Lezen

Dankzij de bib

                                                  Dankzij de bib.         De Bib: je mag er mij in opsluiten. Ik zweer het je: ik geef geen kik!       Stel, ik zit in de leeshoek “Vrouwland” van Rachida Lamrabet te lezen. Dan steek ik als het ware, samen met Younes, de zee over en vergeet ik plaats, tijd en ruimte. Dat was al zo als kind. Dankzij de bib had ik van verhalen en boeken leren houden en geregeld kroop ik met een leesboek onder mijn bureautje en beleefde elk wonder mee met het meisje met de zwavelstokjes. Later kreeg ik een standje van mijn moeder omdat ik niet kwam, toen ze riep. “Sorry, mama, ik heb je niet eens gehoord. Ik was in de hemel!” moest ik bekennen. Mama schudde het hoofd: “Raar kind”, zal ze stellig gedacht hebben. En raar ben ik nog steeds, wanneer ik in een boek verzeil.       Ik vecht dan mee tegen de wilde zee, word mee naar de bodem getrokken. Verdrink ik in het donkere water? Even denk ik echt dat het gebeurt maar het is de bibliothecaresse, die het licht uitknipt en de deur achter zich sluit. Hier zit ik dan: opgesloten in de bib. Maar geen nood: niemand wacht op mij. Ik zoek in mijn tas naar mijn pillamp en flesje water, neem een slok en begin de rekken af te gaan. Ik heb de hele nacht tijd, wat een luxe!      Hoe men papieren bloemen maakt, hoe men echte rozen snoeit, welke plaatsen men best in Egypte bezoekt en wat men moet doen tegen rugproblemen. Dankzij de bib kom je het allemaal te weten. Als kind dacht ik echt: ik lees alle boeken uit de bib en dan weet ik alles. Zo simpel is dat! Maar nu, zoveel jaren later, besef ik dat het leven te kort is en de harde schijf in mijn hoofd te klein om dit alles op te slaan! Maar bij de romans, geklasseerd van A tot Z, word ik pas echt stil. De grootste bewondering heb ik steeds gekoesterd voor mensen die dat kunnen: schrijven wat ik voel. Ze kennen mij niet eens en toch lukt het hen een voor mij herkenbaar verhaal te verzinnen met emoties, die ook ik doorleef. Schrijfster worden, is dan ook lang een droom geweest en ik ben dus best wel fier dat er ten minste enkele kleine boekjes van mij in de rekken staan.      In deze bib wordt blijkbaar ook voorgelezen, want er hangen foto’s van luisterende kindjes en van de snuitjes valt af te lezen of het voorgelezen boekje vrolijk, spannend of misschien wel eng is. Wat mooi toch dat ze, dankzij de bib, zo mee kunnen opgaan in een verhaal, hun fantasie gebruiken en van het geschreven woord leren houden!     Ik moet alleen zorgen dat ik hier niet opgesloten raak op een woensdag, want dan kan het hier leeskring zijn. Vooral als de lezers het oneens zijn over de beoordeling van een boek, wordt er met veel animo gediscussieerd. Geloof me, ik kan het weten want, dankzij de bib, ben ik ook lid. Maar vandaag zit ik hier goed. De titel “Vrijheid”, een boek van Jonathan Franzen intrigeert mij. Ik begin er in te lezen, zak met het boek op mijn schoot neer en leun tegen het ijzeren rek. Hoelang? Geen idee! Maar als ik, net als Patty, de hoofdfiguur uit de roman, mij verkleumd van de kou voel, hoor ik iemand de bib binnenkomen en de trap opgaan. Ik slip naar buiten. What a night! Dankzij de BIB – zou dat de afkorting zijn van Boeken in Ieders Bereik? – droomde ik mij een wondere tijd.

