Lezen

ANNA.

“De koekoeksklok, houden of niet?” “Doe maar weg, iedereen vond die lelijk, zelfs zij.” Ze was zeker dat Sam nu met opgetrokken wenkbrauwen naar haar keek. Regen leek onregelmatig in een metalen pot te druppelen, het geluid van de oplichtende tl­lampen. “Geef m’n gsm even.” Sam schoof de gsm na een paar pogingen in haar handen. “Geen signaal.” De gsm bleef dit herhalen terwijl Anna met babystapjes door de woonkamer manoeuvreerde.  “Wat bezielde haar om in deze godvergeten plek in te trekken.” “Anna, je weet dat ze van deze plek hield.” Hij snoof stofdeeltjes binnen. In haar gedachten zweefden de deeltjes in een hevige straal zonlicht. “Ook toen ze hier helemaal alleen stikte in haar eigen bloed?” Enkel een ademhaling. “Anna.” Zijn stem was doordrenkt met medelijden voor die vrouw.  “Ik ga in bad.” Bij elke stap die ze nam ratelde het hele huis. Als een ronkende kat, rollend in het gras met zijn snoetje richting de zon. Mooie vacht, prachtig langs de buitenkant. Minder mooi langs de binnenkant eens opengereten onder de banden van een auto. Ze porde telkens tegen wat een muur leek om vervolgens met haar vinger in een leegte te priemen. Een beschimmelde, vochtige geur kronkelde in de lucht. Alsof de natte badkamer jaren ineen gepropt in een hoek heeft zitten wegkwijnen om vervolgens naar adem snakkend en in paniek in Anna’s gezicht te schoppen. Ze tastte herhaaldelijk naar de badkraan die ze na een paar pogingen met moeite beetnam. Voor ze hier als tiener vertrok was het bad altijd al gevuld. Toen moest ze altijd in het ijskoude water gaan liggen. Elke kleine beweging in het water voelde alsof haar huid langs een rasp werd geschuurd. Ze probeerde zichzelf voor te stellen: een gebogen hoofd, starend in het water naar een reflectie die ze niet kon zien. Nu krulde warme damp dansend om haar heen. Deur dicht, kleren uit, bad in. De snelle pijn.  Druppels vielen ritmisch in het water nochtans lekte de kraan niet. Ze zakte steeds dieper het water in. Schouders, hals, lippen. Haar hoofd was ondergedompeld in het water. Binnensmonds telde ze tot tweeënveertig. De longen leken te verschroeien, de cellen in haar lichaam riepen in koor om zuurstof. Niet luid genoeg, ze moesten schreeuwen, gillen, krijsen. Ze wierp zichzelf recht en bleef naakt in het bad rechtstaan. Een stem aan de ander kant van de deur. “Ik ga eten halen. We moeten nog heel wat van haar spullen sorteren. Zorg dat Boxy niet naar buiten loopt.” Ze sloeg haar armen om zich heen. Hij zei geen woord, maar ze voelde zijn aanwezigheid. Zijn tentakels strekten zich naar haar uit, terwijl hij opgewonden in haar nek stond te hijgen. Hij ketste met zijn zweephand in de badkamer alsof hij die in twee probeerde te hakken. “Zus?” Hij had onmiddellijk spijt dat hij dit woord net uitsprak. “Anna?” “Ja, is goed. Ik blijf wel hier.” “Zeker?” Ze liet de krakende boiler de stilte vullen. Zijn voetstappen klonken steeds verder weg, lieten een groen slijmspoor na. Eens uit bad tuurde ze naar de spiegel. Haar handen gleden in schokjes over haar schouders, na een dal over een heuvel dat haar sleutelbeen was, verder over haar borsten, een vlakke autostrade, tot ze tot stilstand kwamen op het uitstekende bot van haar heupen. Een doodlopende straat. Maar blijkbaar niet voor iedereen. Onbedekt strompelde ze naar de keuken. Haar vingers volgden de groeven in het houten aanrecht als een naald in een vinylplaat. Dit tot die naald op een obstakel stuitte. De vorm van een pen. Ze rolde het tussen haar handpalmen. Een zachte structuur, een verend kussen. Een groene geur broeide in de keuken. Haar andere hand raakte een klein, rechthoekig bakje. Er leek een vloeistof in te zitten. Even later zat de brandende balpen tussen haar lippen terwijl de groene geur recht voor haar gezicht pulseerde.  Steeds heviger, des te waziger.  Overal lichtten kleine, groene lichtbolletjes op, telkens op een ander moment.  Soms was er een paars­blauw­rood­geflikker vermengd met een hoge piep door merg en been. Dan vormden zich kleine en afzonderlijke, fonkelende riviertjes die in slierten om haar heen zweefden als de geruststellende aanwezigheid van een moeder. Dat gevoel kon ze vroeger enkel strelen, maar ze had er nooit een vat op.  Alsof ze stomdronken een Van Gogh bewonderde. Eén van de riviertjes leek een vorm aan te nemen en snuffelde met een natte snoet aan haar tenen. De groene bolletjes bonsden als een hart rond haar blauwe, opgezwollen enkels.  Eerst streelden de lichtjes zacht. Dan krabden ze behoedzaam als een kind, steeds achterom kijkend uit de angst betrapt te worden met een snoepje. Tot ze uiteindelijk op haar inbeukten alsof ze een stug stuk vlees was. De bollen werden rood en verzwolgen haar als een stuk brandhout, een smeltende speelpop.  