Lezen

fragmenten uit een spoorboekje

 Vrijdag 14/01/11        Iets na vieren in de wachtende trein naar Brussel. Groepjes studenten trekken door de straten in het schemerduister naar huis. Het regent. Bomen neigen naar hun contouren. Weiden als groene monochrome vlakken in het raamkader. Kale, jonge berken in de wind. De Vlaamse Ardennen leigrijs tegen de achtergrond. Anzegem. Over een beregende akker waggelen twee Nijlganzen door de modder. Naarmate de avond valt, wordt het moeilijker in de weerspiegeling van de ruiten de buitenwereld van het wagoninterieur te onderscheiden. Het oude bakstenen station van Oudenaarde. Verf bladdert van de raamkozijnen. Boven de Zwalmstreek motregent het nog steeds. Een witgekalkte boerderij met getraliede ramen op het noorden. De bomen zijn geleidelijk van gedaante verwisseld en zwarte silhouetten geworden.   Vrijdag 01/04/11        Het vertrouwde landschap onder een lentezon. Tussen het staketsel van kale takken dat nog aan de winter herinnert, sluimert al wat lichtgroen. Een eenzaam paard staat in de hoek van een weide de zaken te overschouwen, de kont naar de voorbij rijdende trein gekeerd.   Maandag 04/04/11     Grijs, bedompt weer. Het paard uit de heenreis is uit zijn hoek gekomen en graast in het midden van de weide, het hoofd nog steeds van het spoor afgewend. Een eenmansprotest tegen diegenen die het in zijn rust storen.   Zondag 25/09/11        Avondzon: gezeefd licht als gouddraad tussen de weiden. Goudgeel, bruin, hier en daar al rood aanlopende bladeren aan de bomen. Luchtballonnen tegen de blauwe hemel. Een ladder in een boomgaard. Afgemaaid gras ligt in lange rijen te drogen. Een fazant scharrelt in de rand van een maïsveld rond. Eigenaardig dat je zo’n avonden met je grootouders associeert. Met stokrozen, korstmos en gedroogde siererwten.   Vrijdag 3/02/12          Een meisje komt zichtbaar opgelucht de wagon binnen. Pas bij het uitrijden merkt ze dat we richting Brussel gaan. Zij moet naar Brugge. Het sneeuwt zacht. Een konijn haast zich over een wit veld ergens heen. Bevroren plassen als gekartelde witte vlakken. Hoe oostelijker we komen, hoe dikker de sneeuw ligt opgetast. Wit vilt op zadeldaken en onbereden landwegen.  

detroostvancontouren
0 0

verhaalfragment

Toen ze weg liepen, had ze Maartens hand genomen en zichzelf gedwongen niet achterom te kijken. Maar het maakte geen verschil. Het beeld van Claire die alleen de nacht inwandelde kreeg ze niet uit haar hoofd. Ook niet toen ze op zijn kamer waren en hij haar als een paspop uitkleedde. Het was donker. Het voelde aan als verraad. Ze stond toe dat hij zich onder haar vleide. In haar kwam. Toen zijn ademhaling jachtig werd, verschoof er iets in haar hoofd. Met gesloten ogen begon ze met haar heupen draaiende bewegingen te maken. Ze hoorde hoe hij kreunde. Hij had geen idee hoe ze hem buitensloot. Zichzelf verlaagde tot het voorwerp, niet het onderwerp van zijn lust. De vernedering aanvaardde ze als straf. Dankbaar haast. Het draaien van haar heupen kreeg iets van een zelftuchtiging. Dit had enkel nog met haar, niets meer met hen te maken. Ook zij begon nu te hijgen. In een flits zag ze Claire weg wandelen. Ze schudde haar hoofd. De klank die hij uitstootte, kreeg iets huilerigs. Nu niet aan Claire denken. Ze sloot haar ogen. Na een laatste slag met haar lenden, kwam hij klaar. Hij legde een hand op haar rug. Door de aanraking voelde ze voor het eerst hoe die nat van het zweet was. Ze rilde. Hij duwde haar voorzichtig naar zich toe. Ze verborg naar hoofd in het kussen naast hem. Ik hou van je, zei hij en streelde haar rug. Ze knikte in het kussen. In bed merkte ze dat hij de slaap niet kon vatten. Op een bepaald ogenblik zuchtte hij diep. Ze wist niet of dat een uitnodiging was om te praten of niet. Ze ging er niet op in. Ze vroeg niet wat er scheelde. Ze staarde gedachteloos in het donker. Met haar ogen volgde ze doelloos de barsten in het plafond. Eén lijn liep kronkelend diagonaal de kamer door en verdween in een donkere hoek uit het zicht.   De weken erna ging het beter. Alsof ze zich ergens bij had neergelegd, ergens vrede mee had genomen en hem nu meer kon toelaten, hem dichter kon laten naderen. De zelfvernedering in bed die avond – dieper kon ze toch niet vallen? Alles wat volgde was winst. Ze had een nulpunt bij zichzelf bereikt en had niets meer te verliezen. Vanuit die gelatenheid steeg een nieuw soort energie op. Tot haar eigen verbazing was ze rustiger geworden. Waar de situatie haar die nacht nog uitzichtloos had geleken, was ze de volgende morgen met een haast vrolijk gevoel opgestaan. Ze herinnerde zich hoe helder haar hoofd was geweest, als na een zware huilbui - met hetzelfde licht zeurende, huiverige gevoel op de achtergrond. Alles aan hem ontroerde haar. De manier waarop hij zijn kopje oppakte en naar zijn mond bracht. De blik in zijn ogen die tussen wantrouwen en verbazing schommelde. Toen ze terug op straat stond, drong elk geluid, elke geur, alles wat ze zag tot in het kleinste detail tot haar door. Een vogel die floot, een wagen die langsreed, de vroege zon op de bakstenen gevels; alles sprak voor zichzelf, verwees naar niets anders dan zichzelf. Een snoeppapiertje op straat droeg de hele wereld in zich. Ze voelde zich licht, alsof ze zich van iets zwaars had losgemaakt. Ze praatte zichzelf iets aan natuurlijk, maar op dat moment geloofde ze werkelijk in - tja, in wat? Berusting misschien. Misschien wist ze wel dat ze zichzelf iets wijs maakte, maar geloofde ze er desondanks in. Dat kon, volwassenen lazen op die manier de bijbel. Iedereen weet dat parabels verzinsels zijn en toch blijven sommigen erin geloven. Omdat die parabels hen iets vertellen dat ze willen horen. Iets dat hen recht houdt. Misschien dat het haar destijds net zo was vergaan.  Met hernieuwde energie schreef ze aan haar eindwerk. Binnen de twee weken had ze het besluit rond, liet het door Claire nalezen en bracht het naar de faculteit. Het secretariaat zou het aan haar promotor bezorgen. De boeken die ze van hem had gekregen, begon ze op een systematische manier door te nemen. Ze legde lijsten aan van woorden die ze niet begreep en waarvan ze de betekenis in naslagwerken opzocht. Ze maakte een schematisch overzicht van fenomenen die volgens de auteurs hadden bijgedragen tot het proces van secularisering. Omgekeerd legde ze een chronologie aan van toespraken, brieven en encyclieken waarin menig paus zich tegen de moderniteit had gekeerd. Hele namiddagen spendeerde ze in de universiteitsbibliotheek. De neutraliteit van de plek – ver weg van Maarten of Claire – verschafte haar de noodzakelijke rust om een domein te verkennen dat volledig nieuw voor haar was. Geleidelijk kreeg ze zicht op de problematiek van ontkerkelijking. Ze herinnerde zich dat ze op een avond de bibliotheek net voor sluitingsuur was uitgewandeld. De avondzon op het plein voor de bibliotheek had haar verblind en ze had haar ogen gesloten. Even leek het alsof ze deel had aan iets dat groter was dan zichzelf. Alsof de opgedane kennis haar verhief boven het alledaagse van een universiteitsstad en boven iedereen die zich door die stad een weg baande. Terwijl ze naar huis liep, had ze voor het eerst sinds lang het gevoel controle te hebben over haar leven.   Claire beantwoordde het geklop op haar kamerdeur niet. Sarah bleef een moment besluiteloos staan. Het geluid van haar knokkels op de deur, de zachte galm daarvan in de gang en het besef dat Claire er niet was: van het ene op het andere moment zag ze zichzelf door de ogen van iemand anders. Controle over haar leven, wat zou het! Met een nijdig gebaar draaide ze de sleutel van haar eigen kamer om. Van de verheven stemming van zonet schoot niets over, alsof het niet meer dan stof was geweest die bij de minste windstoot wegwoei.   Ook die kwetsbaarheid was tijdens die laatste weken een constante. Samen met de hervonden rust waren het zijden van eenzelfde medaille. Hoewel ze er beter in slaagde haar gevoelens voor Maarten en Claire gescheiden te houden, was het minste voldoende om haar uit balans te brengen. Ze moest dan vaak denken aan iets wat ze als kind had ervaren maar nooit helemaal begrepen. Op een namiddag in de zomervakantie hadden zij en Claire met hun kinderfietsjes keer op keer dezelfde wedstrijd gedaan. Ze reden hun fiets tot bovenaan een flauwe helling en lieten zich dan om het snelst naar beneden rollen. Ze hadden het uitgekraaid van plezier. Tijdens een van die wedstrijdjes was Sarah over een steen gereden die ze niet op de weg had zien liggen. Ze werd daarbij even uit het zadel gewipt. Uit het niets was ze beginnen wenen. Niet omdat ze zich had bezeerd, evenmin omdat ze de wedstrijd door de korte aarzeling had verloren – ze had nooit begrepen waarom. Claire kon ze geen antwoord geven toen ze met een betraand gezicht naast haar tot stilstand kwam. Ze wist alleen dat ze zichzelf op het moment dat ze over de steen reed belachelijk voelde. Alsof dat ene moment de hele namiddag van plezier maken en onbezorgd lachen als iets vals had ontmaskerd.

