Lezen

groeten van 't harnas

groeten van ’t harnas ik heb nog nooit gehoord van moralen geef me meer herfst kippenvel meverkil mijn kin slaap in mijn vlees word warm met donker deken dat netpast we zitten onder schilderijen van de hele wereldonze hoofden een millennium freestyleik voel me opgeleefd + onsterfelijk + afgedwongenin minder dan twee weken ondergegaan nu ben ik herboren zoals Zephyros ik schrijd westwaarts nooit tragisch nu bestorm ikwat straffe tanden en parelen maskers warenop venus ontmasker ik jemijn mond is een telefoonspeekseldraad en ik zal je morgen bellen   mijn geheugen is in twee volumes uiteen gevallen en ik zal nooit vergeten hoewe dieper in mijn matras zaktenneergelaten in het schuimtwee bruisende lijken een hap uit elke voetwondkorsten in een flesje om iets anders later te genezen ik ben op alles aan hetbesparen nu gewoon voor de zekerheid heb ik mijn plan bneergeploegd: kapitalist saxofonist co-producer nudist ster   terugkeer naar een uitgesleten ikheb een paar strijkkwartetten naar mijn verleden-zelf gestuurd en een paar gedichten en een paar geweien andik in een zwart-witte droom nog eens het controleerbare herlevendik smaak de zeep lippen + ogen naar binnen gekeerd + vinger geweer gerichtvizier op mezelfik geur naar wilde bloemen van je rug geplukt een wandelingeen gevolg op mijn spieren getatoeëerd   ik sluipbuig mijn been een beetjedruk mijn fronton achterwaarts ik drink meer lucht vaartuigbegrensdde keel smerenddood metaal   ik wil dat je mijn kamer binnengaatjezelf uitleeft/overleeft dat je danbuiten gaat op middelmatige vlaktes dat je danalle ledemaat-toppen vergeet en sterft + weer ontstaat + je kneedtjezelf in de ochtend beklim jezelf bestijg jezelfcasual klifen voor mijn voetenhang je aan een draadje

Camilla Peeters
0 0

Een vreemde reflex

De professor keert zich naar zijn studenten. In een poging om zijn bordschema te verduidelijken opent hij zijn mond. En dan gebeurt het. Een indringer pakt het strotklepje op snelheid. De man hapt naar adem. De haartjes in zijn luchtpijp krijsen het uit bij het vaststellen van de ongenode gast. Elektrische impulsen flitsen door zijn zenuwvezels, worden chemisch doorgegeven van synaps naar synaps, van insnoering naar insnoering om dan weer elektrisch  op weg te gaan naar het centrale zenuwstelsel. De reflexboog staat gespannen, zijn nekspieren ook. Aan zijn slapen verschijnen wild pulserende aders. Achter het nalatige kraakbeenklepje klappen zijn stembanden spastisch open en dicht. “Hukh, ukh, kh” brengt hij uit. Een traan rolt over zijn wang.   De hoest is een reflexmatige explosieve uitademing die ontstaat bij prikkeling van de luchtwegen en deze reinigt van slijm en vreemde voorwerpen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de enkelvoudige kniereflex is de hoestreflex complex van aard. Bij de receptie van een sensorische impuls –de prikkeling van het slijmvlies in de luchtwegen - wordt een signaal doorgegeven via afferente zenuwvezels naar het ganglion, een bundel zenuwcellen naast het ruggenmerg. Van daaruit worden twee soorten efferente zenuwvezels aangestuurd die de reflex in gang zetten. Complexe reflexen zijn langzamer dan enkelvoudige, er ontstaat een korte tijdspanne tussen receptie en reflex. Zij worden derhalve ook wel vreemde reflexen genoemd.   Wat volgt is een briesende luchtstoot die zich met een kracht van jewelste en een vlaag van kleverig slijm de ruimte in stort. De professor kijkt beduusd naar het snot op de tafels van zijn studenten op de eerste rij. In het midden plakt een zwart schepseltje met poten. “Excuseer” herpakt hij zich. “Er zat een vlieg in mijn keel. Ze is eruit nu.”