Hope
0 0

Rust

Het was nu al de derde keer in korte tijd dat hij zijn auto niet onmiddellijk op de parking terugvond. De laatste maanden waren er steeds meer van die dingen geweest, een soort permanente verstrooidheid die zijn hoofd binnentrok. Thuis kon hij bijvoorbeeld minutenlang voor de deur blijven staan, tastend in zijn zakken, op zoek naar sleutels die voor de zoveelste keer niet te vinden waren. Of hij liep op het voetpad en wist plots niet meer naar waar hij op weg was. Het samenspel van geheugen, chronologie en details dat vroeger moeiteloos kon worden opgeroepen, dat raderwerk draaide niet meer naar behoren. Onlangs maakte hij zich de bedenking dat zijn bestaan het laatste jaar op een kies leek die langs de buitenkant wel intact bleef maar sluimerend van binnenuit werd verwoest. Meteen nadat hij de huissleutels binnen zijn gezichtsveld op tafel had gelegd zette hij zich neer en bekeek het schrift.  De aankoop ervan was een poging om alles op orde te zetten, een leidraad te vormen tegen de vervreemding die zich stilaan van hem meester maakte. Alles wat van belang was geweest in zijn leven moest worden genoteerd, het zou hem helpen een en ander klaarder te zien. Hij zou dan beter begrijpen waarom dat onwerkelijke feit uit het verleden het heden zo vorm is blijven geven. Hij trok een kantlijn en schreef in een handschrift dat bij zijn leeftijd pastte. In de rechterbovenhoek noteerde hij de datum, op een manier zoals hem dat hem vroeger geleerd was, met horizontale streepjes tussen de cijfers. Onder de bal van zijn hand lag een stuk roze vloeipapier, een vilten mozaiek van kleine en grotere inktvlekken die bij elke handbeweging trouw over het blad meeschoof. De eerste avond schreef hij drie uur na elkaar. Niet zonder enige moeite reconstrueerde hij gebeurtenissen en herinneringen. Hij had het lastig met data en haalde familielijnen door elkaar. Tegen alle verwachtingen in schreef hij meer over zijn vader dan verwacht, en vertelde uitvoerig hoe hij door een infectie een been kwijtraakte nadat iemand per ongeluk op het land een zeis in zijn onderbeen sloeg. Hij beschreef diepgaand het dorp waar hij opgroeide, zijn jeugd en zijn vriend Paul Bosschaert waar hij van kleinsaf mee optrok, Paul die meer lef dan hersens had. Ze waren onafscheidelijk en vertrokken op achttien jaar naar de mijn, samen met nog andere jonge roekeloze kerels, gelokt door avontuur en geld. Regelmatig masseerde hij de kramp uit zijn handen en vingers, hij was het niet meer gewoon zoveel te schrijven. De laatste bladzijde las hij nog eens na, en schoof een memoblaadje dichterbij dat naast een medicatiedoosje voor hem op tafel lag. Onder elkaar stond opgesomd:   lichten uitdoen achterdeur op slot enkele vlokjes aan de goudvissen ma-woe-vrij   Deze geheugensteuntjes hielpen hem, maar maakten hem ook ongerust omdat ze stilaan niet meer het gewenste effect hadden. Hij vergat ze te lezen of te schrijven. Soms hing hij tergend lang boven een vierkantig stukje papier met alleen maar een blanco gedachtengang. De vierde dag, het schrift was halfvol, kwam het deel waar niet aan te ontkomen viel. Het moest nu maar eens gebeuren, maar zoals altijd was de eerste reactie vluchten, het over iets anders hebben, boodschappen gaan doen, het schrift dichtslaan. Maar als hij de vrede wou vinden waar hij al die jaren vergeefs had naar gezocht, dan was er geen andere weg. Het op papier stellen, voorlopig enkel voor zijn ogen bestemd, zelfs dat scheen hem een onoverkomelijke opdracht. Ironisch genoeg had hij voor dit deel niet het minste last van geheugenproblemen. Als hij er in zou slagen het neer te schrijven, dan zou misschien de droom ophouden waar varianten van eenzelfde thema hem regelmatig teisterden : hij staat naakt op het dorpsplein, zijn handen te klein om de schaamte te bedekken, en op elke hoek galmen grote luidsprekers die zijn bedrog wereldkundig maken. Nagenoeg iedereen is toegestroomd wanneer hij als bedrieger wordt ontmaskerd. In nachten waar de droom werkelijk geen genade kende, ging daarbovenop nog een geluidswagen met dubbele megafoon door de omliggende dorpen. ‘Luister mensen, je gelooft jullie oren niet!’ Hij schudde zijn hoofd in zijn handen en probeerde de draad van het verhaal weer op te nemen.   “Misschien ben ik vriend met hem geworden omdat ik op de een of andere manier hoopte dat iets van hem op mij zou afstralen. Een glimpje durf maar, of een kooltje vuur uit die ogen was voldoende, daar zou ik al tevreden mee zijn geweest. Alles was voor hem zo evident, leven zo vloeiend in hem aanwezig, er was niets dat haperde. Ik was de stille, de bedachtzame, de sul. Ik kon mij alleen maar dagelijks vergapen aan zoveel zelfbewustzijn. En hij wist het, de lefgozer, en de meisjes ook. Zelfs als we aan het begin van onze werkdag klaar stonden om af te dalen en hij aan zijn altijd fraai geknoopte zakdoek rond zijn nek zat te frunniken, zelfs dan leek het of daar beneden nog meisjes op hem stonden te wachten.”   Hij zat al enige tijd op zijn stoel met het schrift voor hem. Vol aandacht keek hij naar de lijnen die zich vulden, zijn hand was het enige wat bewoog. Hij sloeg een blad om, legde zijn hand als een presse-papier op het vloeipapier en schreef verder.   "Het was na een vroege dienst. Vuil en vermoeid klommen we in de kooi, met onze schoofzak leeg achter ons aan. Terwijl we schuddend en rammelend de zes minuten durende tocht naar boven aanvatten was Paul alweer onvermoeid aan het praten gegaan. Hij kletste altijd maar door die kerel, zijn mond stond nooit stil, het enige wat hem kon overstemmen was de herrie van onze drilboren. Hoe hoger de kooi omhoog klom, hoe meer de broeierigheid plaats begon te maken voor koele en zuivere lucht. Op een zeker moment, ik zag de kleine lichtcirkel en de metalen constructie van de schachtbok boven ons groter worden, zei hij : ‘Vanavond zie ik Esther’. Dat was het laatste wat ik ooit uit zijn mond had willen horen, en terstond haatte ik hem om wat hij had gezegd. Zijn ogen lagen als vuurtorens in die zwartgeblakerde kop, en wat ik er in las vervulde me met weerzin. Die paar minuten nog dat we dicht tegen elkaar aan stonden gepropt waren ondraaglijk.  Ik deed mijn ogen dicht, onderbrak zijn geleuter met een geveinsde hoestbui en keek naar het diepe zwarte gat onder me. Iedereen, maar niet Esther. Gelijk wie, maar niet zij. De week daarop, ik geloof dat het een dinsdag was, een doodgewone werkdag, daalden we zoals gewoonlijk met vierentwintig kompels af en gingen aan het werk. Paul en ik werden galerij vier ingestuurd en deden verder op de plaats waar de vorige ploeg was opgehouden. Kolenwagons raasden naast ons voorbij, hels knarsend in de met grafiet volgeraakte sporen. Na al die jaren herinner ik mij alleen nog een diep gegrom dat uit de buik van de aarde leek te komen, en die mijn laarzen deed trillen als een koude dieselmotor. Dat weet ik nog goed. Het was bijna niet waar te nemen, maar luttele ogenblikken erna drong een hoog gesuis mijn oren binnen en een seconde later knapten steunbalken als lucifers en vielen elkaar broederlijk in de armen. Een dikke ondoordringbare wolk begon jachtig de wanden van de schacht af te tasten en rolde voor zichzelf een zwarte loper uit, en voor ik goed en wel terug rechtstond sloeg een walm van vochtige warme klei me in het gezicht en bleef knarsend tussen mijn tanden achter. Het smaakte raar genoeg zurig. Ik kon geen hand ver meer zien. De schel ging in de verte als een gek tekeer en ik besefte dat het menens was. Alle geluid kwam nu gedempt door, als roepen onder water, zo dik, vuil en vochtig was de lucht. Zelfs het paniekerig schreeuwen werd tot niet veel meer dan fluisteren herleid. Onze voorman ratelde schor de eerste namen af die in zijn hoofd opkwamen. Van Boxstael! Coekaerts! Van Landeghem! Melden ! Antwoorden godverdomme ! We moeten hier weg hoor je? In die lucht houden we het niet lang meer! Ringoot ! Antwoord dan toch klootzak ! Was Ringoot mee vanmorgen, ja of nee ? Het was niet efficiënt wat de man deed, maar het was menselijk. (Hij is nu al verscheidene jaren dood, aan stoflong, daar waren we na onze pensionering met ons allen heel solidair in). Met vierentwintig ondergingen we het geraas en riepen door elkaar tot onbedaarlijk hoesten ons het zwijgen oplegde. We waren op weinig voorzien maar deden wat we konden. Hoofdlampen schenen als zwak maanlicht, onwillekeurig lieten ze de