Uit gewoonte bleef ze staan. Haar ogen voelden nat en wak. In de deuropening rolden de bollen op als een tentakel. Eerst likte het de lucht om er vervolgens met een zweepslag in te knallen. Hij schuifelde traag dichterbij, zelfzeker dat Anna niet zou weglopen. Het hart bonsde als een galopperend paard. Ze was Anna niet meer.  Botsend op alle mogelijke hoeken en kantjes in het huis rende ze de pulserende keuken uit tot ze buiten stond. De bollen vervaagden en verdwenen in een alles bedekkend zwart. Geen geklop meer. Er was enkel één geluidje dat ze onmiddellijk herkende. Twee paar pootjes tikten tegen de stenen tegels aan de voordeur. Steeds sneller. “Boxy! Kom hier!” Haar ademhaling versnelde tot het tempo van een trein in volle vaart. De bomen drukten op haar schouders, ze smeten vol vuur verwijten naar haar hoofd. Ze had nu pas door dat enkele takjes onder haar knarsten als een oud stuk brood dat in twee brak. Al rennend klonk er een hele jungle aan geluiden onder haar voetzolen. De wind scheerde over haar naakte huid en smeet ijsblokken op haar bloedrode voeten. De rillende koelte van het bos deed haar nekharen overeind staan, zoals wanneer de tentakels langs haar rozijnenhuid wriemelden. Een flits sneed door haar zwart en liet golven van knallen achter. Dat werd gevolgd door een hoge piep in haar rechteroor “Ga van mijn domein af, boerenmeisje. Hier staat ‘privé’! Maar zo’n boer als jij kan dat natuurlijk niet lezen.” Op haar hurkje met de handen over haar oren.  Ze staarde om zich heen, zag niets, huilde.  Het hart was er weer, ze leefde nog. Haar lichaam was ondergedompeld in het schurende ijswater. Haar cellen schreeuwden. Zij niet meer. “Ik ben de dochter van mevrouw Meeuws.” De metalen kogelbuis zakte langs zijn been tot op de bebladerde grond.  Hun gesprek werd gevuld met dat van de uilen. “Sorry dat ik het niemand heb verteld. Ik was vrienden met je moeder en je broer. Ik kon hen niet zomaar in de steek laten,” had hij kunnen zeggen. In de plaats daarvan duwde hij Boxy in haar armen. Zijn lompe voetstappen verdwenen. Wanhopig probeerde ze zich af te duwen van alle boomstammen om zich zo een weg te banen naar haar ouderlijke huis. Boxy’s wollige huid schuurde haar blote borst op tot een ochtendrood. Haar blauwe enkels golfden over in een vaal gele buik, stortend in haar rode borst. De verpersoonlijking van de Roemeense vlag. Haar mondhoek vormde een opstaand hoekje bij die willekeurige gedachte. De groene bolletjes zinderden weer even na.  Ze wiegden zorgeloos in de armen van de sussende wind.  De tentakels rukten die armen uiteen in rauwe stukken vlees, klaar om opgebakken te worden.  De moordenaar van een jeugd. “Anna!”  Het monster kwijlde de herfstgrond tot modder. “Ik was zo ongerust.” Sam sloeg zijn jas om haar kleerhanger­schouders. Hij had al meer van haar lijf gezien dan zij ooit zal kunnen.  Zijn sleurende adem viel als een masker om haar puntig gezicht en trok haar aan de haren mee naar mama’s huis. Boxy trippelde weer door de keuken terwijl Sam een fles rode wijn opende. Zij richtte zich met gebogen hoofd tot hem. De wijn klokte in het wijnglas dat om haar heen leek te krullen. Een bedwelmende frietgeur walmde langs haar gezicht. Gele bolletjes flakkerden op. Haar poppenogen weigerden het monster te aanschouwen. Het aanrecht was het enige dat hen van elkaar scheidde. Hij schoof twee borden over de tafel. Zij schokte kort. Sam liet een zucht. Monster lachte. Sams arm gleed voorzichtig over haar rug. De tentakel om haar heup. Het bad liep over. Anna greep moeiteloos het wijnglas, scheerde het door de frietlucht en boorde het de keukenvloer in. Sam trok zich terug. Het monster liep haar achterna, trok haar wollen trui uiteen. Haar tere handen beukten in op de glibberige zweephanden.  Ze liep naar mama’s kast vol drinkglazen en griste naar al het mogelijke glas in de kast en sleurde het op de grond. Haar blinde ogen staarden in zijn richting terwijl ze uitgeput ademhaalde. De vloer lag vol scherven, als een massagraf in de woestijn. Zij sprintte naar de trap, het monster omarmde haar en wierp haar op de lijkenwoestijn. Sam keek toe.  De flarden glas huisden zich in haar rode arm. Ze greep het bord van tafel en ramde het in Monster. Plots was ze weer in het bad. Ze begon aan haar tweeënveertig seconden. Haar cellen jammerden door het gebrek aan zuurstof. Nu gilde zij mee alsof ze hun luidspreker was.  Haar hoofd zat onder het ijskoude wateroppervlak. Mama’s moederarmen persten haar op de bodem van het bad, alsof ze hen wou vereenzelvigen. Misschien bleef mama doorgaan omdat ze geen tranen zag, die bevroren immers en zakten naar de bodem. Anna’s kinderspieren waren hulpeloos. Moeder riep tiener­Sam om de deur op slot te doen.  Zij zag niets, zij gilde. Hij zag alles, hij zweeg. 

