Lezen

Carpe Noctem

“Ik hou echt zo van deze avonden” zegt mijn moeder opgewekt terwijl we na een laat avondmaal nog even staan op te ruimen in de keuken.Op de achtergrond klinkt vanuit een ver verleden het zachtjes huilende trompetgeluid van Miles Davis op ‘Nuit Sur Les Champs-Elysées’.Ze bedoelt het soort avonden dat sinds september weer als een doek over een bühne vol speelse zomerdagen valt. Traag en geruisloos in nachtblauw fluweel. Avonden die je inpakken en in slaap fluisteren. Liefdevol en dwingend. Anders dan de avonden die je mee op sleeptouw namen en uitdaagden toen ze nog warm en lichthartig waren.“Ja, gezellig, he” zeg ik op mijn beurt terwijl ik een paar kletterende borden in de afwasmachine laad. Tegen de buitenkant van een klein raampje dat op de tuin uitgeeft, botsen per ongeluk een aantal nachtvlinders. Telkens opnieuw. Ze vatten het glazen gegeven niet zo. Dom.Als kleine fladderende schaduwen tekenen ze zich af tegen het steeds dieper wordende blauw. Tot alles straks zwart is en zij onzichtbaar in een verborgen wereld verder vlinderen.Meer nog dan van de avond ben ik een aanbidster van de nacht. Van hoe hij ontsluiert waar we eigenlijk al die tijd al waren. In een stille, donkere, eindeloos grote ruimte. Waar ik vrij spel heb in een groter gedaante. En ik niet langer verblind ben door fracties van de fraaie komedie die de dag aan het licht brengt. Daar kan eenzaamheid zich in eenheid verenigen. En zo een geheim bondgenootschap smeden. Ik had er altijd van gehouden.‘s Nachts studeren bracht diepere focus, ‘s nachts muziek schrijven meer poëzie. ‘s Nachts huilen bood snellere troost, ‘s nachts kussen meer liefde. In maanlicht baden meer wijsheid, sterren tellen meer hoop. Meer dan eens werd ik een nachtraaf genoemd door mijn moeder, zelf een notoir voorbeeld van laatslaperij. Ik wens haar een goede nacht, die ze pas later tegemoet zal gaan, en loop de gang in. Het licht laat ik uit.Tanend donkerblauw schijnsel leidt me de trap op naar boven, naar mijn oude kamer waar ik weer even logeer. Ik hou de gordijnen open om vanuit bed een blik te kunnen werpen op het heelalletje. Dat dromerige duister was waar ik ook altijd naar zocht in mensen, bedenk ik me op de grens tussen leven en slaap. Bij wie enkel rozengeur en zonneschijn te rapen viel, voelde ik me al gauw onvoldaan. Zo ook in de liefde had ik wel eens het gevoel gehad dat ik geen hoogte kon krijgen van iemands diepte. Niet in diens oneindigheid kon gaan dwalen. Dat ik hongerig op een openbaring bleef wachten. En enkel kreeg wat ik zag. Het moet een onverwachte verklaring zijn geweest voor de lieve jongen die ik ooit ontsloeg na zijn vlekkeloze stage als Trainee Love Assistant bij mijn levensbedrijf. “Ik vind je nacht niet” was al wat ik kon zeggen toen hij vroeg wat er dan mis was gegaan. Het bleef bij een one-night stand en duizend-en-één vraagtekens. Hij moest zijn eerste lessen nog leren over vrouwen met obscure harten.  

