Lezen

Het jaar van de verkleining

Dit was het jaar van de verkleining. Het eten van kleine kruimeltjes en lepeltjes gevuld met suiker. Ik werd kleiner met de dag. Elke nacht vanaf die maandag eind maart van dit jaar slonk ik en stond ik een aantal grammen lichter op. Ik had wel honger maar niet naar substantie. Ik hongerde naar antwoorden. En aanrakingen door een geliefde die ik had verloren aan zichzelf. De waanzin kan alleen bezit nemen wanneer je de deur openzet. De wonden uit mijn jeugd waren de open vensters. Ik had ze zelf opengezet; om te luchten. De sloten had ik weer vervangen door de sloten van toen hij nog hier woonde. Dezelfde deuren die ik had gesloten na het jaar dat ik groter werd.   Als de wolf met de biggetjes blies mijn hoofdpersoon eerst het strooien huisje omver. Het huisje van de verslaafde dat geen ramen noch deuren had. Daarna begon hij te knabbelen aan een ander huisje ergens op de scheidslijn tussen Wallonië en Vlaanderen. De gewezen juf had wel deuren en vensters en nodigde hem begeerlijk uit om binnen te treden. Ze hadden elkaar begeerd, zo vertelde ze mij toen ze aanklopte aan mijn sterke stenen huisje met deuren en vervangen sloten en ramen die open stonden maar alleen bij mooi weer. Ze klopte aan en ik herkende de klop. De klop van nieuws dat het leven doet wankelen. Ik deed aarzelend open en voordat ik de deur kon sluiten zette zij haar kleine vrouwtjes voet ertussen. No escape. Ik was gemangeld en werd gemarteld. Ze betoverde mijn dag naar nacht en wist me met haar weloverwogen woorden naar de afgrond te brengen. Ik kromp. Ik vroeg het hem. De man die ik liefhad of het waar was. Geen antwoord was de uitspraak. Ik slonk. Op zoek naar kracht om mijn huisje heel te houden bood ik mezelf aan en verving de nieuwe sloten met de oude van ons leven samen. Kom binnen. Kom drinken. Kom eten. Gebruik me. Het jaar dat ik dacht van kruimels te kunnen leven is bijna voorbij. Nog twee weken heb ik mijn kleine ik gegeven. Hem ook.  

Susanna
21 0

7 zekerheden die elke vliegreis een hel maken

Ik maakte onlangs nog eens de cruciale fout om mij een half etmaal lang vrijwillig te laten opsluiten in een ijzeren cabine waarin de scheten van 200 vervelende mensen nijdig door de lucht snijden. Wanneer je zo om de halve minuut geconfronteerd wordt met de luchtvervuiling in vliegtuigen, besef je wel dat die Greta Thunberg meer is dan een schoolmoe trollenkind dat pas op haar 40ste ontmaagd zal worden door een zelfgeteelde courgette in haar stoffige vagonder te duwen. Soit, excuses genoeg om mij te verlagen tot het summum der clickbait: een lijstjesartikel. Laten we samen negeren dat zowel jij als ik ver boven dit type geschreven rioolentertainment staan, want hier zijn ze: de 7 kankers die op geen enkele vliegreis ontbreken. 1. JE BUUR DIE ZICH LAM ZUIPT MET GRATIS GIN-TONIC Je bent blij want je vertrekt op reis, iedereen is netjes gaan zitten en het lijkt erop dat je buurman níét stinkt, géén behoefte heeft om je de komende 12 uur beter te leren kennen en géén machtsspelletjes speelt om de armleuning. Voor wie nog nooit gevlogen heeft: dit is even zeldzaam als de Lotto winnen op een dag dat het niet regent in België en de banken al meer dan twee maand de rente op de spaarrekening niet hebben verlaagd. Maar terwijl je dat denkt, komen de stewardessen en die ene zwarte, gay steward met een beperking – drie quota in één klap – langs om te vragen wat je wil drinken. Je buurman checkt of gin-tonic gratis is en begint zo aan het plezantste vliegavontuur van z’n leven. 7 gin tonics, 1,5 Ben Stiller-film en 5 toiletbezoeken later heeft die klootzak niet alleen de armleuning, maar ook je kussen, dekentje en linkerschouder ingepalmd. 2. NET NIET KNAPPE STEWARDESSEN DIE ELK KWARTIER LANGSKOMEN Het is duidelijk: tijdens de eerste les op de vliegtuigschool leren ze dat je je passagiers nooit langer dan 15 minuten aan een stuk gerust mag laten. Kijk, ik zit hier een halve dag vast, laat me dan alsjeblief die tijd benutten door zo veel mogelijk films te kijken op een crappy scherm, dat één keer op drie reageert op mijn aanraking, en geluid enkel in mono afspeelt door m’n koptelefoon van 400 euro. ‘Gaan we niet laten gebeuren,’ denkt het luchtpersoneel. Een film kijken op het vliegtuig is als een blockbuster zien op VIER, waarbij de 11 reclameblokken vervangen worden door dames die gemaquilleerd zijn als drag queens en komen vragen of je in de laatste 5 minuten wél dorst hebt gekregen. En, wat je het liefst wilt: de gewone maaltijd die naar stront smaakt of de vegetarische maaltijd die naar stront smaakt. Wat ons naadloos bij het volgende punt brengt. 3. RANZIG VLIEGTUIGETEN Snack hier, lunch daar … Ik zal wel te dom zijn om te beseffen dat je met het uurverschil eigenlijk twee dagen mist en daarom 6 keer eten moet krijgen tijdens je vlucht. Allemaal sympathiek dat dit gratis inbegrepen is in mijn vliegticket van 1.000 euro, natuurlijk. Maar moet dat eten ook echt zo’n degoutante, vormeloze berg kak zijn? Om nog te zwijgen van die zure stank die al door het hele vliegtuig trekt wanneer ze die shit aan het microgolven zijn. De eerste maaltijd zijn eieren, champignons, brood en confituur. Ik zweer het je dat ik geblinddoekt niet had kunnen zeggen wat wat was. Tegen de tijd dat ik eindelijk door de korst van m'n – volgens mij – broodje raak, heb ik ongewild al 3 plastic messen door het vliegruim gekatapulteerd. Om na de eerste beet al dat eten in nog vuilere versie terug te ruiken wanneer de lucht in die bagger al door het darmkanaal van de eerst bediende passagiers is gereisd. Geloof me, de term ‘vliegend schijt’ is een unicum in de Nederlandse taal omdat hij zowel de vliegtuigmaaltijd op zich, als dat wat meteen volgt na het eten ervan beschrijft. 4. DE HUILENDE BABY Dat alles speelt zich af terwijl op de achtergrond een baby, die eruitziet als een obees weerwolfjong met psoriasis, al vanaf de eerste minuut door alle noise cancelling headphones heen de longen uit z’n borstkas krijst. Ik bestel ondertussen ook een gin-tonic en stop de stewardess 20 euro toe om ‘m rechtstreeks in de open bek van dat monsterkind te gieten. Vastbinden in het onderkoelde bagageruim, eruitgooien zonder parachute of door de vliegtuigmotor blenderen? Ik weet niet wat we het best doen met ouders die beslissen om de vlucht voor iedereen te verpesten, gewoon omdat ze het niet konden laten zich voort te planten én zichzelf een reis te gunnen. Wanneer papa met kind op de arm voor de 79ste keer passeert en met een halve glimlach om wat begrip vraagt, gebaar ik met m’n vierde plastic mes over m’n keel. En zoals het altijd gaat, zal die volgepapte schilferwolf een kwartier voor we landen ineens op wonderbaarlijke wijze z’n muil houden. 5. HET ZETELDILEMMA Maaltijd één van zes is nog geen 30 seconden afgeruimd of het is zover. De fucker voor je legt z’n stoel zó plat dat hij een hoofdmassage verwacht te krijgen. Voor je goed doorhebt wat er gebeurt, hangt er een pluk dik zwart krulhaar op 5 cm van je neus en zit je vastgeklemd tussen je stoel en je tafeltje, terwijl je knieën hardnekkig proberen niet binnenstebuiten te plooien. De beenruimte die er om te beginnen al niet was, is er nu nog nieter. Bijgevolg sta je voor het dilemma: doe je je achterbuur dominogewijs hetzelfde aan en word je de eikel die je verafschuwt of wacht je tot je buur voor je slaapt en sla je hem dan zo hard op zijn oor dat z’n zetel automatisch terug vooruit springt en hij de komende uren gedesoriënteerd blijft zitten, te angstig om nog iets anders te doen dan ademen. Naast me merk ik dat mijn vrouw voor een derde optie gekozen heeft die bestaat uit om de 5 minuten tegen de stoel boksen, vergezeld van een ‘wat the fuck?’, ‘godverdomme!’ en ’echt waar, mongool!’. 6. VLIEGTUIGMODUS Het is 2019. Er bestaan auto’s die zonder chauffeur van hun parking naar ons toe kunnen rijden. Ik betaal mijn boodschappen in één seconde met mijn horloge. Twee minuten voor ik thuiskom gaan de lichten aan, springt de verwarming op en begint de radio te spelen. Het is dan ook niet bizar dat ik op 10.000 meter hoogte kan googelen, youtuben en instagrammen alsof ik op een familiefeest zit. Het probleem is dat dit niet zo is. Want als je niet binnen de 200 milliseconden na het aan boord gaan connectie hebt gemaakt met de wifi, raak je er sowieso niet meer op. Met een beetje geluk, slaag je er toch in en kan je 10 minuten naar je scherm staren terwijl de startpagina van de vliegmaatschappij vol duty free, maar onbetaalbare vliegtuigwinkelbrol geladen wordt. Gelieve hier rekening mee te houden voor je een nier afstaat om 250 megabyte data te krijgen. En wat is dat trouwens met die vliegtuigmodus? Waarom moet ik al mijn technologie uitzetten? Heeft er al ooit iemand een vliegtuig laten neerstorten door nog snel de obligate ‘ik ben weg, fuckers!’-foto op Instagram te posten? De helft van de passagiers vergeet dit, de andere helft doet dit gewoon niet, en de andere helft wil wel, maar is te achterlijk om te weten waar ze dat juist doen. De vierde helft leest dit en vraagt zich terecht af in hoeveel helften je dingen eigenlijk kan verdelen. 7. HET APPLAUS We zouden hem bijna vergeten. Die ene idioot die zo onder de indruk is dat hij begint te klappen omdat de piloot ons levend heeft weten te houden tot na de landing. Maar waarom het daarbij laten? Want onze bestuurder heeft per slot van rekening het uiterste minimum van z’n takenpakket goed afgerond. Klim uit je stoel en geef die man een staande ovatie. Overlaad ‘m met slipjes en gsm-nummers! Als je maar lang genoeg ‘we want more’ blijft roepen met de hele cabine, doet hij misschien nog een extra rondje met een looping of twee. En vergeet zeker de fooi niet, want naar ik heb horen zeggen flirt het loon van piloten met de minimumgrens. Maar goed, wie klappen wil, kan klappen krijgen. Ik zal de eerste zijn om de handjes op mekaar te zetten voor wie die applausmeester vanuit het gangpad tot een overgare vliegtuigmaaltijd mept. Dat alles terwijl er van enthousiasme een lauwe ruft uit m’n achteruitgang glipt en zich samenvoegt bij de rest van de dichte scheetmist in het ruim. In de volgende editie: 57 redenen waarom ik ervan hou om als een terrorist behandeld te worden aan de Amerikaanse grenscontrole.