detroostvancontouren
8 0

Griekse diplomatie

S. deed open met een banjo rond zijn schouders. Hij was vergeten wanneer we precies hadden afgesproken. Terwijl ik mijn spullen op de bank legde, trok hij een vers overhemd aan. Ik haatte de trui met het opstiksel van een beertje op skilatten, die hij de laatste tijd te pas en te onpas droeg. Het gaf ten onrechte de indruk dat hij zich verwaarloosde. ‘En de lakens zijn ook gewassen.’ Hij zei het grijnslachend. Enkele weken terug had ik me beklaagd om de geur van ranzige boter waarin we hadden geslapen. Ik volgde hem naar de keuken. Op het aanrecht lagen twee zalmfilets in hun plastic verpakking met biolabel. ‘Verdomme, toch geen vis zeker!’ Ik at de hele week al geen vlees. Dat kreeg je, met een vriendin in huis die vegetarisch was. ‘Rustig, Piet. De zalm is voor de meisjes. Wij eten worst.’ De meisjes? ‘Biologische worst natuurlijk, zeven euro ’t stuk, meneer.’ ‘Komt er nog volk, dan?’ ‘Wat had je gedacht? Dat ik hier de hele avond met jou alleen zou zitten?’ Ik lachte schaapachtig en voelde een bekend gevoel van onrust opsteken, een onrust die altijd gepaard ging met omstandigheden waar ik geen controle over had. Toen de bel ging, was ik in de badkamer. Ik hoorde hem tegen iemand gniffelen en met onverholen pret in zijn stem riep hij dat ik mijn ogen moest dichtdoen. Els, schoot me door het hoofd. ‘Ik doe juist niets toe, lelijke stinker.’ Ik draaide de hoek om naar de keuken en kuste Els nonchalant op haar wang. Ze moest glimlachen. Hij vroeg hoe ik dat had geraden. Els was een gemeenschappelijke vriendin uit het verleden. Na enkele ruzies was ze bij S. uit de gratie gevallen en sindsdien moeder geworden van een dochter. Intussen alweer gescheiden van de vader. Dat wist ik allemaal van horen zeggen. Een tijdje terug was S. haar toevallig tegengekomen en hadden ze de brokken gelijmd. Ik ontkurkte voor mezelf een duvel en schonk haar een glas in van de wijn die ze had meegebracht. We namen de draad op waar we die twee jaar terug hadden laten vallen, toen ik haar voor het laatst had gezien. Drie West-Vlamingen samen. Dat schiep een band. Vroeger was dat al altijd zo geweest en nu voelde ik opnieuw iets van die saamhorigheid. S. dronk af en toe van mijn glas. Els lachte om mijn grapjes. Toen de bel ging, had ik het gevoel dat er iets verstoord werd. ‘And this is Daphne.’ Er lag iets triomfantelijks in zijn stem. ‘She works at the Greek ambassy.’ We schakelden over op het Engels en stelden ons aan elkaar voor. De keuken vulde zich met de vette walm van gebakken worst. Ik stelde Daphne de vraag die ik altijd stel als iemand het over zijn of haar job heeft. Of ze eens een gewone werkdag kon beschrijven. Maar dat kon ze niet. Ze ging gewoon iedere morgen naar de ambassade, kreeg dan pas te horen waarover ze moest onderhandelen en deed dat. Zo simpel was het. De inhoud deed er weinig toe. Het ging om de kunst van het overtuigen. ‘So, you’re like a kind of medium,’ zei ik, terwijl we naar de woonkamer liepen. ‘Very good,’ lachte ze. Het gesprek aan tafel kwam al snel op het dilemma waar Daphne mee worstelde. Ze was vijfendertig, wilde al van kleinsaf drie kinderen, maar had geen man. Een probleem dus, maar daarom nog geen dilemma. Dat kwam er pas toen ze enkele maanden terug een Zweedse straaljagerpiloot leerde kennen. Drieënvijftig, getrouwd, kinderen, maar bereid Daphne overal te volgen en haar de gewenste kinderen te schenken. Een follower. Het was niet de man van haar leven, maar wel de laatste kans om een gezin te stichten. Ze vroeg onze raad. Volgens Els moest ze niet te lang twijfelen. Zo’n kans kreeg je niet elke dag. S. en ik waren terughoudender en vroegen ons luidop af of ze die man niet louter voor eigen doeleinden gebruikte. De verkeerde vraag, blijkbaar. Daphne en Els schudden het hoofd en keken elkaar aan. Ze waren bondgenoten geworden. De tafel werd ingedeeld in een mannenkamp en een vrouwenkamp. Vanuit die posities werd elke mening nu vluchtig bekeken, omgedraaid, nog eens bekeken, en – naar gelang het een man of een vrouw was die de mening had uitgesproken – goedgekeurd of verworpen. Het ging al lang niet meer om Daphnes persoonlijke dilemma, maar om iets groters, iets allesomvattends, maar ook iets dat erg vaag bleef. Zo kwamen we nergens. Ik stond op en ging op het terras een sigaret roken. De koude deed sneeuw vermoeden. Na een tijdje kwam Els bij me staan. We vroegen ons af waarom we elkaar al die tijd niet hadden gezien. Het had te maken met de wederkerigheid die in een relatie onder vrienden wordt