Jasmine Tomballe
0 0

We moeten praten

Half acht ‘s ochtends. Ik heb haast, want ik ben traag. En híj doet ook nog eens lastig. Stribbelt tegen. Hhhh. Ik pak ‘m beet en snauw “Serieus? Ga je me echt nú kloten?!”. Ik kwak ‘m net niet tegen de keukenmuur. Hij zegt niks terug. Onverstoorbaar als ie is. Dan maar de schaar erin. Koffiepakken zijn ook geen praters. Dat komt op zijn minst omdat ze niet leven. Ik praat eigenlijk gewoon tegen alles. Dead or alive. Stoot ik me aan een stoel is het van “Fckk, ga uit de weg!”. Een vuilniszak die niet uit de vuilnisbak wil wegens te dik: “Move, rotzak”. Pun niet eens intended. Fiets die niet wil balanceren op een hellend vlak : “Doe normaal, FIETS!”. Alsof het een belediging is. Dat wordt eender welk neutraal woord als je maar briest. Ik doe ook wel lieve dingen zeggen. Dan sta ik te roeren in de pan en zeg “Joepieee” tegen de quinoa want die pruttelt zo vrolijk. Quinoa geeft er geen reet om. Stoïcijns voedsel ook. Tegen de ventilator zei ik laatst bemoedigend “Yes, you’ll do the job”. Want ventilatoren verstaan natuurlijk alleen Engels ofzo. Hij blies gestaag verder onder mechanisch nee-geschud. De koffie is gezet. De stilte keert weer. Ik drink mijn kopje op het balkon om mijn zen te bewaren ondanks het genadeloos tikken van de tijd. De Toscaanse jasmijn die mijn kleine oase heeft overwoekerd, staat in volle bloei. En een slak die zich duidelijk niet bewust is van tijd, likt wat aan een bloem. “Halloooo, kleine slijmerd, is het lekker?” zeg ik met een hoog piepstemmetje. Dat doe ik tegen alle dieren wanneer ik ze begroet. Vinden ze leuk. Ik krijg althans geen klachten. Katten richten gewoonlijk eerst hun oren en kijken dan matig geïnteresseerd mijn richting uit. Daarna gaan ze resoluut voor oostindisch doof. Ze doen ook zo graag hard to cat. Tegen alle hondjes in da club zeg ik inspirerend “Hey, Woefie!”. Dan gaan ze met hun tong uit hun bek een beetje ter plaatste trappelen. En kijken me aan met een onwetendheid die aandoenlijk is. Iedereen verdient een vriendelijk woordje. Dat vind ik. En als ik later groot ben, word ik Franciscus Van Assisi. Een portie dagelijks brood later, zit ik op de fiets. Tegen de wind in kom ik nauwelijks vooruit en ik roep in het ijle “Hou hier maar mee op, ja!”. Een tiental meter voor me zie ik plots een bekende rug. Het is mijn collega Emma. Aardig meisje. Ik doe echter geen moeite om vaart te maken en probeer de afstand te bewaren. We hebben het soort contact dat alleen maar werkt binnen de bekende context. Als een sluipende schaduw blijf ik achter haar dralen. Wanneer ze de fietsenstalling inrijdt, heeft ze nog steeds niks in de gaten. Ik blijf nog een minuut langer buiten om helemaal niks op mijn telefoon te checken. Emma zal nu wel binnen zijn, gok ik. De kust is veilig. Ik stal mijn fiets en onderdruk een “Tot straks”. Na al dat gezwoeg vind ik dat ik een ritje met de lift wel heb verdiend. Die ontspanning gunde Emma zichzelf ook, zo blijkt wanneer ik haar bij de lift tref. Ik kom met een spontane “Heeey goeiemorgen, jij hier ook haha” voor de dag, maar daar stopt het dan. Ik weet niet wat te zeggen. Emma ook niet. Er valt een ongemakkelijke stilte. Tevergeefs probeer ik het nog met een slecht geconstrueerde mededeling over het weer, maar ik word inmiddels knalrood van mijn eigen onhandigheid. De lift is er. Nog vier etages gênant gezwijg. Boven zonder ik me af in de toiletten. “Goeie zet, weirdo” zeg ik tegen mezelf. “Ja, thanks…”.    

Jasmine Tomballe
0 0

Unie(k)

