard op die kazen te duwen, mevrouw.’ De bediende kijkt nog in hun kar en verdwijnt.      ‘Dat vind ik nu nog beter zeg. In plaats van eens te helpen, krijgen wij hier naar ons voeten.’ Uit de luidspreker schalt dezelfde stem als daarnet: ‘Het jongetje van drie met blauw broekje en gestreept truitje staat nog steeds te wachten aan het onthaal. Mogen wij de moeder dringend verzoeken haar zoontje te komen ophalen.’      ‘Allez, hoor dat nu! Die moeder is er nog altijd niet. Dat is toch niet mogelijk hé.’ Bie begint zich zichtbaar druk te maken over dit voorval. Ze kijkt gehaast op haar boodschappenlijstje.      ‘Gaan we deze van ongepasteuriseerde melk nemen? Die smaakt wel lekkerder af, hé! Dan kunnen we voortgaan.’      ‘Ja, doe maar. Jij weet wat we nog nodig hebben. Ik ga ondertussen al eens naar voor kijken.’ Jan hoort het jongetje huilend mama roepen. Nog geen reactie van de moeder blijkbaar. Toch klinkt het voldoende luid om zeker in het voorste deel van de winkel gehoord te worden. Hij speurt rond en bekijkt elke passerende vrouw met een vragende blik.      Parmantig stopt de derde haar kar. Met haar handen in haar zij heft ze haar kin naar boven en met een boze stem zegt ze: ‘Awel man, is dat jouw manier om een vrouw te versieren. Wat sta je hier zo onnozel te kijken.’      Jan schrikt en zet enkele passen terug. ‘Sorry, mevrouw. Hoort u niet dat hier een kind is achtergelaten? Ik vraag mij af wie de moeder is.’      ‘Awel ja, en dat kan jij dan op jouw manier zien aan de vrouwen. Ouwe sloeber.’ De dame schudt haar hoofd enkele keren en begeeft zich verder naar de kassa. Bie heeft dit voorval van de andere kant van de rayon kunnen waarnemen. De artikelen rondom haar bekijkend nadert ze Jan. ‘En, heb je de moeder gevonden?’      Verbouwereerd kijkt Jan Bie aan. ‘Wat bedoel je? Hoor jij die kleine ook al niet meer?’      ‘Ach kom, ik ken je veel te goed. Je stond hier wel voor schut daarnet.’ Bie toont een grimaslach: ‘Kom, we gaan betalen. Misschien vinden we die moeder wel op de parking. Maar hou je ogen een beetje voor jezelf hé.’ Jan en Bie moeten voorbij de glascontainer die tussen taxushagen staat. Tot hun verbazing vinden ze daar een dame luid kermend tegen de struik. Haar winkelkar met enkele zakken leeggoed is blijkbaar in een kapotte steen blijven steken en omgeslagen. Met haar linkerbeen ligt zij onder de kar. Haar rechtervoet ligt onder haar bil. Daarnaast ligt een schoen met gebroken hoge hak. Kermend kijkt zij hen aan. ‘Help mij alstublieft.’ De vrouw tracht zich aan de kar omhoog te hijsen, waardoor zij zich duidelijk nog meer bezeert. Als een vuurpijl springt Jan naar de kar, trekt ze aan de zijkant overeind, weg van het been van de dame. De vrouw blijft met een pijnlijk gezicht op de grond zitten, de rechtervoet nog steeds onder haar linkerbovenbeen. Ze probeert met steun van Jan recht te komen. Op haar rechtervoet staan, lukt duidelijk niet. ‘Wil je mijn zoontje zoeken?’ Met trillende stem en tranen in de ogen kijkt ze naar haar redder.