verondersteld. Als de interesse eenrichtingsverkeer wordt, heft de relatie zichzelf op. Ik wist dat S. haar dat verweet. Schoorvoetend ga ze haar fout toe. Het eerste wat ik zag toen we terug naar binnen liepen, was Daphne die om S. zijn hals hing. Hij wrikte zich los en wenkte me naar de keuken. Daphne was stomdronken. Bedroefd door het gesprek aan tafel, had ze hem om alcohol gevraagd en hij had naar de eerste fles gegrepen die binnen handbereik stond. Porto. Toen we weer gingen zitten, zag ik dat de fles halfleeg was. S. en Els begonnen een discussie over het pakje tabak waar zij ongevraagd een sigaret van had gerold toen ik buiten stond. Ik probeerde het gesprek te volgen, maar werd afgeleid door Daphnes hand die over mijn bil naar boven kroop. Als een lappenpop viel ze me om de hals en murmelde iets wat ik niet verstond. Misschien was het Grieks voor: “Jij bent de knapste jongen die ik in jaren heb gezien.” Je wist het niet. Ik ging in de keuken een verse duvel openmaken. Alsof ze dat als een teken beschouwde, strompelde Daphne me achterna. Ze fluisterde opnieuw iets in mijn oor. Het was ongetwijfeld lief bedoeld. Ik maakte een gebaar naar de woonkamer, van waaruit nu een luid geroep weerklonk. Daar was ik nodig, zo te horen. Daphne liep als een kuiken achter me aan. S. en Els zaten tegenover elkaar, de vinger woedend naar elkaar uitgestoken. Oude wonden waren opengereten en hij ventileerde alles wat op zijn maag lag, ooit op zijn maag had gelegen en in de toekomst nog op zijn maag zou kunnen liggen. Daphne, merkte ik vanuit een ooghoek, was intussen verdwenen. ‘Je zult in eenzaamheid sterven, Els.’ Hij zei het gelaten, alsof het iets suggereerde dat wel triest was, maar waaraan niet te ontkomen viel. ‘Als je dat nu al niet bent.’ Daarop stond ze huilend recht, gaf hem in het voorbijlopen een slag in zijn gezicht en liep de slaapkamer in. Toen weerklonk het geluid van een stomp voorwerp, dat in de badkamer op de grond viel. Daphne wees met een verontschuldigende blik naar de wastafel in email die op de grond lag, alsof ze iets wou duidelijk maken dat we anders niet hadden opgemerkt. Ze moest zijn gestruikeld en had zich in haar val aan de wastafel proberen recht te houden. Het water spoot uit de gebarsten leidingen. ‘Daphne toch, what have you done.’ Ik voelde een lachkramp opsteken. S. reageerde gevatter en liep de gang op naar de kast met waterkranen. Terwijl we de kraan zochten die correspondeerde met het geklater achter ons, begon ik te hikken. ‘Daphne, Daphne, what have you done!’ Ik gierde het uit. Uiteindelijk slaagden we erin de juiste kraan te vinden. In de badkamer hevelde ik met een dweil het water op de vloer over naar het bad. S. hurkte naast me neer. Ik legde een hand op zijn schouder en kreeg van de weeromstuit opnieuw de slappe lach. Toen alles min of meer droog was, legden we de wastafel zo goed als het ging opnieuw op zijn sokkel. Daphne was op de sofa neergeploft en praatte met de straaljagerpiloot via haar i-phone. Els streelde haar over het hoofd. De orde van het tafelgesprek leek hersteld. De mannen gingen tegenover elkaar aan tafel zitten. Door de hoge ramen zag ik hoe het zachtjes was beginnen sneeuwen. Het was al na middernacht. Nadat Daphne opnieuw in de badkamer was verdwenen, weerklonk ditmaal het geroep van Els die haar was gevolgd. We stonden geschrokken recht. Daphne had de wasbak gebruikt om over te geven, niet wetende dat die nu niet meer op de afvoer was aangesloten. Het gevolg was een sluier van kots, die tussen wasbak en sokkel op de tegelvloer drupte. Terwijl Els zich opnieuw om Daphne bekommerde, begon S. de boel schoon te maken. Ik vluchtte het terras op. De afgestorven bloemen op zijn balkon waren met een laagje ijs bedekt. Door de verlichte ramen keek ik naar het tafereel van hem in de badkamer en de twee vrouwen op de sofa. Ik had met mijn vriend te doen.   Daphne werd ten slotte een taxi ingeduwd. S. legde een blauwe vuilniszak op haar schoot. Ik rookte met Els een laatste sigaret voor de deur. De rook die ik inhaleerde, deed me een moment duizelen. Ik klonk mijn blik vast aan het gietijzeren balkon van het gebouw aan de overkant. De duizeling stopte. Ik rilde in de nachtelijke koude. Els vroeg of ik zin had nog ergens iets te gaan drinken. Ik zei dat ik liever wilde gaan slapen. Na haar goedenacht te hebben gekust, keek ik haar na toen ze de verlaten straat uitwandelde. In bed draaide S. zich om. ‘Al bij al een legendarische avond.’ Hij zuchtte en ik knikte in het donker. Daarna viel ik als een blok in slaap.