Fien
46 1
Tip

Herder

Wouter had haar aangeraden het huis te verlaten op een moment dat er niemand thuis zou zijn. Daaruit had ze afgeleid dat haar eigen aanwezigheid in het huis reeds niet meer als thuis zijn beschouwd werd. Nu stond ze naast de auto en steunde met één hand op de klep van de laadruimte, waaronder haar reiskoffer en een paar draagtassen gepropt zaten. Op de achterbank stonden verhuisdozen en op de passagierszetel vooraan stond haar paspop met de afgeschroefde poot ernaast.   Ze keek naar het huis. Telkens ze ergens wegging, keek ze achterom. Het was een gewoonte die ze zichzelf had aangeleerd nadat ze in haar studententijd een geliefd jasje op de trein was kwijtgeraakt en had gezworen dat zoiets niet meer zou gebeuren. Een verlies was niet iets dat je overkwam, daar was ze sindsdien van overtuigd geweest. Het was het gevolg van nalatigheid, een gebrek aan karakter.   Tot haar ergernis zag ze dat ze vergeten was de voordeur te sluiten. Haar hand greep in haar broekzak naar de sleutel, maar in haar benen kwam geen beweging. Waar had ze ook weer gehoord dat vergeten een vorm van onbewust beslissen was? Terwijl ze de sleutel doorheen de stof van haar jeans in haar been duwde, klonk vanuit de hal plots het voorzichtige tikken van hondenpoten. Het was de oude Border Collie, die in de deuropening ging zitten en haar aankeek.   Plotseling kwam haar een vroege ochtend in de lente voor de geest, jaren geleden, waarop ze de meisjes te voet naar school had gebracht terwijl de hond vrolijke cirkels om hen heen rende. Wouter was naast hen komen lopen met een vuilzak in zijn hand. Halverwege de woonwijk was hij de straat overgestoken om de zak in een container te gooien.  De hond was hem meteen gealarmeerd achterna gerend, en had alle trucs van een herdershond gebruikt om Wouter weer te doen omkeren. “Zie je dat?” had ze de meisjes gezegd. “Dat is wat collies doen. Die houden de kudde bij elkaar.”   Ondertussen was de hond gaan liggen, met zijn kop op zijn poten, zijn blik nog steeds onafgebroken op haar gericht. Ze hoorde hem zachtjes janken. “Het spijt me, ouwe jongen,” zei ze. Met trillende handen maande ze de hond weer naar binnen en sloot de deur.      

Kathleen Verbiest
80 0

Krijsen in de knop.