radeloosheid van heel de onderneming zien. We volgden persluchtleidingen van drilboren en nog andere aanwijzingen waar makkers aan het werk waren en op die manier konden terugvinden. De meeste waren gekwetst, van wie sommige ernstig, en de eerste twee uur hadden we drie doden van onder het puin gehaald. Verbeke ! Ben jij dat Verbeke? Zeg iets man! Ik ben het! riep ik gesmoord met een zakdoek voor mijn mond. Ik ben ok ! Maar meteen begon ik weer te hoesten nadat ik brokken spuug en andere viezigheden omhoog had gerocheld. Hoe zit het daar bij jou? vroeg de voorman. Was Bosschaert niet bij je? Ik antwoordde niet. Bosschaert? Waar is Bosschaert, Verbeke? brulde hij opnieuw, en ik herkende de man niet die over zijn schouder hing te zieltogen. Ik had de persluchtleiding gezien die naar Paul zou leiden, maar ik ondernam niets om ze vrij te leggen. En ik had er geen moment aan gedacht om het wel te doen. Dat is het eerlijkste antwoord dat ik kan geven.”   Hij hield op met schrijven en las die laatste woorden wel honderd keer opnieuw, alsof het volstrekt nieuw was wat er stond, iets wat hij zelf nog moest beginnen geloven. In de tuin zag hij de wind door een plataan gaan die met zijn armen gastvrij blaren uitstrooide.   “Het was sterker dan mijzelf. Over brokstukken struikelend klom ik de schacht uit, vervoegde de rest op het gehoor en ondersteunde iemand van wie ik maar veel later te weten zou komen dat het Pacot was geweest. Na al die jaren huiver ik nog steeds om de vanzelfsprekende manier waarop ik met mijn helm tegen die van de voorman stootte, zijn hoofd vastgreep en zijn oor inriep:   ‘Niemand meer in vier ! Ik ben de laatste!’ We voerden gewonden af en brachten ze naar de kooi. De dichtheid en de ondertussen ondraaglijk geworden warmte vergden het uiterste van ons, en ik bewonder vandaag mijn makkers nog steeds om zoveel onbaatzuchtigheid.  We wisten het toen niet maar kwamen negen man tekort nadat de laatste was boven gehaald, badend in het licht van drie grote schijnwerpers die het gapende gat belichtten waar rook uitkwam.  Zwaailichten gaven de verzamelplaats aan de loods een macaber aanzicht terwijl we liggend op een brancard niets anders dan helder bloed, slijm en etensresten uitkotsten. Op de herdenkingsdienst twee weken later keken mensen ons met ontzag aan, als porseleinen beeldjes die extreme omzichtigheid vragen. Ik walgde van mezelf wanneer ze trots en bewonderend zo sluiks naar ons keken, en ik voelde tot op het bot de verdorvenheid van dat valse heldendom. Zoals zo vaak keek ik naar de grond en inspecteerde mijn schoenen. In die verpletterende sfeer kwam onverwacht Esther naast me staan, ik dacht dat het toeval was maar dat was niet zo. Ze had me gezocht. Met haar bruine verende krullen die ik overal ter wereld zou herkennen stond ze plots voorzichtig glimlachend naast me, en tijdens de preek van de kapelaan haakte ze ongezien haar pink rond die van mij en bleef strak voor zich uitkijken. Ik heb het haar nooit verteld. Het was onbeschrijflijk wat er die dagen door me heen ging, maar er was niemand ter wereld die ik meer wou dan Esther, dus bedolf ik alles onder, mee met de rest.”   Het was al lang donker wanneer hij met schrijven ophield. Hij deed de achterdeur op slot, liet een peertje branden in de hal en gaf de goudvissen een extraatje. Een voor een nam hij de pillen uit het doosje, en met een beetje water gooide hij het hoofd een paar keer achterover. Hij had nog enkele minuten. Hij bladerde het schrift nog eens door, las hier en daar een stukje, glimlachte soms, en legde het tenslotte open op de laatste, half blanke pagina. Heel traag trok hij een streep onder de laatste zin, zijn gezicht ernstig maar opgelucht. Het was voorbij. Hij deed het schrift dicht en legde het vloeipapier en de pen als een sluitsteen erbovenop. Hij ging op bed liggen en sloot de ogen. Het was voor hem een verademing geweest wanneer hij daarnet, als laatste zin, de aanhef van zijn lievelingspsalm had neergeschreven, woorden die hij altijd prevelde wanneer hij het ‘s nachts benauwd kreeg, wanneer angst met overtuigde kwaadaardigheid de lucht uit zijn borst kwam drijven:  ‘Uit de diepten roep ik tot U Heer, kom mij te hulp.’    

