Lezen

the real housewives WINNERS of antwerp

the real housewives WINNERS of antwerp Ze hadden twee kasten van huizen twee auto's en zes kinderen Ze waren vijfenveertig jaar en vierenveertig jaar. Vierentwintig op vierentwintig uur bezig met zwoegen. Arbeid maakt vrij daar geloofden ze in. Gelukkig zij die niets hebben nog nooit van gehoord volgens hen was die nonsens zelfs verboden.Dat ze bij ieder deeltje dat ze het hunne noemden hun gevangenis kleiner maakten.Dat begrepen ze niet, arbeid adelt, de adel woont toch niet in gevangenissenZeer goed beveiligde forten dat wel maar gevangenissen?Roofbouw op hun lichaam nog nooit van gehoord het zat niet in de cultuurIedereen zag er twintig uit.In hun cultuur bleek tweehonderd jaar te willen worden en er twintig uitzien.De drang naar zuiverheid geprojecteerd op hun eigen lichaam.Alleen werken kan helpen.De gedachte aan het onvermijdelijk faalmoment.Alleen werken kan helpen.De drama's stapelen zich op, de angsten om te falen worden groter en groter.Alleen hard werken kan helpen.Mister proper, proper, proper. Opeens doet de angst de adem stokken.Ademhalingsproblemen. Over het voelen zullen we het maar niet hebben.Veel word er niet gevoeld. Al moet het zijn dat fiks gevulde bankrekeningenen bijhorend machtsvertoon hun harten wat sneller doen slaan.Toen kreeg de graatmagere duidelijk uitgeputte vrouw een ziekte.Roof bouw uitputting het kwam nooit ter sprake.T'was de vuile lucht _______________________________________________________________________ FOTO GALLERY VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+serie%3a+club+pcb+med/ ****************************************************************** Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
7 1

VERHALEN  VERTELLERSCOLLECTIEF.

Toen ik de oproep brief van het collectief las, toen dacht ik schrijven, ja wel maar lezen, zou iedereen mijn gelispeld kunnen aanhoren? Ik dacht liever een thee dansant, lekker swingen met miep en consorten. Met een neut van de plaatselijke abdij. Maar een vergissing ten spijt kwam ik uit in een tandartsen praktijk. Toen het mijn beurt was, om te gillen, "ik wil geen spuit en geen pillen, ben al genoeg verdoofd, door de woorden en de zinnen. Die ik na een lekkere joint genoot." Hoe meer tijd er verstreek hoe bleker ik wegtrok, van de wens, mijn ego te laten exploreren. Niets hielp en alras zat ik samen met het collectief, in het moeras. Waar gillende dellen, bronstige kerels, mij zeer genegen. Dat, lekkere beesten, is het paradijs. Waar zinnen, woorden vervangen door, gesteun, gehijg, de ter hemelopneming tot een akkefietje word herleid. Geloven was niet meer nodig. Ik steeg op in praktijk. Over torens velden hagen netjes geschoren/gevormd. Ik daalde neer in een geurige roze, rozenstruik. Toen opeens, werd ik wakker. Van een gil "DE VOLGENDE." Op wankele benen zwalpte ik de praktijk binnen. Waar tandarts Jan vroeg" wat is er hier aan de hand?" Verbaasd keek ik hem aan. Toen ik hem vertelde, van miepe haar idee. Toen keek hij geschrokken, zei "hebben ze me eindelijk gevonden?" verslagen zakte hij neer in zijn fauteuil zei" begin maar te pijpen." Met een stralende glimlach vertrok ik, mij van deur vergissend, zodat ik weer de kamer instapte waar nog iedere zat. Al meer bedeesd, de deur was opengebleven. Zag de geweldige schok toen de tandarts riep, "DE VOLGENDE." Na die schok kwam de vlucht. Allen samen door één deur was wat moeilijk wringen. Zo kwam het dat ik samen met de rest, op een orkest, stond te swingen. Daar zaten we, rechtover de tandarts praktijk. Aan een tafeltje aan het venster, te loeren naar de tandarts die glimlachend, met ferme pas, het thee dansant binnenstapte. Paniekerig , zochten sommigen al naar de nooduitgang. De tandarts schoof binnen recht naar het orkest, die hij met een samenzweringen blik begroete. Het orkest viel meteen stil, en na het obligaat gefluit van de muziek installatie, evenals de eerste woorden 'TEST TEST'. Sprak de here, tot de aan de nok gevulde zaal toe, “dank u voor het komen, en sorry voort de list. Het uitvoerend comité van het collectief heeft besloten, jullie verzameling geschriften met zijn allen te colloceren."  Op het zelfde moment hoorden we op straat, het gedreun van enkele legercamions. Waarmee we in rijen van twee werden afgeleverd in de verlaten gebouwen aan de steenweg op Wortel. Zo kon het gehele land weer rustig gaan slapen. De opruiers waren gevat, En het varkentje met de zwarte snuit zei "het vertelselke is uit." Het varken lag alras met een sinaasappel onder zijn geel zwart gestreepte snuit te braden op de feest tafel. Het collectief likkebaarden “dat zwijn dacht, in een moslimland te wezen” zei één schaterlachende schrijver “beschermd door hun rites” zei diezelfde schrijvende kapoen. Wat was er dan gebeurd: wel toen de legercamions de steenweg op wortel opreed stoten ze op de revolterende bruinen, die zoals we weten schrijver en dichters vereren. Toen als een vurige brand het bericht was rondgegaan dat er schrijvers en dichters aankwamen. Toen was bij die heren een verontwaardiging opgestoken zodanig dat zelfs de bewakers moesten gaan lopen, de bruin zeiden tegen het collectief “vreet dat zwart gele gestreepte varken maar op het zal ons niet deren." Zo kwam het dat het collectief nog wat onwennig om het gerief een gedicht begonnen te placeren. Varkens zijn voor mij ………….. Het varken hing dood met zijn achterpoten HOOG vastgebonden De grijze stekelige vacht werd verschroeid door een laaiend heet vuur. Door droog stro in brand te steken verkreeg men een laaiend HEET vuur. Daarna werd het bloed afgetapt. Een donkerrode vloeistof in een aluminium emmer. "Daar word bloedworst van gemaakt" zei mijn moeder. Ik wist meteen waar die donkere worsten die regelmatig op ons menu stonden vandaan kwamen. Met een geweldig applaus van de voornamelijk bruine gedetineerden, werden de worsten in hun sissend pan nog eens rondgedraaid. En toen, stak er een van de dichters tot iedere verbazing een bord omhoog waarop stond JEZUS REDT ter verbijstering van de rest. Met angstige ogen keek het collectief de bruine vrienden aan, die tot aller verbazing zeiden ja het is waar maar Allah is de grootste. Toen de man met, bloeddoorlopen vurige ogen met zijn bordje probeerde te kloppen. Toen reageerden het collectief. “Maar man toch Allah betekent GOD en uw GOD is toch dezelfde GOD als die van ons nieuwe vrienden, leer eens wat talen.” De man met zijn bordje zijn ogen schoten vol tranen “dat wist ik niet” zei hij. Begon zich uitvoerig te excuseren voor zijn haat tegenover de andere volkeren. Hij begon met de kruistochten en eindigde met zijn huidige broodheer die hij bijna fluisterd. De vroegere nazie idioot noemde. Maar het was bijna te laat want het varkentje was al flink afgekoeld, ons gemoed zeer bekoeld. Zodat de agnosten bij ons zich begonnen te roeren, “het zijn altijd dezelfde om onrust te stoken. Laten we nu allen te saam beginnen met ons maal.” Na de flinke eetpartij. Kwamen ons nieuwe vrienden nabij met dat had ik meteen herkend een flinke toeter in hun hand. Zo werd het feest op vreedzame wijze besloten, en kon ik met een van mijn nieuwe bruin vrienden geheimzinnig wegsluipen waarna ik begon te dichten als een van de besten. ieder ontmoeting een nieuw avontuuriedere lippen een andere smaakhoe leukop de drempel van mijn woonstiedere huid een andere kleurom aan te likkenzijn spraakeen ander gezoemuit een andere taalwat een gelukdit mogen belevenin mijn straat in mijn huis voor dat avontuurhoef ik niet meer te reizenmijlen gaan in mijn dorpin mijn wereldzijn ogenzijn huidvooralhij begreep mij meer dan die burenachter hun gordijnenhun achterdochtvenijn hun tuinhun bomen hun natuurdie beperkt bleeftot de liefdevoor hun hond   Nu dat er grote beroering is in Nederland over een of ander vignet die Nederlanders moeten op plakken wanneer ze ons land bezoeken. Kunnen we misschien een geste doen. Laten we de bijeenkomst in Amsterdam organiseren, het geeft voor mij het voordeel dat ik dan niet per se aan den trappist moet. Vlaanderen huurt daar toch een of ander pand? Het zou een bijkomstig voordeel geven dat de Vlaamsche schrijvers al direct in een grootser taalgebied zitten, altijd meegenomen. Als we nu met zijn allen ergens een witte hotelkamer huren en samen vredesliedje repeteren, en dan samen naakt in een bed gaan liggen. Dan zal Jan niet moeten smeken voor wat persbelangstelling. Wedden dat ons collectiefje, de voorpagina haalt. Altijd meegenomen, zeg ik altijd. Toen we de bewakers hadden overtuigd dat ons bruine vrienden alleen jointjes wilden smoren, lieten de bewakers, met schaamrood achter hun oren, hen gaan, toen we daarbij nog zeiden dat we het land zouden verlaten om naar Amsterdam te gaan, gooiden sommigen van hen de middeleeuwse knelbanden en boeien van zich af en besloten de schrijvende feestende dichtende meute te vervoegen. De Tobbaks van hun land vervloekend die al zoveel leed had veroorzaakt. We vroegen met zijn allen politiek asiel aan in Nederland. De grootste bek van het land, van het wetenschappelijk socialisme, heeft het bewijs gevonden dat schrijven en dichten, zeer ongezond is, daar bij de verraders zit zelfs een janet waarvoor nog altijd geen wetenschappen lijk bewijs is gevonden. Ieder sportclubje liep netjes in rijen te betogen riepen heel luid, "bij ons geen schrijvers, dichters, jeannetten of smoren," op het eind was het krijsen niet meer te aanhoren. Alras kwam er een nieuw bordje bij "Arbeid macht frei!" En zo brak weer een gouden eeuw aan in Nederland. Terwijl ons vroeger vaderland verziekt door de bordjes verboden, overspoeld werd door zwart geel gestreepte varkens.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
3 1
Tip