  Dit is niet het verhaal van foute momenten. Dit is het verhaal tussen de regels. Het speelt zich af ergens in een onbestemde tijd, waar niets is wat het lijkt en de hoofdrolspelers niet weten dat ze hoofdrolspelers zijn, in een blijspel, waar drama en lach elkaar in sneltempo de das om doen. Jij was jij en ik was ik. Dachten we. Ik leerde je kennen op een moment waarop de kosmos zich gedroeg als een balsturig en onwillig kind. Eén dat snoep uit de kast wil en dan toch maar een appel eet, gewoon om zijn ouders te horen zeggen: “Je weet niet wat je wil.” Het kind weet het altijd. Het kind wil kunnen kiezen, op het moment dat de keuze voor zijn neus staat. Dat is wat het kind altijd doet. Kind zijn. Zonder daar veel zwaarte aan te hangen. Kiezen. Niet kiezen. Geen honger hebben en toch eten. Goesting om te proeven van wat er voor zijn neus staat. De kosmos laat zich niet vangen aan wetten. De kosmos doet wat de kosmos doet. Zorgen voor entropie en chaos in de kop. Dat is waar de kosmos is uit ontstaan. Botsing. Een harde kraak op het wezen van de tijd. Het moment, en dan weer verder. De man en de vrouw botsen. As it will ever be.   Ik leerde je kennen. Ik leerde je kennen op een moment dat mijn leven even een aaneenrijging was van gebroken harten, op een moment waarop de dagelijkse routine bestond uit ontwaken, koffie, eten, dut, koffie, eten, met daartussen wat vrolijk getik en gestolen momenten van waardeloos niksen. In stilte en gewauwel. Wat jij toen uitvrat en welke hoogtes en laagtes je doorging, daar heb ik geen flauw idee van. Je sprong en viel, racete en knalde, brak harten en koos voor schaamhaar. Je koos voor trage groei. Je koos voor tegen-de-natuur-in. Je koos voor het moment waarop de man in je leven kwam. Die man zou alles veranderen. Maar je wist het nog niet. Hij kuste je, tegen zijn normaledoen in, en daar begon het. Het verhaal.   Ik leerde je kennen. Ik leerde je kennen als snelle denker en spiritueel vat. Ik leerde je kennen in je gulle lach en via de zachte zee in je ogen. Ik leerde je te zien, door de drukte heen. Ik leerde niets wat ik nog niet wist of gezien had. Ik zag je staan. Het waren momenten van stille ontroering, momenten van herkenning en vreugde in de knop. Dit is niet het verhaal van verloren momenten. Dit is niet het verhaal van sneller en traag. Dit is het verhaal waarop alles anders wordt. Dit is het verhaal waarin ik je zie, hoor. Waarin ik je hoor en voel. Hoor vragen en zie goochelen met hekserige wijsheid. Het verhaal waarin de rollen even omgekeerd zijn.   De man luistert. De man luistert goed, maar hoort niet alles. Hij hoort vragen, luistert naar besognes van het hart. Hij keert terug naar de stilte van zijn hol, om doorheen de talloze woorden en de drukte van de dag het verhaal te ontwaren. Waar is de vrouw mee bezig? Wat houdt haar werkelijk bezig en wat wil ze doen? Hij hoort haar zeggen dat ze snel gaat, dat ze voortdurend luistert naar wat de maan haar opdraagt, dat ze als een raket leeft, dat ze dit en dat ze dat. Dat ze als honderd honden wil racen tot de meet nog voor het konijn vertrokken is. Over de trouw aan haar vader. Over dat alles nu moet, want morgen kan het gedaan zijn. De man luistert, steeds met grote oren, naar het boeiende verhaal. Hij slaat haar gade, die vrouw met kind. Het kind dreint en wil een ijsje. Het kind dreint en wil een ijsje. Het kind dreint en wil een ijsje. Maar ze krijgt het niet. Niet dat, maar wel een ander. Ijsjes zijn ijsjes. Mijsjes altijd mijsjes. De vrouw is het kind. Het kind is de vrouw. De oude wijze dame zit te lachen aan tafel.   Wie ben jij? Is de vraag die de vrouw vaak stelt. De man gedraagt zich speels, en is wispelturig. Hij wentelt zich in nieuwe aandacht en krijgt zijn hart niet opgestart. Zet twee stappen en één terug. De man heeft paden bewandeld. Het slijkt hangt aan zijn broek. Ze vindt de man erg leuk, maar de man is niet helemaal mee. De man vindt de vrouw aantrekkelijk, grappig, slim en mooi. Ze zegt vaak rake dingen, maar misschien ook soms zomaar wat. Wat wil ze dan? Slapen. Hangen. Liggen. Vrijen. Sexen. Lachen. Koken. Niet drinken. Nooit drinken. Eten. Gulzig zijn. Inkten. Maken. Spelen. Huilen. Ontroeren. Tussen de tik van de wijzers door.   Dit is het verhaal van de vrouw die wou. Het verhaal van de vrouw die wou springen, vanaf het eerste moment. Het is het verhaal van de vrouw die altijd doet en nimmer omziet. Het is het verhaal van de vrouw die de bakens uitzet en zegt wat er gebeurt. Dit is het verhaal van de vrouw die niet gelooft in niet volgen. Die gelooft in dat ene kansmoment. Waarop ze zegt dat het nu is en niet morgen. Dat ze vraagt waar gaan we heen. Dat ze kiest om snel te delen, niet te talmen en te doen. Dat is waar, zegt de man. Maar de man zegt meer. Dat het gaat om verstilling en geen controle, meegaan op zijn flow. Dat de angst voor iets anders niet leidt tot hartzeer. Dat eerst willen vertragen met de groei van pubishaar, niet rijmt met kiezen voor veiligheid omdat traag rauw aanvoelt. Dat situatie en controle niet echt hoeven, en bescherming evenmin. Omdat de man echt heeft gekozen. Dit is het verhaal van de vrouw die haar hart op slot deed, omdat de man haar niet wou volgen. Dit is het verhaal van de man die zijn hart opende, omdat de vrouw hem wel kon volgen. Dit is het verhaal van de vrouw die moest helen, traag omdat de tijd het vroeg. Dit is het verhaal van de man die mee wou helen, omdat zij het vroeg. Dit is het verhaal waarin de aanzet werd geschreven, met bloed tegen de muur. Het verhaal van overgave, van kwetsen en tinctuur. Dit is een verhaal zonder einde, een parabel in de knop, over hoe andere paden – en paarden in galop – niet ho zeggen en zeker ook geen stop. Een verhaal van open geesten, en niet weten wat gedaan. Over iets anders, nu. En dat zie je er ook aan.

