Lezen

Mijn Draak - een autobiografisch fictieverhaal (inleiding + I + II)

Beste lezers van AZERTYFACTOR.BE ; beste iederéén, wie-je-ook-mag-zijn... Wat zenuwachtig upload ik hieronder een herwerkte versie van mijn 'origineel' - dat ik in 2017 liet verschijnen als 'vervolgverhaal' op een eigen website ten voordele van Parkinsononderzoek... Willen jullie aub je mening geven, eerlijk en ongezouten, zodat ik kan leren uit mijn eventuele fouten? Geen idee hoe dit naar mensen toe overkomt, mijn verhaal, mijn ideeën, mijn leven... Hopelijk genieten jullie even zeer van het lezen, als ik van het schrijven!   __________________________________________________________________________________   Ergens in België, juni 2018   Beste lezer – ja – jij daar – Hallo! Aangenaam  en welkom bij mijn verhaal...  Een verhaal dat je meeneemt naar alle hoeken  van mijn verbeelding. Het bevat stukken herinneringen aan vroeger – lang vervlogen tijden – en flash forwards naar de toekomst.   Herinneringen, die realiteit waren en zijn, maar die niet noodzakelijk in de gegeven volgorde aan bod zijn gekomen in mijn leven.   Enkele jaren geleden, ging ik op tocht in het Land van Fantasie – en uiteindelijk is deze neerslag een creatieve verwerking van mijn avonturen in dit bizarre land... Met personages die je tegelijk bekend voorkomen maar toch ook bevreemdend aanvoelen. Een fantasieverhaal dus, waarbij de invloeden uit andere literaire werken duidelijk voelbaar zijn. Het staat, onder andere, bol van verwijzingen naar Antoine de Saint-Exupéry’s “Le Petit Prince”.   Geniet ervan, verlies je in mijn fantasie –                 kom jezelf tegen...              ...vind uiteindelijk jezelf...   ...en vergeet zeker niet je eigen opinie te delen! Dit verhaal wil een duiding zijn van hoe ikzelf deze ervaringen heb meegemaakt – zonder te belerend over te komen. Ervaring is subjectief, vandaar dat ik ook graag weet hoe jij dit allemaal ziet! Graag weet ik ook iets van jou – voor we beginnen - wat is jouw verhaal?!   Naam: ................................................................................. Leeftijd: ............... Woonplaats: .................................. Met welke reden lees jij dit boek? ...............................................................................................   mijndraakmijnverhaal@gmail.com           Het is nu zo’n drie jaar geleden, dat het Hoge Woord er uit kwam... Parkinson... Wacht – stop – hold the presses - WAT?!   “Jaja... Parkinson, mevrouwtje... de DAT-scan heeft het duidelijk uitgewezen – kijkt u maar even mee... Ziet u hier de oplichtende celletjes? Dat zijn DOPAMINE-cellen, en die cellen zien we veel minder oplichten op uw scan – ziet u wel?!”   De dokter praatte en praatte, ik hoorde er niets van... De hele wereld leek weg te draaien – steeds sneller en sneller, tot alles enkel  een verre waas leek te zijn. In de verte hoorde ik hem nog steeds doorgaan – maar zijn woorden drongen nauwelijks tot me door.   “Het is natuurlijk verschieten – dat begrijp ik maar al te goed – een actieve jonge vrouw op uw leeftijd... Maar het is niet het einde van de wereld, weet u...”   NIET het EINDE van de wereld... Oh nee?! En waarom leek dat dan zo? Op dat moment, leken zijn woorden wel van een buitenaardse planeet te komen – inlevingsvermogen – empathie – zag hij dan de tranen in mijn ogen echt niet?! De angst, de onzekerheid, het ongeloof, de woede...?!   “Als u wilt, gaan we voor een second opinion bij dé gerenommeerde professor... Gezien uw leeftijd, zou ik het zelfs  aanraden!”   JA, vooruit dan maar – nog meer onderzoeken... Ik liet het over me heen komen – what more could I do?! Let the games begin... AGAIN!   Terwijl hij een afspraak voor me vastlegde – of toch dit probeerde te doen – zonk de moed me diep in de schoenen...   Hoe zou ik dit ooit vertellen aan... “Slecht nieuws, mevrouwtje... Er is een wachtlijst van negen maanden bij deze professor – ondertussen zal ik al medicatie opstarten, als deze aanslaat weten we toch al iéts meer hé.”   Iets méér? Maar u kwam juist te zeggen dat de Ziekte van Parkinson wel degelijk in mijn leven was binnengeslopen... Waarover wilde u dan nog méér duidelijkheid?! Zou er kans bestaan dat u zich heeft vergist?! Dat de scan toch een verkeerd beeld gaf?!   “Daar kan ik jammer genoeg niet op antwoorden – meestal is deze scan 100% correct – maar goed, de wonderen zijn de wereld nog niet uit... We zullen eventjes moeten afwachten...”   EVENTJES zegt hij... NEGEN MAANDEN tijd zodat het zaadje dat toen ingeplant werd in mijn hoofd kon verder groeien... NEGEN MAANDEN waarop het verder kon evolueren, van een vage schim naar een tastbaar gegeven– NEGEN MAANDEN om daarna “mischien” te “bevallen” van een baby-from-hell...   EVENTJES – effe – een relatief korte tijd in een mensenleven... Maar op dat moment, écht niet voor Mij! Ik kon tijdens die negen maanden me niet van de gedachte ontdoen : “mijn leven, as-I-knew-it” was voorbij... Leven deed ik nog wel – en sterven zou ik zeker niet snel van deze ziekte – maar confronterend was het zeker wél!   Op verschillende vlakken – beginnend bij de blikken van de mensen, die op dat moment nog van niets wisten – maar ook op werkvlak eiste het een zware tol... Niets kon ik nog verdragen, van die pubers die ik geacht werd iets bij te leren. En meermaals dwaalden mijn gedachten weer af – naar mijn eigen schoolsituatie. Die leraars hadden de situatie ook niet steeds goed aangepakt – maar zeker ook niet slecht....! **FLASHBACK**   I -  een vage herinnering   Een klein meisje – met lange blonde haren – pijpenkrullen – zit aan een tafel. Rond haar, kleurrijke stoelen, die haar hard en leeg aanstaren. Stoeltjes, die een paar seconden geleden nog vol zaten met leeftijdsgenootjes. Leeftijdsgenootjes, die een paar tellen geleden hard joelend en vol jolijt de stoeltjes mochten verlaten. Ergens in de verte, hoort zij het gelach van kinderstemmen. Een hamertje tik-tik-tik. Een liedje dat wordt gezongen. Een pop die een kreet smoort van blijdschap, omdat zij uit haar bedje wordt gehoffen.   