detroostvancontouren
0 0

Vanilleherinneringen

    Ik kijk naar zijn handen. Ik wantrouw ze. Iedere dag. Telkens weer. Wat gaan ze nu weer doen? Zachtjes strelen de vingers over mijn broze huid. Een zakdoek passeert nu en dan langs mijn gezicht, deppen de tranen die uit mijn ogen rollen. Een druppel vocht drupt uit mijn neus en wordt door dezelfde zakdoek gedroogd. En dan vang ik de geur op. Vanille… Vanille?? Vanille!!   Twaalf ben ik. Een heel bedeesd jong meisje van twaalf. Geen dag jonger, geen dag ouder. Ik ben jarig vandaag… In de keuken geurt het naar gebak met vanille. De warme geur verspreidt zich tot in de woonkamer. Van daaruit loer ik naar moeke in haar rood met wit geruite schort. Mijn moeke, de liefste van de wereld. “Madeline, breng je een stukje naar meneer pastoor?” Vluchtig steekt ze wat cake in haar mond. Haar blonde krullen schommelen zachtjes. Haar ogen schitteren. Haar lippen dansen. Mijn moeke is mooi, zelfs in haar schort. Ik ga iedere zondag naar de kerk. Moeke in haar mooiste mantelpakje, vake in zijn beste kostuum – waarbij aan de vest een knoop ontbreekt – en ik er tussenin… “Nou Madeline, breng meneer pastoor maar een stukje.” Ze stopt een pakketje in mijn handen en kust mijn wang. Haar huid is zacht. “Voorzichtig onderweg, Madeline.” Haar vingers strijken door mijn haar en dan ben ik huppelend weg.   Meneer pastoor lust graag gebak. Meneer pastoor lust alles, zei moeke lachend. Het is de eerste keer dat ik alleen naar hem toe ga.   Vanille! De herinneringen dringen zich op. Ze ontpoppen zich vliegensvlug, teisteren de rustige kabbeling van gedachten in mijn hoofd. Nooit vergeet ik het. Het staat in mijn verschrompelende hersenen geprent en ik ken het scenario zoals een priester zijn bijbel kent. Of zou moeten kennen! Paniek slaat toe en als een onbezonnen gek begin ik de handen die mijn gezicht aanraken, weg te duwen. Ik probeer woorden te formuleren en hoor enkel en alleen de krassende klanken uit mijn mond. Ik voel hoe het speeksel langs mijn kin druipt, hoe de handen opnieuw de zakdoek in mijn gezicht brengen. Snappen ze het dan niet? Vanille! Vanille! Met gebalde vuist, waarvan de knokkels met bijna doorzichtig vel overtrokken zijn, sla ik in zijn gezicht. Sla ik waar ik hem raken kan. Geschrokken verdwijnen de handen, met het hele lijf eraan, uit mijn kamer.   Ik sta op de toppen van mijn tenen om bij de bel te kunnen van het hoge herenhuis. Met in de ene hand het pakketje vanilletaart en de andere nog gestrekt, gaat de deur onmiddellijk open. Ik val bijna voorover maar kan nog net mijn evenwicht bewaren. “Welkom, mijn kind! Wat brengt jou hier?” Meneer pastoor ziet het pakje, neemt het meteen over en grijnst: “Dat ruikt naar vanille! Heerlijk! …En jij wordt al een flinke meid, hé, Madeline?” Hij knijpt zachtjes in mijn wang. Ik heb het niet graag. “Ja, meneer pastoor!” Moeke heeft me geleerd om heel beleefd te zijn tegen de volwassenen, ook als ik hen niet leuk vind. De pastoor neemt het pakje, opent het en houdt het tegen zijn grote neus. “Ah, heerlijk!” Hij kraakt een stuk af en propt het gulzig in zijn mond. Dan nog één erbij. Zijn wangen staan zo bol dat ik bang ben dat ze zullen openbarsten…   “Kom Madeleine!” ’t Is Madeline, weten ze dat nu nog niet? Twee paar handen knijpen mijn armen vast, terwijl een derde paar iets in mijn mond wil brengen. Ik pers mijn lippen op elkaar. Misschien willen ze mij vergiftigen? Misschien maken ze me wel dood? “Vooruit Madeleine! Doe je mond open! We hebben ‘een borreltje’ voor jou! Vooruit, doe die mond open!” Uit alle macht probeer ik me uit hun greep te worstelen. Maar tegen één man en twee vrouwen ben ik niet opgewassen. Ik, een bejaarde vrouw van achtentachtig, kan niet anders dan het onderspit delven. Met immens verdriet laat ik het waterachtige goedje mijn keelgat binnenglijden. “Goed zo, Madeleine! Daar word je straks rustig van.”   “Kom binnen, Madeline.” “Euh, moeke heeft gezegd dat ik de cake moest brengen en dan terug naar huis… Ik ben jarig vandaag…” “Ach, zo, je bent jarig? Twaalf geworden, Madeline?” Bedeesd knik ik en staar naar de gepolijste schoenen van meneer pastoor. Ze blinken. Misschien kan ik me er wel in spiegelen? “Als je twaalf bent, dan moet je de liefde van god leren kennen, meisje. Je moeke begrijpt dat wel…kom maar eventjes binnen.” Zijn stem dwingt mij. Nog steeds met gebogen hoofd zet ik voet voor voet over de drempel. Meteen voel ik een harig tapijt onder mijn voetzolen. Meneer pastoor slaat de deur achter me dicht. Het is donker in de hal. Te donker. In de schemering zie ik een hoge zetel. Meneer pastoor gaat erin zitten en trekt me op zijn schoot. “Zo gaat dat met meisjes van twaalf, Madeline. God heeft hen speciaal uitverkoren om zijn liefde te betuigen…” Ik snap die woorden niet. Zijn gezicht komt dichterbij, zijn adem ruikt naar vanille. Ik trek me achteruit. “Kom kom, Madeline, niet zo verlegen…” Zijn dikke vingers glijden over het stukje huid tussen mijn lange witte sokken en mijn blauwe plooirokje. De worstjes, zo zien zijn vingers eruit, klimmen onder mijn rokje, kruipen mijn slipje binnen. Ik ben bang. Dit hoort niet. Niemand heeft me er ooit iets over gezegd, maar dit hoort niet…Ik kan hier niet blijven en probeer van zijn schoot af te komen. Het lukt niet. “Ik moet naar huis…” fluister ik. “Hmm. Straks, Madeline. Straks…” Zijn stem klinkt hees. Zijn andere hand grijpt in het pakje vanillecake….   “Moeder! Moeder! Help mij! Kom mij toch helpen, asjeblieft! Moeder waar ben je? Help me dan! Mooooeeeeder!!!!” Hij komt de kamer binnen. Ik heb hem niet nodig. Ik heb moeke nodig… “Madeleine, hou nu toch eens op! Je maakt iedereen onrustig! Je woont hier niet alleen, hoor! We hebben nog zesentwintig andere bewoners! Heus, je bent echt niet de enige…” “Mooooeeeder!!!!” “Verdomme, Madeleine! Je moeder is allang dood!” Hoofdschuddend trekt hij de deur achter zich dicht. Ik zit terug alleen…en toch niet…   Hij propt de vanillecake in mijn mond. “Proef eens, Madeline. Lekker, niet?” Dan drukt hij zijn vlezige lippen op de mijne, duwt zijn tong in mijn mond. Ik hap naar adem en verslik me bijna in de cake. Overal ruik ik vanille, smaak ik vanille. Mijn maag keert zich om. Mijn hoofd duizelt. Ik voel zijn vingers bewegen in mijn slipje. Opeens zet hij me terug op de grond. Ik geloof niet dat ik ervan af ben. Ik krijg gelijk. De pastoor heft zijn zwarte kleed op. Poseert trots zijn blote onderlichaam. Mijn ogen ontdekken een enorm gezwollen ding. Mijn hart klopt in mijn keel…Wat stelt dit voor? De angst vreet aan mijn lijf. Ik heb het koud. Dit is helemaal niet meer normaal… “Wees maar niet bang, Madeline, dat is de liefde van god…” Hij drukt me op mijn schouders naar beneden, legt me neer op het harige tapijt. Meneer pastoor schuift mijn rokje omhoog en mijn slipje naar beneden en duwt dat enorme ding tussen mijn benen. Zijn zwarte gewaad bedekt een deel van mijn gezicht. Hij kreunt. Ik schreeuw het uit. “Het doet pijn!” Hij luistert niet. Het kind in mij bloedt langzaam dood…   “Moeke,” prevel ik. Moeke antwoordt niet. Ik ben alleen. Helemaal alleen in deze vreemde kamer. In mijn hoofd tuimelen de herinneringen door elkaar.   “Ik lust geen vanilletaart! Ik wil geen vanillewafeltjes! Ik moet geen vanille-ijs!   Mijn oogleden voelen zwaar. Mijn hoofd ook. Het borreltje, denk ik. Met mijn gerimpelde handen veeg ik de tranen weg die over mijn wangen stromen.   Het kind in mij sterft wederom een vanilledood…  