Adelin Perdu
0 1

Pendelpencils

Ze zag haar evenbeeld weerspiegeld in het raam. Buiten was het donker, of toch, zo leek het. Het was slecht een illusie. Het treintraject liep doorheen de bergen, en de penetrerende tunnels maakten dat ook overdag de reiziger zich in nachtmodus bevond. Elke maal de trein de tunnel uitreed, en het zonlicht de wagon verlichtte, werden de passagiers gewekt. Ogen werden uitwreven, monden gaapten, en lichamen strekten zich uit. Om dan weer, enkele minuten later, de volgende tunnel en nacht in te rijden, en weer verder te dommelen op het ritme van de wiegende wagon.   De pendelaars op dit traject hebben het goed. Het vroege wakker worden wordt verzacht door de sluimerende, schommelende reis naar hun bestemming. Ze krijgen de tijd om de dag te beginnen. Ze krijgen de tijd om hun ogen te laten wennen aan het zonlicht en aan de geuren en kleuren die bij klaarte hun donkere holtes verlaten. Ze moeten niets. Ze wennen. Aan het licht, aan het geluid, aan elkaar, aan hun plannen voor de dag. En wennen is goed. Wennen maakt dat je beter voorbereid de dag doorkomt.   Toch hebben de pendelaars op dit traject het ook lastig. Veel te warme wagons in de zomer, ijskoude in de winter. Verwarmingen die niet werken, plakkerige vloeren, zuurgeurende toiletten, onvriendelijke medereizigers, en constante vertragingen. Het zit hen niet mee. Gezucht rukt op wanneer ze de trein opstappen, die hen genadeloos naar hun bestemming brengt. Ze hopen een vertraging op te lopen, om dan het recht op klaagzang over de Italiaanse spoorwegen te kunnen opeisen. Ze grommen en knorren en puffen en zuchten.   De trein remt het station binnen. De pendelaars staan recht en stappen de trein uit. De dag is begonnen. Het warme deken van de treinwagon wordt genadeloos van hen afgetrokken. Maar dat is niet erg. De reis heeft zijn dienst gedaan. Ze zijn klaar. Ze zijn het gewend.   Ze zag haar evenbeeld weerspiegeld in het raam. Buiten was het nu licht. ‘Het blijven het pendelaars. Maar deze hebben het toch niet zo slecht.’, dacht ze.