Dat kleine meisje, lijkt wel in trance… Een roes van concentratie, een waas van boosheid, proberen de tranen te onderdrukken. Kijkend naar de tafel, met allerlei afgewerkte maskers. Kijkend naar de papiermand, waar resten papier in zijn beland. Proppen in vrolijke kleuren, met hier en daar enkele bruine stroken ertussen. Die bruine papierstroken – zijn niet afkomstig van de kindjes uit de klas, neen. Zij zijn maar van één persoon. En die persoon, die is het reeds gewoon.   “Wat is ze gewoon?” vragen jullie je nu waarschijnlijk af. “Waarom zit ze daar nog alleen?” hoor ik jullie vragen.   Haar concentratie wordt onderbroken door luid jongensgelach “Kijk, juffrouw, nu knipt ze wéér scheef!”. Het bruine papier wordt uit haar handen getrokken, smalend bekeken door enkele stoere kleuterjongens. “Kan jij niet eens knippen – Cornelia…?!” hoort zij Haantje-De-Voorste zeggen, “…je lijkt wel een baby!”. Die zin echoot door haar hoofd “Baby-baby-baby…!”.   Gelukkig worden de jongens weggejaagd door een warme stem, die hoort bij een grote, slanke juf. “Laat haar maar, jongens…” hoort ze de stem zeggen “…anders is ze morgen nog stééds bezig!”. De klas barst in lachen uit – terwijl zij een nieuw ‘snorharenblad’ voorgelegd krijgt. “Komaan, meid, nog twee strookjes récht knippen en je mag gaan spelen.” Zegt de juf, die snel weer naar de andere kindjes toegaat. Even nog, werpt ze een blik op de lange benen en de rug die haar wordt toegedraaid. Onverhoopt knipt ze verder – wetend dat ze zéker vijf stroken zal moeten knippen voordat er twéé zullen goedgekeurd worden.   Crea-uurtje… Wat voor vele kinderen een ontspanning zou moeten zijn – lijkt voor haar uren te duren. Gelukkig komt er zo meteen nog een zang-uurtje aan, dàt zal hààr tijd worden. Een tijd waar zij kan tonen wat ze kan – want toontjes zingen en tekstjes leren – dàt kan ze als geen ander. Ze hoort de tonen uit de mond van de kindjes komen en…   Met herwonnen geloof in zichzelf, vangt ze het knipwerk weer aan. Met enige fierheid, kan ze een tijd later toch ook haar snorharen op het (leeuwen?-) masker vastkleven. De carnavalvakantie staat voor de deur – zou ze toch nog even spelen met de poppen, of toch de liedjes mee gaan zingen?! Snel ruimt ze op, stommelt ze naar het hoekje maar…   DDDDRRRRIIIINNNNGGG!!!                                                                                Niet meer spelen – niet meer tonen dat het wél klaar was, dat zij géén baby meer is – want alle kindjes stuiven de deur uit, zonder haar nog een blik te gunnen… De vakantie was begonnen!   II – Fantasie   Ze blijft even alleen achter – verdwaasd rondkijkend. Een tweede juf komt naar haar toe, feliciteert haar met haar werk en wenst haar een leuke vakantie. “Had ze daarnet zitten dromen?  Een flashback naar vroeger – toen ze nog wat jonger was?” Haar overpeinzingen worden onderbroken door gekuch uit de gang. De - inmiddels al iets ouder geworden -kinderen wachten op de gang, met jas en boekentas al rond en op het lijf.   “Maak voort jij!” sist een groot meisje met lang bruin haar haar toe. “Wij willen naar huis!” fluistert een ander. Trager dan ze zou willen, knoopt ze haar jas toe en stapt ze richting de lange rij. Samen gaan de kinderen de lange gang door, en wanneer ze bij de buitendeur komen weten ze met hun vrolijkheid geen blijf! “Joehoe! Vakantieeeeee!” hoort ze hen roepen en snel lopend – vliegend lijkt het wel – stormen ze de speelplaats op. Het meisje probeert hen te volgen, probeert even opgewekt buiten aan te komen, en éven lukt haar dat ook…!   Opgelucht haalt ze adem als ze aan het schoolhekken staat, kijkend naar de voorbij zwevende wolken. Nu heeft ze even tijd voor zichzelf, voordat haar mama haar komt ophalen met haar broertje en zusje. Tijd om te doen waar ze goéd in is – zingen en fantaseren…   Luid hinnikend reed ze dan op het muildier over de speelplaats. Eerst in stap – want ze moest voorzichtig zijn. Op het eerste eiland waar het bootje hen naartoe had gebracht, waren er immers inboorlingen, en die mochten haar niet zien! Haast sluipend reden ze samen door de wildernis.   Eiland na eiland doemden zo voor hen op – het éne al meer bizar dan het andere – met personages die haar meermaals hielpen te ontsnappen aan de werkelijkheid. Een werkelijkheid, die steeds méér onwerkelijk leek te worden naarmate ze ouder werd. Een werkelijkheid, waar velen haar niet leken te begrijpen – maar waar ze zeker niet het gevoel had ‘alleen’ te staan.   Zeker niet tijdens de vakantieperiodes, wanneer ze naar hartelust met Broer en Zus kon fantaseren. Even haar hoofd helemaal legen – niet meer denken aan de juiste sommen of schrijfwijze van bizarre woorden. Neen, in deze wereld leek dat allemaal bijkomstig.   Beetje bij beetje werd ze verder opgeslorpt , opgeslokt door dit gevoel van zaligheid – een staat van BEWUST ZIJN, in plaats van het ONDERGAAN – een staat van BEREIDHEID om het onbekende te ontdekken – een staat van ZICH OPENSTELLEN naar nieuwe ervaringen toe, iets wat zeker niet evident was maar toch een goed gevoel met zich meebracht...                 VOLDOENING heet dan dan...!