Soldaten en prostituees

(Update: hier ´tip van de week´ worden, is mijn grootste schrijfprestatie ooit. De mooie woorden deden deugd, waardering is altijd fijn. Hartelijk bedankt dus voor deze eer!) Half vijf in de ochtend. Cas duwde met zijn schouder de houten deur van het barak open, zette zijn kop koffie op de trede van de veranda en rekte zich uitgebreid uit tot de spieren in zijn lichaam de herinnering aan het veldbed kwijtspeelden. De wolken hingen laag. Donkere, bewegingloze massa's, gevuld met stof en as. Het goedje, verrijkt met vocht, dwarrelde als sombere sneeuw naar beneden en vormde een grijs, kleverige laagje op de daken en paden tussen de verschillende barakken. De gebouwen stonden opgesteld in een U-vorm, aan de rand van de Gekende Wereld. Cas zocht zijn laarzen, op de plek waar hij ze gisterenavond had achtergelaten en draaide ze om. Drie kleine schorpioenen en één nijdige spin sprintten verrast weg, op zoek naar een veiliger schuilplek tussen de kieren van de trap. Hij trok zijn laarzen aan, nam de kop dampende koffie en ging op de trap zitten om te genieten van de zeldzame rust. Zijn blik gleed loom over de grijze wereld, tot zijn ogen bleven rusten op de enige andere wakkere ziel op het hele domein. Een man, kromgetrokken door de leeftijd en het barre klimaat, stond, dik ingeduffeld tegen de kou, als een bezetene te vegen. Propere trappen voor de heren in het hotel, dat was zijn 'raison d' être'. Alsof hij Cas' blik voelde, hield de grijsaard op en stak bij wijze van groet de borstel in de lucht. 'Ik betaal hiervoor, hoer!' Cas zette behoedzaam zijn kop koffie neer. Hij en de veger keken als afgesproken naar de witte tent, opgezet naast het hotel. De ruzie liep hoog op, al kon Cas niet begrijpen waarover het ging: wie het ook was, was te dronken om goed te articuleren. 'Laat me verdomme los!' Cas slaakte een diepe zucht. Ruzie in het bordeel eindigde meestal in drama. En tranen. Een hoop tranen. Hij mocht de hoeren niet zo, teveel show en gedoe. De veger veegde niet langer. Hij omklemde de steel van zijn borstel als een wapen. Zijn ogen schoten heen en weer tussen de tent en Cas. Het werd moeilijk om deze onuitgesproken vraag te negeren, besefte hij. Hij hees zich met tegenzin overeind, nam afscheid van zijn heerlijke koffie en slenterde op zijn gemak naar de tent. Als de man in kwestie eerlijk betaald had, dan verdiende hij nog wat tijd maar dat rechtvaardige natuurlijk niet om de hoer de tanden uit te slaan. Cas voelde er niet veel voor om te storen. De hoeren hoorden bij het hotel, al was dat een grote naam voor het bouwvallige houten bouwwerk aan de rand van de wereld. Cas was een lange, slanke gespierde man en met zijn 32 lentes al één van de meer ervaren rotten in het vak. Dit was zijn zeventiende trip naar de Rand van de Wereld en bijgevolg de zeventiende keer dat hij hier gestationeerd was en ruzies oploste tussen dronken heren met sterren op hun schouders en de hoeren. Zelden zag hij twee jaar na elkaar hetzelfde gezicht terug in de witte tenten. Hij maakte zich geen zorgen om hen, ze vormden een gewaardeerd deel van de accommodatie van het hotel maar telden niet mee. Cas kon niet toestaan dat één van zijn bazen eigendom van het hotel vernielde. Daar kwam papierwerk van. En nog meer drama.  Cas passeerde de veger, die met kleine, scherpe oogjes naar hem opkeek. De man wees, met het uiteinde van zijn borstel naar de tent. Zijn oogjes schitterden van opwinding bij de volgende schreeuw. De tent daverde op zijn stokken.  Hij grijnsde wellustig. 'Geen spek voor jouw bek, man,' zei Cas vriendelijk. 'Als hun baas merkt dat je naar hen staat te gluren, word je op staande voet ontslagen.' En hier, in de deze uithoek van de wereld, stond dat gelijk aan langzaam wegteren. De grijns verbleekte.  Ze schrokken allebei van een soort grom, gevolgd door een vreemde snik waar Cas een beetje onpasselijk van werd. Daarna keerde  de stilte terug. Cas haastte zich richting tent en tingelde zachtjes met het belletje. 'Meneer, is alles goed daarbinnen?' 'Cas, moei je niet,' sprak een zware stem, donker van opwinding en drank. Cas propte zijn handen in zijn broekzakken en ging staan wachten. Hij stond beleefd met zijn rug naar de tent gedraaid, wat op afstand en luisterde naar het gehijg en gekreun. Kort daarop waaierden de flappen open. Er dook een man naar buiten, met zijn uniformjasje over zijn schouder gedrapeerd. Hij keek tevreden uit zijn ogen en spotte Cas. De Officier gooide de flap dicht.  Cas sprong in houding. Zijn baas trok zijn vestje aan en knoopte zijn broek dicht. Zijn oog kleurde voorzichtig paars. 'Die kan jij je niet veroorloven, man.' Hij floot tussen zijn tanden. 'Het is een wild schepsel en wat een lijf.'  'Ik hoorde geruzie,' antwoordde Cas rustig. Het gezicht van de man betrok. Hij loerde met waterige oogjes naar de tent en slaakte een bodemloze diepe zucht.  'Zorg dat die hoer toonbaar is voor het ontbijt. En geen woord hierover, soldaat.' 'Ja, meneer.' Cas keek hem na en dook de tent binnen. Hij liet de flap openstaan en zijn ogen wenden langzaam aan de schemer.  'Licht?' 'In de hoek,' kwam het gesmoord vanuit de duisternis. Cas rommelde onhandig met de lamp, het was een antiek geval op zonnebatterijen en kwam maar moeizaam tot leven. Hij stond onbeholpen in de hoek met het ongemakkelijk gevoel dat hij de hele ruimte vulde. 'Is alles goed met u?' vroeg hij toen maar. In het spaarzame licht van de lamp stond een man, hoogstens twintig jaar oud, slank en fijn gespierd. Zijn huid had de kleur van warme aarde. Cas' mond viel open: hij kende alleen maar grauwe, bleke mensen. De jongeman negeerde Cas compleet en woelde met zijn beide handen door een wild, jongensachtig kapsel. Hij bestudeerde aandachtig de toppen van zijn vingers. In het gele licht kleurden zijn haren groen, vol parels en samengeklitte lokken. Cas hervond zijn stem toen een paar bruine ogen hem vragend aankeken. 'Kan ik u helpen?' Zijn accent kwam Cas niet bekend voor. 'Als u ook wil,' de stem haperde even. 'Dan moet u een afspraak maken met mijn baas,' vervolgde hij koeltjes. 'Niet echt,' glimlachte Cas. De jongeman knikte en raapte een hoop kleren van de grond. Er zat bloed aan zijn vingers. 'Bent u beschadigd, moet ik iets rapporteren?' Cas nam zich voor om de officieren eens streng toe te spreken in verband met hun omgang met de lokale hoeren. Dit exotisch exemplaar kostte waarschijnlijk een fortuin. De jongen snoof zachtjes, wilde iets zeggen maar slikte de woorden weer in. 'Nee, ik ben in orde. U mag gaan, soldaat, maar bedankt voor...' Alle bloed trok vervolgens uit zijn gezicht. Hij wankelde, greep naar het kastje bij het bed om houvast te zoeken, vond het niet en ging met een zucht onderuit. Cas vloekte binnensmonds. 'Flauwvallen en drama, altijd hetzelfde.' De donkere haren kleefden samen van het bloed. Cas keek naar buiten, waar zijn officier was verdwenen. Grote kans dat hij die jongen met zijn hoofd tegen de bedrand heeft geknald om hem iets meegaander te maken, bedacht hij somber. De jongeman zag er eerder het pittige type uit. Cas hurkte neer en kneep zijn ogen tot kiertjes. De prostituee had op zijn ribben een kleine tatoeage van een bloem. Het was fijn werk, merkte Cas respectvol op. Hij viste het shirt die de jongeman had opgeraapt van tussen de slappe vingers en maakte die nat met water van het glas op het kastje. De wimpers trilden toen hij de natte stof tegen de buil drukte. De jongeman greep Cas' arm om niet te kantelen en ging op de rand van het bed zitten, met zijn natte shirt tegen zijn hoofd gedrukt. Hij liet het shirt in zijn schoot vallen en keek verbaasd naar het bloed. Zijn ogen werden groot van ongeloof. Cas hurkte voor hem neer, hij voelde oprecht met de jongen mee. 'Je was bewusteloos, ik denk dat hij alles met je heeft gedaan wat hij wilde, vriend.' Hij klopte de jongeman op zijn knie. 'Red je het verder?' De ochtenddienst riep, over een kleine drie uur vertrok de expeditie richting de Rand van de Wereld. Cas werd geacht mee te gaan om de dure professoren te beschermen. Hij liet de beduusde jongeman achter. De veger stond nu al drie treden hogerop en veegde alsof zijn leven ervan afhing. Nog zes treden te gaan. Stof schoof van links naar rechts en terug. Hij keek op, zijn ogen flitsten naar de tent. 'En?' vroeg hij verwachtingsvol. Cas draaide zich om. De hoer stond in de tentopening, intussen gekleed in een vuile broek. Hij beende, met een emmer in zijn hand en met nijdige lange passen, doorheen het neerdwarrelende stof richting waterbekken. 'Zie dat eens,' kwijlde de veger. 'Hij komt van daar.' De borstel wees richting Rand van de Wereld. 'Ik betwijfel het,' antwoordde Cas vriendelijk. Zijn ogen bleven iets langer dan nodig rusten op de elegante verschijning. 'Zeker weten van wel,' piepte de veger gekwetst. 'Ik was er bij. Hij komt van daar, van de berg.' 'Hij lijkt me niet te genieten van zijn job. Als hij van daar komt, zoals jij beweert, dan kan hij terugkeren. Toch?' De oude man zond hem een duistere blik toe. 'Beschuldig je mij van liegen? Hij komt van daar, waarom hij niet terugkeert, is zijn zaak en die van zijn baas. Maar ik zeg je, hij is onbetrouwbaar.' 'En dat geloof ik dan weer onmiddellijk. Bedankt voor de tip.' Cas glimlachte naar de veger. Hij liet de man achter op de veranda, in het gezelschap van zijn borstel en stapte het gebouw binnen. De meeste officieren zaten al aan het ontbijt. Ze groetten hem kort en Cas schoof aan bij zijn eigen mannen, met een goed gevuld bord en een tweede kop koffie. 'Problemen gehad?' Zijn tafelgenoten zaten breed te grijnzen. Eén van hen knikte naar de officierstafel, waar een man met een blauw oog zat. 'Hmm, hij sloeg een hoertje bewusteloos om zijn gang te kunnen gaan,' mompelde Cas. 'De smeerlap,' bevestigde Cas' beste maat. 'Officier Gilles staat gekend voor zijn grove manieren. Wauw, kijk daar eens. Hé, schoonheid, tijd voor mij?' Ze draaiden allemaal hun hoofd richting raam. De jongeman stond nonchalant tegen een waterreservoir geleund, met zijn handen in zijn zakken. In gesprek met een collega. Het contrast tussen beide kon niet groter zijn. De ene bleek, met de blauwe, ongezonde tint van iemand die het niet zolang meer zou rekken. De haren hingen futloos over het scherpe gezicht. Daarbij leek Cas' nieuwe kennisje zo uit vakantie te komen. Hij lachte vrolijk, ging flirtend met zijn hand door zijn haar en sloeg zijn ogen op, richting de soldaten. Hij stak prompt zijn middelvinger op naar de toeschouwers, nam de emmer en beende gezwind terug naar zijn stekje. Zijn bleke collega volgde hem op de voet. 'Heren.' Het gelach en gejoel viel stil. 'Heren, even jullie aandacht. Vandaag is de dag...' Cas luisterde maar met een half oor. Hij kende de speech intussen uit het hoofd.  Maar vandaag was de dag...  