Luc Van Roosbroeck
89 2

BROMBEER

Wat een brombeer. Telkens iemand uit de groep een voorstel doet, horen wij hem op een grommende manier zijn tegenkanting kenbaar maken. Niet dat we duidelijke woorden horen, zijn spraakorgaan blijft gesloten. In het iets lager gelegen keelgedeelte lijkt steeds een opkomende storm in aantocht. Wanneer het laag begint, is ook de toon laag. Hoe hoger de klank vertrekt, hoe hoger de toon. De hoge tonen zijn uitzonderlijk, en worden met pruttelende lippen, speekselbellen spetterend, beëindigd. De lage tonen overheersen en blijven lang nagalmen. Door de tegenstem moet telkens een nieuw idee gezocht worden. Toch blijft de stemming lang uitbundig. Nieuwe voorstellen borrelen regelmatig op. De meest spontane worden met gejuich onthaald. Behalve door de brombeer. We horen alleen zijn speciale manier van afkeuren. Naarmate de tijd vordert, komt zijn mening steeds duidelijker tot uiting. Het gebrom wordt luider en luider. De slag om frisse ideeën lijkt gestreden, alleen de voorsteller kan er nog mee akkoord gaan. De groep kijkt elkaar beteuterd aan.     ‘Zeg Peter, heb jij geen idee? Alleen maar grollen helpt ons niet vooruit.’     Met een snok komt Peter ’s hoofd omhoog. Met waterige ogen kijkt hij rond. Bij elk gezicht houdt zijn blik halt. Dan knikt hij even en draait hij naar een volgende kennismaking. Ook daar volgt hetzelfde ritueel, fletse ogen blijven een tijd staren, de knik met het hoofd, de speurtocht wordt verdergezet.     De mondhoeken blijven naar beneden gericht en als een vis in troebel water komt daar nog geen beweging in. Uit zijn buik vertrekt een nieuwe luchtstoot langs de borrelende keel. Het geluid verplaatst zich langzaam naar boven. In de mond eindigt deze met een bijna knorrend geluid. Plots haalt hij snel een zakdoek tevoorschijn. Met een vertrokken gezicht houdt hij deze een tijd voor zijn mond.     Met een diepe zucht veegt hij laatste restanten weg en propt zijn gevulde zakdoek weg. Wanneer het leed geleden lijkt, vouwt hij deze weer open, inspecteert de groene slijminhoud met een gezicht alsof hij terug gaat kokhalzen, klapt deze vieze brij nu samen en steekt die veilig in zijn broekzak. Zijn handen wrijft hij over zijn broek, bekijkt ze even, draait de handpalmen naar boven en herhaalt dit ritueel. Na enkele droge oprispingen laat hij zijn handen rusten tussen zijn benen.     Hij richt zijn troebele blik naar boven: ‘Sorry, wat vroeg je?’