Lode Van Wabeke
0 0

Eenzaamheid.

EENZAAMHEID   Communicatie… Ooit zijn stokpaardje maar door omstandigheden volledig uit het oog verloren. Blij, al was het maar als een schim van vroeger, om terug te zijn. Mooi als een nieuw begin. Als elk nieuw begin. Een start? Voorlopig zonder doel en al zeker zonder einde. Kijken naar waar het hem brengt. Meeglijden op het moment. Genieten van wat komt. Een kans op herstel? Diep vanbinnen panische angsten, grote brandende vuren in kilometers diepe afgronden. Gewetenloze krijgers klaar om medogenloos toe te slaan. Afgrijselijke gedrochten dorstig naar jong bloed. De duivel zelf een pasgeboorne verorberend, dansend van extreem genot bij het zien van zoveel innerlijke pijnen. Een bedwelmende roes. Een onomkeerbare extase… Of toch? En toch! Voorlopig zit het goed. Met veel dank aan het hem omringende medische team en hun opgewekte, aanstekelijke doorzettingsvermogen. En de broodnodige medicatie. Dat helpt ook. Laat daar nooit twijfel over bestaan. Medicatie blijft onontbeerlijk. De allereerste contacten met een voor hem verdorven buitenwereld verliepen stroef. Een buitenwereld waarvan hij ooit genoten had als was het een verslaving. Hij had in die periode in zijn leven nood aan aandacht en alles en iedereen zou en moest hiervoor wijken. Verslavingen, van welke aard dan ook, zijn altijd gedoemd om fout te eindigen. Altijd! Aan hem om deze negatieve spiraal te doorbreken. Enkel een positieve ingesteldheid zou hier wonderen kunnen verrichten. Aan hem om zich hiervoor open te stellen. Door de fijne, korte contacten die hij dagelijks beleefde met zijn ‘vriend voor het leven’ leerde hij stillaan weer meer aandacht te besteden aan andere, al dan niet verplichte contacten. Aandacht onder de vorm van bezoek van wat er rest van zijn familie en vrienden, hoefde voorlopig echt niet. Daarvoor was de schaamte voor wat gebeurde nog te sterk aanwezig. Zijn relatie met het verplegend personeel, de dokters, specialisten elk in hun vak, verliep steeds gemoedelijker. Het pure en rauwe negativisme en zijn onbegrijpelijke irritante vijandigheid tegenover iedereen die hem wou helpen, sleet steeds meer en meer af en er kwam een soort van gelaten maar welgemeende appreciatie voor in de plaats. Contacten met andere patiënten en hun familie beperkten zich, al was dat volgens zijn voltallige medische team een wonderbaarlijke vooruitgang, slechts tot een kort knikje als begroeting of bij hoogste uitzondering en dus echt alleen op de allerbeste dagen tot een vriendelijke, korte vocale groet. Drong het dan eindelijk tot hem door dat de contacten die hij zolang schuwde eigenlijk van levensbelang voor hem bleken te zijn. Een belangrijke levenslijn. Als een aorta… Het halsstarig mijden van alle menselijke contact dreef hem uiteindelijk en onvoorwaardelijk richting onverdraagzame eenzaamheid. En zelfs, in zijn donkerste gedachten, tot de dood. Althans tot een poging om te willen sterven. Nu, terugblikkend op die gitzwarte periode, kon hij zelf amper vatten wat hem toen bezielde. Als hij vroeger, in zijn volle glorietijd, verhalen hoorde over jonge mensen die zichzelf van het leven hadden beroofd, dan kon hij dat werkelijk nooit begrijpen. Het leven