Etlir Xharra
0 0

Hij

Beste Fabienne,   Vind jij het ook moeilijk om één belangrijke ontmoeting te kiezen? Deze schrijfopdracht lijkt om ontboezemingen te vragen. Opletten dat ik niet te zweverig word!   Soms brengt het leven verrassingen of katalysators. Is dat omdat je er zelf klaar voor bent of kent die andere de toverspreuk die je dieper raakt dan de huid? Een keerpunt in mijn leven kwam in 1995 met de ontmoeting met stagementor Gert. Hij passeerde in mijn wereld als 3e jaar student.   Gert was anders, hij leek mij op dat moment echt te zien. Iets wat ik nog nooit eerder gevoeld had. Hij had iets mysterieus. Hij leek mij te willen doorgronden. “Haal je niets in je hoofd. Je ziet dingen die er niet zijn. Je hoopt dat hij je interessant vindt. Waarom zou hij?” was de mantra in mijn hoofd de eerste dagen. De wereld was hard in die tijd en “hard to get” ook.   Ik wilde zoveel mogelijk met hem op ronde. Hij lachte om dezelfde dingen, was ook nog zoekende in het leven, wilde de wereld echt verbeteren (wat hij ook deed in mijn geval) geloofde in het goede van elke mens en gaf ook de indruk mij te appreciëren. Voor hem leek niets onmogelijk. Hij was amper 6 jaar ouder maar hij straalde de wijsheid uit, die ik wou. Hij stelde mij vragen die niemand eerder stelde. Valt het op dat ik hem grondig bewonderde?   Onze ontmoetingen raakten mij zo diep dat er een deur in mij open. Oeps, te zweverig? Een zalig frisse wind bracht energie en hoop. Licht in duisternis en warmte in het vriesvak. Misschien denk je nu dat er een liefdesrelatie volgde? Dat er passionele avonturen beleefd werden? Liefde was er zeker. Maar een echte relatie als in “koppel” is er nooit geweest.   Ik kwam van ver en was te bang van meer dan die ene echte kus. Hij gaf zelf ook aan dat hij niet klaar was voor een nieuwe relatie. Teleurstelling maar mogelijk ook opluchting. Ik had hem toch niet kunnen bieden wat hij verlangde. Hem liet ik gaan, maar zijn energie hield ik vast. De vlinders in mijn buik waren prachtig en ik voel dat er nog steeds rondfladderen als ik aan hem denk.   Door Gert was ik plots wel klaar om verdere stappen in mijn leven te zetten. Me open te zetten voor anderen. Zelfvertrouwen zal nooit mijn zwaarste rugzak worden, maar kreeg in die jaren toch enkele kilo’s bij. Zonder groot afscheid scheidden na enkele jaren, waarschijnlijk vooral door mij. Bang om de magie van toen te verliezen, ben ik weigerachtig om hem actief terug te gaan ontmoeten. Wat denk je, Fabienne? Is dat gek van mij?   Ik ben toen Frans gaan bijstuderen in avondschool, want ik wilde naar het buitenland, ontwikkelingshulp… Daar, in de Franse les, gebeurde een tweede wonder, de man van mijn leven was er ook. Ik kon me openstellen en had voldoende vertrouwen om hem te versieren tot een filmavondje. De liefde werd werelds, meer dan eens was hij mijn coach en de engel die mij mama maakte. L’amour était arrivé.   Mijn leven werd nooit echt avontuurlijk of wereldverbeterend. Maar persoonlijk legde ik op een heel traject af. Zonder grote vijanden, leerde ik steeds beter aanvaarden dat eenzaten ook ok zijn en word ik minder vijand van mezelf. En dat is al heel wat.   Ik was gered. Wie is jouw redder?   Groeten   Inge