Hans Verhaegen
55 1

Taak: Schrijf een opstel met elf moeilijke woorden

Taak: Schrijf een opstel met elf moeilijke woorden     Chelsie was kallipygisch en bovendien de barbie van mijn zus. Ik kuste haar zouterik op een woensdag, de dag na oma’s verjaardagsfeestje in het tuinhuis van de buurman. Het rubber van haar rugje, haar vingertjes, haar borstjes en haar voetjes, alles kleefde aan mijn tong. Ik weet nog dat ik gulzig het overvloedige kwijl inslikte en vol ongeloof naar mijn piemel staarde, die een witte kleverige brij op mijn spijkerbroek en sneakers achterliet. Ik kon niet anders dan de harem knuffeldieren die ik al die jaren bij elkaar had verzameld in een plastic zak te stoppen en op de stoep te zetten, samen bij het restafval. Het afkarnen elke dag na school, samen met Chelsie, maakte de jongen in mij een beetje meer man. En toch voelde ik mij een glimpieper. Nee, een amour fou overvalt mij niet wanneer ik het poppenbordeel binnenwandel. De acht exemplaren zien er stuk voor stuk netjes uit dat wel; realistischer dan hun foto’s in de seksboekjes. Ik weet niet wat er mij te wachten staat, maar ik heb de afgelopen weken geoefend op een paspop die ik voor een prikje uit een etalage met trouwjurken heb kunnen redden. Plompzakken is me niet gelukt, maar volgens de eigenaar van het bordeel zou dat bij een echte sekspop wel mogelijk zijn. Anja heeft de grootste boezem. Ik kies haar en betaal vijftig euro voor een half uur. De kamer, het bed, het behang, de geur van etherische oliën, de benwaballen op het tafeltje naast de relaxzetel die dienst doet om mijn kleren op te leggen: alles ziet er levensecht uit. Een valleiorgasme zal ik haar niet kunnen geven, maar een doppie maken moet lukken. Ik ben er klaar voor. Voorzichtig ga ik tussen haar benen zitten, buig voorover en bijt in een tepel. Er gebeurt niets. Ik probeer het nog eens, harder nu. Weer niets. In de hals. Achter het oor. Op de buik, tussen tenen, vingers, haar oorlelletje. Ik word er niet geiler van. Het geitenoog dat strak rond mijn eikel zit doet ook niet veel. Mijn priaap blijft uit. Anja is een pop gemaakt uit ThermoPlastisch Elastomeer. Gesmolten rubber zoals bij barbies. Maar deze levensgrote smaakt niet zoals de kleintjes wanneer ze stiekem in een tuinhuis uit hun doosjes worden gehaald, eerder naar siliconen dildo’s en andere seksspeeltjes. Ik kijk met een blik vol ongeloof naar Anja, verwacht niet dat ze antwoordt. ‘Vandaag is het donderdag, zeg ik, ‘eergisteren is mijn oma vijfenzestig geworden.’   Sascha Gemeentelijke Basisschool Klas 6 A    

