Lezen

Soul sister

Hey soul sister – hey hey hey,   BEELD je dit eens in… de archieven vertellen mij dat het 12 maart 2016 is. Ik herinner mij dat er een pril lentezonnetje was dat ik ’s middags kon koesteren als een schat om mee te dragen tot ’s avonds. De rest van de dag bevind ik mij in een complex dat wordt geassocieerd met pikzwart donker en kilte, C-Mine in Genk. Niettemin wordt het een etmaal vol figuurlijke lichtpuntjes. Op de foto ben ik toevallig het stralende middelpunt. Meestal mijd ik liever de schijnwerpers, maar aangezien het licht volgens de fotograaf beter was als de groep zich omdraaide en de achterban dus op de eerste rij kwam te staan, heb ik mij maar spontaan gesmeten in mijn sterrenrol. De echte ster, lesgeefster Veronique Hoex, staat ergens onbeduidend achteraan en valt amper op. We werden allemaal aangestoken door haar enthousiasme in haar cursus “Personal branding. Verkoop jezelf en je boeken.” Het was een actieve workshop waarbij we werden gedwongen om uit onze comfortzone te stappen, terwijl ik als duizendpoot en boekenworm liever ergens in de ondergrondse mijnschachten op ontdekkingsreis was gegaan. We moesten ons voorstellen aan een onbekende en ik ontmoette er Elise, die net als ik copywriter bleek te zijn en ook in Leuven woont. De creatieve uitdaging bestond er in etiketjes op elkaar te plakken en op dat van haar schreef ik “soul sister.”   Na het zwarte goud van de mijn In Genk gingen we een zwarte koffie drinken in Leuven en bleek er toch wel iets van die “soul sisterhood” te blijven plakken. We zijn letterlijk water en vuur. Ik ben dol op zwemmen, zij is vuur- en dansartieste. Zij is professioneel een wijze uil die zich kan bewijzen; zakelijk en ik ben de creatieve speelvogel die kan spellen; vermakelijk. Toch ontdekten we dat er een verbondenheid was en bleven we elkaar geregeld inspireren. We gaan nu samen naar de Schrijfdag in Gent; slechts een lettertje verschil van de originele ontmoetingsplek 2 jaar geleden. Wordt die “t” nu echt “te” gek vol inspiratie, reformatie en revelatie? Wat zou 2018 brengen? Laat ik het jaar toch wel hebben gestart met een nieuwjaarsreceptie met een optreden van Paul Michiels en “Soul sister.” Ik zal op deze editie van Schrijfdag jou, mijn onbekende correspondente, ontmoeten. Ik ben benieuwd welk etiketje ik op jou zal plakken en of we zielsverwanten zijn. Schrijven rijmt voor mij in ieder geval op “bij blijven.” Ik zie wel welke toon ik moet aanslagen; zoals een flard uit het liedje van Soul Sister “heaven, it was heaven” of anders soul muziek omdat we de blues kregen. Ik vlieg in ieder geval graag op ontdekkingsreizen want ze spreken net zoals foto’s tot de ver-beeld-ing.   Dag Schrijfdag! Hello World. This is me! Leona   P.S. Bij gelegenheid stuur ik je de foto - in deze editor kan ik hem niet toevoegen.