De Donderklif
140 4
Tip

Het duivenjong

Hij groef een kuil om een verlangen te begraven dat hij niet herkende. Hij groef de kuil met zijn handen, een schop was hij thuis vergeten. Het was lente en de grond was hard, maar niet zo hard dat het onmogelijk was om de eerste laag humus weg te krabben. Zijn nagels werden zwart. Hij had een plekje gekozen onder een grote eik, de enige boom waarvan hij de bladsoort kon herkennen. Het was een zonnige dag en ze waren ook zonnig opgestaan. Zijn vriendin had naast hem gelegen met een glimlach op haar gezicht. Ze was klaarwakker geweest en ze glunderde.Het was hard werken, een kuil graven met je handen. Na een half uur had hij een klein hoopje aarde naast zijn knieën verzameld. Hij liet zijn handen op zijn dijen rusten. De aarde was vochtig en trok strepen op zijn broek. Een hond kwam aan hem snuffelen, keek in het gat en rende weer naar zijn baasje toe. De man knikte naar hem en hij knikte terug. Niets uit hun interactie deed vermoeden dat zijn gedrag op z’n minst bijzonder te noemen was. De man liep verder en zijn hond holde voor hem uit. In hun spoor viel zijn blik op een figuur aan de andere kant van het grasveld waar hij zat te graven. Een vrouw zat op haar hurken in het gras. Haar oranje jas stak als een verdwaald gloeiend kooltje af tegen het beginnend groen dat haar omkaderde. Ze viel op. Ze had Kenny van Southpark kunnen zijn, als ze haar kap over haar hoofd had getrokken. Ze keek naar iets, maar hij kon niet zien naar wat. Haar onbeweeglijkheid deed hem zijn adem inhouden, alsof hij ook stil moest zijn. Hij vergat zijn kuil. Hij bleef kijken naar hoe zij keek naar iets wat buiten beeld viel. Hij dacht aan hoe de wortels van de bomen zich onder hem vertakten en onder het veld door liepen, rechtstreeks naar haar. Hij verbeeldde zich hoe fungi onder de grond via synapsen informatie over hem zouden doorgeven aan haar. Ze zou hem kunnen kennen zonder ooit naar hem te kijken. Ik graaf een kuil om mijn verlangen te verbergen. Als ze bomen waren, zou zij nu weten hoe hij de zon op zijn rug voelde, hoe hij zich ernaar boog. Ze zou weten wat hij voelde wanneer de regen op hem viel, wanneer iemand met een mes in hem zou kerven, hoe hij dronk van grondwater, waar hij voedingstoffen vond. Ze zou weten waar hij zijn nazaten plantte, in welke kuil hij hen verborg. Ze zouden woordeloos kunnen praten. Hij stak zijn vingers weer in de kuil. Bijna in antwoord daarop keek ze om. Hij zwaaide niet naar haar. Hij keek naar haar en ze keek weer weg. Ze legde haar hand op de grond. Een jonge duif viel uit het nest. Hij rommelde met zijn vingers in de kuil. Hij hoorde haar woorden door de grond denderen. Welke duif?Een houtduif, denk ik. Hij zag de vrouw met haar handen over de humuslaag gaan. De aarde reageerde op haar aanraking. Moet ik het oprapen? Moet ik het redden? Moet ik de natuur zijn beloop laten? Gaat het dood?Hij dacht aan zijn vriendin, vanochtend in bed, de grijns op haar gezicht, de woorden die uit haar mond rolden. Hij dacht aan de vogel die uit zijn nest viel en verlaten werd. Meenemen. Redden wat er te redden valt. Eenmaal het jong er is, moet je het koste wat het kost beschermen.De vrouw trok haar hand weg, alsof de grond verzengend was geworden. Hij groef verder en probeerde niet naar haar te kijken, maar even later zag hij haar oogverblindende jas naar de uitgang van het park lopen. Ze hield haar ellebogen geplooid, haar handen voor haar buik geklemd. Hij zag alleen haar oranje rug en toen verdween ze. Een kuil wordt niet per se dieper hoe langer je graaft. Hij bleef over de oppervlakte schuren, brokken aarde gleden tussen zijn vingers. Met het verlangen wilde hij ook de vertwijfeling begraven. Eenmaal het kind er was, moest hij het koste wat het kost beschermen. Wat als het kind uit het nest viel? Er kwam geen antwoord.  +++ Ze had het duivenjong meegenomen uit het park en legde het voorzichtig in het gras van de tuin. Het was dood, in haar handen gestorven onderweg naar huis. Sinds januari geloofde ze niet meer dat een mens alles redden kon en toch trilden haar handen onophoudelijk terwijl ze het lijkje verder droeg als een rouwklager. Ze had haar eigen kind zo willen dragen. De jongen in het park zou pas binnen enkele maanden zijn kind dragen Ze had haar handen op de grond gelegd en ze had hem gezien, echt gezien, niet zoals mensen elkaar in de ogen kijken en denken te weten wat er zich achter de irissen van een ander verschuilt. Ze had zijn angst gezien, zijn twijfel, zijn verlangen. Ze had het ongeboren kind in hem gevoeld en zijn vertwijfelde wens het nu al te willen begraven. Ze wilde hem zeggen dat niets goed voortkwam uit het begraven van een kind. Zijn aanwezigheid en zijn ongeboren kind hadden haar aangespoord het duivenjong mee te nemen, zonder te beseffen wat de uitkomst daarvan zou zijn. Nu was het jong dood. Nu zat ze ermee in de tuin, nu legde ze het op het gras, nu huilde ze om de allesomvattende afwezigheid. Met haar handen groef ze een kuil om te verhinderen dat haar verlangen zou blijven uitdijen. Je kon verlangen niet begraven, ze benijdde de jongen erom dat hij dat dacht. Je kon verlangen alleen inperken, je kon het omringen, je kon het insluiten, je kon het vastzetten zodat het niet groter werd dan jezelf. Het verlangen naar haar eigen kind was groter dan haarzelf. Ze groef en groef en groef en groef. Ze groef een gat dat groter was dan zichzelf. Het was lang en breed en ondiep. Het kostte haar een dag en nog een dag en nog een dag en ze weigerde een schop te gebruiken. Op de vierde dag kon ze er helemaal in gaan liggen. Het duivenjong had ze in een zakje in de vriezer gelegd. Het was koud en klam en een beetje vochtig toen ze het lijkje op haar borst legde in het midden van het gat. Ben je daar?Het was middag, de zon laafde zich aan haar. Het duivenjong schitterde in het licht. Ben je daar?Er kwam geen antwoord. Ze wilde dat ze een boom was, zodat haar wortels altijd in contact zouden staan met een ander, zodat het nooit stil zou zijn. Soms valt het kind uit het nest. Dan wordt het stil. Dan graaf je een kuil en je laat je verlangen erin zakken. Je hoopt dat het verdwijnt. Je hoopt dat met het verlangen ook het verdriet verdwijnt, de vertwijfeling. Maar niets verdwijnt ooit. Het transformeert alleen. Het gaat op in de grond en komt elders weer boven in een vorm die je niet meteen herkent. Ze lag doodstil in de kuil. Haar borst deed het duivenjong bijna opvliegen. Omhoog. Omlaag. Omhoog. Omlaag. Er vlogen kauwen over, schreeuwend. Soms kan je het kind niet beschermen. Dan wordt het overal stil. Ze voelde hem, haar zoon, niet de man in het park. Hij antwoordde woordeloos.Daarna begroef ze het duivenjong. Ze veegde het gat weer dicht, stampte de aarde aan, wiste sporen weg.  +++ Vier dagen later was hij de kuil gaan opzoeken in het park. De kuil was geen kuil meer. Het hoopje zand was weggewaaid of dichtgemaakt door een ander dan hemzelf. Hij wist wel nog exact waar hij gegraven had: die ene plek onder de boom waar de lievevrouwebedstro bloeide. Hij had zijn vriendin meegenomen. Vanochtend had hij zijn hand op haar buik gelegd en haar verteld over de kuil en het duivenjong. Ze had hem verzekerd dat het normaal was om angstig te zijn over de verantwoordelijkheid die ze plots, sinds een paar dagen, moesten dragen. Ze had voorgesteld om iets in de kuil te planten.  Hij toonde haar de boom en de verdwenen maar niet vergeten kuil. De donkere aarde was bijna onzichtbaar onder de lievevrouwebedstro die plots was opgerukt alsof het ook sporen wilde uitwissen. De vrouw met de oranje jas was nergens te zien. Hij stapte naar voren en in zijn beweging botste hij op iets, het tolde rond onder de begroeiing. Zijn vriendin bukte zich en greep het met haar hand. Het was een bruine eikel, onverwacht in het voorjaar. Hij nam hem van haar over en hurkte. Hij  legde zijn hand op de grond. Meenemen? Laten liggen?Een groepje kauwen speelde krijsend in de lucht. Laat maar liggen. Laat maar groeien.

eenstweedrie
168 7

Kaap Voorn

   Er zijn er niet van haar. Stemmen. En hoe de zilte bries hen beschermd in het onverstaanbare. Een aangevlogen hand voor een mond die niet weet waar de woorden zouden belanden, mocht het kunnen, misschien daar, daar waar hoge en lage druk elkaar gebieden.    Een koppel misschien, gezandstraald tot de stilte waarin ze willen wiegen, staat kaarsrecht, misschien, stokstijf bevrozen, misschien hebben ze haar over het water als een donderende golf horen aanrollen, en nu, is de echo nu, of al het betrapte valt te vermijden?   Zij door hen, zij door haar, zij door zij als zijden naast elkaar door, zijdens door de vingers geglipt van wat zich niet laat bewaren, muren van gisteren, muren van morgen, en de meeuwen schrikken op. Een schot. Is er één niet van hen.    Weeë geur in de lucht.    De hele start richting horizon, tegen de branding in. Een roestige zeemijn, egel koprollend op kop, achtervolgt door een wolk vol schelpengruis en flarden wier, haar voeten kleven als lava.    Ze stolt.    Korrels verglazen als druppels dauw op de haartjes op haar armen en op haar benen, overal om haar heen, ijsblauwe schaduwen. Het koppel misschien, smeltend misschien, smeltend uit een schreeuwen. Hagelstenen van woorden die op haar levenslijn roffelen en het kietelen van een antwoord willen geven, het kietelen van geen vraag meer te stellen.    De maalstroom voert hen allemaal mee, hoog, laag, geen tij meer om te keren, ze zou thans zweren strandjutter te zijn geweest. Een houten sirene te hebben bevrijd. Boegbeeld van het schip dat tegen de tijd strijdt.     