Sascha Beernaert
35 0

Meisje van zestien

  Het appartement op de negende verdieping had iets van een stilleven. De late najaarszon zorgde voor een vreemd contrast. Als een gerichte spot die de helft van de living goudkleurig verlichtte en de rest onder een grauw zeil verstikte. Zij splitste het bestaan in wit en zwart. Hanne zat aan de verkeerde kant. Suf keek pa naar de ronde wandklok in de keuken. Vanop de salonbank zag hij er door de openstaande deur, recht op uit. Nog zo vroeg en bijna avond? De zondagen waren hun naam niet meer waardig. Hij trok zich recht en legde zijn haar in de plooi. Wat hij altijd deed sinds Esther hem verboden had de verveling van zijn lijf te krabben als hun dochter in de buurt was. Zich beheersen was voor hem geen lachertje. Opgroeien voor Hanne ook niet. “Zo zie ik het nieuws eens van bij het begin.” grapte hij in haar richting. “Bevertje, zap de teevee eens aan. Hopelijk zijn er niet teveel doden.” “Koop een smartphone, zoals iedereen.” beet zij terug. “Dan hoef je niet op het nieuws te wachten. Teevee is kut. En stop met dat bevertje.” Sinds Hanne een pedagogische instelling-zonder-examens bezocht, hanteerde zij een heftig taalgebruik. Alsof zij niets meer te verliezen had. Nors wierp zij haar mobieltje naast zich neer, scharrelde naar de afstandsbediening en gehoorzaamde. Zoals steeds. Voor hoelang nog? De witte straal die aanfloepte, wiebelde op de kadans van de kommentaarstem. Op de achtergrond loeiden politiesirenes en knalden revolverschoten. Onverstoord ging de stem verder. Op een vlakke toon, alsof zij een keukenrecept voorlas. “Het was juist rustig.” jammerde ma van achter het fornuis. De ene keuken was de andere niet. Haar weeklacht klonk van nog verder. Hanne zuchtte. Het werd tijd dat zij naar haar kamer ging om wat stilte met haar followers te delen. Voor de Instagram-familie was het nooit te laat of te luid. Haar internetverwanten hadden altijd een blij gezicht, een vrolijk hart. Snel hengelde zij terug naar haar gsm. Misschien had zij in de verloren minuten, belangrijke berichten gemist. Zij maakte het snel goed en dropte wat emoji’s. “Nepnieuws.” zeurde pa. “Het enige waar jouw smartphone toe in staat is.” Hij deed het woord “smart” tussen aanhalingstekens klinken, alsof er niet veel vernuft bij te pas kwam. “En vermist echt nieuws jou niet interesseert, kan je misschien de tijd nemen om het raam dicht te schuiven. Want zeg eens, wat gebeurt er vanavond? Zo snel donker en nog koud ook.” Onverstoord tokkelde Hanne verder. “Bevertje!” beval hij. “Schuif het raam dicht!” Geïrriteerd veerde zij recht, haastte zich naar het terras en liet de zware glaswand langs de buitenkant dicht glijden. Alsof zij zich buiten sloot en nieuwe opmerkingen wou afgrendelen. De kille avond plakte meteen tegen haar wang. Het deed haar goed. Zij verafschuwde de bevelen van haar pa, zijn opgefokt woordgebruik. Zij baalde van zijn taal, maar had vooral een hekel aan zijn troetelnaampjes. Wat dacht hij wel? Zij was geen kind meer, bijna een vrouw. Eigenlijk haatte zij hem. Had een afschuw aan het appartement. Behalve aan het uitzicht. Dat was cool. Even vergat zij haar wereldwijde webvrienden om in de verte te turen. Naar de stad, aan de andere oever van de stroom, van hun woonblok gescheiden door uitgestrekt groen en kunstmeertjes. Waterplassen waarop overdag piepkleine zeilboten dobberden. Heel chic. Op dit late uur, zorgden alleen de stemmen van spelende tieners voor wat leven. Over de reling keek zij in de diepte, naar het sportterreintje, voorbehouden aan de flatbewoners. Vandaag om te frisbeeën. Een rode schotel flitste van de ene hand naar de andere en ontlokte gedempte waw’s en yeah’s. Zij herkende meteen de jongen van verdieping vijf. Zijn stem was even irritant als zijn gezicht vol puisten. Als zij hem in de lift kruiste, durfde zij hem zelfs niet onrechtstreeks via de wandspiegels aan te kijken, uit angst te moeten overgeven. Wat een zielenpoot. Een opschepper zoals iedereen in dit gebouw. Hier huisden alleen mensen die aanzien wilden afdwingen. Toen haar vader een jaar geleden een fikse promotie bij de bank had gekregen, waren de muurhoge ramen, de namaak openhaard en het dure parket bedoeld als trapje hogerop. Of beter, als trap hogerop. Tot verdieping negen. Het nummer van de elite, zoals hij dat omschreef als er visite was. Bullshit. Gelukkig was er het uitzicht. De puistenjongen scoorde met veel kabaal. Zij hoorde hoe de anderen hem omhelsden en kneep vol walging haar ogen dicht. “Boe!” grapte pa achter haar rug. Het deed pijn in haar oor, alsof hij er een stop  in propte. Hij deed haar altijd pijn. Zij verstijfde, had hem niet horen aankomen. “Aan tafel!” beval hij. “Of heeft Bevertje geen honger?” Verkrampt zocht haar buik steun tegen de borstwering.  Op een dag zou zij de vaderaffectie niet meer aankunnen. Genoeg hebben van zijn grappen. Hij, de beul. Zij, het vaderskindje, de liefde van zijn leven, zoals hij dat bij diezelfde visites gevat omschreef. Gevolgd door een houterige aai over haar sluikhaar, alsof zij een puppy was. Zij was een meisje van zestien dat niet aanvaardde hoe hij van haar hield. Het moest anders, maar hoe?  Zij wou weg. De rode schijf beneden zoefde nog steeds van hand tot hand. Bij elke worp, elke opvang, deden de jongens uitbundiger. Brutaler. De frisbee werd een rode stip die kinetisch in alle richtingen danste. Een lichtpunt dat haar hypnotiseerde. Haar naar beneden lokte. Zij verzette zich niet. Dit was het moment. Zij was een vogel die zijn vleugels niet meer kon uitslaan. De zwaartekracht zou haar werk doen. Haar feilloos laten zweven. Tot op het zachte asfalt van het sportterreintje. Hanne zou het laten gebeuren. Ogen wijd open. Zo moest het. Eindelijk stilte. Op het ogenblik dat zij zich niet meer verweerde, sloeg pa zijn arm rond haar schouders en drukte zijn hoofd tegen dat van haar. “Het is al goed. ” suste hij. “Ik heb het begrepen, wij gaan het anders aanpakken, weg dat bevertje.” Eén enkele zin en de spookgedachte in haar hoofd plofte de dieperik in. Niet zij. Gaf hij dan toch om haar? Zou hij ooit een echte daddy worden? Goed dat zij niet sprong en hem een nieuwe kans gunde. Een meisje van zestien flitst snel van zwart naar wit. Soms op het nippertje.

Dorlan Slefficsroth
28 0

Stroom

Bij het aanbreken van de dag sta ik klaar op het perron. Vol verwachting (komt hij op tijd vandaag?) wacht ik tot de slagbomen onder muzikale begeleiding de overweg afsluiten. De trein komt het station binnengerold. Ik zoek mijn plekje, zo ver mogelijk achteraan, maar nooit in de laatste wagon, daar wijk ik niet van af. Ik dommel nooit meer in zoals vroeger, toen eindeloos lange nachten versmolten met langgerekte dagen. Ik laat de muziek door mijn oortjes stromen, werp een vluchtige blik op het nieuws van de dag, geniet van een licht ontbijt. Dan is het tijd om te verdwalen in mijn boek. Vroeger dansten de letters ongrijpbaar voor mijn ogen, nu vinden ze gemakkelijk de weg naar mijn bewustzijn. Ik slik de zinnen gulzig in terwijl de trein zich een weg door het landschap slingert. Sidderend en bevend rijden de minuten voorbij. Soms kijk ik even op, verwonder me over een zonsopgang, over een nieuwe dag die ontwaakt. Ik wil de tijd rekken, verder opgaan in de woordenstroom, maar daar komt de laatste halte al in zicht. Op het werk, in het veel te fel verlichte kantoor, glijdt de tijd voorbij, altijd veel te traag, of veel te snel. Als de dag de avond kust, kan ik terug naar mijn trein. Dan maak ik tijd voor gesprekken, haak ik mijn wagonnetje vast, aan bekenden en volslagen wildvreemden. Bij gebrek aan gezelschap, kruip ik terug in mijn boek, soms doe ik even mijn ogen dicht, dan laat ik de dag rustig wegzinken. Nog voor ik het spoor bijster raak, rolt de trein mijn eindstation binnen.