Luc Van Roosbroeck
0 0

Theo en Thea

Theo en Thea zitten tevreden naast elkaar in de trein het voorbijvliegende landschap te bewonderen. Het is heel anders dan in een bus zitten, wat ze de laatste jaren met georganiseerde uitstappen van de seniorenvereniging gewoon zijn te doen. Nu is het maar af en toe dat er auto’s en huizen te zien zijn. Het groen, dat toch overheerst langs deze wegen, geeft hen een warm gevoel. Lang geleden dat ze de trein namen, en dan nog voor een lange afstand. Ze zijn door Els, hun jongste kleindochter uitgenodigd om een paar dagen in een gehuurde chalet in de Ardennen te verblijven. Ze vonden het een zeer vreemde vraag. Een kleinkind alleen in de Ardennen, ze is jong en wil toch wat. Of wenst ze hen gewoon een paar dagen dicht bij haar. Ze verwonderden zich daarover, die lieve kleindochter springt toch regelmatig bij hen binnen. Altijd opgewekt vertelt ze over haar leven waarmee ze Theo en Thea een aangenaam moment bezorgd. De laatste tijd is ze nog opvallender levenslustig. Bij hun vraag of ze de grote liefde ontdekt heeft, is ze lang met blozende wangen en tintelende dromerige ogen blijven staren. Dat heeft een tijdje geduurd, de grootjes drongen niet meer aan. Het bleef leuk te zien hoe ze zich onwennig gedroeg. Een maand geleden kwam het er ineens uit, de woordenvloed over Matthias is sindsdien niet meer te stoppen. Zal zij hem vandaag aan hen voorstellen? Van opwinding moet Thea naar het toilet. Niet dat ze het prettig vindt, zegt ze tegen Theo, maar de uitrusting is veel beter dan vroeger, heeft ze zich laten vertellen. Het moment is blijkbaar niet goed gekozen, ze is net verdwenen wanneer de trein in een station stopt. Mag je dan wel gebruik maken van deze accommodatie? Vroeger in ieder geval niet, dat kan Theo zich nog herinneren. Hij fronst daarom even de wenkbrauwen, maar profiteert toch van de stilstand om even recht te staan en zijn rug te strekken. Daar is Thea al terug. Maar wat is dat nu? De trein krijgt een schok en met haar oude benen kan Thea zich niet staande houden. Gelukkig valt ze tegen Theo, die haar stevig vastgrijpt. “Mmm, wat ruik je lekker, dat lijkt op die goede oude 4711.” “Ja”, giechelt Thea: “Ik wilde je verrassen. Weet je nog hoe wij elkaar ontmoetten?”   Ondertussen zijn ze terug gaan zitten, als een jong koppel met de handen in elkaar geslagen en dicht tegeneen geschoven. Theo heeft, zoals een verliefde jongen, twinkelende ogen bij de herinnering. “Het kan geen toeval zijn. Jij bent toen ook in mijn armen gevallen door een grote schok van de trein. Treinen die gekoppeld worden of zo. Mogelijk was dat nu ook het geval. Maar toen ging dat met nog meer gepiep en was de klap veel harder. Meerdere mensen vielen bijna om. Ik had het geluk dat jij tegen mij viel. En het eerste wat ik merkte, was je prikkelende geur. God ja, je had je voet omgeslagen en we kregen onmiddellijk plaats op een bank. Er waren toen wel minder lege plekken dan nu, maar enkele bezorgde mensen stonden onmiddellijk op, zodat jij je schoen kon uitdoen.” “Ja, en jij was ook toen al zo hoffelijk mijn voet te masseren. Nu noemen we dat hoffelijk, toen was dat onbeschaamd. De mensen zullen wel geschokt gekeken hebben. Maar wij wisten van niets.” “Ik geraakte niet uitgekeken op jou, en je geur was zo heerlijk. Ik denk dat ik dat ook onmiddellijk gezegd heb.” Ja, jij kleine charmeur. Ik liet me volledig inpakken door jou.” “Ik vond het wel spijtig dat ik vroeger moest uitstappen dan jij.” “En daarom deed je het niet, charmeur. Je hebt me bijna thuis gebracht. Tot aan de deur durfde je wel niet.” “We beloofden dat we elkaar gauw gingen terugzien, dat was voldoende.” “Ja voldoende! Achteraf heb je toch gemerkt dat mijn moeder dat vreemd vond dat ik jou zo snel terug wilde zien.” “Jaja, de jeugd wil vooruit zeker, haha. Weet je nog.” Een vette knipoog vergezeld die laatste zin. Met een glimlach kijkt hij Thea aan. “Stouterd, de jeugd wil vooruit. Jij wilde toen te snel zijn,, dat hadden mijn ouders wel onmiddellijk door. En jij maar ontkennen. Je deed toch niets verkeerd. Je wilde mij alleen meer zien, maar je woonde nogal ver. En mijn ouders maar tegenpruttelen. Hihi, wat een tijd.” “Hé zeg, zij zette mij er toch ook toe aan om aan te dringen. Als jonge dame mocht dat in die tijd niet, dat was je argument.” “Dat was toch waar zeker. In onze tijd moesten wij, meisjes, nog heel rustig thuis blijven.” Ze heeft er duidelijk zin in om dit te zeggen. Ondertussen heeft ze haar lange rok mooi glad gestreken en houdt ze haar handen terug gevouwen op haar schoot. “Jaja, ik moest de hete kolen uit het vuur halen. Jonge mannen moesten zich man tonen, of ze konden niet aanvaard worden. Maar het waren niet alleen die kolen die warm waren, ik moest ook zorgen dat deze dame van huis weg mocht, zodat we wat verder op ons geliefd plekje andere hete dingen konden ontdekken, haha.” “Foei zeg, dat op jouw leeftijd. Dat mag je niet zeggen op de trein” Thea kijkt met rode kaken naar Theo die met dromerige ogen een arm om haar schouders heeft geslagen. “Nu moet ik niet meer vallen om in jouw armen te liggen. Op onze leeftijd kan het ook wat trager. Meer moet dat niet zijn, we waren gelukkig”. Met de handen in elkaar geslagen blijven ze gelukzalig tot aan hun halte op die zachte bank zitten.   “Hé Els, is dat nu Matthias? En met zo’n chique auto! Die kan er vaart achter zetten.”