Leona
0 0
Tip

Deelnemen

  1   Karel Couzijn, 52 jaar, zette zijn heftruck in het parkeervak, sprong op de grond en stak de stekker in het stopcontact. Het was vijf uur. Hij glimlachte.          ‘Dat is toch mooi hè’, zei hij tegen Potrykus die net de zijne inparkeerde, ‘dat we nou elektrisch rijden.’          ‘Zekers, het stinkt nou niet meer zo in het magazijn.’ Potrykus veegde wat zweet van zijn kalende schedel. ‘Hoe kom jij toch aan zo’n dikke bos haar? En dat op jouw leeftijd’          Karel haalde zijn schouders op. ‘Het zal van mijn Turkse oma komen.’          Thuis zette hij zijn fiets in de kelderbox. Hij zag dat de lift nog steeds stuk was en ging met de trap naar de vierde verdieping. Nog een beetje nahijgend stak hij de sleutel in het slot, hij hoorde het klikje dat aangaf dat het slot open was en duwde. De deur gaf niet mee. Hij duwde nog eens en nog eens. Hij bonkte op de deur. ‘Pa, pa, ben je binnen?’          ‘Wie is daar?’ Klonk het van binnen.          ‘Ik ben het pa, Karel.’          ‘Wat moet je?’          ‘Ik woon hier.’ Hij huiverde, hij was onderweg natgeregend.          ‘Dat zeggen ze allemaal.’          ‘Pa, alsjeblieft, haal de grendel van de deur, ik ben Karel, je zoon.’          ‘Dit is een louter suggestieve karabijn,’ zei pa.          Tien minuten lang bleef het stil. ‘Pa, doe nou open, ik heb het koud. Straks word ik ziek en wie moet er dan voor jou zorgen, hè.’          Nog weer tien minuten later hoorde hij voetstappen tot bij de deur, gerinkel van het kettinkje, metaal dat over metaal schoof. De grendel moest nodig eens gesmeerd.   Ze aten aan tafel, Karel had gekookt.          ‘Zal ik je een servet voordoen?’          ‘Ik hoef geen servet, ik ben geen kind,’ zei pa. Na het eten deed hij pa een schoon overhemd aan. Hij waste af, zette koffie, keek samen met pa op de bank naar een aflevering van NCIS.          ‘Dat is een fraaie kadaster,’ zei pa tegen niemand in het bijzonder.          De bel ging, Karel stond zuchtend op.          ‘Je moet beter op je vader letten,’ stak de buurvrouw gelijk van wal, haar gezicht was rood aangelopen, ‘je kunt zo’n man toch niet een hele dag alleen laten. Hij heeft uren op de galerij gestaan, er wonen hier kleine kinderen. Er had God ik weet niet wat kunnen gebeuren, hou hem binnen.’          De buurman kwam erbij. ‘Kom lieve, maak je niet zo druk.’ Zijn lieve siste nog een beetje en viel toen stil. De buurman richtte zich tot Karel. ‘Neem je vader eens mee naar een dokter, iedereen kan zien dat het niet goed gaat met die man.’          ‘Volgens de dokter is er niks aan de hand met hem,’ zei Karel. ‘Er is pas wat met pa aan de hand als pa zelf aangeeft dat er wat aan de hand is, dat zegt de dokter.’          ‘Wat is dat nou voor onzin.’          ‘Dat is wat de dokter zei, vorige week nog.’          De buurvrouw siste weer, haar gezicht werd nog wat roder. De buurman sloeg zijn arm om haar schouders. ‘Maar waar zit jij dan de hele dag?’ vroeg hij aan Karel.          ‘Op mijn werk.’          ‘Dat is toch onverantwoord, dan zit zo’n man de hele dag alleen. Kun je niet iets regelen?’          ‘Dat kan alleen als de dokter zegt dat er wat aan de hand is. Zolang dat niet het geval is, kan pa volgens alle regels en voorschriften voor zichzelf zorgen.’          De buurman werd nu ook een beetje rood. ‘Kom lieve,’ zei hij. Ze liepen samen terug naar hun eigen deur.          ‘Is het nou uit met dat kabaal op de galerij,’ riep de buurvrouw van de andere kant met haar hoofd uit het keukenraam. Karel sloot zwijgend de deur achter zich, deed de grendel ervoor en liep naar binnen om koffie te zetten.          ‘Wat was dat nou allemaal?’ vroeg pa.   2   ‘Karel, Karel, jong, wordt nou toch eens wakker.’          Karel trok zijn hoofd onder het dekbed en gromde iets.          ‘Ik heb heus wel door dat je wakker bent, slaapkop,’ pa trok het dek weg, de lamp op het nachtkastje scheen fel, de wekker gaf 01:13 aan.          ‘Wat is er?’ vroeg Karel.          ‘Laten we eens gezellig babbelen, ik heb je zolang niet gesproken.’ Pa glimlachte, zijn ogen glinsterden bijna ondeugend.          ‘Het is kwart over een pa, en ik heb je vanavond nog gesproken.’          ‘Nu je toch wakker bent, kunnen we toch wel een eitje bakken, ik heb scheurende honger,’ zei pa.          ‘De eieren zijn op.’ Hij keek inmiddels helder uit zijn ogen en ging zijn bed uit en liep naar de keuken. Hij pakte brood, margarine, beleg. ‘Wil je kaas of jam?’ Hij zette een pannetje op het vuur met melk erin en zocht in de keukenkastjes. Na wat gerommel had hij een doosje anijsblokjes in zijn hand. ‘Pa, wil je warme anijsmelk? Daar schijn je goed op te kunnen slapen, ik neem ook. We kunnen het toch op z’n minst proberen.’         Een half uur later keek hij nog even of zijn wekker goed stond, hij had pa weer in bed weten te krijgen.   Om even over half vier ging de deurbel. Weer trok hij zijn hoofd onder het dekbed, maar bij de tweede keer bellen sloeg hij de dekens terug en stapte uit bed. Hij trok zijn voeten even omhoog toen ze de vloer raakten.          Op zijn blote voeten stond hij in de deuropening, hij had zijn bril op. Tegenover hem stond pa, eveneens op blote voeten. Pa stond tussen twee agenten in, die gelukkig wel geschoeid waren, het was nogal koud buiten en op straat weerkaatsten plassen water het licht van de lantaarns.          ‘Bent u de zoon van deze man?’ vroeg een van de agenten. Zijn stem klonk bars door de nachtelijke stilte, het zou de buren kunnen wekken. Karel knikte.          ‘Karel Couzijn,’ zei hij, ‘zoon van Sjarel Couzijn, deze heer hier. Pa, hoe ben je buiten gekomen, ik heb je helemaal niet gehoord.’          Nu nam de andere agent het woord. ‘Meneer Couzijn, u moet beter opletten hoor, u kunt zo’n arme, oude man toch niet bij nacht en ontij de straat opsturen. En nog wel zonder schoenen.’          ‘Hè?’          ‘Uw vader heeft ons het hele verhaal verteld, dus doe nou maar niet alsof u van niks weet. Het blijft nu bij een waarschuwing, maar laat het niet nog eens gebeuren.’ De agenten hielpen pa naar binnen en spraken wat sussende woorden tegen hem. Ze tikten tegen hun pet en liepen daarna weg over de galerij, richting de liften en het trappenhuis. Karel sloot de deur, deed hem op het nachtslot en twee grendels.          ‘Zal ik dan maar weer warme melk maken?’          ‘Graag,’ zei pa.          Hij trok sokken aan. Ze dronken hun warme anijsmelk, daarna stopte hij pa in, hij schoof een stoel naast het bed en trok een oude trui aan over zijn pyjama en een tweede paar sokken aan zijn voeten. Hij blies in zijn handen en vroeg pa wat die de agenten had wijsgemaakt. Pa keek glazig voor zich uit. ‘Pa, ik vroeg je wat.’ Nu keek pa naar hem, hij zei nog steeds niks. Na een minuut trok hij zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Welke agenten?’   ‘Die je thuisbrachten.’ ‘Hoezo?’ ‘Nou, wat heb je ze verteld, dat ze zo boos waren op mij?’ ‘Ik was niet boos,’ zei pa. ‘Nee, maar die agenten wel, dat kwam door wat jij ze verteld had toch.’ ‘Welke agenten?’ vroeg pa. Karel zuchtte, pa draaide zich om, Karel legde het dekbed goed over hem heen. Hij ging weer zitten en sloeg een plaid om zichzelf heen.          ‘Hé slaapkop, wakker worden, je bent door de wekker heen geslapen.’ Karel keek om zich heen en zag dat pa aan hem stond te schudden. Hij was toch nog in slaap gevallen in zijn stoel. Hij huiverde even.          ‘Wat ruik ik?’ vroeg hij.          ‘Ik heb ontbijt voor je gemaakt,’ zei pa.          Er hing een zwavelige geur in de ruimte.          ‘Kijk,’ zei pa glunderend. Hij had een dienblad met twee dampende borden boerenkool met worst op het tafeltje naast zijn bed gezet. ‘Biertje erbij?’          ‘Ik ga wel even koffie zetten,’ zei Karel. ‘Mijn maag is wat van streek, ik maak wel wat pap voor mezelf. Maar eet jij je boerenkool gerust op.’ Hij keek in de koelkast, het bier was op, net als de wijn en de jenever ook. ‘Jij ook koffie?’          ‘Dat is toch niet contractueel,’ zei pa. Er klonk housemuziek door de flat, pa had de radio aangezet. Karel hoorde de buurman vloeken, die was zo te horen ook in zijn keuken bezig. Op zijn horloge zag hij dat het zeven uur was. Hij moest om kwart voor acht op zijn werk zijn.   3   De voorman sloeg hard met zijn vuist tegen het portier van de vorkheftruck. ‘Hé Couzijn, dat is nou al de tweede keer deze week dat je het verkeerde gangpad in rijdt.’          Karel keek van het gangpad naar de lading op de hefvork. ‘Shit,’ zei hij, ‘je hebt gelijk.’ De voorman keek hem met harde ogen aan, zijn mond was rechtgetrokken, zijn onderkaak wat naar voren geschoven.  Karels ademhaling versnelde, er verscheen zweet op zijn voorhoofd, vlak onder de haarlijn.          ‘Zeker weer te lang zitten netflixen,’ zei de voorman, hij gaf het portier nog een klap die je kon voelen nadreunen in je knieën of je maag, net waar je zat. Karel geeuwde, de voorman keek nog wat woester. ‘Ik moet een manier zien te vinden om beter te slapen,’ zei Karel. ‘Maar ja, dan moet eerst pa beter slapen.’ ‘Zit je nou smoesjes te verzinnen?’ vroeg de voorman. ‘Nee, echt,’ zei Potrykus, ‘er zijn problemen met zijn vader.’ ‘Zoek dan een oplossing,’ zei de voorman, ‘ik kan het toch ook niet helpen dat er gedoe is met je vader.’ Hij klonk nu rustig, zijn ogen stonden er vriendelijk bij.   ‘Is je pa weer zo aan het spoken, ’s nachts?’ vroeg Potrykus tijdens de schaft. Karel hoorde het en knikte, maar het duurde even, alsof de woorden vertraagd bij hem waren binnengekomen.          ‘Kun je hem geen slaappil geven?’ vroeg Potrykus.          ‘Dat is nog niet zo gemakkelijk,’ zei een tweede collega. ‘In het verpleeghuis waar mijn vrouw werkt mag dat soort dingen alleen na toestemming van de arts.’          ‘En iemand onder een spanlaken op bed vasthouden,’ opperde een derde. De tweede schudde het hoofd.          ‘Dat heet al gauw vrijheidsberoving of zoiets.’          ‘Beperking van de bewegingsvrijheid,’ verbeterde Potrykus hem.          ‘Betweter,’ zeiden de tweede en de derde collega.   Hij had eerst het huis en daarna de hele buurt afgezocht toen hij het huis leeg aangetroffen had. De buren hadden geen idee waar pa naartoe kon wezen en in de buurtsuper hadden ze pa al een poosje niet gezien.          ‘Nee, en dat is maar goed ook. Want kinds of niet, ik moet die viezerik niet in mijn winkel. Als hij hier binnenkomt, bel ik de politie.’          ‘Jaja, bedankt,’ zei Karel. Zijn mobiel ging, hij keek naar het schermpje, zijn gezicht ontspande en hij klikte op het groene hoorntje.          ‘Met mij,’ zei Jozien, zijn ex.          ‘Hoi, wat is er?’          ‘Volgens mij zag ik je vader een paar minuten geleden langskomen. Hij zag er niet zo goed uit, gaat hij hard achteruit?’ Joziens stem klonk bezorgd, meelevend.          ‘Hij is inmiddels zo dement als een deur, maar de dokter wil geen diagnose stellen. Weet je waar hij heen is gegaan?’          ‘Ik denk naar de kinderboerderij hierachter, je weet wel, bij de Dreef.’ Hij zweeg even, ze vroeg of hij er nog was. ‘Ja, sorry. Dus pa is naar de kinderboerderij. Maar dan moet hij de bus genomen hebben.’ Jozien maakte een instemmend geluid. ‘Toch wel logisch, ergens,’ ging hij verder ‘dat pa naar een kinderboerderij wil. Hij is kinds en gaat vast terug naar zijn kindertijd. Dat hoor je wel vaker. Niet dat pa nou zelf van een boerderij komt, maar hij is wel tussen de boerderijen opgegroeid en mijn opa hield konijntjes in de schuur, voor kerst. Dat had pa zelf ook wel gewild, maar die beesten waren steeds voortijdig doodgegaan.’ ‘Ja, dat klinkt wel logisch, dat hij daarom naar de kinderboerderij is gegaan,’ zei Jozien gehaast. ‘Kom je hierheen?’ ‘Ja, natuurlijk.’ ‘Wel zielig van die konijntjes, dat ze voortijdig doodgingen,’ zei Jozien. ‘Het is maar hoe je het bekijkt, voortijdig sterven is ook een manier om aan je lot te ontkomen.’ ‘Ik bedoelde zielig voor je vader,’ zei Jozien.   Jozien zat naast pa op een bankje, ze zwaaiden naar hem, pa en Jozien.          ‘Hij liep tussen de kleine dieren en er waren allerlei moeders die hun kinderen snel terug in de buggy’s zetten,’ zei Jozien.          ‘Waar bleef je nou, sukkel,’ zei pa, ‘we hadden hier afgesproken en ik eis van mijn zoon dat hij zich aan zijn afspraken houdt. Je kunt ook helemaal niks, vuile rotzak, mislukt stuk crapuul.’          ‘Sshh,’ zei Jozien. Ze legde haar hand op de oude, gerimpelde hand van pa.          ‘Wie is u?’ vroeg die.          Jozien haalde diep adem en keek vragend naar Karel. Die haalde zijn schouders op en hief zijn handen wat omhoog als om te laten zien hoe leeg ze waren. Er vloog een vliegtuig over, een kindje begon te dreinen.          ‘Zeer koket, die bank, uiterst krokant zou ik zelfs durven zeggen,’ zei pa opeens. Jozien begon te lachen, Karel lachte met haar mee en toen moest pa zelf ook lachen. Karel stapte naar hem toe en hielp hem samen met Jozien overeind.          ‘Kom, we gaan naar huis, ik zal pannenkoeken bakken.’          ‘Hoi, pannenkoeken,’ zei pa.          ‘Bedankt dat je hem hebt opgevangen,’ zei hij tegen Jozien, ‘bedankt dat je mij gebeld hebt en niet de politie. Hoe is het met de jongens?’          ‘We hebben een jongen en een meisje,’ zei Jozien afgemeten. Karel beet op zijn lip.          ‘Goed, het gaat goed met ze,’ zei ze. ‘Je weet dat het niet om jou is, hè, dat ze niet bij je langs willen komen.’          Karel keek naar pa, er zat nog wat kots op zijn kraag en zijn haar was te lang.          ‘Ik weet het.’          Ze namen afscheid en Karel en pa liepen naar de bushalte. Bij de bushalte stond pa een paar keer op en zei dat hij nog veel moest doen. Gelukkig kwam de bus snel.          ‘Zo heren, waar gaat de reis heen,’ zei de buschauffeur. Hij lachte joviaal.          ‘Naar huis,’ zei Karel. Hij zag dat er nog plek genoeg was in de bus, hij en pa zouden naast elkaar kunnen zitten.          ‘Samen een uitstapje gemaakt?’ vroeg de chauffeur. ‘Geweldig toch, om je vader zo dichtbij je te hebben. U boft toch maar.’          Karel maakte een neutraal euh-geluid, pa liet een boer. De buschauffeur wachtte netjes met optrekken tot pa zat.   4   ‘Kom je nog?’ riep Potrykus. ‘Ja, ik kom zo,’ Karel strikte de veters van zijn linkerschoen opnieuw, wat losser nu, hij stond op en greep zijn jas en liep naar Potrykus die al op de gang stond.          ‘Op naar de borrel,’ zei Potrykus.          ‘Waar is het?’ vroeg hij.          ‘Gewoon, bij De Buren.’          Zijn eerste biertje stond net voor hem toen zijn telefoon ging.          ‘Met je vader. Zeg, weet jij nog waar ik woon?’          ‘Waar ben je nu?’ vroeg Karel.          ‘Nou, in jouw huis. Maar hoe kom ik nou thuis?’          Karel stond op. ‘Blijf daar, ik kom naar je toe.’ Hij hield de telefoon bij zijn oor en nam nog een flinke slok, legde een hand op zijn telefoon en zei tegen zijn collega’s dat hij moest gaan. ‘Volgende keer beter,’ zei Potrykus. Onderweg naar huis hield hij pa aan de praat.          ‘Waarom hou je me godver opgesloten in je huis, kleine klootzak,’ schreeuwde pa plots door de telefoon. Karel versnelde zijn pas en zocht naar kalmerende woorden, pa’s stem klonk steeds woester en warriger.   De deur gaf niet mee, hoe vaak hij de sleutel ook omdraaide.          ‘Hé pa, heb je de deur geblokkeerd?’          ‘Ja, etterbuil,’ hoorde hij vanachter de deur, ‘als ik er verdomme niet uit mag, mag jij er niet in.’          ‘Pa, alsjeblieft, je woont bij mij omdat je uit je eigen huis was gezet. Weet je dat niet meer.’          ‘Tuurlijk weet ik dat nog, galbak, dat had jij bekokstoofd.’          ‘Nee, jij had de huur al maanden niet betaald.’          ‘Is het nou uit met die herrie!’ hoorde hij een vrouwenstem zeggen. Mevrouw de Vries had haar keukenraam opengezet. Dat is waar ook, het keukenraam. Hij liep naar zijn eigen keukenraam, het stond op een heel klein kiertje. Vanuit de gang hoorde hij pa nog steeds razen en tieren. Het duurde een klein half uurtje prutsen, priegelen en brute kracht inzetten om het raam open te krijgen.          ‘Het is dat ik weet dat jij daar woont,’ zei mevrouw de Vries vanuit haar keukenraam. ‘Anders zou ik de politie bellen dat er inbrekers bezig zijn.’          ‘Een hele geruststelling, mevrouw de Vries.’          ‘Is je pa weer bezig?’ vroeg ze. Hij knikte, net voor hij door het raam naar binnen stapte.   Een maand later hing Potrykus zijn helm op de haak en deed zijn broodtrommel in zijn tas. ‘We zijn al laat voor de borrel,’ zei hij tegen Karel. Die knikte terwijl hij zijn veiligheidsschoenen verwisselde voor zijn gewone schoenen. ‘Ik pak nog even mijn spullen.’          Terwijl ze de trap opliepen, ging zijn telefoontje. Hij liet het even gaan voor hij het oppakte.          ‘Karel Couzijn,’ zei hij.          ‘Kun je snel naar huis komen, je vader staat op onze verdieping in het portiek en scheldt iedereen uit die er langs wil.’ Het was een buurvrouw die een verdieping lager woonde. ‘Mijn kinderen zijn helemaal bang,’ zei ze, het klonk alsof ze zelf ook bang was.          ‘Ik kom eraan.’          ‘Wat is er?’ vroeg Potrykus, ‘je pa weer?’          Karel knikte. ‘Hij zet de boel op stelten, ik moet snel naar huis.’          ‘Nou mis je de borrel weer.’   Hij hoorde zijn vader beneden al tieren en rende de trappen op. Op de derde verdieping stond pa tegen het stukje muur tussen de lift en de trap.          ‘He gore klootzak, waar bleef je nou?’          ‘Pa, dat kun je niet maken, al die mensen uitschelden.’          ‘Spleetogen en bruinen, allemaal uitvreters,’ schreeuwde pa, er zat een sneetje naast zijn neus dat een beetje bloedde. Dat had er vanmorgen nog niet gezeten.          ‘Nee pa, dat zijn gewoon mensen die hier wonen en netjes op tijd hun huur betalen, net als ik,’ hij probeerde kalm glimlachend een vriendelijke arm om pa’s schouders te slaan. ‘Kom, we gaan naar huis, er is nog erwtensoep over van gisteren.’          Pa vloekte en duwde hem weg.          ‘En nou gedraag je je,’ zei Karel streng. Zijn vader viel stil en liep achter hem, de trap op naar de vierde.   ‘Wat een stom wijf,’ zei pa. Karel zat naast hem op de bank, op tv was een programma over mensen van zijn leeftijd die net als hij voor hun hoogbejaarde vader of moeder zorgden.          ‘Bedoel je de moeder of de dochter?’          ‘De moeder, dat wijf is kinds.’          Karel zuchtte. Bij de bovenburen werd de wc doorgetrokken, op tv werd teruggeschakeld naar de deskundige in de studio.          ‘De dochter pakt het helemaal verkeerd aan,’ zei de deskundige.          ‘Dat gevoel had ik ook,’ zei de manager van een zorgbureau. ‘Ze moet meer meeveren met haar moeder.’          ‘Inderdaad,’ zei de deskundige, ‘meeveren, haar moeder de ruimte geven om volop zichzelf te zijn. Ik snap ook niet waarom die dochter zo nodig moet werken, dat kan toch niet, dat grenst aan oudermishandeling.’          ‘Je hoort het,’ zei pa, ‘je mishandelt me door naar je werk te gaan.’          ‘Ben jij kinds dan?’          ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei pa.          ‘Nou, dan hoef ik toch niet met je mee te veren.’ Pa grinnikte.          De manager kwam weer in beeld. ‘Meeveren en ruimte geven, daar komt het op aan.’          ‘Het is toch prachtig dat je als zoon of dochter op die manier eindelijk iets terug kunt doen voor je vader of moeder,’ zei de presentator. De manager en de deskundige knikten allebei zeer instemmend en de aftiteling schoof in beeld. Pa gooide zijn beker karnemelk om.   Hij zette de zaterdagse boodschappen neer en stak de sleutel in het slot. Er hing een vreemde geur die hij niet direct thuis kon brengen maar die iets alarmerends had. De deur klemde een beetje, zoals altijd als het veel geregend had, maar het lukte hem niet deur en sleutel routineus op het juiste moment even op te tillen. Hij hoorde pa hoesten, het klonk als een dier in nood. Met klamme handen probeerde hij het nog eens. De derde keer lukte het, de deur gaf mee en van binnen kwam er rook zijn kant op. Met zijn zakdoek voor zijn mond snelde hij naar binnen, hij ging af op het geluid van zijn hoestende vader. Hij vond hem voorover liggend op de vloer van de huiskamer, naast een smeulend tapijtje. Gelukkig stond de kamer nog niet helemaal vol rook.          In stilte draaide hij pa op zijn rug en duwde hem een meter opzij. Met de blusdeken uit de keuken doofde hij het vuur. Hij opende een raam en frisse lucht stroomde binnen. Karel nam een diepe teug lucht en moest toen zelf een beetje hoesten. Hij zocht zijn mobieltje. Hij hoorde pa nog een flink hoesten en keek om naar waar die lag. Pa bewoog eens flink met armen en benen en ging zitten.          ‘Gaat het, wil je een glaasje water?’ vroeg Karel. Pa knikte en hoestte nog eens. Karel gaf hem een glaasje water, trok de blusdeken weg en zag dat er een stompje sigaar op de restanten van het tapijtje lag. Vijf centimeter naar links en het stompje was op het kale beton terechtgekomen. Dan was er niks aan de hand geweest. Hij sloot het raam weer en ging de boodschappen van buiten halen.   Zondagochtend om een uur of acht keek hij naar pa die lag te slapen op de bank nadat hij de hele nacht door het huis had lopen dwalen. De linkerhelft van pa’s gezicht was blauw, waarschijnlijk door de val waarbij het tapijtje was gaan smeulen. Wat moest hij nou met hem? Hij had alle rookwaar en aanstekers in huis opgespoord en weggegooid en het enige doosje lucifers in zijn zak gestoken, maar was dat wel genoeg? Het was niet alleen het brandgevaar, maar dat pa ook zomaar zo hard kon vallen. Hij had wel dood kunnen vallen.          In een flits schoot er een gedachte, nee, een flard van een gedachte door zijn hoofd, een gedachte die hij niet eens tot het eind had gedacht toen hij hem weer wegduwde. Iets met dat het ook wel een oplossing was als pa doodging door een val. Moest hij zijn hersens nu spoelen met water en zeep? In plaats daarvan pakte hij zijn laptop om op internet naar oplossingen te zoeken. Hoe houdt een mens zijn malende vader in bedwang? Hoe voorkom je vallen, brand of erger? Hij kon niet de hele dag naast pa zitten om hem in de gaten te houden.          Het zoeken vlotte niet erg, de zoekvraag liet zich niet zo een, twee, drie formuleren. Maar na een tijdje kwam hij iets tegen, een stevige band van textiel die je aan een stoel kon vastmaken en het andere deel deed je om het middel van de onrustige bejaarde. Aanbevelingen genoeg: ‘Beveiligt tegen vallen.’ ‘Maakt bewegingsdrang beheersbaar.’ ‘Voorkomt oververmoeidheid.’ ‘Bevordert de rust op comfortabele wijze.’ Het klonk aantrekkelijk. De band om het middel ging dicht met een slotje, de wijdte van de band was verstelbaar. Waarom zou dat ding eigenlijk Zweedse bandheten? Het deed er niet toe, het was een oplossing, dat deed ertoe en met een paar klikken belandde de Zweedse band in het winkelmandje en nog een paar klikken verder had hij betaald. Bezorging op woensdag.     5   ‘Couzijn, je bent laat,’ bromde de voorman. ‘Euh,’ zei Karel. Zijn kin jeukte omdat hij zich niet geschoren had. ‘Dat is niks voor jou,’ zei de voorman, ‘en al helemaal niet op maandag. Wat is er aan de hand?’ ‘Terwijl ik boterhammen voor hem stond te smeren was pa naar de douche gelopen, hij had de kraan van de wasbak opengezet met de stop erin. Ik merkte het omdat het water de keuken in kwam.’ Karel krabde aan zijn kin, de voorman krabde aan zijn nek en kuchte. ‘Het is wat met die vader van jou.’ Karel knikte. ‘Maar goed, je hebt je vader tenminste nog.’ De voorman keek erbij alsof een levende vader een groot feest voor allen was. ‘Afijn, haal het om vijf uur maar in, je bent al begonnen aan je vrije uren van volgend jaar, dat kan zo niet doorgaan.’   Dinsdag ging zijn mobiel. Hij had net een lager van de vorkheftruck gesmeerd. Hij nam op met ‘Karel Couzijn’.          ‘Bent u de zoon van Sjarel Couzijn?’ vroeg een hem vaag bekende stem.          ‘Wat is er met pa?’          ‘Ik bel vanuit de Spar op het Doormanplein. U woont met uw vader toch in de flat achterin de Timorstraat?’          ‘Ja,’ Karel zette zijn telefoon op luidspreker zodat zijn collega’s konden meeluisteren.          ‘Ik ben stagiair bij jullie huisarts,’ klonk het nu door het vertrek, ‘uw vader heeft hier in de Spar eerst een caissière uitgescholden en bij haar borsten gegrepen. Haar collega heeft haar ontzet en ze zijn samen gillend de winkel uitgerend. Vervolgens heeft uw vader zijn broek naar beneden gedaan achter de stelling met groenteconserven en heeft daar zitten, nu ja, poepen. Een vakkenvuller houdt hem nu aan de praat en de filiaalchef zit te snikken in zijn kantoortje. Ik geloof dat het wenselijk is dat u snel komt.’          ‘Ik kom eraan,’ zei Karel. Hij keek naar zijn collega’s die inmiddels in een kring om hem heen stonden.          ‘Potrykus, rijd jij Couzijn naar die winkel,’ zei de voorman. ‘Hij kan zo niet rijden.’   ‘Volgens mij is uw vader dement,’ zei de stagiair-huisarts toen ze bij de winkel kwamen.          ‘Kunt u me dat op een briefje geven?’ vroeg Karel.          De man schudde het hoofd, hij was in opleiding en mocht nog niet zelfstandig een diagnose stellen.          ‘Dat schiet lekker op,’ zei Potrykus. Hij hielp de vakkenvuller om de winkel op te ruimen terwijl Karel zijn vader fatsoeneerde. De stagiair-huisarts kalmeerde ondertussen de filiaalleider. Een caissière die late dienst had kwam binnen.          ‘Zijn Ella en Bahar al weg?’ vroeg ze.          De stagiair gaf Karel een slaappil mee voor pa.          ‘Mag je dat wel, pillen zomaar meegeven?’ De stagiair haalde zijn schouders op.          ‘Hé, die heb ik ook,’ zei Potrykus.          Potrykus en Karel brachten pa thuis, gaven hem de slaappil en stopten hem in bed.          ‘Hoe moet dat nou met je werk?’ vroeg Potrykus.          ‘Ik weet het niet. Denk je dat het werkt, zo’n slaappil?’          ‘Bij mij werkt het altijd maar even,’ Potrykus keek peinzend, ‘een uur of drie. Misschien is hij er gevoeliger voor. En je moet toch wat.’   ’s Avonds ging de bel, het was de buurvrouw.          ‘De post heeft een pakketje voor je gebracht,’ zei ze. Ze snoof verontwaardigd en keek achterdochtig van Karel naar het pakket en terug. Alsof een mens met een vader als pa nog tijd en puf zou hebben voor ernstige vergrijpen van welke aard dan ook.          ‘Wat is het?’ vroeg ze. De woorden Zweedse Bandstonden in grote letters schuin over de doos. ‘Zeker om je vader vast te binden, hè.’ Karel bedankte de buurvrouw voor het langsbrengen van de doos.          Om tien uur werd pa wakker en kwam gelijk uit bed. Karel pakte het strategospel. Ze speelden uren. Om drie uur in de ochtend viel pa in slaap in zijn stoel, Karel besloot in de andere stoel te blijven slapen, hij trok een extra trui aan. Om 7 uur werd hij wakker van een vlaag frisse lucht. Pa had het raam opengezet en zong ‘ik verscheurde je foto’ met toepasselijke snikken in zijn stem.          ‘Pa.’          ‘Ouwehoer niet zo,’ zei pa. Hij ging luider zingen. Karel liep naar het raam om het dicht te doen, pa versperde de weg. Daarop pakte hij pa stevig beet en leidde hem terug naar zijn stoel. Hij pakte de Zweedse Band.   ‘Blijf nou zitten, pa.’          ‘Hoerenjong dat je bent, waarom moet ik zitten, ga zelf zitten.’ Pa stond weer op, Karel duwde hem zachtjes terug.          ‘Klootzak,’ zei pa en gaf Karel een stomp in de maag. ‘Vuil secreet,’  zei z’n vader en hij probeerde Karel bij de polsen te grijpen. Misschien kwam het nog door de slaappil, hij was niet snel genoeg. Karel duwde hem terug in de stoel en monteerde zo vlug hij kon de Zweedse Band. Gelijk met de klik van het slotje hoorde hij bonzen. Even dacht hij dat het zijn hart was, maar toen hoorde hij ‘Politie, doe open’ schreeuwen. Het klonk erg luid en dichtbij, hij keek op en zag dat het raam naar de galerij nog open stond. Een van de agenten had het ook opgemerkt en stapte door het raam naar binnen. Hij had zijn vuurwapen getrokken.          ‘Doe nu die deur open,’ zei hij. Karel stak zijn handen in de lucht en liep achteruit naar de deur van de kamer. Op de tast deed hij de deur open, in de gang draaide hij zich om, pakte de sleutel uit zijn zak en opende de voordeur. De agent was hem gevolgd, hij hield het pistool nog steeds op Karel gericht. Aan de andere kant van de voordeur stonden twee agenten met getrokken wapenstok. Een gaf Karel er gelijk een klap op zijn hoofd mee,  duwde hem tegen de muur en liep langs hem heen naar de huiskamer. De ander draaide Karel ruw om, werkte hem op de grond en boeide zijn handen op zijn rug.          ‘Weet iemand hoe zo’n band werkt?’ hoorde hij vragen vanuit de huiskamer.          ‘De sleutel ligt op de tafel,’ antwoordde Karel, ‘het is dat metalen ding met die pinnetjes.’          ‘Bek houden jij,’ zei de agent die op hem zat.          ‘Gevonden,’ klonk de stem uit de huiskamer, en ‘die ouwe is vrij.’ Er klonk gestommel, iemand riep auw. Het was niet de stem van pa, die klonk niet zo huilerig, die klonk eigenlijk altijd commanderend en tegelijkertijd beschuldigend.          ‘Auw,’ klonk het nogmaals, gevolgd door ‘Godver’, waarna er weer gestommeld werd. Er viel iets, er liep iemand langs Karel. Hij kon het niet zien, hij lag zo dat hij net de andere kant op keek en bewegen lukte niet met zo’n stevige agent op zijn rug. Maar aan de schuifelende manier van lopen herkende hij pa.          ‘Die ouwe is er vandoor,’ zei de agent op zijn rug.          ‘Nou ja, dat geeft toch niet,’ zei een ander.          ‘Hij heeft me verdomme geslagen,’ klonk het jankerig uit de huiskamer.          ‘Neem het hem eens kwalijk,’ zei de agent die nog steeds op hem zat, ‘na zo’n mishandeling. Het belangrijkste is dat we de misdadiger te pakken hebben.’          Hij was dus een misdadiger en blijkbaar had hij pa mishandeld. Misschien wel zwaar mishandeld. Maar waar zou pa nou heen zijn? En als ze hem meenamen naar het bureau, wie zou er dan voor pa zorgen?          ‘Wat gaat er nou gebeuren?’ vroeg hij.          ‘Bek houden, je wordt gearresteerd.’          ‘Moeten jullie me dan mijn rechten niet voorlezen?’   6   ‘Riem,’ zei de agent achter de balie. Hij keek verveeld. ‘Schiet op, ik heb niet de hele dag.’          Ja, riem af, natuurlijk. Karel deed zijn riem af en legde hem op de balie.          ‘Veters.’          Karel keek naar zijn voeten, hij had schoenen met klittenband aan.          ‘Oh,’ zei de agent. ‘Zakken leeg.’          Hij haalde zijn zakken leeg en kreeg er een stapeltje beddengoed en een handdoek voor terug. Daarna gaf de agent zijn zakdoek terug en zijn mobieltje.          ‘Hè,’ zei Karel. De agent naast hem haalde zijn schouders op en legde uit dat er nieuwe Europese regelgeving was, verdachten moesten hun advocaat kunnen bellen.          ‘Ik heb helemaal geen advocaat,’ zei Karel.          ‘Dat is niet ons probleem,’ zeiden de agenten in koor. ‘Maar dan krijg je er wel een toegewezen hoor,’ zei de agent naast hem sussend.          De cel was niet groot, maar met een bed, een wc en een wasbak eigenlijk wel compleet. Hij maakte zijn bed op en ging erop liggen. Het bed had geen kussen, maar het matras voelde niet slecht. Wat zou je moeten doen in zo’n cel, wat werd er van hem verwacht? Even keek hij besluiteloos om zich heen, daarna deed hij zijn ogen dicht en strekte zijn armen en benen uit. Het was stil in het cellenblok, misschien waren de andere cellen leeg. Hij had geen zin het te gaan vragen, of misschien durfde hij het niet, hij wilde zo blijven liggen, met zijn ogen dicht, de hele dag, een week, een maand als het moest. Na een tijdje begon zijn hoofdpijn af te nemen.          Hij schrok wakker van zijn mobieltje. Vaag herkende hij het nummer.          ‘Hallo,’ zei hij, ‘met Karel Couzijn.’          Het was de supermarkt weer. ‘Uw vader heeft een zak krentenbollen opengetrokken en eet nu de inhoud op.’          Karel zag op zijn schermpje dat het even over elven was, hij had hooguit een uur geslapen.          ‘Tja, het punt is, ik kan niet komen, ik zit vast.’          ‘Is er geen sluiproute?’ vroeg de ander gejaagd.          ‘Nee, ik bedoel niet dat ik vast zit in het verkeer,’ zei Karel, ‘ik zit in de cel, de politie heeft me opgepakt.’          ‘Maar dit is een noodgeval.’          ‘Nou, dan belt u 112 toch, die zijn er voor noodgevallen.’ De ander vloekte en verbrak de verbinding.          ’s Middags ging de telefoon weer, zijn vader was een school binnengedrongen en zat in de speelhoek van groep een. Op de achtergrond hoorde Karel krijsende kleuters. Nadat de leerkracht, zonder vloeken, de verbinding had verbroken, zag Karel dat er een bewaker bij de tralies stond. Die had hem een uurtje geleden al wat boterhammen gebracht.          ‘Had u van tevoren niets geregeld met betrekking tot uw vader?’ vroeg hij.          ‘Nee, want ik wist niet dat ik gearresteerd zou worden.’          ‘Men had u van tevoren niet verwittigd?’ De bewaker klonk en keek hoogst verbaasd.          ‘Nee,’ antwoordde Karel eenvoudig.          ‘Tja, dan houdt het op.’ De bewaker stak zijn duimen achter zijn riem, zei dat er vandaag verder geen gasten werden verwacht en liep weg.          Karel ging weer liggen, hij vouwde zijn handen achter zijn hoofd en voelde een weldadige loomte over zijn lijf trekken.          Die nacht ging zijn mobieltje nog drie keer. De eerste keer was het een buschauffeur, zijn vader had in een bus naar Haarlem de boel ondergezeken. De tweede keer was het de politie die zijn vader uit de bus had geplukt en thuis had gebracht en daar ontdekte dat Karel niet thuis was geweest en om half zes belde de brandweer die zijn vader uit een boom had gehaald. Daarna was de batterij leeg. Karel zocht even voor het tot hem doordrong dat hij geen oplader bij zich had.          In de middag merkte de bewaker op dat Karels telefoon niet meer ging.          ‘Klopt,’ zei Karel, ‘de batterij is leeg.’          De ander knikte traag. ‘Wel zo rustig zo,’ zei hij.          ‘Ja,’ zei Karel.          ‘Ik heet trouwens Dave,’ zei de bewaker. Karel keek hem aan, je hoorde eigenlijk nooit dat bewakers zich voorstelden aan gevangenen. Of aan verdachten.          ‘Kom je van de Antillen?’ vroeg Karel.          ‘Mijn grootouders komen daarvandaan,’ zei Dave.   7   Hij werd gewekt door een hem onbekende agent, een vrouw. Zijn eerste neiging was om naar Dave te vragen. Maar zo’n man heeft natuurlijk ook wel eens een vrije dag. Hij slikte zijn vraag in.          ‘Je hebt een pro deo advocaat toegewezen gekregen,’ zei de agent. Ze kwakte zijn ontbijt neer op het tafeltje en ging met haar armen over elkaar staan.          ‘O,’ zei Karel. Hij besloot zich nog even niet te wassen en begon te eten. Twee slappe boterhammetjes met beleg en een kop koffie. Het was misschien niet veel, maar het was niet alsof hij zwaar werk moest verrichten in deze cel. Hij nam een slok van de koffie, die was al wat lauw geworden. Och, hij had geluk dat ze hier niet aan boerenkoolsmoothies voor het ontbijt deden.          ‘En hoe kan ik contact opnemen met deze advocaat?’ vroeg hij.          ‘Daar zorgt de advocaat zelf wel voor,’ zei de agente, ‘die weet zelf het beste wanneer er nog wat tijd overschiet voor jouw zaak.’ Hij at de laatste hap en dronk het laatste slokje, de agent pakte het blad op en verdween. Karel ging staan, rekte zich eens uit en ging zich wassen. Hij probeerde zich een advocaat voor te stellen en vooral de vragen en overwegingen die zo’n man zou maken. Of zo’n vrouw natuurlijk. Zijn gedachten gingen verder, eerst maar eens bedenken wat ik ook weer uitgericht heb. O ja, pa vastgebonden. En dat mag dus niet, dat is me inmiddels wel duidelijk. Maar wie zorgt er nu eigenlijk voor pa? Hij rekte zich nog eens uit toen hij aangekleed was en begon zijn tanden te poetsen. Toch lekker rustig zo, in zo’n celletje, zo zonder afleiding en niks om je zorgen over te maken. Nou ja, over pa natuurlijk, daar kon een mens zich altijd wel zorgen over maken. Maar op dat punt viel er nu toch niks te doen. Hij voelde wat tandpasta langs zijn kin gaan en veegde het weg. Wel jammer dat hij hier geen spiegel had, dat scheren op gevoel was nog knap lastig.   Dave bracht hem naar zijn pro deo advocaat, het was een paar dagen later.          ‘Weet je al of je bekent of niet?’ vroeg Dave.          Karel haalde zijn schouders op. ‘Ik heb niet veel keus hè, de politie zag me mijn vader vastbinden.’          ‘Ja, dat is natuurlijk wel een heterdaadje, dan heeft ontkennen niet veel zin.’          Karel knikte.          ‘Er zijn er die het toch proberen,’ zei Dave.          ‘Is het heus?’          Nu knikte Dave. ‘Mijns inziens kun je het beter op verstandsverbijstering gooien, ontoerekeningsvatbaarheid, zeg maar.’          ‘Hmmm,’ zei Karel.          ‘Advocaten kunnen daar meestal wel een mooi verhaal van maken hoor,’ zei Dave, ‘ook pro deo advocaten. Of misschien juist wel die.’          ‘Kan ik het niet op overmacht gooien?’ vroeg Karel.          Dave meende dat dat ook een optie kon zijn. ‘Je moet het maar aan je advocaat overlaten.’          Karel hijgde een beetje, zijn conditie was er niet beter op geworden.          ‘We moeten nog zes trappen,’ zei Dave.          ‘Waarom gaan we niet met de lift?’          ‘Die is stuk.’          ‘Zal ik er eens naar kijken? Ik ben vroeger liftmonteur geweest,’ zei Karel.          Dave dacht dat het niet kon, er waren contracten, iets met Europese aanbesteding en mededingingsregels.          ‘Net als bij mij in de flat,’ zei Karel. Meester van der Roer, strafrechtadvocaat, fronste zijn donkerblonde wenkbrauwen en kneep zijn mond samen. ‘Heterdaad, meneer Couzijn, dat is niet zo mooi. Het beste is om maar gewoon te bekennen.’          Karel bekeek het kale vertrek, de hele toestand deed hem denken aan politieseries op tv. Al viel het hem mee dat hij geen oranje ketelpak aan had, en geen ketenen aan zijn voeten. Misschien was dat meer iets voor Amerikanen, die overdrijven altijd zo. ‘Kan ik het op verstandsverbijstering gooien?’          De advocaat trok rimpels in zijn voorhoofd, misschien iets te veel, het beviel Karel niet. ‘Kunt u dat aantonen, is er een psychiatrisch rapport, heeft u een verleden van gedwongen opnames?’          Karel schudde het hoofd.          ‘Laten we niet op de dingen vooruitlopen,’ zei de advocaat. Hij legde zijn handen op tafel, spreidde zijn vingers en keek peinzend. ‘Waarom heb u het eigenlijk gedaan? Spreek vrijuit, dit gesprek is strikt vertrouwelijk.’          Karel keek om zich heen of er ergens een camera te zien was, of een microfoon. ‘Mijn vader is dement…’ begon hij.          Van der Roer hief zijn linkerhand op. ‘Hoho,’ zei hij, ‘bent u soms arts? Geriater?’          Karel schudde het hoofd weer.          ‘Laten we dan geen diagnoses stellen. Of is er al een diagnose, gesteld door een daartoe bevoegd persoon en bovendien op schrift gesteld?’          Karel liet zijn hoofd wat hangen, hief het weer op. ‘Maar zijn gedrag wijst erop, dat zwerven van hem, bij nacht en ontij. Hij laat zijn urine lopen, en het gas aan staan, is agressief tegen willekeurige voorbijgangers.’          Nu schudde de advocaat het hoofd. ‘Zonder geldige diagnose zal men dat gedrag wijten aan een slechte behandeling van hem door u, dat maakt het alleen maar erger voor u. Hebt u nooit met iemand over uw problemen gesproken?’          ‘Mijn problemen? Het zijn toch de zijne? Wat nou, mijn problemen.’ Door het raampje, hoog in de muur en met tralies ervoor, zag hij een ekster het opnemen tegen de eerste herfststorm van het jaar.          ‘Als u die toon aanslaat, komt u niet ver in de rechtbank. Heeft u nooit aangeklopt bij maatschappelijk werk?’          Hij zag het tafereel weer voor zich, de dame van maatschappelijk werk, een jaar of 35 oud. Ze zag er erg op orde uit, alsof ze alles onder controle had. Ze had gezegd hoe heerlijk het toch was, in het algemeen, om iets terug te kunnen doen voor een van je ouders. ‘Uw vader heeft toch ook altijd alles voor u over gehad,’ had ze gezegd. Hij had willen vertellen over de nachten die hij als kind had doorgebracht, opgesloten in het kolenhok, in de jaren dat ze net aardgas hadden. Maar de volgende cliënt had voor de deur gestaan. Hij was niet teruggegaan, maar of dat nou door tijdgebrek kwam of omdat hij er het nut niet van inzag?          ‘Jawel,’ zei hij tegen de advocaat, ‘maar daar kon men niets voor mij doen.’          ‘Tja.’          ‘Wat moet ik nu?’          ‘Bekennen,’ zei de advocaat, ‘er zit niets anders op, te veel mensen hebben het gezien. En dan flink berouw tonen natuurlijk, dat doet het altijd goed. Beloven dat u het echt nooit, nooit meer zult doen. Misschien dat het dan bij zes weken blijft, vier na aftrek voor goed gedrag.’          Karel keek op van het tafelblad. ‘En anders?’          ‘Zes maanden tot een jaar.’          Karel zuchtte, niet hard, maar blijkbaar hard genoeg voor de advocaat. Die merkte op dat hij geen strafblad had. ‘Daar kijkt men ook naar. Zonder strafblad zijn, dat is altijd gunstig. En bovendien is het niet de bedoeling van ons rechtssysteem om kinderen te verhinderen hun plicht jegens hun ouders uit te voeren, iedereen wil u en uw vader zo snel mogelijk herenigen.’          Karel zuchtte nog eens, onbedoeld veel luider en dieper dan de vorige keer. De wenkbrauwen van de advocaat gingen omhoog en zijn handen kwamen van het tafelblad in een afwerend gebaar. ‘Zuchten wordt zelden opgevat als uiting van berouw,’ waarschuwde hij.          ‘O,’ zei Karel.          ‘Alleen een vlotte bekentenis en een openlijk betoon van diep berouw kunnen de strafmaat in gunstige zin beïnvloeden. Plus het blanco strafblad natuurlijk.’          Karel zweeg.          ‘Waarom heeft u uw vader eigenlijk in huis genomen?’          ‘Hij werd uit zijn huis gezet, huurachterstand. Niet dat hij het geld niet had, maar hij had al zijn automatische betalingen stopgezet, zomaar eigenlijk, of misschien uit achterdocht. Ik kon hem toch niet op straat laten slapen? Mijn broers en zus wonen ver weg.’          ‘Dus u kon hem niet op straat laten slapen. Kijk, dat is informatie waarmee ik het vonnis in uw voordeel kan beïnvloeden. Wie weet, kunt u snel weer terugkeren bij uw vader en in de maatschappij.’   8   Uitgerust stapte hij de rechtbank in, hij moest zijn best doen om te beseffen dat hij werd voorgeleid, dat de gang naar de rechtbank niet bedoeld was als gezellig uitje, een prettige onderbreking van zijn kalme verblijf in de cel. Zijn schouders voelden ontspannen, het brandende gevoel in zijn maag en in zijn ogen was weg. Hij keek rond, zoals vroeger in de kerk, of hij ook bekenden zag. De eerste die hij opmerkte was Potrykus, vervolgens viel zijn oog op pa. Die had dezelfde kleren aan als op de dag van zijn arrestatie. Waarom zou pa hier eigenlijk zijn? Och, hij had natuurlijk spreekrecht, hij was het slachtoffer bij het misdrijf. Karel ademde traag uit. Er was een misdaad gepleegd en hij had dat gedaan. Wie zou pa trouwens naar de rechtbank gebracht hebben?          De rechter kwam binnen, iedereen ging staan, en weer zitten toen de rechter zat, alleen Karel bleef staan.          ‘Wat was de reden dat u uw vader van zijn vrijheid beroofde?’ vroeg de officier van justitie na wat inleidende formaliteiten en Karels vlotte bekentenis dat hij pa had proberen vast te binden.          ‘Omdat mijn vader dement is en er geen land met hem te bezeilen is,’ zei Karel ferm. De officier keek hem strak en streng aan en vroeg of er een artsenverklaring was.          ‘Nee,’ zei Karel, ‘die is er niet.’          De officier vroeg toen aan pa zelf of die dacht dat hij, Sjarel Couzijn, aan Alzheimer leed.          ‘Nee,’ zei pa.          De officier vroeg Karel weer naar het waarom van zijn misdrijf. ‘Dat is uiterst belangrijk voor de strafmaat.’          Karel keek naar zijn advocaat, maar die haalde de schouders op met een paniekerig gezicht. Karel herhaalde dat het was omdat pa dement was.          De rechter keek nu heel vaderlijk. ‘Mijnheer Couzijn, ik kan best begrijpen dat u in een vlaag van verstandsverbijstering even geen uitweg zag, maar u hebt vast veel berouw. En uw advocaat heeft omstandig uitgelegd dat u uw vader vrijwillig in huis hebt genomen, een heel nobele daad. Bovendien heeft u een blanco strafblad. De eis is vier maanden gevangenisstraf, persoonlijk vind ik dat vrij veel. Het kan dus minder worden, maar dan moet u wel meewerken. Dus nogmaals, waarom heeft u uw vader van zijn vrijheid willen beroven? Als dat was in een vlaag van verstandsverbijstering, wellicht veroorzaakt door slaapgebrek, of wie weet, nog door uw echtscheiding van drie jaar geleden, dan kunt u heus uw familieleden, inclusief uw vader, snel weer in de armen sluiten.’          Karel kreeg last van brandend maagzuur en voelde een klem op zijn schouders.          De officier van justitie vroeg nog maar eens naar de reden van de vrijheidsberoving. ‘Heus, we handelen allemaal wel eens vreemd door een black-out.’          Karel strekte zijn rug en zei: ‘Leg me geen woorden in de mond. Mijn vader is zo dement als een deur en ik wou even mijn handen vrij hebben voor een bezoek aan een prostituee. Ik heb geen spijt van mijn daden en zou het zo weer doen.’          De advocaat bracht zijn hand naar zijn mond, de rechter en de officier zwegen met open mond, de griffier dook weg achter zijn laptop. Pa nam ongevraagd het woord. ‘Alles is hier zeer palliatief, mijn complimenten.’          ‘Mijnheer Couzijn, wat bedoelt uw vader?’ vroeg de rechter. Hij keek vragend van pa naar Karel en terug.          ‘Als mijn vader niet dement is en u een intelligent man bent, zult u hem toch wel begrijpen? Ik ben maar een delinquent en een hoerenloper, ik snap er geen zak van.’ Hij hoopte dat niemand zou vragen om bewijzen van zijn hoerenbezoek, bonnetjes, ooggetuigenverklaringen, dat soort dingen.          Het vonnis werd acht maanden.   9   ‘Hé Couzijn,’ hoorde hij. De stem kwam hem bekend voor. Gek hoor, je zou hier toch geen bekenden verwachten. Hij keek op van zijn werk – haarspeldjes op een kartonnetje schuiven – en zag dat een van de bewakers vriendelijk naar hem lachte. Het duurde even voor hij het gezicht kon plaatsen. Het was de derde dag dat hij hier zat. Het rustige ritme van de gevangenis had hij vrij snel op kunnen pikken, maar aan de mensen om hem heen moest hij nog wennen. Het kijken naar tv-series gaf toch niet helemaal het juiste beeld van zware criminelen. En ook niet van de bewakers van die zware criminelen. Opeens wist hij het, het was Dave, die hem bewaakt had tijdens zijn voorarrest. Rouleerden die mensen soms over verschillende locaties? Dat deden ze wel met militairen. Met supermarktmedewerkers trouwens ook.          De dagen verstreken in rust, reinheid en regelmaat. Karel deed voor het ontbijt wat gymnastiek- en yoga-oefeningen die hij nog van Jozien geleerd had. De uren op cel bracht hij lezend en mediterend door. Na een week merkte hij op dat hij het gezicht van pa zich niet meer goed voor de geest kon halen. Na twee weken had hij vol goede moed een brief geschreven aan zijn kinderen. Hij kreeg een ansichtkaart terug van Jozien.          Schrijf maar niet meer, stond er. De kinderen willen niets meer met je te maken hebben. Je hebt hun opa mishandeld, dat is onvergeeflijk. Hij staarde een tijdje naar de letters, keerde de kaart om. Daar stond een landschapsfoto van een polder in de buurt. Hij kende het daar wel, er stond een molen op, de golfplaten barak ernaast was op de foto vervangen door een bosje bomen en de lucht was strakblauw gefotoshopt. Er ging een zekere sereniteit uit van het prentje en hij zette het op het plankje boven zijn bed tegen de muur.          Hij begon een schriftelijke cursus bedrijfscorrespondentie moderne talen. Zijn medegevangenen zagen hem aan voor een geleerde en begonnen hem om advies te vragen bij uiteenlopende problemen.          In de derde week kreeg hij een korte brief van Jurjen.            Beste pap,   Het klopt niet dat Elsa en ik je niet meer willen zien. We begrijpen wat je gedaan hebt en waarom je het gedaan heb. Twee dagen na je arrestatie zijn we opa wezen opzoeken. Hij sloeg mij een blauw oog en begon aan Elsa’s bloesjen te trekken. We zijn heel erg hart weggerend. Mam en Björn zijn nu bang dat jij erfelijk belast bent en houden ons daarom bij je vandaan.   Het deed hem deugd dat Jozien en haar nieuwe lief zich zulke prudente ouders betoonden. Maar het was natuurlijk wel jammer dat Jurjen nog steeds zoveel spelfouten maakte. Maar kom, daar ging het nu niet om. Onderaan het briefje stond dat hij zijn kinderen per adres kon schrijven, via het adres van een vriendinnetje van Elsa. Hij schreef terug dat hij het begreep en dat ze zich om hem geen zorgen hoefden te maken.   ...Ik heb het hier veel rustiger dan buiten de gevangenis. Ik ben een cursus bedrijfscorrespondentie moderne talen begonnen en vooral Duits is erg lastig, met al die naamvallen. Dus ik kom de dagen wel door…   Hij stuurde de brief per adres.          Een week later inspecteerde Dave zijn cel. ‘Wist je dat ik om overplaatsing heb gevraagd om hier te komen werken?’ zei Dave plotseling.          ‘Nee, hoe dat zo?’          ‘Ik hoorde dat je hiernaartoe was gebracht en ik miste onze gesprekken.’          ‘O.’          ‘Maar goed, voor die gesprekken is hier natuurlijk maar weinig gelegenheid, het gaat er hier anders aan toe dan ik verwachtte. Bevalt het jou een beetje?’          ‘Toch wel, voor een gedetineerde is het hier zo lekker rustig.’ Hij begreep wel dat het voor Dave anders lag, die kwam hier om te werken. ‘Maar ik mis de buitenlucht en de wind en de wolken wel heel erg hoor,’  zei hij er daarom achteraan.   10   De deur ging open, Karel keek op van zijn Duitse naamvallen.          ‘Hé Karel,’ zei Dave ter begroeting.          ‘Hé Dave,’ zei Karel, ‘wat is je uniform netjes gestreken.’          Dave grinnikte.          ‘En je bent naar de kapper geweest,’ zei Karel.          Dave schoof een beetje met zijn voeten en haalde zijn schouders op. ‘Er is een nieuwe collega,’ zei hij.          ‘Die met dat leuke staartje?’          Dave knikte.          ‘En op hem wil je indruk maken?’          Dave knikte weer en kuchte eens. ‘Maar daar kwam ik niet voor, ik hoorde net dat je in aanmerking komt voor vervroegde vrijlating. Gefeliciteerd.’          ‘Wegens goed gedrag,’ zei Karel. ‘Het werd mij vanmorgen medegedeeld.’          ‘Ben je blij?’ vroeg Dave.          ‘Ja, natuurlijk,’ zei Karel. Dave ging op het bed zitten, de enige stoel bevond zich onder Karels kont. Ze spraken over de buitenwereld, Dave vertelde over de stormschade van de week daarvoor, Karel vroeg naar de presidentsverkiezingen in Frankrijk en de geruchten die hij had gehoord over gesjoemel in de stomerijbranche.          ‘Desondanks zitten de vouwen keurig in je broek geperst,’ concludeerde Karel. ‘Pas maar op dat je ze niet verpest door zo plompverloren op mijn bed te gaan zitten.’          Ze lachten wat. Dave keek op zijn horloge en mompelde iets over ‘al zo lang,’ stond op en verliet de cel. Nog even, en dan zou hij zelf ook de cel uitgaan, de gangen door en dan echt naar buiten. Hij zou de wind weer voelen, door plassen kunnen banjeren, zelf bepalen wat hij zou eten. Of toch niet, er zou weer iemand zijn waar hij rekening mee moest houden, iemand die niet makkelijk tevreden was te stellen. Op dat moment kon hij het gezicht van pa weer duidelijk voor zich zien. Hij merkte dat zijn handen zich tot vuisten balden. Hij haalde een paar keer diep adem en ontspande zijn handen weer, hij had nog twee weken cel tegoed voor zijn vrijlating, er kon nog van alles gebeuren.   Drie dagen later, het was een vrijdag, zag hij Dave op een hoek van de gang, hij stond daar met de nieuwe bewaker met het leuke staartje.          ‘Vuile overloper,’ zei het staartje. Het klonk niet goed. Karel draaide zich stil om en deed of hij verdiept was in de brandvoorschriften die daar aan de muur hingen. ‘Vriendjes zijn met de gevangenen, gadver,’ het staartje spoog op de grond. Karel haalde instinctief zijn neus op. ‘Heb jij dat aan de directie gemeld?’ vroeg Dave. Het klonk timide, zo kende hij Dave niet. ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei het staartje. ‘Maar het valt me zo van je tegen. Ik had je ingeschat als integer.’                         11   ‘Hé Couzijn, bezoek voor je.’          Karel keek op van zijn tomatensoep met ballen. Het was de bewaker met het staartje die hem geroepen had. Hij stond nu wijdbeens, met zijn duimen achter zijn koppelriem gestoken, in de deuropening van het schaftlokaal. Karel nam nog snel een paar happen.          ‘Zonde om het weg te gooien, dat kostelijke eten,’ zei hij.          ‘Ja,’ zei de moordenaar die tegenover hem aan tafel zat, ‘het is goede soep. En daarbij, je gaat toch geen voedsel verspillen.’          Karel knikte instemmend, legde zijn lepel neer en stond op. ‘Ik verwacht eigenlijk helemaal geen bezoek,’ mompelde hij bij zichzelf, de bewaker bij de deur wenkte hem.          Hij volgde de bewaker en keek om zich heen, er waren lange gangen met groene deuren waarachter hij cellen wist en daarna kwamen er korte gangen met grijze deuren waarachter hij kantoren vermoedde, of misschien kantoortjes.          ‘Heb je niet eerder bezoek gehad?’ vroeg de bewaker zonder achterom te kijken. Karel schudde het hoofd.          ‘Ik hoor je niet.’          ‘Nee,’ zei Karel, het klonk best hol in de betonnen gang. De bewaker deed een derde deur open met zijn pasje en vingerscan en daarachter bleek de bezoekersruimte te zitten. Er stonden wat rijen tafeltjes met aan elke kant een stoel, sommige waren bezet. Op de betonnen muren waren landschappen geschilderd, waarschijnlijk om te verhullen dat deze ruimte in het geheel geen ramen had en maar twee deuren, die waar hij net door was gekomen en een aan de overzijde, waar misschien de bezoekers door kwamen en gingen. In elke hoek van het vertrek stond een bewaker met een wapenstok, een pistool en een smartphone. De vier bewakers in de hoeken glimlachten geruststellend. Aan een van de tafels zat een vrouw, de plek tegenover haar was leeg. Hij keek nog eens goed, het was zijn zus, ze had haar haar geverfd.          ‘Wat leuk dat je gekomen bent,’ zei hij tegen haar. Ze keek om zich heen als een verlegen kind op een familiefeest vol luid bulderende ooms.          ‘Wat jammer dat je je haar geverfd hebt, dat grijs stond je zo goed.’          Ze bloosde een beetje. ‘Turvill vindt dit leuker staan.’          Ze spraken over het weer, de verkiezingen en de CO2-uitstoot.          ‘Lees je hier ook kranten?’ vroeg ze.          ‘Nee, dat lukt niet, maar we kijken naar het weekoverzicht van het journaal,’ zei hij.          ‘Dus je weet nog hoe de wereld eruitziet als je straks weer buiten komt.’          ‘Heb je gehoord van mijn vervroegde vrijlating?’ vroeg hij.          Ze knikte. ‘Je zult wel blij zijn dat je weer naar huis kunt, jij en pa hadden het zo gezellig samen.’          Hij keek haar aan. Het leek erop dat ze het niet helemaal goed begrepen had. Zou ze eigenlijk wel weten waarom hij gearresteerd was?          ‘Is pa je vaak wezen bezoeken hier?’ vroeg ze.          Hij voelde dat zijn schouders begonnen te verkrampen en probeerde heel bewust om zijn handen niet tot vuisten te ballen. Zoiets kon verkeerd opgevat worden. ‘Nee, geen enkele keer,’ antwoordde hij. ‘Maar hoe zou hij ook kunnen, hij kan de weg hierheen toch niet vinden.’          Ze zat hem blanco aan te staren.          ‘Wie zorgt er nu eigenlijk voor hem?’          ‘Hoezo?’ vroeg zij.          Ze zwegen even.          ‘Je moet wel goed voor hem koken hoor,’ zei ze, ‘hij wordt zo mager.’          ‘Jullie tijd is om.’ De bewaker met het staartje stond naast hun tafeltje. Hij had hem niet aan horen komen en hoopte dat zijn zus de zucht van opluchting die hij per ongeluk slaakte, niet hoorde.          Die avond in zijn cel voelde hij zich heel moe en door de pijn in zijn schouders wist hij niet hoe te gaan liggen. Het werd een lange nacht.   12   Als de buitenwereld zo angstaanjagend is, moet je toch maar zien dat je binnen kunt blijven, zei Karel de volgende ochtend tot zichzelf. Of eigenlijk dacht hij het gewoon, tijdens het tandenpoetsen. Hij had nog tien dagen tot zijn vervroegde vrijlating. Maar hoe pak je zoiets aan? Het zou handig zijn om met iemand te overleggen, maar de meesten willen hier juist zo snel mogelijk weg. Hij mompelde nou ja nadat hij zijn gezicht en handen had afgedroogd en trok zijn schouders op. Shit, dat zag er vast uit alsof hij in zichzelf liep te praten. Dave had hem weleens verteld dat ze verwarde mensen juist vervroegd vrijlieten, dan waren ze er vanaf. Tenzij ze echt een aanmerkelijk gevaar voor de maatschappij vormden. Dat vereiste natuurlijk wel dat je flink agressief was. Jammer dat hij het Dave niet kon vragen, die liep niet meer op deze gang.          Hij maakte zijn bed die ochtend niet op. Je moest tenslotte ergens beginnen. Op het werk verboog hij wat schuifspeldjes en smeet een stapel kartonnetjes op de grond. Niemand reageerde.          De volgende dag maakte hij zijn bed weer niet op en spoog hij tweemaal op de grond in de recreatiezaal. Niemand leek het op te merken. Hij overwoog wat bladzijden uit een bibliotheekboek te scheuren, maar dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen.          Dan maar zo, dacht hij, en morste koffie over de kaft.          ’s Middags in de bibliotheek trok Dave hem achter een rek met boeken.          ‘Wat is dat voor flauwekul, man?’ siste Dave. ‘Zo kom je toch niet eerder vrij.’          ‘Dat wil ik ook niet,’ fluisterde Karel, ‘ik wil niet terug naar de zorg voor pa.’          ‘O,’ zei Dave, ‘is dat het. Nou ja, daar kan ik inkomen. Maar dan moet je wel echt geweld gaan gebruiken, tegenover personen, anders lukt het niet.’          ‘Echt geweld?’ zei Karel. ‘Dat wil ik helemaal niet, het lukte me niet eens om een bladzijde uit dit boek te scheuren.’          ‘Gebruik dan geweld tegen mij,’ stelde Dave voor.          ‘He bah,’ zei Karel.          ‘Doe het voor mij,’ drong Dave aan,