CVDR
24 1

Creatief vertraagd.

  Na elke nieuwe, volgeschreven lege bladzijde wacht een volgende lege bladzijde. Het witte blad dat me aanstaart zou angstaanjagend kunnen zijn, mocht ik de ambitie hebben om het helemaal vol te schrijven. Dat lukt soms niet omdat mijn innerlijke criticus me het zwijgen oplegt en zijn rode pen al schrapt wat nog niet is opgeschreven. Op zo’n momenten komt er niets, ben ik creatief vertraagd en vind ik geen inspiratie om een fris of puntig verhaaltje te verzinnen. De juiste hersengolf wil dan niet rollen. Dat overkomt me meestal wanneer ik niet met schrijven kan beginnen omdat het alledaagse leven in de weg zit, omdat ik sociale verplichtingen heb of omdat het gezinsleven me tot andere verplichtingen dwingt. Of wanneer ik te veel tijd en massa’s ideeën heb, dat valt ook voor. Dan heb ik zoveel ingevingen dat ik er ook niet in slaag om er één uit te kiezen en er passende zinnen of een juiste wending bij te verzinnen. Misschien schrijf ik wel het beste op momenten dat van mij verwacht wordt dat ik me met nuttigere dingen bezighoud om dan vast te stellen dat op momenten dat ik er wel tijd voor heb, er niets meer is. Niet productief zijn, is dan de schuld van ‘writers-block’, een aandoening die trouwens niet lijkt te bestaan bij mensen met meer alledaagse vrijetijdsbezigheden. Vissers of voetballers hebben namelijk nooit last van een ‘vissers-block’ of een ‘voetballers-block’, al blijft hun ego wel overeind staan als ze er voor de ene of de andere reden niet toe komen er hun tijd aan te besteden. Meestal echter vindt de creativiteit mij wel, zelfs op momenten wanneer ik het gevoel heb dat ik haar helemaal uit het oog verloren ben. Als ik mezelf dan opsluit en vastketen in mijn gedachten, lijkt de wereld van buiten beter binnen te komen. Fijne details of een op het eerste zicht overbodig feit wordt dan met bezieling in mijn hoofd ingekleurd tot een zotte kronkel of een uitgesponnen anekdote. Op die momenten vergeet ik perfectie en productie en schrijft mijn pen bijna automatisch bladzijden vol met zinnige en onzinnige dingen of over uitgesproken mensen die me opvielen. Ik laat dat graag gebeuren. Wanneer ik er dan zonder verwachtingen aan begin en ik de ambitie kan laten varen om mezelf te overtreffen gebeurt de magie haast vanzelf maar nooit wanneer ik er als een bezetene naar streef. En dan denk ik, ik kan mezelf niet uit een ‘writers-block’ denken, ik kan me er alleen maar uit schrijven en misschien is schrijven over een ‘writers-block’ wel honderd keer beter dan helemaal niets te schrijven.

jan pultau
0 0

Betoverende onwetendheid.