Bas Tuurder
42 1

De vrouw die haar hamster savooikool gaf

De meeste mensen die als kind een hamster hadden, hebben minstens één getraumatiseerd verhaal overgehouden aan hun huisdier. Het is algemeen geweten dat veel hamsters sterven op vreemde manieren. Voor Serafine Montagne is dat niet anders. Serafine woont in een klein appartement met haar nieuwste hamster Gerald. De vorige hamster, meneer Sniffels, was een kleine maand geleden om het leven gekomen. Op een nacht was hij ontsnapt uit zijn hok. De deur naar de badkamer stond open en daar was meneer Sniffels omhoog geklommen. Serafine vond de hamster pas laat in de ochtend, drijvend in de wc-pot. Dat was de achttiende hamster die ze was verloren. Gerald was nummer negentien. Ze blijft nieuwe hamsters halen, want de kleine beestjes vindt ze gemakkelijker in de omgang dan andere mensen. Serafine komt het liefst zo weinig mogelijk buiten. Ze vermijdt mensen wanneer het even kan en houdt liever conversaties met haar pluizige huisgenoot. Op een zonnige novemberochtend sloft ze haar slaapkamer uit in een flanellen vaalroze kamerjas. Geeuwend zet ze een verse pot koffie. Terwijl ze blaast op haar stomende mok, sloft ze verder richting de grote hamsterkooi die een prominente plaats inneemt in de woonkamer. Door de stoom wasemt haar bril aan en Serafine zet de kop voorzichtig neer op de salontafel om de bril schoon te vegen. “Goeiemorgen, m’n liefje”, kirt ze intussen. “Heb je honger?” Gerald de hamster ziet er zelf nog slaperig uit en knippert met zijn donkere kraaloogjes in haar richting. Hij deinst achteruit wanneer Serafine het hok opent. Ze steekt haar hand naar binnen en Gerald probeert te vluchten voor de intrustieve reuzin die zijn rust komt verstoren. Het is tevergeefs. Ze grijpt hem vast en brengt de lichtbruine hamster dicht bij haar gezicht. “Dag meneertje Gerald, heb je goed geslapen?” Ze stelt de vraag alsof ze verwacht dat hij elk moment antwoord kan geven. Serafine bestudeert hem nog even terwijl Gerald - intussen klaarwakker - zich vruchteloos probeert los te wrikken. Uiteindelijk zet ze hem terug en aait met haar wijsvinger liefdevol over het lijfje van de bevende hamster. Nadat ze het deurtje van het hok weer heeft gesloten, draait ze zich vastberaden om. “Goed. Tijd voor ontbijt.” In zichzelf neuriënd opent ze de koelkast en haalt er een gehalveerde savooikool uit. Vanuit de hamsterkooi houdt Gerald haar nauwlettend in de gaten. Bij het eerste zicht op de kool, springt hij piepend recht en duwt zijn voorpootjes tegen de tralies. Serafine grinnikt. “Ja ja, rustig maar.” Ze hakt de savooikool in dunne reepjes met een groot koksmes. Met een bakje vol savooikool gaat ze terug naar de kooi, waar Gerald intussen luid piepend rondjes loopt door de houtschilfers. Een kleine stofwolk stijgt op en daalt weer neer wanneer de enthousiaste hamster tot stilstand komt en zich omhoog richt aan het deurtje. Hij stort zich al op de koolreepjes nog voordat Serafine het bakje goed en wel heeft kunnen neerzetten.   De volgende ochtend voltrekt zich hetzelfde tafereel. Serafine zet koffie en zegt goedemorgen tegen Gerald. Daarna loopt ze naar de koelkast en haalt er de overschot van de savooikool uit, waarop Gerald helemaal gek wordt en het bakje met de kool in stuift. De ochtend daarna verloopt bijna hetzelfde. Serafine zet koffie en zegt goedemorgen tegen Gerald. Daarna loopt ze naar de koelkast, maar deze keer haalt ze er geen savooikool meer uit. Gerald ziet vanuit zijn hok niet dat de savooikool op is en begint in anticipatie alvast te piepen en rondjes te lopen. Wanneer hij zich op het eetbakje wilt storten, houdt hij abrupt halt. Hij snuffelt aan het bakje, schuifelt eromheen… gaat nog eens naar de andere kant, snuffelt nog eens… Hier zit helemaal geen verrukkelijke, sappige, succulente savooikool in! Zijn bakje is gevuld met granen, zaden en… droge brokjes! Prompt keert Gerald zich om en gaat in een hoekje van de kooi zitten, met zijn stompe staart richting het verraderlijke eetbakje. Serafine begrijpt er niets van. “Wat is er toch aan de hand, m’n liefje?” vraagt ze bezorgd.   Twee dagen gaan voorbij, Serafine probeert alles om Gerald te laten eten. Ze geeft hem hamstersnoepjes, die hij niet aanraakt. Ze probeert verschillende soorten zaden, granen en bessen, waar hij niet eens naar kijkt. Ze geeft hem rauwe en gekookte broccoli, wortels, sla… Intussen lijkt Gerald zachtjes weg te kwijnen. Hij stopt zelfs met drinken en loopt niet meer in zijn rad. Ten einde raad gaat Serafine naar de supermarkt. Ze verdringt hoe vreselijk ze het vindt om buiten te komen, onder de mensen. Terwijl ze in de groentenafdeling staat, valt haar oog op een stapel savooikolen. Plotseling herinnert ze zich hoe Gerald enkele dagen geleden nog helemaal gek werd toen ze zijn bakje daarmee had gevuld. Serafine slaakt een kreet en propt alle savooikolen in haar winkelmand. Ze haast zich naar huis. “Meneertje Gerald, liefje!”, roept ze bij het binnenkomen. “Ik heb het! Ik heb je savooikool!” Gerald ligt zielig op de bodem van het hok. Hij heeft zich ondergenesteld in de houtschilfers, alsof hij zichzelf wilt begraven. Serafine neemt een van de kolen uit haar tas en houdt die tegen de tralies. Geralds snuit beweegt op en neer. Wanneer hij de savooikool gewaarwordt, slaan zijn oogjes helemaal open en springt hij recht. Serafine snijdt de kool in stukken, Gerald eet zijn buikje rond en loopt al gauw weer rondjes in het hamsterrad.   De rest van de week loopt weer zoals voordien. Elke dag zet Serafine koffie en zegt ze goedemorgen tegen Gerald. Daarna loopt ze naar de koelkast en haalt ze daar een deel van de savooikool uit, waar Gerald zich elke dag weer op stort alsof hij compleet uitgehongerd is. Na een tijd begint hij minder snel verzadigd te geraken. Serafine moet hem telkens meer savooikool geven om hem rustig te krijgen. Ze moet tegenwoordig veel vaker naar de markt dan ze eigenlijk zou willen. Gerald eet op den duur bijna een volledige kool per dag. Hij is drie keer zo groot als enkele weken geleden.   Een maand nadat Serafine Gerald voor het eerst toevallig savooikool voederde, kunnen de tere hamsterdarmpjes van Gerald zijn fixatie niet meer aan. Hij is nu vijf keer de grootte van een normale hamster. Wanneer hij op een namiddag richting zijn rad sjokt, valt hij plotsklaps neer. Serafine vindt hem niet veel later. Ze probeert hem nog te reanimeren, maar tijdens deze actie duwt ze al het opgehoopte gas van de savooikool uit Geralds lijfje naar buiten. De stank is ondraaglijk. Kokhalzend gooit Serafine het stinkende hamsterlijkje in de vuilbak. Ze trekt haar jas aan en vertrekt naar de dierenwinkel. Hamster nummer twintig zal ze geen savooikool geven.

LeenB
41 3

ZOTZV-1

Een categorie 4 hazmat suit is een zorgvuldig afgesloten pak. Elke sluiting is een plechtig gezworen eed van isolatie. De lucht die je longen vult, is gefilterd en koud als klinische adem. Enkele maanden nadat de WHO in Genève alarm had geslagen over het uiterst besmettelijke ZOTZV-1 is het dragen van zo’n pak gemeengoed geworden. Het virus, genoemd naar de Mayaanse vleermuisgod Camazotz, combineert de bliksemsnelle verspreiding van influenza met de bloedingen van ebola. Het sterftecijfer is nagenoeg honderd percent. De WHO-directeur, dr. Marcus Lindholm, voorspelde in dat bericht dat het einde van georganiseerde samenlevingen binnen enkele maanden werkelijkheid kon worden. Zover is het nog niet gekomen. Al doken er maandenlang video’s op van spooksteden, onderbemande ziekenhuizen, plunderingen en gewapende conflicten, de mensheid heeft rap een nieuwe, gecontroleerde wereld gecreëerd, die bestaat uit luchtsluizen en steriele ruimtes. In zo’n luchtsluis bevind ik me nu: een oranje vlek, naast een andere. We hebben eindelijk de kans gekregen om samen het kwartier te verlaten. Toen we ons elk in een felgekleurd hazmatpak wurmden, had ik steels een blik naar Hannah geworpen. Onze ogen hadden elkaar zinderend ontmoet, waarna we met rood aangelopen gezichten de pakken haastig, maar aangeleerd voorzichtig, dichtmaakten. Achter het heldere polycarbonaat van het vizier zie ik haar trotse, glanzende blik. Haar jukbeenderen tekenen zich scherp af, als geciseleerd door een kunstenaar, perfect gevormd om het zonlicht op te vangen en terug te kaatsen zoals alleen een zomer in Andalusië dat kan. Haar mond, de bovenlip net iets voller dan de onderlip, toont een zeldzame lach, en het voelt alsof mijn lichaam te klein is voor alle gevoelens die in me losbarsten. Iets trekt aan me. Alsof een natuurkracht mijn hoofd naar haar wil voeren en ik me wil begraven in haar boezem. Maar haar rondingen zitten net als de rest van haar lichaam verborgen achter een kreukelende zee van oranje kunststof. We lijken op Matroesjka’s met ballonlichamen die een ander, fijner lichaam herbergen.             ‘Kijk niet zo,’ zegt ze. Haar stem klinkt vervormd door de versterker in haar pak, maar ik herken de plagende toon, alsof ergens een windgong begint te klingelen.             ‘Klaar voor de wereld daarbuiten?’ vraagt ze. De luchtsluis sist als een ademhaling die ingehouden werd en vrijkomt. Een tweede deur glijdt open, en een reep zonlicht valt op haar gezicht. Stofdeeltjes dansen in de bundel, en meteen word ik met een schok herinnerd aan ZOTZV-1, dat zich in één van die deeltjes kan schuilhouden. Onder een elektronenmicroscoop ziet het virus eruit als een geometrische nachtmerrie, maar met het blote oog zie je niets. Geen glinstering, geen waarschuwing. Alleen dat ene dansende stofje, gevangen in een zonnestraal. Hannah stapt als eerste naar buiten. Ik volg haar, één voet na de andere, elke stap wat verder weg van het verstikkende, overbevolkte kwartier. Langs de straat vinden we doelloze gebouwen. Sommige deuren zijn zelfs niet afgesloten. Auto’s staan netjes achter elkaar opgesteld, maar wie weet hoe lang ze daar al geparkeerd staan. Ze draait zich naar me om.             ‘Waar is nu die ene veilige plek waar je wekenlang niet over kon zwijgen?’             ‘Geduld. Het is niet ver. Je zult zien dat ik niet overdreven heb.’ Ze komt op me af, grijpt me vast en drukt haar ademluchtkap onhandig botsend tegen de mijne aan.             ‘Ik hoop het zo.’ Mijn hart gaat bonzend tekeer. Ik trek haar de richting uit van de bloemenserre die ik gevonden heb. Het is een semi-gesloten kas, waarvan de filters en zonnepanelen nog functioneren. De kans dat het virus zich hier ophoudt, is bijna nihil. Zodra we de serre binnengaan, begeven we ons naar de kleedzone. De lucht hier is gecontroleerd, gezuiverd, getest. Toch aarzelen we allebei. Het afleggen van een hazmatpak is een ritueel geworden. Geen haast, geen slordigheid. Eén fout kan fataal zijn. Ik begin. Ik kniel neer op een mat en ze ontsmet het pak met een bus bleekmiddel. Wanneer we zeker zijn dat ze geen hoekje gemist heeft, doe ik hetzelfde bij haar. Daarna help ik haar met de rugsluiting, vingers trillerig in mijn dikke handschoenen. Met een zachte klik komt het sluitmechanisme los. Ze reikt naar haar kap, en tilt die omhoog. Haar gezicht verschijnt beetje bij beetje. Dikke strengen donker haar vallen naar voren, klam van het zweet. Haar huid glanst. Het is warm in de kas. Mijn kap komt met een zuigend geluid los. Dan volgt laag na laag. We maken elkaars sluitingen open, trekken de plakkende pakken van elkaars lichaam. Elke rits, elke plooi die zich ontvouwt, onthult ons zweetnat ondergoed. Wanneer het laatste stuk van mijn mouw over mijn hand glijdt, blijven we roerloos staan, in onze sokken en onderkleding, dampend van inspanning, ogen vol bewondering. Het voelt ongepast om meteen te spreken. Hannah haalt een hand door haar haar en lacht.