Rebekka
0 0

Le Bohémien 1 – Een barst, en het licht dat binnenstroomt

In het blauwe teiltje dat Jan in zijn ene hand draagt, past de afwas van één gezin. Borden, glazen en bestek, maar niet de braadpan. Die moet Jan in zijn andere hand dragen. Hij sloft over het stoffige pad van de tent naar het sanitaire blok. Slippers aan zijn voeten, zijn lange witte tenen steken onder de bandjes uit als voelsprieten. Als er iets aan zijn lijf is wat hij echt lelijk vindt, dan zijn het wel zijn lange, kromme tenen. Kleine steentjes en zand van het pad kruipen tussen het plastic van de slippers en zijn tenen. Hij wordt gek van dat kriebelende, jeukende gevoel aan zijn voeten. Hij flippert het gruis weg, eerst de linkerslipper en dan de rechterslipper. Ondingen. Hij had zijn instappers moeten meebrengen. Maar daarvoor was geen plaats meer in de koffer. Wel voor Muriëlle haar watersandalen en haar bottines. Niet voor zijn comfortabele schoenen.   Er ritselt iets in het hoge, droge gras naast het pad. Hier zitten beesten, hij weet het. Dat is typisch voor het zuiden van Frankrijk. Hij heeft ze nogal gehoord deze week. Vermoedelijk slangen of hagedissen. Of anders muizen of ratten. In elk geval iets vies of giftigs. Dat kan niet anders op deze camping. Wat loopt hij hier eigenlijk te doen? Er staan vier afwasbakken op een rij onder een golfplaten afdak. Twee ervan zijn bezet door luidruchtige Nederlandse kinderen. De clichés kloppen.   Aan een andere spoelbak doet een roodharige vrouw de afwas. Hij schat haar rond de dertig, jonger dan Muriëlle, slankere heupen ook. Ze is niet erg groot en een Française te zien aan de pareo die ze draagt, of hoe zo’n wikkelding ook mag heten. Haar voeten zijn gebruind en ze draagt Birkenstocksandalen met een oranje riempje. Opvallend. Jan knikt naar haar wanneer hij het teiltje neerzet in de afwasbak naast haar. Zij kijkt hem niet aan. Zij wast af. Hij doet afwasmiddel in het teiltje en draait de koude kraan open, dan de warme kraan.   Er komt geen druppel water uit de kraan, er klinkt een kort, droog geklop en vervolgens schiet de kraan met een knal de lucht in. Het water spuit in het rond. Jan krijgt de fontein vol in zijn gezicht. Hij is meteen drijfnat. De Hollandse kinderen gillen en lachen hem uit. ‘Klojo’ en ‘oen’. Jan staat perplex. Hij staart naar het blauwe teiltje en naar het gutsende water.   Jan is een man die niet reageert, nooit, tenzij het hem allemaal teveel wordt. Muriëlle noemt hem traag. Jan noemt zichzelf bedachtzaam. Hij weet wel dat hij dingen opkropt om dan te ontploffen. Maar meestal relativeert hij liever dan hij reageert. Zo blijft Jan gelukkig. Geen conflicten, geen gedoe. Een klein beetje oorlog is soms écht niet beter. Dat weet hij van zijn werk op het Nationaal Geschiedkundig Instituut.   Ondertussen is hij kletsnat, short en poloshirt zijn doorweekt en hij staat met zijn slippers in een kleine modderpoel. Hij vindt het een onaangename gewaarwording, maar kan alleen maar kijken hoe het water uit de buis gulpt.   Pas als het water stopt met lopen, ziet hij dat zij op haar knieën onder de wasbak zit. Hij ziet de welving van haar natte voetzolen, de slanke enkels die overgaan in smalle gespierde kuiten. ‘Vreemd, dat ik hiernaar kijk’, gaat er even door zijn hoofd. Dan kijkt hij naar haar en ziet dat zij naar hem kijkt en een lach niet kan onderdrukken.   ‘Jij bent héél erg nat’, zegt zij, ‘je moest gewoon de hoofdkraan dichtdraaien.’   ‘Je spreekt Nederlands,’ antwoordt Jan. Een vaststelling, wat kan hij anders zeggen?   ‘Dacht dat je Frans was.’   ‘Nee, van Gent. En jij?’   ‘Brussel’, zegt Jan.   ‘Bon, allez, nog veel plezier met de afwas, die van mij is gedaan. Ik ga mijn voeten wassen. Ik haat modder tussen mijn tenen. Uw schuld.’   ‘Grappig accent, met die r ergens achteraan in de keel’, denkt Jan terwijl hij de afwas doet aan een andere afwasbak. De kapotte kraan laat hij voor wat ze is. Hij kan ook niet alles oplossen. Hij moet op het werk al hele dagen problemen oplossen over dat rottig historisch algoritme. Nu is hij met vakantie. Jan is graag met vakantie. Hij houdt van het zonder tijd zijn. Van tijd die geen tijd meer is, maar een vloeiend geheel wordt.   Terwijl hij met de afwas in het teiltje terugloopt naar de tent, verdwijnt hij in de zinderende hitte die over het kampeerterrein hangt. Even is er geen Jan meer. Veel meer dan dit niet-zijn mag hij niet verlangen.   Hij landt wanneer hij een venijnige prik voelt. Op zijn arm zit een insect dat hij nog nooit heeft gezien. Een soort megawesp. Nog nooit gezien. Bestaat niet. Mag niet bestaan. In een paniekerige reflex slaat hij het beest van zich af. Het steekt hem nog een keer, wat nog meer pijn doet. Er verschijnt meteen een pijnlijke rode bobbel op zijn arm. Muriëlle zal hier wel raad mee weten. Hij sloft verder over het stoffige pad. Op zijn hoede, op deze rottige camping zit beslist nog gevaarlijk ongedierte.   Wordt vervolgd …    