Ine Moreels
13 0
Tip

No pussy blues

Wat unbidan we nu? Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu? Wat unbidan we nu? Alle vogels hebben nestenbehalve jij en ik, mijn lief alle madeliefjes liggen dag en nacht in hun nest te vogelen behalve jij en ik, my dear ’s ochtends sleep ik mij uit bed jij volgt me als mijn schaduw we zeggen niks ik wacht af Oral B en Braun jij gaat op de wc zitten jij wacht af ik kijk naar je in de spiegel weergeef wat je bent ik heb de no pussy blues mijn gezicht is oneindig en jouw lichaam verdwijnt Ik blijf staan aan de wasbak met de elektrische borstel in mijn mond hoor ik nu applaus? applaus van jou? applaus voor al wat jong en schoon is?juli:Het is de eerste keer dat ik dit doe zonder coke en met kleren aan. Het gevoel is net hetzelfde. Het publiek kijkt me met wijd opengesperde ogen aan. En ik heb het idee dat ik het allemaal aankan. Die coke heb ik dus niet echt meer nodig. Ik heb niks nodig. Geen koffie, geen sigaretten, geen alcohol, geen drugs, geen pijnstillers, geen voorbehoedsmiddelen, geen krant vol met ellendige berichtgeving en spelfouten. Enkel genegenheid, liefde en seks. Dat geeft mij een overwinnaarsgevoel. Complete, uitstekende en onvoorwaardelijke seks. Topsport met andere woorden. Tenminste toch als je de juiste techniek hanteert. En die heb ik. De juiste techniek. Ik ben een expert ter zake. Ik ben bovendien ook mountainbiker. En zonder goede techniek maak je bij het mountainbiken flinke smakken en valpartijen. Dat geeft mij nu eens een kick. In 2001 en in 2010 brak ik mijn linkerelleboog, in 2012 mijn rechterenkel en in 2014 brak ik nog maar eens mijn rechterelleboog en was mijn fietsketting van het kamwiel gesukkeld. Maar binnen de 10 seconden lag die ketting er weer op. Wat een techniek. oktober: Het liefst wil ik een Mexicaanse schoonheid met zachte zwarte donshaartjes op haar onderrug en een Che Guevara tattoe op haar schouderblad, die mij met een beetje amandelolie in haar ene hand aftrekt en met haar andere hand mijn scrotum, mijn testikels, mijn anus en mijn perineum stimuleert en op het einde met enkel wat juiste strelingen van haar duim over mijn eikel me laat klaarkomen dat het snot uit mijn neus vliegt en ik even voor tien, twintig seconden doof word en die mij dan ook Caribische lekkernijen voorschotelt, vettige tamales met cheladas en een heerlijke horchada zodat ik in negen en een halve week van negenenzestig naar zesennegentig kilo ga. Of misschien zoek ik wel een slanke Filipijnse met een bril en parelwitte tanden die ik dan met een stevig blauw hennepkoord van 10mm vakkundig vastbindt om haar vervolgens traag uit te kleden en anaal te penetreren, eerst uiterst voorzichtig maar dan toch hard en stevig tot ze huilt van de pijn en dan troost ik haar met zachte strelingen en eten we samen een lekkere hete misosoep waar ik mijn tong aan verbrand en vaak droom ik ook van een Italiaanse schone. Haar naam is Maria. Ze heeft weelderig golvend lang donkerbruin haar en tussen haar warme borsten bengelt een gouden kruisje en ze geurt altijd naar verse oregano en elke middag neuk ik haar te pletter op de grote houten keukentafel tussen de groene selder en de preistengels terwijl ze het wees gegroet Maria vol van genade prevelt en kreunt. In ieder geval zoek ik een vrouw waar een vrolijke hoek van af is en die ook met mij gewoon gezellig wil knuffelen of samen in een groot zalig warm bad wil gaan en die vooral van het leven wil genieten zonder schaamte, zonder schande en zonder schroom. december: Ik betrap haar. Niet op masturberen in de douche of in bed met een andere minnaar. Nee, ik betrap haar met haar laptop. Ze zit op de website van Versace. Gianni Versace SPA, Italia. Als een jachthond zit ze gehurkt en naakt in de witlederen zetel in het salon en bestelt ze spullen op de webshop. ‘Ik wil me aankleden,’ lacht ze.'Met van die dure kleren?’‘Ja, voor mijn Nieuwjaar. Krijg ik ze van jou?’Ik kijk naar haar gebruinde lijf. Haar buikje een beetje opgeplooid door haar houding met gekrulde rug over de laptop en haar ruggengraat als door Gaudi ontworpen. Wat is ze mooi.‘Ik wil geen kleren voor je kopen. Ik wil dat je bloot bent. Heel de tijd.’ Ze reageert er niet op en tokkelt driftig op de witte knopjes van het toetsenbord. Wanneer ik naar de keuken loop, hoor ik dat ze haar laptop dichtklapt.‘Is de bestelling geplaatst?’ roep ik.‘Nee. Ik vind niks naar mijn goesting.’ Ze laat haar laptop in de zetel achter en komt naar mij. Geruisloos. Ze gaat achter me staan terwijl ik oud brood op schimmel controleer. Ineens grijpt ze mijn penis en hijgt: ‘Dat is wel mijn goesting.’ Ik draai me om en omhels haar. Ik heb een snee hard oud brood in mijn hand en kras er zacht mee over haar rug. Ik voel nog maar eens hoe klein en fijn ze is. Niet eens vijfenveertig kilogram. Ik pak haar op en zet haar neer op de grote keukentafel. Ze gaat op haar rug liggen en schuift met de buitenkant van haar handen een karton melk en enkele glazen aan de kant. Ik zie dat mooie, jonge lijf dat naar mijn strelingen verlangt als een kattin naar zonlicht in de tuin. Mijn hand gaat tussen haar dijen.‘Er is nog wat boter in de koelkast,’ sist ze.‘Straks.’‘Nee. Ik bedoel. Spelen we nog eens Tango in Paris?’‘Je bent zot.’‘Please?’‘Schat, daar hebben we geen tijd voor nu.’ Ik heb het haar allemaal geleerd. De beroemdste seksscenes uit de wereld van de cinema. We hebben ze allemaal nagespeeld. Marlon Brando met de boter in de kont van Maria Schneider in Last tango, de melk over het geile lijf van Emmanuelle Seigner in Bitter Moon en natuurlijk ook alles uit Ai no corrida, Trente-sept virgule deux degrés le matin, Turks fruit, Emanuelle. Maar boven alles moet ik van mezelf houden.ik zie een meisje in het publiek.ik loop naar haar en roep en vraag of ze met me wil uitgaan vanavondmaar ze zegt dat ze dat niet wil.Ik ga niet graag naar buiten. Met een uitroepteken erachter. Text ze me nog na. Ze leest Eliott.Ze leest Yeats.Ik lees Hemingway. En ze zegt nee, nee, nee. maart: Ik blijf zo lang mogelijk wakker en wacht tot ze beweegt.Het is koud in bed. Ze begint mijn buik te strelen. Het is allemaal nu een beetje onverwacht. Misschien komt het door al die suggesties die ik de laatste tijd heb laten vallen. Ik had een idee voor een nieuwe app waarmee de gebruiker het percentage kon checken in welke mate hij of zij kans had op seks met zijn of haar partner. Een beetje zoals een weerapp die vertelt hoeveel percent kans er is op neerslag of vorst of zonneschijn. En dan fluisterde ik regelmatig een licht stijgend percentage in haar oor na een kus of een streling. Ze peutert in mijn navel. Haar vingertoppen trippelen tergend traag verder naar beneden. Ze plaagt me en streelt met haar linkerhand over mijn pyamabroek. Over mijn penis die al hard is en over mijn ballen. Ze masseert en kneedt. Ik trek vlug mijn broek uit en nestel me in haar schoot. Ze begint me af te trekken met haar linkerhand. Traag en een beetje stug. Onhandig. Ze knijpt afwisselend in mijn ballen en trekt mij af. Allemaal met haar linkerhand. Dat is toch haar mindere hand. Waar is die rechterhand? Die licht vast onder haar hoofd als een nestje waarin haar wang rust. Ze heeft zeker heel de tijd haar ogen gesloten. En fantaseert dan over Leonardo DiCaprio. Voor mijn part Leonardo da Vinci. Van het continue balkneden, krijg ik pijn in mijn onderbuik. Ik heb haar al zo vaak verteld dat ik dat niet lekker vind. Ik verleg me een beetje. Ze trekt me steviger af tot ik plots voel dat ik ga klaarkomen. Mijn ademhaling wordt hoorbaar. Ik kreun steeds luider. Ze snokt nog harder. En dan kom ik klaar. Mijn zaad kleeft tegen de lakens. Ik zou haar misschien ook nog moeten laten genieten. Ze zegt dat ze dat niet wil. Ik geef haar een kusje maar ze lijkt al te slapen met haar Leonardo. mei: Ik koop haar duizend duiven en doe duizend jaar haar afwas drie keer per dag.Ik noem haar honing, ik noem haar liefde, ik noem haar trut, ik noem haar schattig wasbeertje, pikachu, Maya de bij, lynx, pistachenootje, Angela Merckel. Ik noem haar mijn vettig poepenolleke.maar ze zegt dat ze dat niet wil.Dammit! Ik stuur haar elk type bloem die ik maar vind in alle bloemenwinkels in de stad en speel mondharmonica voor haar uur na uur na uur aan haar balkon. Ik ga zelfs wandelen met die stinkende rothond van haar en ik raap zijn dampende kak op van de straat met de blote vingers. Laisse moi devenir l’ombre de ton ombre, l’ombre de ta main, l’ombre de ton chien, zing ik dan.Maar ze zegt dat ze dat niet wil. Ik schrijf een gedicht met honderd regels die stralen en glijden als watervallende regenbogen. Ik wandel met haar op blote voeten over het zachtste mos tussen de donkerrode sequoia’s van het reigersbos.Maar ze zegt dat ze dat niet wil. Ze kiest voor een ander spoor.Ze drinkt een liter Cognac.Ik drink tien liter Dragonwell Xi Hu Long Jing thee en moet daarna zo heel lang en traag gaan pissen dat de wc bijna overloopt.En dan lacht ze me uit en zegt: ‘Hehe, Ik wil het toch niet.’Allez, kom aan! Ik voel me zoals Marcel Marceau of het mannetje van La Linea zich zou voelen wanneer ze zegt dat ze het toch nooit wil. Ik heb de no pussy blues I got the no pussy blues I got the no pussy blues I got the no pussy blues Damn! I GOT THE NO PUSSY BLUES