Marijke Roza-Scholten
28 0

AB

09/04/2018 Annelies B., Hoe kan ik jou omschrijven in één woord? Erudiet misschien, dat is een woord dat wel bij jou past. Ik gebruik met opzet een moeilijk woord want dat doe jij ook vaak. En de manier waarop jij schijnbaar moeiteloos overschakelt van het Nederlands naar het Portugees vind ik bewonderenswaardig, alsof Brazilië in België ligt.Ik heb al geprobeerd om jou te imiteren. Het lijkt dan alsof mijn onderkaak meteen de echtscheidingsprocedure wil opstarten met de rest van mijn gezicht. Nochtans hebben die twee al tientallen jaren een harmonieus huwelijk, een breuk zou niemand durven hebben voorspellen. Dirk     11/04/2018 Annelies B., Ik beken: Soms negeer ik je gewoon als je in mijn woonkamer bent. Jij kunt zo verdomd neutraal zijn om de volgende minuten te veranderen in een irritant kritisch wezentje. Je milde stemgeluid en dito blik zouden het tegendeel doen vermoeden. Op die momenten verdraag ik je, niet meer dan dat. Nochtans kan ik jou met een simpele druk op een knop wegtoveren. Waarom ik dat dan niet doe? Misschien is het de macht der gewoonte die mij aan jou bindt, of de hoop dat het hierna toch weer beter wordt, zoals vanavond toen je het heel de tijd over Viktor Orban en een gifgasaanval in Syrië had. Dirk     15/04/2018 Annelies Beck, Deze namiddag ben ik naar een dansvoorstelling gaan kijken in het Kaaitheater, een druipsteen van creativiteit midden in de stad. "Achterland", zo heette de voorstelling die gaat over de soms stroeve of onbestaande communicatie tussen mannen en vrouwen. Ik hou van de lichaamsbeheersing van hedendaagse dansers. Ik verander dan telkens in een laagjeszoeker, ik word een archeoloog van het menselijke doen en laten, net zoals jij dat bent.Zullen we volgende keer samen naar "Achterland" gaan kijken? Je zult zien, het wordt leuk. Dirk

Dirk Jacobs
0 0

gedicht

dDe18th April 2018 Today the first warm day in spring. Cold water, shells are hurting my bare feet. This first day at sea,  light still incredibly soft.... Thoughts came & went & stay.. as seagulls in the sky white stripes of planes are  writing names from heaven... They are there, they are here in birds, in waves, in light. I close my eyes to see my brothers near to me....   Vandag  die eerste warm lentedag. Koue water, my kaal voete kla eerste dag by die see sagte, ongelooflike lug... Gedagtes kom, gaan, bly seemeeue in die lug  vliegtuie maak wit strepe skryf name vanuit die hemel Hulle is daar, hulle is hier in voëls, in branders, in die lig. Ek maak my oë toe en sien my broers naby my... Vertaling: Connel Fortuin dag Myriam,  Je hebt nu een naam, is dat een Joodse naam? Hoe hebben jouw ouders je je naam gegeven? Heb je dat ooit kunnen vragen?  Bovenstaand gedicht schreef ik afgelopen woensdag. Ik heb een Zuidafrikaanse vriend,  gevraagd het te vertalen. De hele week was het een komen en  gaan van dit en dat. Werk, familie, vrienden.. nu schrijf ik de losse stukjes. Waarschijnlijk voldoe ik niet aan de opdracht, ik begrijp deze niet goed.  De viskar verkoopt fish on the beach, hé het is toch: at the beach? Twee knullen rennen er achteraan, de vieze walm die uit de aluminium pijp komt, deert hen niet. In de verte klinkt het dof gerommel van een motor. Naderbij zoeven de rotorbladen van een legerhelicopter.  ‘Wij zijn nu van tijd los, mama’ klinkt het vanonder de parasol. ‘Ga maar lekker slapen, als we weggaan, waarschuw ik je wel’. Dochter schenkt rosé in en zakt ook weg op de stretcher. Aan de rand van het terras staan bossen wilgentenen in gelid. Twee koolmezen bewegen van twinkelerend van top naar top. Ze landen uiteindelijk op het allerdunste, hoogste gevorkte takje. En wiegen in de wind. De glanzende diepzwarte kraai pikt naar restjes eten in het zand. Hun blikkerig geluid weerkaatst. Naast mij is een topless, naar ik aanneem, studente verdiept in een studieboek. Als ze zich opricht wordt de tattoo zichtbaar rond haar rechterborst: een maretak. Dit is de eerste tattoo die ik mooi vind. Maar wat een pijn zal de studente geleden hebben. Naald en inkt in zo’n prachtige, zachte, ronde borst.  Lentelicht, lentefris, het water koud. Schelpen knarsen en snijden in mijn voetzolen. Au...De eerste lentedag, deze dag......          

Nikki
19 0

Brieven aan een bekende

Maandag 9 april Dag Dirk, Vier maanden zijn alweer voorbijgevlogen zonder dat ik nog iets van me heb laten horen. Ook eind november is dus niet het juiste moment voor goede voornemens… Deze week heb ik alleszins aan je gedacht. Donderdag ga ik naar Joker om de nieuwe reis voor 2019 te bespreken. Ik heb vier routes in gedachten. Gisteren besefte ik ineens dat slechts eentje langs Mexico City passeert. Ik denk dat ze voor de route naar het hoge noorden zullen kiezen. In dat geval zit ik zo’n 3000 km bij je vandaan! Ach, jij en ik weten dat in Mexico afstanden geen rol spelen. Ik geraak dus na de groepsreis wel tot bij jou, ook al moet ik er het halve land voor door reizen. En ook al ben ik maar een zeldzame bezoeker die om de paar jaar passeert, toch zal je muy mexicano je prachtige koloniale huis weer voor me openstellen en zullen we waarschijnlijk weer te veel cuba libres drinken :-). Ik kijk er al naar uit!Un abrazo fuerte, ook voor José Luis en Marie-Claire, Tine *** Donderdag 12 april Hey Dirk, Bij Joker waren ze heel enthousiast over een nieuwe Mexico-reis. Over een week of twee weet ik definitief welke route het wordt. De Zonen kunnen er wel niet mee lachen dat ik weer voor een maand naar Mexico zal trekken als reisbegeleidster. Ik wil dolgraag nog eens met het hele gezin gaan maar dat kost een hoop geld. Ik speel een beetje met het idee om net als jij mijn huis te gebruiken om centen te verdienen. Natuurlijk heb ik jouw talent als decorateur niet  maar ik krijg toch altijd positieve reacties op het interieur hier. In elk geval heb ik voor mijn verjaardagsparty geen zaaltje gehoord maar besloten om het feestje thuis te doen, zo spaar ik al wat geld uit. En ik heb geen cadeautjes gevraagd maar centen voor onze Mexico-spaarpot dus amigo, wie weet staan we toch weer eens met ons vijven voor je deur :-). Knuffel, Tine *** Vrijdag 20 april Héhé, eindelijk weekend! Het was een drukke week met Siemons verjaardag en naar goed Mexicaans gebruik blijven we feesten. Morgen heeft hij zijn feestje met de vriendjes van de klas en zondag komen oma en opa taart eten. Ik zal blij zijn als het zondagavond is en ik in mijn luie zetel kan ploffen om naar de Mol te kijken. Volg jij dat programma ook? De mol zal ik niet vinden, ik laat me te veel meeslepen door het decor :-). Wist je dat het programma in november is opgenomen toen ik je met de Joker-groep in San Miguel de Allende kwam opzoeken? Het had wellicht niet veel gescheeld of  we waren op de opnames gebotst. Hoe loopt je winkel in San Miguel? Valt het je niet te zwaar zonder Jose Luis en Marie-Claire? Op twee plekken wonen en werken lijkt me toch niet zo evident. Ik bewonder het wel hoe je altijd met nieuwe ideeën komt. Daarvoor alleen al zou ik je komen opzoeken.Un abrazo fuerte, Tine    