R Ryckoort
44 0

Brussel

Ik weet het. Het hoort niet. Ik woon in Antwerpen, zonder enige twijfel de boeiendste stad van België en omstreken. De mooiste straten van de wereld zijn er kriskras uitgestrooid, als diamanten in het landschap. Daar woon ik dus, in dat bijna volmaakte Antwerpen. En toch. Toch oefent Brussel al sinds lang een grote aantrekkingskracht op me uit. Het is een beetje pervers. In mijn jonge jaren was Brussel onbereikbaar ver, men sprak er vreemde talen, en er geraken was een heel avontuur: de stations waren gevaarlijke plekken en met de auto was het al helemaal een ondoordringbare wildernis. Gps bestond nog niet. Brussel was alles wat het leven beloofde te zijn, maar dan voorbij de horizon van het voorstelbare. Opwinding. Gevaar. Later, toen ik er studeerde, viel het allemaal best mee. Zelfs met de auto rijden bleek een plezier, zeker met het witte golfje van mijn ouders. Een onbeduidende auto, maar wel uitgerust met een nummerplaat die wonderen deed: BXL-065. Het was pas toen iemand me vroeg of ik inderdaad bij de stad werkte, of mijn vader misschien, dat het me duidelijk werd waarom er altijd plaats voor me was op de openbare weg. Sinds die tijd is veel veranderd. Zowel in het leven, als in Brussel. Gaandeweg leer je de beloften en de angsten in je leven te vriend te houden. Soms is het verstandig om ze te respecteren, die angsten, en op tijd een omtrekkende beweging te maken of te vluchten. Maar vaker doe je er goed aan ze uit te lachen in hun gezicht. En de beloftes, die bleven toch meestal wat ze waren - beloftes. Brussel is veel steden. Er is de stad van de inwoners, die inderdaad vaak vreemde talen spreken. Er is die van de forenzen, die gehaast doorstappen, en zich 's middags in broodjeszaken nestelen. Er is een stad van politici, van commentatoren, van betweters, van Vlamingen en van Walen. Een mening heeft iedereen. Ook de Brusselaars. Het is een kakafonie van goed en minder goed bedoelde adviezen, geblaas van arrogante therapeuten en het smachten van door liefde verblinde stadsminnaars. Al die steden leven vaker op en door elkaar dan naast elkaar, slechts hier en daar zitten ze elkaar in de weg. In de Koninklijke Sint-Hubertus galerijen, hartje Brussel, vind je ze allemaal. De galerij ligt vaak op mijn weg tussen kantoren, en is één van mijn favoriete Brusselse plekken. Niet in het minst omdat we er, toen er nog plaats was voor gesofisticeerde dromerijen, in het kleine winkeltje van Kaat Tilley een trouwjurk kochten. Vandaag deel ik die galerij ook met het Brussel van de toeristen, die er samentroepen voor de etalages van de juweliers, en zich verdringen in de chocoladewinkels - de coffeeshops van Brussel zijn dat, allemaal vanaf de opening al tientallen jaren oud, met authenticiteit als ultiem verkoopsargument. De chocolade die je er koopt is zoet, de bitterheid die ook in de stad leeft versmacht in een brij van suiker. Zo'n verzoeting van het leven is vals, ongezond. Een chocolade versie van Manneke Pis, door toeristen koel gehouden in de minibar van een hotelkamer, pist niet. Sinds een jaar dwaal ik zelf ook regelmatig door de stad. Op een manier die ik in Antwerpen nooit doe, ademend, snuivend, kijkend. Vaak zonder doel en buiten de regels van de tijd om, soms ook op zoek naar een café of restaurant waar een afspraak op me wacht, swipend en tikkend op een smartphone of - ook dat komt nog voor - lezend in een boek. Ik ben altijd te laat. Noem het de angst voor de eenzaamheid van de grootstad, want die is gebleven. Of misschien ben ik gewoon te traag. Het is geen mooie stad, Brussel. Het is er vuil, en bouwpromotoren hebben de kans om lelijke dingen te doen niet laten liggen. Er zijn plekken waar je beter niet komt, en hoe je best te gedragen is vaak ook onduidelijk. Er is geweld, klein en groot, zinvol en zinloos, dronken daklozen palmen de stations in. Aan de regelmatig oplopende polemiek over de leefbaarheid van Brussel heb ik niets zinnigs toe te voegen. Maar de stad straalt energie uit, is onaf en voortdurend in beweging, ambitieus hier en daar. Soms is ze oprecht, soms heeft ze veel te verbergen, en vaak spreekt dat elkaar niet tegen. Door zo'n stad is het goed wandelen. Over de stoepen en straten, door angsten en beloftes. Zoals door het leven, eigenlijk. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0

Kaart

Het was jouw speelkaart die ik toen trok en dus was jij van mij, En na uren autorijden langsheen houten kerken, boerderijen, Zette palinka kelen en harten open, Moed en durf als een geest uit een fles. De wodka maakte zelfs de vlinders in onze buiken dronken En we fluisterden wat onze gedempte harten wilden horen. Tussen hooibalen groeven we begeertes op, Angstvallig verborgen in de aarde van het fatsoen. Ze moesten nog wennen aan het Roemeense zonlicht, Als ondode wezens die de wereld wilde weren. De knoflook verbrandden we op het altaar van onze toekomst, Nu kon dit, mocht dit, moest dit zijn, En van nu af aan zullen harten enkel nog rijpen In een harnas tegen alles wat de groei kan besnoeien. Alsof afstand ons kan deren, wij staan al maandenlang op de kaart. Bij onze liefde raken kompassen alle windrichtingen kwijt. En je trekt over Alp en meer, wentelt je in kilometers als waren het lakens. We slijten onze levens in luchthavens, Slurpen koffie in de wachtkamer van ons verlangen, Het vliegtuigticket in onze zweterige handpalm, Verfrommeld tot een bal, de knoop die we niet doorhakken. Achter ons branden versnipperde verhalen En geen zee die de bruggen kan blussen, Maar we reiken onze halzen steeds verder, voeden onze lijven met lacunes. Naast mij in bed lig niet jij maar een kaart van Europa, En ik tel de landen die me van jouw dons scheiden. In vogelvlucht zijn dat er zeven, mijn liefste, een half continent. In bars in Boedapest heffen we het glas op ons geluk, Vieren het in Brusselse straten, plannen Portugal, de Balkan. Europa is van ons, en bij uitbreiding de wereld, Want liefde meet je niet in mijlen, maar degusteer je in de tijd.

Gert Vanlerberghe
0 0

Bofkonten

Toen ik om halfzeven bij de Turk stond, gebeurde er iets wonderbaarlijks. Vooreerst: ik kom daar graag. Het is een vriendelijke man, die Turk. Hij maakt heerlijke dagschotels, ze zijn direct klaar, ze kosten niks, en ze zijn lekker. En daarbij is hij nog eens heel vriendelijk. Heerlijk. Hij is ook het soort man die zegt dat twintig euro goed is, terwijl drie dagschotels eenentwintig euro kosten. Neenee, zei ik. Just is just, declameerde ik. (Waarom ik dat nu zo precies zei, weet ik nog altijd niet, maar het kon wel op bijval rekenen bij de Turk, en het kan maar bijdragen tot een nog erg lange en goede commerciële relatie die ik sinds kort met de man heb. Of eerder een gastronomische relatie, eigenlijk.) Honger dat ik had. Man. En toen ik daar zo wat stond te wachten, met een lege brooddoos in mijn buik, terwijl er drie man in de weer waren met mijn dagschotels, kwam er een jongeman binnen. Als men me zou vragen om hem te beschrijven na een gewapende overval, ik zou het niet meer goed weten, maar het kwam me voor dat hij van het Indische type was. Een wat donkere dikke haardos, en enige baardgroei. Zwarte broek en shirt. Niet vriendelijk. Hij liep achter me door, en staarde enkele ogenblikken naar de eetwaren in de glazen etalage. Hij leek me te twijfelen wat hij wilde bestellen. En toen stapte hij plots terug naar buiten. Mijn blik kruiste met die van de man van het voortreffelijke Turkse etablissement en we moesten beiden glimlachen. Ik keek hem vervolgens vragend aan, maar hij pikte meteen in: ‘Dat doet die elke dag.’ ‘Elke dag?’ vroeg ik. ‘Ja, elke dag.’ ‘En hij bestelt niks?’ ‘Nee, hij heeft nog nooit iets besteld.’ ‘En zegt of vraagt hij niks?’ ‘Nee, hij komt binnen, kijkt in de etalage, en stapt terug naar buiten en loopt verder.’ De twee andere mannen die nu druk in de weer waren met het netjes verpakken van mijn drie dagschotels, knikten bevestigend met een minzaam en beleefd lachje. Heerlijk. De twee studenten die met hun pukkels midden in hun pittabroodje zaten bij de ingang, hadden het ook gevolgd. Ze proestten het uit, waardoor hun huid nu een mix van pukkels en saus was. Er heerste een uitgelaten sfeer in dit eenvoudige restaurant, waarbij de neonreclame aangaf dat het ‘open’ was. Alle zes moesten we lachen. Fijne momenten. Ik liep enkele ogenblikken later vrolijk over de smerige doch doorleefde voetpaden van deze stad, met in mijn hand een plastieken zakje met daarin drie dampende dagschotels. Bofkonten, dat zijn we, elke dag weer opnieuw.