Joena C Bigs
0 0

Brief aan 'de zwarte panter'

                                                                                                   Kortrijk, 4 mei 2018     Zwarte Panter,    Al heel lang ben je prominent aanwezig in mijn leefwereld. Het ‘zwarte beest’ dat niet van mijn zijde wijkt. Dat me voortstuwt en over mijn grenzen drijft. Dat me doet geloven dat ik zonder jou niets waard ben.  Ik verkeerde in de waan dat jouw aanwezigheid onontbeerlijk was; een geschenk! Dat jij me beschermt, kracht geeft en het beste in mij naar boven haalt. Ik gaf jou vrij spel en bleef jou maar voeden. Jij sloeg compleet op hol en sleepte mij steeds verder achter jou aan. Onlangs ben ik ontwaakt: jij holt me uit, drijft me weg van mezelf en maakt me kwetsbaar. Eindelijk zie ik het.  Jij donderde van jouw torenhoge voetstuk. En ik probeer recht te krabbelen. Jouw nieuwe positie bevalt jou niets. Je manifesteert je als nooit tevoren (ook nu voel ik jouw hete adem in mijn nek). Je probeert mij op alle mogelijke manieren opnieuw te verleiden tot overgave.  Ik ben echter vastberaden: het is nu aan mij! Ik neem de regie van mijn leven opnieuw in handen. En ik laat jou los; hier en nu. Ik weet dat jij mij niet zal loslaten. Dat je te pas en te onpas zal blijven opduiken. Dat ik jou nooit helemaal zal kunnen temmen.  Die illusies kan ik steeds beter laten varen. Mijn geloof groeit dat er een dag komt, waarop ik jou recht in de ogen zal kijken en overtuigd deze woorden zal uitspreken: ‘Ik ben helemaal goed zoals ik ben’.    Daphne

Daphne Muylle
0 0

Wil jij met mij schrijven?