  Ze gaf me indruk alsof ze recht uit het canvas van een bekende schilder was gestapt. Hoewel de parel en de blauwe haarband ontbraken, had ze net zoals Vermeer minutieus lijntjes getrokken en esthetisch verantwoorde kleurtjes aangebracht, om dingen te accentueren of om er andere mee te verdoezelen. Ik vermoedde dat laatste omdat een donkere wal niet helemaal was weg gecamoufleerd zodat een fijn lichtblauw adertje mijn visuele aandacht kreeg. We hadden nog geen enkel woord met elkaar gewisseld en de zwijgende stilte was een handigheid omdat we zo wat tijd kregen om te wennen aan elkaars gemoedstoestand. Dat was nodig omdat die tegenstrijdig leken. Het laatste kwartier pas had ik het een beetje rustig gemaakt en had ik wat plaats gemaakt in mijn hoofd zodat ik beter kon luisteren naar wat ze me te vertellen had. Zorgeloos leek ze deze keer niet, integendeel ze zag er aangedaan uit en getekend door gebeurtenissen, door dingen die niet hadden plaats gevonden of door kwesties die net wel hadden moeten gebeuren. Ze bestelde rode wijn maar niet alvorens te vragen of me dat niet stoorde. Dat deed het niet al vond ik het wel fijn dat ze zelfs nu nog aandacht had voor mijn gevoeligheden. Toen ze met haar verhaal begon, keek ze vaak weg alsof ze achtervolgd werd of alsof ze op een denkbeeldig iemand aan het wachten was. Praten was lastig omdat ze zich schaamde voor het leven dat haar nog maar eens verrast had met een vies cadeau dat verpakt was in een mooi papiertje. Ze ging ronduit door over al die dingen die haar de laatste maanden waren overkomen, waarmee ze geworsteld had en die haar uiteindelijk helemaal uit balans hadden gebracht, over zaken waar psychiater Dirk De Wachter voor waarschuwt wanneer hij er de gelegenheid voor krijgt. ‘Door constante focus op geluk en door continu jacht te maken op geluk jaag je het weg’, zegt hij. ‘Als je als hoofddoel non-stop geluk nastreeft, begint de miserie maar pas goed.’ De woorden van De Wachter vielen me op in haar ogen en in elke lang gerekte zucht waarmee ze de zwaarte van de dingen probeerde weg te blazen. ‘En jij, ben jij gelukkig?’, prevelde ze. ‘Gelukkig ik? Geen idee’, antwoordde ik ontwijkend. ‘Misschien betekent gelukkig zijn gewoonweg niet al te dikwijls ongelukkig zijn? Ik weet het niet, maar dat niet weten maakt me nieuwsgierig zodat ik me elke dag door de zoektocht naar dat mysterie mag laten betoveren.’ Ze lachte voor het eerst die namiddag.

jan pultau
0 0

De wachtkamer

Katrien staart afwezig naar de rode teller aan de muur. De cijfers zijn al een hele tijd niet meer gewijzigd. Er zijn nog heel wat wachtenden voor haar en langzaam aan vult de grote wachtkamer zich verder met patienten die na haar komen. Volgens een ongeschreven wet gaat iedereen zo ver mogelijk uit elkaar zitten.   Nerveus speelt ze met het papiertje met haar volgnummer en kijkt op haar horloge. In een ziekenhuis is een afspraak niets waard. Ze probeert zich te concentreren op het boek dat ze heeft meegebracht. De knoop in haar maag laat zich echter niet zomaar negeren. ‘Het is niets,’ houdt ze zichzelf voor, ‘Alleen de hechtingen verwijderen en kijken of alles in orde is. En waarom zou het niet in orde zijn? Straks is het jouw beurt en dan is het zo voorbij. Dan is het hele domme ongeluk verleden tijd.’ Ze herleest de laatste pagina, maar het geritsel en geschuifel in de wachtkamer blijven tot haar doordringen. Verderop zitten twee vrouwen met elkaar te fluisteren. In de gang passeren af en toe verpleegsters, soms met patienten in rolstoel en zelfs een branquard.   Dan verschijnt de verpleegster van de receptie in de wachtzaal. ‘De dokter is dringend weggeroepen, nog even geduld alstublieft!’ ‘Hoelang gaat het nog duren?’ vraagt een man met zijn kind op schoot, ‘We zitten hier al zo lang.’ ‘Dat weet ik niet, mijnheer’ is het antwoord. ‘Ik kan er ook niets aan doen!’‘O, wat zijn we vriendelijk vandaag.’ is het commentaar van de oude dame die naast Katrien is komen zitten. De wachtkamer is nu zo vol dat nieuwkomers wel verplicht zijn naast iemand te gaan zitten. ‘Het is toch altijd wat. Ik ga er vanuit dat ik pas s’avonds terug naar huis kan als ik s’morgens een afspraak heb. Dan kan het alleen maar meevallen. En ik heb koekjes bij.’ Ze laat de doos zien aan Katrien. ‘Moet jij hier vaak zijn?’ ‘Nee, gelukkig niet’ is alles wat ze kan antwoorden want de dame praat alweer verder. ‘Ja, je bent nog jong, ik ben meer hier dan thuis.’ Het laatste waar Katrien op zit te wachten zijn gedetailleerde ziekenhuisverhalen maar ze kan er niet onderuit. Ze knikt braaf op tijd ja en nee, gluurt ondertussen naar de onbewegelijke teller en naar haar horloge. Gelukkig zit er geen horrorverhaal over snijwonden en hechtingen tussen. Een verpleegster komt recht op hen af. Katrien ziet haar pas als ze al bij hen is. ‘Maar mevrouw, u moest in de wachtzaal aan het einde van de gang blijven. De dokter zit al op u te wachten.’ De oude dame zucht, ‘Maar daar zat ik alleen,....’ Ze staat moeizaam op, wenst Katrien sterkte en gaat met de verpleegster mee. Katrien herbegint de laatst gelezen pagina van haar boek. De afleiding heeft toch effect gehad maar nu is ze zich terug bewust van de knoop in haar maag. Als ze zich nu maar kon concentreren op dat boek. Waarom is ze toch zo nerveus? De dokter zal haar niet opeten.   Iemand scharrelt zijn jas en tas bij elkaar en verlaat de wachtkamer.De teller aan de muur is weer in beweging gekomen. Katrien kijkt op haar horloge. Straks is het haar beurt.