Luc Van Roosbroeck
0 0

Vriendschap

Vrolijk stapt ze mijn kamer binnen. Een brede glimlach, zwaaien met de armen en direct een zoen geven.             Vreemd, waarom word ik zo overvallen? Leuker natuurlijk dat het op deze manier gebeurt dan met een onnoemelijk zuur gezicht en een kwade stem. Direct zou ik dan in mijn schulp kruipen vooraleer het onweer helemaal losbarst. Nu blijf ik echter met vragen zitten over de reden. Vragen die mogelijk onnodig zijn. Mogelijk? Waarom mag iemand niet goed gezind zijn? Moet daar een reden voor zijn? Verwacht ik dan, zoals een hond bij een appreciatie, een zoethoudertje of een koekje, of ja, toch nog iets leuker? Mannelijk plezier komt dan in mijn hersenpan opborrelen. Het eerste waar een man aan denkt. Niet alleen het eerste, verschillende keren per uur wordt daar aan gedacht. Was het wel een uur waarover in het onderzoek werd gesproken, of was het tempo nog helser? Snel vergeten is dan ook een probleem van mij. Heeft het wel belang om te onthouden wat een zoveelste wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen? Was dat wel zo wetenschappelijk? Verschillende studies kunnen elkaar zo snel tegenspreken. Hangt ervan af vanwaar de wind waait, wordt dan gezegd. De wind heeft dan een verachtelijke menselijke geur. Een eigenschap die boven alles primeert. Nochtans maakt geld niet gelukkig. Maar ja, dat is ook weer een wetenschappelijke stelling. Boven deze wetenschappelijke stellingen verkies ik een uitdrukking uit menselijke ervaring: ‘Ik voel me rijker door de vriendschappen dan door het materiële dat ik heb.’ Waar blijft hierover wetenschappelijk onderzoek? Pas op: ik betaal het niet.  