mocht nooit zo negatief worden dat je er geen zin meer in had. Het leven kan je pijn doen, het leven kan je ontgoochelen, onhoudbaar, ongecontroleerd en onrustig… maar je staat altijd weer op. Je laten gaan, je laten meevoeren in een negatieve straalstroom van foute gedachten is makkelijk. Het vergt bitter weinig energie en al helemaal geen persoonlijkheid. Zieligheid en karakterloosheid. Stoppen met jezelf te wentelen in zelfvernietigend en klaaglijk zelfmedelijden. Gitzwarte gedachten verdrijven met het zoeken naar de laatste sprankeltjes hoop. Helemaal verscholen in het verste uiteinde van de donkerste tunnel. Jezelf optrekken aan laatste kaalgevreten strohalmen. Overschotjes van geluk achteloos overboord gegooid door anderen. Krachtdadig optreden tegen alles wat je neerhaald. Streven naar eigenwaarde, naar menselijkheid. En toch heeft hij zichzelf laten vangen. Toch liet hij zichzelf meevoeren in het kolkende en overhitte negativisme zonder het op het eerste zicht te beseffen. En zelfs al was het te laat aan het worden, dan nog drong het niet tot hem door. De vervloekte verdoemenis sleurde hem steeds dieper en steeds verder weg van elke vorm van voorspoed. Geluk werd toen zelfs een utopische toestand. Maar dan zo stoicijns, zo gelaten dat hij de moed niet meer kon opbrengen om ernaar te streven. Toch merkte hij nu, na de vele dagen, weken en zelfs blijkbaar volledige maanden, die hij in behandeling had doorgebracht, dat hij zich nodeloos had laten afglijden in ongekende droefenis, ongemeen harde eenzaamheid, verlies van vertrouwen en elke zin van realiteit. In een compleet fout en verwrongen zelfbeeld. Brak de zon al door de wolken? Nooit te vroeg victorie kraaien. Opmerkzame verpleegkundigen met hun dagdagelijkse taken voorzagen een schuchtere poging om het zware wolkendek van het donkergrijze onweer te doorbreken. Van blauwe hemels, witte schapenwolkjes en een stralende zomerzon voorlopig nog geen sprake… Eerder een verdwaalde bliksemschicht die het wolkendek voor enkel seconden, minuten soms, opensperde. Momentopnames die even snel vervlogen als ze verschenen. Maar dus wel een merkbare verbetering. Het einde van een zwarte en zware periode. Een zegen voor iedereen en al zeker voor de patient zelf… Zoals gewoonlijk probeerde hij de drukte in de tuin voor te zijn. Maar anders dan op vorige dagen hoopte hij, en wel zo hard dat het zelfs niet stiekem hoefde, dat zijn ‘lifesaver’ er ook zou zijn. Niet dat ze tegenwoordig afspraken als was het een date. Zo sterk zou je hun band niet kunnen omschrijven. Toch merkte het verplegende personeel een duidelijke ontdooing in de omgang tussen de twee meest  moeilijke sujets binnen hun afdeling nu deze karakters elkaar hadden gevonden. Niet dat ze nu meteen het vrolijkste duo binnen de muren van het gebouw vormden. Zeker niet dat ze nu  honderduit zaten te babbelen en te lachen. Maar zeker wel een aangename toenadering. Een knikje, een glimlach bij de begroeting, enkele korte cliché zinnetjes over weer en gezondheid. Samen zwijgend en vooral misnoegd kijkend naar de drukte. Dezelfde afkeer voor de massa. Genietend van intense en interne rust en hoorbare stilte en ook elke keer weer meer van elkaars gezelschap…  