M. Peters
0 0

De Aanpassing

Ze zat voor het aanrecht op de grond bij het raam en wachtte. Het licht van de keuken was uit en de lamellen van het luxaflexgordijn stonden schuin naar boven gericht. Hij zou haar dus niet zien. Het wachten was zoals een spin op haar slachtoffer. Een vlieg misschien die nu nog onbekommerd rondzoemde en die haar, de spin, door de onschuldige onwetendheid van haar naderend einde, tot een godin verhief. Een kracht die naar eigen goeddunken over leven en dood besliste. Het web, minutieus gesponnen, was nog leeg maar zou snel gevuld worden. En ze voelde zich dodelijk, tot alles in staat. Dit gevoel was zalig. Bevrijdend! Dat was het juiste woord.   Maar het was ooit wel anders geweest. In het begin, toen de angst langzaam haar leven binnensloop, voelde ze zich dag na dag een beetje meer sterven. Toen was ze zelf zoals een minuscuul insect, vastgelijmd op de harige blaadjes van een zonnedauwplantje, dat langzaam de zon ziet verdwijnen. De angst wurgde haar en het leven werd elke dag grijzer en onaangenamer. Misschien zou ze op een ochtend gewoon niet meer wakker worden.   Sterven van angst, zou het mogelijk zijn, vroeg ze zich af. Natuurlijk wel. Er zouden vast en zeker dagelijks mensen sterven van angst. Waarom was de taal anders zo rijk aan angstwoorden? Ze had ze opgezocht en het waren er ongelooflijk veel. Van een lichte beklemming tot panisch met alle denkbare en ondenkbare variaties en gradaties. Er waren meer uitdrukkingen om angstgevoelens te beschrijven dan ze onthouden kon. Ze had ze allemaal opgeschreven, van het minst bang naar het meest om ze daarna dagelijks na te lezen. Elke dag had ze een woord of uitdrukking gekozen waardoor haar eigen gemoedstoestand het best omschreven werd. Haar angstdagboek was van bedremmeld en schuw al snel naar huiverig en benauwd overgegaan. Na sidderen en gruwelen waren kippenvel en het koude zweet aan de beurt. Ze dacht dat duizend doden sterven misschien het einde zou inluiden.   Maar niet voor haar! Hier in het donker wachtend op haar prooi en de overwinning bedacht ze licht huiverend van opwinding dat die duizend doden sterven niet haar eigen lot was. Zover was het uiteindelijk toch niet gekomen. Juist op tijd was daar die kentering, en duivels kon je uitdrijven, bedacht ze. Dat zou ze vanavond bewijzen.   Na de dood van haar ouders had ze een tijdje bij een oudere tante ingewoond en toen ze daarna hier in dit flatgebouw was komen wonen, had ze zoveel plannen gehad. Eindelijk op haar eigen benen. In drie dagen herschilderde ze al zingend de kamers. In de huurovereenkomst stond wel dat alle muren en deuren wit moesten blijven, maar daar had ze lak aan gehad. Dat waren zorgen voor over een paar jaar. Wie weet, als ze dit flatje in een eigen knus nest had omgetoverd, bleef ze hier wel wonen, had ze toen gedacht. Ze had interieurtijdschriften aangeschaft en een paar gedurfde kleurencombinaties afgekeken. Haar eigen kleurige biotoop, en het werden drie fantastische dagen waarin ze leefde op wijn en chips. Het slapen op de grond in een vrijwel lege flat had haar zich helemaal vrij doen voelen. Eindelijk!   Wat was ze naïef geweest. Die drie dagen schilderen bleken de enige probleemloze dagen, want daarna was de terreur begonnen. De morgen van haar inhuizing was het meteen raak, al had ze dat toen niet zo begrepen. De flat was op de benedenverdieping gelegen, wat de verhuis veel simpeler zou moeten gemaakt hebben. De aan de achterkant van het gebouw gelegen keuken, grensde aan een grote binnenplaats waarlangs de garages lagen. Het keukenraam was eigenlijk een deur, zodat als de verhuiswagen op de koer parkeerde, al haar spullen makkelijk door de keukendeur binnengehaald konden worden. Ze had heel de verhuizing nauwkeurig en grondig voorbereid. De inhoud van alle dozen was afgestemd op de kamer waar ze naartoe moesten en alles was gedetailleerd gemarkeerd en gemerkt. In theorie dus. In de praktijk bleek er ’s morgens een grote pick-up met de bak helemaal tegen haar keukendeur geparkeerd te staan, zodat er zelfs geen doos door naar binnen gedragen kon worden. Laat staan groter materiaal zoals kasten.   