peter mmm Verreth
179 1

6 X Godverdoemme

6 X Godverdoemme Toen Patje vertrok op de Zündapp die nog van Moe was geweest, regende het nog niet. Er hing geen wolkje aan de lucht. Het was volkomen helder en de zon scheen lichtjes, maar bij het binnenrijden van Sint-Lenaarts werd hij totaal verrast door een gigantisch onweer. Daar had hij niet op gerekend. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘wat een kutweer. Als ik dat had geweten.’ Hij ging, zoals zo vaak op donderdag, op de markt twee kiekenbillen kopen en misschien een blokske kaas. De eerste kiekenbil zou hij ’s middags, met een boterham, opeten. De tweede ’s avonds, koud met wat mayonaise erbij. Op de terugweg haalde de brommer makkelijk zevenenzestig kilometer per uur, want hij had wind in de rug en het waaide wel stevig. Bovendien was de brommer van Moe opgevoerd. Toen hij zeiknat thuiskwam, haalde hij zijn kiekenbillen uit zijn tas. Hij trok zijn natte kleren uit, plofte in zijn onderbroek in de eikenhouten fauteuil en schakelde de TV en video in om een pornofilm te bekijken. Na welgeteld drie minuten, tijdens een oninteressante scène, liep de film met een groot gekraak vast. De VHS band zat gekneld. Er was in alle geval iets mis. Zenuwachtig duwde Patje op alle knopjes. Vooruit, achteruit, … nog een keertje proberen: vooruit, achteruit, … Niks hielp. Hij deed een poging hem eruit te halen- eject- maar ook die mislukte. Tot slot gaf hij op het oude, versleten toestel een geweldige klap, maar de film bleef geblokkeerd zitten. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik maak er korte metten mee.’ Patje, gekleed in zijn onderbroek en sloefen, flikkerde uiteindelijk zijn videorecorder- inclusief de vastgelopen Duitse pornofilm- in de grijze container. Gelukkig kieperde hij er een gewone vuilzak bovenop om te verdoezelen dat er elektrisch materiaal in zat dat je afzonderlijk zou moeten aanbieden op het containerpark. Hij nam zich voor minder vaak te masturberen en als hij dan zin had, zou hij het doen op fantasie en onvergetelijke dierbare herinneringen aan enkele levendige plaatjes uit pornoblaadjes. Op dit moment was zijn libido trouwens door zijn kledij, de koude buitentemperatuur en de ergerlijke technische mankementen aanzienlijk verschrompeld. Door de zoveelste wolkbreuk en de slechte staat van het dak van de achterbouw sijpelde er water bovenop de tafel. Hij zette een kookpot onder het enerverende lek, schoot snel een jeans en een versleten hemd aan, en ging naar de voorkamer. Daar heeft hij zijn modelbouwatelier. Gisteren was hij begonnen aan de Junkers Ju 87B- Stukka op schaal één tweeënzeventigste. Hij bekeek het plannetje nog eens zeer aandachtig. Patje had veel ervaring en was vaak bezig in de herfst en de winter met modelbouw, maar tot zijn grote ongeloof ontbrak er een stukje in de modelbouwdoos. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘hoe kan dat nu in godsnaam.’ Nog enigszins hoopvol en zonder te bidden voor de heilige Antonius zocht hij heel de kamer af. Prompt gaf hij het op, bakte wat spek, at er een boterham bij en dronk lusteloos wat lauwe koffie. Hij keek nog wat zappend TV maar zoals zo vaak boeide bitter weinig hem. Plots dacht hij aan een deel van zijn collectie singletjes die hij nog van zolder moest halen. Op zijn dooie gemakje slenterde hij de trap op. Hij opende het luik naar de zolder, de uittrekbare ladder kwam met een kort gekletter tevoorschijn - normaal gesproken kon die zijn gewicht dragen- en kroop er tegenop. Met zijn buik als twee zakken cement kwam hij vast te zitten in de opening. Hij probeerde zich los te wringen richting zoldering, maar dat liep fout. Daarna slaagde hij erin los te komen en nog net zijn evenwicht te bewaren op de dunne zoldertrap. Het kostte hem vijfendertig minuten. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘het zit niet mee vandaag.’ Rond twintig over acht lag hij al lekker warm in zijn stinkende bed met twee dekens. Die nacht had Patje een fabuleuze droom. Hij had een ernstig en zeldzaam gesprek met zijn engelbewaarder. Nog merkwaardiger was dat hij het zich ’s ochtends compleet kon herinneren.   Engelbewaarder: ‘Waarom drink jij toch zo veel?’ Patje: ‘Geen idee. Het is plezant zo.’ Engelbewaarder: ‘Dat loopt nog eens fout af. Ik heb mijn handen wel vol.’ Patje: ‘Tja, het zij zo.’ Engelbewaarder: ‘Wil je niet oud worden?’ Patje: ‘Neen, niet per sé of kost wat kost.’ Engelbewaarder: ‘Denk je niet dat je soms wat overdrijft?’ Patje: ‘Ik weet niet beter. Ik vind het wel leuk zo.’ Engelbewaarder: ‘Vaak heb ik je kunnen helpen.’ Patje: ‘Weet ik. Merci.’ Engelbewaarder: ‘Ik had beter moeten weten.’ Patje: ‘Maakt niet uit.   Na zijn ontbijt, bestaande uit drie koppen koffie, vier Bastos en twee boterhammen met paardenvlees-niet uit de Lidl maar van de beenhouwer in het dorp- ging hij “zuiver op karakter” naar zijn werk als slordig boekbinder in de beschutte werkplaats. Buiten was het ijskoud. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik was beter met de bus gegaan.’ Na die vermoeiende vrijdag was de vervelende werkweek voorbij. Patje kwam verkleumd aan in zijn huis in een rustige, doodlopende straat net buiten de bebouwde kom. Het was ondertussen zachtjes beginnen sneeuwen. Hij trok een proper hemd aan en dronk alvast vijf pintjes aan de keukentafel dicht bij de gaskachel. Hij had vorige week in het café bij Chantal een koper gevonden voor zijn verzameling pornofilms. Het was bijtend koud en er woei een snijdende noordenwind. Hij zette de blauwwitte bananendoos vol met video’s op de achterste slijklap en bond ze vast met een caoutchouc snelbinder. Het was een opvallende collectie. Het brommerke pruttelde even en startte dan met hevig gebrom en gekwetter. Patje vertrok. In het dorpscentrum ter hoogte van de Voorzorg, glinsterde een akelige ijsplek. Hij slipte spectaculair op deze venijnige ijzel en ging met zijn kloten tegen de grond. Hij greep meteen naar zijn gekneusde heup. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik wist dat er vodden van gingen komen.’ Door de val scheurde de doos en schoven zijn video’s dwars over de weg tot juist voor café ‘den Boemel’. Chantal, de bazin, en boer Mertens, haar enige klant, schoten wakker en dachten alle twee: ‘Wat is dat allemaal?’ Het vroor en het kraakte. ‘Kom jij mij zo je collectie overhandigen,’ zei boer Mertens lachend ‘Da’s sympathiek.’ ‘Doe niet onnozel,’ reageerde Patje kwaad. Hij trok pijnlijke grimassen en wreef over zijn gekwetste linkerflank, zo ongeveer van de knie tot in zijn zij. Het Flandriake was ongeschonden. Chantal, boer Mertens en Patje verzamelde de VHS banden en staken ze terug in de gehavende doos. ‘Wat moet gij drinken?’ vroeg de cafébazin professioneel. ‘Doe mij maar een trappist van Westmalle,’ antwoordde Patje, ‘dan kan ik een beetje bekomen.’ Hoe hij die avond thuis was geraakt, herinnerde hij zich niet meer. Zijn bromfiets stond nog voor het café. Het vroor nog steeds.   Maandag drie februari gaf Patje zijn Sanseveria’s water. Dat was negen weken geleden. Tegelijk tuurde hij wat door het raam en zag een politiecombi traag voorbijrijden en stoppen voor het huis van Sjarel. Eigenaardig genoeg stapten er geen twee geüniformeerde politieagenten uit, maar een bloedmooie, jonge vrouw en één lange politieagent. Was die vrouw ook een politieagente? En wat kwamen ze hier doen?                                                                                                                                       