Denis Vercruysse
84 0

Papa Para

Nog niet meteen. Niet op de dag die alles veranderde. Toen zat hij midden in de feiten, de knuisten om het stuur, zonder te beseffen dat hij al niets meer in de hand had. Terwijl de milliseconden hem om de oren knetterden, zoog hij het gewoel van koplampen en staal naar binnen, vond de gaatjes en dook erin, snelheidslimieten en kleursignalen negerend. Toen haar blik glaziger werd en ze niet meer op haar naam reageerde, wist hij al zijn slapende instincten en vergeten vermogens te wekken. Hij bereikte een focus die hij herkende van bij de commando’s, maar later nooit meer had ervaren.Neen, toen zeker nog niet. Ook niet toen hij de controle aan groene ziekenhuisschorten had afgegeven. Nog altijd bekeek hij de gebeurtenissen vanuit zijn eigen hoofd, door zijn ogen, van binnenuit, weliswaar met groeiende onmacht. En later, in de onomkeerbaarheid, toen het tijd was voor praktische regelingen, had hij die als een geslagen hond aan zijn zoon overgelaten, de ene die wel nog over de vloer kwam. Papa Para zat erbij en keek ernaar, zag alles gebeuren, zweeg en knikte ja. Het gebeurt later, in de weken na de begrafenis. Er is geen tijdlijn waarop hij een concreet moment kan pinnen; eerder lijkt het een crossfade, een geleidelijk verschuiven. Maar hij kijkt inmiddels anders, alsof ergens een regisseur een nieuw camerastandpunt heeft gekozen. Hij begint over het nu en het toen heen te zweven, als een drone. Registreren, shots maken. Bekijken en herbekijken, analyseren. Tot hij — battery low — een limiet overschrijdt van hoeveel gevoelloosheid een mens kan verdragen, en crasht. Dan laat hij zich dagenlang niet spotten. Maar net zo plots als hij van de radar verdwijnt, gaat hij opnieuw daarboven hangen. Hij toont zich, er valt met hem zo je wilt een soort gesprek te voeren, maar waar hij intussen werkelijk uithangt kom je niet te weten.Hij ziet de stoel waarin ze neerzijgt, hoort haar zeggen dat ze misselijk is. Opnieuw en opnieuw is hij er getuige van, hoe ze samen een hypo vermoeden. Hoe ze de vloer onderkotst. Hij ziet gebeuren dat er wordt aangebeld: een klant die ongelegen komt, die hij wegstuurt, onbedoeld onbeschoft. Verbijsterd schaduwt hij zijn evenbeeld, de man die eerst nog braaksel opruimt en bedrijfsramen en -deuren checkt, voor hij zijn wederhelft naar de auto helpt. Hij ziet het voertuig rechts afslaan, als in de dagelijkse rit naar huis, vandaag de kortste weg naar het ziekenhuis. Door de voorruit heen ziet hij een vrouw die afglijdt naar een zorgwekkende toestand, en een chauffeur die dan pas besluit plankgas te geven. De wagen schiet onder de drone door.Andere keren roept hij de film van de plechtigheid weer op. Een te klein bestelde zaal: elke stoel bezet en mensen staand langs de muren. In zijn verbeelding ziet hij twee lege plaatsen. Waar zijn eerstgeborene had moeten zitten, een door het leven beproefd, onredelijk kind dat intussen de vijftig nadert en jaren terug alle contact heeft verbroken, adres onbekend, vanwege ouderlijke fouten die werkelijk niemand anders hen aanwrijft — alleen hij, aldoor verdwaasd door god-weet-welke drugs hij dezer dagen nog aan zijn longen, maag of aderen voert. Daarnaast de ontbrekende broer, die aan de verkeerde kant ging staan van een oorlog, tweeduizend kilometer van hier. De broer waar hij pas weer mee zal praten als die toegeeft dat de Russen geen haar beter zijn dan de Amerikanen en dat My Lai klein bier was vergeleken met wat de monsters van Wagner in Oekraïne aanrichtten — zijn bloeddruk in het rood als hij er nog maar aan denkt. Intussen is het machinepark weer aan het gonzen gegaan. Vader en zijn jongste zwijgen veel, ze kennen het werk en elkaar. Als de dag voor de een erop zit, blijft de ander nog uren op post. Pa rommelt wat aan, veinst papierwerk. Als hij eindelijk naar huis vertrekt, neemt hij een andere route dan vroeger: aan het kruispunt linksaf. Het is een heel stuk verder zo, maar voor wie zou hij zich haasten, de kat redt zich wel. Zo gaat de tijd nu al maandenlang voorbij. En nog altijd voltrekken zijn dagen zich in een diepte waarop hij neerkijkt.Kijk, daar ligt de berg condoleances. Hij ziet zich erlangs lopen en op zijn stappen terugkeren, het moet er maar eens van komen. Hij kijkt toe terwijl zijn handen enveloppen scheuren, ziet kaartjes geleidelijk een nieuwe stapel vormen. Hij ziet de vluchtigheid waarmee die man daarbeneden te werk gaat, beseft dat niets echt tot hem doordringt. Tot hij aan dat ene kaartje komt. Het is groter dan de andere en bevat een gedicht dat door de afzender ‘Takeaway.com’ werd genoemd. Papa Para herkent het handschrift. De onverschrokken soldaat, harde ex-commando, de man die altijd in de wijdst mogelijke boog om poëzie heen was gelopen, leest deze tekst opnieuw en opnieuw.   Achter de zwijgende deur spitst het lege huis de oren.Verkeer gaat altijd door.Achter de zwijgende deur spitst het huis de oren en hoort. Bekend gespin benadert, bekreunt, bekruipt de treurende oprit.Het lege huis strekt zich uit en miauwt,krult zich om het ene paar binnenkomende benen. Waar bleef je zolang? En waarom ook vandaag weer alleen? Hoe legt hij het uit? Aan het huis, de kat, de honger?Hij zoekt dag en nacht.Ergens stonden blikken verse moed,iemand moet die hebben meegenomen. En buiten woedt de oorlog voort:broers begraven moeizaam hun geschillen. Vitrinekasten vol ego storten in als tweelingtorens —zal de verloren zoon het kompas nog kunnen vinden?   Terwijl hij leest en herleest, voelt hij zijn perspectief veranderen — alsof die verdomde regisseur eindelijk de drone wegstuurt. Voor het eerst kijkt hij opnieuw door eigen ogen. Hij weet dat er iets moet veranderen; het duurt al veel te lang en werkelijk niemand wordt er beter van. Hij pakt zijn Nokia en belt zijn broer. Later die avond rijdt Papa Para huiswaarts. Aan het kruispunt rechtsaf.  