Jan De Palmeneire
10 1

Edegem (4)

Aan de lagere school van het Molenveld waar ik als kleine jongen vanaf mijn 6de dingen leerde die ik voor de rest van mijn leven zou nodig hebben, was een turnzaal. Het rook er naar jongenszweet, verloren turngerief en de meid van de pastoor. Het was een gebouw dat aan de pastoorswoning grensde. Je moest de speelplaats over om er binnen te geraken. Ook na schooltijd kon je er binnen. Wij toch. Er lag een houten vloer, en in mijn herinnering was het een ontzettend hoog vertrek, met heel lange touwen, en blinkende banken. Er was veel kapot, er zaten gaten in de vloer, en in de muren, en het lag er vol dikke stofvlokken. Her en der kon je krachtballen vinden, van die wat vormeloze plompe dingen, waar ik als jonge jongen het nut niet van inzag. Evenmin als het springen over een bok, of over het paard. Dat paard was geen paard, maar eerder een krachtbal op vier poten. Na schooltijd drongen we er vaak binnen. Er zat een galm in de zaal die ik nergens anders ooit had gehoord, en als we er voetbal speelden, en we keilden de bal keihard tegen de muren, dan weerklonk een knal die het hele gebouw deed daveren. Er dwarrelde dan stof van boven naar beneden, en kalk. In de hoge zolderverdieping zat een luik, in een hoek ergens. Je kon er geraken met een soort brandladder die aan de muur bevestigd was, maar zelf durfde ik dat niet. Veels te hoog. Het was de kunst om de bal keihard naar de zolderverdieping te schoppen, recht het luik in. Iemand moest dan de bal terughalen. Ik niet. Daar waren genoeg helden voor. Ik ken hun namen niet meer, maar ze rookten ook sigaretten op het schoolplein voor de turnzaal. En in de stinkende kinderwc’s. Vandaag is die school geen school meer. En de pastoor zit al lang met de meid in zijn hemel. Maar de herinneringen eraan zitten verstopt in de spelonken van mijn aftakelende geest. Eraan terug denken roept geuren op, en angst ook, en opwinding, vaak, om dingen te doen die niet mochten. Ik zou haast nog vergeten dat die turnzaal een grote houten dubbele deur had. Een poort haast, met twee hoge openslaande delen. Er zat een gouden klink aan. En de deur maakte een piepend geluid. Je moest ze heel voorzichtig dichtdoen, wilde je niet al meteen buiten vliegen. Als dit alles bij u ook herinneringen oproept, dan bent u wellicht ook ooit in die turnzaal geweest, misschien was u wel één van mijn helden, toen. Zonder hoogtevrees, en met een rokershoest avant la lettre.

Jan De Palmeneire
0 1

Edegem (3)

(Voor al wie ooit nog mee geknikkerd heeft, onder het afdak) In de lagere school van het Molenveld waar ik van 1971 tot 1977 rondliep zonder echt te begrijpen waarom, heerste een grote speelcultuur. Er werd enorm veel gespeeld, op alle momenten dat we maar konden. Als we ‘s avonds moesten gaan slapen, vond ik dat op die leeftijd niet erg, want ik was bekaf, moe, op, toe, gedaan. Buiten het feit dat we overdag met ruim dertig jongens in een klas ontzettend ons best zaten te doen, werd elke vrije minuut buiten die lessen om besteed aan activiteiten. Het zou pas heel veel later zijn dat we besloten om als activiteit niks te doen. Maar toen, half jaren 70, waren we echte uitslovertjes. Zoals u misschien al kon lezen, speelden we na school in de turnzaal met krachtballen, en schoten we regenpijpen stuk met welgerichte schoten. We liepen haast voortdurend achter een bal aan. Er werden ploegen gemaakt, en soms won je, soms niet, maar als ik eraan terugdenk, staat het me voor dat het was alsof we haast de hele tijd buiten adem waren. Als we niet achter een bal liepen, bouwden we gigantische kampen, reden met onze gepimpte shopperfietsen over de witte bergen, sleurden bokalen vol kikkerdril met ons mee, en rolden pijltjes van Unigrobladen alsof het niets was. Onze moeders moesten de Unigrocatalogus nog lezen, en wij hadden er al de helft uitgescheurd. O o o, hoe schandelijk. En hoe ondankbaar ook, want onze moeders hadden voor ons ontzettend mooie, handige, praktische en stevige knikkerzakken gemaakt. Zo’n knikkerzak was een heel persoonlijk ding. Meestal werd ie uit een oude gordijn geknipt en dan dubbel gestikt. Moeders als de mijne maakten er een touw in vast zodat je de knikkerzak kon sluiten. Zoals een turnzak, maar dan knapper. Er waren ook jongens die het moesten doen met een oud washandje. Lastig. Er geraakte weinig in, wat erin zat kon er makkelijk uit, en het was geen gezicht om met zo’n washandje rondlopen. Nee, dan liever zo’n super stevige zak met sluiting, die je ook aan je broeksriem kon hangen. Stoer. Tijdens de speeltijd in het schooltje ontstonden er magische happenings van tientallen knikkerende jongens. Het ging als volgt in zijn werk: je liep te pronken met je beste knikkers. Dat konden heel grote zijn, of heel kleine ook, maar dan met een heel speciaal motief in het glas. Of grote blinkende metalen, die waren ook fel gegeerd. Als er genoeg gegadigden waren, dan ging je op de grond zitten, met je benen in een V. Die superknikker legde je dan voor je. Alle geïnteresseerden mochten dan vanop een afstand met een welbepaalde techniek de knikker proberen te raken. Wie hem raakte, mocht hem hebben. Alle knikkers die er naast waren, mocht jij houden. Je begrijpt meteen dat een washandje al snel te klein kon zijn. Er werd ook duchtig valsgespeeld. Ik herinner me hoe er gelogen werd, en getierd. Zij met de grootste mond, en lef, beweerden veelal valselijk dat zij de knikker hadden geraakt. Ze zochten vaak getuigen, partners in crime, die mee in het complot zaten. Al op die leeftijd kon je eigenlijk zien wie later de rotzakken zouden zijn, machtig, meedogenloos. Hun namen ontgaan me, uiteraard. Zo had ik ook eens een prachtige knikker geschoten, zo dacht ik toch. Bruin rood, met een patroon erin als de iris van een oog. Toen ik hem ging oppikken na er een hele voorraad knikkers aan te hebben verschoten, bleek het maar een halve knikker te zijn. De jongen had ‘m zo gelegd dat je dat niet kon zien. Ik herinner me vaagweg een hevige discussie, maar uiteindelijk heb ik het gelaten voor wat het was. Ik droop af, met een kapotte knikker in mijn hand, en een krop in mijn keel. Die jongensjaren, het was geen pretje. Je wist niet waarom je ze moest slijten. Meisjes bestonden niet (die had je achtergelaten in de laatste kleuterklas), en het was zo vermoeiend allemaal. Alleszins, in Edegem toch.

Jan De Palmeneire
0 0

Edegem (2)

Waar nu files zijn en waar mensen hun werkdag begint en eindigt, was vroeger een grote lange berg zand. De bergen, noemden we dat. Ze zijn op deze webstek al meerdere malen vernoemd geweest. Ik heb er bijzondere herinneringen aan. Het was een spannend gebied. Als kleine jongen hing ik er graag rond, maar tegelijk had ik er ontzettend veel schrik. Schrik van grote jongens. Mannen met brommers, en sigaretten. Sterk, en meedogenloos. Ze konden je met één blik van de bergen blazen. Vaak ben ik zo met mijn kleine fiets huis naar gecrost, niet achterom kijkend, omdat ik dacht dat er zo’n hele bende achter me aan zat. En soms had ik geluk, dan hingen er bendes rond die ik wel kende. Het waren dan vrienden van mijn oudere zussen. Als kleine niemendal hang je dan graag rond in de buurt van zo’n kerels. Ze lijken dan ook zo ontzettend interessant, en stoer. Terwijl je pas vele jaren later zou doorhebben dat ze ook maar wat rondlummelden en een broek vol onzekerheid waren, op zoek naar een lief. Soms, ja ik geef het toe, het is ongehoord, bespioneerde ik ze. Net boven de platgereden bergen uitkijken, verscholen in een zanderige kuil, je afvragend wat ze allemaal uitspookten die kerels, en hun meisjes, als er al meisjes bij waren. Ik weet nog hoe dat momenten waren waarop diep in je binnenste er een verlangen was, dat als honger aanvoelde, om ook bij hen te horen. Ook al zo oud zijn, zo onbezonnen, zonder achtergrond als het ware. Het leek me alsof die kerels op de bergen nooit naar huis moesten, misschien zelfs bleven slapen in hun zanderige holen, en voor altijd zouden rondrijden met hun brommers, zonder dat daar ooit een einde aan kwam. Daar droomde ik van, als ik klein was, toen, na een dag te hebben rondgehangen op de Edegemse bergen. Nu zijn die bergen een strook asfalt. De kerels van toen, degenen die nog leven, en niet zijn opgegaan in hun eeuwige strooptochten langs gegoede Edegemse villawijken, hebben huizen gekocht die uitkijken op die autostrade. Met tuinen waarin ze een zandbak hebben staan, waarin de kleinkinderen bolletjes ijskreem maken, met water en zand. Deze middag passeerde ik er nog. Over het asfalt, richting Antwerpen. In een flits zag ik voor de afrit UZA een jongen vanuit het struikgewas naar de auto’s kijken. Zijn verwondering kan niet dezelfde zijn als ik toen had. Of toch?