Ambrozijn
0 0

Tour of Hope

                                                                                        Een hete dag in april  ;-)       Dear Louise,     Opgepast. Mijn schrijven is een verzoek. Het wortelt in binnenpret. Tweeduizendennegen. Do you remember?   We wilden niet bij de pakken blijven zitten, vulden koffers en gespten onze gebroken harten vast. Tour of Hope. De heetste kant van de States, de heetste tijd van het jaar. Alsof we wilden bewijzen dat er met ons niet te sollen viel, dat we hittebestendig waren, vuurvast. Een roadtrip door het land van belofte, langs de highways van onze twijfels. We worstelden ons door een jetlag en mislukte reservaties, improviseerden schaduw en diagnosticeerden gesmolten remblokken uit rubberen stank.                    Uren turen naar de oceaan vol stoere binken die als zilveren flippers met hun surfplank dwars door de grote golven doken.                                                          Alles was goed om niet aan thuis te denken. Ik weet echt niet meer van waar die inval kwam - jij wel? – om onze fototoestelletjes te laten speuren naar voortekens. Signalen van het universum. Help from heaven.  We lachten ons leeg om dit absurde idee. Maar kijk, de adviezen bleven niet uit. Billboards en radiospots, muurtegels en graffiti’s, tattoo’s en straatpredikanten pepten ons op. En toen Louise, toen we Death Valley en Vegas, waar de lucht uit een reuze-föhn kwam, hadden overleefd en onze lijven mottig waren van de hitte, toen wees jij naar dat gele verkeersbord : ‘be prepared to stop’. Levenslessen op een paaltje. Gratis advies aan lovers in crisis.      Je moet er wel voor door de woestijn.   We hebben elk onze oase gevonden intussen, en neen, het is geen fatamorgana. Maar als ik naar die foto kijk, smelt ik weer. Alleen daarom wil ik nog even toen zijn. Even.   Bij deze : vieren we onze jubilee volgend jaar?   I hope we will !   Thelma

BERLIOZ
0 0

Lieke,

Lieke, zaterdag 14 april   Je hebt gisteren wat gemist. Ben naar een toneelvoorstelling geweest van die compagnie waarvan we vorig jaar dat wondermooie stuk over ouder worden hebben gezien.  Die mannen hebben blijkbaar iets met ouderdom.  Het stuk, het was eigenlijk meer een documentaire, ging over een ouder koppel dat na een onteigening, koppig weigerde te verhuizen.  Grappig, ontroerend. Je zou het echt schoon gevonden hebben.  Hoe het met de vrouw afloopt, kon je achteraf thuis – op de website van de filmmakers- bekijken. Ik weet niet of het bij jou in de buurt ook gespeeld wordt.  Zeker gaan kijken. De kaartjes voor het concert zaten deze morgen in de bus.  Kleine Helden Cantate.  Ik ben benieuwd. Morgen goed oefenen tijdens de repetitie, dat het een mooi wordt.  Met al die prachtige stemmen (vooral de jouwe) ben ik daar wel al vrij zeker van. Lus     Lieke,  woensdag 18 april   Alles goed met je?  Ik kreeg geen reactie op mijn enthousiast bericht van zaterdag.  Ben je de buurman nog altijd aan het helpen met stenen kuisen of is er nog veel werk aan het schilderen van jullie decors?  Je weet dat ik me direct zorgen maak als ik niets hoor. Ja, je zit daar nu ook zo alleen en toch niet echt dichtbij.  Ik weet dat je daar zelf niet veel bij stilstaat, je waant je (nog steeds) onsterfelijk. Ik ben dan weer te veel pessimist en overdrijf misschien.  Maar Lieke, als jou iets zou overkomen, hoe gaan wij dat hier weten? Lus   Lieke, vrijdag 20 april Ik heb gisteren een ganse namiddag (met dank aan het zonnetje) in de hangmat gelegen met de debuutroman Andromeda. Over terrorisme, hiv, klimaatopwarming en de onbedoelde gevolgen van onze daden en beslissingen. Knap verteld en veel stof tot nadenken.  Ik zie ons dan weer terug op de zolder van de academie.  We hebben daar vele mooie uren gesleten.  Bij een kop yogi thee en jouw appeltaart luisterden we naar mekaars verhalen.  Iedereen had reeds beslissingen moeten nemen die (on)bedoelde gevolgen hadden zowel op het eigen leven als dat van de andere betrokkenen.  Het deed deugd om daar samen om te kunnen huilen en lachen.  We hebben daar inderdaad niet alleen gehuild maar ook wat afgelachen en vele hilarische momenten beleefd. Om het met een slogan van BZN te zeggen, elke week kregen we daar onze nodige  ‘vitamines voor het hart’. Ik heb veel zin om iedereen deze zomer uit te nodigen voor een ‘zoldermoment’ bij ons thuis. Ja, ik ga er echt werk van maken als jij meedoet natuurlijk. Lus  

Lus Colpin
0 0

Mijn lievelingsmensjes

  4 april 2018 Prins Artuur en prins Lowie, jullie weten het nog niet, maar ik "p(l)ak" niet goed op foto's. Jullie oma verzekert het me al een eeuwigheid en ze heeft gelijk. Ik sta er steeds zo onnatuurlijk op als ik weet dat er gefotografeerd wordt. Ik wil er té graag mooi uitzien en dat wreekt zich zichtbaar. Ik hou dus doorgaans weinig foto's bij waar ik zelf opsta. Tenzij... die met jullie. Daarvan koester ik elk exemplaar, al vijf volle jaren lang. Bestanden en dozen vol met alle mogelijke glimpen van jullie groei en leven. Mijn gelukshormonen zingen volledige aria's van zodra jullie in beeld komen.   Op deze foto zie je ons drietjes. We zitten op een bruine bank met de reflectie van platanen in het raam achter ons. De rugzak naast ons zou misschien al iets kunnen prijsgeven over onze locatie, maar zelfs dan blijft het een wilde gok. We zijn alle drie lekker ingeduffeld in jassen en skipakjes op maat van kleine mensjes. Toegegeven; jullie muts in de vorm van een koalabeer ziet er tien keer beter uit als mijn egaal witte.  Wat ook opvalt is dat jullie er niet overdreven gelukkig uitzien (te wijten aan de barre koude) en dat ik straal als een pauw die voor het eerst in dit leven zijn veren heeft geopend. Dat effect hebben jullie op mij, lieve schatten. Een moederklok heb ik nooit horen tikken, maar mijn tantekes-klok draait overuren!  De dag was memorabel. We sleepten de bolderkar overal mee naartoe en jullie aanmoedigende stemmetjes vanuit de kar deden mij het halve park rondhollen met dat ding. Nooit gedacht dat ik zo lang kon lopen! We hebben gegierd van plezier. En schelmerij uitgehaald, behoorlijk wat. En heel hoog geklommen, als aapjes op een rij in het touwenweb. Gesmuld, gezongen, gedanst en gespeeld; een dag vol zaliGheden!Als de zon schijnt, kunnen we vast en zeker meer dieren spotten. Een goede reden dus om binnenkort nog eens naar Planckendael te gaan, liefjes. Maar deze keer trekken jullie de kar!! (hihihi)   Liefde in overvloed voor jullie, Tante Kiki  

Kristien
0 0

Het perfecte plaatje

                                                                                 Kortrijk, vrijdag 20 april 2018     Dag Ingemar,   Op mijn netvlies staat een foto gebrand. Een foto van vijf mensen die zich samen in een gammel motorbootje bevinden: vier kinderen, tussen de bijna achttien en bijna vier jaar, en een vader. Een ‘gezinsuitstapje’ in de grote vakantie op initiatief van de vader, zo’n achttien (slik!) jaar geleden. Ze waren te laat - dat gebeurde wel vaker - om nog de toeristenboot te nemen en net dat zorgde voor een veel leuker micro-avontuur. Zo mochten ze met zijn zessen het moerasgebied van Claire’Marais in Noord–Frankrijk zelf bevaren. De vier kinderen, met hun haren naar achteren geblazen door de wind, zitten gezellig samengepakt; de jongste daarbij dicht tegen de oudste aanleunend. De drie oudsten hebben van die oversized stevige regenjassen aan, uitgeleend door de organisatie. Zelfs dat beetje regen kon hen niet deren, integendeel, het maakte de beleving nog een tikkeltje mystieker. Het perfecte plaatje van een gezin (vijf voor en één achter de lens), of zo lijkt het toch. Zes mensen die een tijd geleden samen onder één dak (en nu in dat bootje) beland waren en heel hard probeerden om het perfecte gezin te vormen. Niet veel later zou dat zijn tol eisen en het schijnbaar perfecte plaatje zou uit elkaar vallen. De aandachtige kijker ziet de barsten al en de gebroken harten die achter ieders voorzichtige glimlach schuilgaan. Liever dan naar die foto te kijken met de bril van die rauwe realiteit, verkies ik om ernaar te kijken vanuit mijn hart. Een hart dat nog steeds overstroomt van liefde voor die twee broers en die zus. Theoretisch gezien kloppen die benamingen zelfs niet helemaal, maar dat maakt mij niets uit. Vanwaar toch die enorme drang van de mensheid om alles en iedereen in - gemakkelijk te begrijpen - vakjes te duwen? Mijn hart voelt niet in vakjes. En ook al is onze onderlinge band misschien moeilijk te definiëren, wij vieren delen een stukje geschiedenis en dat zorgt voor een levenslange connectie. En dat koester ik, net als die foto. Een registratie op de gevoelige plaat dat we ooit bij elkaar hoorden en bovendien één van de laatste keren dat we nog in die constellatie samen waren. Inmiddels zijn we alle vier volwassen (ja, ook die kleine broer!) en onze levens kunnen niet méér verschillen. Gelukkig zijn er onze smartphones met hun handige applicaties, zodat we nog een beetje op de hoogte blijven van elkaars doen en laten. Die twee stoere jongens zijn echt kinderen van hun tijd (confronterend, die generatiekloof). Zoiets als brieven schrijven of alles wat maar een beetje ruikt naar sentimentaliteit, is aan hen niet besteed. Als fervente snowboarders verblijven ze heel vaak in de bergen en zijn ze steeds op zoek naar avontuur. En binnenkort ook naar (vast) werk – reality check! De zus woont met haar gezin in een nieuwbouwwijk in het Leuvense (in jouw contreien dus Ingemar, als ik het goed voorheb tenminste). Waar de kinderen met hun vriendjes op straat kunnen spelen dat het een lieve lust is en de tijd van hun leven lijken te hebben. Getuige daarvan de stroom digitale foto’s die regelmatig op onze schermen verschijnen. En dat meisje van net geen achttien op die old school-foto? Die heeft zich met hart en ziel in het leven en haar werk gestort. Gedreven door een enorme honger om steeds haar grenzen te verleggen en ervaringen op te doen, reisde ze al flink wat af, volgde ze opleidingen, creatieve workshops … en investeerde ze in haar sociale relaties. En tegelijk bouwde ze samen met haar vriend aan een stevig(e) (t)huis. Waarvan ze hoopt dat het een veilige haven is, waar die drie anderen - met al wie bij hen hoort - tussen al dat whatsappen door graag eens komen aanmeren …       Warme groet,   Daphne