Marc Terreur
60 2

rooie flikkers Amsterdam: Montaigue de Quercy, Frankrijk (Mont des Tantes)

foto gallery: VERF ED  https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ ******************************************************************************** https://www.2dehands.be/q/verf+ed+rooie+flikkers+amsterdam%3a+montaigue+de+quercy%2c+frankrijk/ *********************************************************************** ************************************************************************ FILM: Conny Karlsson Lundgren (Mont des Tantes)inloggen VIP https://vimeo.com/connykarlsson/triptofrance De film is gebaseerd op een reisdagboek dat vier jonge homoseksuele mannen uit Göteborg in de zomer van 1977 hebben geschreven tijdens hun verblijf in een internationaal bevrijdingskamp in het zuiden van Frankrijk. Deze Zweedse mannen behoorden tot de socialistische vereniging RödaBögar (Rode Fagots) uit Göteborg en waren, net als andere deelnemers aan het kamp, ​​actief in de strijd voor de vrijheid en rechten van homoseksuelen. Ondanks de gedeelde doelen van het kamp waren er echter ook grote verschillen. Het verlangen van deze Zweedse homo’s uit kleine steden naar de meer wereldse continentale mannen en de onzekerheid om hen heen sijpelen door in hun dagboeken. Dat geldt ook voor hun vrouwelijkheid en hun vermogen om vrouwelijke uitingen in te zetten als speelse wapens tegen het patriarchaat. In de film horen we een jonge generatie activisten uiting geven aan deze dagboekaantekeningen. De dagboekaantekeningen beschrijven enkele intense weken vol vreugdevolle en angstige ontmoetingen in de hitte van de Zuid-Franse zomer. Zo wordt het werk een ontmoetingsplek over generatiegrenzen heen, waar ervaringen en verlangens uit verschillende tijdperken, herinneringen aan het verleden en fantasieën voor de toekomst met elkaar worden verweven.   De film is vertoond op de Göteborg Internationale Biënnale voor Hedendaagse Kunst (GIBCA) The twelfth edition of the Göteborg International Biennial for Contemporary Art ************************************************************************** Afscheid van geobsedeerde sex Het was op een morgen dat ik met een barstende kop van de eerste avond (straalbezopen was ik in bed gekropen), aan de ontbijttafel gezeten en kusjes uitdelend, een van de Zweedse mannen naast mij ontwaarde.Björn, met zijn gebruinde lijf en zijn vlezige lippen. We praten wat in ons stamelend Engels en de ganse dag communiceerden wij, soms op een afstand, soms dichtbij, tot we 's avonds samen onze lichamen deden spelen. Er is ook Willempje, waar ik een ganse avond mee dans, waar ik me aan opgeil, en die de ganse nacht bij mij blijft. De eerste avond, discoavond wou ik zo hard iemand versieren dat ik stomdronken alleen onder de lakens moest toen ik mij de volgende dag met een zware kater bij de meute terug vervoegde, besefte ik dat het niet mogelijk was iemand het bed in te slepen in een sfeer waar iedereen constant bij elkaar was.Wilde je iemand leren kennen, vond je iemand lief, dan ging je met hem eten, deed je de afwas samen, wandelde je, praatte je, kortom leefde je samen. Toen 's avonds de muziek speelde, danste je samen. En als je allebei dezelfde herkenning had gevoeld, ging je ook samen vrijen. Niet meer die barsfeer moeten ondergaan, zonodig versierd-te-moeten-worden. Gewoon samenleven. Zoals Pierre uit Lyon, mijn vriend die ik de eerste dag in zijn blootje had zien rondlopen, waarbij ik twee nachten heel dichtbij, pratend, heb doorgebracht. Hier geen verplichting om te seksen, maar wel een behoefte om te kennen en te voelen, waar hij mee bezig was, hoe hij was, en wat hij was. En Pierre uit Parijs die ik de eerste dag als leuke bedgenoot beschouwde en in wiens armen ik de nacht erop heel zachtjes, samen in de roes van Armagnac en Ricard, indommelde. Hij die enkele dagen later bij mij kwam wegens een nog niet uitgesproken verliefdheid die met zijn betraande gezicht mij ook bijna aan het huilen bracht. Maar ik kon niet meer. En Mathias, die lieve Nederlander, die op een dag dat ik diep in de put voor mij uit zat te staren, mij uitnodigde om koffie te gaan drinken in een van de omliggende dorpjes. Daar voelde ik weer het ongenoegen van de buitenwereld over het manifest homo-seksueel zijn, mijn nagels waren gelakt en mijn ogen geschminkt. Toen wij het café binnenkwamen, zagen wij het nadrukkelijk begluur en gegiechel van het cliënten, en het gezicht van de patroon, dat versomberde naarmate hij ons een voor een bekeek. En dan nog Eef, de lieve man waarmee ik de terugreis deed. Twee dagen langzaam afgekickt en elkaar begeleidend, "onze plaats" terugvindend, tussen het "normale?". Ik herinner me de paranoia die in het begin van het kamp velen bang maakte voor de onvriendelijke dorpelingen en een mogelijke politie-inval. Maar ook onze solidariteit toen wij onze huisbaas de deur uitgooiden omdat hij onze sfeer verziekte. Deze stukjes zijn ogenblikken geweest van intens leven. Ik vertel niet alles want dat zou ik niet kunnen. Een ervaring van veertien dagen herkenning met allen van het kamp, waardoor ik gesterkt terug in de fallokratische maatschappij kwam. Een plaats waar ik terug besefte dat mijn homoseksualiteit voor mij een mogelijkheid was om te experimenteren met mijzelf en met de mensen rondom mij, en van hieruit mijn homo-zijn als een constante verrijking aan te voelen, als enkeling in een groep die steeds bezig is te zoeken naar zichzelf. Montaigue de Quercy, Frankrijk Mont des Tante 1977 ***************************************************************** Foto: VERF ED Pigmentprint op katoenvoile, hout (GIBCA)The twelfth edition of the Göteborg International Biennial for Contemporary Art instalatie: Conny Karlsson Lundgren (Mont des Tantes) ************************************************************ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
113 0

Huwelijk in Toscane