Alicja   Geboren bent u in 1981, net zoals mij, maar met dat verschil dat u het levenslicht in Polen zag en ik in België. Of dat invloed heeft op uw denken, dat weet ik niet.   Wat ik wel weet, is dat ik met veel plezier uw flinterdunne boekje ‘Allmensch: Van middelmaat tot meesterschap’ heb gelezen. Ik las er een lovende recensie over in de krant, haalde de publicatie nieuwsgierig uit de bibliotheekrekken en las het thuis in verschillende stukken uit. Daarna kocht ik er een exemplaar van. Niet voor mezelf, maar voor de dertigste verjaardag van mijn jongere nicht, die ook van diepere reflecties houdt.   Kan ik mezelf overstijgen? Ik meen van wel, maar hoe moet ik dat doen? Ik droom ervan om schrijver-denker te worden, maar helaas bestaat daarvoor geen programma op maat. Geen ‘start to think’. Geen ‘start to write’.   Uiteraard zou ik filosofie kunnen gaan studeren. Of veel filosofische werken lezen, maar dat is niet waar ik naar verlang.   Waar ik wel op hoop, is om u maandelijks of wekelijks een brief te mogen schrijven waarin ik een kort maar bondig antwoord geef op een alledaagse levensvraag die mijn kronkelende of rechte levenspad kruist. Of geloven in een godsdienst een mens bijvoorbeeld sterker of zwakker maakt? Hoe je weet dat iemand je graag ziet? Of denken over het leven gelukkig maakt? En hoe tevreden zijn?   Mocht mijn overpeinzende schrijfsel u zeer believen, dan zou ik het fantastisch vinden dat u op mijn beschouwende boodschap antwoord geeft. Zo kan ik bijleren. Wat uw zienswijze is bijvoorbeeld. Of wat het standpunt van vroegere of huidige denkers is.   Wat denkt u, Alicja? Wilt u met mij schrijven?   Met geestige groeten Karien

Karien Vercruysse
0 0

De lente van 2009

Antwerpen mei 2018   Hey paps, Wat is het lang geleden dat ik je nog rechtstreeks heb aangesproken. Ik vind het fijn om dat te doen. Ik keek daarnet naar het canvas dat boven de televisie hangt – die foto van ons drietjes – en vertoonde een trieste glimlach. Deze foto maakt me dan ook triest en blij tegelijkertijd. Ik heb niet veel foto’s als deze, er zijn weinig foto’s waarop we als gezin te zien zijn. Hier ontbreekt mama, maar we zijn met ons drieën: jij, ons Liese en ik. Dat is al meer dan twee. Jullie waren toen al gescheiden. Ik denk zelfs dat Claudine – jouw toenmalige vriendin – die foto nog heeft gemaakt.              We lachen allemaal, ik lach mijn tanden bloot en heb dat kuiltje bovenaan mijn wang. Mijn ogen knijp ik tot spleetjes, waardoor er kraaienpootjes zichtbaar worden. Ik vraag me af of het een oprechte glimlach is. Jij lacht, een beetje op een rare manier, net als dat kleine zusje van mij. Ik wist niet dat ‘een vreemde lach’ erfelijk kon zijn. We zitten naast elkaar, ons Liese op jouw schoot. Ze maakt contact door haar hand op mijn schouder te leggen. Het ziet er een beetje gekunsteld uit. We zijn omgeven door groen, het moet lente of zomer zijn geweest. Onze tuin stond altijd zo mooi in bloei.                                                                                                Dat mis ik, ik mis het allemaal. Als ons Liese toen vijf jaar was – of was ze vier? – was ik zeventien. Ik vraag het me af, is de foto maar enkele weken voor het ongeluk genomen, of het jaar daarvoor? We waren in elk geval nietsvermoedend. We dachten dat we nog alle tijd hadden. Ik dacht dat toch.                                                                                                      De foto straalt hoop uit, hoop op een mooie toekomst samen. Ik nog groen achter mijn oren, ons Liese piepjong. Ik met mijn rode jas, mijn lievelingsjas allertijden, met vertrouwen in wat er komen zou.                                                                                                                           Het heeft niet mogen zijn, we zijn verder opgegroeid zonder jou. Ik vind het niet eerlijk. Het is moeilijk, nog steeds. Ik had graag de tijd gehad om de moeilijkheden die er waren uit te klaren, om weer naar elkaar toe te groeien. Ik had je willen vragen om me met banale klussen te helpen, om advies te geven, om me bij te staan op deze moeilijke weg die het leven heet. Ik had graag nog vaker met jou op de foto gestaan, telkens anders, telkens ouder, maar steeds met jouw vreemde glimlach. Ik mis je, maar ik koester de mooie momenten die er wel waren, mijn herinneringen. Bedankt dat je er was, dat je met mij op de foto wou. Nu kan ik er telkens met een glimlach naar kijken en voelen dat ik van je hou. Ik kan deze brief niet opsturen, maar ik weet dat je hem hoort.   Tot ziens, paps! Een dikke knuffel, van je dochter.