Filip Lamonte
6 0
Tip

een kale kip kan je niet plukken

Antoine zat in een kleine ruimte met zes dezelfde, saaie stoelen. Plots stond meester van Doorn in de deuropening. “Mijnheer Dekkers!” Antoine stond op. Hij en meester Van Doorn liepen de gang door en het indrukwekkende kantoor binnen. Aan de muur hingen reproducties van Canaletto. Aan de linkerwand van de ruimte stonden vijf kasten vol met overzichtelijk geordende boeken. In het midden van het grote bureau lag een dun groen mapje. “U weet dat uw tante nog veel rekeningen te betalen heeft?” zei meester van Doorn verwijtend. “Ja. Nu, ze heeft een klein pensioen.” stamelde Antoine. “Wie gaat dat rusthuis betalen?” vroeg de advocaat dreigend. “Geen idee. Het OCMW misschien?” “En wanneer zie ik mijn centen?” ging meester van Doorn geïrriteerd verder. “Geen idee,” zei Antoine en dacht: ‘typisch advocatuur; die denken enkel aan hun eigen centen.’ “Een kale kip kan je niet plukken.” klonk het op ernstige toon. Antoine kreeg een glimlach op z’n lippen. “Kijk, zou u zo vriendelijk willen zijn oplossingen te bedenken?” “Omdat u meester Peeters zo goed kent maar hij geen expertise heeft als het om bewindvoeringen gaat, wil ik u wel helpen. Na de opstelling van het patrimoniumverslag heb ik maar één conclusie, en zoals ik al zei, een kale kip kan je niet plukken. Ik zal vrederechter Schuermans en het OCMW contacteren.” zei meester van Doorn verzoenend. “Hartelijk dank.” reageerde Antoine opgelucht. “Zou uw tante nog in staat zijn tot op mijn kantoor te komen?” vroeg hij zakelijk. “Geen idee. Ze is niet echt gelukkig in het rusthuis. Af en toe is ze zelfs agressief. Ze doet haar soutien niet meer aan. Haar gebit vindt ze ook overbodig. Tante Lydia gaat erg snel achteruit maar ik wil het haar wel vragen. Misschien is ze vereerd.” klonk het grappiger dan bedoeld. “Goed. Ik hou u op de hoogte. Laat mijn secretaresse maar weten wanneer u en uw dementerende tante langs zullen komen.” en hij schoof het ongeopende, groene mapje opzij. “Wat doe ik met de correspondentie die nog op haar adres toekomt?” “Bezorg me die.” “Ok” “Wist u dat?” “Wat?” “Wist u dat uw tante geen financiële middelen meer heeft?” “Ja” “U heeft mij met een vervelende taak opgezadeld.” “Tja,” reageerde Antoine gelaten. “Goed. On verra bien. Doe uw tante de groeten,” zei meester van Doorn voor het eerst vriendelijk. Meester van Doorn en Antoine stonden recht en gaven elkaar een hand. Ze wandelden tot aan de voordeur. Meester van Doorn deed de deur open en zei koeltjes:“Tot ziens”. “Bedankt!” repliceerde Antoine. Hij stak een sigaretje op en dacht: ‘het blijft toch een merkwaardige man die meester van Doorn en ik hoop dat het in orde komt.’          

Hubert Grimmelt
37 0

Alleen maar Engels

“Ze spreken daar alleen maar Engels”, zei mijn collega. Hij had het over de Nederlandse stad waar ze hem niet begrepen. Ik kon het enkel bevestigen. Al is ‘alleen maar’ lichtjes overdreven. Maar in het Rotterdamse hotel waar we verbleven maakten we hetzelfde mee. “Het mag in het Nederlands, wij komen uit België”, glimlachte ik aan de receptie. Maar het hielp voor geen meter. De receptioniste ging vrolijk verder in het Engels.  Op het strand van Scheveningen was het van het zelfde laken een pak. Ik meende me aan de Hollandse geplogenheden aan te passen en bestelde een pilsje aan de jongedame van het strandcafé. “A beer for you sir?”. Dat pilsje was haar bekend. Iets later (het was nogal warm die dag) vroeg ik naar een ‘pintje’, maar dat kende ze niet. Het was die namiddag op het strand dat ik aan onze pa moest denken. Hij zou nog eens moeten terugkomen. En verbazend vaststellen dat niet alleen het dialect verdwijnt, maar ook stilletjes aan het Nederlands. Zo vertelde hij vaak die anekdote over de ingenieur in het fabriek waar hij portier was. Die belde met de vraag of hij samen met zijn collega kon langskomen. Ze gebruikten toen nog uitdrukkingen in het dialect die je vandaag niet meer hoort. Om te zeggen dat je ‘dadelijk’ kwam, klonk het zoveel als “ik kom bè djème”. Het lag op zijn lippen om het op die manier tegen de van oorsprong Franstalige ingenieur te zeggen, maar hij kon zich net inhouden. Hij vroeg aan zijn collega hoe je dat alweer in het Nederlands zei. Het eerste wat bij hem opkwam was ‘ik kom bij demen’.     Och, het verandert allemaal. Dat kan op zich geen kwaad. Maar dat terugkomen, dat zou toch eens moeten lukken. Al is het maar voor één keer.