Luc Van Roosbroeck
0 0

Boodschappen

Het duurt even voor ze gevonden heeft waarvoor ze naar de supermarkt gekomen is. Aan de kassa spreken jongeren in een vreemd taaltje tegen haar. Ze verstaat ze niet, nerveus wordt ze er wel van. Willen die iets van haar, of  heb ik iets fout gedaan? Met twee volgestouwde tassen verlaat deze dame op leeftijd de supermarkt. Regelmatig moet ze deze neerzetten om even uit te blazen, zodat ze de mensen in de omgeving kan bekijken.      De jongeren van aan de kassa komen nu naar buiten en hebben haar schijnbaar gezien, want ze komen haar richting uit. Verschrikt neemt ze haar last terug op en zo snel ze kan stapt ze verder. Vanaf nu kijkt ze bezorgd om zich heen. Bepaalde mensen blijft ze langer aanstaren. Wanneer dezen terugkijken, versnelt ze haar stap. Meer en meer begint ze de voorbijgangers te begluren. Verborgen onder haar hoedje observeert ze iedereen. Aan het eerste kruispunt zet ze met een zucht de te zware zakken neer.      Aan de overkant zijn een paar donkerder jongens veel lawaai aan het maken. Ze moet deze passeren, met die zware tassen kan ze geen omweg maken. Toch blijft ze langer wachten, twijfelend of ze wel langs die jongens zal lopen. Voor alle zekerheid kijkt ze achterom of daar ook al geen donkerder personen zijn die haar aan het achtervolgen zijn.      Toch niet, ze pakt haar tassen en zo snel ze kan steekt ze over. Uit voorzorg neemt ze de zijkant van het voetpad, zo ver ze kan van die amokmakers verwijderd. Gelukkig zeggen of doen ze niets. Toch versnelt ze haar pas nogmaals. Ze durft niet meer om te kijken en loopt zo snel mogelijk naar de volgende hoek, waar ze iets verder woont. Als daar maar weer geen onbetrouwbare mannen rondhangen.      Hijgend kijkt ze toch achterom en ziet rechts van haar een struise donkere man afkomen. Die lacht zijn tanden helemaal bloot, wat is die van plan? Ze wendt haar gezicht geschrokken af en steekt de straat onverhoeds over. Die man achtervolgt haar , sneller kan ze echter niet meer. Ze struikelt bijna over de opstap en moet even blijven staan om haar evenwicht te herstellen.        "Mevrouw Willemse!" – hoort ze achter zich zeggen – "mevrouw Willemse."      Geschrokken en met een bang kloppend hart kijkt ze om. Daar staat die man, hoe kent hij haar naam?      "Mevrouw Willemse, wil ik even uw zakken tot thuis dragen. Ze zijn duidelijk te zwaar voor u."      Wat bedoelt hij daar nu mee? Hoe weet hij waar ik woon? En kan ik dat zomaar vertrouwen? Je hoort en leest er meer dan voldoende over de laatste tijd.      Ze neemt haar tassen snel op en probeert terug te vertrekken. Die man heeft echter reeds een tas gegrepen , waardoor die uit haar hand schiet.      "Kom geef de andere tas ook maar, zo kan jij je sleutel al nemen voor je appartement.      Verbouwereerd kijkt de dame nogmaals naar die man. Ze voelt zich hulpeloos met de afgenomen zakken. Toch volgt ze hem zo snel mogelijk, ze wil haar boodschappen terug. De man heeft de deur van het appartementsgebouw geopend en komt nu terug naar haar toe. Hij reikt haar een arm en zegt:      "Kom, steun even op mij tot thuis. Ik maak je direct een lekkere tas thee, zoals ik de laatste keer gemaakt heb."    