Eva
0 0

Drakon

Allerliefste Anna,    knuffel Anna.  Anna van de soort Drakon, dat Ests snoepje.  Stiekem ben je vernoemd naar de vriendin waarvan ik je kreeg.  Jij gaf mij ook iets.  Een droom, de eerste nacht dat ik met je sliep.    Met jou in mijn armen, dwaalde mijn dromen de grot in.  Aangekomen in de grot (dromen zijn niet altijd boven de wolken blijkbaar), zag ik Alice en Jacopo. (jullie drie leerde ik samen kennen, Anna, Alice en Jacopo)  De grot gaf ons de opdracht om op te schrijven van wie we hielden.  (kunnen dromen allegorisch zijn?)  Zo vertelde Alice over nonkel Alf, van wie ze wel en niet hield. In mijn hoofd weerklinkt, terwijl ik met gesloten ogen, ogenschijnlijk niet in een grot lig, haar typische lach wanneer ze dit zegt.  Ze wist wat ik ging schrijven.  Maar in mijn bed ligt mijn hand stil. (hoe kan ik dat weten? Helemaal niet.)  Handen zijn het lichaamsdeel waar mensen het meest over dromen.  De mijne schreven sierlijk Alice and my friends. (jij bent bij die laatste groep Anna) We schreven elkaar op.   Droomden we elkaar ook? Of droomde jij Jacopo?  Jullie praatten in mijn droom niet meer Italiaans als ik erbij was.  Werd jij wakker van onze droom toen ik dat zei? Waardoor de mijne ook oploste en mijn ogen opengingen?    En ik terug boven de grond, in mijn bed, bij jou was Anna.  Wat heb jij gedroomd die nacht? Kunnen knuffels dromen? Kan ik dromen knuffels geven? Graag een dikke knuffel aan die van de grot dan.    Dikke knuffel,  Line                  

Line
0 0

Royaal verhaal

Lieve prinses Amalia,   Veel mensen denken vast dat jij een sprookjesleven hebt als toekomstige koningin van dat oranje land waarvoor ik sinds mijn eigen geboorte een (suiker)boontje heb, doordat ik opgroeide met de Nederlandse cultuur. Elfjes die je bij je huiswerk helpen of 7-mijlslaarzen om met Alice in jouw wonderland te geraken zul je misschien toch niet hebben, maar of jouw paleis rijmt op jouw eigen paradijs weet ik niet. Waarschijnlijk ben je ook een doodgewone jongedame die houdt van haar rommel (met eigen zogenaamd georganiseerd “traceringssysteem)” zoals vele andere “cool kids,” zoals die van mij.   Ik speel graag even Queen. Ik ben een bezige bij en neem je graag bij de hand als een soort bijenkoningin. Ik maak mij namelijk zorgen over al die persmuskieten die onlangs rond jou vlogen. Je zou te dik zijn, je moest je schamen omwille van je ouderwetse kledij enzovoort. Ik kom graag royaal voor jou in de bres springen. Ondanks jouw sterrenstatus ben je waarschijnlijk een eenvoudig tienermeisje met dezelfde onzekerheden als ieder leeftijdsgenootje. Laat ik ook maar even langs vliegen bij mijn eigen prinsesjes (ja iedere moeder voelt zich met dochters de koning-in te rijk).   Lieve Bona en Luna (en ja ook andere Little Ladies), Laat ik jullie vertellen als Queen B dat jullie allemaal een Beauty zijn. Laat jullie niets wijs maken door beestachtige pesters. Wees wijs. Wees eigenwijs. Wacht niet op die prins op dat witte paard. Ontwikkel je eigen paardenkracht. Girl Power. Me Power. Vlieg bloedzuigers van zelfvertrouwen voorbij. Jullie prinsesjes verdienen allemaal een kroontje. Loop samen, zoals die ene “King” – Martin Luther King, zei in zijn wereldberoemde speech, hand in hand met al die andere prinsesjes – dik, dun, wit, bruin of desnoods Nederlands oranje zoals de of Belgisch zwart, geel of rood, klein en groot. Zo lijkt de wereld een regenboog en aan het einde vinden jullie natuurlijk die schat die goud waard is: jullie zelfvertrouwen. Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van het land?” Jullie allemaal!   Stoot mij later gerust van de troon. Ik zal toch nog lang en gelukkig leven als ik weet dat jullie in jezelf geloven.   Royaal beloofd! Geloof! Ma-ma-jesteit