Jan De Palmeneire
0 0

Edegem (1)

Meer dan 30 jaar geleden heb ik dit dorp verlaten. Het gebeurde in fases. Eerst verhuisde ik met een koffer en een goudvis van het Molenveld naar het centrum van Edegem. Een vreemde tijd, waarin ik een tijdje half ontwricht door het dorp dwaalde. Als je van het Molenveld kwam, dan was het centrum met het gemeenteplein een andere plek, met andere mensen, andere huizen en straten, en bakkers waarvan het brood anders smaakte, en de bakkersvrouw anders klonk. Voor mijn verjaardag kreeg ik dat jaar van iemand een abonnement op broodpudding uit de Jawa. Het was een door de gulle schenker zelfgemaakte kaart, met twintig beurten. Telkens ik een stuk broodpudding ging halen in de Jawa, knipte de brooddame een gaatje in de kaart. Niemand ter wereld had ooit al een twintigbeurtenbroodpuddingkaart van de Jawa gekregen. En na mij zou er ook nooit nog iemand een krijgen. Verder was dat zowat het belangrijkste gebeuren dat jaar. De doorprikte kaart moet nog ergens in mijn doos met herinneringen liggen, waarin ook oude abonnementen op bussen liggen, eerste sigarettenpeuken in lucifersdoosjes, en dingen waarvan ik nu niet meer weet waarom ik ze bewaard heb (een suikerklontje, een sok). Ook al leefde ik toen van broodpudding, massaal veel boontjes in tomatensaus en spruiten met gehakt, dat jaar werd ik tien kilo lichter. Misschien was het omdat ik gestopt was met naar de mis te gaan en zodoende toch zo’n 52 keer het lichaam van Christus gemist had. Na die centrumperiode, in mijn geheugen zowat een jaar, maar het kunnen ook slechts enkele maanden geweest zijn, versaste ik mijn hele hebben en houden (een koffer, de goudvis was ondertussen overleden) naar Mortsel. Mortsel was anders dan Edegem. Er was geen Jawa, er reed geen 32, en er was een café dat de Revue heette. De ontwrichting van mijn wonderjaren raakte bedolven onder nieuwe verwonderingen. Het leven gaat voort. Edegem was ondertussen een plek geworden waar ik ooit had gewoond. Het was niet meer de plek waar ik net was weggegaan. Die plek zat al diep weg in mijn binnenste. En telkens ik in de buurt van het Molenveld kwam, flitsten de wonderjaren door mijn hoofd. De bergen, de villa op wielen, de kampen die in brand vlogen, de woensdagnamiddagen voor het vormsel waarbij we voor het eerst echte bijna twaalfjarige meisjes van dichtbij zagen; en ook, warme zomers, zwembaden die we lieten opblazen bij de Fina, iedereen kende iedereen, en telefoneren was nog een hele gebeurtenis). Nu, zoveel jaren later, kom ik opnieuw een paar keer per week in Edegem. Ik ben ondertussen na enkele tussenstoppen opgeschoven naar de stad. Nieuwe verwonderingen. Het leven gaat voort. Mijn moeder werkt als een magneet, en ik laat me er graag naartoe trekken. Ik heb bij haar een abonnement op koffie en taart. Een tienduizendbeurtenkaart, zoiets. En toch, de straten lijken nu zoveel smaller dan vroeger, en de daken minder hoog. Langsheen de pleinen en voetpaden zoek ik soms tevergeefs naar bekende gezichten. Maar iedereen is weg, of heeft een gezicht gekregen dat ik niet herken. De straten liggen bedolven onder dure auto’s en de rode puntdaken bieden onderdak aan jongens en meisjes die ik niet ken. Het is meer dan dertig jaar geleden, en toch blijven die wonderjaren me achtervolgen. Het is dan alsof mijn jongere ik naast me in de auto zit, en mee naar buiten staart, als in een overbelichte videoclip van de jaren 70 of 80 rijden we samen het Molenveld binnen. Hij is dan na een tijdje altijd blij als we terug naar huis rijden. Maar overmorgen wil hij wel weer mee. Hij heeft ook een tienduizendbeurtenkaart.

Jan De Palmeneire
43 1

Filur.