Het had iets magisch. Mattia in een strak kostuum en Patricia in een wit kanten kleed tegen de achtergrond van het barokke interieur van de dorpskerk. Ik zat op mijn vaste plaats in de kerkbank. De jonge pastoor knikte naar me toen hij me allicht herkende als die vrouw die al zo vaak op die plek gezeten had, in – wat hij moest denken – diep gebed verzonken. In werkelijkheid dacht ik aan Hem. Nu ook, ik kon het niet vermijden. In die mix van verdriet om Hem en blijdschap voor Mattia en Patricia, de pure schoonheid van het evenement, liepen er weer tranen over mijn wangen. “Mooi, eh,” zei Sofia, terwijl ze me in haar armen nam, “Ik heb het ook niet droog kunnen houden en Ella en Valentina ook niet. En de jongens, tja, die waren tussendoor over de voetbalmatch van gisterenavond bezig. Nu nog. Zie ze daar staan. Ze hebben zelfs geen oog voor Mattia en Patricia. En ze zien er nog wel zo mooi uit. Prachtig eigenlijk.” Ik zag hoe de jongens inderdaad druk gesticulerend aan het discussiëren waren. Zo leek het toch. Ik zag Giovanno en hoe hij volop meedeed. Hij was een vurige Napelsfan en de rest supporterde voor het dichterbijgelegen Fiorentina. Ze hadden de dag ervoor tegen elkaar gespeeld. Even leek het alsof ook de bruidegom er zich mee bemoeide, maar Mattia’s moeder trok hem weg bij de jongens en duwde hem naast de zwangere Patricia in de zwarte Ferrari 250 GTE 2+2. Met een zwaar gebrom sloeg de motor aan en reden ze samen weg in de oldtimer. Patricia’s jongere broer zat aan het stuur en had een veel te grote zonnebril op. De dames vonden dat hij er sexy uitzag, zo hadden ze hem nog nooit gezien.  “Ja, hij wordt groot.”  “Hij heeft nog maar pas zijn rijbewijs en ze laten hem al met zo’n auto rijden.” “Hij sleutelt al heel zijn jeugd aan oldtimers. Hij kan waarschijnlijk beter met zo’n auto rijden dan jij en ik samen.” “Hij heeft wel overdreven met parfum.” “Ja, eh. Je rook hem vanop vijf meter afstand.” “Dan moeten ze het raampje van de auto maar opendraaien.” Ondertussen was de jonge pastoor in zijn soutane bij de andere jongens gaan staan en hij liet er zich niet onbetuigd. Giovanno maakte zich los uit het groepje en kwam naar me toe gestapt op zijn krukken. “Is er iemand met wie ik kan meerijden straks, met die Fiorentina hooligans wil ik niet in dezelfde auto zitten.” “Ella rijdt. Ze pikt ook Petra op. Kan hij met jou meerijden, Ella?” “Geen probleem. Je zal het wel niet zo erg vinden dat Petra meerijdt, zeker?” “Nee, nee, natuurlijk niet.” “Ik zal tegen Marco zeggen dat hij zich moet inhouden.” “Als je dat wilt doen. Ik kan er ook niet aan doen dat Napels die penalty gekregen heeft.” “En dat was het niet alleen,” riep de pastoor, “De scheidsrechter heeft ook die handsbal niet gefloten en geef toe al die duw- en trekfouten. En die vuile tackle van Di Lorenzo.” “Ik moei er me niet mee,” zei Ella, “Ga je ploegje maar verdedigen.” “Ik ga een koffietje drinken,” zei Giovanno, “Ze kunnen zeggen wat ze willen. We hebben gewonnen en daarmee basta.” Giovanno stak zijn hand op naar de rest. “Ga maar lopen, jongen. Als je het niet kunt halen, moet je gaan lopen.” Valentina fluisterde in het meidengroepje. “Volgens mij wilde hij niets liever dan met jou in dezelfde auto te zitten straks, Petra. Hij wist dat Ella jou zou komen ophalen, wed ik.” “Geen gesmos op de achterbank, hoor, dat wil ik niet,” fluisterde Ella. En iedereen lachte hardop. “Ik ga ook een koffietje drinken,” zei ik. En toen lachten ze nog harder. Het feest zou doorgaan in de tuin van een oom van Patricia. Die had een grote boerderij iets verder in het binnenland. Hij verbouwde druiven en maakte wijn en had zelf aangeboden aan zijn petekind om het feest daar te organiseren. Daar was veel meer plaats dan bij haar ouders. Trouwens haar vader was vennoot daar, zei hij, dus het was ook een beetje zijn terrein. Dan hoefden ze de wijn ook niet allemaal te verhuizen, ze hadden de vaten gewoon bij de hand. Tijdens de kronkelige landweg ernaartoe werden Giovanno en ik op de achterbank voortdurend tegen elkaar geduwd. Ik had op het laatste moment toch nog snel een andere jurk aangetrokken en had het lange lilakleed vervangen door een doorschijnende met goudkleurige pailletten bedekte cocktailjurk van Mac Duggal. De diepe decolleté en de accentuerende taille stonden me goed, vond ik zelf. Hij zou het prachtig gevonden hebben. En ik voelde me op en top een mooie vrouw. Giovanno had me voor ik in de auto stapte van top tot teen bekeken en net niet tussen zijn tanden gefloten. Ik dacht aan Hem. Hij was nooit jaloers geweest, ook niet als andere mannen naar me hadden gekeken of als ik naar een andere man had gekeken. Vreemd eigenlijk, vooral omdat ik wél heel jaloers kon reageren. En dan die affaire met die bankbediende. En toch was Hij altijd naar mij toegekomen. Wat zou Hij van Giovanno gedacht hebben? Zou Hij het erg vinden dat ik een soort van connectie met Giovanno voelde. Niet zo diep als met Hem, maar toch, Giovanno was een goede, zachtaardige jongen en ik wist dat hij iets voelde voor mij en ik voelde me goed bij hem. Ik was nog te onrustig om me echt aan Giovanno te hechten, maar toch, toch. Ik kreeg het warm als ik aan Giovanno dacht of als hij dicht bij me in de buurt was. Misschien was het ook gewoon mijn lichaam dat op hem reageerde en had ik daar zelf eigenlijk niets aan te zeggen. Ik kon het alleen laten gebeuren. En dus danste ik die avond met Giovanno op het feest. Als ik hem voldoende ondersteunde kon hij zijn krukken aan de kant laten staan. Het voelde bijna alsof ik met Hem aan het dansen was. Zocht ik nog te veel naar Hem in plaats van oog te hebben voor Giovanno zelf? Allicht wel, maar toch genoot ik van de momenten in Giovanno’s buurt.  Op de terugweg legde Giovanno in de auto zijn hand op de mijne en ik kneep er zachtjes in toen ik uitstapte, alsof ik hem wilde bedanken voor de mooie avond.  Ella bleef met de auto staan, de motor zacht brommend, om me de kans te geven om in het licht van de koplampen de sleutel in het slot te steken. Toen ik binnen stond en de deur achter me op slot had gedaan, hoorde ik Ella’s auto over de losse stenen op de oprijlaan wegrijden. Ik voelde zijn hand nog op mijn heupen steunen en het onevenwichtig hinken tijdens zijn danspassen alsof we nog aan het dansen waren. Hoe lang zou ik mijn lichaam nog kunnen tegenhouden, vroeg ik mezelf af.