Rudi Lavreysen
79 0

Het meisje in de trein

Vanuit zijn coupé ziet hij haar met haastige passen het station betreden. Haar zwarte hakken galmen ritmisch en agressief door de stationshal en met iedere gehaaste stap bewegen haar borsten licht op en neer onder haar zwarte truitje. Ze is mooi. Dikke rode krullen vallen als een waterval over haar schouders en haar gezicht is bedekt met sproeten. Gefascineerd kijkt hij hoe ze een kort sprintje trekt en net voor het fluitje de trein in duikt.   Voorzichtig legt ze even later haar cameratas neer en plofte daarna met een diepe zucht in een stoel aan de andere kant van zijn compartiment. Haar wangen en voorhoofd zijn rood gekleurd en parelende zweetdruppels op haar voorhoofd vonkelen in de late middagzon. Hij kijkt naar haar en grinnikt even om haar ontredderde status. Verbaast kijkt ze op, realiseert zich haar situatie en glimlachte terug, waardoor twee kuiltjes in haar wangen schieten. Even zitten ze gevangen in elkaars blik, maar al snel slaan ze allebei verlegen hun ogen neer. Beiden niet wetend wat ze moeten zeggen of doen. Beiden bang voor het onbekende. Zij pakt haar mobiel en begint driftig te typen. Hij doet zijn oordopjes in, zet een muzieklijst op en staart uit het raam. ‘Ze had net zo goed op de maan kunnen zitten,’ denkt hij bij zichzelf terwijl hij zijn ogen dicht doet. Langzaam begint hij weg te dommelen.   Hij wordt gewekt door een klik en een felle flits. Verbaasd en verdwaasd kijkt hij naar links, recht in de lens van een camera die omlijst is door rood haar. Zij kijkt op en begint direct te blozen.   ‘Ooh sorry, uhm, ik dacht dat je sliep.’   ‘Dat deed ik ook.’ Hij wrijft in zijn ogen.   ‘De flits stond nog aan.’ Haar gezicht was nu vuurrood geworden. ‘Sorry, ... Ik maak altijd foto’s van mensen die slapen op openbare plekken,’ stamelt ze. ‘Ik heb een hele collectie. Maar ik zal hem direct verwijderen. Maak je geen zorgen, ik uhm… Sorry.’ Ze slaat beschaamd haar ogen neer en prutste wat aan de camera.   Hij kijkt haar niet begrijpend aan terwijl de mist van slaap langzaam zijn hoofd verlaat. ‘Ho, wacht even hoor. Wat is er zo interessant aan slapende mensen?’   Blijkbaar had ze deze reactie niet verwacht, want ze kijkt verrast naar hem op.   ‘Nou, mensen zijn zo kwetsbaar als ze slapen,’ zegt ze dan aarzelend. ‘Mensen die slapen in de trein voelen zich daar blijkbaar volledig veilig. Je kan je ook niet anders voordoen als je slaapt. Mensen zijn dan heel puur, dat vind ik mooi.’   Hij glimlacht. ‘Mag ik de foto eens zien?’   Ze draait het kleine schermpje van de camera naar hem toe. Met één hand aan de zijkant van zijn gezicht en zijn kin op zijn borst ligt hij daar, achterover in zijn stoel. Charmant is anders.   Hij grinnikt. ‘Ik heb geen idee wat je hier ‘mooi' of 'puur' aan vindt, maar je mag hem van mij aan je collectie toevoegen hoor.’   Ze kijkt hem dankbaar aan. Er verschijnt een lichte twinkeling in haar ogen, en de kuiltjes in haar wangen springen weer tevoorschijn.   *Station Utrecht Centraal*, galmt het plots door de trein. *Utrecht Centraal*   Verschrikt kijkt hij op zijn horloge. ‘Oh shit, ik had er bij Zwolle al uit gemoeten.’   ‘Er gaat over 20 minuten één terug,’ zegt zij terwijl ze op haar horloge kijkt. ‘Weet je wat, ik koop wel een kop koffie voor je, als excuus voor de foto. Ik moet er hier toch uit.’   ‘Zolang je dan maar geen foto’s van me gaat maken terwijl ik het drink,’ zegt hij terwijl ze samen opstaan.

Aldous Geechyde
0 0