Zoeken naar een alternatief dus. Langs het raam vooraan was geen optie. Dat was in zo kleine compartimenten verdeeld dat er niks door naar binnen gehaald kon worden, tenzij enkele lichte dozen. Voor de zwaardere dozen was de onderkant van het raam te hoog. Langs de hal dan maar. Omdat die van buitendeur tot aan haar voordeur lang en smal was, betekende dit echter veel meer werk. Binnendraaien zonder de muren te beschadigen bleek een echt huzarenstukje. De door haar strak geplande verhuis liep in het honderd. Mannen die betaald worden om te sleuren en te slepen, doen dat ook. Alleen kwamen de meubels en dozen nu door alles wat deur en raam was en geen enkel ding bleek achteraf op de voorziene plaats te staan. Ze haatte chaos.   De pick-up was van de bovenbuurman. Daar kwam ze later achter maar toen was het al te laat om haar goed voorbereide verhuizing, die in een ramp veranderd was, nog te redden.   Elke flat had een aparte elektriciteitsmeter. Deze stond in de gemeenschappelijke kelder, zodat de meteropnemer er gemakkelijk bij kon. Praktisch! Alleen stond de hoofdschakelaar van elke flat dus ook in die gemeenschappelijke kelder, de kelder waar iedereen erbij kon. De tweede avond zat ze plots in het donker. Tegen de tijd dat ze de hoofdschakelaar voor de vierde keer opgezet had, was ze doodsbang. De rest van de avond bracht ze met een boterham bij kaarslicht door.   Op een dag belde de huisbaas. Hij meldde haar dat het verboden was om vuil te storten op de binnenplaats. Hij bleek in het bezit van foto’s die bewezen dat zij buiten haar keukenraam een heleboel rotzooi stockeerde. Op de foto’s leek het wel een vuilnisbelt. Hij wees haar op de clausule ‘onderhoud’ in de huurovereenkomst en vermeldde dat bij overtreding de huurtermijn niet verlengd zou worden. Het hielp niet dat ze volhield dat het haar spullen niet waren. De foto’s waren duidelijk achter haar appartement genomen maar dat moest dan gebeurd zijn op een moment dat zij niet thuis was.   Later kreeg ze een brief van de verhuurder met daarbij ingesloten de huurovereenkomst. De clausule ‘onderhoud’ was met fluostift aangeduid. Er was echter nog een tweede in geel gemarkeerd gedeelte: ‘De huurder verbindt zich ertoe om de muren en deuren in de originele staat, wit geschilderd, te laten.’ Erbij zaten foto’s die duidelijk van buitenaf door elk raam van haar appartement genomen waren en aantoonden dat zij de voorschriften overtrad. Ze voelde zich bekeken en betrapt. Begluurd in haar eigen omgeving. Dat wat veilig en van haar had moeten zijn, was bezoedeld. De gordijnen bleven voortaan ook overdag dicht.   Toen ze een paar dagen later thuiskwam, stond de bovenbuurman in de inkomhal en blokkeerde zo de doorgang naar haar voordeur. Ze schatte zijn leeftijd op midden veertig maar zeker was ze daar niet van. Wat haar betreft kon hij met zijn norse houding net zo goed ouder zijn. Hij verroerde zich niet en ging niet opzij. Aarzelend overwoog ze haar mogelijkheden. Ze had de keuze tussen zich smal te maken en met haar rug tegen de muur langs hem door te schuifelen of terug naar buiten te gaan en te wachten tot hij de hal verliet. Zenuwachtig wordend onder zijn starende blik voelde ze dat haar oksels nat werden van het koude zweet. Zijn linkermondhoek krulde licht omhoog, deed zijn linkeroog samenknijpen en vormde zo een gemene grimas op zijn gezicht. “Marginaal wicht”, grauwde hij tussen zijn tanden door, ”ga terug naar de steen waar je onderuit gekropen bent. Dit is een appartement voor fatsoenlijke mensen.” Ze koos voor de laatste optie en stapte achterwaarts terug naar buiten. Later op de avond glipte ze stiekem haar flat binnen.   Vanaf die dag was er telkens wel iets. Ze probeerde hulp te zoeken want wat kon zij in haar eentje doen tegen zoveel onrecht? Maar niemand geloofde haar of nam haar ernstig. De weinigen die haar geloofden hadden lachend gezegd dat hij, de bovenbuurman, misschien haar aandacht zocht. En anders moest ze hem maar eens goed de waarheid zeggen, kreeg ze als advies.   Ze had het dus opgegeven. Zou het met haar naam te maken hebben dat ze zo een makkelijk prooidier was? Haar ouders zaliger hadden getwijfeld tussen Claudia en Cynthia, had haar moeder haar vroeger verteld. Papa vond Claudia mooier en zo was ze Claudia geworden. Ze had het opgezocht. Claudia betekende: kreupel, hinkend, lam. Geen ontkomen aan. Een kreupele kon zich niet verdedigen. En ze had zich in haar rol geschikt, ze werd slachtoffer. Ze zweeg, verliet haar appartement pas wanneer ze zeker was dat de hal leeg was en probeerde elke confrontatie met haar kwelgeest uit de weg te gaan. Gelaten onderging ze haar lot en vulde haar angstdagboek met steeds krachtigere termen die haar wereld verengden en deprimeerden.   