Hans Van Ham
23 0

Nondedju

Nondedju was één van de woorden die Anna vaak hoorde in het rusthuis. Het leek op het ‘nasdrovnje’ uit haar eigen taal, meer dan op het harde ‘gowno’ of het verbaasde ‘jejku’. Nu wandelde Anna met de oude dame van kamer 43 door de gang. Om de vijf passen rolde er een vloek uit de mond van de vrouw. ‘Potdomme’ zei ze. Haar knokkelige vingers knepen in Anna’s arm. ‘Potdomme’ echode Anna. Soms was het omdat ze even struikelden. Of misschien dwaalde er een monster uit een ver verleden door de geest van deze vrouw. De dikke groenige gordijnen aan het einde van de gang waren zo mistroostig dat je rechtsomkeert wou maken. Anna beeldde zich in dat het dametje daarom zoveel vloekte. Anna’s grootmoeder had haar laatste jaren doorgebracht in de schommelstoel van haar huis in Katowice. De familie van Anna had nooit een poging gedaan om grootmoeder na haar middagdut uit die stoel te halen. Hoe zou het zijn als Anna zelf oud was? Zou ze dan liever wandelen of indommelen? ’s Avonds ging ze naar de Nederlandse les. Ze sprak er over haar woning en fantaseerde zich een slaapkamer, een living, goed functionerende verwarming en een mooie badkamer bij elkaar. Na de les ging ze naar haar studio en trok haar slaapbank uit. Om de paar dagen skypete ze met het thuisfront. Als het signaal niet te zwak was, richtte ze de camera op de verste uithoek van haar kamer en begroette ze haar man Pjotr en haar zonen. Daarna at ze havermoutpap. Anderhalf jaar was zo voorbijgegaan. Nog twee maanden en dan zou Anna voor een paar weken terug gaan naar Polen. Ze telde de baden die ze nog zou geven in het rusthuis, de porties fruit die ze zou snijden voor ze haar laarzen in de Poolse sneeuw kon zetten. Ze sliep vredig.Pjotr kon niet in de zo gegeerde bouw werken. Arbeidsongeluk. Hij had altijd een somber temperament gehad. Anna zorgde graag voor hem. Daarom was ze nu in België. Ze zocht promoties bij elkaar op de markt en hoopte dat hij met het uitgespaarde geld genoeg vlees kon kopen. Trots vertelde ze haar medecursisten dat haar zonen naar de universiteit van Warsaw gingen. Haar Belgische collega’s spraken zulk een ingewikkeld taaltje. Anna had het opgegeven om contact te zoeken. Op haar geforceerde lach als er iets op de grond viel, kreeg ze weinig respons. Tijdens de pauze ging ze vijf minuten vroeger naar boven en haalde de vloekende vrouw uit bed. Ze voelde de sterke greep om haar arm en dacht dat ze iets goeds deed, ondanks het rauwe ‘Miljaar’. Het vloeken stopte toen de oude dame stierf. Anna haalde haar kleren uit de kast. De zoon van de vrouw zat treurig naast het lege bed. Hij vroeg Anna of zij voor zijn moeder had gezorgd. Nadat hij het nog een keer had herhaald, zei Anna 'ja' en ‘nondedomme’ met de stem van de oude vrouw. De man glimlachte. Hij wilde weten hoe lang Anna al in België was en of ze kinderen had. Ze toonde trots een paar foto’s. Haar zonen speelden in de sneeuw met de hond. Op de achtergrond verzamelde Pjotr wat hout voor het haardvuur. ‘Ze wonen in Warsaw’, zei Anna. ‘Ben je hier alleen?’, vroeg de zoon van de oude dame. Ze deed alsof ze hem niet begreep. Anna zag hem terug in de supermarkt, hij woonde blijkbaar bij haar in de buurt. Ze wist dat hij ook kinderen had. Waarom vulde hij zijn winkelwagen dan met eenpersoonsmaaltijden? Bij de kassa glimlachten ze wel eens wanneer ze allebei ‘moussaka’ hadden gekozen. Promoties. Op een avond wees hij een grotere portie aan in de koelkast van de supermarkt. Dan wees hij naar haar. Samen eten? Dat had ze al lang niet meer gedaan. Ze wimpelde het af, lachte verontschuldigend, kneep haar ogen half dicht. Nadien had ze er spijt van. Hij had er vast niks mee bedoeld. De week erop wees ze zelf naar de familieportie vogelnesten. Ze spraken af bij hem thuis. Ze was blij toen ze het oude dametje terugzag aan de muur. Ze bladerden door zijn fotoalbums. Anna lachte om de foto’s uit zijn kindertijd en nam een extra glas wijn. Ze kon zich een beeld vormen van de krachtige vrouw die het einde van haar leven aan haar arm had doorgebracht. Ze schrok toen hij diezelfde arm vastgreep. Die mengeling van aantrekking en schuldgevoel was nieuw voor haar. Het hield haar uit haar slaap. Ze schaamde zich diep toen ze met Pjotr skypete. Hij vroeg of er wat scheelde. Nee, hoezo? In de supermarkt dacht ze dat de zoon van het dametje uit de volgende rayon zou komen. Ze wist niet of ze ernaar uitkeek. ‘Pools eten, bij mij thuis?’ Hij was blij om haar terug te zien, daar in de diepvriesafdeling. Ze nam ingrediënten mee en maakte iets klaar in haar studio. Ze lachten, dronken nog wat. En dan nam hij weer haar arm vast. De nacht was kort.Twee dagen erop vertrok ze naar Katowice, een maand later was ze nog altijd niet terug. De lerares Nederlands vroeg zich af waarom die ijverige Anna had afgehaakt.

Pons
10 1