David Van Bambost
0 0

Zian

Op een bank in de Kompanjiestuin Een zwerver komt naar me toe Hij vraagt: tekent u? Nee, ik schrijf Wil ik dan iets voor hem doen?   Want jij bent door God naar mij gezonden Ik die al jaren door de straten dwaal Ik vraag geen geld, ik vraag alleen schrijf alles op En vertel de wereld mijn verhaal   I’m sixty-one, oud en versleten Toen mijn vrouw is gestorven ben ik alles kwijt geraakt I’m alone, het is hard, dus drink ik my doppie Want zonder ’n doppie kan je niet slapen op straat   Mag ik my doppie drinken, mag het asjeblieft?   Want ik krijg te min money om een huis te betalen Alle problemen hangen samen met geld Ze steken ons weg in plaats van te helpen Maar nu wordt het anders, nu jij alles vertelt   Want jij bent door God naar mij gezonden Ik die al jaren door de straten dwaal Ik vraag geen geld, ik vraag alleen schrijf alles op En vertel de wereld mijn verhaal   I’m coloured, ’n kleurling, ’n bruinman uit Kaapstad Wij leven hier ook, maar ze steken ons weg The world is a ghetto, maar ik doe wat ik wil Ons land is niet goed, de kleurling heeft pech Alle jobs gaan naar zwarten, dus vind ik geen werk meer Al heb ik nog zoveel talent Die regering, hy mors, Zuma must suffer Hy is ’n gemorspresident   Maar jij bent door God naar mij gezonden Ik die al jaren door de straten dwaal Ik vraag geen geld, ik vraag alleen schrijf alles op En vertel de wereld mijn verhaal   Mijn moeder zei: ik weet niet waar je gaat Maar ga je eigen weg en dat heb ik altijd gedaan Moenie worrie nie, God is goed, hij is de beste gids Hij toont je waar je moet gaan Je kan zijn wie je wil, je kan zijn wat je wil Je kan zijn wie je wil, je kan zijn wat je wil Je kan zijn wie je wil, je kan zijn wat je wil Maar je kan nooit Allah zijn   Maar jij bent door God naar mij gezonden Ik die al jaren door de straten dwaal Ik vraag geen geld, ik vraag alleen schrijf alles op En vertel de wereld mijn verhaal   Op een bank in de Kompanjiestuin Trots, hoop en wanhoop verdoezeld met wijn Ach, Zian, ik wist toen ook niet Dat jou verhaal nu een liedje zou zijn

Annemie Corens
17 0

Maak dat mee!

Toen lange Eddy met de licht groene, opgevoerde Zündapp KS50 van Moe, z’n broer Patje achterop, tegen 65 km/uur de rotonde aan het dorpsplein wilde oprijden, kwam er net een tractor met een op en neer wiebelende beerkar aangereden. Eddy smeet alles dicht en kon de brommer nog net in evenwicht houden. Z’n broer botste met z’n witte helm tegen de rug van lange Eddy aan. “Godverdoemme, nu zitten we daarachter” riep die. De John Deere met zestienduizend liter stront draaide veel te snel de rotonde af. De twee ongeduldige broers volgden op vier meter. De landbouwer reed, uiteraard, niet snel genoeg naar de zin van Patje. ‘Geef gas, nondedju!’ riep die. Ter hoogte van de Onze Lieve Vrouw van de Zeven Weeën kerk liep het mis. Op dat moment ontplofte met een ongelofelijke knal de rechterband van de zware beerkar. De stukken rubber en de koeienstront, vlogen in het rond. De Zündapp slipte en knalde, rechts van de beerkar, tegen wat er was overgebleven van de velg. Eddy werd samen met de brommer gekatapulteerd en zweefde ettelijke meters door de lucht. Hij kwam terecht op een remorque van een Marokkaan die zijn inboedel aan het verhuizen was, drie voertuigen verder dan de tractor. De zwevende Zündapp zelf knalde tegen een boom links van de rijbaan en slingerde de wei in. Patje lag, helemaal bedolven onder de stront, rechts van de tractor in de berm. De oude boer stapte, alsof er niks was gebeurd, uit z’n tractor. “Dat is van 1944 geleden dat ik nog zo’n knal heb gehoord.” zei die zonder te verpinken tegen de vloekende Patrick in de berm. De ongedeerde Eddy, lijkbleek -bijna zo wit als het wit van de pasgeverfde wegmarkeringen even verderop richting rotonde -, wandelde terug naar de plaats van het ongeval en sloeg de boer, met een overtuigende linkse, op zijn neus. In de kanariegele VW golf achter hen, die nu tamelijk donker groen zag en stonk, zat een vrouw te bibberen, haar handen stijf geklemd rond het stuur. “Maak dat mee!”, mompelde Patje, “een beerkar met een klapband.” Ondertussen stond gans het dorp rond de plaats van het onheil. Met name de parochiezaal, waar op dat moment de KWB hobby tentoonstelling net was geopend, liep leeg om naar het spektakel te komen kijken. Daar hadden ze de knal namelijk ook gehoord.

Hubert Grimmelt
0 1