Hubert Grimmelt
0 0

Tante Louise

Na een lange reis sta ik aan de rand van een ondoordringbaar bos. Ik slik, en laat mijn ogen over de gedetailleerde wandelkaart glijden, waarop het bos er bijlange niet zo donker en onheilspellend uitziet. Ik span de riempjes van mijn rugzak stevig aan, en volg een onverharde weg dwars door het bos. Een mistsluier vlijt zich als een deken over het gebladerte en het koude vocht dringt door tot diep in mijn botten. Twee weken geleden zat ik nog nietsvermoedend aan mijn bureau te zwoegen aan mijn tweede roman, tot een telefoontje van een illustere advocaat mijn hele leven overhoop gooide. Een overleden tante, van wiens bestaan ik niet op de hoogte was, liet haar volledige vermogen achter. Ik dacht eerst dat ik er werd ingeluisd, maar het verhaal van de advocaat was zo gedetailleerd dat er geen twijfel mogelijk was. Hij mailde me enkele bewijsstukken door en daar stond het zwart op wit: ik zou een gigantisch bedrag erven. Nog niet eens halfweg word ik opgeschrikt door een vreemd geluid. Vliegensvlug grijp ik naar de berenspray die ik kocht op aanraden van de winkelbediende van de buurtwinkel in Lake Louise. Ik begin, ook op aanraden van de behulpzame winkelbediende, luid te zingen om de beer af te schrikken. Tevergeefs, plots sta ik oog in oog met een vreemd wezen. Ik blijf stokstil staan. Wat is dit? Het is geen beer, dat zie ik zo, maar welk dier is het dan wel? En hoe moet ik nu reageren? In mijn gedachten keer ik terug naar de biologielessen op de middelbare school, die mij nooit echt wisten te boeien. Ik graaf in mijn geheugen, maar kan geen naam op dit vreemde schepsel plakken. Het dier staart me aan, houdt zijn kop schuin. Het draagt een gewei, maar het is geen eland. Het heeft een ruige olifantenhuid en de vriendelijke, nieuwsgierige ogen van een koe. Mijn schouders ontspannen en mijn ademhaling vindt haar normale tempo terug. Ik wandel langzaam naar het dier, dat me even besnuffelt en dan terug de struiken induikt. Nadat ik enigszins bekomen was van het vreemde telefoontje van de advocaat probeerde ik het levensverhaal van m’n onbekende tante te reconstrueren. Ik kon me niet herinneren dat mijn vader ooit iets over haar bestaan had verteld. Hij was een zwijgzaam man. Hij pleegde zelfmoord twee dagen na mijn achttiende verjaardag. Ik belde mijn moeder, die ik al een halfjaar niet meer had gezien. Ze klonk zoals steeds beneveld, over een tante in Canada had ze natuurlijk nog nooit gehoord. Ik vertelde haar bewust niets over de erfenis, als ze langs de kassa kon passeren zou er zeker wel een belletje gaan rinkelen. Ik googelde de Canadese naam van mijn tante, Louise Parker, en noteerde zorgvuldig alle informatie die ik over haar vond in mijn tot de naad versleten notitieboekje. Net na de Tweede Wereldoorlog verliet ze haar man en koos voor een leven aan de zijde van een Canadese soldaat aan de andere kant van de wereld. Ik kon me wel inbeelden wat een groot schandaal dat in die tijd was. Na grondig speurwerk ontdekte ik hoe het mijn tante in Canada verging. Haar geliefde soldaat overleefde dan wel een oorlog, twee jaar na het einde van de oorlog overleed hij onverwachts in zijn slaap. Mijn tante verkocht hun huis in Vancouver en trok zich terug in hun buitenverblijf, een afgelegen huis in de Rocky Mountains. Ze had weinig sociaal contact, zocht troost in boeken, de enige andere bewoners van haar nieuwe woonst middenin het bos. Uiteindelijk begon ze zelf te schrijven, eerst schreef ze kortverhalen die ze opstuurde naar een lokale krant. Daarna werkte ze ruim twee jaar aan haar debuutroman. In haar leven schreef ze elf romans, waaronder enkele bestsellers. Ik had er nog nooit één gelezen, maar bestelde meteen twee romans. De dag erna lagen ze beloftevol op me te wachten bij het postpunt om de hoek. Ik wandel verder door het bos, links van me stroomt een zilverkleurige rivier. Het geluid van het kolkende water houdt me gezelschap. Ik wandel stevig door, ik wil zo snel mogelijk het huis bereiken, de mist houdt het bos in een wurggreep en ik zie amper waar ik loop. Ik bedenk me net dat ik me beter ook een zaklamp had aangeschaft, wanneer ik hard ten val kom. Ik lig languit met mijn gezicht op de koude grond. Ik krabbel recht, wrijf met mijn handen de fluweelbruine aarde van mijn gezicht en mijn knieën. Mijn oog valt op de steen waarover ik struikelde. Ik neem de gladde steen in mijn handen en bestudeer hem grondig. Het is geen gewone steen, er staan allerlei bizarre letters en cijfers op. Ik herken de initialen van mijn tante. Ik knijp in mijn arm. Dit kan toch niet waar zijn? Ik voel er niets voor om nog veel tijd te spenderen in dit spookbos, ik stop de steen vanboven in mijn rugzak en wandel verder, de pijn in mijn linkerknie verbijtend. De advocaat van tante Louise bezorgde me de vliegtickets voor de reis naar Calgary en de nodige instructies om het huis te bereiken. Op het vliegtuig las ik de debuutroman van mijn tante. Een liefdesverhaal, over een soldaat die hopeloos verliefd wordt op een verpleegster die zijn oorlogswonden verzorgt in een veldhospitaal aan het front van de Tweede Wereldoorlog. Ik herkende elementen uit haar levensverhaal, kleine details die ik in mijn boekje had genoteerd. In mijn hoofd vielen losse puzzelstukken langzaam in elkaar. Ik herkende mezelf in haar stijl, in de emoties die ze beschreef. Een deel van het verhaal werd verteld vanuit het perspectief van het nichtje van de verpleegster, een verlegen tienermeisje met een veel te rijke verbeelding, ik voelde een sterke verbondenheid met dit personage. Volgens de plattegrond ben ik nu vlakbij het huis van tante Louise. Haar advocaat zou me daar opwachten. Maar na het vreemde dier en de bizarre steen moet ik eerst nog een derde beproeving doorstaan. Langs de kant van de weg zie ik plots een man staan. Hij heeft lange zilverkleurige haren, een verweerd gezicht, een rond brilletje en helderblauwe ogen die dwars door me heen kijken. Hij draagt een veel te korte broek, waaronder zijn magere, zongebruinde billen zichtbaar zijn. Is dit de advocaat die me tegemoet komt? Het lijkt me vrij onwaarschijnlijk, hij ziet er helemaal niet uit als een advocaat. Maar in dit bos is alles ongewoon. Ik vraag de man, in het Engels, of hij de advocaat van mijn tante is. Hij antwoordt, niet in het Engels, maar in een onbegrijpelijke taal. Het lijkt op Japans, maar de rare snuiter heeft helemaal geen Japanse trekken. Hij komt langzaam naar me toe, iets weerhoudt me ervan hard weg te rennen. Hij stopt me een envelop in mijn handen. Ik bedank hem snel, leg de envelop in mijn rugzak, bovenop de steen, en wandel verder. Nu ik het huis nader stapelen de vragen zich op. Wat doe ik hier? Wie ben ik? Ik denk terug aan de afgelopen maanden, aan de verwoede pogingen om een pijnlijk afgebroken liefdesrelatie te verwerken in mijn tweede roman, bijna verpletterd onder de druk die een behoorlijk succesvol debuut met zich meebrengt. Ver weg van de bewoonde wereld, in een bos dat betovert, besef ik hoe ik alsmaar cirkeltjes liep, op zoek naar een stem die ik nooit in mijn kleine, besloten wereld had kunnen vinden. Het bos opent zich. De donkere sparren wijken voor esdoorns met betoverende herfstkleuren. Ik kom op een open plek, doorkruist door een grindpad dat me rechtstreeks naar het huis van mijn tante brengt. Het huis lijkt weggeknipt uit de sprookjes waar ik vroeger bij wegdroomde. Ik klop op de voordeur. Na enkele seconden gaat de deur open. Een man begroet me hartelijk, hij stelt zich voor als de advocaat van mijn tante. Hij leidt me naar binnen en biedt me een kop warme koffie aan. Ik neem plaats aan tafel en geef mijn ogen de kost. Het huis voelt op een bizarre manier vertrouwd aan.