Maar op een dag kwam de kentering. Ze kon exact vertellen wanneer de transformatie begonnen was. Eerder toevallig eigenlijk. Op een zondagavond was ze moe en hongerig thuisgekomen. Vrijdags was ze bij een vriendin blijven slapen. Zogezegd om een glaasje te kunnen drinken en dan niet meer naar huis te moeten rijden met de auto. Eigenlijk was het om een rustige onbezorgde nacht te hebben, zodat ze eindelijk nog eens in kon slapen zonder tegen de angst te moeten vechten dat haar bovenbuurman ’s nachts terwijl ze sliep een gemene streek zou uithalen. Ze was er gebleven tot zondagavond. Langer kon niet meer want de volgende ochtend moesten ze beiden gaan werken. Bij het binnenkomen van haar appartement merkte ze dat de lichtknop het weeral niet deed. Geen elektriciteit dus. Maar vanaf wanneer? Ze was twee dagen weggeweest. Ze zag dat de keukenvloer nat was en controleerde vlug de ijskast. Waarschijnlijk was de hoofdschakelaar uit van vrijdagavond en dat betekende dat alles ontdooid en bedorven was, ook in de koelkast.   Het werd haar teveel. Tranen gleden over haar wangen naar beneden toen ze op de vloer ineendook. Radeloos huilend zat ze op de grond in de plas smeltwater. Toen ze geen tranen meer leek te hebben en haar gierende ademhaling overgegaan was in lichte hikjes, voelde ze hoe het smerige water haar kleren doorweekt had. Hoelang ze daar zat, wist ze niet maar opeens was haar blik op de doos met eieren in de open koelkast gevallen. Als gefixeerd had ze daar een tijd naar gestaard om toen bruusk de eieren uit de koelkast te grabbelen, de keukendeur open te rukken en naar buiten te stormen. Met kreten van woede had ze de eieren één voor één naar de schotelantenne op het balkon boven haar gegooid. Toen ze de kapotte dooiers langzaam naar beneden zag glijden ontsnapte haar een hysterisch giecheltje. Wat had ze gedáán? Terug binnen had ze een fles rode wijn uit de kast gerukt, onhandig ontkurkt en die glas na glas helemaal leeggedronken. Bij het laatste glas kwam ineens in haar verwarde hoofd de gedachte bovendrijven dat er eigenlijk niks aan de hand was want de relatie met haar bovenbuurman kon toch niet erger. Hij haatte haar om een of andere reden, maar hij zou haar niet erger kunnen pesten dan hij nu al deed. En wat kon hij bewijzen? In het beste geval zouden de eieren storing geven aan de ontvangst. Er zou vast wel niks kapot zijn.   Nog later kwam ze opeens tot de conclusie dat het eigenlijk best een goed gevoel gaf. Misschien kon ze zijn leven ook wel verpesten? Neen, beter nog, tot een hel maken. Een koekje van eigen deeg, heette zoiets. Dat was ze meteen gaan opzoeken, hier waren ook wel wat uitdrukkingen voor. Wraak was het juiste woord. Wreken, wraakzuchtig, wraakactie, wraakengel, wraakgodin,…Wie een kuil graaft voor een ander … Wie de bal kaatst … Vanaf die dag veranderde het angstdagboek drastisch van koers. In plaats van een moodboard van een verslagen ziel werd het een verslag van adaptatie, een weergave van perfecte assimilatie: wat gezaaid werd zal geoogst worden. De wraakgodin was geboren, weliswaar nog een prille baby maar die zou in snel tempo opgroeien.   Het uitdenken van de eerste actie had even moeite gekost, ze was tenslotte een aardig meisje, maar bleek achteraf een schot in de roos. In de Kringloopwinkel kocht ze een paar herenschoenen in een grote maat en in het park verzamelde ze de andere ingrediënten. Dat sommige hondeneigenaars zo laks waren met het opruimen van de drollen van hun misbakseltjes, kwam haar goed van pas. Ze haalde de schoenzolen door de uitwerpsels en maakte een voetstapspoor van buiten het appartement, door de hal, langs de trap naar boven tot aan zijn voordeur. Daar liet ze het ophouden. Het stonk verschrikkelijk. Tegen het uur dat iedereen thuiskwam van het werk, geurde de volledige hal naar hondenstront. De reactie kwam snel en was bevredigend. De commotie in de hal was enorm. De andere bewoners begrepen niet hoe je zo stom kon zijn om niet te merken wat eraan je schoenen hing en hoe je vervolgens het lef kon hebben om de hal in die toestand te laten. Wat hij erover zei maakte niet uit, het bewijs liep en geurde immers tot zijn voordeur.   