Daphne Muylle
0 0

lieve onbekende lezer

                                                                                                                             Acacialaan, 11 april 2018   Lieve onbekende lezer, Het voelt vreemd aan om een gepaste aanspreektitel te vinden voor iemand aan wie je nog nooit een brief geschreven hebt.  Klinkt het niet te familiair?   Beste, is dan weer zo zakelijk.  Toch maar lieve, In tijden van onverschilligheid kan een beetje lief zijn nooit kwaad. Ik schrijf je vanop onze zolderverdieping. Daar staat een gemakkelijke stoel van waaruit je door het dakvenster, een prachtig uitzicht hebt op de lucht. Ik zit hier dikwijls.  Ik kijk graag naar de wolken en de lucht. Vandaag is die wit met een steekske grijs en wat flarden zonlicht.  Als je recht op de stoel gaat staan, kan je de kerktoren, een populier – hoger dan die toren- en onze tweeling kerselaar zien. Jaren geleden toen we ons huis bouwden, hebben we twee kersenbomen geplant. Te dicht bij elkaar zodat ze nu vergroeid zijn en er uit zien als één boom. Zondag zijn de eerste bloempjes schuchter tevoorschijn gekomen maar vandaag zijn alle knoppen opengebarsten en staat de boom volledig in bloei.  Voor mij het mooiste tuinmoment van het jaar. Ik zit dan ook elke dag een paar minuten naar die bloesems te kijken.  Als echte heersers eisen ze alle aandacht.  Voor de rest is onze tuin niet echt mooi te noemen.  Een stukje gazon, siergrassen, bodembedekkers, wat buxusstruiken, die vorig jaar bijna allemaal kapot zijn gemaakt door die motten. Ik heb absoluut geen groene vingers en vind tuinwerk echt vervelend. Alleen onze narcissenberg is ook nog de moeite.  Liefst lig ik in de hangmat te lezen. Vanuit het dakvenster kijk ik in de tuin van de buurman.  Die man is kunstenaar.  Neen, hij is eigenlijk smid maar in zijn vrije tijd maakt hij beelden.  Zijn tuin staat er vol van. Het meisje met de paraplu en de koorddanser zijn mijn favorieten.   De poort van zijn werkplaats staat rond deze tijd altijd wagenwijd open en met ons raam op klik, kan ik hem horen werken.  Het kloppen van zijn hamer, het blazen van de balg, het jagen van het smisvuur. Het liefst hoor ik het sissen van het ijzer dat wordt gekoeld en het zuchten van inspanning van de man. Als de wind uit de goede richting komt, kan ik het hete metaal en de verschroeide brandgeur tot hier reuken.  Smid vind ik een fascinerend beroep. Het is zwaar werk, vraagt veel kracht, onze buurman is trouwens een boom van een vent.  Naast kracht is ook geduld een belangrijke deugd voor een smid.  Het smeden vraagt tijd, het ijzer laat zich niet altijd even gewillig plooien. Een smid moet niet alleen technisch onderlegd zijn, een dosis creativiteit is even noodzakelijk.  Uitdenken wat je gaat maken, het uittekenen en schetsen.  Niet onbelangrijk pluspunt aan smeden :  als bij de effectieve uitwerking het beeld toch niet is zoals verwacht, kan je de boel terug smelten en opnieuw beginnen.  Ik ben echt wel jaloers op die man. Ik kan niet tekenen en ben daarbij nog onhandig ook.  We wonen in een doodlopend straatje, het loopt dood op het kerkhof.  Vanuit het slaapkamerraam   kan ik een glimp opvangen van de oude graven die er al meer dan honderdvijftig jaar liggen. Een paar jaar geleden kwam er iedere dag een moeder langs, ze parkeerde haar auto voor onze deur en zonder iemand te groeten, liep ze naar het graf van haar kind dat brutaal vermoord was. Nu zie ik haar steeds minder, het verdriet zal wat geluwd zijn, de draad terug opgenomen. Gisteren sprak ik met een vrouw die ik al jaren niet meer gezien had. Ik wist dat ze de liefde gevolgd was naar de andere kant van de wereld. Ze vertelde dat ze het daar goed had met man en kinderen. Ze was een week geleden teruggekeerd voor de begrafenis van haar moeder, die ze zes jaar niet meer gezien had. Morgen vertrekt ze terug maar wou nog even haar graf komen groeten.  ‘Ik heb hier nu niemand meer,’ zei ze ‘en zal dan allicht ook nooit meer terugkomen.’ Dikwijls is het contact woordloos. Elke zaterdagnamiddag komt een man langs om zijn vrouw bloemen te brengen. Klokslag drie  uur, je kan de klok erop gelijk zetten.  Van achter ons keukenraam steek ik mijn hand op en hij zwaait altijd terug.   Misschien hou jij niet zo van kerkhoven maar ik vertoef er graag.  Een beetje melancholie is mij niet vreemd en ik denk graag aan vroeger.  Is dat ouder worden? groetjes

Lus Colpin
0 0

Trallaliee, trallalaa... Ilonaaaaaa!

Brief 1 6 oktober 2017 Oooooh Ilona, ik opende daarstraks de voordeur en daar stond je dan... met een knalgele strik om je hoofd, een lichtgroene cilindervormige doos met gele bloemetjes in je handen en minstens negen felgekleurde cadeautjes aan je voeten. Je glimlach versierde elke centimeter van je guitige ondergezicht. "Lang zal ze leven, lang zal ze leven... " schalde schaamteloos luid uit jouw mond en je huppeldepup-dansje kreeg ik er als gewoonlijk gratis bij. Na al die jaren blijf je me nog steeds aan de grond nagelen met jouw gekke fratsen en heerlijke verrassingen. Wat zie ik je graag! PS: Ik vond het al vreemd dat je me dit jaar vroeg naar mijn verjaardagslijstje. Ik nam aan dat je bij uitzondering geen inspiratie had. Wist ik veel dat jij mijn HELE lijst bij elkaar ging sprokkelen. ZOTTE DOOS!    dankjedankjedankje youmademyday Brief 2 1 februari 2018 Siskeloe, ik had niet durven dromen dat je zou komen. Ik had het zelfs niet durven hopen.  Twee oorontstekingen én een infectie van de luchtwegen lijken me immers wat veel voor één lichaam!  Jij hoort in bed. Met thee. En een warmwaterkruik. En de liefde van jouw Wannes binnen handbereik. Maar oh neen; je draait een sjaal rond oren & hals en verschijnt net op tijd om de camion mee uit te laden. Jij weet hoe overprikkeld ik raak van verhuizen. Jij weet hoe grondig ik hekel aan meubelen in elkaar vijzen. Jij weet hoe mijn vader op mijn zenuwen werkt met zijn ongeduld. Je kent elk landschap van mijn binnenwereld, elke oorlogswonde uit mijn jeugd. Je kent mijn handleiding binnenstebuiten.Jij, potdoof als een 100-jarige. Ik, rondhuppelend als een kip zonder kop om het legertje aan helpers gelukkig te houden. We hebben ons ziek gelachen die namiddag. Er bestaat écht maar 1 vrouw ter wereld die mijn chagrijn zo gemakkelijk kan laten omslaan in dolle pret. Hemellief, wat ben ik blij met jou! Ziek nu maar uit, Siske I. Ik wil je niet meer horen of zien alvorens je volledig genezen bent. Tenzij ik iets voor jou kan doen. Eender wat. Dan weet je dat ik op mijn bezem spring en naar je toe vlieg, sneller dan de wind.  (hihihi) Siske K. Brief 3 14 april 2018 Allerliefste snoezepoezeloeterke,   het spijt me ontzettend dat de duisternis jou weer even helemaal in zijn greep heeft. Ik had al zo'n vermoeden. Een week duurt lang zonder iets van jou te horen. Dan weet ik hoe laat het is. Vandaar dat ik je even belde. Je klonk dapper, zo ken ik je. En moe, ook dat hoort erbij. Een diepe overgave bespeurde ik evenzeer. Toch maf hoe simultaan ons intern proces loopt. Volgens mij zijn onze zielen per ongeluk aan elkaar gerist alvorens we geboren werden. Alhoewel... per ongeluk?Veel woorden hadden we niet, aan de telefoon. En toch was die ene zin voldoende om ons beiden in de slappe lach te laten rollen. Zeven volle minuten lang, ik heb het gezien op de klok. Volgende keer moeten we daar toch wat meer pauzes in proberen te stoppen, want dat plekje achteraan mijn hoofd deed weer zoveel pijn! Mijn woorden zijn op. Bedankt, knettergekke vriendin. Je was een streepje zon in mijn bewolkte dag.  PS: Zou dat lachplekje op het achterhoofd algemene kennis/ervaring zijn? Ik vraag het me af. Misschien moet ik hier eens wat mensen over bevragen. Ik houd je op de hoogte!

Kristien
0 0

derde opdracht : brief aan ex

Dorp, 20 april , 2018   Walter, Wat zag je er knap en goedgezind uit op de fotokaart uit Amsterdam !  Fysiek heb ik me na 1984 nog lang tot je aangetrokken gevoeld . Maar je goede luim verdween uit zicht zo gauw we weer thuis waren . Je cafévrienden lokten je ganse dagen en nachten mee , terwijl ik thuis eenzaam op onze twee dochters paste . Zonder veel nadenken en omdat hét moest  waren we in november 1974 in het huwelijksbootje gestapt . Je hebt me nooit verteld wat je dacht van mijn zwarte rok met blazer , die ik toen droeg.  En die zwarte hoed met witte bloemen was nog echt flower power. Wat jij precies aanhad  , weet ik zelfs totaal niet meer . Je moet me eens een foto terugsturen als je wil , want je wou onze trouwfoto’s niet verdelen  bij de scheiding , nu meer dan twintig jaar geleden. We doen nu dus een kleine ruil. Onze huwelijksreis  bestond uit een lang weekend Amsterdam. Veel hebben we van de stad niet gezien indertijd. Ik herinner me vooral de massa’s gehavende fietsen die overal gestald stonden. ’s Avonds durfden we niet buitenkomen , de stad leek dreigend. Ons knusse hotelbed was een  excellent alternatief. De knappe man op de toeristische zwart- wit postkaart is omring door stadsgezichten. Een daarvan is het Anne Frankhuis. Dat bezochten we op onze tienjarige jubileum huwelijksreis. We liepen er samen door de beladen vertrekken. Mijn hoofdmotief voor het bezoek was het feit dat  Anne dagboeken  schreef.  Realiteit boven fictie , misschien een beetje gekleurd , maar toch echt . Jij liep blijkbaar maar met me mee , om de tijd te doden. Tenminste ik weet absoluut niet wat je er van vond en of het je iets deed . Communicatie was zeker niet ons sterkste punt. Het tochtje op de grachten was waarschijnlijk meer je ding. Je kon er een biertje krijgen en je onafscheidelijke sigaret roken. Een drijvende kroeg , dat hield je nog wel wat vol. Zelfs als ik er bij was. Twintig jaar huwelijk hebben we net niet meer gevierd .  Jij hield meer van de drank dan van je gezin en ik dacht een nieuwe liefde te hebben gevonden. Heb jij ooit een traan gelaten om het verlies van je huwelijk ?  Ach, dat zal je me nooit vertellen . Maar in trouwen ben je goed. Ik hoor net van onze oudste dochter dat je het een vierde keer gaat doen. Succes nogmaals !    Myr  

Myriam
0 0

Voor-het-vriendinnetje-van

Hey Annelies,   De baby ligt al in bed. Ze was moe, het warme weer denk ik. Doet me denken aan haar geboorte, toen was het ook zo’n hete dag. Weet je nog, dat we jullie ‘s avonds laat opbelden met het grote nieuws? Wat had ik graag de reactie van jullie kindjes gezien, ze keken al zo lang uit naar de komst van hun nieuwe speelkameraad. Maar ze moeten nog een beetje geduld hebben. Tot de baby geen baby meer is en mee kan ravotten. Dan houden we logeerpartijtjes en kunnen we elkaar een dagje rust gunnen. Iets om naar uit te kijken!   Groetjes Hey Annelies   Ik wou je nog vertellen dat ik blij ben dat het wat beter gaat tussen ons. Onze eerste ontmoetingen, twaalf jaar geleden, waren geen hoogvliegers. Twee verschillende karakters, samen in de mix gegooid: de-vriendinnetjes-van. Dat liep vaak stroef want we zitten nu eenmaal anders in elkaar. Maar je laat ons een rol spelen in het leven van je kindjes want dat vind je belangrijk. Wij zijn wat chaotischer, we lopen niet binnen strak afgezette lijnen. Maar dat begrijp je en je laat ons doen, want als je ons nodig hebt dan zijn we er wel.   Groetjes Hey Annelies   Wat ben ik soms jaloers op je. Een mooie carrière en een huishouden dat draait als een minutieus afgestelde machine. Ik doe zomaar wat. De wasmand puilt uit, de keuken is een puinhoop. Er ligt zelfs aarde in de living, omdat de kat een andere mening heeft over de positie van de kamerplanten. Maar iedereen is gezond, krijgt op tijd eten en drinken, is proper. Daar doe ik het mee. Misschien moet je dat ook soms eens proberen, gewoon even loslaten wat tijd nemen voor jezelf. Het kan zo deugd doen.   Groetjes

JasmienB
0 0