Ine Moreels
13 0
Tip

De Hogepriesteres

Veeg die paarse lippenstift van je lippen,Pia. Eén piercing volstaat. Jij hebt dit niet nodig. Je bent mooi,  verknoei jezelf niet. Ik wil mezelf voltekenen. Ik wil een kaart van de wereld rond mijn navel laten tatoeëren. Ik wil gelezen worden. De hele mensheid verdwijnt in mijn schoot. Mannen. Vrouwen. Kinderen. Ze lossen zich allemaal in mij op. Ik adem sterren uit. Het leven is niet moeilijk. Het is duidelijk. Ik heb gewoon nog niet de taal ontwikkeld om uit te leggen hoe het zit. Geef me tijd. Hallo! Zit jij op een andere planeet misschien? Iets voor vier uur. Vince en ik vrijen. Ik open mijn mond om de adem uit mijn lichaam te bevrijden en zie hoe mijn ziel als een wolk engeltjes ontsnapt. Vince hapt de gestrande zielenengeltjes uit mijn hals en vermorzelt ze tussen zijn tanden. Ik kreun, geniet van hoe mijn lichaam uitgeademd wordt. Ik loop leeg. En hij vult me met zijn verlangen. Hij zucht zijn zweet op mijn huid en pompt zijn leven door mijn aderen. Ik verdwijn. Mijn hart klopt in mijn longen, in mijn keel. De sterren spatten voor mijn ogen uiteen. Het is vier uur geweest. We liggen op bed. Onze geslachten staren elkaar bloeddoorlopen aan. Allebei rood verwond door te veel genot. Wapenstilstand. We zwijgen. Ik wil iets zeggen. Ik wil Vince vertellen over het monster dat in mij woont, dat mij soms verscheurt uit onenigheid. Ik wil Vince vragen het uit te drijven. Nog een keer. Vince? Teder verzegelt hij mijn lippen met een kus. Op de straatstenen ligt een hoopje mens. Het is Pia. Ze ligt onbeweeglijk stil om het monster niet opnieuw te wekken. Ze registreert de schade die het heeft aangericht in haar lijf toen ze het gisterennacht heeft willen temmen. Ze wilde het verdrinken in liters alcohol. Ze heeft zijn honger gestild met vergif. Het is kalm in haar hoofd nu. Er is rust. Het monster is verbannen naar een uithoek in haar brein. Het is er nog steeds. Ze hoort het, het ritme van haar hartslag dirigeren met het gebonk van zijn stompe klauwen tegen haar schedelpan. Ze voelt het zijn klauwen scherpen aan haar ruggengraat bij elke beweging die ze maakt. Pia, word wakker Pia. Je moet weer aan de wandel. Je moet me begrijpen. Ik heb jou nodig.  Vandaag ligt het grijs dik uitgesmeerd over de hemel, als een boterham met choco om jezelf mee te verwennen op druilerige dagen. Vandaag laten de regengoden hun pierenverdriet los hangen over de straten . Bij elke stap is het uitkijken voor natte tenen. Een dag om samen iets te doen. Een dag om van elkaar te genieten. Een dag om eens een luchtje te scheppen? Op het marktplein staat een kermis. De koude lucht bevriest de geur van friet en smoutebol. Nog zeven stappen en de kermis tilt Vince en mij op en neemt ons mee. Doldraaiende dynamo’s doen de grond onder onze voeten trillen. Sirenes loeien triomfantelijk boven de beats van de botsauto’s uit.  En we zijn vertrokken! Vince klaart helemaal op. Hij zoent me vol bloemsuiker. Mijn mond is een paarse bloem. Hij neemt mijn hand en troont me mee langs kramen en karren, koningen en narren. We lachen. Ritje maken? Betaal met je leven. Het monster zit in een potsierlijke jurk op Pia te wachten. Haar kolossale hoofd staat krampachtig op haar knokige lijf. Misschien kan haar nek het niet dragen. Misschien bespaart ze de voorbijgangers de aanblik van haar mismaakte gelaat. ‘Fortuna’ licht op in neon boven haar. Jongeman. Wil jij weten wat er voor jou en de jongedame in het verschiet ligt? Zie dat aan! Pia! Walgelijk. Hey, Frankenstein! Vijf euro voor het verhaal van ons leven. De waarheid is niet mooi, jongeman. Fortuna komt maar traag in beweging. Eén voor één laat zij kleurrijke kaarten door haar klauwen gaan. De kluizenaar. De wereld. De hogepriesteres. Haar kaarten liggen in drie stapels voor ons neer. Stilte nu. Ik kan Vince niet aankijken. Hij is niet wie ik ben. Deze vrouw, dit monster. Ze richt haar kolossale hoofd op en zoekt mijn ogen. Ze wandelt bij me naar binnen. Ze heeft mij herkend. Ze zet haar tanden in mijn hart. Ik lees haar waarheid. Ik voel hoe van onder mijn wallen onbedwingbare tranen opwellen. Het zal wel weggaan, hoor ik mezelf tussen tranen door prevelen. Het zal wel weggaan. De wereld zal verdwijnen. In mijn schoot. Iedereen verdwijnt erin. Mannen. Vrouwen. Kinderen. Ik adem sterren uit. En alles zal rust zijn.