Ik zie mijn jas lopen. Ze kwam net uit een zijstraatje en slentert nu voor me.Er zit een meisje in. Ze draagt ook zwarte skinnyjeans en een paar achteloos coole Nike’s. Lang haar, zonnebril. Net als ik. Het is een uniform. Een soort code. Ik zag al eerder variaties van dit meisje. Ik ben er zelf één. Of zij één van mij. Het is maar hoe je het bekijkt. “Spiegel im spiegel” speelt in m’n hoofd. Ik wil weten wat wij betekenen. Zou dit meisje dezelfde dingen eten als ik, naar dezelfde muziek luisteren en bij dezelfde toffe hangouts hangen?Zou ze denken over de dingen zoals ik denk over de dingen?Houden van de dingen zoals ik houd van de dingen?Weet ze dat de meeste van haar waarheden alleen gelden in de dimensie van de mensen? Dat het hondje dat voorbij huppelt niet in sociale klassen gelooft, maar wel in hoe iemand stinkt. En dat de reiger die overvliegt zich niet afvraagt of hij wel mooi genoeg is voor de wereld plus schijt heeft aan landsgrenzen. Waardeert ze die waarheden ook?Hoe vaak werd haar hart al gestolen? En hoe vaak werd het al gebroken? Houdt ze überhaupt de tel bij of kiest ze inmiddels voor selectief geheugenverlies? Wat een boeven lopen er ook rond, hè meid…Maar daar komen we weer overheen. Dat zeggen ze allemaal.Ook de gekke man die net ons pad kruist. Die brult dat Jezus ons zal redden alsof zijn leven er van afhangt. Een andere man roept terug “Ik heb geen zus, ik zal mezelf wel redden dan”.Daar moeten we beiden om lachen kan ik zien terwijl het meisje opzij kijkt.Misschien hebben we hetzelfde soort humor. Lacht ze zich ook dood om haar eigen slechte grapjes. Misschien kent ze wel soortgelijke situaties als ik ken, soortgelijke mensen die ze vrienden noemt, soortgelijke mensen die ze niet meer wil kennen, vergelijkbare highs en lows.Ziet ze elke ochtend dezelfde zon en elke nacht dezelfde sterren.Daar wordt ze dan vast ook lyrisch of wel eens weemoedig van.Misschien heeft ze er soms geen woorden voor. Wie weet huilt ze dan stilletjes omdat het zo’n onbevattelijk gevoel is dat ze zo belachelijk klein is, maar tegelijkertijd zo groot als het hele bestaan. Zich afvragend waar ze mee bezig is terwijl ze dag in dag uit maar een beetje van hier naar daar loopt. Momenteel door een winkelstraat in Amsterdam met een onbekende in haar kielzog. Verbonden door een outfit, maar dat weet ze niet. Misschien door veel meer, maar dat weet ik niet.Wat als ze zich zo meteen omdraait en mij in haar jas ziet? Zou ze dan bang zijn dat ze niet uniek is of juist gelukkig omdat ze niet alleen is? Dat moment komt er niet. Ze loopt naar een bekende die haar naam roept.Ze heet Jasmijn, mijn jas.  

Jasmine Tomballe
0 1

Dit is het dan

“Zie je wat het is?” hoor ik A. in de luwte van mijn benevelde dagdroom vragen.We liggen versuft door de zon in het park. Omgeven door bakjes smeer-, dip- en grijpbaar voedsel en een halflege fles cava.“Hm?” vraag ik. “Wat die wolk is?” verduidelijkt A.Ik hou mijn hand als een klepje boven mijn ogen. Het is me meteen duidelijk.“Het is een nogal dikke hagedis met een lange neus en hij staat in aanvalspositie. Een soort Pokémon ofzo. Hij ziet er niet uit, maar je lacht je dood en dat is zijn tactiek”.“Ik zag iets totaal anders” zegt ze lachend. “Voor mij was het een kromme opa met een pet op”. Nog eens kijken hoe ze dat erin zag. Er blijft niets over van wat zij of ik dachten te zien. De wolk is weer wat anders.Is het een vogel? Is het een vliegtuig?Ik zoek tevergeefs naar een beeld of een concept om te labelen, maar slaag er niet in om er meer van te maken dan “Nu is het een wolk”.“Wil je nog een aardbei?” vraagt A. Ja, ik lust wel iets concreets.Ik vraag haar hoe die ene date met die leuke kerel nog was verlopen.“Jahhh…” zegt ze terwijl ze haar wenkbrauwen hoog optrekt.Met zo’n intro kan het nog alle kanten uit.Ze vertelt me wat een ontzettend leuke avond het was geweest. Dat hij het zo gezellig had aangepakt en dat ze het meteen goed met elkaar konden vinden. Geen rare stiltes. Grapjes maken. Hij een gentleman. Zij haar eeuwige vlotte zelf. Zonsondergang erbij.Ik merk dat ik meeleef zoals met eender welke romcom. Mijn ademhaling zit hoog en ik heb een glimlach van oor tot oor.Zo keek ik als kind ook naar Disneyfilms. Die shiny prinsessen leerden me hoe ik en de liefde er moesten uitzien.Ik vraag net niet smachtend wanneer ze hem weer terug zal zien en in mijn hoofd klinkt “Dit is het dan” (link) uit Assepoester.“Hij laat niet meer van zich horen.”“Wat?!” Ik sproei een halve aardbei door mijn tanden heen en Assepoester is ook toedeledokie.“Ja…plots ging hij heel lang wachten met terugsturen en op mijn laatste bericht heeft ie zelfs niet meer geantwoord. Ik snap er niets van want het was echt heel leuk. Ik vraag me al heel de tijd af of ik iets verkeerd heb gedaan of dat er wat mis met me is ofzo. Of misschien is het toch gewoon een botte eikel?” Arme A. Zulke twijfels voor zo’n leuk meisje.Ik zeg:”Nee schat, je zag een droomprins. Nu wil je een botte eikel zien. Maar hij was altijd al gewoon een wolk. Laat hem en je idee over wie hij is dus varen, want panta rhei.”“Panda wat?” probeert A. nog. Snoever ben ik ook.“Alles stroomt.” Alsof ik het zelf heb verzonnen. “Ook cava trouwens. Wil je nog?”Ja, ze lust wel iets concreets.