Leona
9 0

Kruisweg

Dag moedige Shrek,   Ik ben weer op zoek naar jou. Dat doe ik alle dagen, dat probeer ik toch. Het lukt mij enkel als ik goed kijk en luister. Soms denk ik jou te zien en blijk je het toch niet te zijn. Dan ben ik verdrietig en ontgoocheld. Ik ben niet altijd even sterk als jou. Maar als jij het dan toch bent, ben ik altijd weer heel gelukkig. Je maakt mij altijd zo blij! Zoals de dag dat ik aankwam in New York.   Ik was verdwaald en het was al donker. Ik zag je aan de overkant van de straat, tenminste dat hoopte ik toch. Je kwam van je werk (Sinds wanneer werk jij?). Man, jij was het echt!! Waarom had je je toen als een zwarte vrouw verkleed? Je zag er wel leuk uit en je kwam erg grappig uit de hoek die dag. En sinds wanneer rij jij met een Jeep? Dat had je me wel eens mogen vertellen. Mag ik je wel een goede raad geven? Ik vond het niet erg, maar misschien kun je die rommel in je auto een beetje opruimen als je nog eens iemand een lift geeft. Ik ken je al een beetje ondertussen, ik verwacht niet dat je dat zult doen. Waarom ik dat denk? Jij wentelt jezelf veel te graag in lege tijd, net zoals een kat. Ik vind dat zelf ook een mooi geschenk, lege tijd. Schaarste moeten we koesteren.   Misschien moet je gewoon maar weer met die gekke ezel op stap gaan. Ook dan zal ik graag met je meegaan. En ik zal echt nooit meer vergeten om naar de "cross-streets" te vragen als ik nog eens de weg zoek in New York. Dat beloof ik je.   Tot nog eens, mijn dikke maat.

Dirk Jacobs
0 0

De kat uit het hondennest (2006)

Een verhaal waarbij een boer, ‘S avonds, op weg naar paard en stal, een zak bemerkte die in de Schelde voer. Hij werd curieus, klom lager wal.   Daar gekomen knakte hij een stengel riet, Hees de zak tot aan de kant, En wat hij vond geloof je niet, Een bundel bont hield hij in de hand.   Een pakketje jonge katten, In elkaar verstrengeld, ruw vermoord. Hij nam ze mee,stopte ze tussen watten, Tot opeens: een geluidje, klaaglijk,diep gesmoord.   Eén van de diertjes had niet opgegeven, Direct werd het voor de haard gelegd, Daar vocht het verder voor zijn leven, En tijd heeft de strijd beslecht.   Het dier overleefde, maar dat was nooit gelukt, Zonder de hulp van een pas bevallen teef, Die zich over het zielig beestje heeft gebukt, Het met veel liefde voedde en warm wreef.   De kat, Macty gedoopt, groeide op in een hondennest, Probeerde te zijn als haar broers en zussen, Maar al deed ze zo haar best, Haar kattennatuur zat er altijd tussen.   Ze voelde zich anders, begreep het niet, Waarom ze dat blaffen toch niet kon, Ze had daarover zoveel verdriet, Dat ze in plekke ook niet spon.   Ook met het slaafse gedrag kon ze niet om, Ze vond het allemaal maar onzin, Waarom deden de anderen toch zo stom, Zitten op commando, neen, zij wou haar eigen ding.   Op een dag zag ze in de weerschijn van haar kom, Geen trouwe hondenmuil met hangende oren, Maar een pienter snoetje met een rood bandje om, En 2 kleine spitse dingen om te horen.   Ze voelde zich buitengesloten, Zat steeds eenzaam in de hoek, Ook al nam moeder haar tussen de poten, Ze bleef droevig, haar echte aard was zoek.   De boer zag al haar getob, En besloot dat het niet kon blijven duren, Hij stond een dag veel vroeger vroeg op, En haalde een andere kat binnen de stadsmuren.   Bij het thuiskomen werd deze Macty toegewezen, Die herkende direct haar spiegelbeeld, En leerde bij dit nieuwe wezen, Hoe een kleine kat echt speelt.   Ze raakten bevriend, Haalden veel ‘kattenkwaad’ uit, Macty krijgt eindelijk wat ze verdiend, Ze is veel gelukkiger door deze nieuwe spruit. En daarmee is ons pijpje uit!

Aleyna
0 0