Ik weet het: wat nu volgt is niet belangrijk. Echt niet. Het bevrijdt de Palestijnen niet. Het doet het geweld niet stoppen, en het brengt mensen niet dichter bij elkaar. Dan zou er eigenlijk niet over mogen geschreven worden. Ik weet het. Want ik heb de laatste weken de indruk dat het dat en alleen dat is waar we dringend nood aan hebben: het stoppen van geweld. En wel snel. Al de rest is bijzaak. En toch wil ik u vertellen over Filur. Kent u Filur? Filur vindt u terug in de Ikea catalogus onder ‘kleine opbergers’. Het is een bak, wit, en je kunt er spullen in kwijt. Spullen die je anders kwijt speelt. Maar nu niet meer. Dankzij Filur. Nu moet u weten dat we al een Filur in huis hebben. In de gang, waar de fietsen ook staan, had ik een Filur in de hoek gezet. Het had me bij de aanschaf ervan, nu toch al enkele maanden geleden, een groot genoegen verschaft, omdat nu niet alleen de paraplu’s een eigen plek hadden om in uit te lekken, maar ook omdat het voorwiel van de fiets van mijn teerbeminde E. nu niet meer tegen de muur kon komen en alzo een vuile streep achterlaten. Nee, Filur stond daar nu tussenin. Kleine opbergers kunnen vaak groot genoegen verschaffen. Echt. Zo kwam het dat ik vandaag opnieuw naar Ikea trok, om twee extra Filur-bakken aan te schaffen. Een grote, om dienst te doen als PMD-bak, en een kleinere, om mijn eigen fiets ook netjes van de muur in de gang af te houden. Ik geloof in een gezonde portie chaos, bijwijlen, maar anderzijds kunnen propere muren mij ook wel enig welbehagen bezorgen. Ikea dus. Het is zomer, het was ochtend, de parking was nog erg gewillig, en ik had er zin in. Tijdens mijn rondgang nam ik zelfs een Ikea-potlood ter hand en zo’n hulpblaadje, om daarop allerhande nummers en gangen te noteren, zodat het straks een piece of cake zou zijn om alles op de kar te laden. Inderdaad, het zou niet bij Filur alleen blijven. De andere namen van goederen die mijn dag goed moesten maken, ontgaan me nu even, maar het waren dingen die aan fjorden en liederen van Sigur Ros doen denken. En voor geen geld. Hoe doen ze het toch. Het kostte me niet meer dan twintig minuten, en ik stond bij de gigantische verzameling kassa’s. Omdat ik zin had in bediening, ik ben nu eenmaal in congé payé, koos ik deze keer niet voor de selfscan, maar voor de kassa uiterst rechts. Niet meteen mijn meest favoriete kant, maar deze ochtend kwam hij mij als erg praktisch over, en vooral, er stond niemand aan te schuiven. De kassierster, ik ben vergeten te kijken hoe ze heette, maar laten we haar Barbara noemen, deed haar werk met weinig plezier, maar dat durf ik in een plek als Ikea door de vingers zien. Het verkopen van hout dat geen hout is, temidden van een geur van hotdogs die geen vlees bevatten, laat staan heet zijn, het doet wat met een mens. Zo ook met Barbara. Maar daarom had Barbara nog niet moeten doen wat ze toen deed. – Meneer, u hebt een grote en een kleine Filur genomen. – Inderdaad (Barbara, wilde ik hier bijna typen, maar dat kon ik toen nog niet weten, dus laten we haar gewoon Mevrouw Ikea noemen): Inderdaad, Mevrouw Ikea. – Er hoort bij elke bak een deksel, meneer. – Dat weet ik, Mevrouw Ikea. – Maar die hebt u niet genomen. – Nee, dat klopt, want die heb ik niet nodig. – Maar u moet ze wel nemen, want het wordt verkocht als een set: een bak én een deksel. – Dat kan zijn, Mevrouw Ikea, maar ik hoef het deksel niet. Ik ben tevreden met de bak alleen, en ik besef dat ik er eigenlijk recht op heb, en dat ik er dus ook voor zal betalen, maar ik hoef de deksels niet, want ik zal ze niet gebruiken. Ik heb thuis ook al zo’n Filur-bak, en ook daar heb ik vorige keer toen ik hier was, geen deksel voor genomen, en de meneer die me toen bediende, vond dat prima. – Maar het mag niet, meneer. U moet er een deksel bijnemen. Ik moet u vragen om terug naar de winkel te gaan, en er voor de grote en de kleine bak het bijbehorende deksel te nemen. Het is niet ver, u bent er zo. – …… ? (Ik viel uit mijn rol van: ik ben met vakantie en alles is goed) Dit meent u toch echt niet? Ik heb die deksels NIET nodig, mevrouw. En ik ben dan ook niet van plan om helemaal terug te gaan om die op te halen. Laat mij nu aub gewoon betalen, mevrouw, het is in jullie voordeel zelfs. – Toch niet, meneer, dan klopt onze stock van de deksels niet meer. Er liggen er dan twee teveel, die er niet zouden mogen liggen. – Mevrouw, dit is echt al te belachelijk! Ronduit belachelijk, u kunt dit niet menen! Maar ik had mijn kar al gedraaid. Heel even moest ik denken aan het Carrefour-incident, lang geleden, waarbij men mij aan de kassa verdacht van een duur brood in een zak voor goedkoop brood te hebben gestoken. Ik liet toen mijn hele karinhoud op de band staan en zei tegen het mens (ze heette Barbara) dat ik nooit of te nooit nog een voet in die Carrefour van Borsbeek zou zetten. Maar daar had ik nu geen zin in: ik wilde die Filur-bakken echt wel, en het ouder worden maakt me soms wat milder. Ja, ik wist plots wat me te doen stond: de selfscan! Ik maakte een grote bocht en belandde uiteindelijk twintig meter verder, bij de selfscan, waar er enkele mensen voor mij druk in de weer waren met het zoeken van barcodes en het drukken op toetsen, en het zoeken van de Ikea-Family-kaart. De ingeving om de selfscan te nemen, stemde me al opnieuw tevreden en weldra kon ik de parking op met nieuwe Ikea-spullen, het geluk was nog slechts een paar keer scannen van me verwijderd. Na enkele minuten was het zover. Er stond een meisje in de selfscanzone, een jobstudent, om wat te helpen. Maar nog voor ik de ruimte van de selfscan kon binnenrijden, kwam ze al naar me toe. – Meneer, ik zie dat u twee Filurbakken heeft, maar-daar-moet-u-ook-de-deksels-voor-hebben-anders-kunnen-we-dat-niet-verkopen. Ze ratelde het af. Ik was aan de grond genageld. Wat zeg ik, geteczevend was ik. Ik keek het meisje eerst even ongelovig aan, en toen zei ik haar, redelijk geagiteerd: – Heeft die van kassa 1 dat u net komen toefluisteren, of wat? – Euh, ja meneer…. Het meisje wist zelf niet goed wat ervan te denken, maar ze was duidelijk niet van haar stuk te krijgen. Ik zag wat verder Barbara terug naar haar eigen kassa stappen. Ik was nu echt wel in alle staten. Woest is overdreven, maar laat ons zeggen: heel erg verontwaardigd en heel erg kwaad op BARBARA, godverdomme nog aan toe. – Wat een belachelijk mens is dat eigenlijk? Hoe kinderachtig is dat nu? Terwijl ik die woorden uitspuwde tegen het hele universum en nu vooral tegen het meisje dat ondertussen wat stappen achteruit zette, zag ik hoe in de verte een soort securityman wat dichterbij kwam. Hij had al veel veel van die Ikea-hotdogs in zijn leven gegeten, maar ik voelde meteen dat ik hem nooit te vriend zou krijgen. Ok, ok, dacht ik. You win, Barbara. U had mijn gezicht moeten zien. Echt, het was geen pretje. Maar ik gehoorzaamde, als een enorme Ikea-lul, en ik ging terug, de Ikea in, op zoek naar twee Filur-deksels. Ik moest er voor door de hele plantenafdeling, en wat andere toestanden, en ik deed ondertussen mijn best om zo kwaad en verongelijkt mogelijk te kijken naar alle spookrijders die ik tegenkwam. Na drie uur en een kwartier (in situaties als dit eigen ik mezelf het recht toe om stellig te overdrijven. ZIJ was begonnen, IK NIET), kwam ik terug bij de kassa’s. En laten we maar terug naar de kassa van Barbara gaan, besloot ik. Het lot wat tarten, het ligt in mijn aard op zulke momenten. Goed, u gaat het niet geloven, maar Barbara, net als het aan mij was, stopte met kassierster spelen. Ze pakte haar geldkoffer uit de kassa, propte het grote geld in een koker die ze naar Mr Ikea zelf stuurde, en ze liep me straal voorbij, haar kassa overlatend aan een jongen, de vriendelijkheid zelve. We hebben nu twee nieuwe Filur-bakken thuis. En twee deksels, waar ik niks mee moet. Volgende week zal ik ze weggooien in het recyclagepark, wellicht. Kijk, wat ik nog even kwijt wil. Dit soort gedrag stoort mij mateloos. Het zorgt ervoor dat mensen niet meer nadenken. Had ik die deksels moeten gaan halen? Natuurlijk niet. Want ik moet ze niet. Ik heb ze niet nodig. NIET. Maar Barbara volgde haar instructies. Regels zijn regels. En stock is stock. Ik deed haar twee deksels cadeau, zoveel was duidelijk, maar nee, ik heb ze nu thuis liggen, en zal ze binnenkort weggooien. Ik word van zo’n gedrag zo moe, echt, zo moe. Denk eens verder dan de bij elkaar horende barcodes, Barbara. Mijn dochter zei me dat ik het deksel op de neus heb gekregen vandaag. Haar grapje maakte mijn dag gelukkig weer goed. Maar de Barbara’s van deze wereld, ze maken het allemaal veel te moeilijk, echt. Het is zoals een frituur waar men de Bicky Burger altijd mét een augurk maakt. De betere frituur doet die augurk er niet op als je erom vraagt. Ook al klopt hun Bicky Burger-augurkenstock dan niet. Barbara, Barbara, wat heb je me teleurgesteld vandaag. Dekselse meid, toch.

Jan De Palmeneire
0 0