Jasmine Tomballe
3 0

Mijn Liedje

Ik fiets door een eindeloos lange straat.De wind waait scherp langs mijn jukbeenderen en ik hou mijn ogen strak toegeknepen.Alsof ik gepolijst word tot een aerodynamische pijl.Ik ga ook pijlsnel. Om me heen verandert het decor voortdurend. De huizen, stoepranden en dwarsstraten worden herleid tot lijnen en vlakken die in vijftig tinten grijs aan me voorbij trekken.Een grafisch perspectief waarin alles leidt naar dat ene punt.De horizon die ik steeds verleg.Nu en dan fiets ik onder een boom door en high five ik met laaghangende takken.Ik ben graag in contact met de natuur. En zij met mij.Dat bewijst ook de zwerm zwarte vogels die als confetti in de lucht uitwaaiert om mijn naderende thuiskomst te vieren.Precies op het moment dat de strijkers in het nummer waar ik naar luister alles opentrekken.De dynamiek zakt weer in tot een donkere baslijn met af en toe een rauw klikkend geluid dat perfect past bij het schichtige oogcontact dat ik maak met mijn tegenliggers.Ze zijn figuranten in mijn mentale videoclip.En ze weten verdraaid goed hoe ze zich moeten verhouden tot de beat en de structuur van mijn muziekje. Hun choreo is er geen van de willekeur.Bijna zou ik denken dat iedereen en alles mee in dit muzikaal complot zit.Tot ik mijn oortjes even uitdoe om de supermarkt binnen te gaan.De jongen die daarnet nog een lichtend aura om zich heen had door het zonlicht op zijn blonde haren, staat nu zijn mooie hoofd te breken over stamppot met worst of kip teriyaki met eiernoedels.Weet hij veel dat hij een tijdelijke god was in mijn muzikaal epos.En dat hij daar voor veel uitdagendere keuzes kwam te staan.In deze banale sfeer verdenk ik hem vooral van chillend in zijn boxershort na Kip Teriyaki te kiezen tussen Like of Nope op Tinder.Ach ja, dat heet ook liefde, toch?Niemand lijkt zich overigens te haasten op dit drukke uur en veel mensen slaan bananen, mango’s en ander rielekst paradijsvoer in.Zou het komen omdat Jack Johnson de soundtrack voor deze supermarktscène verzorgt?‘If music be the food of love, play on’ zei die ouwe Shakespeare.Dat moet het meisje van de kassa zich nu toch ook bedenken.Ze kijkt me namelijk betekenisvol aan, dus ik geloof haast van wel.Dan vraagt ze of ik de bon wil. Die wil ik niet. Ik wil terug naar mijn solotrip.Weer buiten op de stoep zoek ik nog even naar fijn geluid voor de laatste meters.Ik scroll voorbij een aantal nummers die ik niet wil opzetten.Niet omdat ze niet mooi zijn. Juist omdat ze mooi zijn.Omdat ze een persoon zijn.‘Ik wil je nu niet horen’ fluister ik hem in gedachten toe.Dat mijn telepatische gaven nihil zijn en hij het nooit zal horen, is bijzaak.Hij weet toch ook al niet dat hij zich schuilhoudt in een playlist waar ik vrij over beschik.Ik vroeg ‘m nooit “Wil je mijn liedje zijn?”Daar was geen wederzijdse toestemming voor nodig.Hij vroeg het ook nooit aan mij. Niemand eigenlijk.Misschien ben ik ook wel een latente traan in iemands playlist.Of juist een brede lach. Je weet het nooit.Ik druk op play en word getroost door een stem en zacht gitaargetokkel bij de ondergaande zon.Kwestie van de juiste snaar te raken.    

Jasmine Tomballe
0 1