Evi Rosiers
124 2

Celeste

Het huis staat alleen, op een open plaats in het bos, ver weg van de drukte van de stad. De routebeschrijving had even goed als volgt kunnen gaan: rijdt u tot het einde van de wereld en slaat u vervolgens linksaf. Voor alle veiligheid volgde ik toch maar de gps van de huurwagen. “Satelliet weggevallen.” zei de mechanische vrouwenstem een vijftal minuten voor aankomst. Ik besloot het erop te wagen en verder te rijden op mijn richtingsgevoel, dat overigens niet zo goed ontwikkeld is. Tot mijn eigen verbazing zag ik even later, aan mijn linkerzijde, een chalet opduiken tussen de bomen. Bestemming bereikt, dacht ik in dezelfde monotone stem als die van de gps-dame.                Vanuit de wagen aanschouw ik de middelgrote blokhout en een vaag gevoel van herkenning besluipt me. Een beetje zoals een déjà-vu. De vrouw die hier woonde, Celeste, bleek een tante van mij te zijn van wie ik het bestaan niet eens afwist. In haar testament had ze laten optekenen dat ze alles aan mij, haar enige familie, naliet. De notaris en ik kwamen overeen dat ik hierheen zou komen om alle papierwerk in orde te brengen. De gedachte dat zij haar laatste jaren hier in alle eenzaamheid had doorgebracht om vervolgens te sterven aan een hersenbloeding, deed me verdriet.                Na een minuut of vijf raap ik mijn moed bij elkaar en wandel ik naar de voordeur. Het gerinkel van de bel klinkt bijna agressief in deze omgeving. Alsof het lawaai van de beschaving een barst slaat in de rust van de natuur. Wanneer er na een minuutje niemand opendoet, klop ik aan. Bang om de sereniteit rondom me opnieuw te verstoren door aan te bellen. Er komt wederom geen reactie. Ik loop rond het huis en tuur langs de ramen naar binnen om te zien of er iemand is. Ik zie geen beweging en besluit terug naar de wagen te gaan. In de mooi verzorgde tuin, staat een grote steen. Hij doet me wat denken aan een miniatuur versie van de menhirs in Carnac. Wat raar, denk ik. Wie zet nu zoiets in zijn tuin? Als bij ingeving wandel ik naar de steen en in de schaduw ervan zie ik een sleutel liggen in het gras. Bingo, gaat het in mijn hoofd en met een gevoel van overwinning wandel ik naar de voordeur en draai de sleutel tweemaal om in het slot. De deur gaat piepend open.                De woonkamer is ouderwets ingericht, maar straalt tegelijkertijd een zekere gezelligheid uit. Een stoffen tweepersoonsbank, een houten salontafel bezaaid met tijdschriften, een haardvuur en her en der staande lampen zorgen voor dat gekende huiselijke gevoel dat enkel oma’s weten te creëren. Op een of andere manier voelt het hier een beetje als thuiskomen.                Mijn oog valt op een grote, witte enveloppe die op de schoorsteenmantel staat. Mijn achternaam in sierlijk handschrift. Geen aanspreektitel, dat is raar, denk ik maar ik geef er verder niet veel aandacht aan. Een begeleidend schrijven van de notaris:                “Hopelijk heeft u de weg naar hier goed gevonden. Uw tante zou wensen dat u het zich naar uw zin maakt. De ijskast is gevuld en u zal zien dat in alle levensnoodzakelijkheden werd voorzien. Ik tref u graag morgenvroeg om 10u05. Indien u problemen zou ondervinden, kan u mij steeds contacteren op het nummer dat u vindt op bijgevoegd visitekaartje.   Tot morgen.     Vriendelijke groeten,   Notaris Chalice.” Ik word dus geacht de nacht hier door te brengen. Plots lijkt de huiselijke kamer dreigender dan voordien en is het alsof de rust van het bos me insluit. Ik voel me bevangen in deze plaats en een deel van mij wil uitbreken, wil schreeuwend naar buiten barsten en ver weg lopen. Naar de rust van het lawaai van de stad, naar de eenzaamheid van de massa, naar de onzichtbaarheid in het gezien worden. Ik ben niet graag alleen met mijn hoofd.                Maar je bent niet alleen, denk ik onbewust. Niet in dit huis. Niet hier. Mijn oog valt op de kop van het opgezette dier dat aan de schoorsteen hangt en mij lijkt aan te staren. Een ree, met stierenhoorns en kleine – te kleine – oren, zoals die van een kat maar dan anders. Gitzwarte kraalogen die me volgen. Die tot in mijn ziel kijken en me zien voor wie ik ben. Het beest is grotesk in zijn surrealiteit. Het zou een creatie van Jeroen Bosch kunnen zijn. Monsterlijk mooi. Onecht en toch pijnlijk aanwezig. Als een lelijke metafoor voor de mensheid in haar zijn. De haren van dit fabeldier zijn zacht op een harde en stugge manier. Ik wil het verder strelen, maar ik wil er tegelijkertijd liever van wegrennen. Een dualiteit die me vertrouwd aanvoelt. Ik wil het dier een naam geven. “Bromius”, zeg ik luidop. “Dat is jouw naam vanaf nu. Ik doop je tot Bromius en noem je mijn vriend voor de nacht.” Aangenaam Bromius, mijn naam is Herbert.   De volgende ochtend word ik wakker onder een van de wollen dekens in de te kleine tweezit. Mijn nek is stram door de krampachtige houding waarin ik gelegen heb en mijn hersenen lijken uit hun pan te willen barsten. De lege fles whisky die op de kleine salontafel staat, vertelt me genoeg over de oorzaak van die hoofdpijn en verklaart tevens waarom ik me na mijn ontmoeting met Bromius niets meer herinner. Het licht moet halverwege zijn uitgegaan.                Een blik op mijn horloge zegt me dat de notaris hier elk moment kan zijn. In een ijl tempo, maar met behoedzame bewegingen, ruim ik de sporen van gisterenavond op. Ik wil niet dat de notaris een verkeerd beeld van me zou krijgen. Bromius lijkt me te volgen met zijn ogen en me te zeggen: “Jij en ik hadden het fijn gisteren. Was het niet leuk om de teugels los te laten, om jezelf te omarmen en te verdrinken in je bestaan?” Ik wend mijn ogen af van deze valse Godheid. Gegeneerd voor de dingen die we samen gedaan hebben. Beschaamd voor wie ik ben.   De notaris komt binnen zonder bellen en ik schrik wanneer hij me aanspreekt. “Juffrouw Stevens, Julie, het spijt me. Ik wilde u niet doen schrikken.”                “Ik denk dat u zich vergist, meneer Chalice. Mijn naam is Herbert Stevens. Ik ben de neef van mevrouw Celeste.” “Het spijt me mevrouw, maar ik versta u niet.”                “Ik zei dat ik denk dat u zich vergist. Ik ben Herbert. Herbert Stevens. Ik weet niet wie Julie is.” Ditmaal diftongeer ik uitdrukkelijk opdat de man me zou verstaan. “Uw tante waarschuwde me hier al voor, dat dit kon gebeuren.” De notaris blijft een poosje stil en ik kijk hem vragend aan. De ogen van Bromius branden nog steeds in mijn rug alsof hij me iets zeggen wil. “U heeft een episode neem ik aan.                “Ik vrees dat ik u niet helemaal begrijp, meneer Chalice.” “Oh meisje, het spijt me, maar ik versta niets van wat u zegt. Uw tante vertelde me dat u soms in tongen praat en dat enkel de Goden u dan verstaan.” Onbewust werp ik een blik op Bromius. Wetende of hopende dat hij me zou verstaan. “Bromius”, zegt de notaris en ik kijk hem aan. Hoe weet hij dat ik mijn vriend die naam heb gegeven? “Eén van uw meest meesterlijke creaties en tevens uw tantes favoriete. Even lelijk als hij mooi is zei ze altijd.” Zoals ik, denk ik. Dat zei ze ook. Tegen mij. Dat mijn ziekte even lelijk is als ze mooi is. “Een gave vermomd als een vloek.”, suste ze dan. Ik herinner me haar. Ik, mijn naam is Julie, denk ik. “Meneer Chalice?”, mijn stem klinkt anders nu. Hoger. Hij kijkt op, glimlacht en zegt: “Zullen we dan maar snel de papieren ondertekenen?”

Sara
0 0
Tip

Witte leugens

Twee silhouetten zitten tegenover elkaar aan de eettafel. Man en vrouw. Hun hoofden zijn naar beneden gericht, druk bezig hun gekookte aardappelen met mayonaise in de ogen te kijken. Het is een scène die ik al door duizend-en-een verschillende ramen heb aanschouwd. De avond is mijn favoriete moment. Dan ontvouwt zich een podium dat baadt in het artificiële, vaalgele licht, en kan ik ongestoord binnengluren. De vrouw richt haar hoofd op naar de schim aan de overkant van de tafel en opent haar mond. Ze zegt wat. Met hangende schouders die bijna in haar bord vallen, wacht ze een reactie af. De man geeft haar een korte blik, een knikkend gebaar en een paar woorden terwijl hij met zijn vork werktuiglijk in het bord wroet. Zijn kaken malen als een lopende band. Dit is het punt waarop de vrouw haar man vraagt of hij het lekker vindt, en waarop de man liegt wat hij elke avond liegt. Iets in de trant van 'Heel lekker, schat'. Het superlatief durft wel eens te variëren, en aangezien mijn lipleesvaardigheden nog niet op punt staan is het ook in dit geval wat giswerk – maar van die 'schat' ben ik vrij zeker. Soms is het ook ‘lieveke’, 'bolleke', of 'zoetje'. Maar meestal ‘schat’. In ieder geval zo'n koosnaampje met een dikke kwak mayonaise. Een kwak die bedekt, doorweekt, doordrenkt, tot er enkel een kleffe brei overblijft. Ik walg, maar ik kijk verder. Zoals altijd. Elke woonkamer en elk raam lijkt net een andere vaalgele tint te hebben. Het is een beetje zoals Tolstoj zijn Anna Karenina opende: "Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier." Ik zou het liefst van al met een kopie van dat boek hun raam aan diggelen willen gooien, hen bij de haren nemen en hen pagina voor pagina laten zien wat ongeveinsde emoties en authentieke identiteiten zijn, en hoe je nuances en variaties kan aanbrengen in gevoelsbeleving. Maar ik blijf toekijken. Net zoals dat boek geschreven en gelezen moet worden, moet ik mezelf ook voor dit drama zetten. Dus ik verstop me wat verder in mijn kraag, trotseer de donkere kou, en staar recht vooruit. De avond is nog steeds jong. En wat zou ik in godsnaam anders moeten doen?    

Tom Keysers
216 6