Ze keek genietend door het spionnetje van haar eigen voordeur terwijl hij de hal poetste. Het gevoel dat haar die avond doorstroomde was helemaal nieuw maar uitermate verslavend, ze voelde zich slim en machtig. Al surfend op het internet diende zich de volgende ochtend een nieuw idee aan. Eerst maakte ze een valse alias aan met een e-mailadres waar een stukje van zijn naam in voorkwam. Daarna bestelde ze in verschillende onlinewinkels goederen op zijn naam en koos voor levering binnen de 24 uur. Als leveringsadres tikte ze de krantenwinkel verderop in. De eigenaar leek redelijk bevriend met haar bovenbuur, dus hij zou waarschijnlijk de pakjes niet weigeren. Het effect was minder goed te volgen maar vanuit haar raam dacht ze een discussie tussen hem en de winkeleigenaar te zien. Ze keken beiden boos en maakten een heleboel gebaren. Even later stond er een berg pakketten in de hal van het flatgebouw. Wat er daarna mee gebeurde wist ze niet, maar feit was dat de bovenbuurman er een heel aantal dagen nog chagrijniger dan anders uitzag. Hij stond nooit meer in de krantenwinkel.   Nieuwe daden bedenken bleek een fluitje van een cent, ze was er een creatieve meester in. Op een keer had ze een catalogus besteld bij een bedrijf voor erotische artikelen. Onder zijn naam uiteraard, maar met het busnummer van de grootste roddeltante in het appartement. Een tijdje later ving ze toevallig een gesprek op tussen een paar buren. Ze hoorde dat ‘hij’ toch eigenlijk wel een vieze kerel was en ‘dat ze het altijd wel vermoed hadden.’ Kon het nog mooier? Eindelijk erkenning voor hem, eindelijk zagen de andere mensen hem zoals hij echt was! Daarna was het alleen nog maar beter gegaan, elke actie voelde zelfs als een goede daad aan. Zij liet de wereld immers zien wat hij werkelijk was, een vieze slechte man.   Ze zat nog steeds in de keuken op de grond bij het raam en wachtte. Dit zou de kers op de taart zijn, haar ‘chef d’oeuvre’. Ze keek tussen de lamellen door naar buiten. Nog niks te zien. Ze had het helemaal gepland. Vanuit haar keukenraam kon ze de garages prima in de gaten houden. Ze wist precies van wie elke garage was, welke auto bij welke bewoner hoorde én ongeveer wanneer elke autobezitter vertrok of thuiskwam. Zo was ze er op een keer achter gekomen dat de pick-up niet zijn enige auto was. Hij had er nóg een. Een BMW 325i cabrio uit 1986 die hij met zoveel zorg omringde dat het belachelijk was. De affectie, die hij tentoonspreidde voor zo’n lelijke auto, maakte hem in haar ogen nog enger. Dagenlang lag hij op de grond aan dat ding te sleutelen. De oldtimer werd volledig gerestaureerd en het moest hem heel wat geld gekost hebben. Ze had het opgezocht.   Enkel in het weekend reed hij af en toe met de BMW. Die stond op een van de staanplaatsen tegenover de garage, want op die dagen zette hij de pick-up binnen. Ze wachtte. Op de achtergrond hoorde ze in de verte het geluid van een ziekenwagen. Of was het een brandweerauto? Verder was het stil. Langs haar stond een lege bus remolie.   Ze voelde zich machtig. Van slachtoffer naar jager, niet slecht, bedacht ze. Ze wachtte nu al een hele poos, maar het zou het waard zijn, want ze zou zijn gezicht zien vanuit haar schuilplaats als hij ontdekte wat remolie met autolak deed. Ze was helemaal rond de auto gelopen, ondertussen het goedje uitgietend. Zoiets simpel en verkrijgbaar in elke autospeciaalzaak.   Ze wachtte en hoorde het geluid van de ambulance dichterbij komen en toen plots verstommen. De hele verdere nacht had ze gewacht maar hij was niet gekomen. De BMW was blijven staan op de parking en ’s morgens hoorde ze dat een van de buren, die de beschadigde auto opgemerkt had, hem daarvan op de hoogte had gebracht. Het had hem geraakt, zij had hem geraakt. Hoewel de MUG er snel bij was geweest, had reanimatie niet geholpen. Een hartaanval had hem geveld, de duivel was uitgedreven.   Ze zou haar naam veranderen, vanaf nu wilde ze Cynthia heten. Het was de bijnaam van Artemis, de Griekse godin van de jacht en tweelingzuster van Apollo. Passend vond ze. Ze had het opgezocht.

Kris Roef
0 0