Luc Van Roosbroeck
0 0

Carla en Dirk

Zou je schrikken wanneer ik zeg het niet leuk te vinden je terug te zien? Euh, wat? Wat bedoel je? Is dit een bedreiging of zo? Meen je het echt? Ach schat, het bewijst dat je me nog steeds graag ziet. Je schrok duidelijk. Je zou voor minder. Waarom stelde je die vraag eigenlijk? … Ik … Hoe zomaar? Ik was bijna kwaad geworden. Hoe durf je zulke botte vragen te stellen? Het was heel kwetsend, weet je! Oh sorry. Je zegt dat je bijna kwaad geworden bent. Zou je het woordje ‘bijna’ niet even laten vallen? Echt, het was niet bedoeld om je boos te krijgen, zeker niet. Wat heb ik daaraan. Ruzie maken of niet meer spreken, geen van beide reacties zou leuk zijn. En ik wilde deze fijne avond zeker niet vergallen. En toch is het je gelukt. Ik hoor hier liever prettiger dingen dan zo’n vreemde vraag. Schatje, schatje. Mag ik vragen om dit te vergeten. Ik ben er volledig van overtuigd dat je mij nog steeds graag ziet. Het was zeer dom van mij om het op deze manier uit te testen. Het was voor niets nodig. Ik wist het gewoon.   Ondertussen is het niet alleen Carla die naar Dirk kijkt. De twee oudere dames die een rijstdessert aan de tafel naast hen aan het eten zijn, kijken afwisselend naar Dirk, Carla en de vriendin aan de overzijde. Bij de laatste verschijnt een lachje om de lippen wanneer de ogen elkaar ontmoeten. Carla en Dirk merken dit ook en kijken elkaar nu ook even in de ogen. Bij beide krullen de mondhoeken zachtjes naar boven. Plots begint Carla luidop te gieren, onmiddellijk bijgestaan door Dirk. Nu kunnen ze elkaar niet meer aankijken of ze proesten het nog erger uit. Gelukkig heeft de ober net de borden van het hoofdgerecht afgeruimd of ze hadden mogelijk brokken gemaakt. En ook gelukkig dat ze het beide vandaag bij water hielden, die glazen staan stabieler op de tafel. Carla zit te dicht en haar buikbeweging brengt het tafelblad aan het trillen. Wijnglazen zouden gesneuveld zijn bij deze schuddende beweging.             De twee dames kijken nogmaals naar elkaar. De oudste, zo lijkt het toch, trekt haar schouders even op. De ander verroert, bijna bewegingloos, haar hoofd. Duidelijk dat ze reeds lang met elkaar optrekken, ze hebben niet veel nodig om elkaar te begrijpen. Bij het zoveelste lachsalvo verschijnt toch een glimlach bij de jongste. Ze buigt zich voorover om iets te fezelen tegen de ander. Toch blijkt ze onvoorzichtig. Een glas cava twijfelt op het voetje, een kleine slok verspreidt zich op het tafeltje.             Dirk merkt dit en verslikt zich bij het lachen. Een hoestbui neemt meesterschap zodat hij de concentratie helemaal kwijt is. Ook zijn sterkere glas kan zich niet rechthouden wanneer hij met een bruuske beweging zijn rechterarm naar de mond brengt en het even aanraakt. Het klettert op de grond.             Carla smoort het hoesten op een fluweelzachte manier door met ietwat geopende lippen deze van Dirk te beroeren.   Scherven brengen geluk.  

Luc Van Roosbroeck
0 0

De wachtzaal

Een kind kan niet blijven zitten en de moeder heeft het opgegeven hem terecht te wijzen. Iedereen wordt aangesproken. Meestal vangt hij bot, ogen star vooruit blijven ze aan hun stoel gekluisterd. Meneer, heb jij ook pijn? Pijn, niet bepaald, jongen. Maar het is hier een ziekenhuis en ik denk dus wel dat er iets mis is met mij. Mijn mama heeft pijn, zegt ze. Oh, en daarom ben jij nu met je mama hier. Ja, dat denk ik. Maar ik ben niet ziek. Als enige wilde ik wel een woordje met hem praten. Die steriele bedruktheid, dat gevoel mag wel even ontlopen worden. Het lijkt hier meer op een lijkwake. Wil jij met mij spelen? Ik verveel mij! Dat zal niet gaan, hé jongen. Ook ik zit hier te wachten. Milan, laat meneer eens met rust. Mijn blik gaat naar de moeder die met een veel te strenge stem haar zoontje toeriep. Kan dat ook niet rustiger? En is het niet te begrijpen dat die jongen zich verveeld. Was het niet mogelijk voor een oppas te zorgen, of zijn ze hier voor hem, en niet voor haar? Met een sussend gebaar kijk ik haar even in de mooie groenbruine ogen. Een glimlach komt om haar lippen. De heer De Bruiker, de heer De Bruiker. Ik sta op en volg de corpulente man in witte doktersjas. Ach, moet ik bij deze man … Tweede deur rechts - klinkt het bars – alleen je slip en kousen aanhouden. Verdomd zeg, wat een hoffelijke begroeting. Moet ik deze man in volle vertrouwen mijn rugprobleem gaan beschrijven? Tweede deur rechts, een piepklein pashokje met alleen een kapstok en spiegel aan de muur. Zo kan ik straks controleren of ik het overleefd heb. De grijns om mijn lippen doen mezelf even schrikken. Zo ongerust? Mijn evenbeeld vertelt me meer dan ik zelf vermoed. Opletten of de spiegel barst. Gaat u maar liggen, mijnheer De Bruiker, het is voor uw rug zeker. Dan zullen we langs die kant beginnen. De barse stem is verdwenen en deze aanspreking is met een zekere lach in de stem. Natuurlijk wordt u helemaal doorgelicht. Legt u zich maar op de rug, in het toestel zien wij u van alle kanten. Mijn voeten schuiven het eerst naar binnen. Met mijn hoofd blijf ik buiten, voldoende zicht op het glas waarachter de dokter mij beveelt Even rustig ademen, en dan proberen stil te blijven. Dank u. Langzaam schuif ik nog iets verder in een holle koker. Veel kan ik niet zien, ook mijn hoofd moet ik stil houden. Gelukkig, en dat is toch vreemd, heeft die dokter mij bijna ongemerkt, met twee riemen vastgegespt. Stil liggen is dan de enige mogelijkheid. Alleen mijn handen zijn vrij om te bewegen. Toch houd ik die ook stil, opdracht is opdracht. Hoe sneller ik hiervan af ben, hoe beter. En als er iets misloopt door mijn schuld, dan zal terug de barse stem tot mij spreken, vermoed ik. Een gezoem weerklinkt. Verder gebeurt er schijnbaar niets. Is dat doorlichten? Er komt geen licht aan te pas. Even beweeg ik terug, verder de koker in. Een ander zoemend geluid geeft mij precies trillingen aan de onderrug. Dat zal dan het specifieke aan dit onderzoek zijn. Ik voel vreemde tintelingen in mijn rugspieren. Mijn buik heeft teveel spekvet, zouden ze daar door geraken? Mogelijk een nieuwe manier om te vermageren. Moet ik straks eens vragen of dat kan. Ik voel weer enkele snokjes en wordt terug naar mijn beginpositie geschoven. Lachend komt de dikkerd uit het glazen kantoor. Zo, mijnheer De Bruiker. U kan terug langs pashokje twee verdwijnen. De secretaresse aan de balie hierboven zal u een document geven waar u beneden de rekening mee kan betalen. Volgende week woensdag weet uw huisdokter de uitslag. Bedankt en tot een volgende keer. Ondertussen ben ik bevrijd en kan ik nog net de uitgestoken hand van mijn goedlachse dokter drukken. In het pashokje zie ik verwonderd in de spiegel. Was dat het? Zal die dokter zonder een hand naar mijn rug uit te steken, kunnen zegge wat er met dat lichaamsdeel misloopt? Dan heeft mijn huisdokter er al meer energie in gestoken. Zij heeft heel mijn rug handmatig gecontroleerd en zo vastgesteld dat ik naar deze specialist moest. Die laat dat zijn specialistendoos werken en zal op zijn computer mijn probleem kunnen vaststellen. De spiegel blijft mij aanstaren, ik knipper met de ogen. Dit wordt beantwoord, waardoor ik mij zekerder voel. Mijn kleren passen nog en angstzweet voel ik niet. Bij de balie komt de jongen naar mij toelopen. Alles goed met u, mijnheer? Met mij wel, heeft de dokter gezegd. Ik mag naar huis. Komt u bij mij spelen? Lachend geef ik de jongen een hand terwijl de moeder vriendelijk naar mij wuift.

Luc Van Roosbroeck
0 0

Opleiding

Wisper - verschillende schrijfworkshops
Academie Borgerhout, 1ste jaar 'Literair schrijven'
Academie Berchem, 2de jaar 'Schrijven'

Publicaties

dag-licht: gedichtenbundel (boekscout.nl)